Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0438

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014

COM/2018/438 final

Brussel, 6.6.2018

COM(2018) 438 final

2018/0228(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014

(Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2018) 292 final}
{SWD(2018) 312 final}
{SWD(2018) 313 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel creëert de rechtsgrondslag voor de Connecting Europe Facility (CEF) voor de periode na 2020. Het voorziet in een toepassingsdatum, namelijk 1 januari 2021, en is afgestemd op een Unie met 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Europese Unie en Euratom terug te trekken overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat door de Europese Raad werd ontvangen op 29 maart 2017.

•Motivering en doel van het voorstel

Op 2 mei 2018 heeft de Commissie haar voorstel 1 voor het meerjarig financieel kader na 2020 voorgesteld. Dat omvat een bedrag van 42,265 miljard EUR voor de Connecting Europe Facility (CEF).

Om de jobcreatie te stimuleren en bij te dragen aan slimme, duurzame en inclusieve groei heeft de Unie behoefte aan moderne, hoogwaardige infrastructuur voor de onderlinge verbindingen en integratie van de Unie en al haar regio's in de vervoers-, telecommunicatie- en energiesector. Die verbindingen zijn essentieel voor het vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten. De trans-Europese netwerken moeten grensoverschrijdende verbindingen faciliteren en bijdragen aan een grotere economische, maatschappelijke en territoriale cohesie, aan een meer concurrerende sociale markteconomie en aan de bestrijding van de klimaatverandering.

Europa streeft naar mobiliteit zonder verkeersslachtoffers, zonder uitstoot en zonder papier en wil wereldleider worden op het gebied van hernieuwbare energie en het voortouw nemen in de digitale economie. Een moderne, schone, slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde infrastructuur zal Europese burgers en bedrijven tastbare voordelen bieden en hen in staat stellen op efficiënte wijze te reizen, goederen te verzenden en toegang te verkrijgen tot energie en hoogwaardige digitale diensten.

Daartoe ondersteunt de CEF investeringen in vervoer, energie en digitale infrastructuur via de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken (TEN). De Commissie stelt voor in de periode 2021-2027 ook grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de opwekking van hernieuwbare energie te promoten.

De CEF focust op de projecten met de grootste Europese toegevoegde waarde en fungeert als katalysator voor investeringen in projecten met een grensoverschrijdende impact en Europabrede interoperabele systemen en diensten, waarvoor de continuïteit van de financiering na 2020 essentieel is. Dankzij haar efficiënte manier van werken biedt de CEF een antwoord op markttekortkomingen en werkt zij als hefboom voor extra investeringen uit andere bronnen, met name de particuliere sector, in synergie en complementariteit met InvestEU en andere EU-programma’s.

De CEF "is gericht op het bevorderen van investeringen in de trans-Europese netwerken. Samen met grensoverschrijdende samenwerking zijn die netwerken niet alleen van cruciaal belang voor de werking van de eengemaakte markt, zij zijn ook van strategisch belang voor de totstandbrenging van de energie-unie, de digitale eengemaakte markt en de ontwikkeling van duurzame vervoerswijzen. Zonder tussenkomst van de EU zijn particuliere exploitanten en nationale autoriteiten onvoldoende bereid om te investeren in grensoverschrijdende infrastructuurprojecten.” 2

Gelet op het belang van de strijd tegen de klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, integreert de Commissie in haar voorstel voor het meerjarig financieel kader 2021-2027 ambitieuzere klimaatdoelstellingen in alle EU-programma’s. 25 % van alle EU-uitgaven moeten bijdragen tot het behalen daarvan. De CEF wordt geacht een belangrijke bijdrage aan deze doelstelling te leveren: 60 % van de CEF-middelen moet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. De bijdrage van dit programma aan de verwezenlijking van die algemene doelstelling zal worden gemonitord met een EU-klimaatindicator, waarbij gegevens tot op een adequaat niveau worden uitgesplitst en in de mate van het mogelijke gebruik wordt gemaakt van nauwkeuriger methodieken. De Commissie blijft via de jaarlijkse ontwerpbegrotingen rapporteren over de vastleggingskredieten.

Om het potentieel van het programma in het kader van de klimaatdoelstellingen volledig te benutten, zal de Commissie bij de voorbereiding, uitvoering, toetsing en evaluatie van het programma op zoek gaan naar relevante acties.

De toekomstige behoeften voor de decarbonisatie en digitalisering van de Europese economie zullen tot een sterkere convergentie van de vervoers-, energie- en digitale sector leiden. Synergieën tussen de drie sectoren moeten derhalve volledig worden benut met het oog op een maximale effectiviteit en efficiency van de door de Unie verleende steun. Voorbeelden van synergieën zijn geconnecteerde en autonome mobiliteit, schone mobiliteit op basis van alternatieve brandstoffen, energieopslag en slimme netwerken. Als stimulans om projecten die meer dan één sector omvatten te promoten wordt voorzien in de mogelijkheid om het hoogste medefinancieringspercentage van de betrokken sectoren te hanteren. Bovendien zal het in elke sector mogelijk zijn aanvullende elementen met betrekking tot een andere sector te aanvaarden als subsidiabele kosten, bijvoorbeeld de opwekking van hernieuwbare energie in een vervoersproject. Om sectoroverschrijdende voorstellen aan te moedigen en te prioriteren, wordt het synergieaspect van een voorgestelde actie beoordeeld op basis van de selectiecriteria. Synergieën zullen worden gerealiseerd via gezamenlijke werkprogramma’s en gezamenlijke financiering met de betrokken sectoren.

Voor vervoer, moet de CEF bijdragen aan de voltooiing van de twee TEN-T-lagen: het strategische kernnetwerk, als ruggengraat, tegen 2030 en het uitgebreide netwerk tegen 2050. Via de CEF wordt steun verleend voor de uitrol van Europese verkeersbeheersystemen voor de verschillende vervoerswijzen, met name voor de luchtvaart en het spoor, en ondersteunt de EU de transitie naar slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit (bv. door de uitrol van een Europees netwerk van oplaadpunten voor alternatieve brandstoffen). Volgens ramingen zal de voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 zorgen voor een arbeidsvolume van 7,5 miljoen manjaar tussen 2017 en 2030 en het bbp van de Unie met 1,6 % doen groeien in 2030.

Na de gezamenlijke mededeling over de verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie van 10 november 2017 3 en het actieplan voor militaire mobiliteit dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid 4 op 28 maart 2018 hebben aangenomen, moet de EU-financiering van projecten voor tweeledig (civiel en militair) gebruik ten uitvoer worden gelegd via de CEF.

Voor energie ligt de nadruk op het voltooien van de trans-Europese energienetwerken door de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang met het oog op de verdere integratie van de interne energiemarkt en de interoperabiliteit van de netwerken over de grenzen en sectoren heen; duurzame ontwikkeling door de weg vrij te maken voor decarbonisatie, in het bijzonder door de integratie van hernieuwbare energiebronnen; en de continuïteit van de energievoorziening dankzij de digitalisering en de omschakeling naar slimme infrastructuur. De CEF draagt ook bij tot de kosteneffectieve verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 en de langetermijndoelstellingen op het gebied van decarbonisatie door de integratie van hernieuwbare energie dankzij de ontwikkeling van adequate infrastructuur en de ondersteuning van een beperkt aantal grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie.

Wat de digitale component betreft, zorgt de CEF ervoor dat alle burgers, bedrijven en overheden maximaal voordeel kunnen halen uit de digitale eengemaakte markt. De uitrol van goed beveiligde digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit ondersteunt alle innovatieve digitale diensten, waaronder geconnecteerde mobiliteit en andere diensten van algemeen belang. De faciliteit zorgt er bovendien voor dat alle belangrijke sociaaleconomische actoren zoals scholen, ziekenhuizen, vervoershubs, de belangrijkste aanbieders van openbare diensten en digitaal-intensieve bedrijven in 2025 toegang zullen hebben tot toekomstgeoriënteerde breedbandverbindingen (1 Gbid/seconde). De CEF zal ervoor zorgen dat het hele Europese grondgebied, met inbegrip van de ultraperifere regio’s, aangesloten wordt op het internet.

•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De overkoepelende doelstelling van de CEF is de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie in de vervoers-, energie- en digitale sector te ondersteunen, enerzijds door investeringen in projecten van gemeenschappelijk belang op de trans-Europese netwerken mogelijk te maken of te versnellen en anderzijds grensoverschrijdende samenwerking inzake de opwekking van hernieuwbare energie te bevorderen. Daarbij wordt gestreefd naar maximale synergieën tussen de CEF-sectoren onderling en met andere EU-programma’s.

In de vervoerssector draagt de CEF bij tot de langetermijndoelstellingen van de EU met betrekking tot de voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 5 en verdere stappen naar de voltooiing van het uitgebreide TEN-T tegen 2050. Dit omvat een transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit 6 , de uitrol van SESAR en het European Rail Traffic Management System (ERTMS) en de omslag naar een koolstofarme economie door middel van innovatieve infrastructuur, met tegen 2025 de ruggengraat van de Europese laadinfrastructuur.

In de energiesector levert de CEF een bijdrage tot de voltooiing van de prioritaire TEN-E-corridors en de thematische gebieden 7 overeenkomstig de doelstellingen van het pakket „Schone energie voor alle Europeanen” 8 , om het goed functioneren van de interne energiemarkt en de continuïteit van de voorziening te waarborgen (onder meer door in te zetten op de digitalisering en slimme infrastructuur) en bij te dragen aan duurzame ontwikkeling en de klimaatdoelstellingen dankzij de integratie van hernieuwbare energiebronnen.

Wat hernieuwbare-energiebronnen betreft, zal de CEF op kostenefficiënte wijze bijdragen aan de verwezenlijking van de voorgestelde EU-streefcijfers voor 2030 door in te zetten op een energietransitie en het mainstreamen van het beleid inzake hernieuwbare energie, inclusief sectorintegratie.

In de digitale sector draagt de CEF bij aan de totstandbrenging van de infrastructuur voor de digitale connectiviteit van de gigabitmaatschappij 9 , als onderliggende voorwaarde voor een goed werkende digitale eengemaakte markt 10 , en tot de uitrol van de digitale infrastructuur als solide basis voor de EU-brede digitale transformatie van de economie en samenleving.

•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Voor vervoer-, energie- en digitale infrastructuur worden verschillende steunpercentages voorzien via een aantal financiële programma’s en instrumenten van de EU, zoals de CEF, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, Horizon Europa, InvestEU en LIFE. Het is belangrijk om de verschillende financieringsprogramma’s en instrumenten van de Unie optimaal te gebruiken om de complementariteit en toegevoegde waarde van de door de Unie gesteunde investeringen te maximaliseren. Dit kan worden bereikt via een gestroomlijnd investeringsproces dat zorgt voor de zichtbaarheid van de portefeuille vervoersprojecten en de samenhang tussen de relevante EU-programma’s in nauwe samenwerking met de lidstaten.

De acties van het programma moeten worden gebruikt om markttekortkomingen of suboptimale investeringsvoorwaarden op evenredige wijze aan te pakken, zonder overlapping met of verdringing van particuliere financiering en met een duidelijke Europese toegevoegde waarde. Een en ander zal de coherentie tussen de acties van het programma en de staatssteunregels van de EU waarborgen, zodat onnodige verstoringen van de mededinging op de interne markt worden vermeden.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

•Rechtsgrondslag

De trans-Europese netwerken vallen onder artikel 170 van het VWEU, waarin als volgt is bepaald: […] de Unie [draagt] bij tot de totstandbrenging en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op het gebied van vervoers-, telecommunicatie- en energie-infrastructuur." Het recht van de EU om financiering te verlenen voor infrastructuur is vastgesteld in artikel 171, waarin bepaald is dat "de Unie steun kan verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, (…) met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies." In artikel 172 van het VWEU is als volgt bepaald: "De in artikel 171, lid 1, bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen worden door het Europees Parlement en de Raad vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's."

Het promoten van hernieuwbare energiebronnen valt onder artikel 194 VWEU, waarin dit expliciet als één van de doelstellingen van het Europese energiebeleid wordt genoemd. Aangezien grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie bijdragen tot een kosteneffectieve verwezenlijking van de voorgestelde EU-doelstelling voor 2030, moet het wetgevingsinstrument worden gebaseerd op artikel 194 VWEU.

Het wetgevingsinstrument en het type maatregel (bv. financiering) zijn allebei gedefinieerd in het VWEU, dat als rechtsgrondslag voor de CEF fungeert en waarin wordt verklaard dat de taken, de prioritaire doelstellingen en de organisatie van de trans-Europese netwerken bij verordeningen kunnen worden vastgesteld.

•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De omvang van de problemen die door de CEF worden aangepakt, vergt specifieke EU-maatregelen aangezien het om uitdagingen gaat die van nature een EU-dimensie hebben en die efficiënter op dat niveau kunnen worden aangepakt. Dat zorgt voor grotere baten, een snellere uitvoering en een lagere kostprijs als de lidstaten samenwerken. De investeringsbehoeften voor de TEN’s na 2020 zijn zeer groot en overstijgen de middelen die de lidstaten kunnen vrijmaken.

Projecten voor hernieuwbare energie zullen in de toekomst naar verwachting ook meer door de markt worden gefinancierd. Eventuele steun op dit gebied zou uitsluitend de kosten compenseren om de obstakels en het ontbreken van stimulansen voor samenwerking over de lidstaatgrenzen heen en/of tussen de lidstaten aan te pakken en/of de belemmeringen voor de integratie van sectoren weg te werken. Coördinatie tussen de lidstaten kan schaalvoordelen creëren, overlappingen tussen infrastructuur voorkomen, de uitrol van hernieuwbare energie in heel Europa bevorderen om beter in te spelen op het aanwezige potentieel en bijdragen aan convergentie en derhalve een verdere marktintegratie, kennisoverdracht en marktintroductie en verspreiding van innovatieve technologieën in de Europese thuismarkt.

•Evenredigheid

Het voorstel voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en valt binnen de werkingssfeer van het optreden op het gebied van trans-Europese netwerken, als omschreven in artikel 170 VWEU en artikel 194 VWEU voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie. De voorgestelde actie is expliciet beperkt tot de Europese dimensie van de vervoers-, energie-, en digitale infrastructuur en de grensoverschrijdende invoering van hernieuwbare energie.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

•Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Volgens de huidige CEF-verordening 11 moest de Commissie in samenwerking met de lidstaten en de betrokken begunstigden een verslag 12 indienen bij het Europees Parlement en de Raad over de tussentijdse evaluatie van de CEF. Dit verslag is op 13 februari 2018 door de Commissie goedgekeurd en ging vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD). Daarin werden de algemene prestaties van het programma getoetst aan zijn algemene en sectorale doelstellingen, en vergeleken met de resultaten van nationale of EU-initiatieven. Overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor betere regelgeving is de evaluatie verricht aan de hand van vijf criteria: doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, coherentie en EU-meerwaarde.

In het algemeen luidden de conclusies van de tussentijdse evaluatie van de CEF als volgt:

“Uit de evaluatie is gebleken dat de CEF na drie en een half jaar op schema ligt. Gezien het vroege uitvoeringsstadium van het programma is het echter veel te vroeg om de resultaten te meten. Bovendien is gebleken dat het in de verordening opgenomen prestatiekader niet over welomschreven of robuuste indicatoren beschikt. Met dit voorbehoud in gedachten, kan uit de evaluatie het volgende worden afgeleid:

·de CEF is een doeltreffend en doelgericht instrument voor investeringen in de trans-Europese infrastructuur (TEN) voor vervoer, energie en de digitale sector. Sinds 2014 is 25 miljard euro geïnvesteerd, wat in totaal ongeveer 50 miljard euro aan investeringen in infrastructuur in de EU heeft opgeleverd. De CEF draagt bij tot de prioriteiten van de Commissie op het vlak van werkgelegenheid, groei en investeringen, de interne markt, de energie-unie, het klimaat en de digitale eengemaakte markt. Op die manier versterkt de CEF het concurrentievermogen van de Europese economie en draagt zij bij tot haar modernisering.

·De CEF levert een grote Europese toegevoegde waarde voor alle lidstaten door de ondersteuning van connectiviteitsprojecten met een internationale dimensie. De meeste middelen worden toegekend voor projecten die ontbrekende schakels aanvullen en knelpunten wegwerken, en die gericht zijn op de goede werking van de interne markt van de EU en de territoriale samenhang tussen de lidstaten in de vervoers-, energie- en digitale sector. Energieprojecten zorgen ook voor voorzieningszekerheid en zijn cruciaal voor het kosteneffectief koolstofarm maken en moderniseren van de economie. De CEF speelt ook een grote rol in de uitrol van EU-brede nieuwe systemen voor verkeersbeheer en verkeersveiligheid (bv. SESAR voor de luchtvaart en ERTMS voor het spoor), krachtige elektriciteitsleidingen en slimme netwerken voor de snelle integratie van hernieuwbare koolstofarme energiebronnen en de uitrol van breedband en onderling verbonden digitale diensten (zoals open data, e-gezondheid, e-aanbestedingen, e-identificatie en e-handtekeningen).

·Het rechtstreekse beheer van CEF-subsidies is zeer efficiënt gebleken, met een sterke projectenpijplijn, een competitieve selectieprocedure, aandacht voor de beleidsdoelstellingen van de EU, een gecoördineerde uitvoering en de volledige betrokkenheid van de lidstaten. Het uitvoerend agentschap INEA heeft een zeer goede reputatie wat betreft het financieel beheer van de CEF en de optimalisering van de begroting. Dat is vooral te danken aan de flexibiliteit die het aan de dag legt bij het snel herbestemmen van niet uitgegeven middelen voor de financiering van nieuwe acties.

·Voor het eerst is een deel van de middelen voor cohesiebeleid (11,3 miljard euro voor vervoer) aangewend onder rechtstreeks beheer in het kader van de CEF. Alle middelen werden toegekend in de eerste helft van de programmaperiode, bijna uitsluitend voor duurzame vervoerswijzen. De middelen konden snel worden toegewezen dankzij gerichte technische bijstand, lagere administratieve kosten voor de lidstaten, duidelijke financieringsprioriteiten en een gezonde pijplijn van projecten en studies die vroeger werden gesteund door het TEN-T-programma of de instrumenten van het cohesiebeleid en nu in het kader van de CEF worden voortgezet.

·De CEF heeft bijgedragen tot het gebruik en de ontwikkeling van innovatieve financieringsinstrumenten, die echter niet vaak werden ingezet omdat het Europees Fonds voor strategische investeringen nieuwe mogelijkheden bood. Naar verwacht zullen de financiële instrumenten van de CEF meer worden gebruikt in de tweede helft van het programma, als de complementariteit tussen CEF-specifieke financieringsinstrumenten en het EFSI verzekerd zal zijn.” Het Connecting Europe breedbandfonds bouwt voort op de CEF- en EFSI-bijdragen en zal naar verwachting in 2018 operationeel worden voor de financiering van de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit in gebieden met weinig dekking, hetgeen een belangrijk hefboomeffect genereert. 

·“In 2017 werden bij een oproep tot het indienen van vervoersprojecten voor het eerst subsidies gemengd met financieringsinstrumenten, zodat subsidies konden worden gebruikt om zoveel mogelijk private of openbare middelen aan te trekken. De ervaring was heel positief: er werd 2,2 miljard euro aan financiering gevraagd voor een oproep met een indicatief budget van 1 miljard euro.

·Ten minste 20 % van de totale EU-begroting moet worden gespendeerd aan de strijd tegen de klimaatverandering; de CEF-uitgaven op het vlak van vervoer en energie dragen in hoge mate bij tot het behalen van dat streefpercentage.” In de sector energie ging meer dan 50 % van de CEF-middelen voor energie naar elektriciteitstransport en slimme netten als bijdrage tot de energietransitie.

·“In de telecommunicatiesector heeft de dubbele focus van de CEF op internationale digitale diensten van algemeen belang en op communicatie- en computerinfrastructuur aangetoond dat het programma een belangrijke invloed heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt, waardoor burgers en bedrijven in heel Europa toegang krijgen tot digitale diensten van hoge kwaliteit. De faciliteit heeft bijgedragen tot de ontwikkeling en uitvoering van gemeenschappelijke beleidslijnen voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen, waaronder de overgang naar een digitale gezondheidszorg, cyberbeveiliging en de digitalisering van overheden. Vanwege de beperkte middelen kan in het kader van de CEF-Telecom alleen steun worden verleend voor de allereerste stappen naar een volledige grensoverschrijdende digitale infrastructuur voor diensten van openbaar belang.” Gezien de beperkte middelen voor breedband in het kader van de CEF ten opzichte van de omvang van de investeringskloof, moest het programma op innovatieve wijze worden uitgevoerd en moest worden gestreefd naar een maximaal hefboomeffect om de effectiviteit te waarborgen. Echter, vanwege de ingewikkelde opzet van specifieke financiële instrumenten, zullen de investeringen op het terrein pas in een laat stadium van de programmauitvoering plaatsvinden.

·“De CEF heeft ook sectoroverschrijdende synergieën onderzocht, maar botste daarbij op de beperkingen van het huidige juridische en budgettaire kader. De flexibiliteit van de sectorale beleidsrichtsnoeren en het CEF-instrument moet worden vergroot om synergieën te faciliteren en beter te kunnen inspelen op nieuwe technologische ontwikkelingen en prioriteiten zoals digitalisering, de decarbonisatie te versnellen en gemeenschappelijke maatschappelijke problemen aan te pakken, zoals cyberbeveiliging.

·Om de TEN’s overeenkomstig de beleidsprioriteiten van de EU te voltooien, zijn nog steeds aanzienlijke investeringen nodig, die deels afhankelijk zijn van voortgezette EU-steun. Door de beperkte omvang van de CEF kunnen op dit moment slechts een deel van de vastgestelde markttekortkomingen in de drie sectoren worden aangepakt. Er kan meer openbare en private financiering worden aangetrokken als er extra EU-geld beschikbaar wordt gesteld om markttekortkomingen aan te pakken.”

Het voorstel om ook CEF-financiering te verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie wordt ondersteund door relevante resultaten van de REFIT-evaluatie van de richtlijn hernieuwbare energie van 2016 13 . 

•Raadpleging van belanghebbenden

Als onderdeel van een reeks openbare raadplegingen over het volledige spectrum van de toekomstige EU-financiering ging op 10 januari 2018 een openbare onlineraadpleging van start. Die liep gedurende 8 weken, tot 9 maart 2018. De publieke raadpleging had betrekking op de volledige financiering van strategische infrastructuur (met inbegrip van de CEF, Galileo en ITER), maar meer dan 96 % van de antwoorden gingen over de CEF.

In het algemeen bevestigden belanghebbenden hun steun voor het CEF-programma en wezen zij op zijn cruciale rol voor de voltooiing van de TEN’s, het stimuleren van economische groei en werkgelegenheid in de EU en de omschakeling naar een koolstofarme en vanuit klimaatoogpunt veerkrachtige economie en maatschappij. De belanghebbenden waren voorstander van meer flexibiliteit in het nieuwe programma om verdere synergieën tussen de drie sectoren te bevorderen.

Respondenten in de vervoerssector onderstreepten het belang van de CEF voor het faciliteren van grensoverschrijdende projecten en het wegwerken van knelpunten en missing links.

In de antwoorden in verband met energie werd zeer vaak bevestigd hoe belangrijk de bijdrage van de CEF was voor de voltooiing van het trans-Europese infrastructuurnetwerk voor energie en bij uitbreiding voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-unie ten behoeve van alle Europeanen. De transitie naar een koolstofarme economie kreeg de hoogste score als toekomstige uitdaging.

Belanghebbenden drongen aan op extra middelen om meer vaart te zetten achter de digitalisering en het koolstofvrij maken van de energie- en vervoersector en om tegelijk de connectiviteit in de hele EU te vergroten.

In verband met de digitale component benadrukten de respondenten de centrale rol van breedbandverbindingen als katalysator voor de economische en sociale ontwikkeling in de hele samenleving en de verschillende sectoren. Teneinde het concurrentievermogen van de EU te vergroten, drongen zij aan op meer investeringen in connectiviteit en 5G, hetgeen de economische prestaties ten goede zou komen, werkgelegenheid zou scheppen en zou bijdragen aan een kwaliteitssprong in de overgang naar een digitale samenleving.

De belanghebbenden gaven ook nuttige feedback over de gebieden waarop nog behoefte is aan verbetering of ontwikkeling. Dit wordt verder toegelicht in het verslag van de raadpleging in bijlage 2 van de begeleidende effectbeoordeling.

•Effectbeoordeling

Het voorstel van de Commissie is gebaseerd op een effectbeoordeling, die op 21 maart 2018 is voorgelegd aan de Raad voor regelgevingstoetsing en waarover die Raad een positief advies met een voorbehoud (ref. "MFF – CEF") heeft uitgebracht. De Raad drong aan op een betere beschrijving van de regelingen voor het toezicht op en de evaluatie van het programma, een betere toelichting van de coherentie met andere EU-programma’s en nadere toelichting van de manier waarop de uitbreiding van de werkingssfeer van het programma het grensoverschrijdend karakter van de CEF versterkt. De aanbevelingen die de Raad in zijn advies heeft gedaan, zijn verwerkt in de definitieve versie van het effectbeoordelingsverslag 14 .

Overeenkomstig de algemene aanpak voor alle MFK-gerelateerde effectbeoordelingen, werd in de effectbeoordeling voor de CEF gefocust op de wijzigingen en beleidskeuzes in het wetgevingsvoorstel. In het verslag wordt met name toelichting gegeven bij de structuur en prioriteiten van de voorgestelde voortzetting van het CEF-programma en gekeken welke opties een optimaal resultaat opleveren. In het verslag van de effectbeoordeling werd voortgebouwd op de lering die is getrokken uit de huidige CEF en de recente tussentijdse evaluatie van de CEF, die als belangrijkste bron van gegevens is gebruikt (in aanvulling op de resultaten van de openbare raadpleging in het kader van een reeks openbare raadplegingen over het volledige spectrum van de toekomstige EU-financiering en gericht overleg met belanghebbenden over synergieën en hernieuwbare energie).

Aan de hand van de opgedane ervaring en gelet op de nieuwe uitdagingen en ontwikkelingen (met name inzake digitalisering) is nagegaan of de doelstellingen voor de voortzetting van het programma moesten worden bijgestuurd. De uitdagingen voor het nieuwe CEF-programma werden beschreven en er is onderzocht hoe de CEF zou kunnen bijdragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van het MFK, zoals vereenvoudiging, meer flexibiliteit en betere prestaties. De structuur en de prioriteiten, de kalibratie met de huidige CEF en het verwachte uitvoeringsmechanisme werden besproken in het licht van de daadwerkelijke verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen. Alternatieve opties voor de tenuitvoerlegging werden beoordeeld, met name in het licht van de uitbreiding van de werkingssfeer van het programma, zowel voor de digitale pijler als voor de grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie.



In de effectbeoordeling is ook gezocht naar opties en mogelijkheden om de synergieën tussen de sectoren van het programma te versterken. Er is specifiek nagegaan of gezamenlijke werkprogramma’s kunnen worden vastgesteld die specifieke prioriteiten van verschillende sectoren bestrijken en komaf maken met de obstakels die synergieën in de huidige periode in de weg stonden, met name wat betreft de regels inzake subsidiabiliteit.

Het voorstel van de Commissie is een exacte vertaling van de optie die in de effectbeoordeling als beste naar voren kwam.

•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Als onderdeel van de algemene vereenvoudigingsmaatregelen van de Commissie in het kader van het MFK voor de periode na 2020, zullen de algemene vereenvoudigingsinspanningen ook een impact hebben op de uitvoering van de CEF. De Commissie gaf het startschot voor de voorbereiding van het volgende MFK met de publicatie van het Witboek over de toekomst van Europa in maart 2017. De volgende stappen waren de publicatie van de discussienota over de toekomst van de EU-financiën in juni 2017 en de richtsnoeren over vereenvoudigde basisbesluiten voor programma’s, die in november/december 2017 door DG BUDG zijn gepubliceerd. De resultaten van dit politieke proces zorgden voor een top-down-sturing voor het volgende MFK, hetgeen een invloed zal hebben op de opzet van de CEF voor de programmeringsperiode na 2020.

In het algemeen is de vereenvoudiging van de CEF-verordening voor de periode na 2020 gebeurd overeenkomstig de hierboven beschreven horizontale richtsnoeren. Dat spoort met alle andere financieringsprogramma’s en zal derhalve gevolgen hebben voor de nieuwe CEF en met name de vereenvoudiging van kostenopties, medefinancieringspercentages, betrokkenheid van belanghebbenden, de ontwikkeling van programmadoelstellingen, monitoring en verslaglegging. Voorts wordt het juridisch kader van de CEF verder vereenvoudigd middels het stroomlijnen van de CEF-verordening en de mogelijkheid om voorwaarden en voorschriften te delegeren aan werkprogramma’s, waardoor verdere synergieën tussen de drie sectoren worden gefaciliteerd en de CEF in staat wordt gesteld in te spelen op toekomstige behoeften.

De vereenvoudiging van het programma zal de regelgevingsdruk en de nalevingskosten voor de belanghebbenden die bij het programma zijn betrokken doen dalen en dus een positief effect hebben op het Europees concurrentievermogen van de betrokken sectoren. Dit maakt tevens de weg vrij voor een verdere digitalisering overeenkomstig de richtsnoeren voor betere regelgeving en overeenkomstig de digitale ondersteuning die reeds beschikbaar is voor de uitvoering van het programma (TENtec-informatiesysteem).

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel van de Commissie voor de Connecting Europe Facility voorziet in de volgende bedragen:

Connecting Europe Facility 2021-2027

(bedragen in lopende prijzen – EUR)

Vervoer:

Met inbegrip van:

Algemene middelen

Bijdrage uit het Cohesiefonds:

Steun voor militaire mobiliteit:

30 615 493 000

12 830 000 000

11 285 493 000

6 500 000 000

Energie

8 650 000 000

Digitalisering

3 000 000 000

Totaal

42 265 493 000

Op basis van de positieve ervaringen met de uitvoering van het huidige CEF-programma, stelt de Commissie voor om de uitvoering van het nieuwe programma, voor de drie CEF-sectoren, voort te zetten met direct beheer door de Europese Commissie en het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA).

Zoals beschreven in het financieel memorandum, dekt de voorgestelde begroting alle noodzakelijke operationele uitgaven voor de uitvoering van het programma, alsmede de personeelskosten en andere administratieve uitgaven voor het beheer van het programma.

5.OVERIGE ELEMENTEN

•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De uitvoering van het programma wordt gedelegeerd aan het INEA, met uitzondering van bepaalde programmaondersteunende acties die rechtstreeks door de bevoegde directoraten-generaal zullen worden beheerd.

In de tussentijdse evaluatie 15 van de huidige CEF 2014-2020 werd gesteld dat "het rechtstreekse beheer van CEF-subsidies zeer efficiënt is gebleken, met een sterke projectenpijplijn, een competitieve selectieprocedure, aandacht voor de beleidsdoelstellingen van de EU, een gecoördineerde uitvoering en de volledige betrokkenheid van de lidstaten. Het uitvoerend agentschap INEA geniet een zeer goede reputatie wat betreft het financieel beheer van de CEF en de optimalisering van de begroting. Dat is vooral te danken aan de flexibiliteit die het aan de dag legt bij het snel herbestemmen van niet uitgegeven middelen voor de financiering van nieuwe acties.”

Daarom wordt voorgesteld om het huidige uitvoeringsmechanisme te handhaven. Wel wordt gezorgd voor een vereenvoudiging en meer flexibiliteit.

Ten opzichte van de CEF 2014-2020, wordt een eenvoudiger maar robuuster prestatiekader gecreëerd om erop toe te zien dat de doelstellingen van het programma worden verwezenlijkt en dat het programma bijdraagt aan de doelstellingen van het EU-beleid. De indicatoren om toe te zien op de tenuitvoerlegging en voortgang van het programma hebben met name betrekking op:

·Efficiënte en onderling verbonden netwerken en infrastructuur voor slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit alsmede de aanpassing aan de militaire mobiliteitsbehoeften;

·bijdrage aan betere onderlinge verbindingen en integratie van de markten, de continuïteit van de energievoorziening en duurzame ontwikkeling door de decarbonisatie mogelijk te maken; bijdrage aan grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie;

·bijdragen tot de uitrol van infrastructuur voor digitale connectiviteit in de hele EU.



Het INEA zal tijdens de uitvoering en evaluatie van de ondersteunde acties de nodige gegevens verzamelen. Daartoe worden in de voorwaarden voor het aanvragen van een subsidie en de modelsubsidieovereenkomst evenredige eisen opgenomen voor aanvragers en begunstigden om de nodige gegevens te verstrekken.

De Commissie zal een tussentijdse en een ex-post evaluatie uitvoeren om de efficiency, effectiviteit, relevantie, samenhang en meerwaarde van het programma te beoordelen overeenkomstig artikel 34, lid 3, van het Financieel Reglement.

De Commissie zal de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen meedelen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

•Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 – Voorwerp

Dit artikel beschrijft het voorwerp van de verordening, namelijk de invoering van de CEF.

Artikel 2 – Definities

In dit artikel staan de definities van de verordening.

Artikel 3 – Doelstellingen

In dit artikel wordt de algemene doelstelling van het programma beschreven, met de nadruk op synergieën tussen de vervoers-, energie- en digitale sector, aangevuld met specifieke doelstellingen voor elke sector.

Artikel 4 – Begroting

In dit artikel is de totale begroting voor het programma vastgesteld. De begroting is onderverdeeld in vervoer (m.i.v. overdrachten uit het Cohesiefonds en steun voor militaire mobiliteit van de cluster defensie), energie en digitalisering.

Dit artikel bevat tevens een bepaling ter dekking van de noodzakelijke uitgaven voor plannings-, monitorings-, controle-, audit-, evaluatie- en andere activiteiten; noodzakelijke studies, vergaderingen van deskundigen, IT-instrumenten, en andere technische en administratieve bijstand die noodzakelijk is voor het beheer van het programma.

In dit artikel is ook bepaald dat de uitgaven voor acties vanaf 1 januari 2021 subsidiabel zijn via de eerste werkprogramma’s.

In dit artikel is bepaald dat de nationale toewijzingen 70 % van de overdracht van het Cohesiefonds in de vervoersector zullen vertegenwoordigen en dat dit aandeel tot en met 31 december 2023 gehandhaafd wordt. Bovendien wordt bepaald dat de lidstaten kunnen verzoeken dat de onder gedeeld beheer aan hen toegewezen middelen worden overgedragen naar de CEF.

Artikel 5 – Deelname van derde landen aan het programma

Dit artikel bevat de voorwaarden waaronder derde landen aan het programma kunnen deelnemen.

Artikel 6 – Uitvoering en vormen van EU-financiering

In dit artikel wordt de beheersmethode van de CEF gedefinieerd als direct beheer in de vorm van subsidies en overheidsopdrachten, alsook in de vorm van financiële instrumenten in het kader van blendingverrichtingen. De uitvoering van het programma kan worden gedelegeerd aan een uitvoerend agentschap.

Artikel 7 – Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Dit artikel heeft betrekking op de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie en de specifieke subsidiabiliteitscriteria voor dergelijke projecten.

Artikel 8 – Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit.

Dit artikel betreft de selectie van infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit en de specifieke subsidiabiliteits- en prioriteitscriteria voor de ondersteuning van die projecten via het programma.

Artikel 9 – Subsidiabele acties

In dit artikel wordt voor elke specifieke doelstelling bepaald welke acties in aanmerking komen voor financiële bijstand uit hoofde van de verordening.

Dit artikel omvat een bepaling die ruimte laat voor flexibiliteit voor acties die niet alleen bijdragen aan de specifieke doelstellingen van het programma maar ook bijdragen aan het faciliteren van synergieën tussen de vervoers-, energie- en digitale sector.

Artikel 10 – Synergieën

Dit artikel bevat de bepalingen die van toepassing zijn op sectoroverschrijdende synergieacties via hetzij sectoroverschrijdende werkprogramma’s, hetzij medefinanciering van aanvullende onderdelen bij een actie mits bepaalde in dit artikel genoemde voorwaarden zijn vervuld.

Artikel 11 – Subsidiabele entiteiten

In dit artikel zijn de criteria vastgesteld waaronder personen en entiteiten een beroep kunnen doen op het programma. In het artikel is bepaald dat in werkprogramma’s aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen, zoals de instemming van de lidstaat met het voorstel.

Artikel 12 – Subsidies

In dit artikel is bepaald dat CEF-subsidies worden toegekend en beheerd overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 13 – Selectiecriteria

Dit artikel bevat voor de drie sectoren gemeenschappelijke bepalingen inzake de selectiecriteria voor de beoordeling van een voorstel.

Het artikel bevat specifieke voorschriften waardoor in de vervoerssector beter rekening kan worden gehouden met de corridoraanpak en, in voorkomend geval, met de werkplannen voor de corridors en uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en met het advies van de verantwoordelijke Europese coördinator uit hoofde van artikel 45, lid 8, van diezelfde verordening.

Artikel 14 – Medefinancieringspercentage

In dit artikel zijn voor alle sectoren de maximale medefinancieringspercentages vastgesteld. Er zijn ook maximale medefinancieringspercentages vastgesteld voor sectoroverschrijdende werkprogramma’s die meer dan één sector bestrijken teneinde synergieën te bevorderen.

Dit artikel voorziet ook in een afwijking voor de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen.

Artikel 15 – Subsidiabele kosten

Dit artikel bevat de subsidiabiliteitscriteria voor kosten, die bovenop artikel 186 van het Financieel Reglement van toepassing zijn.

Artikel 16 – Combinatie van subsidies met andere financieringsbronnen

Dit artikel creëert de mogelijkheid om subsidies te combineren met financiering door de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken, andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, al dan niet via publiek-private partnerschappen.

Artikel 17 – Verlaging of beëindiging van subsidies

Om een goed financieel beheer te waarborgen en de risico’s die voortvloeien uit grote vertragingen bij omvangrijke infrastructuurprojecten te beperken, is in dit artikel bepaald onder welke voorwaarden subsidies kunnen worden verminderd of ingetrokken. Dat is het geval indien de actie binnen één jaar na de in de subsidieovereenkomst vermelde aanvangsdatum nog niet is gestart of indien uit een voortgangsevaluatie van de actie blijkt dat de uitvoering van de actie zoveel vertraging heeft opgelopen dat de doelstellingen van de actie waarschijnlijk niet zullen worden gehaald.

Artikel 18 – Cumulatieve, aanvullende en gecombineerde financiering

Op grond van dit artikel kan voor een actie waaraan in het kader van het programma steun is toegekend, ook een bijdrage worden toegekend uit een ander EU-programma voor zover die bijdragen niet dezelfde kosten dekken.

Dit artikel biedt de mogelijkheid een voorgestelde maatregel die in het kader van de CEF positief is beoordeeld maar waarvoor geen budgetten beschikbaar zijn te financieren uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) of het Cohesiefonds.

Artikel 19 – Werkprogramma

In dit artikel is bepaald dat het programma wordt uitgevoerd middels door de Commissie via uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure vastgestelde werkprogramma’s.

Artikel 20 – Monitoring en rapportering

Dit artikel regelt de link met de bijlage waarin de indicatoren voor de monitoring van het CEF-programma zijn opgenomen. Op grond van dit artikel kunnen die indicatoren worden gewijzigd door middel van een gedelegeerde handeling. Bovendien zal een monitoring- en evaluatiekader worden ontwikkeld om na te gaan welke voortgang het programma boekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.

Artikel 21 – Evaluatie

Op grond van dit artikel dient de Commissie een tussentijdse en een ex-postevaluatie van het programma uit te voeren en de conclusies daarvan, aangevuld met haar bemerkingen, mee te delen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 22 – Comitéprocedure

Dit artikel voorziet in de oprichting van het CEF-Coördinatiecomité als bedoeld in Verordening (EU) nr. 182/2011. Voorts wordt gespecificeerd dat de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing is.

Artikel 23 – Gedelegeerde handelingen

Dit artikel verleent de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de delen I, II, III, IV en V van de bijlage.

Artikel 24 – Uitoefening van de delegatie

Dit artikel bevat standaardbepalingen inzake de delegatie van bevoegdheden.

Artikel 25 – Informatie, communicatie en publiciteit

Dit artikel verplicht ontvangers van CEF-financiering om de zichtbaarheid van EU-financiering voor hun acties te waarborgen; de Commissie dient te communiceren over de CEF-acties en resultaten.

Artikel 26 – Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Dit artikel heeft betrekking op de bevoegdheid van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer in verband met derde landen die met het programma zijn geassocieerd.

Artikel 27 – Intrekkings- en overgangsbepalingen

Bij dit artikel worden de voormalige CEF-verordening (Verordening (EU) nr. 1316/2013) en Verordening (EU) nr. 283/2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur ingetrokken.

Het bevat eveneens overgangsbepalingen met betrekking tot de CEF-acties en technische en administratieve bijstand.



Artikel 28 – Inwerkingtreding

Op grond van dit artikel is de verordening van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Bijlage — deel I — Indicatoren

Dit deel van de bijlage bevat de lijst van indicatoren die worden gebruikt om de voortgang van het programma te monitoren en te toetsen aan zijn algemene en specifieke doelstellingen.

Bijlage — deel II — Indicatieve percentages voor de vervoerssector

Dit deel van de bijlage bevat indicatieve percentages voor de verdeling van de middelen in de sector vervoer.

Bijlage — deel III — Kernnetwerkcorridors voor en vooraf geselecteerde delen; Vooraf geselecteerde delen van het uitgebreide netwerk

Dit deel van de bijlage beschrijft het tracé van de kernnetwerkcorridors, met inbegrip van de vooraf geselecteerde delen, en bevat een indicatieve lijst van grensoverschrijdende trajecten van het uitgebreide netwerk.

Bijlage – deel IV – Selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Dit deel van de bijlage bevat de criteria en de procedure voor de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Bijlage — deel V — Infrastructuurprojecten van algemeen belang ten behoeve van de digitale connectiviteit

Dit deel van de bijlage bevat een indicatieve lijst van de vooraf geselecteerde projecten van gemeenschappelijk belang ten behoeve van de digitale connectiviteit.

2018/0228 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 172 en 194,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 16 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 17 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Om slimme, duurzame en inclusieve groei te creëren en de jobcreatie te bevorderen, heeft de Unie behoefte aan een moderne, hoogwaardige vervoers-, energie- en telecommunicatie-infrastructuur die alle regio’s van de Unie met elkaar verbindt en integreert. Die verbindingen moeten het vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten ten goede komen. De trans-Europese netwerken moeten grensoverschrijdende verbindingen faciliteren, voor een sterkere economische, maatschappelijke en territoriale cohesie zorgen en bijdragen aan een meer concurrerende sociale markteconomie en aan de strijd tegen de klimaatverandering.

(2)De Connecting Europe Facility (CEF, "het programma") heeft tot doel de investeringen in trans-Europese netwerken te versnellen en via een hefboomeffect financiële middelen uit de publieke en particuliere sector aan te trekken; tegelijk moet de CEF meer rechtszekerheid bieden en het beginsel van technologische neutraliteit in acht nemen. Het programma moet ervoor zorgen dat synergieën tussen de vervoers-, energie- en digitale sector optimaal worden benut, waardoor het EU-optreden meer effect sorteert en de uitvoeringskosten kunnen worden geoptimaliseerd.

(3)Het programma moet gericht zijn op de ondersteuning van de klimaatverandering, milieuvriendelijke en sociaal duurzame projecten en, in voorkomend geval, acties voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering. Met name de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de voorgestelde klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de langetermijndoelstelling op het gebied van decarbonisatie moet worden versterkt.

(4)Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, moeten klimaatmaatregelen in deze verordening worden geïntegreerd met het oog op de algemene doelstelling om 25 % van de EU-begroting te spenderen aan maatregelen die bijdragen tot de klimaatdoelstellingen 18 . Acties in het kader van dit programma moeten ertoe bijdragen dat 60 % van de begroting van het programma wordt besteed aan klimaatdoelstellingen, onder meer op basis van de volgende Rio-indicatoren: i) 100 % van de uitgaven voor spoorweginfrastructuur, alternatieve brandstoffen, schoon stadsvervoer, transport en opslag van elektriciteit, slimme netwerken, CO2-transport en hernieuwbare energie; ii) 40 % van de uitgaven voor de binnenvaart en multimodaal vervoer, en gasinfrastructuur die meer mogelijkheden creëert om gebruik te maken van hernieuwbare waterstof of biomethaan. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het programma worden vastgesteld en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de relevante evaluatie- en herzieningsprocedures. Om te voorkomen dat infrastructuur kwetsbaar is voor de langetermijneffecten van de klimaatverandering en ervoor te zorgen dat in de economische evaluatie van een project rekening wordt gehouden met de kosten van broeikasgasemissies die dat project genereert, moeten door het programma gesteunde projecten aan een klimaattoets worden onderworpen overeenkomstig richtsnoeren die door de Commissie moeten worden ontwikkeld in samenhang met de voor andere EU-programma’s opgestelde richtsnoeren.

(5)Om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van artikel 11, onder c) van Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG, met betrekking tot de besteding van EU-middelen voor de ondersteuning van de maatregelen om aan de doelstellingen van die richtlijn te voldoen, wordt een overzicht bijgehouden van de uitgaven voor het terugdringen van de uitstoot of luchtverontreiniging in het kader van deze richtlijn.

(6)Een belangrijke doelstelling van dit programma is meer synergieën tot stand brengen tussen de vervoers-, energie- en digitale sector. Daartoe moet het programma voorzien in de vaststelling van sectoroverschrijdende werkprogramma’s met een focus op specifieke gebieden zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit of alternatieve brandstoffen. Voorts zou het programma binnen elke sector moeten toestaan dat aanvullende componenten uit een andere sector in aanmerking worden genomen wanneer een dergelijke aanpak ervoor zorgt dat de investering meer sociaaleconomische voordelen oplevert. Synergieën tussen sectoren moeten worden aangemoedigd door de gunningscriteria voor de selectie van acties.

(7)In de bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad 19 vastgestelde TEN-T-richtsnoeren (hierna: de TEN-T-richtsnoeren) is beschreven welke infrastructuur tot het TEN-T behoort, is gespecificeerd aan welke eisen moet worden voldaan en zijn tenuitvoerleggingsmaatregelen vastgesteld. Die richtsnoeren voorzien met name in de voltooiing van het kernnetwerk tegen 2030 door middel van de aanleg van nieuwe infrastructuur en een ingrijpende opwaardering en rehabilitatie van de bestaande infrastructuur.

(8)Met het oog op de verwezenlijking van de in de TEN-T-richtsnoeren vastgestelde doelstellingen moet prioriteit worden gegeven aan steun voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links en moet, indien van toepassing, worden gewaarborgd dat de gefinancierde acties consistent zijn met de werkplannen voor de corridors die zijn vastgesteld op grond van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en met de algemene ontwikkeling van het netwerk op het gebied van prestaties en interoperabiliteit.

(9)Om in te spelen op de groeiende vervoersstromen en de ontwikkeling van het netwerk, moeten de afbakening van de kernnetwerkcorridors en de vooraf geselecteerde delen daarvan worden aangepast. Die aanpassingen moeten evenredig zijn om de samenhang en de efficiency van de corridorontwikkeling en -coördinatie te waarborgen. Om die reden mag de lengte van de kernnetwerkcorridors niet met meer dan 15 % toenemen.

(10)Investeringen in slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit in de hele Unie moeten worden gepromoot. In 2017 heeft de Commissie „Europa in beweging” 20 voorgesteld, een breed scala aan initiatieven om het verkeer veiliger te maken, slimme kilometerheffingen aan te moedigen, de CO2 -uitstoot, luchtvervuiling en congestie terug te dringen, geconnecteerde en autonome mobiliteit te promoten en correcte arbeidsvoorwaarden en rusttijden voor werknemers te waarborgen. Waar relevant moet voor die initiatieven in het kader van dit programma EU-steun worden verleend.

(11)In de herziene TEN-T-richtsnoeren is met betrekking tot nieuwe technologieën en innovatie voorgeschreven dat het TEN-T de decarbonisatie van alle vervoerswijzen mogelijk moet maken door energie-efficiëntie en het gebruik van alternatieve brandstoffen te stimuleren. Bij Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad 21 is een gemeenschappelijk kader met maatregelen voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de Unie gecreëerd teneinde de olieafhankelijkheid van vervoersmiddelen te minimaliseren en de milieu-impact van vervoer te beperken en zijn de lidstaten verplicht tegen 31 december 2025 openbare laad- en tankstations beschikbaar te stellen. Zoals de Commissie in haar voorstellen van november 2017 22 heeft toegelicht, is er behoefte aan een uitgebreid pakket maatregelen om emissieluwe mobiliteit te promoten, met financiële steun voor situaties waarin de markt onvoldoende stimulansen biedt.

(12)In het kader van haar mededeling over duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, schoon en geconnecteerd 23 , heeft de Commissie benadrukt dat voertuigen dankzij automatisering en geavanceerde connectiviteitssystemen veiliger, gemakkelijker te delen en toegankelijker zullen worden voor alle burgers, ook voor hen die op dit moment geen toegang hebben tot mobiliteitsdiensten, zoals ouderen of gehandicapten. In dit kader heeft de Commissie ook een „Strategisch Actieplan Verkeersveiligheid” en een herziening van Richtlijn 2008/96/EG inzake het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur voorgesteld.

(13)Om bij te dragen aan de voltooiing van vervoersprojecten in de minder ontwikkelde delen van het netwerk, moeten toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds aan het programma worden overgedragen ter financiering van vervoersprojecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds. In een eerste fase en tot maximum 70 % van de overgedragen middelen, moeten bij de selectie van projecten die voor financiering in aanmerking komen, de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds in acht worden genomen. De resterende 30 % van de overgedragen middelen moet op concurrerende basis worden toegewezen aan projecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds, met voorrang voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links. De Commissie dient de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds te ondersteunen bij hun inspanningen om een adequate geschikte projectenpijplijn te ontwikkelen, met name door de institutionele capaciteit van de betrokken overheden te versterken.

(14)Na de gezamenlijke mededeling van 10 november 2017 over de verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie 24 , werd er in het actieplan voor militaire mobiliteit dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid 25 op 28 maart 2018 hebben aangenomen, op gewezen dat het EU-beleid inzake vervoersinfrastructuur duidelijke kansen biedt om de synergieën tussen de defensiebehoeften en het TEN-T te versterken. In het Actieplan wordt de Raad opgeroepen tegen medio 2018 de militaire eisen inzake vervoersinfrastructuur te onderzoeken en te valideren en wordt aangekondigd dat de diensten van de Commissie uiterlijk in 2019 zullen bepalen welke delen van het trans-Europees vervoersnet geschikt zijn voor militair vervoer, met inbegrip van de nodige aanpassingen van bestaande infrastructuur. EU-financiering voor de uitvoering van projecten voor tweeërlei gebruik moet door het programma ten uitvoer worden gelegd op basis van specifieke werkprogramma’s met vermelding van de toepasselijke eisen als gedefinieerd in het kader van het actieplan.

(15)In haar mededeling „Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU” 26 heeft de Commissie gewezen op de specifieke vervoersbehoeften van de ultraperifere regio’s en gesteld dat EU-middelen moeten worden vrijgemaakt om daarop in te spelen, onder meer via dit programma.

(16)Gezien de omvang van de investeringsbehoeften voor de voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 (geraamd op 350 miljard EUR in de periode 2021-2027) en van het uitgebreide TEN-T-netwerk tegen 2050, en voor investeringen in decarbonisatie, digitalisering en stedelijke mobiliteit (geraamd op 700 miljard EUR in de periode 2021-2027), moeten de verschillende financieringsprogramma’s en -instrumenten van de Unie zo efficiënt mogelijk worden benut en moet worden gestreefd naar een maximale toegevoegde waarde van de door de Unie ondersteunde investeringen. Dit kan worden bereikt door het investeringsproces te stroomlijnen zodat de projectpijplijnen zichtbaar en voor coherentie tussen EU- programma’s van de Unie wordt gezorgd, met name tussen de Connecting Europe Facility, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en InvestEU. Er moet met name rekening worden gehouden met de randvoorwaarden als bepaald in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. XXX [Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa („VGB”)].

(17)In Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad 27 zijn de prioriteiten inzake trans-Europese energie-infrastructuur vastgesteld, die ten uitvoer moeten worden gelegd om de doelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat te kunnen verwezenlijken; in die verordening zijn ook de projecten van gemeenschappelijk belang vastgesteld voor de uitvoering van die prioriteiten en zijn maatregelen vastgesteld op het gebied van het verlenen van vergunningen, publieke betrokkenheid en regelgeving om de uitvoering van deze projecten te versnellen en/of vlotter te laten verlopen, inclusief criteria om te bepalen of dergelijke projecten in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie.

(18)In Richtlijn [herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie] wordt gewezen op de behoefte aan een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen begunstigd en wordt expliciet verwezen naar faciliterende acties om grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie te ondersteunen.

(19)Hoewel de voltooiing van netwerkinfrastructuur prioritair blijft voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, weerspiegelt de toevoeging van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie de aanpak die is gekozen in het kader van het initiatief Schone energie voor alle Europeanen, met een collectieve verantwoordelijkheid om de ambitieuze doelstelling op het gebied van hernieuwbare energie in 2030 te bereiken en de gewijzigde beleidscontext met ambitieuze langetermijndoelstellingen op het gebied van decarbonisatie.

(20)Innovatieve infrastructuurtechnologieën die het pad effenen voor een transitie naar koolstofarme mobiliteitssystemen en een grotere voorzieningszekerheid zijn essentieel in het licht van de decarbonisatieagenda van de Unie. In haar „Mededeling over het versterken van de energienetten van Europa” 28 van 23 november 2017 heeft de Commissie benadrukt dat de rol van elektriciteit, wanneer in 2030 de helft van de elektriciteitsproductie afkomstig zal zijn van hernieuwbare bronnen, steeds meer gericht zal zijn op het koolstofarm maken van sectoren die tot nu toe worden gedomineerd door fossiele brandstoffen, zoals vervoer, industrie en verwarming en koeling, en dat dienovereenkomstig de focus in het kader van de trans-Europese energie-infrastructuur steeds meer op elektriciteitsinterconnecties, elektriciteitsopslag en slimme netwerken ligt. Om de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie te ondersteunen moet voldoende aandacht en prioriteit worden gegeven aan technologieën en projecten die bijdragen aan de transitie naar een koolstofarme economie. De Commissie zal ernaar streven via het programma meer projecten voor grensoverschrijdende slimme netwerken, innovatieve opslag en CO2-transport te financieren.

(21)De verwezenlijking van de digitale eengemaakte markt vergt een onderliggende infrastructuur voor digitale connectiviteit. De digitalisering van het Europese bedrijfsleven en de modernisering van sectoren zoals vervoer, energie, gezondheidszorg en de overheid hangen af van universele toegang tot betrouwbare, betaalbare en hoogwaardige netwerken met een zeer hoge capaciteit. Digitale connectiviteit is uitgegroeid tot een doorslaggevende factor om economische, sociale en territoriale verschillen te overbruggen en draagt bij aan de modernisering van lokale economieën en de diversificatie van de economische activiteiten. De reikwijdte van de steun van het programma voor infrastructuur voor digitale connectiviteit moet worden aangepast in het licht van het groeiende belang van connectiviteit voor de economie en de samenleving in het algemeen. Daarom moet worden vastgesteld welke infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt van de Unie te verwezenlijken en moet Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad 29 worden ingetrokken.

In de mededeling „Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt — Naar een Europese gigabitmaatschappij” 30 (de strategie voor de gigabit-samenleving) zijn de strategische doelstellingen voor 2025 vastgesteld met het oog op een optimalisering van de investeringen in infrastructuur voor digitale connectiviteit. Richtlijn (EU) 2018/XXX [Europees wetboek voor elektronische communicatie] beoogt onder meer de totstandbrenging van een regelgevingskader dat particuliere investeringen in digitale netwerken stimuleert. Het is echter duidelijk dat de uitrol van netwerken in talrijke gebieden van de Unie commercieel niet levensvatbaar zal blijven, onder meer door de afgelegen ligging en specifieke territoriale of geografische kenmerken, de lage bevolkingsdichtheid en diverse sociaaleconomische factoren. Het programma moet daarom worden aangepast om bij te dragen aan de verwezenlijking van die in de strategie voor de gigabitmaatschappij vastgestelde strategische doelstellingen, in aanvulling op de steun voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit door andere programma’s en met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en de InvestEU-fonds. 

(22)Terwijl alle digitale netwerken die op het internet zijn aangesloten een intrinsieke trans-Europese dimensie hebben, met name vanwege de werking van de toepassingen en diensten die zij mogelijk maken, moet via steun uit het programma voorrang worden verleend aan acties waarvan de grootste impact op de digitale eengemaakte markt wordt verwacht, onder meer door de afstemming daarvan op de doelstellingen van de mededeling inzake de strategie voor de gigabitmaatschappij en op de digitale transformatie van de economie en de samenleving, rekening houdend met de geconstateerde markttekortkomingen en -belemmeringen.



(23)Scholen, universiteiten, bibliotheken, plaatselijke, regionale en nationale overheden, de belangrijkste aanbieders van openbare diensten, ziekenhuizen en medische centra, vervoersknooppunten en ondernemingen die grotendeels digitaal werken kunnen een belangrijke invloed hebben op de sociaaleconomische ontwikkelingen in de regio waar zij zijn gevestigd. Dergelijke sociaaleconomische actoren moeten het voortouw nemen op het gebied van gigabitconnectiviteit om de Europese burgers, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen toegang te bieden tot de best mogelijke diensten en toepassingen. Het programma dient de toegang tot gigabitconnectiviteit voor deze sociaaleconomische actoren te ondersteunen teneinde hun positieve overloopeffect op de rest van de economie en de samenleving te maximaliseren, onder meer door de vraag naar connectiviteit en diensten op te drijven.

(24)Voortbouwend op het succes van het initiatief WiFi4EU, moet het programma steun blijven verlenen voor de verstrekking van gratis hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale centra van het openbare leven, waaronder entiteiten met een openbare opdracht, zoals overheidsdiensten en openbare-dienstverleners, en voor het publiek toegankelijke openbare plaatsen in open lucht, om de digitale visie van de Unie bij lokale gemeenschappen te promoten.

(25)De levensvatbaarheid van de volgende generatie digitale diensten, zoals het internet der dingen en toepassingen waarvan in verschillende sectoren en voor de samenleving als geheel aanzienlijke voordelen worden verwacht, vereist een ononderbroken grensoverschrijdende 5G-dekking, met name om ervoor te zorgen dat gebruikers en toestellen onderweg verbonden blijven. Er blijft onduidelijkheid bestaan over de scenario’s voor kostendeling voor de uitrol van 5G in deze sectoren en de vermeende risico’s van commerciële uitrol in bepaalde belangrijke domeinen zijn zeer groot. De wegcorridors en treinverbindingen zullen naar verwachting cruciaal zijn voor de eerste fase van de nieuwe toepassingen op het gebied van geconnecteerde mobiliteit en zijn derhalve belangrijke grensoverschrijdende projecten voor financiering in het kader van dit programma.

(26)In de hele Unie zijn er nog, soms zelfs centraal gelegen, slecht verbonden gebieden die een bottleneck en onbenut potentieel vormen voor de digitale eengemaakte markt. Toegang tot hoogwaardig internet kan in de meeste landelijke en afgelegen gebieden een essentiële rol spelen om te vermijden dat een digitale kloof ontstaat en dat deze gebieden geïsoleerd raken en ontvolken, aangezien internetverbindingen de levering van goederen en diensten goedkoper maken en de afgelegen ligging deels goedmaken. Hoogwaardige internetconnectiviteit is noodzakelijk voor nieuwe economische kansen, zoals precisielandbouw of de ontwikkeling van een bio-economie in plattelandsgebieden. Het programma dient bij te dragen tot de beschikbaarheid van vaste en draadloze connectiviteit met een zeer hoge capaciteit voor alle Europese huishoudens, zowel in de stad als op het platteland, met een focus op situaties waarin een zekere mate van marktfalen wordt waargenomen en die kunnen worden aangepakt met subsidies met een geringe intensiteit. Hierbij moet het programma streven naar een volledige dekking van alle huishoudens en regio’s, aangezien het niet rendabel is om leemtes in een reeds gedekt gebied in een later stadium aan te pakken.

(27)De uitrol van digitale backbonecommunicatienetwerken, met onder meer onderzeese kabels die Europese regio’s verbinden met derde landen op andere continenten of die Europese eilanden en overzeese gebieden verbinden met het vasteland, is nodig om voor alle vitale infrastructuur de nodige redundantie te creëren en de capaciteit en weerbaarheid van de digitale netwerken van de Unie te versterken. Dergelijke projecten zijn echter zonder overheidssteun vaak niet commercieel levensvatbaar.

(28)Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit moeten gebruik maken van de voor een specifiek project meest geschikte technologie, met een optimaal evenwicht tussen geavanceerde technologieën op het gebied van de gegevensstroomcapaciteit, de beveiliging van de overdracht, de weerbaarheid van het netwerk en kostenefficiëntie, en moeten worden geprioriteerd door middel van werkprogramma’s, rekening houdend met de in deze verordening bepaalde criteria. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit kan ook passieve infrastructuur omvatten, met het oog op maximale sociaaleconomische en milieuvoordelen. Ten slotte moet bij het prioriteren van de acties rekening worden gehouden met de potentiële positieve overloopeffecten op het gebied van connectiviteit, bijvoorbeeld voor projecten die bijdragen aan de rendabiliteit van toekomstige investeringen die zorgen voor een betere dekking van het grondgebied en de bevolking in streken waar nog geen dekking is.

(29)De Unie heeft een eigen PNT-technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling per satelliet (EGNOS/Galileo) en een eigen systeem voor aardobservatie (Copernicus) ontwikkeld. Zowel EGNOS/Galileo als Copernicus leveren geavanceerde diensten die publieke en private gebruikers belangrijke economische voordelen bieden. Daarom moet alle vervoer-, energie- en digitale infrastructuur die door het programma wordt gefinancierd, en die gebruik maakt van PNT-systemen of aardobservatiediensten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

(30)De positieve resultaten van de blendingoproep die in 2017 in het kader van het huidige programma is gelanceerd, bevestigen de relevantie en toegevoegde waarde van EU-subsidies met het oog op blending met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken, andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, al dan niet via publiek-private partnerschappen. Het programma moet dan ook blijven werken met specifieke oproepen waarbij EU-subsidies met andere bronnen van financiering worden gecombineerd.

(31)De doelstellingen van dit programma worden mede gerealiseerd door middel van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidsonderdelen [...] van het InvestEU-Fonds. De acties van het programma moeten worden gebruikt om markttekortkomingen of suboptimale investeringsvoorwaarden op evenredige wijze aan te pakken, zonder overlapping met of verdringing van particuliere financiering en met een duidelijke Europese toegevoegde waarde.

(32)Om een geïntegreerde ontwikkeling van de innovatiecyclus te stimuleren, moet de complementariteit worden gewaarborgd tussen innovatieve oplossingen die zijn ontwikkeld in het kader van de EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en innovatieve oplossingen die met CEF-steun worden ingevoerd. Daartoe zullen synergieën met Horizon Europe ervoor zorgen dat: a) de onderzoeks- en innovatiebehoeften op het gebied van vervoer, energie en de digitale sector binnen de EU worden geïnventariseerd en vastgesteld tijdens het strategische planningsproces van Horizon Europa; b) de Connecting Europe Facility steun verleent voor de grootschalige invoering en toepassing van innovatieve technologieën en oplossingen op het gebied van vervoer, energie en digitale infrastructuur, die met name het resultaat zijn van Horizon Europa; c) de uitwisseling van informatie en gegevens tussen Horizon Europa en de Connecting Europe Facility wordt gefaciliteerd, bijvoorbeeld door de aandacht te vestigen op marktklare technologieën uit Horizon Europa die verder via de Connecting Europe Facility kunnen worden uitgerold.

(33)In deze verordening worden de financiële middelen voor de hele periode 2021-2027 vastgesteld als het voornaamste referentiebedrag als bedoeld in [verwijzing toevoegen naar het nieuwe Interinstitutioneel akkoord: punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer 31 voor het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure].

(34)Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Die moeten een coherent gebruik van de EU-financiering waarborgen en er, voor zover relevant, voor zorgen dat de financiële steun die via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, de Europese stabilisatiefunctie voor investeringen, InvestEU en de Connecting Europe Facility zal worden verleend, een maximale toegevoegde waarde genereert. Bij het gebruik van financiële steun moet, voor zover relevant, ook de coherentie worden gewaarborgd met energie- en klimaatplannen van de Unie en de lidstaten.

(35)De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(36)De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.

(37)Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(38)De regels inzake de toekenning van subsidies zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Om rekening te houden met het specifieke karakter van de door het programma gesteunde acties en om een consistente uitvoering in alle programmasectoren te waarborgen, moeten aanvullende regels inzake de selectie- en toewijzingscriteria worden vastgesteld.

(39)Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad 32 , Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad 33 , Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 34 en Verordening (EU) 2017/193 van de Raad 35 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EMO) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad 36 . Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(40)Volgens [verwijzing dienovereenkomstig aan te passen volgens het nieuwe besluit inzake landen en gebieden overzee: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU 37 van de Raad] komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.

(41)De Unie dient te streven naar samenhang en synergieën met de EU-programma’s voor het extern beleid, inclusief pretoetredingssteun na de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de mededeling „Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan” 38 .

(42)Wanneer derde landen en in derde landen gevestigde entiteiten deelnemen aan acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang of grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, mag alleen financiële bijstand worden verleend wanneer die onontbeerlijk is om de doelstellingen van die projecten te verwezenlijken.

(43)Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 39 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van door specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. De Commissie dient evaluaties en de resultaten daarvan mee te delen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van de financiering te beoordelen en na te gaan welke de impact daarvan is op de algemene doelstellingen van het programma.

(44)Er moeten adequate monitoring- en verslagleggingsmaatregelen, met inbegrip van indicatoren, worden ingevoerd om verslag uit te brengen over de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen die in deze verordening zijn vastgesteld. Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Aan ontvangers van EU-financiering moeten evenredige rapportageverplichtingen worden opgelegd om relevante gegevens te verzamelen voor het programma.

(45)Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend voor de vaststelling van werkprogramma’s. Die bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 40 .

(46)Met het oog op de aanpassing, indien nodig, van de indicatoren voor de monitoring van het programma, van de indicatieve percentages van de begrotingsmiddelen die aan elke specifieke doelstelling in de vervoerssector zijn toegewezen en van de afbakening van de kernnetwerkcorridors, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd voor wijzigingen van de delen I, II en III van de bijlage bij de onderhavige verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

(47)Ter wille van de duidelijkheid moeten Verordening (EG) nr. 1316/2013 en Verordening (EG) nr. 283/2014 worden ingetrokken. De rechtsgevolgen van artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad 41 wat de lijst van goederencorridors betreft, moeten evenwel worden gehandhaafd.

(48)Met het oog op de tijdige vaststelling van de uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze verordening, dient deze onmiddellijk bij de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Voorwerp

Bij deze verordening wordt de Connecting Europe Facility („het programma”) ingesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van EU-financiering en de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2
Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

(a)„actie”: elke in financieel en technisch opzicht als autonoom aangeduide activiteit, waarvoor een bepaalde termijn is gesteld en die noodzakelijk is voor de uitvoering van een project;

(b)„alternatieve brandstoffen”: alternatieve brandstoffen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/94/EU;

(c)„geassocieerd land”: een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie op grond waarvan het overeenkomstig artikel 5 aan het programma mag deelnemen;

(d)„blendingverrichtingen”: door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/XXX („het Financieel Reglement”), waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

(e)„uitgebreid netwerk”: de vervoersinfrastructuur die overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013 is aangeduid;

(f)„kernnetwerk”: de vervoersinfrastructuur die is aangeduid overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

(g)„kernnetwerkcorridors”: instrumenten die de gecoördineerde totstandbrenging van het kernnetwerk vergemakkelijken, zoals bepaald in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en die zijn opgesomd in deel III van de bijlage bij deze verordening;

(h)„grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie”: een project dat is geselecteerd of in aanmerking komt om te worden geselecteerd in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of andere regelingen tussen de lidstaten of tussen lidstaten en derde landen in de zin van de artikelen 6, 7, 9 of 11 van Richtlijn 2009/82/EG met betrekking tot de planning of ontwikkeling van hernieuwbare energie, overeenkomstig de criteria van deel IV van de bijlage bij deze verordening;

(i)„infrastructuur voor digitale connectiviteit”: netwerken met een zeer hoge capaciteit, 5G-systemen, zeer hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit, backbonenetwerken, alsook operationele digitale platforms die een directe band hebben met de vervoers- en energie-infrastructuur;

(j)„5G-systemen”: een reeks digitale infrastructuurcomponenten, op basis van wereldwijd erkende normen voor mobiele en draadloze communicatietechnologie, die worden gebruikt voor connectiviteit en diensten met toegevoegde waarde met geavanceerde prestatiekenmerken, zoals zeer hoge transmissiesnelheden en capaciteit, een lage latentie en een hoge betrouwbaarheid, of die een groot aantal aangesloten apparaten ondersteunen;

(k)„5G-corridor”: een transportroute, per spoor of over de weg, die volledig wordt gedekt door infrastructuur voor digitale connectiviteit en met name 5G-systemen, die de ononderbroken levering van digitale synergiediensten zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit of soortgelijke slimme mobiliteitsdiensten voor het spoor mogelijk maken;

(l)„operationele digitale platforms die een directe band hebben met vervoers- en energie-infrastructuur”: fysieke en virtuele voorzieningen voor informatie- en communicatietechnologie („ICT”), die bovenop de communicatie-infrastructuur functioneren ter ondersteuning van de stroom, opslag, verwerking en analyse van vervoers- en/of energie-infrastructuurgegevens;

(m)„project van gemeenschappelijk belang”: een project als genoemd in Verordening (EU) nr. 1315/2013, Verordening (EU) nr. 347/2013 of artikel 8 van deze verordening;

(n)„studies”: activiteiten die nodig zijn ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, zoals voorbereidende studies, het in kaart brengen, haalbaarheidsstudies, evaluatie- en validatiestudies, ook in de vorm van software, en andere technische ondersteuningsmaatregelen, met inbegrip van aan de werkzaamheden voorafgaande activiteiten die nodig zijn om een project te definiëren en te ontwikkelen en de besluiten te nemen inzake de financiering ervan, zoals verkenning ter plaatse en de voorbereiding van het financieringspakket;

(o)„sociaaleconomische actoren”: entiteiten die door hun opdracht, aard of vestigingsplaats direct of indirect grote sociaaleconomische voordelen kunnen genereren voor de burgers, ondernemingen en lokale gemeenschappen in hun regio;

(p)„derde land”: een land dat geen lid is van de Europese Unie;

(q)„netwerken met een zeer hoge capaciteit”: netwerken met een zeer hoge capaciteit als gedefinieerd in artikel [2, lid (XX)] van Richtlijn (EU) 2018/XXX [het Europees wetboek voor elektronische communicatie].

(r)„werkzaamheden": de aanschaf, de levering en het inzetten van componenten, systemen en diensten, inclusief software, en de uitvoering van ontwikkelings-, bouw- en installatieactiviteiten in verband met een project, alsmede de oplevering van de installaties en de inbedrijfstelling van een project.

Artikel 3
Doelstellingen

1.De algemene doelstelling van het programma is de ontwikkeling en modernisering van de trans-Europese vervoers-, energie- en digitale netwerken en het faciliteren van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie, rekening houdend met de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie en met de nadruk op synergieën tussen sectoren.

2.De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

(a)Op het gebied van vervoer:

i)bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang voor efficiënte en onderling verbonden netwerken en infrastructuur voor slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit;

ii)de aanpassing van de TEN-T-netwerken aan de behoeften op het gebied van militaire mobiliteit;

(b)In de energiesector, bijdragen aan de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang met het oog op de verdere integratie van de interne energiemarkt, de sector- en grensoverschrijdende interoperabiliteit van de netwerken, het faciliteren van de decarbonisatie en het waarborgen van de voorzieningszekerheid, en ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie;

(c)In de digitale sector, bijdragen aan de uitrol van 5G-systemen en digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, aan een grotere weerbaarheid en capaciteit van digitale backbonenetwerken op het grondgebied van de EU door die netwerken te verbinden met naburige regio’s, alsmede aan de digitalisering van de vervoers- en energienetwerken.

Artikel 4
Begroting

1.De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 42 265 493 000 EUR in lopende prijzen.

2.Dit bedrag wordt als volgt verdeeld:

(a)maximaal 30 615 493 000 EUR voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), waarvan:

i)12 830 000 000 EUR uit de Europese strategische investeringscluster;

ii)de overdracht van 11 285 493 000 EUR uit het Cohesiefonds voor investeringen overeenkomstig deze verordening, uitsluitend in de lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds;

iii)6 500 000 000 EUR van de defensiecluster voor de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii);

(b)maximaal 8 650 000 000 EUR voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), waarvan maximaal 10 % voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie;

(c)maximaal 3 000 000 000 EUR voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c).

3.De Commissie mag niet afwijken van het bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), ii).

4.Het in lid 1 genoemde bedrag mag worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren, zoals voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten, met inbegrip van specifieke informatie en technologiesystemen. Deze bedragen mogen ook worden gebruikt ter financiering van begeleidende maatregelen ter ondersteuning van de voorbereiding van projecten.

5.Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

6.Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties die voortvloeien uit projecten die in het eerste werkprogramma waren opgenomen, vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

7.De uit het Cohesiefonds overgedragen bedragen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig deze verordening, onder voorbehoud van lid 8 en onverminderd artikel 14, lid 2, onder b).

8.Van de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen wordt 30 % onmiddellijk ter beschikking gesteld van alle lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds voor de financiering van infrastructuurprojecten overeenkomstig van deze verordening, met prioriteit voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links. Voor 70 % van de overgedragen middelen worden de voor financiering in aanmerking komende projecten tot en met 31 december 2023 geselecteerd met inachtneming van de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds. Met ingang van 1 januari 2024 worden de middelen die naar het programma zijn overgedragen en niet voor een vervoersinfrastructuurproject zijn vastgelegd, beschikbaar gesteld van alle lidstaten die een beroep kunnen doen op het Cohesiefonds voor de financiering van infrastructuurprojecten overeenkomstig deze verordening.

9.Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

Artikel 5
Met het programma geassocieerde derde landen

1.Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

(a)landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), overeenkomstig de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

(b)toetredingslanden, kandidaten en potentiële kandidaten, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor hun deelname aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

(c)landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

(d)andere derde landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat die overeenkomst:

–een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan; Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;

–het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

2.Aan derde landen als bedoeld in lid 1 en aan in die landen gevestigde entiteiten mag in het kader van deze verordening geen financiële bijstand worden verleend, tenzij die bijstand onontbeerlijk is om de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang te verwezenlijken en onder de voorwaarden die zijn uiteengezet in de werkprogramma’s als bedoeld in artikel 19.

Artikel 6
Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement.

2.In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen. Blendingverrichtingen waartoe in het kader van dit programma is besloten, worden uitgevoerd in overeenstemming met de InvestEU-verordening en titel X van het Financieel Reglement.

3.De Commissie kan de bevoegdheid voor de tenuitvoerlegging van een deel van het programma overeenkomstig artikel [69] van het Financieel Reglement delegeren aan uitvoerende agentschappen met het oog op een optimaal beheer en in het licht van de efficiëntievereisten van het programma in de vervoers-, energie- en digitale sector.

4.Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van door ontvangers verschuldigde financiering en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

Artikel 7
Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

1.Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie tellen ten minste twee deelnemende lidstaten en worden opgenomen in een overeenkomst of een andere soort regeling tussen lidstaten en/of tussen de lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 6, 7, 9 en 11 van Richtlijn 2009/28/EG. Deze projecten worden geselecteerd overeenkomstig de criteria en de procedure van deel IV van de bijlage bij de deze verordening.

2.Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23, onder d), van deze verordening een gedelegeerde handeling vast tot nadere bepaling van de selectiecriteria en -procedure van projecten en publiceert zij de methodologieën voor de beoordeling van de bijdrage van projecten aan de algemene criteria en voor de beoordeling van de totale kosten en baten als gespecificeerd in deel IV van de bijlage.

3.Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

4.Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor EU-financiering voor werkzaamheden indien zij aan de volgende aanvullende criteria voldoen:

(a)de projectspecifieke kosten-batenanalyse overeenkomstig deel IV, punt 3, van de bijlage toont duidelijk aan dat een project aanzienlijke kostenbesparingen en/of voordelen oplevert in termen van systeemintegratie, continuïteit van de energievoorziening, integratie of innovatie, en;

(b)de aanvrager toont aan dat het project zonder subsidie niet zou kunnen worden verwezenlijkt of zonder subsidie commercieel niet rendabel zou zijn. Bij die analyse wordt rekening gehouden met eventuele inkomsten uit steunregelingen.

5.Het bedrag van de subsidie voor werkzaamheden staat in verhouding tot de kostenbesparingen en/of voordelen als bedoeld in deel IV, punt 2, onder b), van de bijlage en ligt niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat het project wordt uitgevoerd of rendabel is.

Artikel 8
Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit.

1.Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit dragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstelling van artikel 3, lid 2, onder c).

2.Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

3.Onverminderd de in artikel 13 vastgestelde selectiecriteria, wordt bij het bepalen van de prioriteiten voor financiering rekening gehouden met de volgende criteria:

(a)acties die bijdragen tot de toegang tot netwerken met een zeer hoge capaciteit die sociaaleconomische actoren gigabitconnectiviteit bieden, worden geprioriteerd op basis van de functie van de sociaaleconomische actoren, de relevantie van de digitale diensten en toepassingen die dankzij de onderliggende connectiviteit mogelijk worden gemaakt, en de potentiële sociaaleconomische voordelen voor de burgers, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen, met inbegrip van de mogelijke positieve overloopeffecten op het gebied van connectiviteit, overeenkomstig deel V van de bijlage;

(b)acties die bijdragen aan het verstrekken van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen, overeenkomstig deel V van de bijlage;

(c)voor acties die bijdragen tot de uitrol van 5G-systemen, wordt voorrang gegeven aan de uitrol van 5G-corridors op de belangrijkste transportroutes, onder meer op het trans-Europese vervoersnetwerk. Er wordt rekening gehouden met de mate waarin een actie bijdraagt tot het garanderen van dekking op belangrijke transportroutes en daardoor de ononderbroken levering van digitale synergiediensten mogelijk maakt en tevens maximale potentiële positieve overloopeffecten creëert voor de gebieden en bevolking in het projectgebied. Een indicatieve lijst van projecten waarvoor steun kan worden verleend, is opgenomen in deel V van de bijlage;

(d)projecten voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende backbonenetwerken tussen de EU en derde landen en ter versterking van de verbindingen binnen de Unie, met inbegrip van onderzeese kabels, worden geprioriteerd op basis van hun bijdrage aan een grotere weerbaarheid en capaciteit van de elektronische communicatienetwerken op het grondgebied van de Unie;

(e)met betrekking tot de dekking door netwerken met een zeer hoge capaciteit, wordt voorrang gegeven aan acties die bijdragen tot de dekking van het grondgebied en de bevolking, omgekeerd evenredig met de intensiteit van de steun die nodig zou zijn om de uitvoering van een project mogelijk te maken, in verhouding tot de in artikel 14 vastgestelde toepasselijke maximale medefinancieringspercentages. Er wordt rekening gehouden met de mate waarin een actie bijdraagt tot de volledige dekking van het grondgebied en de bevolking binnen een bepaald projectgebied, terwijl ook rekening wordt gehouden met de maximale potentiële positieve overloopeffecten voor het grondgebied en de bevolking in de nabijheid van het projectgebied;

(f)voor projecten op het gebied van digitale platforms, wordt prioriteit gegeven aan acties op basis van geavanceerde technologieën, rekening houdend met aspecten zoals interoperabiliteit, cyberveiligheid, gegevensbescherming en hergebruik;

(g)de mate waarin de voor het project meest geschikte technologie wordt ingezet, en de beste balans tussen geavanceerde technologieën in termen van gegevensstroomcapaciteit, transmissieveiligheid, veerkracht van het netwerk en kostenefficiëntie wordt voorgesteld.

HOOFDSTUK II

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 9
Subsidiabele acties

1.Alleen acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 komen in aanmerking voor financiering. Subsidiabele acties omvatten studies, werkzaamheden en begeleidende maatregelen voor het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren.

2.In de sector vervoer komen de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

(a)Acties in verband met efficiënte en onderling verbonden netwerken:

i)acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met inbegrip van stedelijke knooppunten, zeehavens, binnenhavens en overslagterminals voor weg- en spoorvervoer die deel uitmaken van het kernnetwerk als gedefinieerd in bijlage II van Verordening (EU) nr. 1315/2013. Acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk mogen aanvullende componenten op het uitgebreide netwerk omvatten indien die nodig zijn om de investering te optimaliseren en overeenkomstig de modaliteiten in de werkprogramma’s als bedoeld in artikel 19 van deze verordening;

ii)acties voor de verwezenlijking van grensoverschrijdende verbindingen van het uitgebreide netwerk overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met name de in deel III van de bijlage bij deze verordening genoemde segmenten;

iii)acties voor de verwezenlijking van delen van het uitgebreide netwerk in ultraperifere gebieden overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, waaronder stedelijke knooppunten, zeehavens, binnenhavens en overslagterminals voor weg- en spoorvervoer die deel uitmaken van het uitgebreide netwerk als gedefinieerd in bijlage II van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

iv)acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang om het trans-Europese netwerk te verbinden met de infrastructuurnetwerken van buurlanden als gedefinieerd in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

(b)acties op het gebied van slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit:

i)acties ter ondersteuning van maritieme snelwegen in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ii)acties ter ondersteuning van telematicasystemen, onder meer voor veiligheidsdoelstellingen, overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

iii)acties ter ondersteuning van goederenvervoerdiensten overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

iv)acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, met inbegrip van automatisering, geavanceerde vervoersdiensten, intermodale integratie en infrastructuur voor alternatieve brandstoffen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

v)acties om interoperabiliteitsbelemmeringen weg te werken en met name acties die corridor-/ netwerkeffecten genereren;

vi)acties die bijdragen tot veilige en beveiligde infrastructuur en mobiliteit, waaronder verkeersveiligheid, overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

vii)acties om de vervoersinfrastructuur beter bestand te maken tegen de klimaatverandering en natuurrampen;

viii)acties om de vervoersinfrastructuur beter toegankelijk te maken voor alle gebruikers overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ix)acties met het oog op een betere beschikbaarheid en toegankelijkheid van de vervoersinfrastructuur voor civiele bescherming en beveiliging.

(c)In het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii): acties, of specifieke activiteiten die deel uitmaken van een actie, ter ondersteuning van de aanpassing van de TEN-T-infrastructuur aan de eisen inzake militaire mobiliteit om deze geschikt te maken voor civiel-militair gebruik.

3.In de sector energie komen de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

(a)acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 347/2013;

(b)acties ter ondersteuning van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van het ontwerp daarvan, als gedefinieerd in deel IV van de bijlage bij deze verordening, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van deze verordening.

4.In de digitale sector komen de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

(a)acties om de gigabitconnectiviteit van sociaaleconomische actoren te ondersteunen;

(b)acties ter ondersteuning van het gratis en onder niet-discriminerende voorwaarden aanbieden van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen;

(c)acties voor de uitrol van een ononderbroken dekking met 5G-systemen op alle belangrijke transportroutes, met inbegrip van het trans-Europese vervoersnetwerk;

(d)acties ter ondersteuning van de uitrol van backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels, tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen;

(e)acties ter ondersteuning van de toegang voor Europese huishoudens tot netwerken met een zeer hoge capaciteit;

(f)acties met het oog op de uitrol van infrastructuur voor digitale connectiviteit in verband met grensoverschrijdende vervoers- of energieprojecten en/of ter ondersteuning van operationele digitale platforms die een direct verband hebben met vervoers- of energie-infrastructuur.

Een indicatieve lijst van subsidiabele projecten in de digitale sector is opgenomen in deel V van de bijlage.

Artikel 10
Synergieën

1.Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van één of meer doelstellingen van ten minste twee sectoren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), b) en c), komen in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van deze verordening. Die acties worden uitgevoerd op basis van specifieke sectoroverschrijdende werkprogramma’s die ten minste twee sectoren bestrijken, met specifieke selectiecriteria en gefinancierd met bijdragen uit de begroting van de betrokken sectoren.

2.Acties in de sectoren vervoer, energie of digitalisering mogen overeenkomstig artikel 9 aanvullende componenten omvatten die geen verband hebben met de subsidiabele acties overeenkomstig artikel 9, leden 2, 3 of 4, mits die aanvullende componenten voldoen aan alle volgende vereisten:

(a)de kosten van die aanvullende componenten bedragen niet meer dan 20 % van de totale subsidiabele kosten van de actie; en

(b)die aanvullende componenten hebben betrekking op de sector vervoer, energie of digitalisering; en

(c)die aanvullende componenten zorgen voor een aanzienlijke toename van de sociaaleconomische, klimaat- of milieuvoordelen van de actie.

Artikel 11
In aanmerking komende entiteiten

1.Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde subsidiabiliteitscriteria zijn de in dit artikel vastgestelde criteria van toepassing.

2.De volgende entiteiten komen in aanmerking:

(a)juridische entiteiten die zijn gevestigd in een lidstaat;

(b)juridische entiteiten die zijn gevestigd in een met het programma geassocieerd derde land;

(c)krachtens het EU-recht opgerichte juridische entiteiten en internationale organisaties, voor zover de werkprogramma’s in die mogelijkheid voorzien.

3.Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.

4.Juridische entiteiten die gevestigd zijn in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering in aanmerking voor steun in het kader van het programma indien die steun onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang of een grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie.

5.In de in artikel 19 bedoelde werkprogramma’s kan worden bepaald dat alleen voorstellen die worden ingediend door een of meer lidstaten of, met instemming van de betrokken lidstaten, door internationale organisaties, gemeenschappelijke ondernemingen, dan wel publieke of private ondernemingen of organen, in aanmerking komen voor subsidie.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 12
Subsidies

Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming titel [VIII] van het Financieel Reglement.

Artikel 13
Selectiecriteria

1.De selectiecriteria worden vastgesteld in de werkprogramma’s als bedoeld in artikel 19 en in de oproepen tot het indienen van voorstellen, rekening houdend met, voor zover van toepassing, de volgende elementen:

(a)economische, sociale en milieueffecten (kosten en baten);

(b)innovatie, veiligheid, interoperabiliteit en toegankelijkheid;

(c)grensoverschrijdende dimensie;

(d)synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en digitalisering;

(e)de maturiteit van de actie binnen de ontwikkeling van het project;

(f)de deugdelijkheid van het voorgestelde uitvoeringsplan;

(g)de katalyserende werking van financiële EU-bijstand op de investering;

(h)de noodzaak om financiële belemmeringen weg te werken, zoals een gebrek aan rendabiliteit of het gebrek aan marktfinanciering;

(i)samenhang met de beleidsplannen van de Unie en de lidstaten op het gebied van energie en klimaat.

2.Bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant, rekening gehouden met de weerbaarheid ten aanzien van de negatieve gevolgen van klimaatverandering door middel van een analyse van de klimaatkwetsbaarheid en een risicobeoordeling, met inbegrip van de relevante aanpassingsmaatregelen.

3.Bij de toetsing van voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant en overeenkomstig de specificaties in het werkprogramma, gewaarborgd dat door het programma ondersteunde acties die technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling (PNT) omvatten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

4.In de vervoerssector wordt er bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria als bedoeld in lid 1, indien van toepassing, op toegezien dat de voorgestelde acties in overeenstemming zijn met de werkplannen van de corridors en de uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en rekening houden met het advies van de bevoegde Europese coördinator op grond van artikel 45, lid 8.

5.Voor acties met betrekking tot grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma’s en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 7, lid 4.

6.Voor acties met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang voor digitale connectiviteit, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma’s en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 8, lid 3.

Artikel 14
Medefinancieringspercentages

1.Voor studies bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Voor studies die worden gefinancierd met de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als vermeld in lid 2, onder b).

2.Voor werkzaamheden in de vervoerssector gelden de volgende maximale medefinancieringspercentages:

(a)voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 30 % van de totale subsidiabele kosten. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden, voor acties ter ondersteuning van telematicasystemen, voor acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, voor acties om de infrastructuur veiliger te maken overeenkomstig de relevante EU-wetgeving en voor acties in ultraperifere regio’s;

(b)voor bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als bedoeld in Verordening (EU) XXX [CPR]. Deze medefinancieringspercentages kunnen worden verhoogd tot maximum 85 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden;

(c)voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen, mogen de hogere maximale medefinancieringspercentages als bedoeld onder a) en b) alleen worden toegepast voor acties waarbij er sprake is van een verregaande integratie bij de planning en uitvoering van de actie voor de toepassing van het selectiecriterium als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), met name door de oprichting van een enige projectonderneming, een gezamenlijke beheerstructuur en een bilateraal juridisch kader of uitvoeringshandeling uit hoofde van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

3.Voor werkzaamheden in de energiesector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages:

(a)voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten.

(b)Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 75 % voor acties die bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang die, op basis van de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 347/2013 vermelde bewijzen, zorgen voor een hoge mate van regionale of EU-brede voorzieningszekerheid, die de solidariteit in de Unie versterken of die bijzonder innoverende oplossingen omvatten.

4.Voor werkzaamheden in de digitale sector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages: voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c), bedraagt de financiële bijstand van de Unie maximum 30 % van de totale subsidiabele kosten. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties met een sterke grensoverschrijdende dimensie, zoals ononderbroken dekking met 5G-systemen van belangrijke transportroutes of de ontwikkeling van backbonenetwerken tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen, en tot maximum 75 % voor acties voor de uitrol van gigabitconnectiviteit bij sociaaleconomische actoren. Voor acties met het oog op het verstrekken van lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen bedraagt de financiële EU-bijstand tot 100 % van de subsidiabele kosten, onverminderd het medefinancieringsbeginsel.

5.Het maximale medefinancieringspercentage voor acties die zijn geselecteerd in het kader van sectoroverschrijdende werkprogramma’s als bedoeld in artikel 10, is het hoogste maximale medefinancieringspercentage van de betrokken sectoren.

Artikel 15
Subsidiabele kosten

Naast de in artikel [186] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de volgende criteria voor subsidiabiliteit van kosten van toepassing:

(a)alleen uitgaven in de lidstaten worden in aanmerking genomen, tenzij het project van gemeenschappelijk belang of het grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie ook betrekking heeft op het grondgebied van derde landen als bedoeld in artikel 5 of artikel 11, lid 4, van deze verordening of op internationale wateren, en de actie onontbeerlijk is om de doelstellingen van het desbetreffende project te verwezenlijken;

(b)de kosten van apparatuur, voorzieningen en infrastructuur die door de begunstigde als kapitaaluitgaven worden behandeld, kunnen volledig in aanmerking worden genomen;

(c)uitgaven voor de aankoop van gronden komen niet in aanmerking;

(d)subsidiabele kosten omvatten geen belasting over de toegevoegde waarde („btw”).

Artikel 16
Combinatie van subsidies met andere financieringsbronnen

1.Subsidies kunnen worden gebruikt in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, ook via publiek-private partnerschappen.

2.De subsidies als bedoeld in lid 1 mogen ten uitvoer worden gelegd middels specifieke oproepen tot het indienen van voorstellen.

Artikel 17
Verlaging of beëindiging van subsidie

1.Behalve op de in [artikel 131, lid 4,] van het Financieel Reglement genoemde gronden kan het subsidiebedrag worden verlaagd op de volgende gronden:

(a)de actie is niet van start gegaan binnen één jaar na de in de subsidieovereenkomst vermelde begindatum;

(b)na evaluatie van de vooruitgang van de actie is gebleken dat de uitvoering van de actie zoveel vertraging heeft opgelopen dat de doelstellingen van de actie waarschijnlijk niet zullen worden verwezenlijkt;

2.De subsidieovereenkomst kan worden beëindigd op de in lid 1 genoemde gronden.

Artikel 18
Cumulatieve, aanvullende en gecombineerde financiering

1.Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk bijdragende EU-programma zijn van toepassing op de respectieve bijdrage aan deze actie. De gecumuleerde steun mag niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie bedragen en de steun uit de verschillende EU-programma’s kan op pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

2.Voor acties die voldoen aan de volgende cumulatieve vergelijkende voorwaarden:

(a)de acties zijn beoordeeld na een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

(b)de acties voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van de oproep tot het indienen van voorstellen;

(c)de acties kunnen vanwege budgettaire beperkingen niet worden gefinancierd in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen;

kan steun worden verleend via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling of het Cohesiefonds overeenkomstig [artikel 67, lid 5,] van Verordening (EU) nr. XXX [de gemeenschappelijke verordening], voor zover de acties sporen met de doelstellingen van het desbetreffende programma. De regels van het Fonds dat steun verleent, zijn van toepassing.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 19
Werkprogramma's

1.Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.

2.De werkprogramma’s worden door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 22 van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 20
Monitoring en verslaglegging

1.Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in deel 1 van de bijlage.

2.Om te zorgen voor een effectieve evaluatie van de voortgang van het programma in de richting van de verwezenlijking van zijn doelstellingen, wordt de Commissie overeenkomstig artikel 24 gemachtigd deel I van de bijlage te wijzigen teneinde de indicatoren waar nodig te herzien en aan te vullen en deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.

3.Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en, indien relevant, de lidstaten.

Artikel 21
Evaluatie

1.Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.

3.Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

4.De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 22
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité van de CEF. Het Comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 23
Gedelegeerde handelingen

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 24 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

(a)tot wijziging van deel I van de bijlage betreffende de indicatoren en tot vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader;

(a)tot wijziging van deel II van de bijlage betreffende de indicatieve percentages van de begrotingsmiddelen die worden toegewezen aan de specifieke doelstelling van artikel 3, onder a), punt i);

(b)tot wijziging van deel III van de bijlage betreffende de afbakening van de kernnetwerkcorridors en de vooraf geselecteerde segmenten; en de vooraf geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk;

(c)tot wijziging van deel IV van de bijlage betreffende de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie;

(d)tot wijziging van deel V van de bijlage betreffende de selectie van de projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit.

Artikel 24
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in artikel 23 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een overeenkomstig artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 25
Informatie, communicatie en publiciteit

1.Ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

Artikel 26
Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 27
Intrekkings- en overgangsbepalingen

1.Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 worden ingetrokken.

2.Onverminderd lid 1, doet deze verordening geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1316/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

3.De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen dit programma en de maatregelen die zijn vastgesteld op grond van het vorige programma, de bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 vastgestelde Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen.

4.Zo nodig kunnen ook na 2027 kredieten in de begroting worden opgenomen ter dekking van de in artikel 4, lid 5, van deze verordening bedoelde uitgaven voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid.

Artikel 28
Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

1.3.Aard van het voorstel/initiatief

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.Duur en financiële gevolgen

1.6.Beheersvorm(en)

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.2.Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.Bijdragen van derden

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014.

1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

Europese strategische investeringen

1.3.Het voorstel/initiatief betreft:

◻ een nieuwe actie 

◻ een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie 42  

☑ de verlenging van een bestaande actie 

◻ de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie 

1.4.Motivering van het voorstel/initiatief

1.4.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief

Via de in 2014 opgerichte Connecting Europe Facility (CEF) verleent de EU steun voor investeringen in het trans-Europese netwerk (TEN) op het gebied van vervoer, energie en de digitale sector. Het gaat om een belangrijk programma dat de EU-prioriteiten ondersteunt: jobcreatie, groei en investeringen, de energie-unie, de digitale eengemaakte markt, klimaatmaatregelen, een sociaal Europa, de interne markt en handel. De CEF is gebaseerd op de respectieve sectorale richtsnoeren.

Voortbouwend op de positieve ervaring met de tenuitvoerlegging van de CEF voor de periode 2014-2020, stelt de Commissie de opvolger van de CEF voor in het kader van het algemene politieke proces ter voorbereiding van het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027. Het toepassingsgebied en de opzet van het nieuwe programma houden rekening met de veranderende beleidsprioriteiten en de algemene richtsnoeren van de centrale diensten van de Commissie inzake vereenvoudiging.

Hoewel de trans-Europese netwerken de belangrijkste prioriteiten van het programma blijven, wordt de werkingssfeer van de CEF na 2020 in de energiesector uitgebreid tot grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie (RES) en in de digitale sector geherdefinieerd als aanvulling op het nieuwe Programma Digitaal Europa (DEP). Meer specifiek:

In de vervoerssector draagt de CEF bij tot de voltooiing van beide lagen van het trans-Europese vervoersnetwerk: het TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 en het uitgebreide TEN-T tegen 2050. De CEF verleent ook steun voor de uitrol van verkeersbeheersystemen voor alle vervoerswijzen en helpt de EU de omslag maken naar schone en geconnecteerde mobiliteit. Waar nodig, verleent de CEF ook steun voor de aanpassing van het TEN-T-netwerk aan de behoeften op het gebied van militaire mobiliteit

In de energiesector draagt de CEF bij tot het voltooien van de trans-Europese energienetwerken middels de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang voor de verdere integratie van de interne energiemarkt en de interoperabiliteit van de netwerken over grenzen en sectoren heen. Voorts bevordert de CEF samenwerking tussen de lidstaten bij de planning en ontwikkeling van grensoverschrijdende hernieuwbare energie met het oog op een kosteneffectieve realisatie tegen 2030.

In de digitale sector draagt de CEF bij tot het behalen van de doelstellingen op het gebied van digitale connectiviteit van de strategie voor de gigabitmaatschappij, tot de weerbaarheid en capaciteit van de digitale netwerken van de Unie dankzij internationale connectiviteit en tot de digitalisering van de energie- en mobiliteitsnetwerken om grensoverschrijdende diensten op die twee gebieden mogelijk te maken.

Voor de uitvoering van het programma wordt voorgesteld verder te werken met een efficiënte gerichte uitvoering onder direct beheer van de Commissie. De eventuele verlenging van de delegatie aan het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) 43 wordt gekoppeld aan de resultaten van de kosten-batenanalyse en de daaruit voortvloeiende besluiten. Alle noodzakelijke aanpassingen zullen worden gedaan om in te spelen op de nieuwe structuur die garant moet staan voor efficiëntie, meer flexibiliteit, coherentie en synergieën, vereenvoudiging en aandacht voor prestaties.

Het is de bedoeling dat het programma vanaf de start in 2021 onmiddellijk operationeel is. De tijdige lancering van de CEF en de vroegtijdige toewijzing van EU-middelen aan begunstigden vergt intensieve voorbereidingen in de aanloopfase. Een efficiënte coördinatie tussen de rechtstreeks betrokken diensten is een absolute voorwaarde voor de uitwerking van een robuuste projectpijplijn en de tijdige planning van de werkprogramma’s/oproepen voor alle CEF-sectoren (met inbegrip van de specifieke cohesie-envelop, synergieoproepen, blending of combinatie van subsidies met financiële instrumenten van derden enz.).

1.4.2.Toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, o.a. coördinatiewinst, rechtszekerheid, een grotere doeltreffendheid en complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder "toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie" verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die zou zijn gecreëerd indien alleen de lidstaat een maatregel had getroffen.

Redenen voor maatregelen op EU-niveau (ex ante)

Op grond van artikel 171 VWEU is de Unie bevoegd om te bepalen welke TEN-infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang zijn, terwijl de lidstaten bepalen hoe zij die projecten uitvoeren. Hetzelfde artikel verleent de Unie de bevoegdheid om steun te verlenen voor die projecten van gemeenschappelijk belang.

In de periode 2014-2020 heeft het CEF-programma steun verleend voor investeringen in vervoer, energie en digitale infrastructuur overeenkomstig de voornoemde artikelen van het Verdrag. De vereiste investeringen voor de TEN’s reiken verder dan 2020 en de omvang van de problemen overstijgt de beschikbare middelen van de lidstaten. TEN-T-projecten hebben immers per definitie een Europese dimensie en kunnen efficiënter op EU-niveau worden aangepakt. Samenwerking tussen de lidstaten zorgt voor grotere baten en een snellere uitvoering en drukt de kostprijs. Derhalve zijn maatregelen op EU-niveau op dit gebied gerechtvaardigd.

Een uitgebreid CEF-programma in de periode na 2020 zal het vereiste kader bieden voor de voortzetting van EU-steun voor trans-Europese vervoers-, energie- en digitale infrastructuur. Voor elke sector is financiële steun van de EU noodzakelijk om de volgende redenen:

Vervoer: De aanzienlijke investeringsbehoeften kunnen niet door de lidstaten alleen worden gedekt. In de staatsbegrotingen is er nog altijd sprake van een grote fiscale consolidatie, terwijl uit de tenuitvoerlegging van de CEF voor het TEN-T in de periode 2014-2016 blijkt dat financiële steun van de lidstaten en de particuliere sector cruciaal maar ontoereikend blijft voor projecten met een Europese dimensie.

Energie: Hoewel het merendeel van de projecten van gemeenschappelijk belang in principe door de markt kan worden gefinancierd, is EU-steun voor een aantal projecten onontbeerlijk vanwege hun externe effecten (o.a. innovatie) en het investeringsvolume dat de capaciteit van het systeem om de sociale kosten te dragen overstijgt.

Hernieuwbare energie: Op dit moment is gezamenlijke ontwikkeling geen doelstelling van de toekenning van EU-steun voor hernieuwbare energie. Een EU-brede coördinatie van de ontplooiing van hernieuwbare energie en gerichte EU-steun kan de sectorale integratie faciliteren en extra investeringen op dit gebied stimuleren. Eventuele steun op dit gebied zou uitsluitend de kosten compenseren om de obstakels voor samenwerking over de lidstaatgrenzen heen en/of voor de integratie van sectoren weg te werken. Verwacht wordt dat dergelijke projecten in de toekomst meer door de markt zullen worden gefinancierd.

Digitalisering: De Europese economie en samenleving zijn sterk afhankelijk van de uitrol van data-infrastructuur die de ontwikkeling van nieuwe technologieën, diensten en toepassingen kan ondersteunen. Ontoereikende financiering en missing links in bestaande programma’s leiden tot aanhoudende lacunes in de infrastructuur voor breedbandconnectiviteit, waardoor het potentieel van de digitale economie van de EU niet volledig kan worden benut. Er is EU-actie nodig om een naadloze connectiviteit in de hele EU te waarborgen, hetgeen op zijn beurt enorme voordelen zal opleveren voor verschillende economische sectoren en de cohesie op het hele continent ten goede zal komen.

Verwachte gegenereerde toegevoegde waarde van de Unie (ex post) 

De CEF creëert toegevoegde waarde door de ontwikkeling van connectiviteit in de sectoren vervoer, energie en telecommunicatie, door de nadruk te leggen op publieke goederen met een Europese dimensie en op projecten die niet zonder EU-steun zouden kunnen worden gerealiseerd. De Europese meerwaarde van de CEF ligt in het vermogen van het programma om:

publieke en private middelen aan te wenden voor de beleidsdoelstellingen van de EU;

belangrijke investeringen mogelijk te maken wanneer de kosten worden gedragen op nationaal of lokaal niveau, maar de concrete voordelen zich op Europees niveau situeren;

de overgang naar een koolstofarme en digitale maatschappij te versnellen.

De EU-steun uit het nieuwe CEF-programma wordt toegespitst op acties met de grootse Europese toegevoegde waarde. Meer specifiek:

In de vervoerssector gaat het om de grensoverschrijdende verbindingen en bottlenecks op het kernnetwerk, de grootschalige invoering van verkeersbeheersystemen en belangrijke nieuwe prioriteiten, zoals alternatieve brandstoffen, digitalisering, veiligheid en militaire mobiliteit.

Op het gebied van energie gaat het om projecten van grensoverschrijdend belang voor elektriciteitstransmissie en -opslag, gas, CO2-transport en slimme netwerken op het raakvlak tussen de transmissie- en distributienetwerken, alsmede om intelligentere transmissienetwerken. Voorts wordt ingezet op grensoverschrijdende projecten voor de planning en ontwikkeling van hernieuwbare energie waarbij ten minste twee lidstaten zijn betrokken.

In de digitale sector dekt de CEF de projecten voor de ontwikkeling van digitale connectiviteit die naar verwachting een grote invloed hebben op de digitale eengemaakte markt, onder meer dankzij hun afstemming op de doelstellingen van de strategie voor de gigabit-samenleving, dankzij hun sterke grensoverschrijdende impact, synergieën tussen sectoren en de digitale diensten die zij mogelijk maken. Voorts worden projecten geprioriteerd op basis van de voordelen van uitvoering op EU-niveau, er rekening mee houdend dat enerzijds een aantal projecten niet gerealiseerd zou worden indien de lidstaten dat alleen zouden moeten doen en anderzijds dat een reeks afzonderlijke, ongecoördineerde interventies voor andere projecten niet hetzelfde effect op de digitale eengemaakte markt zouden hebben.

1.4.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

De bevindingen van de tussentijdse evaluatie van de CEF in de periode 2014-2020 en de openbare raadpleging over het toekomstige CEF-programma tonen aan dat er goede redenen zijn om het programma na 2020 voort te zetten.

De belangrijkste conclusies van de tussentijdse evaluatie van de CEF, door de Commissie aangenomen op 13 februari 2018, luidden als volgt:

“In het algemeen ligt de CEF na drie en een half jaar op schema. Gezien het vroege uitvoeringsstadium van het programma is het echter veel te vroeg om de resultaten te meten. Bovendien is gebleken dat het in de verordening opgenomen prestatiekader niet over welomschreven of robuuste indicatoren beschikt. Met dit voorbehoud in gedachten, leverde de evaluatie voor de CEF-sectoren de volgende resultaten op:

De CEF is een doeltreffend en doelgericht instrument voor investeringen in de trans-Europese infrastructuur voor vervoer, energie en de digitale sector. De CEF draagt bij tot de prioriteiten van de Commissie op het vlak van werkgelegenheid, groei en investeringen, de interne markt, de energie-unie, het klimaat en de digitale eengemaakte markt,

De CEF levert een grote Europese toegevoegde waarde voor alle lidstaten door de ondersteuning van connectiviteitsprojecten met een internationale dimensie.

Energieprojecten zorgen voor voorzieningszekerheid en zijn cruciaal voor het kosteneffectief koolstofarm maken van de economie. De CEF speelt ook een grote rol in de uitrol van EU-brede nieuwe systemen voor verkeersbeheer en verkeersveiligheid, krachtige elektriciteitsleidingen en slimme netwerken en de uitrol van breedband en onderling verbonden digitale diensten.

In de telecommunicatiesector heeft de dubbele focus van de CEF op internationale digitale diensten van algemeen belang en op communicatie- en computerinfrastructuur aangetoond dat het programma een belangrijke invloed heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt. Vanwege de beperkte middelen kan in het kader van de CEF-Telecom alleen steun worden verleend voor de allereerste stappen naar een volledige grensoverschrijdende digitale infrastructuur voor diensten van openbaar belang.

Om de TEN’s volgens de beleidsprioriteiten van de EU te voltooien, zijn nog steeds enorme investeringen nodig, die deels afhankelijk zijn van voortgezette EU-steun. Er kan meer openbare en private financiering worden aangetrokken als er extra EU-geld beschikbaar wordt gesteld om markttekortkomingen aan te pakken.”

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het programma, blijkt uit de beoordeling het volgende:

Het rechtstreekse beheer van CEF-subsidies is zeer efficiënt gebleken, met een sterke projectenpijplijn, een competitieve selectieprocedure, aandacht voor de beleidsdoelstellingen van de EU, een gecoördineerde uitvoering en de volledige betrokkenheid van de lidstaten. Het uitvoerend agentschap INEA heeft een zeer goede reputatie wat betreft het financieel beheer van de CEF.

Voor het eerst is een deel van de middelen voor cohesiebeleid aangewend onder rechtstreeks beheer in het kader van de CEF. Alle middelen werden toegekend in de eerste helft van de programmaperiode, bijna uitsluitend voor duurzame vervoerswijzen.

De CEF heeft bijgedragen tot het gebruik en de ontwikkeling van innovatieve financieringsinstrumenten, die echter niet vaak werden ingezet omdat het EFSI nieuwe mogelijkheden bood. Naar verwacht zullen de financiële instrumenten van de CEF meer worden gebruikt in de tweede helft van het programma, als de complementariteit met het EFSI verzekerd zal zijn.

In 2017 werden bij een oproep tot het indienen van vervoersprojecten voor het eerst subsidies gemengd met financieringsinstrumenten, zodat subsidies konden worden gebruikt om zoveel mogelijk private of openbare middelen aan te trekken.

De CEF heeft ook sectoroverschrijdende synergieën onderzocht, maar botste daarbij op de beperkingen van het huidige juridische en budgettaire kader. De flexibiliteit van de sectorale beleidsrichtsnoeren en het CEF-instrument moet worden vergroot om synergieën te faciliteren en beter te kunnen inspelen op nieuwe technologische ontwikkelingen en prioriteiten.

In de periode 2021-2027 zal de CEF verder worden afgestemd op de huidige politieke prioriteiten van de Commissie, met name de digitalisering en decarbonisatie. Dit zal de resultaten van de CEF ten goede komen omdat er misschien meer kansen op synergie zullen ontstaan.

De Commissie stelt voor om, net als in de periode 2014-2020, voor de uitvoering van de CEF te werken met direct beheer. Tegelijkertijd worden een aantal verbeteringen ingevoerd. Naar aanleiding van de behoefte aan duidelijk gedefinieerde indicatoren en andere aanbevelingen uit de tussentijdse evaluatie moeten een aantal aanpassingen worden gedaan om de CEF eenvoudiger en efficiënter te maken overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor vereenvoudiging.

Andere punten van verbetering betreffen de vermindering van de administratieve verplichtingen voor kleine subsidies, innovatieve vormen van ondersteuning, technische bijstand bij de projectvoorbereiding en de duurzaamheids-/klimaattoets voor bepaalde soorten projecten en synergieën. Het huidige gebrek aan flexibiliteit op het gebied van prioriteiten en reikwijdte van de steun, bijvoorbeeld om in te spelen op nieuwe beleidsprioriteiten of rekening te houden met de technologische ontwikkelingen, wordt ook aangepakt.

1.4.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Cohesiefonds (CF)/

EFRO

·Betere afbakening van het toepassingsgebied tussen de CEF en het EFRO/CF voor de sector vervoer 44 : De CEF is gericht op TEN-T-infrastructuur van grensoverschrijdend belang (onder meer door de tenuitvoerlegging van een enveloppe voor vervoer uit het Cohesiefonds) terwijl het ESIF focust op stedelijke, lokale en regionale mobiliteit.

·Een betere coördinatie en stroomlijning van de beleidsdoelstellingen en interventies middels voorafgaande voorwaarden voor investeringen in vervoer onder gedeeld beheer (om de volledige overeenstemming met het TEN-T te waarborgen).

·In het geval van energie, een duidelijke afbakening waarbij de CEF focust op het TEN-E (met inbegrip van slimme netwerken en de transmissie- en distributie-interface), terwijl het CF/EFRO focust op transmissie, distributie en opslag en slimme netwerken op nationaal en regionaal niveau. Het toenemende belang van investeringen op lokaal en regionaal niveau in een decentraal energiesysteem wijst op de blijvende of zelfs groeiende relevantie van CF/EFRO-financiering voor energie.

·Het CF/EFRO en de CEF worden afgestemd op het verlenen van coherente en aanvullende steun voor de strategische connectiviteitsdoelstellingen van de Unie in de digitale sector. Wat betreft één doelstelling waar zowel het CF/EFRO als de CEF geacht worden aan bij te dragen, dient de CEF markttekortkomingen aan te pakken met projecten die kunnen worden uitgevoerd dankzij subsidies met een lage intensiteit, terwijl het CF/EFRO wordt aangewend voor ernstige markttekortkomingen die subsidies met hogere bedragen en een hogere intensiteit vergen.

·Een betere afstemming van de regels inzake aanvragen, tenuitvoerlegging en toezicht.

InvestEU

·Geen financieel instrument binnen de CEF.

·De subsidies worden gericht op projecten die niet met financiële instrumenten kunnen worden ondersteund, of

·De subsidies worden gemengd met InvestEU (of andere particuliere financiering) om de financierbaarheid te waarborgen.

Programma Digitaal Europa

·Volgens de huidige definitie, zal Digitaal Europa toekomstige activiteiten omvatten met betrekking tot infrastructuur voor digitale diensten die onder de huidige CEF vallen.

·De in het kader van Digitaal Europa ontwikkelde diensten zullen gebruik maken van de via de CEF 2021-2027 ontwikkelde connectiviteitsinfrastructuur.

·De cyberbeveiliging die in het kader van Digitaal Europa wordt ontwikkeld, zal ook worden gebruikt voor de bescherming van de met steun van de CEF 2021-2027 gerealiseerde kritieke infrastructuur.

Horizon Europa

·Zoals in de huidige periode, wordt voor de ontwikkeling van innovatieve oplossingen steun verleend via het EU-onderzoeksprogramma Horizon Europa, terwijl de uitrol van innovatieve oplossingen die binnen de werkingssfeer van het programma vallen, wordt ondersteund door de nieuwe CEF (bv. voor alternatieve brandstoffen of digitale systemen voor verkeersbeheer). Er bestaat geen risico op overlappingen aangezien acties van Horizon 2020 en de CEF zich per definitie in een verschillend stadium van commerciële maturiteit bevinden.

1.5.Duur en financiële gevolgen

☑ beperkte geldigheidsduur

–☑    Loopt van 1.1.2021 t.e.m. 31.12.2027

–☑    Financiële gevolgen vanaf 2021 tot en met 2027 voor vastleggingskredieten en vanaf 2021 tot en met 2033 voor betalingskredieten.

◻ Onbepaalde duur

–Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.6.Beheersvorm(en) 45  

☑ Direct beheer door de Commissie

–☑    door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

–☑    door de uitvoerende agentschappen

◻ Gedeeld beheer met de lidstaten

☑ Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

–◻ derde landen of de door hen aangewezen organen;

–◻ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);

–◻ de EIB en het Europees Investeringsfonds;

–◻ de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

–☑ publiekrechtelijke organen;

–◻ privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

–◻ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

–◻ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

–Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Opmerkingen

Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement. Indirect beheer kan worden overwogen voor infrastructuur voor digitale connectiviteit voor sociaaleconomische actoren. Voor de toepassing van dit financieel memorandum wordt uitgegaan van direct beheer met het oog op de meest voorzichtige ramingen.

Afhankelijk van de uitkomst van een toekomstige kosten-batenanalyse voor de periode 2014-2020, kan het grootste deel van de begroting worden uitgevoerd middels delegatie aan een uitvoerend agentschap 46 . In dat geval zouden alleen programmaondersteunende acties direct door de diensten van de Commissie worden beheerd.

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen

Vermeld frequentie en voorwaarden.

Ten opzichte van de CEF 2014-2020, wordt een eenvoudiger maar robuuster prestatiekader gecreëerd om erop toe te zien dat de doelstellingen van het programma worden verwezenlijkt en dat het programma bijdraagt aan de doelstellingen van het EU-beleid. Er zullen indicatoren worden ontwikkeld om toe te zien op de tenuitvoerlegging en voortgang van het programma.

Het programma zal worden onderworpen aan een tussentijdse en een ex-postevaluatie om zijn doeltreffendheid, doelmatigheid, relevantie, coherentie en toegevoegde waarde te boordelen.

Met betrekking tot de acties, waarborgt het prestatieverslagleggingssysteem dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe zullen evenredige verslagleggingsvereisten worden opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en (in voorkomend geval) de lidstaten.

Er zullen regelmatige operationele verslagen worden gepubliceerd over het beheer en de financiële uitvoering om het toezicht op de programmadoelstellingen te ondersteunen.

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Het programma zal worden uitgevoerd door middel van direct beheer. Het kan worden gedelegeerd aan een uitvoerend agentschap, afhankelijk van de resultaten van de kosten-batenanalyse en de daaruit voortvloeiende besluiten. Sommige programmaondersteunende acties kunnen in dat geval direct door de diensten van de Commissie worden beheerd.

Een bestaand uitvoerend agentschap, INEA, beschikt over de nodige structuren en procedures voor het direct beheer van de CEF. Het INEA is opgericht voor het beheer van de TEN-T-projecten in de financieringsperiodes 2000-2006 en 2007-2013 en onder CEF 2014-2020.

De tussentijdse evaluatie van de CEF 2014-2020 heeft aangetoond dat het INEA de CEF-subsidies op basis van zijn huidige mandaat efficiënt heeft beheerd, met een sterke projectenpijplijn, een competitieve selectieprocedure, focus op de beleidsdoelstellingen van de EU, een gecoördineerde uitvoering en de volledige betrokkenheid van de lidstaten. INEA kan goede resultaten voorleggen op het gebied van zowel het begrotings- als financieel beheer van de CEF.

De mogelijkheid van indirect beheer kan worden overwogen voor infrastructuur voor digitale connectiviteit voor sociaaleconomische actoren.

Het programma wordt hoofdzakelijk uitgevoerd door middel van subsidies. De controlestrategie wordt daarop afgestemd en zal zich, conform het Financieel Reglement, toespitsen op drie belangrijke fasen van de tenuitvoerlegging van de subsidieverlening:

De organisatie van de oproepen tot het indienen van voorstellen en de selectie van voorstellen die aan de beleidsdoelstellingen van het programma beantwoorden;

Operationele, voorafgaande en monitoringcontroles van de tenuitvoerlegging van projecten, overheidsopdrachten, voorschotten, tussentijdse en saldobetalingen, beheer van zekerheden;

Controles achteraf van projecten en betalingen.

Die controlestrategie zal naar verwachting prestaties leveren die conform zijn met de maatstaven voor de eerste editie van het programma 47

~ 100 % van de vastleggings- en de betalingskredieten uitgevoerd;

~ 100 % van de begunstigden tijdig geïnformeerd;

~ Meer dan 95 % van de subsidieovereenkomsten tijdig ondertekend;

~ 100 % van de betalingen tijdig uitgevoerd;

~ residueel foutenpercentage onder de materialiteitsdrempel van 2 %.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken

De geïnventariseerde risico’s zijn grotendeels identiek aan de risico’s van het vorige programma:

vertraging bij de geplande ontwikkeling van de belangrijkste prioriteiten (corridors, projecten van gemeenschappelijk belang), door een ontoereikende marktrespons of een gebrek aan kwaliteit van de ingediende projecten;

vertraging bij de uitvoering van de projecten;

het risico op fouten en wanbeheer van EU-middelen;

wijzigende marktomstandigheden en met name een daling van de vraag naar infrastructuur, zoals tijdens de voorbije financiële crisis.

In dit verband wordt verwacht dat de risico’s van het nieuwe initiatief voor militaire mobiliteit identiek zullen zijn aan die van andere vervoersprojecten.

In de digitale sector zal de CEF financiering verlenen voor nieuwe types digitale projecten (5G-corridors, onderzeese kabels) die nog niet onder het CEF-programma vielen en waarbij nieuwe belanghebbenden betrokken zijn (bv. sociaaleconomische actoren zoals scholen, ziekenhuizen enz.). Daarom zal in het kader van de CEF voor de digitale sector steun worden verleend voor intensieve betrokkenheid van belanghebbenden alsook voor de ontwikkeling van projecten (waaronder technische bijstand). Bovendien hebben de maatregelen voor de uitrol van 5G-corridors betrekking op nieuwe technologieën die afhankelijk zijn van de marktontwikkelingen inzake industriële normen en de beschikbaarheid van nieuwe technologieën voor de vereiste hard- en software. De marktomstandigheden kunnen derhalve een invloed hebben op het tijdschema voor de uitvoering van specifieke acties.

Die risico’s moeten worden aangepakt door ervoor te zorgen dat aandacht wordt besteed aan het concurrentievermogen van de projectenpijplijn, door de nadruk te leggen op de bijdrage van die projecten aan de beleidsdoelstellingen en door te zorgen voor een systematische betrokkenheid van alle actoren door voldoende budgettaire flexibiliteit te handhaven. De ex-ante- en ex-postcontroles zullen worden aangepast aan de vermoedelijke risiconiveaus.

Die controles zullen daartoe worden ondersteund door een jaarlijkse bottom-up risicobeoordeling, een systematische beoordeling van het controlekader, door een passende rapportage van afwijkingen (uitzonderingen en register van niet-naleving) en corrigerende maatregelen naar aanleiding van de aanbevelingen van de dienst interne audit, de Europese Rekenkamer of de kwijtingverlenende autoriteit.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).

In de veronderstelling dat het nieuwe CEF-programma door de Commissie zou worden beheerd, zouden de controlekosten hoger liggen dan bij de huidige CEF en tussen 1 en 3 % van de betalingskredieten kunnen bedragen.

Kosten en baten van controles

De controlekosten van de huidige CEF werden verdeeld tussen de kosten van toezicht door de Commissie en de kosten van operationele controles door de uitvoerende instantie. De kosten voor de controle van de gerelateerde financiële instrumenten, die geen deel uitmaken van de nieuwe CEF, zijn afzonderlijk bekeken.

De kosten van de controles door de drie betrokken directoraten-generaal van de Commissie worden geraamd 48 op ongeveer 0,1 % van de betalingskredieten op programmaniveau.

Die controles moeten een soepel en doelmatig toezicht door de bevoegde directoraten-generaal op het Agentschap waarborgen en op Commissieniveau de nodige mate van zekerheid bieden.

Bij een gelijke omvang van het programma kan verwacht worden dat de kosten voor toezicht door de Commissie zullen stijgen vanwege de uitgebreide eisen inzake het toezicht op uitvoerende agentschappen en de extra inspanningen in verband met de waarborgen betreffende de nieuwe onderdelen van het programma, zoals militaire mobiliteit.

Vanuit historisch perspectief is het controlekader van het INEA stabiel gebleken en vertegenwoordigden de controlekosten ongeveer 0,95 % van de operationele betalingen voor respectievelijk 2015 en 2016. In zijn jaarverslag 2017 raamde INEA de kosten voor de controle op de CEF (incl. nog te betalen vastleggingen) op 20 miljoen EUR ofwel 1,25 % van de totale operationele betalingen (1602,2 miljoen EUR).

Overwegende dat het nieuwe CEF-programma, wat de aard en omvang van de projecten betreft, een voortzetting is van de huidige CEF, wordt verwacht dat de kosten van controle door de entiteit, in afwachting van de geplande kosten-batenanalyse, grotendeels in dezelfde orde van grootte zullen blijven, hoewel de capaciteitsopbouw die nodig is voor de start van de nieuwe programmaonderdelen tot een stijging van de controlekosten kan leiden.

De controles leveren de volgende voordelen op:

–    voorkomen dat zwakke of ontoereikende voorstellen worden geselecteerd;

–    de planning en het gebruik van de EU-middelen optimaliseren om de toegevoegde waarde van de EU te behouden;

–    de kwaliteit van de subsidieovereenkomsten waarborgen door fouten bij de identificatie van juridische entiteiten te vermijden, een correcte berekening van de EU-bijdragen te waarborgen en te zorgen voor de nodige garanties voor een correcte tenuitvoerlegging van de subsidies;

–    niet-subsidiabele kosten opsporen in de betalingsfase;

–    tijdens de controlefase fouten opsporen die de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen in het gedrang brengen.

De mogelijkheid om met vereenvoudigde kostenopties te werken wordt bekeken op basis van een kosten-batenanalyse van het effect van die opties op het foutenpercentage, op de kosten van controles en op de effectiviteit en efficiency van de controles.

Geschat foutenpercentage

In het kader van het CEF-programma was 2017 het eerste jaar van de controlecampagne. Voor de CEF-vervoer en -energie zijn op dit moment beperkte controleresultaten beschikbaar. Het resterende foutenpercentage voor alle CEF-sectoren wordt op 1 tot 2 % geraamd. Die raming blijft geldig voor de CEF2.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

De directoraten-generaal van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor de uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties dienen de financiële belangen van de Unie te beschermen overeenkomstig de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (COM(2011) 376 van 24 juni 2011) en de geplande herziening daarvan. De antifraudebepalingen voorzien met name in preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten; doeltreffende controles, de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, indien er onregelmatigheden worden geconstateerd, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad.

DG CNECT, DG MOVE en DG ENER, alsook het uitvoerende agentschap INEA, hebben hun fraudebestrijdingsstrategie en de daaraan gerelateerde actieplannen die de hele uitgavencyclus bestrijken geactualiseerd (MOVE: november 2017, ENER: december 2017), of zullen dat tegen eind 2019 doen (DG CNECT, INEA), rekening houdend met de evenredigheid en de kosten-baten van de uit te voeren maatregelen, zodat de risico’s van het programma kunnen worden beoordeeld.

De diensten van de Commissie zien erop toe dat hun beleid inzake frauderisicobeheer erop gericht is gebieden met een hoog risico op te sporen, rekening houdende met een sectorspecifieke kostenbatenanalyse en de door OLAF uitgevoerde werkzaamheden inzake fraudepreventie en risicoanalyse.

De administratieve monitoring van de contracten, subsidies en de gerelateerde betalingen vallen onder de bevoegdheid van het INEA. De fraudebestrijdingsstrategie wordt om de twee jaar bijgewerkt. De laatste herziening gebeurde eind 2016. Het Agentschap ontwikkelt zijn eigen fraudebestrijdingsmaatregelen, met inbegrip van een strategie voor ex-postcontroles om de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen te beoordelen en ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen. INEA wordt jaarlijks onderworpen aan de controle van de Europese Rekenkamer op de getrouwheid van het beeld van de rekeningen en van de wettigheid en regelmatigheid van zijn onderliggende verrichtingen (inkomsten en uitgaven) en het Agentschap is onderworpen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedures van het Europees Parlement en de Raad van de EU.

De contracten voor subsidies en overheidsopdrachten die door de uitvoerende DG’s of INEA worden gesloten, zijn gebaseerd op standaardmodellen waarin de algemeen geldende fraudebestrijdingsmaatregelen zijn opgenomen, met inbegrip van de controlebevoegdheid, controles ter plaatsen en de hierboven genoemde inspecties. De Commissie, haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer zullen de bevoegdheid hebben om op basis van documenten of ter plaatse audits uit te voeren bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is gemachtigd om controles en inspecties ter plaatse te verrichten van marktdeelnemers die rechtstreeks of onrechtstreeks bij dergelijke financiering zijn betrokken, overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld in Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 teneinde na te gaan of er, in verband met een subsidieovereenkomst of een besluit of contract betreffende Uniefinanciering, sprake is van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten die gevolgen hebben voor de financiële belangen van de Europese Unie. Het Europees Openbaar Ministerie (EMO) kan overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad.



3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek van het meerjarig financieel kader en voorgesteld(e) nieuw(e) begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

Rubriek van het meerjarige financiële kader:

Begrotingsonderdeel

Soort
krediet

Bijdrage

1 – Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

2 – Cohesie en waarden

3 – Veiligheid en defensie

GK/NGK 49 .

van EVA-landen 50

van kandidaat-lidstaten 51

van derde landen

in de zin van [artikel 21, lid 2, onder b),] van het Financieel Reglement

02 03 01 Connecting Europe Facility – specifieke doelstelling CEF-Vervoer

05 03 Bijdrage Cohesiefonds aan de Connecting Europe Facility – specifieke doelstelling CEF-Vervoer

13 03 Specifieke doelstelling militaire mobiliteit onder CEF-Vervoer

02 03 02 CEF – Specifieke doelstelling CEF-energie

02 03 03 CEF – Specifieke doelstelling CEF-digitale sector

Administratieve ondersteuning van de CEF

GK

GK

GK

GK

GK

NGK

JA

NEE

JA

NEE

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel
kader

1, 2, 5

1 – Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

2 – Cohesie en waarden

3 – Veiligheid en defensie

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

02 03 01 Connecting Europe Facility — Vervoer

Vastleggingen

1.

1 717,800

1 752,656

1 787,509

1 823,359

1 861,206

1 898,051

1 935,892

 

12 776,473

Betalingen

2.

212,678

787,447

1 000,889

1 157,909

1 301,191

1 439,954

1 510,550

5 365,855

12 776,473

05 03 Bijdrage uit het Cohesiefonds aan de Connecting Europe Facility — Vervoer

Vastleggingen

1.

1 435,757

1 487,467

1 543,787

1 601,874

1 661,779

1 723,866

1 788,588

 

11 243,118

Betalingen

2.

77,593

498,789

522,922

542,758

563,230

584,362

606,284

7 847,181

11 243,118

13 03 Connecting Europe Facility — Militaire mobiliteit

Vastleggingen

1.

871,300

889,266

908,231

926,196

945,160

964,123

983,086

 

6 487,362

Betalingen

2.

109,577

400,629

509,443

588,928

661,407

731,950

767,571

2 717,857

6 487,362

02 03 02 Connecting Europe Facility — Energie

Vastleggingen

1.

1 158,000

1 180,900

1 204,798

1 229,694

1 254,588

1 279,480

1 307,200

 

8 614,659

Betalingen

2.

107,636

418,723

498,757

572,186

604,053

623,041

641,070

5 149,194

8 614,659

02 03 03 Connecting Europe Facility — Digitalisering

Vastleggingen

1.

394,800

402,636

411,469

419,298

428,124

435,947

446,765

 

2 939,039

Betalingen

2.

22,827

142,297

200,809

234,226

250,232

257,186

262,325

1 569,136

2 939,039

Administratieve ondersteuning van de CEF 52

Vastleggingen = betalingen

3.

27,800

28,356

28,923

29,502

30,092

30,693

31,307

206,673

TOTAAL kredieten voor het budget van het programma

Vastleggingen

=1+3

5 605,457

5 741, 281

5 884,717

6 029,923

6 180,949

6 332,159

6 491,007

42 265,493

Betalingen

=2+3

558,111

2 276,241

2 761,743

3 125,509

3 410,205

3 667,185

3 817,276

22 649,223

42 265,493



Rubriek van het meerjarig financieel
kader

7.

"Administratieve uitgaven"

Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de "administratieve begrotingsgegevens", die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum , te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

Personele middelen

22,283

22,252

21,714

20,073

19,228

18,137

17,190

140,877

Andere administratieve uitgaven

8,805

9,947

10,192

10,479

9,852

9,840

10,695

69,811

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(Totaal vastleggingen = totaal betalingen)

31,089

32,199

31,906

30,552

29,080

27,977

27,886

210,688

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Na 2027

TOTAAL

TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN
van het meerjarig financieel kader
 

Vastleggingen

5 636,546

5 773,480

5 916,623

6 060,475

6 210,029

6 360,136

6 518,893

42 476,181

Betalingen

589,200

2 308,440

2 793,649

3 156,061

3 439,285

3 695,162

3 845,162

22 649,223

42 476,181

3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

–◻    Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

–X Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

22,283

22,252

21,714

20,073

19,228

18,137

17,190

140,877

Andere administratieve uitgaven

8,805

9,947

10,192

10,479

9,852

9,840

10,695

69,811

RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

31,089

32,199

31,906

30,552

29,080

27,977

27,886

210,688

Buiten RUBRIEK 7 53
van het meerjarig financieel kader

Personele middelen

Andere administratieve
uitgaven

27,800

28,356

28,923

29,502

30,092

30,693

11,307

206,673

Subtotaal
buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader

27,800

28,356

28,923

29,502

30,092

30,693

31,307

206,673

TOTAAL

58,889

60,555

60,829

60,053

59,171

58,670

59,193

417,361

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.2.1.Geraamde personeelsbehoeften

–◻    Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

–◻    Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

•Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

(zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

93

90

83

75

71

67

88

Delegaties

Onderzoek

•Extern personeel (in voltijdequivalenten - VTE) — AC, AL, END, INT en JED  54

Rubriek 7

Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader 

- zetel

122

128

133

126

122

116

85

- delegaties

Gefinancierd uit het budget van het programma  55

- zetel

- delegaties

Onderzoek

Andere (geef aan welke)

TOTAAL

215

218

216

201

193

183

173

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

·Beleidsontwikkeling en strategie

·Ondersteuning van regionale en thematische fora voor de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang

·Coördinatie en overleg met alle belanghebbenden (lidstaten, derde landen, andere directoraten-generaal van de Commissie en andere EU-instellingen, thematische en regionale fora, enz.).

·Opstelling van het jaarlijks werkprogramma

·Selectieprocedure

·Beheer van de jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen en selectie van projecten voor financiële steun van de EU

·Operationeel en financieel projectbeheer

·Evaluaties

Extern personeel

·Ondersteuning van regionale en thematische fora voor de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang

·Ondersteuning van de selectieprocedure

·Ondersteuning van het beheer van de jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen en selectie van projecten voor financiële steun van de EU

·Ondersteuning van het financieel en projectbeheer

·Ondersteuning voor de organisatie van de evaluaties

3.2.3.Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

–◻ voorziet niet in medefinanciering door derden

–x    voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

Jaren

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

Medefinancieringsbron 

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

TOTAAL medegefinancierde kredieten

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

–x    Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

–◻    Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

voor de eigen middelen

voor de overige inkomsten

Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven ◻    

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Gevolgen van het voorstel/initiatief 56

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Artikel ….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

[…]

Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

[…]

(1)     https://ec.europa.eu/commission/publications/factsheets-long-term-budget-proposals_nl
(2)    Mededeling: “Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt en verdedigt: het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027”, COM(2018) 321/4 van 2 mei 2018.
(3)    JOIN(2017) 41.
(4)    JOIN(2018) 5.
(5)    Verordening (EU) nr. 1315/2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk, art. 38.
(6)    COM(2017) 283 — Mededeling van de Commissie „Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen”.
(7)    Verordening (EU) nr. 347/2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur.
(8)    COM(2016) 860 final.
(9)    Gigabitconnectiviteit voor alle belangrijke sociaaleconomische actoren, hoogwaardige 5G-connectiviteit, toegang tot internetverbindingen met een downloadsnelheid van minstens 100 Mbps, op te waarderen tot gigabitsnelheden voor alle Europese huishoudens, ook in plattelandsgebieden, cf. “Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij”, (COM(2016) 587).
(10)    Een connectieve digitale interne markt. COM(2017) 228.
(11)    Artikel 27 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013.
(12)    COM(2018) 65 final.
(13)    SWD(2016) 416.
(14)    De wijzigingen van de effectbeoordeling naar aanleiding van het advies van de Raad zijn toegelicht in bijlage 1 van de effectbeoordeling.
(15)    COM(2018) 66 final.
(16)    PB C van , blz. .
(17)    PB C van , blz. .
(18)    COM(2018) 321, blz. 13.
(19)    Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(20)    Mededeling van de Commissie „Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen” – COM(2017) 283.
(21)    Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(22)    Mededeling van de Commissie „ Invulling geven aan emissiearme mobiliteit – Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt” – COM(2017) 675.
(23)    COM(2018) 293.
(24)    JOIN(2017) 41.
(25)    JOIN(2018) 5.
(26)    COM(2017) 623 final.
(27)    Verordening (EU) Nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).
(28)    COM(2017) 718.
(29)    Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 14).
(30)    COM(2016) 587 final.
(31)    PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(32)    Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(33)    Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(34)    Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(35)    Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(36)    Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(37)    PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(38)    COM(2018) 65.
(39)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven, PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1
(40)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(41)    Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).
(42)    In de zin van artikel 58, lid 2, onder a) of b), van het Financieel Reglement.
(43)        Zie punt 1.6.
(44)    Onder voorbehoud van definitieve besluiten over het toepassingsgebied en de begroting van elk programma.
(45)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: https://myintracomm.ec.europa.eu/budgweb/EN/man/budgmanag/Pages/budgmanag.aspx  
(46)    Het programma kan (gedeeltelijk) worden gedelegeerd aan een uitvoerend agentschap, afhankelijk van het resultaat van de kosten-batenanalyse en de daaruit voortvloeiende besluiten; de bijbehorende administratieve kredieten voor de uitvoering van het programma in de Commissie en het uitvoerend agentschap zullen dienovereenkomstig worden aangepast.
(47)    Op basis van het jaarlijks activiteitenverslag 2017 van het INEA.
(48)    De strategische en beleidsmatige aspecten van het programma of het toezicht op de gedelegeerde instrumenten van de CEF zitten niet in die raming.
(49)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(50)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(51)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(52)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(53)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek. Het omvat de bedragen die nodig zijn voor het beheer van nog te betalen vastleggingen ("de erfenis") van de programma’s 2014-2020 die momenteel door een uitvoerend agentschap worden beheerd
(54)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JPD = junior professionals in delegatie.
(55)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).
(56)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
Top

Brussel,6.6.2018

COM(2018) 438 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad

tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014

{SEC(2018) 292 final}
{SWD(2018) 312 final}
{SWD(2018) 313 final}


BIJLAGE

DEEL I — INDICATOREN

Op het programma wordt nauwlettend toezicht uitgeoefend aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede met het oog op het beperken van de administratieve lasten en de kosten. Daartoe zullen gegevens worden verzameld met betrekking tot onderstaande indicatoren.

Sectoren

Specifieke doelstellingen

Indicatoren

Vervoer

Efficiënte en onderling verbonden netwerken en infrastructuur voor slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit

Het aantal grensoverschrijdende verbindingen en missing links die met CEF-steun zijn aangepakt (met inbegrip van stedelijke knooppunten, zeehavens, binnenhavens en terminals voor overslag tussen weg- en spoorvervoer op het TEN-T-kernnetwerk)

Aantal door de CEF ondersteunde acties voor de digitalisering van vervoer

Het aantal bevoorradingspunten voor alternatieve brandstoffen die met CEF-steun zijn gecreëerd of gemoderniseerd

Aantal door de CEF ondersteunde acties die de veiligheid van vervoer verbeteren.

Aanpassing aan militaire mobiliteitseisen

Aantal infrastructuurcomponenten die zijn aangepast aan de militaire mobiliteitseisen

Energie

Bijdrage aan de interconnectiviteit en integratie van markten

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om lidstaten met elkaar te verbinden en interne knelpunten weg te werken

Voorzieningszekerheid

Aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om de veerkracht van het gasnetwerk te waarborgen

Het aantal CEF-acties op het gebied van slimmere netwerken, de digitalisering van netwerken en een toename van de energieopslagcapaciteit

Duurzame ontwikkeling dankzij projecten die de decarbonisatie mogelijk maken

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten die een toename van het aandeel van hernieuwbare energie in de energiesystemen mogelijk maken.

Aantal CEF-acties in het kader van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie

Digitalisering

Bijdrage tot de ontwikkeling van infrastructuur voor digitale connectiviteit in de hele Europese Unie

Nieuwe aansluitingen op netwerken met een zeer hoge capaciteit voor sociaaleconomische actoren en hoogwaardig draadloos internet voor lokale gemeenschappen

Aantal CEF-acties voor 5G-connectiviteit op belangrijke transportroutes

Aantal CEF-acties voor nieuwe aansluitingen van huishoudens op netwerken met een zeer hoge capaciteit

Aantal CEF-acties die bijdragen tot de digitalisering van vervoer en energie

DEEL II: INDICATIEVE PERCENTAGES VOOR DE SECTOR VERVOER

De budgettaire middelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), punten i) en ii), worden als volgt verdeeld:

–60 % voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties: „acties in verband met efficiënte en onderling verbonden netwerken”;

–40 % voor de in artikel 9, lid 2, onder b), genoemde acties: „acties in verband met slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit”.

Voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties worden 75 % van de begrotingsmiddelen toegewezen aan acties op de kernnetwerkcorridors, 10 % aan acties op andere segmenten van het kernnetwerk en 15 % aan acties op het uitgebreide netwerk.

DEEL III: KERNNETWERKCORRIDORS EN VOORAF GESELECTEERDE SEGMENTEN; VOORAF GESELECTEERDE SEGMENTEN VAN HET UITGEBREIDE NETWERK

1.Kernnetwerkcorridors en vooraf geselecteerde segmenten



Atlantische kernnetwerkcorridor

Verloop

Gijón – León – Valladolid

A Coruña – Vigo – Orense – León –

Zaragoza – Pamplona/Logroño – Bilbao

Tenerife/Gran Canaria – Huelva/Sanlúcar de Barrameda – Sevilla – Córdoba

Algeciras – Bobadilla – Madrid

Sines/Lissabon – Madrid – Valladolid

Lissabon – Aveiro – Leixões/Porto – Dourorivier

Aveiro – Valladolid – Vitoria-Gasteiz – Bergara – Bilbao/Bordeaux – Tours – Parijs – Le Havre/Metz – Mannheim/Straatsburg

Saint Nazaire – Nantes – Tours

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Evora – Merida

Spoor

Vitoria-Gasteiz – San Sebastian – Bayonne – Bordeaux

Aveiro – Salamanca

Dourorivier (Via Navegável do Douro)

Binnenwateren

Kernnetwerkcorridor Oostzee – Adriatische Zee

Verloop

Gdynia – Gdańsk – Katowice/Sławków

Gdańsk – Warschau – Katowice

Katowice – Ostrava – Brno – Wenen

Szczecin/Świnoujście – Poznań – Wrocław – Ostrava

Katowice – Žilina – Bratislava – Wenen

Wenen – Graz– Villach – Udine – Trieste

Udine – Venetië – Padova – Bologna – Ravenna – Ancona

Graz – Maribor – Ljubljana – Koper/Trieste

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Katowice – Ostrava

Katowice – Žilina

Opole – Ostrava

Bratislava – Wenen

Graz – Maribor

Trieste – Divača

Spoor

Katowice – Žilina

Brno – Wenen

Weg

Missing links

Gloggnitz – Mürzzuschlag: Semmeringbasistunnel

Graz – Klagenfurt: Koralmspoorlijn en tunnel

Koper – Divača

Spoor

Mediterrane kernnetwerkcorridor

Verloop

Algeciras – Bobadilla – Madrid – Zaragoza – Tarragona

Sevilla – Bobadilla – Murcia

Cartagena – Murcia – Valencia – Tarragona/Palma de Mallorca – Barcelona

Tarragona – Barcelona – Perpignan – Marseille – Genève/Lyon – Turijn – Novara – Milaan – Bologna/Verona – Padova – Venetië – Ravenna/Trieste/Koper – Ljubljana – Boedapest

Ljubljana/Rijeka – Zagreb – Boedapest – Oekraïense grens

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Lyon – Turijn: basistunnel en toegangswegen

Spoor

Nice – Ventimiglia

Trieste – Divača

Ljubljana – Zagreb

Zagreb – Boedapest

Boedapest – Miskolc – Oekraïense grens

Lendava — Letenye

Weg

Vásárosnamény – Oekraïense grens

Missing links

Perpignan – Montpellier

Spoor

Koper – Divača

Rijeka – Zagreb

Milaan – Cremona – Mantova – Porto Levante/Venetië – Ravenna/Trieste

Binnenwateren

Kernnetwerkcorridor „Noordzee – Oostzee”

Verloop

Luleå – Helsinki – Tallinn – Riga

Ventspils – Riga

Riga – Kaunas

Klaipeda – Kaunas – Vilnius

Kaunas – Warschau

Belarussische grens – Warschau – Łódź – Poznań – Frankfurt/Oder – Berlijn – Hamburg – Kiel

Łódź – Katowice/Wrocław

Katowice – Wrocław – Falkenberg – Magdeburg

Szczecin/Świnoujście – Berlijn – Magdeburg – Braunschweig – Hannover

Hannover – Bremen – Bremerhaven/Wilhelmshaven

Hannover – Osnabrück – Hengelo – Almelo – Deventer – Utrecht

Utrecht – Amsterdam

Utrecht – Rotterdam – Antwerpen

Hannover – Keulen – Antwerpen

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Tallinn – Riga – Kaunas – Warschau Rail Baltica: nieuwe volledig interoperabele spoorlijn op UIC-breedte

Spoor

Świnoujście/Szczecin – Berlijn

Spoor/binnenwateren

De „Via Baltica” corridor EE-LV-LT-PL

Weg

Missing links

Kaunas – Vilnius

Spoor

Warschau/Idzikowice — Poznań/Wrocław, inclusief verbindingen met de geplande Central Transport Hub

Kielkanaal

Binnenwateren

Berlijn — Magdeburg — Hannover; Mittellandkanaal; Westelijke Duitse kanalen

Rijn, Waal

Noordzeekanaal, IJssel, Twentekanaal



Kernnetwerkcorridor „Noordzee – Middellandse Zee”

Verloop

Belfast – Dublin – Shannon Foynes/Cork

Glasgow/Edinburgh – Liverpool/Manchester – Birmingham

Birmingham – Felixstowe/Londen/Southampton

London – Rijsel – Brussel

Amsterdam – Rotterdam – Antwerpen – Brussel – Luxemburg

Luxemburg – Metz – Dijon – Macon – Lyon – Marseille

Luxemburg – Metz – Straatsburg – Bazel

Antwerpen/Zeebrugge – Gent – Duinkerke/Rijsel – Parijs

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Brussel – Luxemburg – Straatsburg

Spoor

Terneuzen – Gent

Binnenwateren

Seine-Scheldenetwerk en de daarmee verbonden stroomgebieden van de Seine, Schelde en Maas

Rijn-Scheldecorridor

Missing links

Albertkanaal/Kanaal Bocholt-Herentals

Binnenwateren

Duinkerke – Rijsel

Kernnetwerkcorridor “Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee”

Verloop

Hamburg – Berlijn

Rostock – Berlijn – Dresden

Bremerhaven/Wilhelmshaven – Magdeburg – Dresden

Dresden – Ústí nad Labem – Melnik/Praag – Lysá nad Labem/Poříčany – Kolin

Kolin – Pardubice – Brno – Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Timişoara – Craiova – Calafat – Vidin – Sofia

Sofia – Plovdiv – Burgas

Plovdiv – Turkse grens – Alexandropouli – Kavala – Thessaloniki – Ioannina – Kakavia/Igoumenitsa

Fyrom-grens – Thessaloniki

Sofia – Thessaloniki – Athene – Piraeus/Ikonio – Heraklion – Lemesos (Vasiliko) – Lefkosia

Athene – Patras/Igoumenitsa

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Dresden – Praag

Spoor

Wenen/Bratislava – Boedapest

Békéscsaba – Arad

Calafat – Vidin – Sofia – Thessaloniki

Turkse grens – Alexandropouli

Fyrom-grens – Thessaloniki

Ioannina – Kakavia (Grieks-Albanese grens)

Weg

Hamburg – Dresden – Praag – Pardubice

Binnenwateren

Missing link

Thessaloniki – Kavala

Spoor

Kernnetwerkcorridor “Rijn – Alpen”

Verloop

Genua – Milaan – Lugano – Bazel

Genua – Novara – Brig – Bern – Bazel – Karlsruhe – Mannheim – Mainz – Koblenz – Keulen

Keulen – Düsseldorf – Duisburg – Nijmegen/Arnhem – Utrecht – Amsterdam

Nijmegen – Rotterdam – Vlissingen

Keulen – Luik – Brussel – Gent

Luik – Antwerpen – Gent – Zeebrugge

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Zevenaar – Emmerich – Oberhausen

Spoor

Karlsruhe – Bazel

Milaan/Novara – Zwitserse grens

Bazel – Antwerpen/Rotterdam – Amsterdam

Binnenwateren

Missing link

Genua – Tortona/Novi Ligure

Spoor

Kernnetwerkcorridor “Rijn – Donau”

Verloop

Straatsburg – Stuttgart – München – Wels/Linz

Straatsburg – Mannheim – Frankfurt – Würzburg – Nürnberg – Regensburg – Passau – Wels/Linz

München/Nürnberg – Praag – Ostrava/Přerov – Žilina – Košice – Oekraïense grens

Wels/Linz – Wenen – Bratislava – Boedapest – Vukovar

Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Brašov/Craiova – Boekarest – Constanța – Sulina

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

München – Praag

Spoor

Nürnberg – Plzen

München – Mühldorf – Freilassing – Salzburg

Straatsburg – Kehl Appenweier

Hranice – Žilina

Wenen – Bratislava/Boedapest

Bratislava – Boedapest

Békéscsaba – Arad

Donau (Kehlheim – Constanța/Midia/Sulina) en de stroomgebieden van de Sava en de Tisza

Binnenwateren

Zlín – Žilina

Weg

Missing link

Stuttgart – Ulm

Spoor

Salzburg – Linz

Arad – Craiova

Boekarest – Constanța

Mediterrane kernnetwerkcorridor “Scandinavië – Middellandse Zee”

Verloop

Russische grens – Hamina/Kotka – Helsinki – Turku/Naantali – Stockholm – Örebro – Malmö

Narvik/Oulu – Luleå – Umeå – Stockholm

Oslo – Göteborg – Malmö – Trelleborg

Malmö – Kopenhagen – Fredericia – Aarhus – Aalborg – Hirtshals/Frederikshavn

Kopenhagen – Kolding/Lübeck – Hamburg – Hannover

Bremerhaven – Bremen – Hannover – Nürnberg

Rostock – Berlijn – Leipzig – München

Nürnberg – München – Innsbruck – Verona – Bologna – Ancona/Firenze

Livorno/La Spezia – Firenze – Rome – Napels – Bari – Taranto – Valletta

Napels – Gioia Tauro – Palermo/Augusta – Valletta

Vooraf geselecteerde segmenten

Grensoverschrijdende verbindingen

Russische grens – Helsinki

Spoor

Kopenhagen – Hamburg: Toegangswegen tot de vaste Fehmarnbeltverbinding

München – Wörgl – Innsbruck – Fortezza – Bolzano – Trento – Verona: Brennerbasistunnel en toegangswegen

Kopenhagen – Hamburg: Vaste Fehmarnbeltverbinding

Rail/weg

2.Vooraf geselecteerde segmenten op het uitgebreide netwerk

De grensoverschrijdende segmenten van het uitgebreide netwerk als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a), punt ii), van deze verordening omvatten met name de volgende verbindingen:

Dublin – Strabane – Letterkenny

Weg

Pau – Huesca

Spoor

Lyon – Zwitserse grens

Spoor

Athus – Mont-St.-Martin

Spoor

Antwerpen – Duisburg

Spoor

Bergen – Valenciennes

Spoor

Gent – Terneuzen

Spoor

Heerlen – Aken

Spoor

Groningen – Bremen

Spoor

Stuttgart – Zwitserse grens

Spoor

Berlijn – Rzepin/Horka – Wrocław

Spoor

Praag – Linz

Spoor

Villach – Ljubljana

Spoor

Pivka – Rijeka

Spoor

Plzeň – České Budějovice – Wenen

Spoor

Wenen — Györ

Spoor

Graz — Györ

Spoor

Neumarkt – Kalham – Mühldorf

Spoor

Ambercorridor PL-SK-HU

Spoor

Corridor Via Carpathia Belarussische/Oekraïense grens-PL-SK-HU-RO

Weg

Boedapest – Osijek – Svilaj (Bosnië en Herzegovina)

Weg

Faro – Huelva

Spoor

Porto – Vigo

Spoor

Giurgiu – Varna/Bourgas

Spoor

Svilengrad – Pithio

Spoor

DEEL IV: Selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

1.Doelstelling van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten de grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten bevorderen voor de planning, ontwikkeling en kosteneffectieve exploitatie van hernieuwbare energiebronnen.

2.Algemene criteria

Om in aanmerking te komen voor selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie moet een project voldoen aan alle hierna genoemde criteria:

(a)het project wordt opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen lidstaten en/of tussen lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 6, 7, 9 of 11 van Richtlijn 2009/28/EG;

(b)het project levert kostenbesparingen op bij de uitrol van hernieuwbare energie en/of voordelen op het gebied van systeemintegratie, voorzieningszekerheid of innovatie in vergelijking met een soortgelijk project dat door slechts één van de deelnemende lidstaten zou worden uitgevoerd;

(c)de potentiële algemene voordelen van samenwerking wegen zwaarder dan de kosten ervan, ook op langere termijn, zoals beoordeeld op basis van de kosten-batenanalyse als bedoeld in punt 3 en aan de hand van de methode als bedoeld in artikel [7].

3.Kosten-batenanalyse

In de kosten-batenanalyse als bedoeld in punt 2, onder c), hierboven wordt rekening gehouden met de impact in elk van de deelnemende lidstaten of derde landen op onder meer de volgende aspecten:

(a)de kosten van de elektriciteitsopwekking;

(b)de systeemintegratiekosten;

(c)de kosten van de steun;

(d)de uitstoot van broeikassen;

(e)de voorzieningszekerheid,

(f)luchtverontreiniging en andere plaatselijke verontreiniging;

(g)innovatie.

4.Proces

Initiatiefnemers, waaronder lidstaten, van projecten die in aanmerking komen om te worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van duurzame energie in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen lidstaten en/of tussen lidstaten en derde landen als bedoeld in de artikelen 6, 7, 9, of 11 van Richtlijn 2009/28/EG, die hun project willen laten erkennen als grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie, dienen bij de Commissie een aanvraag in voor de selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie. Die aanvraag moet vergezeld gaan van de relevante informatie die de Commissie in staat stelt het project overeenkomstig de in artikel 7 bedoelde methoden te toetsen aan de criteria in de punten 2 en 3.

De Commissie zorgt ervoor dat initiatiefnemers minstens één maal per jaar de gelegenheid krijgen om de status van grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie aan te vragen.

De Commissie organiseert gepaste raadplegingen over de lijst van projecten die zijn ingediend met het oog op de erkenning als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie.

Zij beoordeelt de aanvragen aan de hand van de criteria in de punten 2 en 3.

De Commissie streeft bij de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie naar een beheersbaar aantal. Zij streeft eveneens naar een correct geografisch evenwicht bij de selectie van dergelijke projecten. Voor de identificatie van de projecten mogen regionale groeperingen worden gebruikt.

Een project kan niet worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie, of kan die status verliezen, indien het is beoordeeld op basis van foute informatie die van doorslaggevend belang was bij de beoordeling of indien het strijdig is met het EU-recht.

De Commissie publiceert op haar website de lijst van de geselecteerde grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie.

DEEL V — INFRASTRUCTUURPROJECTEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG OP HET GEBIED VAN DIGITALE CONNECTIVITEIT

1.Gigabitconnectiviteit voor sociaaleconomische actoren

Acties worden geprioriteerd, rekening houdend met de functie van de sociaaleconomische actoren, de relevantie van de digitale diensten en toepassingen die door het aanbieden van de onderliggende connectiviteit mogelijk worden gemaakt, en de potentiële sociaaleconomische baten voor de burgers, het bedrijfsleven en de plaatselijke gemeenschappen, waaronder de potentiële overloopeffecten in termen van connectiviteit. Het beschikbare budget wordt op geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

Er wordt voorrang gegeven aan maatregelen die bijdragen tot:

·gigabitconnectiviteit voor ziekenhuizen en medische centra, overeenkomstig de inspanningen om de gezondheidszorg te digitaliseren, teneinde het welzijn van de EU-burgers te bevorderen en over te schakelen naar een nieuwe manier om gezondheids- en zorgdiensten te verstrekken aan patiënten 1 ;

·gigabitconnectiviteit voor onderwijs- en onderzoekscentra, in het kader van de inspanningen om de digitale kloof te dichten en te innoveren in de onderwijsstelsels, alsmede de leerresultaten, de kansengelijkheid en de efficiëntie te verbeteren 2 .

2.Draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen

Acties voor het aanbieden van gratis draadloze digitale connectiviteit tegen niet-discriminerende voorwaarden op voor lokale gemeenschappen belangrijke openbare plaatsen, waaronder openbare plaatsen in open lucht die een belangrijke rol spelen in het openbare leven van lokale gemeenschappen, komen onder de volgende voorwaarden in aanmerking voor steun:

·de actie wordt uitgevoerd door een overheidsinstantie als bedoeld in de volgende alinea, die de installatie van lokale draadloze toegangspunten in openbare binnen- of buitenruimten kan plannen en controleren en gedurende ten minste drie jaar de exploitatiekosten daarvan kan dragen;

·de actie bouwt voort op digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, die gebruikers toegang bieden tot zeer hoogwaardig internet dat:

·gratis en tegen niet-discriminerende voorwaarden, gemakkelijk toegankelijk en beveiligd is en gebruik maakt van de nieuwste en best beschikbare uitrusting die de gebruikers ervan zeer snelle connectiviteit kan leveren, en

·de toegang tot innovatieve digitale diensten ondersteunt;

·de actie maakt gebruik van de door de Commissie te verstrekken gemeenschappelijke visuele identiteit en biedt een link naar de bijbehorende online-instrumenten;

·de overheidsinstantie/uitvoerder verbindt zich ertoe de nodige uitrusting en/of de daaraan gerelateerde installatiediensten aan te schaffen overeenkomstig de toepasselijke regelgeving om ervoor te zorgen dat projecten de mededinging niet onnodig vervalsen.

Financiële bijstand is beschikbaar voor overheidsinstanties als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad 3 die zich ertoe verbinden om, in overeenstemming met het nationaal recht, gratis en tegen niet-discriminerende voorwaarden lokale draadloze connectiviteit te verstrekken door de installatie van lokale draadloze toegangspunten.

Gefinancierde acties mogen niet overlappen met een bestaand gratis particulier of publiek aanbod met soortgelijke kenmerken, waaronder de kwaliteitskenmerken, in dezelfde publieke ruimte.

Het beschikbare budget wordt op een geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

Waar dat relevant is, wordt gezorgd voor coördinatie en samenhang met de CEF-acties ter ondersteuning van de toegang van sociaal-economische actoren tot netwerken met een zeer hoge capaciteit die gigabitconnectiviteit bieden.

3.Indicatieve lijst van subsidiabele 5G-corridors

Overeenkomstig de door de Commissie geformuleerde doelstellingen in het kader van de gigabitmaatschappij om tegen 2025 4 een ononderbroken 5G-dekking van de belangrijkste transportroutes te waarborgen, omvatten acties voor een ononderbroken dekking met 5G-systemen overeenkomstig artikel 9, lid 4, onder c), als eerste stap, maatregelen op grensoverschrijdende verbindingen met het oog op experimenten met geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit (CAM) 5 en, als tweede stap, acties op langere trajecten met het oog op een grootschaligere invoering van CAM op corridors, overeenkomstig de onderstaande tabel (indicatieve lijst). De TEN-T-corridors worden hiervoor als basis gebruikt maar de uitrol van 5G hoeft niet noodzakelijkerwijs beperkt te blijven tot die corridors 6 .



„Atlantische” kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Porto – Vigo en Merida – Evora

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Metz – Parijs – Bordeaux – Bilbao – Vigo – Porto – Lissabon

Bilbao – Madrid – Lissabon

Kernnetwerkcorridor „Oostzee – Adriatische Zee”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

-

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Gdansk – Warschau – Brno – Wenen – Graz – Ljubljana – Trieste

„Mediterrane” kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

-

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Boedapest – Zagreb – Ljubljana / Rijeka / Split

Kernnetwerkcorridor „Noordzee – Oostzee”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Oostzeecorridor (nader te bepalen)

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Tallinn – Kaunas



Kernnetwerkcorridor „Noordzee – Middellandse Zee”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Metz – Merzig – Luxemburg

Rotterdam – Antwerpen – Eindhoven

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Amsterdam – Rotterdam – Breda – Rijsel – Parijs

Brussel – Metz – Bazel

Mulhouse – Lyon – Marseille

Kernnetwerkcorridor „Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Sofia – Thessaloniki – Belgrado

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Berlijn – Praag – Brno – Bratislava

Timisoara – Sofia – Turkse grens

– Sofia – Thessaloniki – Athene

Kernnetwerkcorridor „Rijn – Alpen”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Bologna – Innsbrück – München (Brennercorridor)

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Rotterdam – Oberhausen – Frankfurt (M)

Bazel – Milaan – Genua

Kernnetwerkcorridor „Rijn – Donau”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

-

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Frankfurt (M) – Passau – Wenen – Boedapest – Boekarest – Constanta

Karlsruhe – München – Salzburg – Wels

Frankfurt (M) – Straatsburg

Mediterrane kernnetwerkcorridor „Scandinavië – Middellandse Zee”

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Oulu – Tromsø

Oslo – Stockholm – Helsinki

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Turku – Helsinki – Russische grens

Stockholm / Oslo – Malmö

Malmö – Copenhagen – Hamburg – Würzburg

Nürnberg – München – [Verona]

Rosenheim – Bologna – Napels – Catania – Palermo

Napels – Bari – Taranto

(1)    Zie ook COM(2018) 233 final – Mededeling van de Commissie over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger "empoweren" en bouwen aan een gezondere maatschappij.
(2)    Zie ook COM(2018) 22 final — Mededeling van de Commissie over het actieplan voor digitaal onderwijs.
(3)    Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(4)    Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij –COM(2016) 587 final.
(5)    Geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit
(6)    De cursief gedrukte segmenten maken geen deel uit van de TEN-T-kernnetwerkcorridors maar wel van de 5G-corridors
Top