Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021PC0570

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

COM/2021/570 final

Brussel, 22.12.2021

COM(2021) 570 final

2021/0430(CNS)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

De COVID-19-pandemie heeft geleid tot de ergste economische recessie sinds decennia in de EU 1 , maar het beleid, zowel op nationaal als op EU-niveau, heeft daarop snel en vastberaden gereageerd. Alle lidstaten hebben uitzonderlijke discretionaire maatregelen genomen, naast hun “automatische stabilisatoren”, om de economische activiteit te ondersteunen en de sociale gevolgen te verzachten.

De EU heeft eveneens ongekende maatregelen genomen om de crisis aan te pakken. Met een totaal van 1,8 biljoen EUR in prijzen van 2018 is het meerjarig financieel kader van de EU, in combinatie met het herstelinstrument van de Europese Unie (NextGenerationEU), het grootste stimuleringspakket dat ooit door middel van de EU-begroting is gefinancierd. NextGenerationEU is op 14 december 2020 formeel goedgekeurd door de Raad 2 met de steun van het Europees Parlement. Het instrument zal 750 miljard EUR (in prijzen van 2018), opgenomen op de kapitaalmarkten, ter beschikking stellen om binnen een welbepaalde tijd specifieke herstel- en veerkrachtacties te financieren om de economische groei te stimuleren en te investeren in veerkracht en een groenere en digitale toekomst.

Er zijn voldoende inkomsten nodig om de financieringskosten van NextGenerationEU-leningen gespreid over drie decennia terug te betalen. De terugbetaling van de hoofdsom kan beginnen vóór het einde van het meerjarig financieel kader 2021-2027 indien de bedragen die niet voor rentebetalingen worden gebruikt, lager dan gepland zijn en er nieuwe eigen middelen zouden worden ingevoerd 3 , en moet uiterlijk eind 2058 voltooid zijn 4 .

In het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 5 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verklaard dat de uitgaven uit de Uniebegroting ten behoeve van de terugbetaling van het herstelinstrument voor de Europese Unie niet zouden mogen leiden tot een onnodige vermindering van programma-uitgaven of investeringsinstrumenten uit hoofde van het meerjarig financieel kader. Overeenkomstig dit Interinstitutioneel Akkoord is het ook wenselijk de stijging van de bni-middelen voor de lidstaten te beperken. De drie instellingen zijn derhalve overeengekomen te “streven naar de invoering van voldoende nieuwe eigen middelen ter dekking van een bedrag dat overeenkomt met de verwachte uitgaven met betrekking tot de terugbetaling”. 6 De Commissie heeft zich ertoe verbonden in 2021 nieuwe eigen middelen voor te stellen met het oog op de invoering ervan uiterlijk 1 januari 2023 7 .

2.INHOUD VAN HET WIJZIGINGSVOORSTEL

De Commissie stelt voor nieuwe eigen middelen in te voeren die de EU de beschikking geven over de nodige middelen, met name ten behoeve van nieuwe begrotingsuitgaven voor de terugbetaling van de financieringskosten van de NextGenerationEU-leningen en voor het sociaal klimaatfonds 8 .

In het gewijzigde voorstel wordt bepaald dat 25 % van de meeste inkomsten uit te veilen rechten in het kader van de emissiehandel naar de EU-begroting gaat. Dit omvat inkomsten uit het huidige emissiehandelssysteem voor vaste installaties en luchtvaart waarvoor extra emissierechten zouden worden geveild, alsmede uit de uitbreiding ervan tot het zeevervoer en de invoering van een afzonderlijke emissiehandel voor het wegvervoer en gebouwen, overeenkomstig het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG 9 .

Emissierechten die door de Europese Investeringsbank worden geveild voor het innovatiefonds en het initiële dotatiekapitaal van het moderniseringsfonds zijn uitgesloten. Om neutraal te blijven, omvat het toepassingsgebied van de eigen middelen ook emissierechten die in beginsel bestemd zijn voor veiling door de lidstaten maar, op basis van de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten, kosteloos worden overgedragen aan de energiesector, worden gebruikt voor naleving door sectoren die de inspanningen delen, of worden geveild door de Europese Investeringsbank voor het moderniseringsfonds.

Met het oog op eventuele sociale gevolgen in verband met de invoering van emissiehandel voor het wegvervoer en gebouwen heeft de Commissie voorgesteld een sociaal klimaatfonds op te richten. Het fonds zal ten goede komen aan kwetsbare huishoudens, micro-ondernemingen en vervoersgebruikers. Voor de duur ervan zal het fonds worden gefinancierd uit de eigen middelen van de Uniebegroting, de inkomsten uit de handel in emissierechten voor het wegvervoer en gebouwen daaronder begrepen vanaf 2026. De totale financiële middelen van het fonds voor de periode 2025-32 bedragen 72,2 miljard EUR in lopende prijzen, wat in beginsel overeenkomt met ongeveer 25 % van de verwachte inkomsten uit het nieuwe emissiehandelssysteem voor gebouwen en het wegvervoer voor de periode 2026-2032.

Er wordt een tijdelijk solidariteitsaanpassingsmechanisme voorgesteld om de regressieve verdelingseffecten van de op de emissiehandel gebaseerde eigen middelen te beperken, waarbij een maximumbijdrage wordt ingevoerd voor koolstofintensieve lidstaten met een lager inkomen en een minimumbijdrage voor koolstofarme lidstaten met een doorgaans hoger inkomen. Dit voorkomt dat sommige lidstaten tijdens de overgangsperiode naar duurzamere economieën en samenlevingen onevenredig veel bijdragen aan de EU-begroting in verhouding tot de omvang van hun economie, en waarborgt een rechtvaardige bijdrage van iedereen.

In dit voorstel wordt bepaald dat een deel van de inkomsten uit de verkoop van certificaten van het mechanisme van koolstofcorrectie aan de grens als eigen middelen in de vorm van een bijdrage van de lidstaten aan de EU-begroting zal worden afgedragen.

Tot slot bepaalt dit voorstel dat de lidstaten een nationale bijdrage aan de EU-begroting leveren op basis van het deel van de restwinsten van de grootste en meest winstgevende multinationals die aan EU-lidstaten worden toegerekend wanneer zij het rechtsgebied zijn van de eindmarkt waar goederen of diensten worden gebruikt of verbruikt overeenkomstig de overeenkomst van het inclusief kader van de OESO/G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving 10 ter hervorming van het internationale belastingkader. Hoewel er op internationaal niveau nog wordt gewerkt aan een multilateraal verdrag, heeft de Commissie aangekondigd dat zij in 2022 een voorstel voor een richtlijn van de Raad zal indienen om te zorgen voor een consistente tenuitvoerlegging van het multilaterale verdrag betreffende een gedeeltelijke herverdeling van de heffingsbevoegdheid. 

3.RECHTSKADER

3.1.Eigenmiddelenbesluit

Overeenkomstig artikel 311, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kan de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, “nieuwe categorieën eigen middelen vaststellen of een bestaande categorie afschaffen”. Deze bepaling maakt het uitdrukkelijk mogelijk het eigenmiddelenbesluit te wijzigen om nieuwe eigen middelen toe te voegen, zoals overeengekomen in het Interinstitutioneel Akkoord.

Overeenkomstig de bijzondere wetgevingsprocedure van artikel 311, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, het herziene besluit met eenparigheid van stemmen vast. Het besluit treedt in werking zodra het door de lidstaten overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.

3.2.Uitvoeringsbepalingen

Tegelijkertijd moet de Raad de uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot het stelsel van eigen middelen wijzigen om ervoor te zorgen dat zij geschikt blijven voor het beoogde doel. Daarnaast zijn nieuwe bepalingen nodig voor de terbeschikkingstelling van alle nieuwe eigen middelen. De Commissie zal in de eerste helft van 2022 de nodige voorstellen indienen.  



2021/0430 (CNS)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)NextGenerationEU, ingesteld bij Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad 11 , is een tijdelijk herstelinstrument ten belope van 750 miljard euro in prijzen van 2018, opgenomen op de financiële markten, om een duurzaam en veerkrachtig herstel in de hele Unie te waarborgen, de verstrekking van economische steun in de uitzonderlijke situatie veroorzaakt door de COVID-19-pandemie te vergemakkelijken en de groene en de digitale transitie te bevorderen.

(2)De terugbetaling van de hoofdsom van dergelijke middelen die dienen te worden gebruikt voor uitgaven uit hoofde van het herstelinstrument voor de Europese Unie en de daarmee samenhangende verschuldigde rente, zullen moeten worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie, onder meer middels voldoende opbrengsten uit nieuwe eigen middelen die na 2021 worden ingevoerd. In het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 12 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het belang van de context van het herstelinstrument voor de Europese Unie erkend en verklaard dat “de uitgaven uit de Uniebegroting ten behoeve van de terugbetaling van het herstelinstrument voor de Europese Unie niet zouden mogen leiden tot een onnodige vermindering van programma-uitgaven of investeringsinstrumenten uit hoofde van het MFK”. In het Interinstitutioneel Akkoord is tevens bepaald dat “het ook wenselijk [is] de verhoging van de bni-middelen van de lidstaten te verzachten”.

(3)Het EU-emissiehandelssysteem, ingesteld bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 13 , is een hoeksteen van het klimaatbeleid van de Unie. Gezien het nauwe verband tussen de handel in emissierechten en de doelstellingen van het klimaatbeleid van de Unie is het passend een deel van de betrokken inkomsten aan de begroting van de Unie toe te wijzen.

(4)De eigen middelen uit de handel in emissierechten omvatten een deel van de inkomsten afkomstig van de veiling van emissierechten in alle sectoren die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG vallen. Overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 14 kunnen de lidstaten besluiten een deel van de totale hoeveelheid emissierechten, gespecificeerd in Richtlijn 2003/87/EG, niet te veilen of over te dragen aan en te veilen ten behoeve van het bij die richtlijn ingestelde moderniseringsfonds. Deze emissierechten moeten ook in aanmerking worden genomen om het bedrag aan eigen middelen op basis van de handel in emissierechten te berekenen. Het is passend emissierechten voor het initiële dotatiekapitaal van het moderniseringsfonds en middelen voor het innovatiefonds uit te sluiten.

(5)Om een buitensporig regressief effect op de bijdragen van de emissiehandel te voorkomen, moet een maximale bijdrage voor in aanmerking komende lidstaten worden vastgesteld. Voor de periode 2023-2027 komen de lidstaten in aanmerking als het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, gemeten in koopkrachtstandaard en berekend op basis van de cijfers van de Unie voor 2020, minder dan 90 % van het EU-gemiddelde bedraagt. Voor de periode 2028-2030 moet het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in 2025 worden gebruikt. De maximale bijdrage moet worden vastgesteld door het aandeel van de lidstaten in de totale eigen middelen op basis van de handel in emissierechten af te zetten tegen het aandeel van die lidstaten in het bruto nationaal inkomen van de Unie. Voor alle lidstaten moet een minimumbijdrage worden vastgesteld indien hun aandeel in het totale bedrag aan ETS-eigen middelen lager is dan 75 % van hun aandeel in het bruto nationaal inkomen van de Unie.

(6)Bij Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad 15 is een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens als aanvulling op het EU-emissiehandelssysteem ingesteld om de effectiviteit van het klimaatbeleid van de Unie te waarborgen. Gezien het nauwe verband tussen het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens en het klimaatbeleid van de Unie moet een deel van de inkomsten uit de verkoop van certificaten als eigen middelen aan de begroting van de Unie worden afgedragen.

(7)In oktober 2021 hebben de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en het Inclusief Kader inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de G20 overeenstemming bereikt over de toerekening aan de deelnemende marktjurisdicties van 25 % van de restwinsten van grote multinationale ondernemingen boven de winstgevendheidsdrempel van 10 % (“OESO/G20 IF Pijler 1-overeenkomst”). De eigen middelen moeten bestaan uit de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het deel van de restwinsten van multinationale ondernemingen dat aan de lidstaten wordt toegewezen [overeenkomstig de richtlijn inzake de tenuitvoerlegging van de algemene overeenkomst inzake de herverdeling van heffingsrechten]. 

(8)De bepalingen betreffende de bijdrage uit de veiling van emissierechten in het kader van het huidige emissiehandelssysteem moeten van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2023. Zodra Richtlijn 2003/87/EG is gewijzigd, moeten de bepalingen betreffende de bijdrage uit de veiling van emissierechten in het kader van het herziene emissiehandelssyteem van toepassing zijn vanaf de eerste dag na de laatste dag van de termijn voor de omzetting van die wijziging. De bepalingen betreffende de bijdrage van het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens moeten van toepassing zijn vanaf de datum van toepassing van de verordening. [De bepalingen van de OESO/G20 IF Pijler 1-overeenkomst treden in werking zodra de richtlijn inzake de tenuitvoerlegging van de algemene overeenkomst inzake de herverdeling van heffingsrechten van toepassing is en het multilaterale verdrag in werking is getreden.]

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053

Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 wordt als volgt gewijzigd:

(1)Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

(a)aan lid 1 wordt het volgende punt e) toegevoegd:

“e) de toepassing van een uniform percentage van 25 % op:

(1)de opbrengsten van de veiling van rechten door de lidstaten overeenkomstig de artikelen 3 quinquies, 10 en 30 quinquies van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 16 1;

(2)het bedrag dat wordt berekend door de jaarlijkse hoeveelheid emissierechten waarvoor de betrokken lidstaat een van de volgende toepast:

(a)de optie voor voorlopige kosteloze toewijzing als bedoeld in artikel 10 quater van Richtlijn 2003/87/EG;

(b)de mogelijkheid van beperkte annulering als bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 17 2;

(c)het gebruik van de in artikel 10 quinquies, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde emissierechten voor veiling ten behoeve van het in artikel 10 quinquies, lid 3, van die richtlijn bedoelde moderniseringsfonds;

te vermenigvuldigen met de gemiddelde gewogen prijs van de op het gemeenschappelijke veilingplatform geveilde emissierechten in het jaar waarin deze rechten zouden zijn geveild.”

(b)aan lid 1 wordt het volgende punt f) toegevoegd:

“f) de toepassing van een uniform afdrachtpercentage ten belope van 75% van de inkomsten uit de verkoop van certificaten van het bij Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad 183 ingestelde mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens.”

(c)aan lid 1 wordt het volgende punt g) toegevoegd:

“g) de toepassing van een uniform afdrachtpercentage van 15 % op het deel van de restwinsten van multinationale ondernemingen dat aan de lidstaten wordt toegewezen [overeenkomstig de richtlijn inzake de tenuitvoerlegging van de algemene overeenkomst inzake de herverdeling van heffingsrechten 194 ].

(d)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:

“2 bis.    In afwijking van lid 1, punt e), is tot en met het begrotingsjaar 2030 het volgende van toepassing:

(a)indien het aandeel van een lidstaat in het totale bedrag van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van lid 1, punt e), kleiner is dan 75 % van zijn aandeel in het bruto nationaal inkomen van de Unie, stelt die lidstaat een bedrag ter beschikking dat gelijk is aan 75 % van dat aandeel van het bruto nationaal inkomen, vermenigvuldigd met het totale bedrag van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van lid 1, punt e).

(b)het aandeel van een lidstaat in het totale bedrag van de ontvangsten dat voortvloeit uit de toepassing van lid 1, punt e), mag niet meer bedragen dan 150 % van het aandeel van die lidstaat in het bruto nationaal inkomen van de Unie voor lidstaten met een bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking van minder dan 90 % van het gemiddelde van de Unie, gemeten in koopkrachtstandaard en berekend op basis van de cijfers voor 2020, voor de periode van 2023 tot en met 2027, en op basis van de cijfers voor 2025 voor de periode 2028-2030.

Onder bruto nationaal inkomen als bedoeld in de punten a) en b) wordt verstaan, het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad 205.”

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Het secretariaat-generaal van de Raad deelt dit besluit aan de lidstaten mee.

De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.

Artikel 1, lid 1, punt a), is van toepassing met ingang van 1 januari 2023 voor de inkomsten uit hoofde van artikel 3 quinquies en artikel 10 van Richtlijn 2003/87/EG, en met ingang van de dag na de laatste dag van de termijn voor omzetting van Richtlijn (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad 216 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG voor de inkomsten uit hoofde van artikel 30 quinquies van Richtlijn 2003/87/EG.

Artikel 1, lid 1, punt b), is van toepassing met ingang van de datum van toepassing van Verordening (EU) [XXX] tot instelling van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens.

Artikel 1, lid 1, punt c), is van toepassing met ingang van

de eerste dag van toepassing van de [richtlijn betreffende de uitvoering van de algemene overeenkomst inzake de herverdeling van heffingsrechten], of

de dag van inwerkingtreding en van krachtwording van het multilaterale verdrag, indien dat later is.

Artikel 3

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Het bruto binnenlands product van de EU kromp in 2020 met circa 5,9 % volgens gegevens van Eurostat.
(2)    Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 23).
(3)    Punt 150 van de conclusies van de Europese Raad van juli 2020: “De opbrengsten uit de nieuwe eigen middelen die worden ingevoerd na 2021, zullen worden gebruikt voor de vervroegde aflossing van de leningen in het kader van NextGenerationEU.”.
(4)    Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (“Eigenmiddelenbesluit”) mogen de bedragen voor de terugbetaling van niet-terugvorderbare steun niet meer belopen dan 29,25 miljard EUR per jaar (in prijzen van 2018).
(5)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 28).
(6)    Bijlage II, punt F.
(7)    Werkprogramma van de Commissie voor 2021 (COM (2020) 690 final).
(8)    Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een sociaal klimaatfonds, COM(2021) 568 final.
(9)    Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie, Besluit (EU) 2015/1814 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en Verordening (EU) 2015/757 (COM(2021) 551 final).
(10)    Statement on a Two-Pillar Solution to Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, 8 oktober 2021.
(11)    Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 23).
(12)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 16 december 2020 betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 28).
(13)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(14)    Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).
(15)    Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (PB L [...] van [...], blz. [...]).
(16) 1    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(17) 2    Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).
(18) 3    Verordening (EU) [XXX] van het Europees Parlement en de Raad betreffende het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens.
(19) 4    [Richtlijn (EU) XXX tot uitvoering van de OESO/G20 IF Pijler 1-overeenkomst].
(20) 5    Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen en tot intrekking van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (bni-verordening) ( PJ L 91 van 29.3.2019, blz. 19 ).
(21) 6    Richtlijn (EU) XXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad van dd/mm/jj
Top