Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021PC0423

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849

COM/2021/423 final

Brussel, 20.7.2021

COM(2021) 423 final

2021/0250(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2021) 190, 191}
{SEC(2021) 391}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Witwassen en terrorismefinanciering vormen een ernstige bedreiging voor de integriteit van de economie en het financiële stelsel van de EU en voor de veiligheid van haar burgers. Europol schat dat ongeveer 1 % van het jaarlijkse bruto binnenlands product van de EU “betrokken [is] bij verdachte financiële activiteiten” 1 . Na een aantal prominente gevallen van vermeende witwaspraktijken waarbij kredietinstellingen in de Unie betrokken waren, heeft de Commissie in juli 2019 een pakket goedgekeurd 2 waarin de doeltreffendheid van het op dat moment bestaande EU-regime ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (“AML/CFT”) werd geanalyseerd en werd geconcludeerd dat hervormingen noodzakelijk waren. In dit verband werd in de EU-strategie voor de veiligheidsunie 3 2020-2025 benadrukt hoe belangrijk het is het EU-kader voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering te versterken om de Europese burgers te beschermen tegen terrorisme en georganiseerde misdaad.

Op 7 mei 2020 presenteerde de Commissie een actieplan voor een alomvattend EU‐beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme 4 . In dat actieplan heeft de Commissie toegezegd maatregelen te nemen ter versterking van de EU-regelgeving voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en de uitvoering daarvan aan de hand van zes prioriteiten of pijlers:

1.    zorgen voor een doeltreffende uitvoering van het bestaande AML/CFT-kader van de EU;

2.    een gemeenschappelijk EU-rulebook inzake AML/CFT opstellen;

3.    AML/CFT-toezicht op EU-niveau tot stand brengen;

4.    een ondersteunings- en samenwerkingsmechanisme voor financiële-inlichtingeneenheden (“FIE’s”) instellen;

5.    uitvoering geven aan strafrechtelijke bepalingen en informatie-uitwisseling op EU-niveau;

6.    de internationale dimensie van het bestaande AML/CFT-kader van de EU versterken.

Terwijl de pijlers 1, 5 en 6 van het actieplan reeds worden uitgevoerd, vereisen de andere pijlers nog wetgevende maatregelen. Dit voorstel voor een verordening maakt deel uit van een AML/CFT-pakket van vier wetgevingsvoorstellen die als één samenhangend geheel worden beschouwd, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het actieplan van de Commissie van 7 mei 2020 en een nieuw en coherenter regelgevingskader en institutioneel kader voor AML/CFT binnen de EU tot stand wordt gebracht. Het pakket omvat:

een voorstel voor een verordening tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering 5 ;

dit voorstel voor een richtlijn tot vaststelling van de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 6 ;

een voorstel voor een verordening tot oprichting van een EU-autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (“AMLA”) 7 , en

een voorstel voor de herschikking van Verordening (EU) 2015/847 tot uitbreiding van de traceerbaarheidsvereisten tot cryptoactiva 8 .

Dit wetgevingsvoorstel, tezamen met een voorstel voor een AML/CFT-verordening en een voorstel voor een herschikking van Verordening (EU) 2015/847, beantwoordt aan de doelstelling om één enkel EU-rulebook vast te stellen (pijler 2).

Zowel het Europees Parlement als de Raad hebben hun steun verleend aan het plan dat de Commissie in het actieplan van mei 2020 heeft opgesteld. Het Europees Parlement drong in zijn resolutie van 10 juli 2020 aan op versterking van de regelgeving van de Unie en verwelkomde het plan om de institutionele structuur van de EU op het gebied van AML/CFT te herzien 9 . Op 4 november 2020 heeft de Raad Ecofin conclusies aangenomen ter ondersteuning van elk van de pijlers van het actieplan van de Commissie 10 .

De noodzaak van een combinatie van geharmoniseerde regels via een AML/CFT-verordening en van strengere regelgeving voor de nationale AML/CFT-systemen via een AML/CFT-richtlijn wordt bevestigd door de verslagen van 2019 van de Commissie. In deze verslagen werd gewezen op een gebrek aan consistente benaderingen van het toezicht op meldingsplichtige entiteiten, met uiteenlopende resultaten voor exploitanten die diensten verlenen op de interne markt. Uit de verslagen blijkt ook duidelijk dat FIE’s ongelijke toegang hebben tot informatie, waardoor hun vermogen om met elkaar samen te werken wordt beperkt en dat FIE’s niet over gemeenschappelijke instrumenten beschikten. Al deze elementen beperkten de opsporing van grensoverschrijdende gevallen van witwassen of terrorismefinanciering. Ten slotte is het wegens het ontbreken van een rechtsgrondslag tot dusver niet mogelijk gebleken om registers van bankrekeningen en systemen voor gegevensontsluiting onderling te koppelen. Dit zijn belangrijke instrumenten voor FIE’s en bevoegde autoriteiten.

Om bovenstaande problemen aan te pakken en verschillen in de regelgeving te voorkomen, zijn alle regels die van toepassing zijn op de particuliere sector, overgeheveld naar een voorstel voor een AML/CFT-verordening. Vanwege de behoefte aan flexibiliteit voor de lidstaten op dit gebied wordt de opzet van het institutionele AML/CFT-systeem op nationaal niveau evenwel aan dit voorstel voor een richtlijn overgelaten.

In het onderhavige voorstel worden echter niet alleen bepalingen van de huidige richtlijn naar een toekomstige richtlijn overgeheveld. Veeleer wordt een aantal inhoudelijke wijzigingen aangebracht met het oog op een grotere convergentie van de praktijken van toezichthouders en FIE’s en met betrekking tot de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten:

om te voorkomen dat de administratieve opzet van FIE’s invloed heeft op hun analytische taken of hun vermogen om met hun tegenhangers samen te werken, worden hun bevoegdheden en taken verduidelijkt, evenals de minimumreeks informatie waartoe FIE’s toegang moeten hebben;

om ervoor te zorgen dat FIE’s effectief kunnen samenwerken, wordt een kader voor gezamenlijke analysen vastgesteld. Er wordt ook voorzien in een rechtsgrondslag voor het FIE-netwerk;

om te informeren over het risicobegrip van meldingsplichtige entiteiten, worden duidelijke regels inzake feedback door FIE’s vastgesteld. Evenzo worden duidelijke regels inzake feedback aan FIE’s vastgesteld om ervoor te zorgen dat de FIE’s op de hoogte zijn van het gebruik dat wordt gemaakt van de financiële inlichtingen die zij verstrekken;

de bevoegdheden en taken van de toezichthouders worden verduidelijkt om ervoor te zorgen dat alle toezichthouders over de instrumenten beschikken om passende corrigerende maatregelen te nemen. De verplichting van toezicht door een overheidsinstantie op zelfregulerende organen die optreden als toezichthouders wordt ingevoerd, met duidelijke taken voor deze overheidsinstantie;

de benadering van risicogebaseerd toezicht wordt geharmoniseerd door middel van een gemeenschappelijk risicoclassificatie-instrument om uiteenlopende risico-interpretaties in vergelijkbare situaties te voorkomen;

om de samenwerking tussen toezichthouders te verbeteren, worden AML/CFT-colleges opgericht en worden mechanismen ingesteld om te zorgen voor samenwerking op het gebied van toezicht met betrekking tot exploitanten die grensoverschrijdend diensten verlenen;

de samenwerking met andere autoriteiten wordt verduidelijkt door te voorzien in specifieke gevallen waarin een verplichting tot samenwerking ontstaat om inefficiëntie als gevolg van silobenaderingen te voorkomen;

de bevoegdheden van de registers van uiteindelijk begunstigden worden verduidelijkt om ervoor te zorgen dat zij actuele, adequate en nauwkeurige informatie kunnen verkrijgen;

om de huidige leemte in de wetgeving te verhelpen, wordt voorzien in een koppeling van de registers van bankrekeningen;

om te zorgen voor volledige consistentie met de EU-regels inzake gegevensbescherming worden voorschriften voor de verwerking van bepaalde categorieën persoonsgegevens ingevoerd.

Anderzijds worden de bepalingen inzake risicobeoordelingen of het verzamelen van statistieken grotendeels ongewijzigd gelaten en alleen herzien om de huidige inefficiënties te inventariseren, zoals de buitensporige frequentie van de supranationale risicobeoordeling en de verplichting om statistieken over illegale activiteiten te verzamelen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel strekt tot intrekking en vervanging van de bestaande Richtlijn (EU) 2015/849, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/843 11 . Zoals gezegd maakt dit voorstel deel uit van een AML/CFT-pakket, dat een voorstel voor een verordening tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en terrorismefinanciering, een verordening tot oprichting van een EU-autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en een herschikking van Verordening (EU) 2015/847 omvat. Dit pakket van vier wetgevingsvoorstellen wordt als één samenhangend geheel beschouwd, ter uitvoering van het actieplan van de Commissie inzake AML/CFT van 7 mei 2020, waarmee een nieuw en coherenter regelgevingskader en institutioneel kader voor AML/CFT binnen de EU tot stand wordt gebracht. Parallel aan de goedkeuring van dit pakket stelt de Commissie ook wijzigingen van Richtlijn 2019/1153 voor 12 om de bevoegde autoriteiten, die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten, toegang te verlenen tot het systeem dat de centrale registers van bankrekeningen onderling verbindt.

Aangezien dit voorstel voortbouwt op Richtlijn (EU) 2015/849, is het in overeenstemming met de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF). In vergelijking met de huidige richtlijn wordt de samenhang vergroot door ervoor te zorgen dat wanneer toezicht wordt uitgeoefend door zelfregulerende organen, deze onder toezicht staan van een overheidsinstantie. De frequentie van de supranationale risicobeoordeling wordt ook in overeenstemming gebracht met de door de FATF erkende beste praktijken (om de vier jaar). In dit voorstel zijn ook de wijzigingen verwerkt die voortvloeien uit de recente herzieningen van de FATF-aanbevelingen met betrekking tot de beoordeling en beperking van risico’s op ontduiking van gerichte financiële sancties.

Doeltreffende handhaving is van cruciaal belang om witwassen en de financiering van terrorisme te voorkomen. De Commissie zal gebruik blijven maken van het volledige spectrum van middelen en mechanismen om niet alleen de correcte omzetting van de vereisten van de Unie in nationaal recht te kunnen controleren, maar ook de daadwerkelijke uitvoering ervan door de lidstaten in de dagelijkse praktijk.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen en rechtsinstrumenten van de Unie

Dit voorstel is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die op het niveau van de Unie worden nagestreefd, en met name met de richtlijn inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld 13 , de richtlijn inzake terrorismebestrijding 14 en de richtlijn betreffende toegang tot financiële informatie 15 , alsook met de voorgestelde wijziging ervan, die samen met dit pakket wordt aangenomen. Het aanpakken van risico’s van witwassen en terrorismefinanciering is niet doeltreffend door middel van EU-wetgeving inzake AML/CFT alleen. Deze wetgeving staat in wisselwerking met veel EU-wetgeving op het gebied van financiële diensten en strafrecht, onder meer inzake betalingen en geldovermakingen (richtlijn betalingsdiensten, richtlijn betaalrekeningen, richtlijn elektronisch geld 16 ). In het onderhavige pakket voorstellen is aandacht besteed aan de samenhang met al deze instrumenten.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel voor een richtlijn is gebaseerd op artikel 114, VWEU, dezelfde rechtsgrondslag als die voor het huidige AML/CFT-rechtskader van de EU. Artikel 114 is passend gezien de aanzienlijke bedreiging voor de interne markt als gevolg van witwassen en de financiering van terrorisme, en de economische verliezen en verstoringen op grensoverschrijdend niveau die daardoor kunnen ontstaan.

Subsidiariteit

De doelstellingen van het voorstel kunnen overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen derhalve beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt. Het voorstel gaat niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

In het AML-pakket van de Commissie van 2019 werd benadrukt hoe criminelen de verschillen tussen de AML/CFT-stelsels van de lidstaten hebben kunnen misbruiken. Illegale geldstromen en terrorismefinanciering kunnen de stabiliteit en reputatie van het financiële stelsel van de Unie schaden en de goede werking van de interne markt in gevaar brengen. Maatregelen die uitsluitend op nationaal niveau worden genomen, kunnen negatieve gevolgen hebben voor de interne markt en bijdragen tot versnippering. Een EU-optreden is gerechtvaardigd om in heel de Unie een gelijk speelveld te behouden waarbij entiteiten in alle lidstaten aan een consistent geheel van verplichtingen ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme onderworpen zijn. Het grensoverschrijdende karakter van veel witwaspraktijken en terrorismefinanciering maakt goede samenwerking tussen nationale toezichthouders en FIE’s van essentieel belang om deze misdrijven te voorkomen. Veel entiteiten die aan AML-verplichtingen zijn onderworpen, zijn grensoverschrijdend actief en slagen er vanwege de verschillende benaderingen van de betrokken nationale toezichthouders en FIE’s niet in om op groepsniveau optimale AML/CFT-praktijken toe te passen.

Evenredigheid

Evenredigheid is een integrerend onderdeel van de effectbeoordeling bij het voorstel en alle voorgestelde opties op verschillende regelgevingsgebieden zijn getoetst aan de evenredigheidsdoelstelling. Het grensoverschrijdende karakter van tal van praktijken op het gebied van witwassen en de financiering van terrorisme vereist een coherente en gecoördineerde aanpak in alle lidstaten op basis van een samenhangend geheel van regels in de vorm van één enkel rulebook. In het onderhavige voorstel wordt echter niet gestreefd naar maximale harmonisatie, aangezien deze onverenigbaar is met het fundamentele risicogebaseerde karakter van het AML/CFT-stelsel van de EU en met de specifieke nationale regels die op dit gebied van toepassing kunnen zijn op de bevoegde autoriteiten. Het staat de lidstaten vrij om regels in te voeren die verder gaan dan die welke zijn vervat in het pakket voorstellen waarvan deze ontwerprichtlijn deel uitmaakt, maar alleen als zij gerechtvaardigd zijn op basis van een risicogebaseerde benadering.

Keuze van het instrument

Een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad is een geschikt instrument voor de herziening, met wijzigingen, van de bepalingen van de huidige antiwitwasrichtlijn die niet rechtstreeks toepasbaar zijn in de vorm van een verordening, met name wat betreft de bevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten en de instelling van en de toegang tot registers van uiteindelijk begunstigden en bankrekeningen. Andere bepalingen van de huidige antiwitwasrichtlijn zijn (met eventuele wijzigingen) opgenomen in het begeleidende voorstel voor een AML/CFT-verordening.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Tegen de achtergrond van een aantal recente ontwikkelingen op wetgevingsgebied heeft nog geen volledige evaluatie achteraf van het huidige AML/CFT-stelsel van de EU plaatsgevonden. De vierde antiwitwasrichtlijn werd vastgesteld op 20 mei 2015, met 26 juni 2017 als omzettingstermijn voor de lidstaten. De vijfde antiwitwasrichtlijn 17 werd vastgesteld op 30 mei 2018, met 10 januari 2020 als omzettingstermijn. De omzettingscontrole is nog aan de gang. De mededeling van de Commissie van juli 2019 en de bovengenoemde begeleidende verslagen dienen echter als een evaluatie van de doeltreffendheid van het op dat moment geldende AML/CFT-stelsel van de EU.

Raadpleging van belanghebbenden

De raadplegingsstrategie ter ondersteuning van dit voorstel bestond uit een aantal onderdelen:

een raadpleging over de routekaart waarin het actieplan van de Commissie werd aangekondigd. De raadpleging, op de portaalsite “Geef uw mening” van de Commissie, liep van 11 februari tot en met 12 maart 2020 en leverde 42 bijdragen van diverse belanghebbenden op;

een openbare raadpleging over de in het actieplan voorgestelde maatregelen, die toegankelijk is voor het grote publiek en alle groepen belanghebbenden, is op 7 mei 2020 van start gegaan en liep tot en met 26 augustus. De raadpleging heeft 202 officiële bijdragen opgeleverd;

een gerichte raadpleging van de lidstaten en de bevoegde AML/CFT-autoriteiten. De lidstaten kregen de gelegenheid hun mening te geven tijdens verschillende vergaderingen van de deskundigengroep inzake witwassen en terrorismefinanciering, en de FIE’s van de EU leverden een bijdrage tijdens vergaderingen van het FIE-platform en via schriftelijke documenten. De besprekingen werden ondersteund door gerichte raadplegingen van de lidstaten en de bevoegde autoriteiten, waarbij gebruik werd gemaakt van vragenlijsten;

een verzoek om advies van de Europese Bankautoriteit, ingediend in maart 2020. De EBA heeft op 10 september advies uitgebracht;

op 23 juli 2020 heeft de EDPS advies uitgebracht over het actieplan van de Commissie;

op 30 september 2020 organiseerde de Commissie een conferentie op hoog niveau, waaraan vertegenwoordigers van nationale en EU-autoriteiten, leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de particuliere sector, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de academische wereld deelnamen.

De inbreng van belanghebbenden over het actieplan was over het algemeen positief.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Bij de voorbereiding van dit voorstel heeft de Commissie zich gebaseerd op kwalitatief en kwantitatief bewijsmateriaal van erkende bronnen, waaronder technisch advies van de Europese Bankautoriteit. Ook de lidstaten hebben via vragenlijsten informatie over de handhaving van de AML-regels aangeleverd.

Effectbeoordeling

Dit voorstel gaat vergezeld van een effectbeoordeling 18 , die op 6 november 2020 aan de Raad voor regelgevingstoetsing (RSB) is voorgelegd en op 4 december 2020 goedkeuring kreeg. Dezelfde effectbeoordeling vergezelt ook de andere wetgevingsvoorstellen die samen met dit voorstel in een pakket worden gepresenteerd. De RSB heeft in zijn positieve advies verschillende formele verbeteringen van de effectbeoordeling voorgesteld; deze verbeteringen zijn aangebracht.

In de effectbeoordeling heeft de Commissie drie problemen onderzocht: het gebrek aan duidelijke en consistente regels, inconsistent toezicht op de interne markt en ontoereikende coördinatie en uitwisseling van informatie tussen FIE’s. Het eerste probleem is relevant voor het onderhavige voorstel; met betrekking tot dat probleem werden de volgende opties overwogen:

de EU-regelgeving ongewijzigd laten;

zorgen voor een grotere mate van harmonisatie van de regels die van toepassing zijn op meldingsplichtige entiteiten en het aan de lidstaten overlaten om de bevoegdheden en verplichtingen van de bevoegde autoriteiten nader uit te werken;

zorgen voor een grotere mate van harmonisatie van de regels die van toepassing zijn op entiteiten die onderworpen zijn aan AML/CFT-verplichtingen, en van de bevoegdheden en verplichtingen van toezichthouders en FIE’s.

Op basis van de resultaten van de effectbeoordeling is optie 3 de voorkeursoptie. Door de invoering van een consistente en meer gedetailleerde benadering van bovengenoemde regels op EU-niveau zou het mogelijk zijn de huidige versnippering weg te werken, zowel wat betreft AML/CFT-verplichtingen voor meldingsplichtige entiteiten als wat betreft de activiteiten van de bevoegde autoriteiten. Duidelijkere regels inzake taken en bevoegdheden van bevoegde autoriteiten zullen de consistentie van de uitvoering van het AML/CFT-kader in de hele EU verbeteren, de oprichting van een geïntegreerd EU-toezichtsmechanisme vergemakkelijken en de opsporing van verdachte stromen en activiteiten verbeteren.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Hoewel, zoals hierboven is opgemerkt, nog geen formele ex-postevaluatie of geschiktheidscontrole van de bestaande AML/CFT-wetgeving van de EU heeft plaatsgevonden, kan toch een aantal opmerkingen worden gemaakt met betrekking tot elementen van het voorgestelde algemene pakket maatregelen die tot verdere vereenvoudiging en grotere efficiëntie zullen leiden. Ten eerste zal de vervanging van bepaalde regels in een richtlijn door meer geharmoniseerde en rechtstreeks toepasselijke regels in een verordening de omzetting in de lidstaten overbodig maken en het zakendoen van grensoverschrijdende entiteiten in de EU vergemakkelijken. Doordat handelaren in goederen uit het toepassingsgebied van het AML-kader van de EU worden gehaald en contante transacties van meer dan 10 000 EUR op grond van het voorstel worden verboden, vervalt voor deze handelaren bovendien de administratieve last die gepaard gaat met het indienen bij hun FIE van meldingen over contante transacties van meer dan 10 000 EUR. Ten slotte zal de grotere mate van harmonisatie van de AML/CFT-regels op een aantal specifieke gebieden de samenwerking tussen toezichthouders en FIE’s vereenvoudigen door de verschillen tussen hun regels en praktijken te verkleinen. De onderhavige ontwerprichtlijn bevat slechts enkele bepalingen die omzetting in nationaal recht vereisen, en is derhalve korter dan de richtlijn die erdoor wordt vervangen. De meeste onderwerpen die in Richtlijn (EU) 2015/849 worden behandeld, zijn nu opgenomen in de voorgestelde verordening die bij deze voorgestelde richtlijn is gevoegd.

Grondrechten

De EU heeft zich ertoe verbonden hoge normen voor de bescherming van de grondrechten te waarborgen. Met name zullen alle AML/CFT-toezichthouders op nationaal en EU-niveau, alsmede de financiële-inlichtingeneenheden, onderworpen zijn aan de toepasselijke gegevensbeschermingsverordening 19 voor zover zij persoonsgegevens zouden verwerken.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Deze ontwerprichtlijn heeft geen gevolgen voor de begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage

Het voorstel bevat een algemeen plan voor de monitoring en evaluatie van de gevolgen voor de specifieke doelstellingen, waarbij de Commissie wordt verplicht om na vijf jaar en ten minste drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn een eerste evaluatie uit te voeren en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over haar belangrijkste bevindingen. Het voorstel voor een AML/CFT-verordening dat dit voorstel vergezelt, bevat dezelfde evaluatiebepalingen, en de evaluatie van de twee instrumenten kan in één verslag worden gecombineerd. De evaluatie moet worden uitgevoerd overeenkomstig de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie.

Artikelsgewijze toelichting

Onderwerp en toepassingsgebied

De meeste toepasselijke definities voor deze ontwerprichtlijn zijn opgenomen in de bijgaande ontwerpverordening (waar de definities voor beide instrumenten relevant zijn). In deze ontwerprichtlijn worden echter bepaalde termen gedefinieerd die niet relevant zijn voor de begeleidende verordening.

Deze ontwerprichtlijn stelt de lidstaten in staat de voorschriften van de begeleidende ontwerpverordening uit te breiden tot andere sectoren die niet onder het toepassingsgebied van die verordening vallen. Zij moeten hun voornemen echter wel kenbaar maken aan en toelichten bij de Commissie, die zes maanden de tijd heeft om een advies over de plannen uit te brengen (na raadpleging van de AMLA), en zij kunnen ervoor kiezen om in plaats daarvan wetgeving op EU-niveau voor te stellen. Er zijn overgangsbepalingen vastgesteld voor andere sectoren die reeds onder de nationale AML/CFT-wetgeving vallen, maar niet onder de EU-wetgeving. Een geconsolideerde lijst van de sectoren waartoe de lidstaten de lijst van meldingsplichtige entiteiten hebben uitgebreid, zal jaarlijks door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.

In deze ontwerprichtlijn worden ook specifieke regelgevingseisen vastgesteld die de lidstaten in hun nationale wetgeving voor bepaalde sectoren moeten omzetten. Meer bepaald moeten wisselkantoren en kantoren voor het inwisselen van cheques, en aanbieders van trust- of bedrijfsdiensten onderworpen zijn aan vergunnings- of registratievereisten; ook aanbieders van gokdiensten moeten gereguleerd worden.

Deze ontwerprichtlijn biedt toezichthouders van de lidstaten waar uitgevers van elektronisch geld, betalingsdienstaanbieders en aanbieders van cryptoactivadiensten via het vrij verrichten van diensten actief zijn, de mogelijkheid contactpunten in die lidstaten aan te wijzen. De technische reguleringsnormen om te verduidelijken wanneer dit het geval moet zijn, worden door de AMLA voorgesteld.

Deze ontwerprichtlijn bevestigt de betrouwbaarheidsvereisten voor hogere leidinggevenden in bepaalde meldingsplichtige entiteiten, zoals in het huidige kader, ter aanvulling van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten in andere rechtshandelingen van de Unie, en verduidelijkt dat bepaalde vereisten ook van toepassing zijn op uiteindelijk begunstigden van die meldingsplichtige entiteiten. Voor andere meldingsplichtige entiteiten bevestigt zij het verbod voor personen die veroordeeld zijn voor het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering, om deze diensten te verrichten. Deze ontwerprichtlijn verleent nationale toezichthouders bepaalde bevoegdheden met betrekking tot het hoger management van bepaalde meldingsplichtige entiteiten, met name in het geval van veroordelingen wegens witwassen of terrorismefinanciering.

Risicobeoordelingen

De verplichting voor de Commissie om periodiek een beoordeling uit te voeren van risico’s van witwassen en terrorismefinanciering op EU-niveau, zoals vervat in het huidige AML/CFT-kader, wordt gehandhaafd, maar voortaan moet de beoordeling om de vier jaar plaatsvinden. De beoordeling zal gebaseerd zijn op input van de AMLA in de vorm van een advies, en vergezeld gaan van aanbevelingen aan de lidstaten over de maatregelen die geschikt zijn om de vastgestelde risico’s aan te pakken. De Commissie zal ook om de vier jaar verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de bevindingen van de beoordeling.

De lidstaten zullen nationale risicobeoordelingen blijven uitvoeren, maar met een minimumfrequentie van vier jaar, en met bepaalde aanvullingen op de doelstellingen en modaliteiten van dergelijke beoordelingen. De lidstaten moeten ook uitgebreide statistieken over AML/CFT blijven bijhouden en deze jaarlijks aan de Commissie toezenden. De Commissie kan een uitvoeringshandeling betreffende de methodologie voor dergelijke statistieken vaststellen.

Registers en mechanismen van uiteindelijk begunstigden, bankrekeningen en onroerend goed

De in de huidige antiwitwasrichtlijn vervatte verplichting voor de lidstaten om registers van uiteindelijk begunstigden van juridische entiteiten en juridische constructies op te zetten en bij te houden, wordt gehandhaafd. Dit omvat bepalingen over de toegang tot dergelijke registers, met inbegrip van de toegang van het publiek, en mogelijke uitzonderingen op de toegang in gerechtvaardigde gevallen. De grensoverschrijdende koppeling van dergelijke registers via het systeem voor de koppeling van registers van uiteindelijk begunstigden wordt gehandhaafd.

De nieuwe bepalingen in dit voorstel, die nog niet in het huidige kader zijn opgenomen, zijn de volgende: een uitvoeringshandeling van de Commissie betreffende het formaat voor de indiening van informatie over uiteindelijk begunstigden bij de registers; bepalingen voor gevallen waarin twijfel bestaat over de juistheid van de informatie over uiteindelijk begunstigden of wanneer de uiteindelijk begunstigde niet kan worden geïdentificeerd; nadere bepalingen in geval van vastgestelde discrepanties in de informatie; de bevoegdheden van de entiteiten die de registers beheren; de verplichting voor de lidstaten om de Commissie in kennis te stellen van de bevoegde autoriteiten wie toegang is verleend en van het soort toegang; een minimumduur van vijf jaar gedurende welke de informatie in de registers moet worden bewaard.

De verplichting voor de lidstaten om mechanismen op te zetten en te onderhouden, zoals een centraal register of een centraal elektronisch systeem voor het opvragen van gegevens, om de in de huidige antiwitwasrichtlijn opgenomen identificatie van houders van bankrekeningen en kluizen mogelijk te maken, wordt gehandhaafd. De lidstaten moeten de Commissie niet alleen in kennis stellen van de kenmerken van dergelijke mechanismen, maar ook van de criteria op basis waarvan informatie in dergelijke registers wordt opgenomen. Het voorstel voorziet ook in de totstandbrenging van een grensoverschrijdende koppeling tussen dergelijke mechanismen, met uitvoeringshandelingen van de Commissie inzake de technische specificaties en procedures voor de koppeling van dergelijke mechanismen aan één toegangspunt, dat door de Commissie zal worden ontwikkeld en beheerd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de informatie in de nationale mechanismen actueel en toegankelijk is via de grensoverschrijdende koppeling. De FIE’s moeten toegang hebben tot de mechanismen, met inbegrip van die welke onderling verbonden zijn vanuit andere lidstaten.

De in de huidige antiwitwasrichtlijn vervatte verplichting voor de lidstaten om FIE’s en andere bevoegde autoriteiten toegang te verlenen tot de inhoud van nationale kadasters, wordt gehandhaafd en de minimumomvang van die toegang wordt vastgesteld. De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de bevoegde autoriteiten waaraan toegang tot dergelijke registers wordt verleend en van de omvang van die toegang.

Financiële-inlichtingeneenheden

Het voorstel bouwt voort op de bepalingen van het huidige AML/CFT-kader, op grond waarvan de lidstaten operationeel onafhankelijke FIE’s op nationaal niveau moeten oprichten, en verslagen over verdachte transacties en verslagen over verdachte activiteiten (STR’s/SAR’s) van meldingsplichtige entiteiten moeten ontvangen en analyseren. Deze bestaande bepalingen omvatten samenwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE’s, het gebruik van uitgewisselde informatie en verdere verspreiding van uitgewisselde informatie.

De nieuwe bepalingen inzake FIE’s hebben betrekking op: verduidelijkingen over de financiële analysefunctie van FIE’s en over hun operationele onafhankelijkheid, hun middelen en hun beveiliging; een lijst van de minimumcategorieën van informatie waartoe FIE’s toegang moeten hebben; bepalingen inzake informatie-uitwisseling tussen FIE’s en andere bevoegde autoriteiten, met inbegrip van een verplichting om feedback te geven over het gebruik van de informatie; verduidelijking van de bevoegdheden van FIE’s om transacties op te schorten, hetgeen moet gebeuren binnen 48 uur na ontvangst van een STR/SAR en uitbreiding van dergelijke bevoegdheden om het gebruik van bankrekeningen in gerechtvaardigde omstandigheden op te schorten. Er worden nadere bijzonderheden over de modaliteiten voor de uitwisseling van informatie tussen FIE’s vastgesteld. Voor dergelijke uitwisselingen moet gebruik worden gemaakt van het netwerk FIU.net. Eventuele uitzonderingen op de informatie die kan worden uitgewisseld, moeten door de lidstaten aan de Commissie worden gemeld. De AMLA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om de formaten voor informatie-uitwisseling te harmoniseren. Zij zal ook richtsnoeren vaststellen inzake criteria om te bepalen of een STR/SAR van belang is voor FIE’s van andere lidstaten. De FIE’s stellen jaarverslagen op over hun activiteiten en geven meldingsplichtige entiteiten feedback over het gebruik van hun STR’s/SAR’s; zij geven ook feedback aan douaneautoriteiten over aan FIE’s verstrekte informatie over hoeveelheden contanten die de Unie fysiek binnenkomen of verlaten. Een andere nieuwe bepaling verduidelijkt het concept van gezamenlijke analysen die door FIE’s moeten worden uitgevoerd, en definieert processen voor hun prestaties.

AML-toezicht

Het voorstel bouwt voort op de bepalingen van het huidige AML/CFT-kader, op grond waarvan de lidstaten nationale AML/CFT-toezichthouders moeten aanwijzen om toezicht te houden op meldingsplichtige entiteiten, en de taken en verantwoordelijkheden van dergelijke toezichthouders moeten bepalen, evenals samenwerking tussen hen en FIE’s onderling en tussen hen en toezichthouders van derde landen.

De nieuwe bepalingen omvatten het volgende: een verduidelijking van de taken en bevoegdheden van toezichthouders; een vereiste voor het verstrekken van informatie door nationale toezichthouders aan meldingsplichtige entiteiten; verduidelijkingen met betrekking tot risicogebaseerd toezicht, met inbegrip van door de AMLA op te stellen richtsnoeren over de kenmerken van een risicogebaseerde benadering, en technische reguleringsnormen inzake een methodologie voor het beoordelen en classificeren van het inherente en restrisicoprofiel van meldingsplichtige entiteiten en de frequentie van de evaluatie. Er worden verduidelijkingen verstrekt over de bevoegdheden van toezichthouders in gevallen van meldingsplichtige entiteiten die werkzaam zijn in het kader van het vrij verrichten van diensten, en in het kader van groepstoezicht. In dit verband zal de AMLA technische reguleringsnormen opstellen waarin de respectieve taken van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst en de modaliteiten van hun onderlinge samenwerking nader worden omschreven.

Voor grensoverschrijdende kredietinstellingen of financiële instellingen die in meerdere lidstaten actief zijn, moet een AML/CFT-toezichtcollege worden opgericht indien aan bepaalde criteria is voldaan. De AMLA zal technische reguleringsnormen opstellen met betrekking tot de algemene voorwaarden voor de werking van AML/CFT-toezichtcolleges. Er zijn bepalingen vastgesteld voor de samenwerking met financiële toezichthouders in derde landen.

Zelfregulerende organen (SRB’s)

In vergelijking met het huidige AML/CFT-kader heeft een nieuw hoofdstuk betrekking op SRB’s. Wanneer een lidstaat AML/CFT-toezicht op bepaalde meldingsplichtige entiteiten aan een SRB toevertrouwt, moet er sprake zijn van toezicht op het SRB door een overheidsinstantie om ervoor te zorgen dat het SRB zijn taken volgens de hoogste normen uitvoert. De toezichthoudende instantie moet over voldoende bevoegdheden beschikken, waaronder de bevoegdheid om informatie te verkrijgen, en publiceert jaarlijks een verslag over haar activiteiten en over de toezichtactiviteiten van de SRB’s die onder haar toezicht staan.

Administratieve maatregelen en sancties

De bepalingen inzake sancties bouwen voort op het huidige AML/CFT-kader, dat de lidstaten verplicht te voorzien in administratieve maatregelen en sancties die beschikbaar moeten zijn voor ernstige herhaalde of systematische schendingen door meldingsplichtige entiteiten van de belangrijkste vereisten van het kader, met specificaties inzake de minimum- en maximumbedragen van geldelijke sancties, en die voorzien in de bekendmaking van opgelegde sancties, de bescherming van klokkenluiders en de uitwisseling van informatie over sancties.

De nieuwe bepalingen omvatten het volgende: verduidelijking van andere administratieve maatregelen dan sancties voor minder ernstige inbreuken en de verplichting voor de lidstaten om de Commissie en de AMLA in kennis te stellen van hun regelingen met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties of maatregelen. De omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van het type en het niveau van administratieve sancties of maatregelen, worden gespecificeerd. Er zullen technische reguleringsnormen worden opgesteld door de AMLA waarin indicatoren worden gedefinieerd voor de classificatie van de ernst van inbreuken en de criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van het niveau van administratieve sancties of het nemen van administratieve maatregelen.

Samenwerking

De bepalingen inzake samenwerking tussen toezichthouders, FIE’s en andere bevoegde autoriteiten bouwen voort op het huidige AML/CFT-kader, met inbegrip van samenwerking tussen bevoegde autoriteiten van de lidstaten, en bepalingen voor gevallen waarin autoriteiten aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

De nieuwe bepalingen in dit voorstel omvatten de toevoeging van verwijzingen naar de AMLA en een verplichting voor andere organen om met de autoriteit samen te werken. De bestaande bepalingen om te zorgen voor een goede samenwerking met prudentiële toezichthouders op financiële instellingen worden versterkt met aanvullende specificaties voor afwikkelingsautoriteiten en autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen met betrekking tot de samenwerking inzake de richtlijn betaalrekeningen en de tweede richtlijn betalingsdiensten. Financiële toezichthouders en FIE’s brengen jaarlijks verslag uit aan de AMLA over hun samenwerking met die autoriteiten. Er worden bepalingen toegevoegd inzake de samenwerking met betrekking tot auditors, en de AMLA zal richtsnoeren voor samenwerking opstellen.

Slotbepalingen

De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit voorstel, zoals in het geval van het huidige AML/CFT-kader, valt onder Verordening (EU) 2016/679 of onder Verordening (EU) 2018/1725, indien deze wordt uitgevoerd door instellingen, agentschappen of organen van de Unie.

De Commissie zal worden bijgestaan door een comité, met name voor de voorbereiding van uitvoeringshandelingen.

Er zijn bepalingen opgenomen voor de overdracht van de hosting van het netwerk van FIE’s van de Commissie aan de AMLA.

Richtlijn (EU) 2015/849 zoals gewijzigd (het huidige AML/CFT-kader) wordt ingetrokken. De voorgestelde richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad. De omzettingstermijn is twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn. De Commissie moet deze richtlijn eerst binnen vijf jaar na de toepassing ervan en vervolgens om de drie jaar toetsen en evalueren.

2021/0250 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank 20 ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 21 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad 22 vormt het belangrijkste wettelijke instrument ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel van de Unie voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering. Die richtlijn voorziet in een alomvattend rechtskader, dat Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad 23 verder heeft versterkt door opkomende risico’s aan te pakken en de transparantie inzake uiteindelijk begunstigden te vergroten. Ondanks de bereikte resultaten is uit de ervaring gebleken dat Richtlijn (EU) 2015/849 verder moet worden verbeterd om de risico’s adequaat te beperken en criminele pogingen om het financiële stelsel van de Unie voor criminele doeleinden te misbruiken doeltreffend op te sporen.

(2)Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2015/849 is een aantal gebieden vastgesteld waarop wijzigingen nodig zijn om de nodige veerkracht en capaciteit van het financiële stelsel van de Unie te waarborgen om witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen.

(3)Bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/849 zijn aanzienlijke verschillen in praktijken en benaderingen door de bevoegde autoriteiten in de Unie vastgesteld, alsook het ontbreken van voldoende doeltreffende regelingen voor grensoverschrijdende samenwerking. Het is daarom passend duidelijkere voorschriften vast te stellen die moeten bijdragen tot een vlotte samenwerking in de hele Unie en tegelijkertijd de lidstaten in staat moeten stellen rekening te houden met de specifieke kenmerken van hun nationale systemen.

(4)Dit nieuwe instrument maakt deel uit van een alomvattend pakket ter versterking van het AML/CFT-kader van de Unie. Samen met Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een herschikking van Verordening (EU) 2015/847 – COM(2021) 422 final] en Verordening [referentie invoegen – voorstel voor de oprichting van een autoriteit voor de bestrijding van witwassen – COM(2021) 421 final] zal dit instrument het rechtskader vormen voor de aan de meldingsplichtige entiteiten gestelde AML/CFT-eisen en voor het institutionele AML/CFT-kader van de Unie, waarvan de op te richten autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (“AMLA”) deel zal uitmaken.

(5)Witwassen en terrorismefinanciering vinden gewoonlijk in een internationale context plaats. Maatregelen die op Unieniveau worden getroffen zonder internationale coördinatie en samenwerking, zouden een zeer beperkte uitwerking hebben. De door de Unie op dat gebied vastgestelde maatregelen dienen derhalve verenigbaar te zijn met en minstens even streng te zijn als op internationaal niveau ondernomen acties. Bij het optreden van de Unie moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de financiële actiegroep (Financial Action Task Force — FATF) en met de instrumenten van andere internationale organisaties en organen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Met het oog op een doelmatiger bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering moeten de relevante rechtshandelingen van de Unie in voorkomend geval worden afgestemd op de door de FATF in februari 2012 vastgestelde International Standards on Combating Money Laundering and the Financing of Terrorism and Proliferation (de “herziene FATF-aanbevelingen”) en de latere wijzigingen daarvan.

(6)Specifieke dreigingen, risico’s en kwetsbaarheden op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die bepaalde economische sectoren op nationaal niveau treffen, verminderen in verschillende opzichten het vermogen van de lidstaten om bij te dragen aan de integriteit en soliditeit van het financiële stelsel van de Unie. Daarom is het passend de lidstaten toe te staan om, na de vaststelling van dergelijke sectoren en specifieke risico’s, te besluiten AML/CFT-vereisten toe te passen op andere sectoren dan die welke onder Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] vallen. Om de doeltreffendheid van de interne markt en het AML/CFT-systeem van de Unie te vrijwaren, moet de Commissie, met de steun van de AMLA, kunnen beoordelen of de voorgenomen besluiten van de lidstaten om AML/CFT-vereisten op andere sectoren toe te passen, gerechtvaardigd zijn. Als het belang van de Unie met betrekking tot specifieke sectoren het meest gediend wordt met maatregelen op het niveau van de Unie, moet de Commissie die lidstaat ervan in kennis stellen dat zij zelf maatregelen op het niveau van de Unie wil nemen, en moet de lidstaat afzien van het nemen van de voorgenomen nationale maatregelen.

(7)In het licht van de specifieke kwetsbaarheden ter bestrijding van witwassen die zich hebben voorgedaan bij de uitgifte van elektronisch geld, bij betalingsdiensten en in de sector van de cryptoactivadiensten, moeten de lidstaten kunnen eisen dat aanbieders die op hun grondgebied zijn gevestigd in andere vormen dan een bijkantoor waarvan het hoofdkantoor in een andere lidstaat is gevestigd, een centraal contactpunt aanwijzen. Een dergelijk centraal contactpunt, dat optreedt namens de aanwijzende instelling, moet ervoor zorgen dat de vestigingen de AML/CFT-regels naleven.

(8)De toezichthouders moeten ervoor zorgen dat, met betrekking tot wisselkantoren, kantoren voor het ontvangen van cheques, aanbieders van trust- of bedrijfsdiensten of aanbieders van gokdiensten, de personen die daadwerkelijk leiding geven aan de activiteiten van deze entiteiten en de uiteindelijk begunstigden van deze entiteiten, eerlijk en integer handelen en de kennis en deskundigheid bezitten die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken. De criteria om te bepalen of een persoon al dan niet aan deze vereisten voldoet, moeten ten minste de noodzaak weerspiegelen om dergelijke entiteiten te beschermen tegen misbruik door hun managers of uiteindelijk begunstigden voor criminele doeleinden.

(9)Met het oog op de beoordeling van de geschiktheid van personen die een managementfunctie uitoefenen in of anderszins zeggenschap hebben over meldingsplichtige entiteiten, moet elke uitwisseling van informatie over strafrechtelijke veroordelingen plaatsvinden in overeenstemming met Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad 24 en Besluit 2009/316/JBZ van de Raad 25 .

(10)De Commissie is goed geplaatst om specifieke grensoverschrijdende bedreigingen in te schatten die van invloed zouden kunnen zijn op de interne markt en die niet geïdentificeerd noch effectief bestreden kunnen worden door de afzonderlijke lidstaten. Daarom moet de coördinatie van de beoordeling van risico’s die verband houden met grensoverschrijdende activiteiten, aan haar worden toevertrouwd. De betrokkenheid van de relevante deskundigen, zoals de Deskundigengroep witwassen en terrorismefinanciering en de vertegenwoordigers van de FIE’s, alsook, in voorkomend geval, van andere organen op het niveau van de Unie, is essentieel voor de doeltreffendheid van het risicobeoordelingsproces. Ook nationale risicobeoordelingen en ervaringen zijn een belangrijke bron van informatie voor het proces. Bij de beoordeling van de grensoverschrijdende risico’s door de Commissie dienen geen persoonsgegevens te worden verwerkt. De gegevens moeten hoe dan ook volledig geanonimiseerd zijn. De toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten op nationaal en EU-niveau dienen slechts betrokken te zijn voor zover de beoordeling van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering gevolgen heeft voor de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens.

(11)De bevindingen van de risicobeoordeling op het niveau van de Unie kunnen de bevoegde autoriteiten en meldingsplichtige entiteiten helpen bij de identificatie, het inzichtelijk maken, het beheer en de beperking van het risico van witwassen en terrorismefinanciering, alsook van het risico van niet-toepassing en ontduiking van gerichte financiële sancties. Daarom is het belangrijk dat de bevindingen van de risicobeoordeling openbaar worden gemaakt.

(12)De lidstaten blijven in de beste positie om te bepalen, te beoordelen, inzichtelijk te maken en te beslissen hoe zij de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die hen rechtstreeks aangaan, kunnen beperken. Daarom moet elke lidstaat passende stappen ondernemen om zijn witwas- en terrorismefinancieringsrisico’s, alsook de risico’s van niet-uitvoering en ontduiking van gerichte financiële sancties naar behoren te identificeren, te beoordelen en inzichtelijk te maken, en om een coherente nationale strategie vast te stellen om maatregelen te nemen om die risico’s te beperken. Een dergelijke nationale risicobeoordeling moet regelmatig worden bijgewerkt en moet een beschrijving omvatten van de institutionele structuur en de brede procedures van het AML/CFT-stelsel van de lidstaat, alsook van de toegewezen personele en financiële middelen, voor zover deze informatie beschikbaar is.

(13)De resultaten van risicobeoordelingen moeten in voorkomend geval tijdig aan meldingsplichtige entiteiten ter beschikking worden gesteld om hen in staat te stellen hun eigen risico’s te identificeren, inzichtelijk te maken, te beheren en te beperken.

(14)Om risico’s op het niveau van de Unie nog meer te identificeren, inzichtelijk te maken, te beheersen en te beperken, moeten de lidstaten voorts de resultaten van hun risicobeoordelingen ter beschikking stellen aan elkaar, de Commissie en de AMLA.

(15)Om de doeltreffendheid van hun systemen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering te kunnen beoordelen, dienen de lidstaten de kwaliteit van statistieken ter zake bij te houden en verder te verbeteren. Om de kwaliteit en consistentie van de op Unieniveau verzamelde statistische gegevens te verbeteren, moeten de Commissie en de AMLA de situatie in de hele Unie met betrekking tot de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering volgen en regelmatig overzichten publiceren.

(16)De FATF heeft normen ontwikkeld aan de hand waarvan jurisdicties de risico’s op mogelijke niet-uitvoering of ontduiking van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie kunnen identificeren en beoordelen en maatregelen kunnen nemen om die risico’s te beperken. Deze nieuwe door de FATF ingevoerde normen komen niet in de plaats van en doen geen afbreuk aan de bestaande strenge vereisten inzake de uitvoering van gerichte financiële sancties die landen in acht moeten nemen om te voldoen aan de regels van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake de preventie, bestrijding en verstoring van de proliferatie van massavernietigingswapens en de financiering daarvan. Deze strikte, op regels gebaseerde verplichtingen, waaraan op het niveau van de Unie uitvoering wordt gegeven bij de Besluiten 2010/413/GBVB 26 en (GBVB) 2016/849 27 van de Raad en bij de Verordeningen (EU) nr. 267/2012 28 en (EU) 2017/1509 29 van de Raad, gelden nog steeds voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen binnen de Unie.

(17)Om rekening te houden met de meest recente ontwikkelingen op internationaal niveau, is bij deze richtlijn een vereiste ingevoerd om de risico’s van mogelijke niet-uitvoering of ontduiking van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie op het niveau van de Unie en op het niveau van de lidstaten te identificeren, inzichtelijk te maken, te beheersen en te beperken.

(18)Centrale registers van informatie over uiteindelijk begunstigden zijn van cruciaal belang voor de bestrijding van misbruik van juridische entiteiten. Om ervoor te zorgen dat de registers van informatie over de uiteindelijk begunstigden gemakkelijk toegankelijk zijn en hoogwaardige gegevens bevatten, moeten consistente regels voor het verzamelen en opslaan van deze informatie worden ingevoerd.

(19)Met het oog op meer transparantie en om misbruik van juridische entiteiten tegen te gaan, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat informatie over uiteindelijk begunstigden in volledige overeenstemming met het Unierecht wordt bewaard in een centraal register dat zich buiten de vennootschap bevindt. Hiertoe kunnen de lidstaten gebruikmaken van een centrale databank waarin de informatie betreffende uiteindelijk begunstigden wordt verzameld, van het handelsregister of van een ander centraal register. De lidstaten kunnen besluiten dat de meldingsplichtige entiteiten verantwoordelijk zijn voor het opnemen van de gegevens in het register. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat die informatie in alle gevallen aan de bevoegde autoriteiten en de FIE’s beschikbaar wordt gesteld en aan de meldingsplichtige entiteiten wordt verstrekt wanneer zij cliëntenonderzoeksmaatregelen nemen.

(20)De informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies moet worden geregistreerd waar de trustees van de trusts en de personen die vergelijkbare posities bekleden in het kader van soortgelijke juridische constructies, gevestigd of woonachtig zijn. Met het oog op de doeltreffende monitoring en registratie van informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies is ook samenwerking tussen de lidstaten noodzakelijk. Door de in de lidstaten bijgehouden registers van uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies aan elkaar te koppelen, zou deze informatie toegankelijk worden gemaakt en zou er bovendien voor worden gezorgd dat meervoudige registratie van dezelfde trusts en soortgelijke juridische constructies binnen de Unie wordt vermeden.

(21)Tijdige toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden moet worden gewaarborgd op zodanige wijze dat elk risico dat de betrokken vennootschap getipt wordt, wordt vermeden.

(22)De nauwkeurigheid van de gegevens in de registers van uiteindelijk begunstigden is van fundamenteel belang voor alle relevante autoriteiten en andere personen die toegang tot die gegevens hebben gekregen, en om geldige, rechtmatige beslissingen te nemen op basis van die gegevens. Daarom moeten juridische entiteiten en juridische constructies, wanneer er na zorgvuldige analyse door de registrators voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de nauwkeurigheid van de informatie over de uiteindelijk begunstigden in de registers, worden verplicht aanvullende informatie te verstrekken op basis van risicogevoeligheid. Daarnaast is het belangrijk dat de lidstaten de met het beheer van de registers belaste entiteit voldoende bevoegdheden toevertrouwen om de uiteindelijk begunstigden en de waarheidsgetrouwheid van de aan haar verstrekte informatie te verifiëren en elk vermoeden aan hun FIE te melden. Deze bevoegdheden moeten zich ook uitstrekken tot de uitvoering van inspecties in de gebouwen van de juridische entiteiten.

(23)Bovendien is het melden van discrepanties tussen informatie over uiteindelijk begunstigden in de centrale registers en informatie over uiteindelijk begunstigden waarover meldingsplichtige entiteiten en, in voorkomend geval, bevoegde autoriteiten beschikken, een doeltreffend mechanisme om de juistheid van de informatie te verifiëren. Dergelijke discrepanties moeten snel worden vastgesteld, gerapporteerd en gecorrigeerd.

(24)Om ervoor te zorgen dat het mechanisme voor de melding van discrepanties evenredig is en gericht is op het opsporen van gevallen van onjuiste informatie over de uiteindelijk begunstigden, kunnen de lidstaten de meldingsplichtige entiteiten toestaan de cliënt te verzoeken om technische discrepanties rechtstreeks te corrigeren bij de met de centrale registers belaste entiteit. Een dergelijke optie is alleen van toepassing op cliënten met een laag risico en op fouten van technische aard, zoals onbelangrijke gevallen van verkeerd gespelde informatie, wanneer het duidelijk is dat deze geen belemmering vormen voor de identificatie van de uiteindelijk begunstigde(n) en de juistheid van de informatie.

(25)Indien de melding van discrepanties door de FIE’s en andere bevoegde autoriteiten een lopend strafrechtelijk onderzoek in gevaar zou brengen, moeten de FIE’s of andere bevoegde autoriteiten de melding van de discrepantie uitstellen tot het moment waarop de redenen voor het niet melden ophouden te bestaan. Bovendien mogen FIE’s en bevoegde autoriteiten een discrepantie niet melden als dit strijdig zou zijn met een vertrouwelijkheidsbepaling van het nationale recht of als iemand daardoor op onwettige wijze zou worden getipt.

(26)Om te zorgen voor een gelijk speelveld bij de toepassing van het begrip “uiteindelijk begunstigde”, is het van het grootste belang dat juridische entiteiten in de hele Unie kunnen profiteren van uniforme meldingskanalen en -middelen. Daartoe moet het formaat voor de indiening van informatie over de uiteindelijk begunstigden bij de desbetreffende nationale registers uniform zijn en garanties bieden voor transparantie en rechtszekerheid.

(27)Om een gelijk speelveld tussen de verschillende soorten rechtsvormen te waarborgen, moeten trustees ook worden verplicht informatie over uiteindelijk begunstigden te verkrijgen en in bezit te hebben en deze informatie mee te delen aan een centraal register of een centrale databank.

(28)Publieke toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden maakt ook meer onderzoek van informatie door de maatschappij mogelijk, onder meer door de pers of maatschappelijke organisaties, en draagt bij tot het behoud van het vertrouwen in de integriteit van het financiële stelsel. Publieke toegang kan bijdragen aan de bestrijding van misbruik van vennootschappen en andere juridische entiteiten en juridische constructies voor witwassen en terrorismefinanciering, zowel door onderzoek te vergemakkelijken als door reputatieschade, aangezien iedereen die een zakelijke relatie kan aangaan, op de hoogte is van de identiteit van de uiteindelijk begunstigden. Het kan ook de tijdige en efficiënte beschikbaarheid van informatie vergemakkelijken voor meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten van derde landen die betrokken zijn bij de bestrijding van dergelijke strafbare feiten. Toegang tot die informatie zou ook helpen bij onderzoeken naar witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering.

(29)Het vertrouwen van beleggers en het grote publiek in de financiële markten hangt in grote mate af van het bestaan van een accurate openbaarmakingsregeling die zorgt voor transparantie in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van vennootschappen. Dit geldt met name voor corporate-governancesystemen die worden gekenmerkt door eigendomsconcentratie, zoals dat in de Unie. Enerzijds kunnen grote investeerders met aanzienlijke stem- en kasstroomrechten de langetermijngroei en -prestaties van ondernemingen bevorderen. Anderzijds kunnen uiteindelijk begunstigden die zeggenschap uitoefenen en over een groot aantal stemmen beschikken, in de verleiding komen bedrijfsactiva en -kansen voor eigen gewin te gebruiken ten koste van minderheidsbeleggers. Het mogelijk groter vertrouwen in de financiële markten dient te worden beschouwd als een positief neveneffect en niet als het doel van grotere transparantie; dat doel bestaat erin een omgeving te creëren die minder gemakkelijk kan worden gebruikt om geld wit te wassen en terrorisme te financieren.

(30)Het vertrouwen van beleggers en het grote publiek in de financiële markten hangt in grote mate af van het bestaan van een accurate openbaarmakingsregeling die zorgt voor transparantie in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van vennootschappen en andere juridische entiteiten alsook bepaalde soorten trusts en soortgelijke juridische constructies. De lidstaten moeten daarom op voldoende coherente en gecoördineerde wijze toegang verlenen tot informatie over uiteindelijk begunstigden, door vertrouwelijkheidsregels voor het publiek vast te stellen, zodat derde partijen in de hele Unie kunnen nagaan wie de uiteindelijk begunstigden zijn van vennootschappen en andere juridische entiteiten, alsmede, mits er een legitiem belang is, van bepaalde soorten trusts en soortgelijke juridische constructies.

(31)Met betrekking tot vennootschappen en andere juridische entiteiten moet met name worden gestreefd naar een billijk evenwicht tussen het algemeen belang bij het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering en de grondrechten van de betrokkenen. De gegevens die ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld, moeten beperkt zijn en duidelijk en exhaustief worden afgebakend, en zij moeten van algemene aard zijn, teneinde de potentiële schade voor de uiteindelijk begunstigden te minimaliseren. Tegelijk mag de informatie die ter beschikking van het publiek wordt gesteld, niet significant verschillen van de gegevens die momenteel worden verzameld. Om de aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven in het algemeen en op de bescherming van hun persoonsgegevens in het bijzonder te beperken, moet die informatie hoofdzakelijk betrekking hebben op de status van uiteindelijk begunstigden van vennootschappen en andere juridische entiteiten en strikt betrekking hebben op de economische activiteit waarop de uiteindelijk begunstigden actief zijn. Ingeval het hoger leidinggevend personeel als uiteindelijk begunstigde is geïdentificeerd louter omdat het die functie bekleedt en niet omdat het een eigendomsbelang heeft of met andere middelen zeggenschap uitoefent, moet dit duidelijk in de registers zichtbaar zijn.

(32)In het geval van express trusts en soortgelijke juridische constructies moet de informatie toegankelijk zijn voor alle leden van het grote publiek, mits het rechtmatige belang kan worden aangetoond. Dit moet situaties omvatten waarin natuurlijke personen of rechtspersonen een verzoek indienen met betrekking tot een trust of soortgelijke juridische constructie die een zeggenschapsdeelneming houdt of bezit in een juridische entiteit die buiten de Unie is opgezet of opgericht door directe of indirecte eigendom, onder meer door deelneming aan toonder, of door zeggenschap op andere wijze. De interpretatie van het rechtmatige belang door de lidstaten mag het begrip “rechtmatig belang” niet beperken tot lopende administratieve of gerechtelijke procedures, en moet het mogelijk maken rekening te houden met de preventieve werkzaamheden van niet-gouvernementele organisaties en onderzoeksjournalisten op het gebied van de bestrijding van witwassen en de basisdelicten daarvan, en terrorismefinanciering. Hoewel trusts en andere juridische constructies kunnen worden gebruikt in complexe bedrijfsstructuren, blijft hun hoofddoel het beheer van het individuele vermogen. Om een passend evenwicht te vinden tussen het legitieme doel om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen, hetgeen door publiek toezicht wordt versterkt, en de bescherming van de grondrechten van natuurlijke personen, met name het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens, moet een rechtmatig belang worden aangetoond bij toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en andere juridische constructies.

(33)Om ervoor te zorgen dat de uiteindelijk begunstigde aan de hand van de voor het publiek beschikbare informatie correct kan worden geïdentificeerd, moet een minimumreeks gegevens toegankelijk zijn voor het publiek. Dergelijke gegevens moeten het mogelijk maken de uiteindelijk begunstigde ondubbelzinnig te identificeren en tegelijkertijd de hoeveelheid voor het publiek toegankelijke persoonsgegevens tot een minimum te beperken. Bij gebrek aan informatie over de naam, de geboortemaand en het geboortejaar en het land van verblijf en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, is het niet mogelijk ondubbelzinnig vast te stellen wie de natuurlijke persoon is die de uiteindelijk begunstigde is. Evenzo zou het ontbreken van informatie over het gehouden economisch belang het onmogelijk maken om te bepalen waarom die natuurlijke persoon als uiteindelijk begunstigde moet worden geïdentificeerd. Om verkeerde interpretaties van de publiekelijk beschikbare informatie over de uiteindelijk begunstigden te voorkomen en te zorgen voor een evenredige openbaarmaking van persoonsgegevens die consistent is in de hele Unie, is het derhalve passend de minimumreeks gegevens vast te stellen waartoe het publiek toegang heeft.

(34)Het versterkte publieke toezicht kan bijdragen tot het voorkomen van misbruik van juridische entiteiten en juridische constructies, met inbegrip van belastingontwijking. Daarom is het van essentieel belang dat de informatie over uiteindelijk begunstigden via de nationale registers en via het systeem van gekoppelde registers van uiteindelijk begunstigden beschikbaar blijft gedurende ten minste vijf jaar nadat de gronden voor de registratie van informatie over de uiteindelijk begunstigden van de trust of soortgelijke juridische constructie niet langer bestaan. De lidstaten moeten echter in staat zijn wettelijk te voorzien in de verwerking van de informatie over uiteindelijk begunstigden, met inbegrip van persoonsgegevens, voor andere doeleinden, indien zulke verwerking beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en in een democratische samenleving een maatregel vormt die noodzakelijk is en evenredig aan het nagestreefde doel.

(35)Met het oog op een evenredige en evenwichtige aanpak en om het recht op privéleven en de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, moeten de lidstaten bovendien kunnen voorzien in uitzonderingen op de bekendmaking van de persoonlijke informatie over de uiteindelijk begunstigde via de registers van informatie over uiteindelijk begunstigden en op toegang tot dergelijke informatie, in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer die informatie de uiteindelijk begunstigde zou blootstellen aan een onevenredig risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie. Het moet voor de lidstaten ook mogelijk zijn om online registratie verplicht te stellen teneinde elke persoon te identificeren die om informatie uit het register verzoekt, en om een vergoeding te vragen voor toegang tot de informatie in het register.

(36)Richtlijn (EU) 2018/843 heeft de koppeling tot stand gebracht tussen de centrale registers van de lidstaten die informatie bevatten over de uiteindelijk begunstigden via het bij Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Europees centraal platform 30 . De lidstaten moeten voortdurend bij de werking van het gehele systeem worden betrokken door middel van een regelmatige dialoog tussen de Commissie en de vertegenwoordigers van de lidstaten over kwesties in verband met de werking van het systeem en over de toekomstige ontwikkeling ervan.

(37)Door de koppeling van de registers van uiteindelijk begunstigden van de lidstaten moet zowel nationale als grensoverschrijdende toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden van juridische constructies die in het register van elke lidstaat is opgenomen, worden verleend op basis van de definitie van rechtmatig belang, op grond van een besluit van de desbetreffende entiteit van die lidstaat. Om te voorkomen dat besluiten tot beperking van de toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden die niet gerechtvaardigd zijn, niet kunnen worden herzien, moeten er beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten worden ingesteld. Met het oog op een coherente en efficiënte registratie en uitwisseling van informatie moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun met het register belaste entiteit samenwerkt met haar tegenhangers in andere lidstaten door informatie uit te wisselen over trusts en soortgelijke juridische constructies die onder het recht van een lidstaat vallen en in een andere lidstaat worden beheerd.

(38)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad 31 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn. Natuurlijke personen van wie persoonsgegevens in nationale registers als uiteindelijk begunstigden worden bijgehouden, moeten worden geïnformeerd over de toepasselijke gegevensbeschermingsregels. Voorts mogen alleen actuele persoonsgegevens die overeenkomen met de feitelijke uiteindelijk begunstigden beschikbaar worden gesteld, en moeten de begunstigden worden geïnformeerd over hun rechten uit hoofde van het rechtskader voor gegevensbescherming van de Unie en over de procedures die van toepassing zijn voor de uitoefening van die rechten. Om misbruik van in de registers opgenomen informatie te voorkomen en voor evenwicht met de rechten van uiteindelijk begunstigden te zorgen, kunnen de lidstaten het voorts passend achten te overwegen om de informatie over de verzoekende persoon, samen met de rechtsgrondslag voor zijn verzoek, ook ter beschikking te stellen van de uiteindelijk begunstigde.

(39)Vertraagde toegang van FIE’s en andere bevoegde autoriteiten tot informatie over de identiteit van houders van bank- en betaalrekeningen en kluizen, met name anonieme, belemmert de opsporing van geldovermakingen in verband met witwassen en terrorismefinanciering. Nationale gegevens die de identificatie mogelijk maken van bank- en betaalrekeningen en kluizen die aan één persoon toebehoren, zijn versnipperd en daarom niet tijdig toegankelijk voor FIE’s en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarom van essentieel belang in alle lidstaten gecentraliseerde automatische mechanismen op te zetten, zoals een register of een systeem voor gegevensontsluiting, waarmee op doeltreffende wijze tijdig toegang tot informatie over de identiteit van de houders van bank- en betaalrekeningen en kluizen, hun volmachthouders en hun uiteindelijk begunstigden kan worden verkregen. Bij de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de toegang is het passend gebruik te maken van reeds bestaande mechanismen, mits de nationale FIE’s onmiddellijk en ongefilterd toegang krijgen tot de gegevens waarnaar zij onderzoek doen. De lidstaten moeten overwegen om dergelijke mechanismen te voeden met andere informatie die zij noodzakelijk en evenredig achten om de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering doeltreffender te beperken. Ten aanzien van deze onderzoeken en verzoeken om gerelateerde informatie door FIE’s en bevoegde autoriteiten, andere dan autoriteiten die voor vervolging verantwoordelijk zijn, moet volledige vertrouwelijkheid worden gegarandeerd.

(40)Met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens moet het minimum aan informatie dat nodig is voor het uitvoeren van AML/CFT-onderzoeken, worden bijgehouden in gecentraliseerde automatische mechanismen voor bank- en betaalrekeningen, zoals registers of systemen voor gegevensontsluiting. Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn om te bepalen van welke gegevens het verzamelen nuttig en evenredig is, rekening houdend met de bestaande systemen en rechtstradities om de uiteindelijk begunstigden op zinvolle wijze te kunnen identificeren. Bij de omzetting van de bepalingen met betrekking tot deze mechanismen moeten de lidstaten bewaringstermijnen vaststellen die gelijk zijn aan de termijn voor het bewaren van documentatie en informatie die zijn verkregen bij de toepassing van cliëntenonderzoeksmaatregelen. Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn om de bewaringstermijn bij wet algemeen te verlengen, zonder dat daartoe per geval een besluit behoeft te worden genomen. De bewaringstermijn mag met maximaal vijf extra jaren worden verlengd. Die periode mag geen afbreuk doen aan nationale wetgeving die voorziet in andere vereisten met betrekking tot het bewaren van gegevens op grond waarvan per geval kan worden besloten om strafrechtelijke of administratieve procedures mogelijk te maken. De toegang tot die mechanismen moet plaatsvinden op een “need-to-know” -basis.

(41)Door middel van de koppeling van de gecentraliseerde automatische mechanismen van de lidstaten zouden de nationale FIE’s snel grensoverschrijdende informatie kunnen verkrijgen over de identiteit van houders van bank- en betaalrekeningen en kluizen in andere lidstaten, waardoor zij beter in staat zouden zijn om doeltreffend financiële analysen uit te voeren en samen te werken met hun tegenhangers uit andere lidstaten. Directe grensoverschrijdende toegang tot informatie over bank- en betaalrekeningen en kluizen zou de FIE’s in staat stellen binnen een voldoende korte termijn financiële analysen te maken om mogelijke gevallen van witwassen en terrorismefinanciering op te sporen en een snelle rechtshandhavingsactie te waarborgen.

(42)Om het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy te eerbiedigen en de impact van grensoverschrijdende toegang tot de informatie in de nationale gecentraliseerde automatische mechanismen te beperken, zou de reikwijdte van de informatie die via het centrale toegangspunt van registers van bankrekeningen toegankelijk is, worden beperkt tot het minimum dat nodig is in overeenstemming met het beginsel van minimale gegevensverwerking om de identificatie mogelijk te maken van natuurlijke personen of rechtspersonen die houder zijn van of zeggenschap hebben over betaalrekeningen en bankrekeningen die geïdentificeerd zijn door IBAN, en kluizen. Bovendien mogen alleen FIE’s onmiddellijke en ongefilterde toegang krijgen tot het centrale toegangspunt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat het personeel van de FIE’s hoge professionele normen inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming in acht neemt, dat het zeer integer is en over de juiste vaardigheden beschikt. Bovendien moeten de lidstaten technische en organisatorische maatregelen treffen om de beveiliging van de gegevens volgens hoge technologische normen te waarborgen.

(43)De koppeling van de gecentraliseerde automatische mechanismen van de lidstaten (centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting) met informatie over bank- en betaalrekeningen en kluizen via het centrale toegangspunt van registers van bankrekeningen vereist de coördinatie van nationale systemen met uiteenlopende technische kenmerken. Daartoe moeten technische maatregelen en specificaties worden ontwikkeld die rekening houden met de verschillen tussen de nationale gecentraliseerde automatische mechanismen.

(44)Onroerend goed is voor criminelen een aantrekkelijk middel om de opbrengsten van hun illegale activiteiten wit te wassen, aangezien hierdoor de werkelijke bron van de geldmiddelen en de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde kunnen worden verdoezeld. Een correcte en tijdige identificatie van natuurlijke personen of rechtspersonen die onroerend goed bezitten door FIE’s en andere bevoegde autoriteiten, is belangrijk voor zowel het opsporen van witwasregelingen als het bevriezen en confisqueren van vermogensbestanddelen. Daarom is het belangrijk dat de lidstaten de FIE’s en de bevoegde autoriteiten toegang verlenen tot informatie waarmee natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar zijn van onroerend goed, en tot informatie die relevant is voor de vaststelling van het risico en het vermoeden van de transactie, tijdig kunnen worden geïdentificeerd.

(45)Alle lidstaten beschikken over operationeel onafhankelijke en zelfstandige FIE’s, of moeten die oprichten, om de binnenkomende informatie te verzamelen en te analyseren met het doel verbanden te leggen tussen verdachte transacties en onderliggende criminele activiteiten, teneinde witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen en te bestrijden. De FIE moet de enige centrale nationale eenheid zijn die verantwoordelijk is voor de ontvangst en analyse van meldingen van verdachte transacties, meldingen van grensoverschrijdende fysieke bewegingen van contanten en betalingen in contanten boven een bepaalde limiet, alsmede andere door meldingsplichtige entiteiten ingediende informatie die relevant is voor witwassen, de basisdelicten daarvan, of terrorismefinanciering. De operationele onafhankelijkheid en autonomie van de FIE moeten worden gewaarborgd door de FIE de bevoegdheid en de capaciteit te verlenen om haar taken vrij uit te voeren, met inbegrip van het vermogen om autonome besluiten te nemen met betrekking tot analyse, verzoeken en verspreiding van specifieke informatie. In alle gevallen moet de FIE het onafhankelijke recht hebben om informatie door te geven aan of te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten. De FIE moet worden voorzien van voldoende financiële, personele en technische middelen, op een wijze die haar autonomie en onafhankelijkheid waarborgt en haar in staat stelt haar mandaat doeltreffend uit te oefenen. De FIE moet in staat zijn om op individuele of routinematige basis de middelen te verkrijgen en in te zetten die nodig zijn om haar taken uit te voeren, zonder dat er sprake is van ongepaste politieke, overheids- of industriële beïnvloeding of inmenging die haar operationele onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen.

(46)FIE’s spelen een belangrijke rol bij de identificatie van de, met name grensoverschrijdende, financiële operaties van terroristische netwerken en bij het opsporen van hun geldschieters. Financiële inlichtingen kunnen van fundamenteel belang zijn om het faciliteren van terroristische misdrijven en de netwerken en plannen van terroristische organisaties aan het licht te brengen. FIE’s blijven aanzienlijke verschillen vertonen wat betreft hun functies, competenties en bevoegdheden. De huidige verschillen mogen evenwel geen afbreuk doen aan de activiteiten van een FIE, met name aan de mogelijkheid ervan om preventieve analysen te ontwikkelen ter ondersteuning van alle autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor inlichtingen-, recherche- en gerechtelijke activiteiten en internationale samenwerking. Het is nu van essentieel belang om voor de uitoefening van hun taken de minimumreeks van gegevens vast te stellen die voor de FIE’s snel toegankelijk moeten zijn en die zonder belemmeringen moeten kunnen worden uitgewisseld met hun tegenhangers uit andere lidstaten. In alle gevallen waarin witwassen of daarmee verband houdende basisdelicten worden vermoed en in gevallen waarin terrorisme wordt gefinancierd, moet informatie rechtstreeks en snel en zonder onnodige vertraging worden doorgegeven. Daarom is het van essentieel belang de doeltreffendheid en doelmatigheid van FIE’s te verbeteren door de bevoegdheden van en de samenwerking tussen FIE’s te verbeteren.

(47)De bevoegdheden van de FIE’s omvatten het recht op directe of indirecte toegang tot de “financiële”, “administratieve” en “rechtshandhavingsinformatie” die zij nodig hebben om witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te bestrijden. Het gebrek aan definitie van de soorten informatie die deze algemene categorieën omvatten, heeft ertoe geleid dat FIE’s toegang hebben gekregen tot aanzienlijk gediversifieerde reeksen informatie, wat gevolgen heeft voor de analytische functies van de FIE’s en voor hun vermogen om doeltreffend samen te werken met hun tegenhangers uit andere lidstaten. Daarom moeten de minimumreeksen van “financiële”, “administratieve” en “rechtshandhavingsinformatie” worden gedefinieerd die direct of indirect aan elke FIE in de hele Unie beschikbaar moeten worden gesteld. Bovendien moeten de FIE’s bij elke meldingsplichtige entiteit snel alle nodige informatie over hun functies kunnen verkrijgen. Een FIE moet dergelijke informatie ook kunnen verkrijgen op verzoek van een andere FIE en kunnen uitwisselen met de verzoekende FIE.

(48)De overgrote meerderheid van de FIE’s heeft de bevoegdheid gekregen om dringende maatregelen te nemen en een transactie op te schorten of niet goed te keuren om deze te analyseren, het vermoeden te bevestigen en de resultaten van de analytische activiteiten te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten. Er zijn echter bepaalde verschillen in de duur van de uitstelbevoegdheden in de verschillende lidstaten, die niet alleen gevolgen hebben voor het uitstellen van activiteiten die grensoverschrijdend van aard zijn via samenwerking tussen FIE’s, maar ook voor de grondrechten van individuen. Om criminele geldmiddelen of vermogensbestanddelen onmiddellijk in beslag te kunnen nemen en te voorkomen dat zij verdwijnen, ook met het oog op inbeslagneming, moeten FIE’s voorts de bevoegdheid krijgen om het gebruik van een bank- of betaalrekening op te schorten om de via de rekening verrichte transacties te analyseren, het vermoeden te bevestigen en de resultaten van de analyse door te geven aan de bevoegde autoriteiten. Aangezien de mogelijkheid van uitstel gevolgen heeft voor het eigendomsrecht, moet het behoud van de grondrechten van de betrokken personen worden gewaarborgd.

(49)Met het oog op meer transparantie en verantwoordingsplicht en om de bekendheid met hun activiteiten te vergroten, moeten de FIE’s jaarlijks activiteitenverslagen uitbrengen. Deze verslagen moeten ten minste statistische gegevens bevatten met betrekking tot de ontvangen meldingen van verdachte transacties, het aantal verspreidingen bij nationale bevoegde autoriteiten, het aantal verzoeken dat is ingediend bij en ontvangen door andere FIE’s, alsook informatie over vastgestelde trends en typologieën. Dit verslag moet openbaar worden gemaakt, met uitzondering van de elementen die gevoelige en gerubriceerde informatie bevatten. De FIE moet meldingsplichtige entiteiten ten minste eenmaal per jaar feedback geven over de kwaliteit van meldingen van verdachte transacties, de tijdigheid ervan, de beschrijving van het vermoeden en eventuele aanvullende verstrekte documenten. Dergelijke feedback kan worden verstrekt aan individuele meldingsplichtige entiteiten of groepen meldingsplichtige entiteiten en moet erop gericht zijn de meldingsplichtige entiteiten beter in staat te stellen verdachte transacties en activiteiten op te sporen en te identificeren en de algemene meldingsmechanismen te verbeteren.

(50)Het doel van de FIE is de informatie die zij ontvangt, te verzamelen en te analyseren om verbanden te leggen tussen verdachte transacties en onderliggende criminele activiteiten, teneinde witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen en te bestrijden, en de resultaten van haar analyse alsook aanvullende informatie aan de bevoegde autoriteiten door te geven wanneer er redenen zijn om te vermoeden dat er sprake is van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten of terrorismefinanciering. Een FIE mag niet nalaten of weigeren om informatie, spontaan of op verzoek, met een andere FIE uit te wisselen vanwege het ontbreken van de identificatie van een verband houdend basisdelict, kenmerken van het nationale strafrecht en verschillen tussen de definities van verband houdende basisdelicten, of het ontbreken van een verwijzing naar bepaalde verband houdende basisdelicten. Ook moet een FIE, ongeacht het type van mogelijk verband houdende basisdelicten, haar voorafgaande toestemming geven aan een andere FIE om de informatie aan de bevoegde autoriteiten door te geven, zodat de verspreidingsfunctie doeltreffend kan worden vervuld. FIE’s hebben moeilijkheden gemeld bij de uitwisseling van informatie wegens verschillen tussen de nationale definities van een aantal basisdelicten — zoals fiscale misdrijven — die niet door het Unierecht geharmoniseerd zijn. Dergelijke verschillen mogen geen belemmering vormen voor de wederzijdse uitwisseling, de verspreiding onder andere bevoegde autoriteiten en het gebruik van die informatie. FIE’s moeten snel, constructief en effectief zorgen voor een zo breed mogelijke internationale samenwerking met FIE’s van derde landen op het gebied van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering, overeenkomstig de toepasselijke gegevensbeschermingsregels voor gegevensoverdracht, de FATF-aanbevelingen en de Egmontbeginselen voor informatie-uitwisseling tussen financiële-inlichtingeneenheden.

(51)FIE’s moeten gebruikmaken van beveiligde faciliteiten, met inbegrip van beschermde communicatiekanalen, om onderling samen te werken en informatie uit te wisselen. In dit verband moet een systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de FIE’s van de lidstaten (“FIU.net”) worden opgezet. Het systeem moet worden beheerd en georganiseerd door de AMLA. FIU.net moet door de FIE’s worden gebruikt om onderling samen te werken en informatie uit te wisselen, en kan in voorkomend geval ook worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie met FIE’s van derde landen en met andere autoriteiten en organen van de Unie. De FIE’s moeten ten volle gebruik maken van de functies van FIU.net. Deze functies moeten FIE’s in staat stellen hun gegevens op anonieme wijze te vergelijken met gegevens van andere FIE’s, teneinde voor de FIE van belang zijnde personen op te sporen in andere lidstaten en hun opbrengsten en middelen te identificeren, met volledige bescherming van persoonsgegevens.

(52)Het is belangrijk dat de FIE’s samenwerken en informatie doeltreffend met elkaar uitwisselen. In dit verband moet de AMLA de nodige bijstand verlenen, niet alleen door het coördineren van gezamenlijke analysen van meldingen van grensoverschrijdende verdachte transacties, maar ook door het ontwikkelen van ontwerpen van technische reguleringsnormen betreffende het formaat dat moet worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen FIE’s, en van richtsnoeren met betrekking tot de relevante factoren waarmee rekening moet worden gehouden wanneer wordt vastgesteld of een melding van verdachte transacties betrekking heeft op een andere lidstaat, alsook met betrekking tot de aard, kenmerken en doelstellingen van de operationele en strategische analyse.

(53)Termijnen voor de uitwisseling van informatie tussen FIE’s zijn noodzakelijk om een snelle, doeltreffende en consistente samenwerking te waarborgen. Er moeten termijnen worden gesteld om doeltreffende informatie-uitwisseling binnen een redelijke tijdspanne te waarborgen of om aan bepaalde procedurele regels te voldoen. In uitzonderlijke, gerechtvaardigde en dringende gevallen waarin de aangezochte FIE rechtstreeks toegang heeft tot de databanken waarin de gevraagde informatie wordt bewaard, moeten kortere termijnen worden vastgesteld. Indien de aangezochte FIE de informatie niet binnen de gestelde termijnen kan verstrekken, moet zij haar tegenhanger daarvan in kennis stellen.

(54)Het verkeer van illegaal geld passeert grenzen en kan gevolgen hebben voor verschillende lidstaten. Grensoverschrijdende zaken waarbij meerdere rechtsgebieden betrokken zijn, komen steeds vaker voor en worden steeds belangrijker, mede als gevolg van de grensoverschrijdende activiteiten van meldingsplichtige entiteiten. Om doeltreffend te kunnen omgaan met zaken die meerdere lidstaten betreffen, moeten de FIE’s verder kunnen gaan dan de loutere uitwisseling van informatie voor het opsporen en analyseren van verdachte transacties en activiteiten en de analytische activiteit zelf kunnen delen. FIE’s hebben melding gemaakt van bepaalde belangrijke problemen waardoor het vermogen van FIE’s om gezamenlijke analysen uit te voeren, wordt beperkt of aan voorwaarden onderworpen. Het uitvoeren van een gezamenlijke analyse van verdachte transacties en activiteiten zal de FIE’s in staat stellen potentiële synergieën te benutten, informatie uit verschillende bronnen te gebruiken, een volledig beeld te krijgen van de afwijkende activiteiten en de analyse te verrijken. De FIE’s moeten in staat zijn gezamenlijke analysen van verdachte transacties en activiteiten uit te voeren en met de hulp van de AMLA gemeenschappelijke analyseteams voor specifieke doeleinden en beperkte tijd op te zetten en eraan deel te nemen. De deelname van derden kan van groot belang zijn voor het welslagen van gezamenlijke analysen. Daarom kunnen FIE’s derden uitnodigen om deel te nemen aan de gezamenlijke analyse indien die deelname onder de respectieve bevoegdheid van die derden zou vallen.

(55)Een doeltreffend toezicht op alle meldingsplichtige entiteiten is essentieel om de integriteit van het financiële stelsel van de Unie en van de interne markt te beschermen. Daartoe dienen de lidstaten een doeltreffend en onpartijdig AML/CFT-toezicht in te stellen en de voorwaarden vast te stellen voor effectieve, tijdige en duurzame samenwerking tussen toezichthouders.

(56)De lidstaten moeten zorgen voor een doeltreffend, onpartijdig en risicogebaseerd toezicht op alle meldingsplichtige entiteiten, bij voorkeur door overheidsinstanties via een afzonderlijke en onafhankelijke nationale toezichthouder. Nationale toezichthouders moeten een breed spectrum van taken kunnen uitvoeren om effectief toezicht op alle meldingsplichtige entiteiten uit te oefenen.

(57)De Unie is bij herhaling getuige geweest van een lakse benadering van het toezicht op de verplichtingen van meldingsplichtige entiteiten inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Daarom is het nu van het grootste belang dat de bevoegde nationale toezichthouders, als onderdeel van het bij deze richtlijn en bij Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final] ingestelde geïntegreerde toezichtmechanisme, duidelijkheid verkrijgen over hun respectieve rechten en plichten.

(58)Om de risico’s waaraan meldingsplichtige entiteiten blootstaan en de wijze waarop zij gerichte financiële sancties ten uitvoer leggen, doeltreffender en regelmatiger te beoordelen en te monitoren, moet worden verduidelijkt dat nationale toezichthouders zowel gerechtigd als verplicht zijn alle noodzakelijke externe, on-site en thematische onderzoeken en alle andere onderzoeken en beoordelingen uit te voeren wanneer zij dat nodig achten. Dit helpt toezichthouders niet alleen om te beslissen in welke gevallen de specifieke risico’s die inherent zijn aan een sector, duidelijk en inzichtelijk zijn, maar biedt hun ook de instrumenten die nodig zijn om relevante informatie verder te verspreiden onder meldingsplichtige entiteiten om hen te informeren over het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering.

(59)Outreachactiviteiten, met inbegrip van de verspreiding van informatie door de toezichthouders aan de meldingsplichtige entiteiten die onder hun toezicht staan, zijn van essentieel belang om te waarborgen dat de particuliere sector voldoende inzicht heeft in de aard en de omvang van de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering waarmee zij worden geconfronteerd.

(60)De toezichthouders moeten voor hun werk een op risico’s gebaseerde benadering hanteren, die hen in staat moet stellen hun middelen te concentreren waar de risico’s het grootst zijn, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat geen enkele sector of entiteit wordt blootgesteld aan criminele pogingen om geld wit te wassen of terrorisme te financieren. De AMLA moet een leidende rol spelen bij het bevorderen van een gemeenschappelijke interpretatie van risico’s en moet daarom worden belast met de ontwikkeling van benchmarks en een methodologie voor het beoordelen en classificeren van het inherente en restrisicoprofiel van meldingsplichtige entiteiten, alsook van de frequentie waarmee dat risicoprofiel moet worden herzien.

(61)De bekendmaking door toezichthouders aan FIE’s van feiten die verband zouden kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering is een van de hoekstenen van een efficiënt en doeltreffend toezicht op de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering. Daarom moeten de lidstaten een systeem opzetten dat ervoor zorgt dat de FIE’s naar behoren en snel worden geïnformeerd.

(62)Samenwerking tussen nationale toezichthouders is van essentieel belang om te zorgen voor een gemeenschappelijke toezichtsaanpak in de hele Unie. Om doeltreffend te zijn, moet deze samenwerking zoveel mogelijk worden benut, ongeacht de aard of status van de toezichthouders. Naast de traditionele samenwerking — zoals de mogelijkheid om onderzoek te verrichten namens een verzoekende toezichthoudende autoriteit — is het passend de oprichting van AML/CFT-toezichtcolleges te verplichten ten aanzien van meldingsplichtige entiteiten die werkzaam zijn in het kader van de vrijheid van dienstverrichting of vestiging en met betrekking tot meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep.

(63)Wanneer een meldingsplichtige entiteit vestigingen in een andere lidstaat exploiteert, onder meer via een netwerk van agenten, moet de toezichthouder van de lidstaat van herkomst verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de toepassing door de meldingsplichtige entiteit van groepsbrede AML/CFT-beleidslijnen en -procedures. Dit kan gepaard gaan met bezoeken ter plaatse in vestigingen in een andere lidstaat. De toezichthouder van de lidstaat van herkomst moet nauw samenwerken met de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst en moet deze in kennis stellen van alle kwesties die van invloed kunnen zijn op zijn beoordeling van de naleving door de instelling van de AML/CFT-regels van de lidstaat van ontvangst.

(64)Wanneer een meldingsplichtige entiteit vestigingen in een andere lidstaat exploiteert, onder meer via een netwerk van agenten, blijft de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst verantwoordelijk voor het handhaven van de naleving door de inrichting van de AML/CFT-regels, onder meer, in voorkomend geval, door inspecties ter plaatse en monitoring buiten de locatie uit te voeren en door passende en evenredige maatregelen te nemen om ernstige inbreuken op die voorschriften aan te pakken. De toezichthouder van de lidstaat van ontvangst moet nauw samenwerken met de toezichthouder van de lidstaat van herkomst en moet deze in kennis stellen van alle kwesties die van invloed kunnen zijn op zijn beoordeling van de toepassing door de meldingsplichtige entiteit van groepsbrede AML/CFT-beleidslijnen en -procedures. Om ernstige inbreuken op de AML/CFT-regels die onmiddellijke maatregelen vereisen, weg te nemen, moet de toezichthouder van de lidstaat van ontvangst passende en evenredige tijdelijke corrigerende maatregelen kunnen toepassen die onder vergelijkbare omstandigheden van toepassing zijn op meldingsplichtige entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, om dergelijke ernstige tekortkomingen aan te pakken, in voorkomend geval met de hulp van of in samenwerking met de toezichthouder van de lidstaat van herkomst.

(65)Om te zorgen voor een betere coördinatie van de inspanningen en op doeltreffende wijze bij te dragen aan de behoeften van het geïntegreerde toezichtmechanisme, moeten de respectieve taken van de toezichthouders met betrekking tot die meldingsplichtige entiteiten worden verduidelijkt en moeten specifieke, evenredige samenwerkingsmechanismen worden vastgesteld.

(66)Grensoverschrijdende groepen moeten beschikken over verregaande groepsbrede beleidslijnen en procedures. Om ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende transacties gepaard gaan met adequaat toezicht, moeten gedetailleerde toezichtregels worden vastgesteld die de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst in staat stellen zoveel mogelijk met elkaar samen te werken, ongeacht hun respectieve aard of status, en met de AMLA om de risico’s te beoordelen, ontwikkelingen te monitoren die gevolgen kunnen hebben voor de verschillende entiteiten die deel uitmaken van de groep en de toezichtmaatregelen te coördineren. Gezien haar coördinerende rol moet de AMLA worden belast met de taak om ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen waarin de respectieve taken van de toezichthouders van de lidstaten van herkomst en van de toezichthouders van de lidstaten van ontvangst van groepen, en de modaliteiten van hun onderlinge samenwerking worden omschreven. Het toezicht op de effectieve uitvoering van het groepsbeleid inzake AML/CFT moet worden uitgeoefend in overeenstemming met de beginselen en modaliteiten van het geconsolideerde toezicht als vastgesteld in de betreffende Europese sectorale wetgeving.

(67)Richtlijn (EU) 2015/849 bevatte een algemene verplichting voor toezichthouders van lidstaten van herkomst en van ontvangst om samen te werken. Deze vereisten werden vervolgens aangescherpt om te voorkomen dat de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen toezichthouders verboden of onredelijk beperkt werden. Bij gebrek aan een duidelijk rechtskader is de oprichting van AML/CFT-toezichtcolleges echter gebaseerd geweest op niet-bindende richtsnoeren. Het is derhalve noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de organisatie van AML/CFT-colleges en te voorzien in een gecoördineerde, juridisch solide aanpak, waarbij wordt erkend dat er behoefte is aan gestructureerde interactie tussen toezichthouders in de hele Unie. In overeenstemming met haar coördinerende en toezichthoudende rol moet de AMLA worden belast met de ontwikkeling van ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de algemene voorwaarden worden vastgelegd die de goede werking van de AML/CFT-toezichtcolleges mogelijk maken.

(68)Uitwisseling van informatie en samenwerking tussen toezichthouders zijn essentieel in de context van steeds meer geïntegreerde mondiale financiële systemen. Enerzijds moeten de toezichthouders van de Unie, met inbegrip van de AMLA, elkaar in kennis stellen van de gevallen waarin de wetgeving van een derde land de uitvoering van de beleidslijnen en procedures die vereist zijn uit hoofde van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], niet toestaat. Anderzijds moeten de lidstaten toezichthouders kunnen machtigen samenwerkingsovereenkomsten te sluiten die voorzien in samenwerking en uitwisseling van vertrouwelijke informatie met hun tegenhangers in derde landen, met inachtneming van de toepasselijke regels voor de doorgifte van persoonsgegevens. Gezien haar toezichthoudende rol dient de AMLA de nodige bijstand te verlenen bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de vereisten inzake beroepsgeheim die van toepassing zijn op de tegenhanger van het derde land.

(69)Richtlijn (EU) 2015/849 stond de lidstaten toe het toezicht op bepaalde meldingsplichtige entiteiten toe te vertrouwen aan zelfregulerende organen. De kwaliteit en de intensiteit van het toezicht dat door dergelijke zelfregulerende organen wordt uitgeoefend, waren echter ontoereikend en stonden niet of amper onder publiek toezicht. Wanneer een lidstaat besluit toezicht toe te vertrouwen aan een zelfregulerende instantie, moet hij ook een overheidsinstantie aanwijzen die toezicht houdt op de activiteiten van de zelfregulerende instantie om ervoor te zorgen dat de uitvoering van die activiteiten in overeenstemming is met de vereisten van deze richtlijn.

(70)Het belang van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering moet ertoe leiden dat de lidstaten in hun nationaal recht doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties en maatregelen vaststellen voor niet-naleving van de vereisten van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]. De nationale toezichthouders dienen door de lidstaten te worden gemachtigd dergelijke maatregelen op te leggen aan meldingsplichtige entiteiten om de situatie in geval van inbreuken te verhelpen en, indien de inbreuk dit rechtvaardigt, geldelijke sancties op te leggen. Het geheel van sancties en maatregelen moet voldoende breed zijn om de lidstaten en bevoegde autoriteiten in staat te stellen rekening te houden met verschillen tussen meldingsplichtige entiteiten, met name tussen kredietinstellingen en financiële instellingen en andere meldingsplichtige entiteiten, ten aanzien van hun omvang en kenmerken en de aard van hun bedrijf.

(71)De lidstaten beschikken momenteel over een gevarieerd spectrum van administratieve sancties en maatregelen voor inbreuken op de belangrijkste bestaande preventieve bepalingen en hanteren een inconsistente aanpak voor het onderzoeken en bestraffen van schendingen van de antiwitwasvereisten; er bestaat ook geen overeenstemming tussen toezichthouders over wat een “ernstige” schending moet zijn om zo te bepalen wanneer een administratieve sanctie moet worden opgelegd. Deze diversiteit is nadelig voor de inspanningen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en de respons van de Unie is versnipperd. Daarom moeten gemeenschappelijke criteria worden vastgesteld voor het bepalen van de meest passende reactie van de toezichthouder op inbreuken en moet worden voorzien in een reeks administratieve maatregelen die de toezichthouders kunnen opleggen wanneer de inbreuken niet voldoende ernstig zijn om met een administratieve sanctie te worden bestraft. Om meldingsplichtige entiteiten te stimuleren om te voldoen aan de bepalingen van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], moet het afschrikkende karakter van administratieve sancties worden versterkt. Bijgevolg moet het minimumbedrag van de maximumsanctie die kan worden opgelegd in geval van ernstige inbreuken op Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] worden verhoogd. Bij de omzetting van deze richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij het opleggen van administratieve sancties en maatregelen en van strafrechtelijke sancties overeenkomstig het nationale recht het “ne bis in idem”-beginsel niet wordt geschonden.

(72)Meldingsplichtige entiteiten hebben de vrijheid om diensten te verrichten en zich in de hele interne markt te vestigen om hun producten en diensten in de hele Unie aan te bieden. Een doeltreffend toezichtsysteem vereist dat toezichthouders op de hoogte zijn van de zwakke punten in de naleving door de meldingsplichtige entiteiten van de AML/CFT-regels. Daarom is het belangrijk dat toezichthouders elkaar in kennis kunnen stellen van administratieve sancties en maatregelen die aan meldingsplichtige entiteiten worden opgelegd, wanneer dergelijke informatie ook voor andere toezichthouders relevant zou zijn.

(73)De bekendmaking van een administratieve sanctie of maatregel wegens schending van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] kan een sterk afschrikkend effect hebben tegen herhaling van een dergelijke inbreuk. Door deze bekendmaking worden ook andere entiteiten geïnformeerd, alvorens een zakelijke relatie aan te gaan, over de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering in verband met de aan sancties onderworpen meldingsplichtige entiteit, en worden toezichthouders in andere lidstaten geholpen met betrekking tot de risico’s met een meldingsplichtige entiteit wanneer deze in hun lidstaat grensoverschrijdend actief is. Om die redenen moet de verplichting tot bekendmaking van besluiten over sancties waartegen niet in beroep is gegaan, worden bevestigd. Een dergelijke bekendmaking moet echter evenredig zijn en bij het nemen van een besluit over de bekendmaking van een administratieve sanctie of maatregel moeten toezichthouders rekening houden met de ernst van de inbreuk en met het afschrikkende effect dat de bekendmaking waarschijnlijk zal hebben.

(74)In een aantal gevallen zijn werknemers die hun vermoedens van witwassen hebben gemeld, het voorwerp geweest van bedreigingen of vijandige acties. Het is van cruciaal belang dat deze kwestie wordt aangepakt om de doeltreffendheid van het AML/CFT-systeem te waarborgen. De lidstaten moeten zich rekenschap geven van dit probleem en alles doen wat in hun vermogen ligt om individuele personen, met inbegrip van werknemers en vertegenwoordigers van de meldingsplichtige entiteit, te beschermen tegen dergelijke bedreigingen of vijandige acties, en zij moeten overeenkomstig hun nationaal recht aan die personen passende bescherming bieden, in het bijzonder wat betreft het recht op bescherming van hun persoonsgegevens en het recht op bescherming en vertegenwoordiging in rechte.

(75)Het nieuwe volledig geïntegreerde en coherente beleid ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering op het niveau van de Unie, omvat aangewezen rollen voor zowel de bevoegde autoriteiten van de Unie als van de lidstaten en een vlotte en constante samenwerking tussen die autoriteiten. In dat verband is samenwerking tussen alle nationale en EU-AML/CFT-autoriteiten van het grootste belang en moet deze worden verduidelijkt en versterkt. Intern blijft het de plicht van de lidstaten om te voorzien in de nodige regels om te garanderen dat beleidsmakers, de FIE’s, toezichthouders, met inbegrip van de AMLA, en andere bevoegde autoriteiten die bij AML/CFT betrokken zijn, alsook belastingautoriteiten en rechtshandhavingsautoriteiten wanneer zij binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn handelen, over doeltreffende mechanismen beschikken om samen te werken en te coördineren, onder meer door een minder restrictieve benadering wat betreft weigeringen van bevoegde autoriteiten om op verzoek van een andere bevoegde autoriteit samen te werken en informatie uit te wisselen.

(76)Om een doeltreffende samenwerking, en met name de uitwisseling van informatie, te vergemakkelijken en te bevorderen, moet van de lidstaten worden verlangd dat zij de Commissie en de AMLA de lijst van hun bevoegde autoriteiten en relevante contactgegevens meedelen.

(77)Het risico van witwassen en terrorismefinanciering kan worden ontdekt door alle toezichthouders die belast zijn met kredietinstellingen. Informatie van prudentiële aard betreffende financiële en kredietinstellingen, zoals informatie over de geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuurders en aandeelhouders, de interne controlemechanismen, het bestuur of het compliance- en risicobeheer, is vaak onmisbaar voor een adequaat toezicht op deze instellingen in het kader van AML/CFT. Daarnaast is AML/CFT-informatie ook belangrijk voor het prudentiële toezicht op die instellingen. Daarom moeten de samenwerking en informatie-uitwisseling met AML/CFT-toezichthouders en FIE’s worden uitgebreid tot alle bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op die meldingsplichtige entiteiten overeenkomstig andere rechtsinstrumenten van de Unie, zoals Richtlijn 2013/36/EU 32 , Richtlijn 2014/49/EU 33 , Richtlijn 2014/59/EU 34 , Richtlijn 2014/92/EU 35 en Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad 36 . Met het oog op een doeltreffende uitvoering van deze samenwerking moeten de lidstaten de AMLA jaarlijks op de hoogte brengen van de uitgevoerde uitwisselingen.

(78)Samenwerking met andere autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op kredietinstellingen uit hoofde van Richtlijn 2014/92/EU en Richtlijn (EU) 2015/2366 kan onbedoelde gevolgen van AML/CFT-vereisten verminderen. Kredietinstellingen kunnen ervoor kiezen zakelijke relaties met cliënten of categorieën cliënten te beëindigen of te beperken om risico’s te vermijden in plaats van deze te moeten beheersen. Dergelijke risicobeperkende praktijken kunnen het AML/CFT-kader en de opsporing van verdachte transacties verzwakken, aangezien zij de betrokken cliënten ertoe aanzetten minder veilige of ongereguleerde betaalkanalen te gebruiken om in hun financiële behoeften te voorzien. Tegelijkertijd kunnen wijdverbreide risicobeperkende praktijken in de banksector leiden tot financiële uitsluiting voor bepaalde categorieën betalingsentiteiten of consumenten. Financiële toezichthouders zijn het best geplaatst om situaties te identificeren waarin een kredietinstelling heeft geweigerd om een zakelijke relatie aan te gaan ondanks haar verplichting daartoe op grond van de nationale wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 2014/92/EU of Richtlijn (EU) 2015/2366, en zonder rechtvaardiging op basis van het gedocumenteerde cliëntenonderzoek. Financiële toezichthouders moeten de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de naleving door de financiële instellingen van Richtlijn 2014/92/EU of Richtlijn (EU) 2015/2366, in dergelijke gevallen waarschuwen.

(79)De samenwerking tussen financiële toezichthouders en de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het crisisbeheer van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, zoals met name aangewezen autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten van depositogarantiestelsels, is noodzakelijk om de doelstellingen ter voorkoming van witwassen uit hoofde van deze richtlijn met elkaar te verzoenen en om de financiële stabiliteit en de spaarders uit hoofde van de Richtlijnen 2014/49/EU en 2014/59/EU te beschermen. Financiële toezichthouders moeten toezicht houden op de uitvoering van cliëntenonderzoek wanneer is vastgesteld dat de kredietinstelling faalt of waarschijnlijk zal falen of wanneer de deposito’s als niet-beschikbaar worden aangemerkt, alsook op de melding van verdachte transacties aan de FIE. Financiële toezichthouders moeten de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het crisisbeheer van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in kennis stellen van alle relevante resultaten van het cliëntenonderzoek en van alle rekeningen die door de FIE zijn opgeschort.

(80)Om deze samenwerking met betrekking tot kredietinstellingen te vergemakkelijken, moet de AMLA, in overleg met de Europese Bankautoriteit, richtsnoeren uitvaardigen waarin de belangrijkste elementen van die samenwerking worden gespecificeerd, met inbegrip van de wijze waarop informatie moet worden uitgewisseld.

(81)De samenwerkingsmechanismen moeten ook worden uitgebreid tot de autoriteiten die belast zijn met het toezicht en de controle op auditors, aangezien dergelijke samenwerking de doeltreffendheid van het antiwitwaskader van de Unie kan vergroten.

(82)De uitwisseling van informatie en de verlening van bijstand tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is essentieel voor de toepassing van deze richtlijn. Daarom mogen de lidstaten deze uitwisseling van informatie en de verlening van bijstand niet verbieden of aan onredelijke of uitermate restrictieve voorwaarden onderwerpen.

(83)De toezichthouders moeten kunnen samenwerken en vertrouwelijke informatie kunnen uitwisselen, ongeacht hun respectieve aard of status. Daartoe moeten zij over een passende rechtsgrondslag beschikken voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie en voor samenwerking. De uitwisseling van informatie en de samenwerking met andere autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht of de controle op meldingsplichtige entiteiten uit hoofde van andere handelingen van de Unie, mogen niet onopzettelijk worden belemmerd door rechtsonzekerheid die kan voortvloeien uit een gebrek aan expliciete bepalingen op dit gebied. Een verduidelijking van het rechtskader is nog belangrijker nu het prudentiële toezicht in bepaalde gevallen is toevertrouwd aan toezichthouders die niet verantwoordelijk zijn voor AML/CFT, zoals de Europese Centrale Bank (ECB).

(84)De doeltreffendheid van het AML/CFT-kader van de Unie berust op de samenwerking tussen een breed spectrum van bevoegde autoriteiten. Om deze samenwerking te vergemakkelijken, moet de AMLA worden belast met het opstellen van richtsnoeren voor samenwerking tussen alle bevoegde autoriteiten, in overleg met de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteiten, Europol, Eurojust en het Europees Openbaar Ministerie. In die richtsnoeren moet ook worden beschreven hoe de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht of de controle op meldingsplichtige entiteiten uit hoofde van andere handelingen van de Unie, bij de uitvoering van hun taken rekening moeten houden met problemen in verband met witwassen en terrorismefinanciering.

(85)Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn. Verordening (EU) nr. 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad 37 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen en organen van de Unie voor de toepassing van deze richtlijn. De bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering wordt door alle lidstaten erkend als een zwaarwegend algemeen belang. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van witwassen, de basisdelicten ervan, of terrorismefinanciering, of die tot taak hebben criminele vermogensbestanddelen op te sporen, in beslag te nemen, of te bevriezen en te confisqueren, moeten evenwel de regels in acht nemen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, met inbegrip van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad 38 .

(86)Het is van essentieel belang dat deze richtlijn in overeenstemming wordt gebracht met de herziene FATF-aanbevelingen, met volledige inachtneming van het recht van de Unie, met name inzake gegevensbescherming, met inbegrip van de regels inzake gegevensdoorgifte, alsook van de bescherming van de grondrechten zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”). Bepaalde aspecten van de uitvoering van deze richtlijn betreffen het verzamelen, analyseren, opslaan en delen van gegevens binnen de Unie en met derde landen. Een dergelijke verwerking van persoonsgegevens mag, met volledige inachtneming van de grondrechten, alleen worden toegestaan voor de in deze richtlijn vastgestelde doeleinden en voor de krachtens deze richtlijn vereiste activiteiten, zoals de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten.

(87)De persoonsgegevens die voor de toepassing van deze richtlijn worden verwerkt, moeten toegankelijk zijn voor de betrokkene. Toegang van de betrokkene tot enigerlei informatie die verband houdt met een gemelde verdachte transactie, zou evenwel de doeltreffendheid van de strijd tegen witwassen en terrorismefinanciering ernstig ondermijnen. Uitzonderingen op en beperkingen van dat recht overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) 2016/679 en, in voorkomend geval, artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 kunnen derhalve gerechtvaardigd zijn. De betrokkene heeft het recht te verzoeken dat een toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 51 van Verordening (EU) 2016/679 of, in voorkomend geval, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming de rechtmatigheid van de verwerking controleert, en hij heeft het recht heeft een beroep in rechte in te stellen als bedoeld in artikel 79 van die verordening. De in artikel 51 van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit kan ook ambtshalve optreden. Onverminderd de op het recht van toegang toepasselijke beperkingen moet de toezichthoudende autoriteit de betrokkene ervan in kennis kunnen stellen dat alle noodzakelijke verificaties door de toezichthoudende autoriteit zijn verricht en hem kunnen inlichten over het resultaat daarvan wat de rechtmatigheid van de verwerking in kwestie betreft.

(88)Om de continue uitwisseling van informatie tussen FIE’s tijdens de periode van oprichting van de AMLA te waarborgen, moet de Commissie FIU.net tijdelijk blijven hosten. Om ervoor te zorgen dat de FIE’s volledig bij de werking van het systeem worden betrokken, moet de Commissie regelmatig overleg plegen met het platform van de financiële inlichtingeneenheden van de EU (het “EU-FIE-platform”), een informele groep bestaande uit vertegenwoordigers van de FIE’s die sinds 2006 actief is, die wordt gebruikt om de samenwerking tussen FIE’s te vergemakkelijken en van gedachten te wisselen over samenwerkingskwesties.

(89)Technische reguleringsnormen moeten zorgen voor consistente harmonisatie in de hele Unie. Als orgaan met zeer gespecialiseerde deskundigheid op het gebied van AML/CFT is het passend de AMLA te belasten met het opstellen, voor de Commissie, van ontwerpen van technische reguleringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden.

(90)Teneinde consistente benaderingen tussen FIE’s en tussen toezichthouders te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn door de vaststelling van technische reguleringsnormen. Deze hebben betrekking op de criteria voor de benoeming en de functies van een centraal contactpunt van bepaalde dienstverleners, de vaststelling van benchmarks en methoden voor het beoordelen en classificeren van het inherente en restrisicoprofiel van meldingsplichtige entiteiten en de frequentie van de risicoprofieltoetsingen, de precieze vastlegging van taken van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst en van de modaliteiten voor hun onderlinge samenwerking, de specificering van de algemene voorwaarden voor het functioneren van de AML/CFT-toezichtcolleges en de operationele werking van dergelijke colleges, de vaststelling van indicatoren voor het bepalen van de ernst van de inbreuken op deze richtlijn, en van de criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de hoogte van bestuurlijke sancties of het nemen van andere bestuurlijke maatregelen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(91)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om een methode voor het verzamelen van statistieken vast te stellen, het formaat voor de indiening van informatie over de uiteindelijk begunstigden vast te stellen, de technische voorwaarden vast te stellen voor de koppeling van registers van uiteindelijk begunstigden en van registers van bankrekeningen en mechanismen voor het opvragen van gegevens, alsmede om technische uitvoeringsnormen vast te stellen ter bepaling van het formaat dat moet worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen de FIE’s van de lidstaten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 39 .

(92)Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die door het Handvest worden erkend, in het bijzonder de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven (artikel 7 van het Handvest), het recht op bescherming van persoonsgegevens (artikel 8 van het Handvest), en de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 van het Handvest).

(93)Bij het opstellen van een evaluatieverslag over de uitvoering van deze richtlijn moet de Commissie de nodige aandacht besteden aan de eerbiediging van de in het Handvest erkende grondrechten en beginselen.

(94)Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de instelling van een gecoördineerd en coherent mechanisme ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de onderhavige richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(95)Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken 40 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Ten aanzien van deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(96)De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) 2018/1725 [en heeft advies uitgebracht op ... 41 ].

(97)Richtlijn (EU) 2015/849 dient daarom te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden regels vastgesteld met betrekking tot:

a)maatregelen die van toepassing zijn op sectoren die op nationaal niveau aan witwassen en terrorismefinanciering blootstaan;

b)de identificatie van risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering op het niveau van de Unie en de lidstaten;

c)het opzetten van en de toegang tot registers van uiteindelijk begunstigden, bankrekeningen en onroerend goed;

d)de verantwoordelijkheden en taken van de financiële-inlichtingeneenheden (FIE’s);

e)de verantwoordelijkheden en taken van de organen die betrokken zijn bij het toezicht op meldingsplichtige entiteiten;

f)samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en samenwerking met autoriteiten die onder andere handelingen van de Unie vallen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final].

Daarnaast gelden de volgende definities:

(1)“financiële toezichthouder”: een toezichthouder die belast is met kredietinstellingen en financiële instellingen;

(2)“meldingsplichtige entiteiten”: de in artikel 3 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen die niet zijn vrijgesteld overeenkomstig de artikelen 4, 5, en 6, van die verordening;

(3)“lidstaat van herkomst”: de lidstaat waar de statutaire zetel van de meldingsplichtige entiteit is gelegen of, indien de meldingsplichtige entiteit geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen;

(4)“lidstaat van ontvangst”: de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is waar de meldingsplichtige entiteit een dochteronderneming of een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(5)“douaneautoriteiten”: de douaneautoriteiten in de zin van artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad 42 en de bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 2, lid 1, punt g), van Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad 43 ;

(6)“toezichtcollege voor de bestrijding van witwassen/terrorismefinanciering” of “AML/CFT-toezichtcollege”: een permanente structuur voor samenwerking en informatie-uitwisseling met het oog op het toezicht op een groep of een entiteit die grensoverschrijdend actief is;

(7)“entiteit die grensoverschrijdend actief is”: een meldingsplichtige entiteit met ten minste één vestiging in een andere lidstaat of in een derde land;

(8)“vestiging”: een bijkantoor of enige andere vorm van vestiging van een meldingsplichtige entiteit die actief is in een andere lidstaat of een derde land dan het land waar haar hoofdkantoor is gevestigd, of de dochteronderneming van een moederonderneming die gevestigd is in een ander land dan het land waar de moederonderneming is gevestigd.

Afdeling 2

Nationale maatregelen in sectoren die blootstaan aan witwaspraktijken en terrorismefinanciering

Artikel 3

Identificatie van blootgestelde sectoren op nationaal niveau

1.Indien uit de door de lidstaten overeenkomstig artikel 8 uitgevoerde nationale risicobeoordeling blijkt dat niet alleen meldingsplichtige entiteiten, maar ook entiteiten in andere sectoren zijn blootgesteld aan risico’s van witwassen en terrorismefinanciering, kunnen de lidstaten besluiten de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] op die aanvullende entiteiten toe te passen.

2.Voor de toepassing van lid 1 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van hun voornemen om de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] toe te passen op entiteiten in andere sectoren, vergezeld van:

a)een motivering van de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die aan deze intentie ten grondslag liggen;

b)een beoordeling van het effect dat een dergelijke uitbreiding zal hebben op de dienstverlening op de interne markt;

c)de tekst van de nationale maatregelen die de lidstaat voornemens is vast te stellen.

3.De lidstaten schorten de vaststelling van de in lid 2, punt c), bedoelde nationale maatregelen op gedurende zes maanden na de datum van de in lid 2 bedoelde kennisgeving.

4.Vóór het einde van de in lid 3 bedoelde periode brengt de Commissie, na raadpleging van de Autoriteit voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, opgericht bij Verordening [referentie invoegen – voorstel voor de oprichting van een autoriteit voor de bestrijding van witwassen – COM(2021) 421 final] (“AMLA”), een uitvoerig gemotiveerd advies uit over de vraag of de beoogde maatregel:

a)toereikend is om de vastgestelde risico’s aan te pakken, met name wat betreft de vraag of de door de lidstaat vastgestelde risico’s betrekking hebben op de interne markt;

b)belemmeringen kan creëren voor het vrije verkeer van diensten of kapitaal of voor de vrijheid van vestiging van dienstverleners op de interne markt die niet in verhouding staan tot de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die de maatregel beoogt te beperken.

In het uitvoerig gemotiveerde advies wordt ook aangegeven of de Commissie voornemens is maatregelen op het niveau van de Unie voor te stellen.

5.Indien de Commissie het niet passend acht maatregelen op het niveau van de Unie voor te stellen, brengt de betrokken lidstaat binnen twee maanden na ontvangst van het in lid 4 bedoelde uitvoerig gemotiveerde advies aan de Commissie verslag uit over de maatregelen die hij voornemens is in verband met dit uitvoerig gemotiveerde advies te geven. De Commissie geeft commentaar op de door de lidstaat voorgestelde maatregel.

6.Wanneer de Commissie haar voornemen kenbaar maakt om maatregelen op het niveau van de Unie voor te stellen, onthoudt de betrokken lidstaat zich van de vaststelling van de in lid 2, punt c), bedoelde nationale maatregelen.

7.Indien de lidstaten op [voeg de datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn in] reeds nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2015/849 op andere sectoren dan meldingsplichtige entiteiten hebben toegepast, kunnen zij de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] op die sectoren toepassen.

Uiterlijk [zes maanden na de datum van omzetting van deze richtlijn] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de overeenkomstig de eerste alinea op nationaal niveau aangewezen sectoren waarop de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] van toepassing zijn, samen met een motivering van de blootstelling van die sectoren aan risico’s van witwassen en terrorismefinanciering. Binnen zes maanden na deze kennisgeving brengt de Commissie, na raadpleging van de AMLA, een uitvoerig gemotiveerd advies uit over lid 4, punten a), en b), en geeft zij aan of zij voornemens is maatregelen op het niveau van de Unie voor te stellen. Indien de Commissie het niet passend acht maatregelen op het niveau van de Unie voor te stellen, is lid 5 van toepassing.

8.Uiterlijk [één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] en vervolgens elk jaar publiceert de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een geconsolideerde lijst van de sectoren waarop de lidstaten hebben besloten de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] toe te passen.

Artikel 4

Eisen met betrekking tot bepaalde dienstverleners

1.De lidstaten waarborgen dat wisselkantoren en kantoren voor het inwisselen van cheques en aanbieders van trust- of bedrijfsdiensten een vergunning hebben of geregistreerd zijn.

2.De lidstaten waarborgen dat alle aanbieders van gokdiensten gereglementeerd zijn.

Artikel 5

Contactpunten

1.De lidstaten kunnen voorschrijven dat uitgevers van elektronisch geld als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2009/110/EG 44 , betalingsdienstaanbieders als bedoeld in artikel 4, lid 11, van Richtlijn (EU) 2015/2366 en aanbieders van cryptoactivadiensten die opereren via agenten in de lidstaat van ontvangst en die werkzaam zijn in het kader van het recht van vestiging of het vrij verrichten van diensten, en waarvan het hoofdkantoor in een andere lidstaat is gevestigd, op hun grondgebied een centraal contactpunt aanwijzen. Dat centrale contactpunt ziet er namens de op grensoverschrijdende basis opererende entiteit op toe dat de AML/CFT-regels worden nageleefd en vergemakkelijkt het toezicht door toezichthouders, onder meer door toezichthouders op verzoek documenten en informatie te verstrekken.

2.Uiterlijk [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische reguleringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. Die ontwerpen van technische reguleringsnormen bevatten de criteria voor het bepalen van de omstandigheden waarin de aanwijzing van een centraal contactpunt overeenkomstig lid 1 passend is, en de taken van de centrale contactpunten.

3.De Commissie is bevoegd deze richtlijn aan te vullen door de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

Artikel 6

Controles van het hoger management en de uiteindelijk begunstigden van bepaalde meldingsplichtige entiteiten

1.De lidstaten schrijven voor dat de toezichthouders moeten nagaan of de leden van het hoger management van de meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in artikel 4, en de uiteindelijk begunstigden van die entiteiten eerlijk en integer handelen. Het hoger management van dergelijke entiteiten moet ook beschikken over de kennis en deskundigheid die nodig zijn om zijn taken uit te voeren.

2.Met betrekking tot de meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in artikel 3, punten 3, a), b), d), e), en h) tot en met (l), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], zorgen de lidstaten ervoor dat de toezichthouders de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat personen die veroordeeld zijn voor witwassen, basisdelicten daarvan, of terrorismefinanciering, of met hen geassocieerde personen, beroepsmatig worden geaccrediteerd, een managementfunctie bekleden in of de uiteindelijk begunstigden zijn van die meldingsplichtige entiteiten.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders regelmatig en op basis van risicogevoeligheid nagaan of nog steeds aan de vereisten van de leden 1 en 2 wordt voldaan. Zij gaan in het bijzonder na of het hoger management met eerlijkheid en integriteit handelt en de kennis en deskundigheid bezit die nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken in gevallen waarin er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er in een meldingsplichtige entiteit sprake is of geweest is van witwassen of terrorismefinanciering, of dat gepoogd wordt geld wit te wassen of terrorisme te financieren.

4.Toezichthouders hebben de bevoegdheid te eisen dat personen die veroordeeld zijn voor witwassen, enig basisdelict daarvan, of terrorismefinanciering, worden uitgesloten van de managementtaken van de meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in de leden 1 en 2. Toezichthouders hebben de bevoegdheid om leden van het hoger management te ontslaan als wordt geoordeeld dat zij niet met eerlijkheid en integriteit handelen en over de kennis en deskundigheid te beschikken die zij nodig hebben om hun taken uit te voeren.

5.Indien de persoon die is veroordeeld voor witwassen, enig basisdelict daarvan, of terrorismefinanciering, de uiteindelijk begunstigde is van een meldingsplichtige entiteit als bedoeld in lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat een meldingsplichtige entiteit van deze persoon afstand kan nemen, onder meer door toezichthouders de bevoegdheid te verlenen om te eisen dat de uiteindelijk begunstigde zich ontdoet van zijn belang in een meldingsplichtige entiteit.

6.Voor de toepassing van dit artikel zorgen de lidstaten ervoor dat de toezichthouders of een andere autoriteit die op nationaal niveau bevoegd is om de geschiktheid van de in de leden 1 en 2 bedoelde personen te beoordelen, overeenkomstig hun nationale wetgeving nagaan of er sprake is van een relevante veroordeling in het strafregister van de betrokkene. Elke uitwisseling van informatie voor deze doeleinden geschiedt overeenkomstig Kaderbesluit 2009/315/JBZ en Besluit 2009/316/JBZ, zoals omgezet in nationaal recht.

Afdeling 2

Risicobeoordelingen

Artikel 7

Supranationale risicobeoordeling

1.De Commissie verricht een beoordeling van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering voor zover die risico's van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten.

Daartoe stelt de Commissie uiterlijk [vier jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] een verslag op waarin deze risico’s op het niveau van de Unie worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd. Daarna actualiseert de Commissie haar verslag om de vier jaar. Indien nodig kan de Commissie delen van het verslag vaker actualiseren.

2.Het in lid 1 bedoelde verslag heeft ten minste betrekking op de volgende elementen:

a)de gebieden en sectoren van de interne markt die blootstaan aan risico’s van witwassen en terrorismefinanciering;

b)de aard en het niveau van de risico’s in verband met elk gebied en elke sector;

c)de meest gebruikte middelen om illegale opbrengsten wit te wassen, met inbegrip van, indien beschikbaar, middelen die in het bijzonder worden gebruikt bij transacties tussen lidstaten en derde landen, onafhankelijk van de identificatie van een derde land overeenkomstig hoofdstuk III, afdeling 2, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final];

d)het risico van niet-uitvoering en ontduiking van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie.

3.De Commissie doet de lidstaten aanbevelingen betreffende de maatregelen die geschikt zijn om de geïdentificeerde risico’s aan te pakken. Indien een lidstaat besluit een van de aanbevelingen niet toe te passen in zijn nationale AML/CFT-stelsel, stelt hij de Commissie daarvan in kennis en motiveert hij dat besluit.

4.Uiterlijk [drie jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] brengt de AMLA advies uit aan de Commissie over de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die gevolgen hebben voor de Unie. Daarna brengt de AMLA om de twee jaar advies uit.

5.Bij de uitvoering van de in lid 1 bedoelde beoordeling organiseert de Commissie de werkzaamheden op het niveau van de Unie, houdt zij rekening met de in lid 4 bedoelde adviezen en betrekt zij de deskundigen van de lidstaten op het gebied van AML/CFT, vertegenwoordigers van nationale toezichthoudende autoriteiten en FIE’s, alsmede de AMLA en andere organen op het niveau van de Unie, waar passend.

6.Binnen twee jaar na de goedkeuring van het in lid 1 bedoelde verslag en vervolgens om de vier jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de maatregelen die zijn genomen op basis van de bevindingen van dat verslag.

Artikel 8

Nationale risicobeoordeling

1.Elke lidstaat voert een nationale risicobeoordeling uit om de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering die op hem van invloed zijn, te identificeren, te beoordelen, inzichtelijk te maken en te beperken. Hij houdt die risicobeoordeling actueel en evalueert deze ten minste om de vier jaar.

Elke lidstaat neemt ook passende maatregelen om de risico’s van niet-uitvoering en ontduiking van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie vast te stellen, te beoordelen, inzichtelijk te maken en te beperken.

2.Elke lidstaat wijst een autoriteit aan of stelt een mechanisme in om de nationale respons op de in lid 1 bedoelde risico’s te coördineren. De identiteit van die autoriteit of de beschrijving van het mechanisme wordt meegedeeld aan de Commissie, de AMLA en de andere lidstaten.

3.Bij het uitvoeren van de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale risicobeoordelingen houden de lidstaten rekening met het in artikel 7, lid 1, bedoelde verslag.

4.Elke lidstaat gebruikt de nationale risicobeoordeling om:

a)zijn AML/CFT-stelsel te verbeteren, met name door vast te stellen op welke gebieden meldingsplichtige entiteiten verscherpte maatregelen moeten toepassen en, in voorkomend geval, door te specificeren welke maatregelen moeten worden genomen;

b)in voorkomend geval te bepalen welke sectoren of gebieden een kleiner dan wel groter witwasrisico en risico van terrorismefinanciering vertegenwoordigen;

c)de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering te beoordelen die verbonden zijn aan elk type rechtspersoon en juridische constructie op hun grondgebied en inzicht hebben in de blootstelling aan risico’s die voortvloeien uit buitenlandse rechtspersonen en juridische constructies;

d)besluiten te nemen over de toewijzing en prioritering van middelen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook over het niet uitvoeren en ontwijken van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie;

e)ervoor te zorgen dat er voor elke sector of elk gebied passende regels worden opgesteld, rekening houdend met de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering;

f)onverwijld passende informatie ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteiten en de meldingsplichtige entiteiten om de uitvoering van hun eigen risicobeoordelingen voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering en de beoordeling van de risico’s van ontduiking van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie als bedoeld in artikel 8 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] te vergemakkelijken.

In de nationale risicobeoordeling beschrijven de lidstaten de institutionele structuur en de brede procedures van hun AML/CFT-stelsel, met inbegrip van onder meer de FIE, belastingautoriteiten en openbare aanklagers, alsmede de toegewezen personele en financiële middelen voor zover deze informatie beschikbaar is.

5.De lidstaten stellen de resultaten van hun nationale risicobeoordelingen, met inbegrip van de actualiseringen ervan, ter beschikking van de Commissie, de AMLA en de andere lidstaten. Elke lidstaat kan in voorkomend geval relevante aanvullende informatie verstrekken aan de lidstaat die de nationale risicobeoordeling uitvoert. Een samenvatting van de beoordeling wordt openbaar gemaakt. Die samenvatting bevat geen vertrouwelijke informatie. De daarin vervatte informatie maakt het niet mogelijk een natuurlijke persoon of rechtspersoon te identificeren.

Artikel 9

Statistiek

1.De lidstaten houden uitgebreide statistieken bij over aangelegenheden die relevant zijn voor de doeltreffendheid van hun AML/CFT-kaders om de doeltreffendheid van die kaders te beoordelen.

2.De in lid 1 bedoelde statistieken omvatten:

a)gegevens betreffende metingen van de omvang en het belang van de verschillende sectoren die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, daaronder begrepen het aantal natuurlijke personen en entiteiten en het economisch belang van elke sector;

b)gegevens ter meting van de meldings-, onderzoeks- en gerechtelijke fasen van het nationale AML/CFT-stelsel, met inbegrip van het aantal meldingen van verdachte transacties aan de FIE, het gevolg dat aan die meldingen is gegeven, de informatie over grensoverschrijdende fysieke geldovermakingen in contanten die overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2018/1672 aan de FIE is verstrekt, samen met het gevolg dat is gegeven aan de verstrekte informatie en, op jaarbasis, het aantal onderzochte gevallen, het aantal vervolgde personen, het aantal personen dat is veroordeeld wegens strafbare feiten in verband met witwassen of terrorismefinanciering, de soorten basisdelicten die overeenkomstig artikel 2 van Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad 45 zijn vastgesteld, indien die informatie voorhanden is, en de waarde in euro van de bevroren, in beslag genomen of verbeurd verklaarde vermogensbestanddelen;

c)indien beschikbaar, gegevens ter identificatie van het aantal en het percentage meldingen dat tot nader onderzoek leidt, samen met het jaarverslag dat overeenkomstig artikel 21 door de FIE’s is opgesteld;

d)gegevens betreffende het aantal door de FIE’s geformuleerde, ontvangen, afgewezen en gedeeltelijk of volledig beantwoorde grensoverschrijdende informatieverzoeken, uitgesplitst naar verzoekend land;

e)het aantal verzoeken om wederzijdse rechtshulp of andere internationale verzoeken om informatie met betrekking tot uiteindelijk begunstigden en bankrekeninginformatie als bedoeld in hoofdstuk IV van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk II van deze richtlijn die zijn ontvangen van of gedaan aan tegenhangers buiten de Unie, uitgesplitst naar bevoegde autoriteit en derde land;

f)aan toezichthouders toegewezen personele middelen en aan de FIE toegewezen personele middelen om de in artikel 17 omschreven taken te vervullen;

g)het aantal toezichtmaatregelen ter plaatse en buiten de locatie, het aantal inbreuken dat is vastgesteld op basis van toezichtmaatregelen en sancties of administratieve maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten en zelfregulerende organen overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk IV zijn toegepast;

h)het aantal en de aard van de geconstateerde inbreuken met betrekking tot de verplichtingen van hoofdstuk IV van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en sancties of administratieve maatregelen die in verband met die inbreuken zijn toegepast, alsmede het aantal inspecties dat overeenkomstig artikel 10, lid 8, van deze richtlijn is uitgevoerd door de met het centraal register belaste entiteit.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 2 bedoelde statistieken jaarlijks worden verzameld en aan de Commissie worden toegezonden. De in lid 2, punten a), c), d), en f), bedoelde statistieken worden ook aan de AMLA toegezonden.

De AMLA slaat die statistieken op in haar databank overeenkomstig artikel 11 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor de oprichting van een autoriteit voor de bestrijding van witwassen – COM(2021) 421 final].

4.Uiterlijk [drie jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] stelt de AMLA een aan de Commissie gericht advies vast over de methodologie voor het verzamelen van de in lid 2, punten a), c), d), en f), bedoelde statistieken.

5.De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen tot bepaling van de methodologie voor het verzamelen van de in lid 2 bedoelde statistieken en de regelingen voor de toezending ervan aan de Commissie en de AMLA. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6.De Commissie publiceert een tweejaarlijks verslag met een samenvatting en toelichting van de in lid 2 bedoelde statistieken, dat op haar website beschikbaar wordt gesteld.

HOOFDSTUK II

REGISTERS

Afdeling I

Registers van uiteindelijk begunstigden

Artikel 10

Registers van uiteindelijk begunstigden

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over uiteindelijk begunstigden als bedoeld in artikel 44 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en de informatie over de in artikel 47 van die verordening bedoelde volmachtregelingen wordt bijgehouden in een centraal register in de lidstaat waar de rechtspersoon is opgericht of waar de trustee of persoon met een gelijkwaardige positie in een soortgelijke juridische constructie gevestigd of woonachtig is. Deze vereiste geldt niet voor op een gereglementeerde markt genoteerde ondernemingen die onderworpen zijn aan openbaarmakingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van deze richtlijn of die onderworpen zijn aan gelijkwaardige internationale normen.

De informatie over de uiteindelijk begunstigden in de centrale registers kan worden verzameld in overeenstemming met de nationale regelingen.

2.Wanneer er redenen zijn om te twijfelen aan de nauwkeurigheid van de informatie over de uiteindelijk begunstigden in de centrale registers, zorgen de lidstaten ervoor dat de juridische entiteiten en juridische constructies verplicht zijn aanvullende informatie te verstrekken op basis van risicogevoeligheid, met inbegrip van resoluties van de raad van bestuur en notulen van hun vergaderingen, partnerschapsovereenkomsten, vertrouwensbewijzen, volmachten of andere contractuele overeenkomsten en documentatie.

3.Indien geen persoon is geïdentificeerd als uiteindelijk begunstigde overeenkomstig artikel 45, leden 2, en 3, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], bevat het centrale register:

a)een verklaring, vergezeld van een motivering, dat er geen uiteindelijk begunstigde is of dat de uiteindelijk begunstigde(n) niet kon (konden) worden geïdentificeerd en geverifieerd;

b)de gegevens van de natuurlijke persoon (personen) die de functie van hogere leidinggevende functionaris in de rechtspersoon of juridische entiteit bekleedt (bekleden), gelijkwaardig aan de informatie die vereist is op grond van artikel 44, lid 1, punt a), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final].

4.De Commissie is bevoegd om door middel van uitvoeringshandelingen het formaat vast te stellen voor de indiening van informatie over de uiteindelijk begunstigden bij het centrale register. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.De lidstaten schrijven voor dat de in de centrale registers bewaarde informatie over de uiteindelijk begunstigden adequaat, nauwkeurig en actueel moet zijn. Daartoe passen de lidstaten ten minste de volgende vereisten toe:

a)de meldingsplichtige entiteiten rapporteren aan de met de centrale registers belaste entiteit eventuele discrepanties tussen de in de centrale registers beschikbare informatie over de uiteindelijk begunstigden en de informatie over de uiteindelijk begunstigden waarover zij beschikken overeenkomstig artikel 18 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final];

b)indien passend en voor zover dit vereiste niet onnodig afbreuk doet aan hun functies, melden de bevoegde autoriteiten aan de met de centrale registers belaste entiteit eventuele discrepanties tussen de informatie over uiteindelijk begunstigden die beschikbaar is in de centrale registers en de informatie over uiteindelijk begunstigden waarover zij beschikken.

6.De lidstaten schrijven voor dat de in lid 5 bedoelde discrepanties binnen 14 kalenderdagen na het opsporen van de discrepantie moeten worden gemeld. In gevallen van een lager risico waarop maatregelen uit hoofde van afdeling 3 van hoofdstuk III van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] van toepassing zijn, kunnen de lidstaten de meldingsplichtige entiteiten toestaan de cliënt te verzoeken technische discrepanties te corrigeren die de identificatie van de uiteindelijk begunstigde(n) rechtstreeks bij de met de centrale registers belaste entiteit niet belemmeren.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat de met de centrale registers belaste entiteit passende maatregelen neemt om de discrepanties te beëindigen, met inbegrip van een wijziging van de informatie in de centrale registers wanneer de entiteit in staat is de informatie over de uiteindelijk begunstigden te identificeren en te verifiëren. Een specifieke vermelding van het feit dat er discrepanties worden gemeld, wordt in de centrale registers opgenomen en is ten minste zichtbaar voor de bevoegde autoriteiten en meldingsplichtige entiteiten.

8.In het geval van vennootschappen en andere juridische entiteiten zorgen de lidstaten ervoor dat de met het centrale register van uiteindelijk begunstigden belaste entiteit bevoegd is om controles uit te voeren, met inbegrip van onderzoeken ter plaatse, in de lokalen of de statutaire zetel van de juridische entiteit, om de actuele uiteindelijk begunstigden van de entiteit vast te stellen en om na te gaan of de bij het centraal register ingediende informatie juist, adequaat en actueel is. Het recht van het centraal register om dergelijke informatie te verifiëren mag op generlei wijze worden beperkt, belemmerd of uitgesloten.

9.De lidstaten zorgen ervoor dat de met het centraal register belaste entiteit bevoegd is doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen of sancties op te leggen wanneer aan het register geen nauwkeurige, toereikende en actuele informatie over de uiteindelijk begunstigden wordt verstrekt.

10.De lidstaten zorgen ervoor dat, indien de met de registers van uiteindelijk begunstigden belaste entiteiten tijdens de uit hoofde van dit artikel uitgevoerde controles of op enige andere wijze feiten ontdekken die verband kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering, zij de FIE daarvan onverwijld in kennis stellen.

11.De centrale registers worden onderling gekoppeld via het bij artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/1132 opgerichte Europees centraal platform.

12.De in lid 1 bedoelde informatie is beschikbaar via de nationale registers en via het systeem van gekoppelde centrale registers van uiteindelijk begunstigden gedurende ten minste vijf jaar en uiterlijk tien jaar nadat de rechtspersoon of andere juridische entiteit uit het register is geschrapt.

Artikel 11

Algemene regels betreffende de toegang tot registers van uiteindelijk begunstigden voor bevoegde autoriteiten, zelfregulerende organen en meldingsplichtige entiteiten

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten tijdige, onbeperkte en vrije toegang hebben tot de informatie in de gekoppelde centrale registers als bedoeld in artikel 10, zonder de betrokken entiteit of regeling te waarschuwen.

2.Toegang tot de in artikel 10 bedoelde centrale registers wordt verleend aan FIE’s, toezichthoudende autoriteiten, overheidsinstanties met aangewezen verantwoordelijkheden voor de bestrijding van witwassen of terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten en autoriteiten die tot taak hebben witwassen, de basisdelicten ervan en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen, criminele vermogensbestanddelen op te sporen, in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren. Zelfregulerende organen krijgen toegang tot de registers bij de uitoefening van toezichthoudende taken.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat meldingsplichtige entiteiten bij het nemen van cliëntenonderzoeksmaatregelen overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] tijdig toegang hebben tot de informatie in de in artikel 10 bedoelde gekoppelde centrale registers.

4.Uiterlijk [drie maanden na de datum van omzetting van deze richtlijn] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de lijst van bevoegde autoriteiten en zelfregulerende organen en van de categorieën meldingsplichtige entiteiten waaraan toegang is verleend tot de registers en het soort informatie over de meldingsplichtige entiteiten, alsmede de informatie over de uiteindelijk begunstigden waartoe het publiek toegang heeft overeenkomstig artikel 12. De lidstaten werken deze kennisgeving bij wanneer wijzigingen plaatsvinden in de lijst van bevoegde autoriteiten of categorieën meldingsplichtige entiteiten of in de mate van de toegang die aan meldingsplichtige entiteiten of het publiek is verleend. De Commissie stelt de informatie over de toegang van bevoegde autoriteiten en meldingsplichtige entiteiten, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan, ter beschikking van de andere lidstaten.

Artikel 12

Specifieke regels inzake toegang tot registers van uiteindelijk begunstigden voor het publiek

1.De lidstaten zorgen ervoor dat elk lid van het publiek toegang heeft tot de volgende informatie in de in artikel 10 bedoelde gekoppelde centrale registers:

a)in het geval van rechtspersonen, ten minste de naam, de geboortemaand en het geboortejaar en het land van verblijf en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede de aard en de omvang van het gehouden economisch belang;

b)in het geval van express trusts of soortgelijke juridische constructies, de naam, de geboortemaand en het geboortejaar en het land van verblijf en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede de aard en de omvang van het gehouden economisch belang, mits een legitiem belang kan worden aangetoond.

Naast de in de eerste alinea, punt a), genoemde informatie kunnen de lidstaten, onder in het nationale recht vast te stellen voorwaarden, voorzien in toegang tot aanvullende informatie die nodig is voor de identificatie van de uiteindelijk begunstigde. Die aanvullende informatie omvat ten minste de geboortedatum of contactgegevens overeenkomstig de gegevensbeschermingsvoorschriften van de Unie en de lidstaten.

2.De lidstaten kunnen ervoor kiezen de in hun centrale registers bewaarde informatie over de uiteindelijk begunstigden openbaar te maken op voorwaarde van authenticatie met behulp van elektronische identificatiemiddelen en relevante vertrouwensdiensten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad 46 en de betaling van een vergoeding, die niet hoger mag zijn dan de administratieve kosten voor het beschikbaar stellen van de informatie, met inbegrip van de kosten voor het onderhoud en de ontwikkeling van het register.

Artikel 13

Uitzonderingen op de regels inzake toegang tot registers van uiteindelijk begunstigden

In uitzonderlijke, in het nationale recht vast te stellen omstandigheden, kunnen de lidstaten, wanneer de in de artikelen 11, lid 3, en 12, lid 1, bedoelde toegang de uiteindelijk begunstigde zou blootstellen aan een onevenredig risico van fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie, of wanneer de uiteindelijk begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is, per geval voorzien in een uitzondering op die toegang voor alle of een gedeelte van de persoonlijke informatie over de uiteindelijk begunstigde. De lidstaten zorgen ervoor dat dergelijke uitzonderingen worden verleend na een gedetailleerde beoordeling van de uitzonderlijke aard van de omstandigheden. Het recht op een bestuurlijke toetsing van het besluit over de uitzondering en op een doeltreffende voorziening in rechte wordt gegarandeerd. Een lidstaat die uitzonderingen heeft verleend, publiceert jaarlijkse statistische gegevens over het aantal uitzonderingen dat is verleend en met welke redenen, en brengt aan de Commissie verslag uit over deze gegevens.

Krachtens dit artikel verleende uitzonderingen zijn niet van toepassing op de meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in artikel 3, punt 3, b), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] die overheidsfunctionarissen zijn.

Afdeling 2

Bankrekeninginformatie

Artikel 14

Registers van bankrekeningen en elektronische systemen voor het opvragen van gegevens

1.De lidstaten voorzien in gecentraliseerde automatische mechanismen, zoals centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting, die de tijdige identificatie mogelijk maken van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die houder zijn van of zeggenschap hebben over betaalrekeningen en bankrekeningen met een IBAN-identificatienummer, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad 47 , alsook over kluizen die worden aangehouden door een kredietinstelling op hun grondgebied.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de kenmerken van die nationale mechanismen en van de criteria op grond waarvan informatie in die nationale mechanismen wordt opgenomen.

2.De lidstaten waarborgen dat de informatie die wordt bijgehouden in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gecentraliseerde mechanismen, rechtstreeks, onmiddellijk en ongefilterd toegankelijk is voor de nationale FIE’s. Deze informatie is ook toegankelijk voor de nationale bevoegde autoriteiten met het oog op het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

3.De volgende informatie is toegankelijk en doorzoekbaar via de in lid 1 bedoelde gecentraliseerde mechanismen:

a)betreffende de houder van de cliëntenrekening en iedere persoon die zegt namens de cliënt te handelen: de naam, aangevuld met de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens artikel 18, lid 1, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] of een uniek identificatienummer;

b)betreffende de uiteindelijk begunstigde van de houder van de cliëntenrekening: de naam, aangevuld met de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens artikel 18, lid 1, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] of een uniek identificatienummer;

c)betreffende de bank- of betaalrekening: het IBAN-nummer en de datum van de opening en van de sluiting van de rekening;

d)betreffende de kluis: de naam van de huurder, aangevuld met de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens artikel 18, lid 1, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] of een uniek identificatienummer, en de looptijd van de huur.

4.De lidstaten kunnen eisen dat andere informatie die essentieel wordt geacht opdat de FIE’s en de bevoegde autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn kunnen nakomen, via de gecentraliseerde mechanismen toegankelijk en doorzoekbaar is.

5.De in lid 1 bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen worden onderling verbonden via het centrale toegangspunt van registers van bankrekeningen dat door de Commissie moet worden opgezet en beheerd.

De Commissie is bevoegd om door middel van uitvoeringshandelingen de technische specificaties en procedures vast te stellen voor de aansluiting van de gecentraliseerde automatische mechanismen van de lidstaten op het centrale toegangspunt. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 3 bedoelde informatie beschikbaar is via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alleen de in lid 3 bedoelde informatie die actueel is en overeenstemt met de feitelijke bankrekeninginformatie, beschikbaar wordt gesteld via hun nationale gecentraliseerde automatische mechanismen en via het centrale toegangspunt dat de in dit lid bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt. De toegang tot die informatie wordt verleend overeenkomstig de regels inzake gegevensbescherming.

De andere informatie die de lidstaten essentieel achten voor FIE’s en andere bevoegde autoriteiten overeenkomstig lid 4, is niet toegankelijk en doorzoekbaar via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt.

7.De nationale FIE’s krijgen onmiddellijke en ongefilterde toegang tot de informatie over betaal- en bankrekeningen en kluizen in andere lidstaten die beschikbaar is via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt. De lidstaten werken onderling en met de Commissie samen om dit lid ten uitvoer te leggen.

De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de nationale FIE’s hoge professionele normen inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming in acht neemt, dat het van hoge integriteit is en over de juiste vaardigheden beschikt.

8.De lidstaten zorgen ervoor dat technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de beveiliging van de gegevens volgens hoge technologische normen te waarborgen, met het oog op de uitoefening door de FIE’s van hun bevoegdheid om de informatie die beschikbaar is via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen overeenkomstig de leden 5 en 6 met elkaar verbindt, te raadplegen en te bevragen.

Artikel 15

Uitvoeringshandelingen voor de koppeling van registers

1.Indien nodig is de Commissie bevoegd om door middel van uitvoeringshandelingen de technische specificaties en procedures vast te stellen die nodig zijn voor de koppeling van de centrale registers van de lidstaten overeenkomstig artikel 10, lid 11, met betrekking tot:

a)de technische specificatie ter bepaling van de reeks technische gegevens die nodig zijn om het platform zijn taken te laten vervullen alsook ter bepaling van de methode voor de opslag, het gebruik en de bescherming van die gegevens;

b)de gemeenschappelijke criteria aan de hand waarvan informatie over de uiteindelijk begunstigden beschikbaar is via het systeem van gekoppelde registers, afhankelijk van de mate van toegang die door de lidstaten wordt verleend;

c)de technische details over de wijze waarop de informatie over uiteindelijk begunstigden beschikbaar moet worden gesteld;

d)de technische voorwaarden inzake de beschikbaarheid van de door het systeem van gekoppelde registers verleende diensten;

e)de technische modaliteiten voor de tenuitvoerlegging van de verschillende soorten toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van deze richtlijn, met inbegrip van de authenticatie van gebruikers door middel van elektronische identificatiemiddelen en relevante vertrouwensdiensten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014;

f)de betalingsvoorwaarden waarbij toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden onderworpen is aan de betaling van een vergoeding overeenkomstig artikel 12, lid 2, rekening houdend met beschikbare betalingsfaciliteiten, zoals betalingstransacties op afstand.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.Waar nodig is de Commissie bevoegd om door middel van uitvoeringshandelingen de technische specificaties en procedures vast te stellen die nodig zijn om te zorgen voor de koppeling van de in artikel 14, lid 5, bedoelde gecentraliseerde mechanismen van de lidstaten met betrekking tot:

a)de technische specificatie ter bepaling van de methoden voor elektronische communicatie ten behoeve van het centrale toegangspunt van registers van bankrekeningen;

b)de technische specificatie van de communicatieprotocollen;

c)de technische specificaties ter bepaling van de gegevensbeveiliging, de waarborgen voor gegevensbescherming, het gebruik en de bescherming van de informatie die doorzoekbaar en toegankelijk is via het centrale toegangspunt van registers van bankrekeningen dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt;

d)de gemeenschappelijke criteria op grond waarvan bankrekeninginformatie kan worden doorzocht via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt;

e)de technische details over de wijze waarop de informatie beschikbaar wordt gesteld via het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt, met inbegrip van de authenticatie van gebruikers door middel van elektronische identificatiemiddelen en relevante vertrouwensdiensten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014;

f)de technische voorwaarden voor de beschikbaarheid van diensten die worden verleend door het centrale toegangspunt dat de gecentraliseerde automatische mechanismen met elkaar verbindt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.Bij de vaststelling van de in de leden 1 en 2 bedoelde uitvoeringshandelingen houdt de Commissie rekening met beproefde technologie en bestaande praktijken. De Commissie ziet erop toe dat het te ontwikkelen en te exploiteren centrale toegangspunt geen kosten met zich meebrengt die hoger zijn dan wat absoluut noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Afdeling 3

Kadasters

Artikel 16

Onroerendgoedregisters

1.De lidstaten verlenen de bevoegde autoriteiten toegang tot informatie die het mogelijk maakt alle natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar zijn van onroerend goed, tijdig te identificeren, onder meer door middel van registers of elektronische systemen voor gegevensontsluiting voor zover dergelijke registers of systemen beschikbaar zijn. De bevoegde autoriteiten hebben ook toegang tot informatie aan de hand waarvan transacties met betrekking tot onroerend goed kunnen worden geïdentificeerd en geanalyseerd, met inbegrip van hun economische waarde en gegevens over de bij die transacties betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, met inbegrip van, indien beschikbaar, of de natuurlijke persoon of rechtspersoon onroerend goed bezit, verkoopt of verwerft voor rekening van een juridische constructie.

De FIE’s krijgen rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot de in de eerste alinea bedoelde informatie.

2.Uiterlijk [drie maanden na de datum van omzetting van deze richtlijn] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de lijst van bevoegde autoriteiten waaraan toegang is verleend tot de in lid 1 bedoelde registers of systemen, en van het soort informatie waarover zij kunnen beschikken. De lidstaten werken deze kennisgeving bij wanneer wijzigingen plaatsvinden in de lijst van bevoegde autoriteiten of in de mate van de toegang die is verleend. De Commissie stelt die informatie, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan, ter beschikking van de andere lidstaten.

HOOFDSTUK III

FIE’s

Artikel 17

Oprichting van FIE’s

1.Elke lidstaat richt een FIE op om witwassen en terrorismefinanciering te voorkomen, op te sporen en op doelmatige wijze te bestrijden.

2.De FIE is de centrale nationale eenheid die verantwoordelijk is voor het ontvangen en analyseren van verdachte transacties en andere informatie die relevant is voor witwassen, de basisdelicten daarvan, of terrorismefinanciering die is ingediend door meldingsplichtige entiteiten overeenkomstig artikel 50, of door meldingsplichtige entiteiten overeenkomstig artikel 59, lid 4, punt b), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en door douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2018/1672.

3.De FIE is verantwoordelijk voor het verspreiden van de resultaten van haar analysen en alle relevante aanvullende informatie onder de andere bevoegde autoriteiten, wanneer er redenen zijn om witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten of terrorismefinanciering te vermoeden. Zij wordt in staat gesteld aanvullende informatie van meldingsplichtige entiteiten te verkrijgen.

De financiële analysefunctie van de FIE bestaat uit:

a)een operationele analyse die gericht is op individuele gevallen en specifieke doelen of op passende geselecteerde informatie, afhankelijk van de omvang en de aard van de ontvangen informatie en het verwachte gebruik daarvan na verspreiding;

b)een strategische analyse van trends en patronen inzake witwassen en terrorismefinanciering.

Uiterlijk [één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] verstrekt de AMLA aan de FIE’s richtsnoeren over de aard, de kenmerken en de doelstellingen van de operationele en strategische analyse.

4.Elke FIE is operationeel onafhankelijk en zelfstandig, hetgeen betekent dat zij beschikt over het gezag en de capaciteit om haar taken vrijelijk te vervullen, met inbegrip van de mogelijkheid om autonome beslissingen te nemen om specifieke informatie te analyseren, op te vragen en te verspreiden. De FIE is vrij van elke ongepaste invloed of inmenging van de politiek, de regering of het bedrijfsleven.

Wanneer een FIE zich binnen de bestaande structuur van een andere autoriteit bevindt, zijn de kerntaken van de FIE onafhankelijk en operationeel gescheiden van de andere functies van de ontvangende autoriteit.

5.De lidstaten verschaffen hun FIE’s toereikende financiële, personele en technische middelen om hun taken te vervullen. De FIE’s kunnen de middelen verkrijgen en inzetten die nodig zijn om hun taken uit te voeren. Hun personeel moet zeer integer en goed geschoold zijn en hoge professionele normen handhaven.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s beschikken over regels voor de beveiliging en vertrouwelijkheid van informatie.

7.Elke lidstaat zorgt ervoor dat zijn FIE overeenkomstig artikel 45 in staat is zelfstandig regelingen te treffen of met andere binnenlandse bevoegde autoriteiten samen te werken met betrekking tot de uitwisseling van informatie.

Artikel 18

Toegang tot informatie

1.De lidstaten zorgen ervoor dat hun FIE’s beschikken over:

a)onmiddellijke en, met uitzondering van punt ii), rechtstreekse toegang tot ten minste de volgende financiële informatie:

i) informatie in de nationale gecentraliseerde automatische mechanismen overeenkomstig artikel 14;

ii) informatie over elektronische overschrijvingen;

iii) informatie van meldingsplichtige entiteiten;

iv) informatie over hypotheken en leningen;

v) informatie in de nationale deviezen- en valutawisseldatabanken;

vi) informatie over effecten;

b)onmiddellijke en, met uitzondering van punt xiv), rechtstreekse toegang tot ten minste de volgende administratieve informatie:

i) fiscale gegevens, met inbegrip van gegevens die in het bezit zijn van de belastingautoriteiten;

ii) nationale onroerendgoedregisters of elektronische systemen voor gegevensontsluiting en grond- en kadastrale registers;

iii) nationale burgerschaps- en bevolkingsregisters van natuurlijke personen;

iv) nationale paspoort- en visumregisters;

v) grensoverschrijdende reisdatabanken;

vi) commerciële databanken, met inbegrip van bedrijfs- en ondernemingsregisters en PEP-databanken;

vii) nationale registers van motorvoertuigen, luchtvaartuigen en vaartuigen;

viii) nationale socialezekerheidsregisters;

ix) douanegegevens, met inbegrip van grensoverschrijdende fysieke geldovermakingen;

x) nationale wapenregisters;

xi) de nationale registers van uiteindelijk begunstigden;

xii) gegevens die beschikbaar zijn via de koppeling van registers van uiteindelijk begunstigden overeenkomstig artikel 10, lid 11;

xiii) registers van non-profitorganisaties;

xiv) informatie die in het bezit is van nationale financiële toezichthouders en regelgevers, overeenkomstig artikel 45 en artikel 50, lid 2;

xv) databanken met gegevens over de handel in CO2-emissierechten die zijn opgezet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie 48 ;

xvi) informatie over jaarrekeningen van ondernemingen;

xvii) nationale migratieregisters/immigratieregisters;

xviii) informatie die in het bezit is van handelsrechtbanken;

xix) informatie in insolventieregisters en bij insolventiefunctionarissen;

c)directe of indirecte toegang tot de volgende rechtshandhavingsinformatie:

i) alle soorten informatie of gegevens waarover de bevoegde autoriteiten reeds beschikken in het kader van het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten;

ii) alle soorten informatie of gegevens die in het bezit zijn van overheidsinstanties of particuliere entiteiten in het kader van het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten en die ter beschikking van de bevoegde autoriteiten staan zonder toepassing van dwangmaatregelen uit hoofde van het nationale recht.

De onder c) bedoelde informatie kan bestaan uit strafregisters, informatie over onderzoeken, informatie over de bevriezing of inbeslagneming van vermogensbestanddelen of andere onderzoeks- of voorlopige maatregelen en informatie over veroordelingen en confiscaties.

2.Indien de in lid 1, punten a), b), en c), bedoelde informatie niet in databanken of registers wordt opgeslagen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de FIE’s deze informatie op andere wijze kunnen verkrijgen.

3.In de gevallen waarin aan de FIE’s indirecte toegang tot informatie wordt verleend, reageert de aangezochte autoriteit tijdig op het verzoek.

4.In het kader van haar functies wordt elke FIE in staat gesteld informatie van elke meldingsplichtige entiteit op te vragen, te verkrijgen en te gebruiken om haar taken te vervullen overeenkomstig artikel 17, lid 3, ook indien er geen voorafgaande melding wordt gedaan op grond van artikel 50, lid 1, punt a), of artikel 51, lid 1, van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening — COM(2021) 420 final]. Meldingsplichtige entiteiten zijn niet verplicht gehoor te geven aan verzoeken om informatie uit hoofde van dit lid wanneer deze betrekking hebben op informatie die is verkregen in de situaties als bedoeld in artikel 51, lid 2, van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor een antiwitwasverordening — COM(2021) 420 final].

Artikel 19

Antwoorden op verzoeken om informatie

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s tijdig reageren op met redenen omklede verzoeken om informatie van andere bevoegde autoriteiten in hun respectieve lidstaat of van de Unie die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van criminele activiteiten, wanneer dergelijke verzoeken om informatie zijn ingegeven door bezorgdheid in verband met witwassen, basisdelicten daarvan of terrorismefinanciering, of wanneer deze informatie noodzakelijk is voor de bevoegde autoriteit om haar taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren. Het besluit betreffende de verspreiding van de informatie blijft de bevoegdheid van de FIE.

Wanneer er objectieve redenen zijn om aan te nemen dat de verstrekking van dergelijke informatie een negatief effect zou hebben op lopende onderzoeken of analysen, of, in uitzonderlijke omstandigheden, indien openbaarmaking van de informatie duidelijk niet in verhouding zou staan tot de legitieme belangen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon of niet relevant zou zijn voor de doeleinden waarvoor de informatie is gevraagd, is de FIE niet verplicht het verzoek in te willigen.

2.De bevoegde autoriteiten geven de FIE feedback over het gebruik dat van de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie is gemaakt. Deze feedback wordt zo spoedig mogelijk en in elk geval ten minste eenmaal per jaar verstrekt, op zodanige wijze dat de FIE wordt geïnformeerd over de maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen op basis van de door de FIE verstrekte informatie, en dat de FIE in staat wordt gesteld haar operationele analysefunctie uit te voeren.

Artikel 20

Opschorting of niet-instemming met een transactie en opschorting van een rekening

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s gemachtigd zijn om, direct of indirect, dringende maatregelen te nemen wanneer er een vermoeden bestaat dat een transactie verband houdt met witwassen of terrorismefinanciering, om een lopende transactie op te schorten of niet in te willigen. Een dergelijke opschorting wordt opgelegd aan de meldingsplichtige entiteit binnen 48 uur na ontvangst van de melding van een verdachte transactie om de transactie te analyseren, het vermoeden te bevestigen en de resultaten van de analyse te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten. De lidstaten zorgen ervoor dat, met inachtneming van nationale procedurele waarborgen, de transactie wordt opgeschort voor een periode van ten hoogste 15 kalenderdagen vanaf de dag waarop de meldingsplichtige entiteit een dergelijke opschorting heeft opgelegd.

De FIE is bevoegd een dergelijke opschorting, direct of indirect, op verzoek van een FIE van een andere lidstaat op te leggen voor de perioden en onder de voorwaarden die zijn gespecificeerd in het nationale recht van de FIE die het verzoek ontvangt.

2.Indien er een vermoeden bestaat dat verscheidene transacties waarbij een bankrekening of betaalrekening betrokken is, verband houden met witwassen of terrorismefinanciering, zorgen de lidstaten ervoor dat de FIE gemachtigd is onmiddellijk actie te ondernemen, direct of indirect, het gebruik van een bank- of betaalrekening op te schorten om de via de rekening verrichte transacties te analyseren, het vermoeden te bevestigen en de resultaten van de analyse te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten.

Een dergelijke opschorting wordt opgelegd aan de meldingsplichtige entiteit binnen 48 uur na ontvangst van de melding van een verdachte transactie en onmiddellijk aan de bevoegde rechterlijke autoriteit gemeld. De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van die bank- of betaalrekening wordt opgeschort voor een periode van ten hoogste vijf dagen vanaf de dag waarop de opschorting is opgelegd. De lidstaten zorgen ervoor dat elke verlenging van deze opschorting wordt toegestaan door de bevoegde rechterlijke instantie.

3.De lidstaten voorzien in de daadwerkelijke mogelijkheid voor de persoon van wie de bank- of betaalrekening wordt getroffen, om de opschorting voor de rechter aan te vechten overeenkomstig de procedures waarin het nationale recht voorziet.

4.De FIE is bevoegd een dergelijke opschorting, als bedoeld in de leden 1 en 2, direct of indirect, op verzoek van een FIE van een andere lidstaat op te leggen onder de voorwaarden die zijn gespecificeerd in het nationale recht van de FIE die het verzoek ontvangt.

Artikel 21

Feedback van FIE’s

1.Elke lidstaat zorgt ervoor dat zijn FIE jaarlijks een verslag over haar activiteiten uitbrengt. Het verslag bevat statistieken over:

a)meldingen van verdachte transacties door meldingsplichtige entiteiten;

b)openbaarmakingen door toezichthouders en registers van uiteindelijk begunstigden;

c)de verspreiding bij de bevoegde autoriteiten;

d)de verzoeken ingediend bij en ontvangen van andere FIE’s;

e)door de douaneautoriteiten ingediende gegevens over grensoverschrijdende fysieke overbrengingen van contanten.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag bevat ook informatie over de trends en typologieën die zijn vastgesteld in de dossiers die onder andere bevoegde autoriteiten worden verspreid.

De FIE’s verspreiden het verslag onder meldingsplichtige entiteiten. Dit verslag wordt binnen vier maanden na de verspreiding ervan openbaar gemaakt, met uitzondering van de elementen van het verslag die gerubriceerde informatie bevatten. De daarin vervatte informatie maakt het niet mogelijk een natuurlijke persoon of rechtspersoon te identificeren.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s meldingsplichtige entiteiten feedback geven over meldingen van vermoedelijke witwaspraktijken of terrorismefinanciering. Deze feedback heeft ten minste betrekking op de kwaliteit van de verstrekte informatie, de tijdigheid van de rapportage, de beschrijving van het vermoeden en de in de indieningsfase verstrekte documentatie.

De FIE verstrekt die feedback ten minste eenmaal per jaar, ongeacht of deze wordt verstrekt aan de individuele meldingsplichtige entiteit of aan groepen meldingsplichtige entiteiten, rekening houdend met het totale aantal verdachte transacties dat door de meldingsplichtige entiteiten is gemeld.

Deze feedback wordt ook ter beschikking gesteld van toezichthouders om hen in staat te stellen overeenkomstig artikel 31 risicogebaseerd toezicht uit te oefenen.

De verplichting om feedback te geven mag geen afbreuk doen aan lopende analytische werkzaamheden van de FIE of aan onderzoeken of administratieve handelingen na de verspreiding door de FIE, noch aan de toepasbaarheid van de vereisten inzake gegevensbescherming en vertrouwelijkheid.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s de douaneautoriteiten tijdig feedback geven over de doeltreffendheid en de follow-up van de overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2018/1672 verstrekte informatie.

Artikel 22

Samenwerking tussen FIE’s

De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s zoveel mogelijk met elkaar en met hun tegenhangers in derde landen samenwerken, ongeacht hun organisatorische status.

Artikel 23

Beschermde communicatiekanalen

1.Er wordt een systeem opgezet voor de uitwisseling van informatie tussen de FIE’s van de lidstaten (“FIU.net”). Het systeem waarborgt de beveiligde communicatie en maakt het mogelijk een schriftelijk verslag op te stellen op zodanige wijze dat de authenticiteit kan worden vastgesteld. Dat systeem kan ook worden gebruikt voor communicatie met tegenhangers van FIE’s in derde landen en met andere autoriteiten en organen van de Unie. FIU.net wordt beheerd door de AMLA.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat elke uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 24 via FIU.net wordt doorgegeven. In geval van een technische storing van FIU.net wordt de informatie doorgegeven via andere passende middelen die een hoog niveau van gegevensbeveiliging waarborgen.

De uitwisseling van informatie tussen FIE’s en hun tegenhangers in derde landen vindt ook plaats via beschermde communicatiekanalen.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat hun FIE’s met het oog op de vervulling van hun taken als bepaald in deze richtlijn, samenwerken bij de toepassing van geavanceerde technologieën in overeenstemming met hun nationaal recht.

Artikel 24

Uitwisseling van informatie tussen FIE’s

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s, uit eigen beweging of op verzoek, alle informatie uitwisselen die relevant kan zijn voor de verwerking of de analyse, door de FIE, van informatie in verband met witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten of terrorismefinanciering, en de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, zelfs indien op het tijdstip van de uitwisseling het type verband houdende basisdelicten niet is vastgesteld.

Een verzoek omvat de relevante feiten, achtergrondinformatie, redenen voor het verzoek en hoe de gevraagde informatie zal worden gebruikt.

Wanneer een FIE een melding overeenkomstig artikel 50, lid 1, eerste alinea, punt a), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] ontvangt die betrekking heeft op een andere lidstaat, zendt zij de melding of alle daaruit verkregen relevante informatie onverwijld door naar de FIE van die lidstaat.

2.Uiterlijk [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. In die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen wordt het formaat gespecificeerd dat moet worden gebruikt voor de uitwisseling van de in lid 1 bedoelde informatie.

3.De Commissie is bevoegd de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 42 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

4.Uiterlijk [één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] vaardigt de AMLA voor de FIE’s richtsnoeren uit over de relevante factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen of een melding op grond van artikel 50, lid 1, eerste alinea, punt a), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] betrekking heeft op een andere lidstaat, de procedures die moeten worden ingevoerd bij het toezenden en ontvangen van dat verslag en de te geven follow-up.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat de aangezochte FIE, wanneer zij gevolg geeft aan een informatieverzoek overeenkomstig lid 1, van een andere FIE, verplicht gebruik maakt van alle beschikbare bevoegdheden die zij normaliter op nationaal vlak voor het ontvangen en analyseren van informatie zou gebruiken.

Wanneer een FIE tracht bijkomende informatie te verkrijgen van een in een andere lidstaat gevestigde meldingsplichtige entiteit die op het grondgebied van de eerste FIE actief is, wordt het verzoek gericht aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de meldingsplichtige entiteit gevestigd is. Die FIE verkrijgt informatie overeenkomstig artikel 50, lid 1, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en stuurt de antwoorden onverwijld door.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een FIE overeenkomstig lid 1 wordt verzocht informatie te verstrekken, zij zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk zeven dagen na ontvangst van het verzoek op het verzoek reageert. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan deze termijn worden verlengd tot maximaal 14 kalenderdagen. Indien de aangezochte FIE niet in staat is de gevraagde informatie te verkrijgen, stelt zij de verzoekende FIE daarvan in kennis.

7.De lidstaten zorgen ervoor dat in uitzonderlijke, gerechtvaardigde en dringende gevallen en, in afwijking van lid 6, wanneer een FIE overeenkomstig lid 1 wordt verzocht informatie te verstrekken die wordt bijgehouden in een databank die of een register dat rechtstreeks toegankelijk is voor de aangezochte FIE, of reeds in haar bezit is, de aangezochte FIE die informatie uiterlijk 24 uur na ontvangst van het verzoek verstrekt.

Indien de aangezochte FIE niet in staat is binnen 24 uur te antwoorden of niet rechtstreeks toegang heeft tot de informatie, verstrekt zij een motivering. Indien het verstrekken van de gevraagde informatie binnen de termijn van 24 uur een onevenredige belasting zou vormen voor de aangezochte FIE, kan zij de verstrekking van de informatie uitstellen. In dat geval stelt de aangezochte FIE de verzoekende FIE onmiddellijk in kennis van dit uitstel en verstrekt zij de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie kalenderdagen.

8.Een FIE kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden weigeren informatie uit te wisselen, namelijk indien de uitwisseling strijdig zou zijn met fundamentele beginselen van haar nationaal recht. Deze uitzonderlijke omstandigheden worden zodanig gespecificeerd dat misbruik en onnodige beperkingen van de vrije uitwisseling van informatie voor analytische doeleinden worden voorkomen.

Uiterlijk [één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de in de eerste alinea bedoelde uitzonderlijke omstandigheden. De lidstaten werken dergelijke kennisgevingen bij wanneer zich wijzigingen voordoen in de uitzonderlijke omstandigheden die op nationaal niveau zijn vastgesteld.

Artikel 25

Gezamenlijke analysen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat hun FIE’s in staat zijn gezamenlijke analysen van verdachte transacties en activiteiten uit te voeren.

2.Voor de toepassing van lid 1 zetten de betrokken FIE’s, bijgestaan door de AMLA overeenkomstig artikel 33 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final], een gezamenlijk analyseteam in voor een specifiek doel en een beperkte periode, die met wederzijdse instemming kan worden verlengd, om operationele analysen uit te voeren van verdachte transacties of activiteiten waarbij een of meer van de FIE’s die het team oprichten, betrokken zijn.

3.Er kan een gezamenlijk analyseteam worden opgericht wanneer:

a)de operationele analysen van een FIE moeilijke en veeleisende analysen vereisen die verband houden met andere lidstaten;

b)een aantal FIE’s operationele analysen uitvoert waarin de omstandigheden van het geval een gecoördineerd en op elkaar afgestemd optreden in de betrokken lidstaten vereisen.

Elk van de betrokken FIE’s kan verzoeken een gezamenlijk analyseteam op te richten.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat het aan het gezamenlijke analyseteam toegewezen lid van hun FIE, in overeenstemming met zijn nationale recht en binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, in staat is het team informatie te verstrekken waarover de FIE beschikt, met het oog op de door het team verrichte analyse.

5.Indien het gezamenlijke analyseteam bijstand nodig heeft van een andere FIE dan die welke deel uitmaken van het team, kan het die andere FIE verzoeken om:

a)deel te nemen aan het gezamenlijke analyseteam;

b)financiële inlichtingen en financiële informatie in te dienen bij het gezamenlijke analyseteam.

Artikel 26

Gebruik door FIE’s van onderling uitgewisselde informatie

De overeenkomstig de artikelen 22 en 24 ontvangen informatie en documenten worden gebruikt voor het vervullen van de taken van de FIE als bepaald in deze richtlijn. Bij het uitwisselen van informatie en documenten overeenkomstig de artikelen 22 en 24 kan de verstrekkende FIE beperkingen en voorwaarden voor het gebruik van die informatie opleggen. De ontvangende FIE neemt die beperkingen en voorwaarden in acht.

De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s ten minste één contactpersoon of -punt aanwijzen die/dat verantwoordelijk is voor de ontvangst van verzoeken om informatie van FIE’s in andere lidstaten.

Artikel 27

Toestemming voor verdere verspreiding van tussen FIE’s uitgewisselde informatie

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de op grond van de artikelen 22 en 24 uitgewisselde informatie alleen wordt gebruikt voor het doel waarvoor de informatie is gevraagd of verstrekt en dat voor het verspreiden van die informatie door de ontvangende FIE bij een andere autoriteit, een ander agentschap of een andere afdeling, en voor het gebruik van die informatie voor andere dan de oorspronkelijk goedgekeurde doeleinden, de voorafgaande toestemming van de verstrekkende FIE noodzakelijk is.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de voorafgaande toestemming van de aangezochte FIE voor het verspreiden van de informatie bij bevoegde autoriteiten onverwijld wordt gegeven en zo ruim mogelijk is, ongeacht het type verband houdende basisdelicten. De aangezochte FIE mag haar toestemming voor die verspreiding niet weigeren, tenzij die buiten het toepassingsgebied van haar AML/CFT-bepalingen zou vallen of een onderzoek zou kunnen schaden, of anderszins niet in overeenstemming zou zijn met de fundamentele beginselen van het nationale recht van die lidstaat. Een weigering deze instemming te verlenen wordt naar behoren uitgelegd. De gevallen waarin FIE’s toestemming kunnen weigeren, worden zodanig gespecificeerd dat misbruik van en ongerechtvaardigde beperkingen op de verspreiding van informatie onder de bevoegde autoriteiten worden voorkomen.

Artikel 28

Gevolgen van strafrechtelijke bepalingen

Verschillen tussen de nationale wettelijke definities van basisdelicten vormen geen belemmering voor het vermogen van FIE’s om bijstand te verlenen aan een andere FIE en beperken de uitwisseling, de verspreiding en het gebruik van informatie uit hoofde van de artikelen 24, 26, en 27 niet.

HOOFDSTUK IV

TOEZICHT OP DE BESTRIJDING VAN WITWASPRAKTIJKEN

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 29

Bevoegdheden en middelen van nationale toezichthouders

1.De lidstaten zorgen ervoor dat op alle meldingsplichtige entiteiten adequaat toezicht wordt uitgeoefend. Daartoe benoemen de lidstaten toezichthouders die er effectief op moeten toezien en er met de nodige maatregelen moeten voor zorgen dat de meldingsplichtige entiteiten voldoen aan de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en aan de verplichting om gerichte financiële sancties ten uitvoer te leggen.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders over voldoende financiële, personele en technische middelen beschikken om hun in lid 4 genoemde taken uit te voeren. De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van die autoriteiten zeer integer is en over de nodige vaardigheden beschikt, en dat het hoge professionele normen, daaronder begrepen normen inzake vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en belangenconflicten, handhaaft.

3.In het geval van de meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in artikel 3, lid 3), punten a), b), en d), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], kunnen de lidstaten toestaan dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde functie wordt vervuld door zelfregulerende organen, op voorwaarde dat die zelfregulerende organen over de in lid 5 van dit artikel bedoelde bevoegdheden beschikken en over voldoende financiële, personele en technische middelen beschikken om hun taken te vervullen. De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van die organen zeer integer is en over de nodige vaardigheden beschikt, en dat het hoge professionele normen, daaronder begrepen normen inzake vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en belangenconflicten, handhaaft.

4.Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale toezichthouders de volgende taken vervullen:

a)relevante informatie verspreiden onder meldingsplichtige entiteiten overeenkomstig artikel 30;

b)beslissen in welke gevallen de specifieke risico’s die inherent zijn aan een sector, duidelijk en inzichtelijk zijn en individuele gedocumenteerde risicobeoordelingen overeenkomstig artikel 8 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] niet vereist zijn;

c)de adequaatheid en uitvoering verifiëren van het interne beleid, de interne controles en procedures van meldingsplichtige entiteiten overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en van de personele middelen die zijn toegewezen voor de uitvoering van de uit hoofde van die verordening vereiste taken;

d)de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering waaraan de meldingsplichtige entiteiten zijn blootgesteld, regelmatig beoordelen en monitoren;

e)de naleving door meldingsplichtige entiteiten van hun verplichtingen met betrekking tot gerichte financiële sancties monitoren;

f)alle noodzakelijke off-site-, on-site- en thematische onderzoeken en alle andere onderzoeken, beoordelingen en analysen uitvoeren die nodig zijn om na te gaan of de meldingsplichtige entiteiten voldoen aan de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], aan de verplichting om gerichte financiële sancties uit te voeren, alsook aan alle administratieve maatregelen die zijn genomen uit hoofde van artikel 41;

g)passende toezichtmaatregelen nemen om inbreuken op de toepasselijke vereisten door de meldingsplichtige entiteiten aan te pakken die in het kader van de toezichtbeoordelingen zijn vastgesteld, en de uitvoering van dergelijke maatregelen volgen.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat toezichthouders voldoende bevoegdheden hebben om hun taken als bedoeld in lid 4 uit te voeren, met inbegrip van de bevoegdheid om:

a)de verstrekking af te dwingen van informatie van meldingsplichtige entiteiten die relevant is voor de monitoring en verificatie van de naleving van de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en controles uit te voeren, onder meer van agenten of externe dienstverleners waaraan de meldingsplichtige entiteit een deel van haar taken heeft uitbesteed om te voldoen aan de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final];

b)passende en evenredige administratieve maatregelen op te leggen om de situatie in geval van inbreuken te verhelpen, onder meer door het opleggen van administratieve sancties overeenkomstig afdeling 4 van dit hoofdstuk.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat financiële toezichthouders en toezichthouders die belast zijn met het toezicht op gokexploitanten, aanvullende bevoegdheden hebben naast de in lid 5 bedoelde bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid om de bedrijfsruimten van de meldingsplichtige entiteit zonder voorafgaande aankondiging te onderzoeken wanneer het goede verloop en de efficiëntie van de inspectie dit vereisen, en dat zij over alle nodige middelen beschikken om een dergelijk onderzoek uit te voeren.

Voor de toepassing van de eerste alinea worden de toezichthouders ten minste in staat gesteld om:

a)de boeken en bescheiden van de meldingsplichtige entiteit te onderzoeken en kopieën of uittreksels van deze boeken en bescheiden te maken;

b)toegang te verkrijgen tot alle software, databanken, IT-tools of andere elektronische middelen voor het vastleggen van informatie die door de meldingsplichtige entiteit worden gebruikt;

c)schriftelijke of mondelinge toelichtingen te verkrijgen van alle personen die verantwoordelijk zijn voor het interne beleid en de interne controles inzake AML/CFT, of van hun vertegenwoordigers of personeelsleden, alsmede van vertegenwoordigers of personeelsleden van entiteiten waaraan de meldingsplichtige entiteit taken heeft uitbesteed overeenkomstig artikel 40 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], en alle andere personen te horen die ermee instemmen om te worden ondervraagd met het oog op het verzamelen van informatie over het onderwerp van een onderzoek.

Artikel 30

Verstrekking van informatie aan meldingsplichtige entiteiten

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders informatie over witwassen en terrorismefinanciering ter beschikking stellen van de meldingsplichtige entiteiten die onder hun toezicht staan.

2.De in lid 1 bedoelde informatie omvat het volgende:

a)de supranationale risicobeoordeling die de Commissie overeenkomstig artikel 7 heeft opgesteld en alle relevante aanbevelingen van de Commissie op basis van dat artikel;

b)overeenkomstig artikel 8 opgestelde nationale of sectorale risicobeoordelingen;

c)relevante richtsnoeren, aanbevelingen en adviezen van de AMLA overeenkomstig de artikelen 43 en 44 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final];

d)informatie over derde landen die zijn geïdentificeerd overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk III van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final];

e)richtsnoeren en verslagen van de AMLA en andere toezichthouders en, in voorkomend geval, de overheidsinstantie die toezicht houdt op zelfregulerende organen, de FIE of andere bevoegde autoriteiten of internationale organisaties en opstellers van standaarden met betrekking tot methoden voor witwassen en terrorismefinanciering die van toepassing zouden kunnen zijn op een sector, en aanwijzingen die het gemakkelijker kunnen maken om transacties of activiteiten die in verband kunnen worden gebracht met witwassen en terrorismefinanciering, in die sector te identificeren, alsook over de verplichtingen van meldingsplichtige entiteiten met betrekking tot gerichte financiële sancties.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders informatie over personen of entiteiten die in verband met gerichte financiële sancties zijn aangewezen, onmiddellijk ter beschikking stellen van de meldingsplichtige entiteiten die onder hun toezicht staan.

Artikel 31

Risicogebaseerd toezicht

1.De lidstaten zorgen ervoor dat toezichthouders een risicogebaseerde benadering van het toezicht toepassen. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat zij:

a) een duidelijk inzicht hebben in de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering in hun lidstaat;

b) alle relevante informatie beoordelen over de specifieke binnenlandse en internationale risico’s die verbonden zijn aan cliënten, producten en diensten van de meldingsplichtige entiteiten;

c) de frequentie en intensiteit van het toezicht ter plaatse, toezicht buiten locatie en thematisch toezicht baseren op het risicoprofiel van de meldingsplichtige entiteiten en op de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering in die lidstaat. Daartoe stellen de toezichthouders jaarlijkse toezichtprogramma’s op.

2.Uiterlijk [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische reguleringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. Deze ontwerpen van technische reguleringsnormen stellen de benchmarks en een methodologie vast voor het beoordelen en classificeren van het inherente en restrisicoprofiel van meldingsplichtige entiteiten, alsook van de frequentie waarmee dat risicoprofiel moet worden herzien. Bij deze frequentie wordt rekening gehouden met belangrijke gebeurtenissen of ontwikkelingen in het beheer en de bedrijfsactiviteiten van de meldingsplichtige entiteit, alsook met de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten.

3.De Commissie is bevoegd deze richtlijn aan te vullen door de in lid 2 van dit artikel bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

4.Uiterlijk [één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] vaardigt de AMLA aan toezichthouders richtsnoeren uit over de kenmerken van een risicogebaseerde benadering van het toezicht en de stappen die moeten worden genomen bij het uitvoeren van toezicht op basis van risicogevoeligheid.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders rekening houden met de mate van keuzevrijheid die aan de meldingsplichtige entiteit wordt gelaten en dat zij de risicobeoordelingen die aan deze keuzevrijheid ten grondslag liggen, en de toereikendheid van haar beleidslijnen, interne controles en procedures naar behoren evalueren.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten van de overeenkomstig dit artikel door toezichthouders uitgevoerde risicobeoordelingen in geaggregeerde vorm ter beschikking van de FIE worden gesteld.

Artikel 32

Bekendmaking aan FIE’s

1.De lidstaten zorgen ervoor dat indien de toezichthouders tijdens controles van meldingsplichtige entiteiten, dan wel op enigerlei andere wijze, feiten ontdekken die verband zouden kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering, zij de FIE onmiddellijk daarover inlichten.

2.De lidstaten zien erop toe dat toezichthouders die bevoegd zijn om toezicht te houden op de effecten-, valuta- en financiële derivatenmarkten, de FIE inlichten als zij feiten ontdekken die verband kunnen houden met witwassen of terrorismefinanciering.

Artikel 33

Toezicht op meldingsplichtige entiteiten die werkzaam zijn in het kader van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders zoveel mogelijk met elkaar samenwerken, ongeacht hun respectieve aard of status. Deze samenwerking omvat ook de mogelijkheid om, binnen de bevoegdheden van de aangezochte toezichthouder, namens een verzoekende toezichthouder onderzoeken te verrichten, en de daarop volgende uitwisseling van de informatie die door deze onderzoeken is verkregen.

2.Naast artikel 5 stellen meldingsplichtige entiteiten die in het kader van het vrij verrichten van diensten voor het eerst activiteiten op het grondgebied van een andere lidstaat wensen uit te oefenen, de toezichthouders van de lidstaat van herkomst in kennis van de activiteiten die zij voornemens zijn te verrichten. Een dergelijke kennisgeving is ook vereist wanneer grensoverschrijdende diensten worden verricht door agenten van de meldingsplichtige entiteit.

3.De toezichthouders van de lidstaat van herkomst zenden die kennisgeving binnen een maand na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving door aan de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst.

4.In de gevallen die onder lid 2 van dit artikel en artikel 5 vallen, werken de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst samen met de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en verlenen zij bijstand om ervoor te zorgen dat de meldingsplichtige entiteit voldoet aan de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een herschikking van Verordening (EU) 2015/847 – COM(2021) 422 final], en om passende en evenredige maatregelen te nemen om inbreuken aan te pakken.

In de in artikel 5 bedoelde gevallen mogen de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst op eigen initiatief passende en evenredige maatregelen nemen om ernstige tekortkomingen aan te pakken die onmiddellijke maatregelen vereisen. Die maatregelen zijn van tijdelijke aard en worden beëindigd wanneer de tekortkomingen zijn aangepakt, onder meer met de hulp van of in samenwerking met de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de meldingsplichtige entiteit.

5.Indien de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst het oneens zijn over de maatregelen die ten aanzien van een meldingsplichtige entiteit moeten worden genomen, kunnen zij de zaak voorleggen aan de AMLA en om bijstand van de AMLA verzoeken overeenkomstig de artikelen 5 en 10 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final]. De AMLA brengt binnen een maand advies uit over het meningsverschil.

Artikel 34

Bepalingen betreffende de samenwerking in het kader van het groepstoezicht

1.In het geval van kredietinstellingen en financiële instellingen die deel uitmaken van een groep, zorgen de lidstaten ervoor dat, voor de doeleinden van artikel 29, lid 1, de financiële toezichthouders van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst zoveel mogelijk met elkaar samenwerken, ongeacht hun respectieve aard of status. Zij werken ook samen met de AMLA bij de uitoefening van toezichthoudende taken overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

2.Behalve wanneer de AMLA toezichthoudende taken uitoefent overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final], zorgen de lidstaten ervoor dat de financiële toezichthouders van de lidstaat van herkomst toezicht houden op de effectieve uitvoering van de groepsbrede beleidslijnen, controles en procedures als bedoeld in artikel 13 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]. De lidstaten zorgen er ook voor dat de financiële toezichthouders van de lidstaat van ontvangst erop toezien dat de op het grondgebied van hun lidstaat gevestigde vestigingen voldoen aan de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final].

3.Voor de toepassing van dit artikel, en behalve in gevallen waarin AML/CFT-toezichtcolleges overeenkomstig artikel 36 zijn opgericht, zorgen de lidstaten ervoor dat de financiële toezichthouders elkaar alle informatie verstrekken die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun toezichthoudende taken, hetzij op verzoek, hetzij op eigen initiatief. Met name wisselen financiële toezichthouders alle informatie uit die van aanzienlijke invloed kan zijn op de beoordeling van de inherente of restrisicoblootstelling van een kredietinstelling of financiële instelling in een andere lidstaat, met inbegrip van:

a)identificatie van de juridische, governance- en organisatiestructuur van de groep, die betrekking heeft op alle dochterondernemingen en bijkantoren;

b)interne controlemaatregelen, gedragslijnen en procedures binnen de groep;

c)ongunstige ontwikkelingen met betrekking tot de moederonderneming, dochterondernemingen of bijkantoren die ernstige gevolgen kunnen hebben voor andere delen van de groep;

d)door financiële toezichthouders overeenkomstig afdeling 4 van dit hoofdstuk genomen administratieve maatregelen en sancties.

De lidstaten zorgen er ook voor dat financiële toezichthouders, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, namens een verzoekende toezichthouder onderzoeken kunnen verrichten en de via dergelijke onderzoeken verkregen informatie kunnen delen.

4.Uiterlijk [2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische reguleringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. In deze ontwerpen van technische reguleringsnormen worden de respectieve taken van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst en de modaliteiten van hun onderlinge samenwerking nader omschreven.

De Commissie is bevoegd deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

5.De financiële toezichthouders kunnen elk van de volgende situaties naar de AMLA verwijzen:

a)indien een financiële toezichthouder de in lid 3 bedoelde informatie niet heeft meegedeeld;

b)indien een verzoek om medewerking is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd.

De AMLA kan handelen overeenkomstig de haar bij de artikelen 5 en 10 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final] verleende bevoegdheden. In dat geval brengt de AMLA binnen een maand advies uit over het onderwerp van het verzoek.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat de bepalingen van dit artikel ook van toepassing zijn op het toezicht op andere groepen meldingsplichtige entiteiten dan kredietinstellingen of financiële instellingen. De lidstaten zorgen er ook voor dat in gevallen waarin andere meldingsplichtige entiteiten dan kredietinstellingen en financiële instellingen deel uitmaken van structuren met gemeenschappelijke eigendom, beheer of controle op de naleving, met inbegrip van netwerken of maatschappen, de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthouders wordt vergemakkelijkt.

Artikel 35

Uitwisseling van informatie met betrekking tot de uitvoering van groepsbeleid in derde landen

De toezichthouders, met inbegrip van de AMLA, stellen elkaar in kennis van de gevallen waarin de wetgeving van een derde land niet toestaat de beleidslijnen, controles en procedures uit hoofde van artikel 13 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] uit te voeren. In dergelijke gevallen kunnen de toezichthouders gecoördineerde maatregelen nemen om tot een oplossing te komen. Bij het beoordelen van de vraag welke derde landen de uitvoering van de krachtens artikel 13 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] vereiste beleidslijnen, controles en procedures niet toestaan, houden de toezichthouders rekening met eventuele juridische beperkingen die een correcte uitvoering van die beleidslijnen en procedures kunnen belemmeren, met inbegrip van beroepsgeheim, een ontoereikend niveau van gegevensbescherming en andere restricties die de uitwisseling van informatie beperken die relevant kan zijn voor dat doel.

Afdeling 2

Specifieke bepalingen die van toepassing zijn op de financiële sector

Artikel 36

AML/CFT-toezichtcolleges

1.De lidstaten zorgen ervoor dat specifieke AML/CFT-toezichtcolleges worden opgericht in elk van de volgende situaties:

a)wanneer een kredietinstelling of financiële instelling vestigingen heeft opgericht in ten minste twee verschillende lidstaten, met uitzondering van de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gevestigd;

b)wanneer een kredietinstelling of financiële instelling van een derde land vestigingen heeft opgericht in ten minste drie lidstaten.

2. Voor de toepassing van lid 1 dragen de lidstaten er zorg voor dat de financiële toezichthouders vaststelling doen van:

a)alle kredietinstellingen en financiële instellingen die grensoverschrijdend actief zijn en waaraan in hun lidstaat vergunning is verleend;

b)alle vestigingen die door die instellingen in andere rechtsgebieden zijn opgericht;

c)instellingen die op hun grondgebied zijn opgericht door kredietinstellingen en financiële instellingen uit andere lidstaten of derde landen.

3. De lidstaten kunnen toestaan dat AML/CFT-toezichtcolleges worden opgericht wanneer een in de Unie gevestigde kredietinstelling of financiële instelling vestigingen heeft opgericht in ten minste twee derde landen. De financiële toezichthouders kunnen hun tegenhangers in die derde landen uitnodigen om een dergelijk college op te richten. De aan het college deelnemende financiële toezichthouders stellen een schriftelijke overeenkomst op waarin de voorwaarden en procedures voor de samenwerking en uitwisseling van informatie nader worden omschreven.

4. Dergelijke colleges kunnen worden gebruikt voor het uitwisselen van informatie, het verlenen van wederzijdse bijstand of het coördineren van de toezichtbenadering van de instelling, met inbegrip van, in voorkomend geval, het nemen van passende en evenredige maatregelen om ernstige inbreuken op de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] aan te pakken die worden ontdekt in de vestigingen die zijn opgericht door de instelling in het rechtsgebied van een toezichthouder die aan het college deelneemt.

5. De AMLA woont de vergaderingen van de AML/CFT-toezichtcolleges bij en faciliteert hun werkzaamheden overeenkomstig artikel 29 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

6. Uiterlijk [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische reguleringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. Die ontwerpen van technische reguleringsnormen specificeren de algemene voorwaarden voor de werking van de AML/CFT-toezichtcolleges, met inbegrip van de voorwaarden voor samenwerking tussen deelnemers, en de operationele werking van die colleges.

De Commissie is bevoegd deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

Artikel 37

Samenwerking met financiële toezichthouders in derde landen

1. De lidstaten kunnen financiële toezichthouders toestaan samenwerkingsovereenkomsten te sluiten die voorzien in samenwerking en uitwisseling van vertrouwelijke informatie met hun tegenhangers in derde landen. Dergelijke samenwerkingsovereenkomsten voldoen aan de toepasselijke gegevensbeschermingsregels voor gegevensdoorgiften en worden gesloten op basis van wederkerigheid en alleen indien de verstrekte informatie onderworpen is aan een garantie inzake beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig is aan die bedoeld in artikel 50, lid 1. Vertrouwelijke informatie die overeenkomstig die samenwerkingsovereenkomsten wordt uitgewisseld, wordt uitsluitend gebruikt voor de uitoefening van de toezichthoudende taken van die autoriteiten.

Indien de uitgewisselde informatie afkomstig is van een andere lidstaat, wordt zij alleen openbaar gemaakt met de uitdrukkelijke instemming van de financiële toezichthouder die de informatie heeft gedeeld en, in voorkomend geval, uitsluitend voor de doeleinden waarmee die toezichthouder heeft ingestemd.

2. Voor de toepassing van lid 1 kan de AMLA de nodige bijstand te verlenen bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de vereisten inzake beroepsgeheim die van toepassing zijn op de tegenhanger van het derde land.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële toezichthouders de AMLA binnen een maand na de ondertekening ervan in kennis stellen van elke overeenkomstig dit artikel ondertekende overeenkomst.

Afdeling 3

Specifieke bepalingen met betrekking tot zelfregulerende organen

Artikel 38

Toezicht op zelfregulerende organen

1. Indien de lidstaten op grond van artikel 29, lid 3, besluiten om zelfregulerende organen toe te staan toezicht uit te oefenen op de entiteiten als bedoeld in artikel 3, punt 3, a), b), en d), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], zorgen zij ervoor dat de activiteiten van die zelfregulerende organen bij de uitoefening van die taken onderworpen zijn aan toezicht door een overheidsinstantie.

2. De autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen is verantwoordelijk voor het volgende:

a)zij gaat na of elk zelfregulerend orgaan dat de taken uitvoert of voornemens is de in artikel 29, lid 1, bedoelde taken uit te voeren, voldoet aan de eisen van lid 3 van dat artikel;

b)zij geeft richtsnoeren met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 29, lid 1, bedoelde taken;

c)zij zorgt ervoor dat de zelfregulerende organen hun taken uit hoofde van afdeling 1 van dit hoofdstuk volgens de strengste normen uitvoeren;

d)zij controleert de door de zelfregulerende organen verleende vrijstellingen van de verplichting om een individuele gedocumenteerde risicobeoordeling op te stellen overeenkomstig artikel 29, lid 4, punt b).

3.De lidstaten zorgen ervoor dat de autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen voldoende bevoegdheden krijgt om zich van haar verantwoordelijkheden uit hoofde van lid 2 te kwijten. De lidstaten zorgen ervoor dat de autoriteit ten minste de bevoegdheid heeft om:

a)de verstrekking af te dwingen van informatie die relevant is voor de monitoring van de naleving en het uitvoeren van controles, met uitzondering van informatie die is verzameld door meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in artikel 3, punt 3, a), b), en d), van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] bij het bepalen van de rechtspositie van hun cliënt of voor het vervullen van de taak van verdediging of vertegenwoordiging van die cliënt in of met betrekking tot gerechtelijke procedures, met inbegrip van het verstrekken van advies over het instellen of vermijden van een dergelijke procedure; ongeacht of deze informatie vóór, tijdens of na een dergelijke procedure is verzameld;

b)instructies te geven aan een zelfregulerend orgaan met het oog op het verhelpen van verzuim om zijn taken uit hoofde van artikel 29, lid 1, uit te voeren of om te voldoen aan de vereisten van lid 6 van dat artikel, of om dergelijke tekortkomingen te voorkomen. Bij het geven van dergelijke instructies houdt de autoriteit rekening met alle relevante richtsnoeren die zij heeft verstrekt of die door de AMLA zijn verstrekt.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen de autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoeken en vervolgen van criminele activiteiten tijdig, rechtstreeks of via de FIE, informeert over inbreuken waarvoor strafrechtelijke sancties gelden die zij bij de uitvoering van haar taken vaststelt.

5. De autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen, publiceert een jaarverslag met informatie over:

a)het aantal en de aard van de door elk zelfregulerend orgaan geconstateerde inbreuken en de administratieve maatregelen of sancties die aan meldingsplichtige entiteiten zijn opgelegd;

b)het aantal verdachte transacties dat door de entiteiten die onderworpen zijn aan toezicht door elk zelfregulerend orgaan aan de FIE is gemeld, ongeacht of deze rechtstreeks zijn ingediend overeenkomstig artikel 50, lid 1, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], dan wel door elk zelfregulerend orgaan aan de FIE zijn doorgestuurd overeenkomstig artikel 51, lid 1, van die verordening;

c)het aantal en de beschrijving van de maatregelen die elk zelfregulerend orgaan uit hoofde van artikel 40 heeft genomen om toe te zien op de naleving door meldingsplichtige entiteiten van de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] als bedoeld in artikel 40, lid 1;

d)het aantal en de beschrijving van de maatregelen die zijn genomen door de autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen uit hoofde van dit artikel en het aantal instructies dat aan zelfregulerende organen is gegeven.

Dit verslag wordt beschikbaar gesteld op de website van de autoriteit die toezicht houdt op de zelfregulerende organen en wordt ingediend bij de Commissie en de AMLA.

Afdeling 4

Administratieve sancties en maatregelen

Artikel 39

Algemene bepalingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat meldingsplichtige entiteiten aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] overeenkomstig deze afdeling.

2. Onverminderd het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten regels inzake administratieve sancties en maatregelen vast en zorgen zij ervoor dat de toezichthouders dergelijke sancties en maatregelen kunnen opleggen met betrekking tot inbreuken op deze richtlijn, en dat deze worden toegepast. Elke daaruit voortvloeiende sanctie of maatregel die uit hoofde van deze afdeling wordt opgelegd, moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

3. In geval van een inbreuk op Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer verplichtingen van toepassing zijn op rechtspersonen, administratieve sancties en maatregelen kunnen worden opgelegd aan de directie en aan andere natuurlijke personen die krachtens het nationale recht voor de inbreuk verantwoordelijk zijn.

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer toezichthouders inbreuken vaststellen waarvoor strafrechtelijke sancties gelden, zij de autoriteiten die bevoegd zijn om criminele activiteiten te onderzoeken en te vervolgen, daarvan tijdig in kennis stellen.

4. De toezichthouders oefenen hun bevoegdheden om administratieve sancties en maatregelen op te leggen overeenkomstig deze richtlijn en het nationale recht uit op een van de volgende wijzen:

a)rechtstreeks;

b)in samenwerking met andere autoriteiten;

c)onder hun verantwoordelijkheid door middel van delegatie aan die andere autoriteiten;

d)door middel van een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

Uiterlijk [drie maanden na de uiterste datum voor omzetting van deze richtlijn] stellen de lidstaten de Commissie en de AMLA in kennis van de informatie over de regelingen met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties of maatregelen uit hoofde van dit lid, met inbegrip van, in voorkomend geval, informatie over de vraag of voor bepaalde sancties of maatregelen een specifieke procedure moet worden gevolgd.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders bij het bepalen van het type en het niveau van administratieve sancties of maatregelen rekening houden met alle relevante omstandigheden, waaronder in voorkomend geval:

a)de ernst en de duur van de inbreuk;

b)de mate waarin de verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld;

c)de financiële draagkracht van de verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, mede in het licht van zijn totale omzet of jaarinkomen;

d)het voordeel dat de voor de inbreuk verantwoordelijk geachte natuurlijke persoon of rechtspersoon uit de inbreuk heeft behaald, voor zover dat kan worden bepaald;

e)de verliezen die derden door de inbreuk hebben geleden, voor zover die verliezen kunnen worden bepaald;

f)de mate waarin de voor de inbreuk verantwoordelijk geachte natuurlijke persoon of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit heeft meegewerkt;

g)eerdere overtredingen door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon.

6. Bij de uitoefening van hun bevoegdheid om administratieve sancties en maatregelen op te leggen, werken de toezichthouders nauw samen teneinde ervoor te zorgen dat die administratieve sancties of maatregelen het gewenste resultaat opleveren, en om hun optreden te coördineren wanneer het om grensoverschrijdende zaken gaat.

7. Uiterlijk [2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de AMLA ontwerpen van technische reguleringsnormen op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Commissie. In deze ontwerpen van technische reguleringsnormen worden indicatoren gedefinieerd voor de classificatie van de ernst van inbreuken en de criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van het niveau van administratieve sancties of het nemen van administratieve maatregelen uit hoofde van deze afdeling.

De Commissie is bevoegd deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 38 tot en met 41 van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final].

Artikel 40

Administratieve sancties

1. De lidstaten zorgen ervoor dat aan meldingsplichtige entiteiten administratieve sancties worden opgelegd voor ernstige, herhaalde of systematische inbreuken op de vereisten van de volgende bepalingen van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final]:

a)Hoofdstuk III (cliëntenonderzoek);

b)Hoofdstuk V (meldingsplicht);

c)Artikel 56 (bewaren van informatie);

d)Afdeling 1 van hoofdstuk II (interne controlemaatregelen).

2. De lidstaten zorgen ervoor dat in de in lid 1 bedoelde gevallen de maximale geldelijke sancties die kunnen worden opgelegd ten minste tweemaal het bedrag van het uit de inbreuk voortvloeiende voordeel bedragen indien dat voordeel kan worden bepaald, of ten minste 1 000 000 EUR.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de betrokken meldingsplichtige entiteit een kredietinstelling of een financiële instelling is, in afwijking van lid 2 ook de volgende sancties kunnen worden toegepast:

a)in het geval van een rechtspersoon, maximale administratieve geldboeten van ten minste 10 000 000 EUR of 10 % van de totale jaaromzet volgens de recentste door het leidinggevend orgaan goedgekeurde rekeningen; indien de meldingsplichtige entiteit een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad 49 een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de relevante totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet of het overeenkomstige soort inkomsten overeenkomstig de toepasselijke boekhoudregeling volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening;

b)in het geval van een natuurlijke persoon, maximale administratieve geldboeten van ten minste 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die de euro niet als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale valuta op [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn invoegen].

4. De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten machtigen administratieve geldboeten op te leggen die de in de leden 2 en 3 bedoelde bedragen overschrijden.

Artikel 41

Andere administratieve maatregelen dan sancties

1. Wanneer toezichthouders inbreuken op de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] vaststellen die niet voldoende ernstig worden geacht om met een administratieve sanctie te worden bestraft, kunnen zij besluiten administratieve maatregelen aan de meldingsplichtige entiteit op te leggen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de toezichthouders ten minste in staat zijn om:

a)aanbevelingen te doen;

b)meldingsplichtige entiteiten te gelasten hieraan te voldoen, onder meer door specifieke corrigerende maatregelen uit te voeren;

c)een publieke verklaring af te geven waarin de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon en de aard van de inbreuk worden vermeld;

d)een bevel uit te vaardigen waarbij de natuurlijke of rechtspersoon wordt gelast de gedraging te staken en af te zien van herhaling ervan;

e)indien een meldingsplichtige entiteit vergunningsplichtig is, de vergunning in te trekken of op te schorten;

f)een tijdelijk verbod op te leggen aan elke persoon met leidinggevende verantwoordelijkheden in een meldingsplichtige entiteit, of aan elke andere natuurlijke persoon die verantwoordelijk wordt geacht voor de inbreuk, om leidinggevende functies in meldingsplichtige entiteiten uit te oefenen.

2. Bij het nemen van de in lid 1 bedoelde administratieve maatregelen kunnen de toezichthouders:

a)verzoeken om een ad-hoc- of regelmatige overlegging van alle documenten die nodig zijn voor de uitvoering van hun taken, met inbegrip van documenten ter rechtvaardiging van de uitvoering van de gevraagde administratieve maatregelen;

b)eisen dat de regelingen, processen, mechanismen en strategieën worden versterkt;

c)de meldingsplichtige entiteit verplichten een specifiek beleid of specifieke vereisten toe te passen met betrekking tot individuele cliënten, transacties of activiteiten die hoge risico’s inhouden;

d)eisen dat maatregelen worden genomen om het witwasrisico of het risico van terrorismefinanciering dat inherent is aan de activiteiten en producten van de meldingsplichtige entiteit, te verminderen.

3. De in lid 1 bedoelde administratieve maatregelen gaan vergezeld van een bindende termijn voor de daadwerkelijke uitvoering ervan. De lidstaten zien erop toe dat de toezichthouders zorgen voor de follow-up en beoordeling van de daadwerkelijke uitvoering door de meldingsplichtige entiteit van de gevraagde maatregelen.

4. De lidstaten kunnen toezichthouders machtigen om naast de in lid 1 bedoelde administratieve maatregelen aanvullende soorten administratieve maatregelen op te leggen.

Artikel 42

Bekendmaking van administratieve sancties en maatregelen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat een besluit waarbij een administratieve sanctie of maatregel wordt opgelegd wegens schending van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] waartegen geen beroep is ingesteld, door de toezichthouders op hun officiële website wordt bekendgemaakt onmiddellijk nadat de gesanctioneerde persoon van dat besluit in kennis is gesteld. De bekendmaking bevat ten minste informatie over het type en de aard van de inbreuk en de identiteit van de verantwoordelijke personen. De lidstaten zijn niet verplicht deze alinea toe te passen op beslissingen waarbij onderzoeksmaatregelen worden opgelegd.

Indien de bekendmaking van de identiteit van de in de eerste alinea bedoelde verantwoordelijke personen of de persoonsgegevens van die personen na een beoordeling per geval door de toezichthouders als onevenredig wordt beschouwd, of wanneer bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek in gevaar brengt, moeten de toezichthouders:

a)de bekendmaking van de beslissing om een administratieve sanctie of maatregel op te leggen, uitstellen totdat de redenen voor niet-bekendmaking ophouden te bestaan;

b)de beslissing om een administratieve sanctie of maatregel op te leggen in overeenstemming met het nationale recht op anonieme basis bekendmaken, indien de betrokken persoonsgegevens door een dergelijke anonieme bekendmaking doeltreffend worden beschermd; in dat geval kan de bekendmaking van de relevante gegevens voor een redelijke termijn worden uitgesteld indien wordt bepaald dat de redenen voor anonieme bekendmaking binnen die termijn ophouden te bestaan;

c)het besluit om een administratieve sanctie of maatregel op te leggen in het geheel niet bekendmaken, indien de onder a) en b) genoemde opties ontoereikend worden geacht om een van de volgende waarborgen te bieden:

i) dat de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht;

ii) dat de bekendmaking van de beslissing evenredig is ten aanzien van maatregelen die als van geringe aard worden beschouwd.

2. Indien de lidstaten publicatie toestaan van besluiten waartegen beroep is ingesteld, maken de toezichthouders deze informatie en alle latere informatie over de uitkomst van dat beroep ook onmiddellijk op hun officiële website bekend. Voorts wordt elke beslissing tot vernietiging van een eerdere beslissing om een administratieve sanctie of maatregel op te leggen, eveneens bekendgemaakt.

3. De toezichthouders zorgen ervoor dat elke bekendmaking overeenkomstig dit artikel gedurende een periode van vijf jaar na de bekendmaking op hun officiële website blijft staan. De in de bekendmaking opgenomen persoonsgegevens worden op de officiële website van de bevoegde autoriteit evenwel slechts bewaard gedurende de periode die nodig is overeenkomstig de toepasselijke gegevensbeschermingsregels, en in elk geval niet langer dan vijf jaar.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in artikel 40, lid 1, bedoelde inbreuken wanneer die tot hun voordeel zijn gepleegd door personen die individueel of als lid van een orgaan van die rechtspersoon handelen en die binnen de rechtspersoon een leidende functie bekleden op basis van een van de volgende elementen:

a)de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b)de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen;

c)de bevoegdheid om bij de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer het gebrek aan toezicht of controle door de in lid 4 van dit artikel bedoelde personen het mogelijk heeft gemaakt dat een onder hun gezag staande persoon de in artikel 40, lid 1, bedoelde inbreuken ten voordele van die rechtspersoon begaat.

Artikel 43

Bescherming van klokkenluiders

1. De lidstaten zorgen ervoor dat toezichthoudende autoriteiten en, in voorkomend geval, zelfregulerende organen doeltreffende en betrouwbare mechanismen instellen om de melding van mogelijke en feitelijke inbreuken op Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] aan te moedigen.

Daartoe voorzien zij in een of meer beveiligde communicatiekanalen voor de in de eerste alinea bedoelde melding. Deze kanalen zorgen ervoor dat de identiteit van de personen die informatie verstrekken, alleen bekend is bij de toezichthoudende autoriteit of, indien van toepassing, het zelfregulerend orgaan.

2. De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

a)specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van inbreuken en de follow-up daarvan;

b)passende bescherming van werknemers, of personen in een vergelijkbare positie, van meldingsplichtige entiteiten die inbreuken melden welke binnen de meldingsplichtige entiteit hebben plaatsgevonden;

c)passende bescherming voor de beschuldigde persoon;

d)bescherming van persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuken meldt als de natuurlijke persoon die naar verluidt verantwoordelijk is voor een inbreuk, in overeenstemming met de beginselen van Verordening (EU) 2016/679;

e)duidelijke regels om ervoor te zorgen dat vertrouwelijkheid in alle gevallen is gegarandeerd met betrekking tot de persoon die de binnen de meldingsplichtige entiteit gepleegde inbreuken meldt, tenzij bekendmaking volgens het nationale recht voorgeschreven is in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende gerechtelijke procedure.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat personen, met inbegrip van werknemers en vertegenwoordigers van de meldingsplichtige entiteit die mogelijke of feitelijke inbreuken op Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] intern of aan de FIE melden, wettelijk worden beschermd tegen bedreigingen, vergeldingsmaatregelen of vijandige acties, en met name tegen nadelig of discriminerend optreden van de werkgever.

De lidstaten zorgen ervoor dat personen die worden blootgesteld aan bedreigingen, vijandige acties of nadelig of discriminerend optreden van de werkgever voor het melden van potentiële of feitelijke inbreuken op Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] intern of bij de FIE, het recht hebben om op veilige wijze een klacht in te dienen bij de respectieve bevoegde autoriteiten. Onverminderd de vertrouwelijkheid van de door de FIE verzamelde informatie, dragen de lidstaten er tevens zorg voor dat dergelijke personen recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte om hun rechten uit hoofde van dit lid te beschermen.

Artikel 44

Uitwisseling van informatie over sancties

1. De lidstaten zorgen ervoor dat hun toezichthouders en, in voorkomend geval, de nationale autoriteit die toezicht houdt op zelfregulerende organen bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken, de AMLA in kennis stellen van alle administratieve sancties en maatregelen die overeenkomstig deze afdeling zijn opgelegd, met inbegrip van elk beroep in verband daarmee en het resultaat daarvan. Deze informatie wordt ook met andere toezichthouders gedeeld wanneer de administratieve sanctie of maatregel betrekking heeft op een entiteit die in twee of meer lidstaten actief is.

2. De AMLA houdt op haar website links bij naar de bekendmaking door elke toezichthouder van administratieve sancties en maatregelen die overeenkomstig artikel 42 zijn opgelegd, en geeft aan voor welke periode elke lidstaat administratieve sancties en maatregelen bekendmaakt.

HOOFDSTUK V

SAMENWERKING

Afdeling 1

AML/CFT-samenwerking

Artikel 45

Algemene bepalingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de beleidsmakers, FIE’s, toezichthouders, met inbegrip van de AMLA, en andere bevoegde autoriteiten, alsook belastingautoriteiten, beschikken over doeltreffende mechanismen om hen in staat te stellen op nationaal niveau samen te werken en te coördineren met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van beleid en activiteiten ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, en om te voorkomen dat gerichte financiële sancties in verband met de financiering van proliferatie niet worden toegepast en omzeild, mede met het oog op het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 8.

2. Met betrekking tot informatie over uiteindelijk begunstigden die de bevoegde autoriteiten overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en afdeling I van hoofdstuk II van deze richtlijn hebben verkregen, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten deze informatie tijdig en kosteloos kunnen verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen.

3. De uitwisseling van informatie of bijstand tussen bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze richtlijn wordt door de lidstaten niet verboden of aan onredelijke of uitermate restrictieve voorwaarden onderworpen. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een verzoek om bijstand niet afwijzen op grond van het feit dat:

a)het verzoek wordt geacht ook betrekking te hebben op belastingaangelegenheden;

b)het nationale recht vereist dat meldingsplichtige entiteiten geheimhouding of vertrouwelijkheid in acht nemen, behalve in de gevallen waarin de gevraagde relevante informatie wordt beschermd door het beroepsgeheim of wanneer het beroepsgeheim van toepassing is, zoals bepaald in artikel 51, lid 2, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final];

c)er een onderzoek of procedure loopt in de aangezochte lidstaat, tenzij de bijstand dat onderzoek of die procedure zou belemmeren;

d)de aard of de status van de verzoekende bevoegde autoriteit verschilt van die van de aangezochte bevoegde autoriteit.

Artikel 46

Mededeling van de lijst van bevoegde autoriteiten

1. Om een doeltreffende samenwerking, en met name de uitwisseling van informatie, te vergemakkelijken en te bevorderen, delen de lidstaten aan de Commissie en de AMLA het volgende mee:

a)de lijst van toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de naleving door de meldingsplichtige entiteiten van de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final], alsmede, in voorkomend geval, de naam van de overheidsinstantie die toezicht houdt op de zelfregulerende organen bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken uit hoofde van deze richtlijn, en hun contactgegevens;

b)de contactgegevens van hun FIE;

c)de lijst van andere bevoegde nationale autoriteiten.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden de volgende contactgegevens verstrekt:

a)de naam en de rol van de contactpersoon;

b)het professionele e-mailadres en telefoonnummer van de contactpersoon.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 1 aan de Commissie en de AMLA verstrekte informatie wordt geactualiseerd zodra een wijziging plaatsvindt.

4. De AMLA publiceert een register van de in lid 1 bedoelde autoriteiten op haar website en vergemakkelijkt de uitwisseling van de in lid 2 bedoelde informatie tussen de bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten in het register fungeren, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, als contactpunt voor hun tegenhangers. De FIE’s en toezichthoudende autoriteiten fungeren ook als contactpunt voor de AMLA.

Artikel 47

Samenwerking met de AMLA

De FIE en de toezichthoudende autoriteiten werken samen met de AMLA en verstrekken haar alle informatie die zij nodig heeft om haar taken uit hoofde van deze richtlijn, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] en van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor de oprichting van een autoriteit voor de bestrijding van witwassen – COM(2021) 421 final] uit te voeren.

Afdeling 2

Samenwerking met andere autoriteiten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie

Artikel 48

Samenwerking met betrekking tot kredietinstellingen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de financiële toezichthouders, FIE’s en autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op kredietinstellingen uit hoofde van andere rechtshandelingen, binnen hun respectieve bevoegdheden nauw met elkaar samenwerken en elkaar informatie verstrekken die relevant is voor de uitvoering van hun respectieve taken. Deze samenwerking en informatie-uitwisseling doen geen afbreuk aan een lopend onderzoek of een lopende procedure overeenkomstig het strafrecht of het bestuursrecht van de lidstaat waar de financiële toezichthouder of de autoriteit die krachtens andere rechtshandelingen met bevoegdheden voor het toezicht op kredietinstellingen is belast, gevestigd is, en doet geen afbreuk aan de verplichtingen inzake het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 50, lid 1.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer financiële toezichthouders tekortkomingen in het AML/CFT-interne-controlesysteem van een kredietinstelling en in de toepassing van de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] vaststellen die de risico’s waaraan de instelling is of zou kunnen worden blootgesteld, aanzienlijk verhogen, de financiële toezichthouder de Europese Bankautoriteit (EBA) en de autoriteit of het orgaan dat toezicht houdt op de kredietinstelling overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, met inbegrip van de ECB die handelt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad 50 , onmiddellijk informeert.

In geval van een mogelijk verhoogd risico kunnen de financiële toezichthouders contact onderhouden met de autoriteiten die toezicht houden op de instelling overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en een gemeenschappelijke beoordeling opstellen die aan de EBA moet worden meegedeeld. De AMLA wordt van dergelijke kennisgevingen op de hoogte gehouden.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer financiële toezichthouders constateren dat een kredietinstelling heeft geweigerd een zakelijke relatie aan te gaan, maar het gedocumenteerde cliëntenonderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 2, een dergelijke weigering niet rechtvaardigt, zij de autoriteit die verantwoordelijk is voor de naleving door die instelling van Richtlijn 2014/92/EU of Richtlijn (EU) 2015/2366, daarvan in kennis stellen.

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de financiële toezichthouders samenwerken met de afwikkelingsautoriteiten als omschreven in artikel 3, lid 18, van Richtlijn 2014/59/EU of met de aangewezen autoriteiten als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 18), van Richtlijn 2014/49/EU. De financiële toezichthouders stellen deze autoriteiten in kennis van het resultaat van de cliëntenonderzoeksmaatregelen die overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] zijn toegepast en van alle rekeningen die door de FIE overeenkomstig artikel 20 zijn opgeschort.

5. De financiële toezichthouders en FIE’s brengen jaarlijks verslag uit aan de AMLA over hun samenwerking met andere autoriteiten overeenkomstig dit artikel.

6. Uiterlijk [twee jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] vaardigt de AMLA, in overleg met de EBA, richtsnoeren uit over de samenwerking tussen financiële toezichthouders en de in de leden 2, 3, en 4, bedoelde autoriteiten, onder meer over de mate van betrokkenheid van de FIE’s bij deze samenwerking.

Artikel 49

Samenwerking met betrekking tot auditors

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouders die belast zijn met auditors en, in voorkomend geval, overheidsinstanties die toezicht houden op zelfregulerende organen overeenkomstig hoofdstuk IV van deze richtlijn, hun FIE en de overheidsinstanties die bevoegd zijn voor het toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren overeenkomstig artikel 32 van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad 51 en artikel 20 van Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad 52 , binnen hun respectieve bevoegdheden nauw met elkaar samenwerken en elkaar informatie verstrekken die relevant is voor de uitoefening van hun respectieve taken.

Vertrouwelijke informatie die op grond van dit artikel wordt uitgewisseld, wordt door de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten uitsluitend gebruikt voor de uitoefening van hun functies binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn of de andere in de eerste alinea genoemde handelingen van de Unie, en in het kader van administratieve of gerechtelijke procedures die specifiek verband houden met de uitoefening van die functies.

2. De lidstaten kunnen de in lid 1 bedoelde autoriteiten verbieden samen te werken wanneer die samenwerking, met inbegrip van de uitwisseling van informatie, gevolgen zou hebben voor een lopend onderzoek of een lopende procedure overeenkomstig het strafrecht of het bestuursrecht van de lidstaat waar de autoriteiten zijn gevestigd.

Artikel 50

Uitwisseling van informatie met betrekking tot kredietinstellingen en financiële instellingen tussen entiteiten die aan het beroepsgeheim gebonden zijn

1.De lidstaten schrijven voor dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor financiële toezichthouders en auditors of deskundigen die namens financiële toezichthouders optreden, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Onverminderd de gevallen die worden bestreken door strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van het recht van de lidstaten en het recht van de Unie, en onverminderd de overeenkomstig artikel 32 aan de FIE verstrekte informatie, mag vertrouwelijke informatie die de in de eerste alinea bedoelde personen bij de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze richtlijn ontvangen, alleen in samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, op zodanige wijze dat individuele kredietinstellingen en financiële instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd.

2. Lid 1 vormt geen belemmering voor de uitwisseling van informatie tussen:

a)financiële toezichthouders binnen een lidstaat of in verschillende lidstaten, met inbegrip van de AMLA handelend overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening [referentie invoegen — voorstel voor de oprichting van een antiwitwasautoriteit — COM(2021) 421 final];

b)financiële toezichthouders en FIE’s;

c)financiële toezichthouders en bevoegde autoriteiten die belast zijn met kredietinstellingen en financiële instellingen overeenkomstig andere wetgevingshandelingen met betrekking tot het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, met inbegrip van de ECB handelend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013, binnen een lidstaat of in verschillende lidstaten.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), is de uitwisseling van informatie onderworpen aan de in lid 1 bedoelde vereisten inzake beroepsgeheim.

3. Elke autoriteit die overeenkomstig lid 2 vertrouwelijke informatie ontvangt, gebruikt deze informatie alleen:

a)bij de vervulling van haar taken uit hoofde van deze richtlijn of andere wetgevingshandelingen op het gebied van AML/CFT, prudentiële regelgeving en prudentieel toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, met inbegrip van sancties;

b)in het kader van een beroep tegen een beslissing van de autoriteit, met inbegrip van gerechtelijke procedures;

c)bij rechtszaken die op grond van bijzondere bepalingen van Unierecht op het gebied van deze richtlijn of op het gebied van prudentiële regelgeving en toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen aanhangig zijn gemaakt.

Artikel 51

Uitwisseling van informatie tussen toezichthouders en met andere autoriteiten

1. Met uitzondering van de gevallen die onder artikel 51, lid 2, van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] vallen, staan de lidstaten toe dat informatie wordt uitgewisseld tussen:

a)de toezichthouders en de overheidsinstanties die toezicht houden op zelfregulerende organen overeenkomstig hoofdstuk IV van deze richtlijn, in dezelfde lidstaat of in verschillende lidstaten;

b)de toezichthouders en de autoriteiten die bij wet verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financiële markten bij de uitoefening van hun respectieve toezichthoudende taken;

c)de toezichthouders die belast zijn met auditors en, in voorkomend geval, de overheidsinstanties die toezicht houden op zelfregulerende organen overeenkomstig hoofdstuk IV van deze richtlijn, en de overheidsinstanties die bevoegd zijn voor het toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren overeenkomstig artikel 32 van Richtlijn 2006/43/EG en artikel 20 van Verordening (EU) nr. 537/2014, met inbegrip van autoriteiten in verschillende lidstaten.

De vereisten inzake beroepsgeheim als bedoeld in artikel 50, leden 1 en 3, vormen geen beletsel voor een dergelijke uitwisseling van informatie.

Vertrouwelijke informatie die overeenkomstig dit lid wordt uitgewisseld, wordt alleen gebruikt bij de vervulling van de taken van de betrokken autoriteiten en in het kader van administratieve of gerechtelijke procedures die specifiek verband houden met de uitoefening van die taken. De ontvangen informatie is in ieder geval onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 50, lid 1, bedoelde vereisten.

2. De lidstaten kunnen toestaan dat bepaalde informatie openbaar wordt gemaakt aan andere nationale autoriteiten die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financiële markten, of die belast zijn met bepaalde verantwoordelijkheden op het gebied van de bestrijding of het onderzoek van witwassen, de basisdelicten daarvan of terrorismefinanciering. De vereisten inzake beroepsgeheim als bedoeld in artikel 50, leden 1 en 3, vormen geen beletsel voor een dergelijke uitwisseling van informatie.

Vertrouwelijke informatie die overeenkomstig dit lid wordt uitgewisseld, wordt echter enkel gebruikt voor het uitvoeren van de wettelijke taken van de betrokken autoriteiten. Personen die toegang hebben tot dergelijke informatie, zijn onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 50, lid 1, bedoelde vereisten.

3. De lidstaten kunnen toestemming verlenen voor de openbaarmaking van bepaalde informatie met betrekking tot het toezicht op meldingsplichtige entiteiten met het oog op de naleving van de vereisten van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] aan parlementaire onderzoekscommissies, rekenkamers en andere entiteiten die belast zijn met onderzoeken in hun lidstaat, onder de volgende voorwaarden:

a)de entiteiten hebben krachtens het nationale recht een nauwkeurig omschreven mandaat om het optreden van autoriteiten die voor het toezicht op deze kredietinstellingen of voor wetgeving inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;

b)de informatie is strikt noodzakelijk om het onder a) bedoelde mandaat te vervullen;

c)voor de personen die toegang tot de informatie hebben, gelden krachtens de nationale wetgeving professionele geheimhoudingsverplichtingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in lid 1 bedoelde;

d)informatie die afkomstig is van een andere lidstaat, wordt niet verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de toezichthouder die de gegevens heeft meegedeeld, en mag alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze toezichthouder heeft ingestemd.

Afdeling 3

Richtsnoeren over de samenwerking

Artikel 52

Richtsnoeren voor AML/CFT-samenwerking

Uiterlijk [twee jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] vaardigt de AMLA, in samenwerking met de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteiten, Europol, Eurojust en het Europees Openbaar Ministerie, richtsnoeren uit over:

a)de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten uit hoofde van afdeling 1 van dit hoofdstuk, alsook met de in afdeling 2 van dit hoofdstuk bedoelde autoriteiten en de autoriteiten die belast zijn met de in afdeling 1 van hoofdstuk II van deze richtlijn bedoelde registers, teneinde witwassen en de financiering van terrorisme te voorkomen;

b)de procedures over hoe de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht of de controle op meldingsplichtige entiteiten uit hoofde van andere handelingen van de Unie, bij de uitvoering van hun taken krachtens deze handelingen rekening moeten houden met problemen in verband met witwassen en terrorismefinanciering.

HOOFDSTUK VI

GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 53

Verwerking van bepaalde categorieën persoonsgegevens

1. Voor zover dit strikt noodzakelijk is voor de toepassing van deze richtlijn, mogen de bevoegde autoriteiten bijzondere categorieën persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 en persoonsgegevens in verband met strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 van die verordening verwerken, met inachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene en de volgende aanvullende waarborgen:

a)de verwerking van dergelijke gegevens wordt uitsluitend per geval verricht door het personeel van elke bevoegde autoriteit dat specifiek is aangewezen en gemachtigd om die taken uit te voeren;

b)het personeel van de bevoegde autoriteiten neemt hoge professionele normen inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming in acht, is zeer integer en beschikt over de juiste vaardigheden;

c)er worden technische en organisatorische maatregelen getroffen om de beveiliging van de gegevens volgens hoge technologische normen te waarborgen.

2. De in lid 1 bedoelde waarborgen zijn ook van toepassing op de verwerking voor de toepassing van deze richtlijn van bijzondere categorieën gegevens als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 en van persoonsgegevens in verband met strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 11 van die verordening door instellingen, agentschappen of organen van de Unie.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 54

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, dat is opgericht bij artikel 28 van Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een herschikking van Verordening (EU) 2015/847 – COM(2021) 422 final]. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 55

Overgangsbeheer van FIU.net

Uiterlijk [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] draagt de Commissie het beheer van FIU.net over aan de AMLA.

Totdat deze overdracht is voltooid, verleent de Commissie de nodige bijstand voor de werking van FIU.net en de uitwisseling van informatie tussen de FIE’s binnen de Unie. Daartoe belegt de Commissie regelmatig vergaderingen van het EU-FIE-platform, bestaande uit vertegenwoordigers van de FIE’s van de lidstaten, om toezicht te houden op de werking van FIU.net.

Artikel 56

Toetsing

Uiterlijk op [vijf jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn] en vervolgens om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze richtlijn.

Artikel 57

Intrekking

Richtlijn (EU) 2015/849 wordt ingetrokken met ingang van [datum van omzetting].

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en naar Verordening [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening – COM(2021) 420 final] overeenkomstig de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 58

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [datum invoegen — drie jaar na de datum van inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mede.

Wanneer de lidstaten die maatregelen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder de onderhavige richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 59

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 60

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    Europol, From suspicion to action – Converting financial intelligence into greater operational impact (Van verdenking tot actie – financiële inlichtingen omzetten in grotere operationele resultaten), 2017.
(2)    Mededeling van de Commissie — Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme (COM(2019) 360 final), verslag van de Commissie over de beoordeling van recente vermeende gevallen van het witwassen van geld waarbij EU-kredietinstellingen betrokken zijn (COM(2019) 373 final), verslag van de Commissie waarin het kader voor de samenwerking tussen de financiële-inlichtingeneenheden wordt beoordeeld (COM(2019) 371 final); grensoverschrijdend risicobeoordelingsverslag (COM(2019) 370 final).
(3)    COM(2020) 605 final.
(4)    Mededeling van de Commissie inzake een actieplan voor een alomvattend EU‐beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme (C(2020) 2800), PB C 164 van 13.5.2020, blz. 21.
(5)    COM(2021) 420 final.
(6)    Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(7)    COM(2021) 421 final.
(8)    COM(2021) 422 final.
(9)    Resolutie van het Europees Parlement van 10 juli 2020 over een alomvattend EU-beleid voor de preventie van witwassen en financieren van terrorisme - Actieplan van de Commissie en andere recente ontwikkelingen (2020/2686 (RSP)), P9_TA (2020) 0204.
(10)    Conclusies van de Raad over de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, 12608/20.
(11)    Alle verwijzingen in deze toelichting naar “de huidige AML/CFT-wetgeving van de EU” moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn.
(12)    Richtlijn (EU) 2019/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten, en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad (PB L 186 van 11.7.2019, blz.122).
(13)    Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld.
(14)    Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).
(15)    Richtlijn (EU) 2019/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten, en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad.
(16)    Respectievelijk de Richtlijnen (EU) 2015/2366, 2014/92 en 2009/110.
(17)    Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering.
(18)    Werkdocument van de diensten van de Commissie — Effectbeoordeling bij het pakket wetgevingsvoorstellen van de Commissie betreffende de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT), en rechtshandhaving, met inbegrip van:
(19)    Algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679) en interne verordening gegevensbescherming voor instellingen, organen en instanties van de EU (Verordening (EU) 2018/1725).
(20)    PB C [...], [...], blz. [...].
(21)    PB C [...], [...], blz. .
(22)    Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(23)    Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43).
(24)    Besluit 2009/316/JBZ van de Raad van 6 april 2009 betreffende de oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS) overeenkomstig artikel 11 van Kaderbesluit 2009/315/JBZ (PB L 93 van 7.4.2009, blz. 33).
(25)    Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PB L 93 van 7.4. 2009, blz. 23).
(26)    Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195 van 27.7.2010, blz. 39).
(27)    Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79).
(28)    Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88 van 24.3.2012, blz. 1).
(29)    Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 (PB L 224 van 31.8.2017, blz. 1).
(30)    Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
(31)    Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(32)    Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(33)    Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).
(34)    Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(35)    Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).
(36)    Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG, 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
(37)    Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(38)    Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(39)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(40)    PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(41)    PB C [...], [...], blz. .
(42)    Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(43)    Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005 (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6).
(44)    Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).
(45)    Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22).
(46)    Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(47)    Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22).
(48)    Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie van 2 mei 2013 tot instelling van een EU-register overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, de Beschikkingen nr. 280/2004/EG en nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 920/2010 en (EU) nr. 1193/2011 van de Commissie (PB L 122 van 3.5.2013, blz. 1).
(49)    Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(50)    Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).
(51)    Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).
(52)    Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77).
Top

Brussel, 20.7.2021

COM(2021) 423 final

BIJLAGE

bij het Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849







BIJLAGE

Concordantietabel

Richtlijn (EU) 2015/849

Deze richtlijn

Verordening (EU) XXXX/XX [referentie invoegen – voorstel voor een antiwitwasverordening - COM(2021) 420 final]

Artikel 1, lid 1

-

-

Artikel 1, lid 2

-

-

Artikel 1, lid 3

Artikel 2, punt 1)

Artikel 1, lid 4

Artikel 2, punt 1)

Artikel 1, lid 5

Artikel 2, punt 2)

Artikel 1, lid 6

Artikel 2, punten 1) en 2)

Artikel 2, lid 1

Artikel 3

Artikel 2, lid 2

Artikel 4

Artikel 2, lid 3

Artikel 5, lid 1

Artikel 2, lid 4

Artikel 5, lid 2

Artikel 2, lid 5

Artikel 5, lid 3

Artikel 2, lid 6

Artikel 5, lid 4

Artikel 2, lid 7

Artikel 5, lid 5

Artikel 2, lid 8

Artikel 6

Artikel 2, lid 9

Artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 6

Artikel 3, punt 1)

Artikel 2, punt 5)

Artikel 3, punt 2)

Artikel 2, punt 6)

Artikel 3, punt 3)

Artikel 2, punt 4)

Artikel 3, punt 4)

Artikel 2, punt 3)

Artikel 3, punt 5)

Artikel 2, punt 35)

Artikel 3, punt 6)

Artikel 2, punt 22)

Artikel 3, punt 6, a)

Artikel 42, lid 1

Artikel 3, punt 6, b)

Artikel 43

Artikel 3, punt 6, c)

Artikel 42, lid 2

Artikel 3, punt 7)

Artikel 2, punt 7)

Artikel 3, punt 8)

Artikel 2, punt 19)

Artikel 3, punt 9)

Artikel 2, punt 25)

Artikel 3, punt 10)

Artikel 2, punt 26)

Artikel 3, punt 11)

Artikel 2, punt 27)

Artikel 3, punt 12)

Artikel 2, punt 28)

Artikel 3, punt 13)

Artikel 2, punt 16)

Artikel 3, punt 14)

Artikel 2, punt 8)

Artikel 3, punt 15)

Artikel 2, punt 29)

Artikel 3, punt 16)

Artikel 2, punt 15)

Artikel 3, punt 17)

Artikel 2, punt 20)

Artikel 3, punt 18)

Artikel 2, punt 13)

Artikel 3, punt 19)

-

-

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 5

-

-

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, leden 2 en 3

Artikel 8, lid 3

Artikel 7, lid 1

Artikel 8, lid 4

Artikel 7, lid 2

Artikel 8, lid 5

Artikel 7, leden 2 en 3

Artikel 9

Artikel 23

Artikel 10

Artikel 58

Artikel 11

Artikel 15

Artikel 12

-

-

Artikel 13, lid 1

Artikel 16, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 16, lid 2

Artikel 13, lid 3

Artikel 16, lid 2

Artikel 13, lid 4

Artikel 16, lid 4

Artikel 13, lid 5

Artikel 37

Artikel 13, lid 6

Artikel 18, lid 3

Artikel 14, lid 1

Artikel 19, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 19, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 19, lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 17

Artikel 14, lid 5

Artikel 21, leden 2 en 3

Artikel 15

Artikel 27

Artikel 16

Artikel 27, lid 1

Artikel 17

-

-

Artikel 18, lid 1

Artikel 28, lid 1

Artikel 18, lid 2

Artikel 28, lid 2

Artikel 18, lid 3

-

Artikel 28, lid 3

Artikel 18, lid 4

-

-

Artikel 18 bis, lid 1

Artikel 23, lid 4, en artikel 28, lid 4

Artikel 18 bis, lid 2

-

Artikel 23, lid 5, en artikel 29, punt a)

Artikel 18 bis, lid 3

Artikel 23, lid 5, en artikel 29, punt b)

Artikel 18 bis, lid 4

-

-

Artikel 18 bis, lid 5

Artikel 29, lid 3

Artikel 19

Artikel 30

Artikel 20

Artikel 32

Artikel 20 bis

Artikel 33

Artikel 21

Artikel 34

Artikel 22

Artikel 35

Artikel 23

Artikel 36

Artikel 24

Artikel 31

Artikel 25

Artikel 38, lid 1

Artikel 26

Artikel 38

Artikel 27

Artikel 39

Artikel 28

Artikel 38, lid 3

Artikel 29

-

-

Artikel 30, lid 1

Artikel 45, leden 1 en 3, en artikel 49

Artikel 30, lid 2

Artikel 45, lid 4

Artikel 30, lid 3

Artikel 10, lid 1

Artikel 30, lid 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 30, lid 5

Artikel 11, en artikel 12, lid 1

Artikel 30, lid 5 bis

Artikel 12, lid 2

Artikel 30, lid 6

Artikel 11, leden 1, 2, en 3

Artikel 30, lid 7

Artikel 45, lid 2

Artikel 30, lid 8

Artikel 18, lid 4

Artikel 30, lid 9

Artikel 13

Artikel 30, lid 10

Artikel 10, leden 11 en 12

Artikel 31, lid 1

Artikel 43, lid 1, artikel 46, lid 1, en artikel 49

Artikel 31, lid 2

Artikel 46, lid 2

Artikel 31, lid 3

Artikel 46, lid 3

Artikel 31, lid 3 bis

Artikel 10, lid 1

Artikel 48

Artikel 31, lid 4

Artikel 11, en artikel 12, lid 1

Artikel 31, lid 4 bis

Artikel 12, lid 2

Artikel 31, lid 5

Artikel 10, lid 5

Artikel 31, lid 6

Artikel 18, lid 4

Artikel 31, lid 7

Artikel 45, lid 2

Artikel 31, lid 7 bis

Artikel 13

Artikel 31, lid 9

Artikel 10, leden 11 en 12

Artikel 31, lid 10

Artikel 43, lid 2

Artikel 31 bis

Artikel 15, lid 1

Artikel 32, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 32, lid 2

Artikel 46, lid 1

Artikel 32, lid 3

Artikel 17, leden 2, 4, en 5

Artikel 32, lid 4

Artikel 18, lid 1, en artikel 19, lid 1

Artikel 32, lid 5

Artikel 19, lid 1

Artikel 32, lid 6

Artikel 19, lid 2

Artikel 32, lid 7

Artikel 20, lid 1

Artikel 32, lid 8

Artikel 17, lid 3

Artikel 32, lid 9

Artikel 18, lid 4

Artikel 32 bis, lid 1

Artikel 14, lid 1

Artikel 32 bis, lid 2

Artikel 14, lid 2

Artikel 32 bis, lid 3

Artikel 14, lid 3

Artikel 32 bis, lid 4

Artikel 14, lid 4

Artikel 32 ter

Artikel 16

Artikel 33, lid 1

Artikel 50, lid 1

Artikel 33, lid 2

Artikel 50, lid 6

Artikel 34, lid 1

Artikel 51, lid 1

Artikel 34, lid 2

Artikel 51, lid 2

Artikel 34, lid 3

-

-

Artikel 35

Artikel 52

Artikel 36

Artikel 32

Artikel 37

Artikel 53

Artikel 38

Artikel 43, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 39

Artikel 54

Artikel 40

Artikel 56

Artikel 41

Artikel 55

Artikel 42

Artikel 57

Artikel 43

-

-

Artikel 44, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 44, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 44, lid 3

Artikel 9, lid 3

Artikel 44, lid 4

Artikel 9, lid 6

Artikel 45, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 45, lid 2

-

-

Artikel 45, lid 3

Artikel 14, lid 1

Artikel 45, lid 4

Artikel 35

Artikel 45, lid 5

Artikel 14, lid 2

Artikel 45, lid 6

Artikel 14, lid 3

Artikel 45, lid 7

Artikel 14, lid 4

Artikel 45, lid 8

Artikel 13, lid 2

Artikel 45, lid 9

Artikel 5, lid 1

Artikel 45, lid 10

Artikel 5, lid 2

Artikel 45, lid 11

Artikel 5, lid 3

Artikel 46, lid 1

Artikel 10

Artikel 46, lid 2

-

-

Artikel 46, lid 3

Artikel 21

Artikel 46, lid 4

Artikel 9

Artikel 47, lid 1

Artikel 4

Artikel 47, lid 2

Artikel 6, lid 1

Artikel 47, lid 3

Artikel 6, lid 2

Artikel 48, lid 1

Artikel 29, lid 1

Artikel 48, lid 1 bis

Artikel 29, lid 5, en artikel 46

Artikel 48, lid 2

Artikel 29, leden 2 en 5

Artikel 48, lid 3

Artikel 29, lid 6

Artikel 48, lid 4

Artikel 33, en artikel 34

Artikel 48, lid 5

Artikel 33, lid 4, en artikel 34, lid 2

Artikel 48, lid 6

Artikel 31, lid 1

Artikel 48, lid 7

Artikel 31, lid 2

Artikel 48, lid 8

Artikel 31, lid 5

Artikel 48, lid 9

Artikel 29, lid 3

Artikel 48, lid 10

Artikel 31, lid 4

Artikel 49

Artikel 45, lid 1

Artikel 50

Artikel 47

Artikel 50 bis

Artikel 45, lid 3

Artikel 51

-

-

Artikel 52

Artikel 22

Artikel 53

Artikel 24

Artikel 54

Artikel 26

Artikel 55

Artikel 27

Artikel 56

Artikel 23, leden 2 en 3

Artikel 57

Artikel 28

Artikel 57 bis, lid 1

Artikel 50, lid 1

Artikel 57 bis, lid 2

Artikel 50, lid 2

Artikel 57 bis, lid 3

Artikel 50, lid 3

Artikel 57 bis, lid 4

Artikel 33, lid 1, en artikel 34, leden 1 en 3

Artikel 57 bis, lid 5

Artikel 37

Artikel 57 ter

Artikel 51

Artikel 58, lid 1

Artikel 39, lid 1

Artikel 58, lid 2

Artikel 39, lid 2

Artikel 58, lid 3

Artikel 39, lid 3

Artikel 58, lid 4

-

-

Artikel 58, lid 5

Artikel 39, lid 4

Artikel 59, lid 1

Artikel 40, lid 1

Artikel 59, lid 2

Artikel 40, lid 2, en artikel 41, lid 1

Artikel 59, lid 3

Artikel 40, lid 3

Artikel 59, lid 4

Artikel 40, lid 4

Artikel 60, lid 1

Artikel 42, lid 1

Artikel 60, lid 2

Artikel 42, lid 2

Artikel 60, lid 3

Artikel 42, lid 3

Artikel 60, lid 4

Artikel 39, lid 5

Artikel 60, lid 5

Artikel 42, lid 4

Artikel 60, lid 6

Artikel 42, lid 5

Artikel 61

Artikel 43

Artikel 62, lid 1

Artikel 44, lid 1

Artikel 62, lid 2

Artikel 6, lid 6

Artikel 62, lid 3

Artikel 44, lid 2

Artikel 63

-

-

Artikel 64

Artikel 60

Artikel 64 bis

Artikel 54

Artikel 61

Artikel 65

-

-

Artikel 66

-

-

Artikel 67

-

-

Artikel 68

-

-

Artikel 69

-

-

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage III

Bijlage IV

-

-

Top