This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52017AP0256
Amendments adopted by the European Parliament on 14 June 2017 on the proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council on binding annual greenhouse gas emission reductions by Member States from 2021 to 2030 for a resilient Energy Union and to meet commitments under the Paris Agreement and amending Regulation (EU) No 525/2013 of the European Parliament and the Council on a mechanism for monitoring and reporting greenhouse gas emissions and other information relevant to climate change (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD))
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD))
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD))
PB C 331 van 18.9.2018, pp. 166–192
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
18.9.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 331/166 |
P8_TA(2017)0256
Bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen ***I
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 — C8-0331/2016 — 2016/0231(COD)) (1)
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
(2018/C 331/30)
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Voorstel voor een |
Voorstel voor een |
|
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD |
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD |
|
betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering |
betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering („Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs”) |
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Visum 1 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, |
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Visum 1 ter (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Gezien Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, |
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quater (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quinquies (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
|
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
|
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 — alinea 1
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage. |
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage. Op grond van de verordening moeten de lidstaten de in artikel 2 bedoelde broeikasgasemissies verminderen om het streefcijfer van de Unie te bereiken om de emissies tegen 2030 op billijke en kosteneffectieve wijze met ten minste 30 % te verminderen ten opzichte van 2005. |
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 — alinea 1 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
De algemene doelstelling van deze verordening bestaat erin de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie door het uitstippelen van een voorspelbare langetermijnkoers om de broeikasgasemissies van de Unie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990. |
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 — lid 3
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
3. Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” behoren als gelijk aan nul beschouwd. |
3. Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.A burgerluchtvaart” behoren en onder Richtlijn 2003/87/EG vallen als gelijk aan nul beschouwd. |
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 — lid 3 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
3 bis. Deze verordening is van toepassing op CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie „1.A.3.D scheepvaart” behoren en niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen. |
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Artikel 4 |
Artikel 4 |
|
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030 |
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030 |
|
1. Iedere lidstaat beperkt in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005. |
1. Iedere lidstaat beperkt uiterlijk in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005. |
|
2. Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2020 met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd. |
2. Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2018, ofwel met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3 , ofwel met de jaarlijkse emissieruimte voor 2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG, indien deze lager is , en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd. |
|
3. De Commissie stelt in een uitvoeringshandeling de jaarlijkse emissieruimten vast voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze uitvoeringshandeling verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018. |
3. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze gedelegeerde handelingen verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018. |
|
4. In deze uitvoeringshandeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden. |
4. In deze gedelegeerde handeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden. |
|
5. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure. |
|
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 4 bis |
|
|
Langetermijntraject voor emissiereductie vanaf 2031 |
|
|
Tenzij anders wordt besloten tijdens de eerste of een van de daaropvolgende evaluaties als bedoeld in artikel 14, lid 2, zorgt elke lidstaat in elk van de jaren 2031 tot en met 2050 voor verdere broeikasgasemissiereducties overeenkomstig deze verordening. Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn broeikasgasemissies tussen 2031 en 2050 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend met zijn jaarlijkse emissieruimte voor 2030 en in 2050 eindigend op een emissieniveau dat 80 % lager is dan het niveau van 2005 voor die lidstaat. |
|
|
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2031 tot en met 2050, uitgedrukt in ton CO2-equivalent. |
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Artikel 5 |
Artikel 5 |
|
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken |
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken |
|
1. De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit. |
1. De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit. |
|
2. Gedurende de jaren 2021 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. |
2. Gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. |
|
3. Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030. |
3. Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2025. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030. |
|
4. Een lidstaat mag maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030. |
4. Een lidstaat mag gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 maximaal 5 % en gedurende de jaren 2026 tot en met 2030 maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030. |
|
5. Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen. |
5. Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen. |
|
|
5 bis. Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als de emissies van de betreffende lidstaat op het tijdstip van de overdracht hoger liggen dan zijn jaarlijkse emissieruimte. |
|
6. De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen. |
6. De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen. De lidstaten kunnen voor dergelijke projecten de totstandbrenging van particuliere en publiek-private partnerschappen stimuleren. |
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 — lid 3 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
3 bis. De toegang tot de in dit artikel en bijlage II genoemde flexibiliteit wordt alleen verleend wanneer de betreffende lidstaten toezeggen maatregelen te nemen in andere sectoren waar in het verleden onvoldoende resultaten zijn geboekt. Uiterlijk op 31 december 2019 vult de Commissie deze verordening verder aan door overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling met een lijst van dergelijke maatregelen en sectoren vast te stellen. |
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 — titel
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen afkomstig van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland |
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw |
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 — lid 1
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
1. In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat: |
1. In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, met inbegrip van eventuele gereserveerde emissieruimten uit hoofde van artikel 5, lid 3, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland , indien van toepassing beheerd wetland en, onverminderd de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling, beheerde bosgrond samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat: |
||||
|
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
De Commissie kan advies uitbrengen over de actieplannen die door de lidstaten overeenkomstig punt -a) zijn ingediend. |
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 — lid 2
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen. |
2. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel en de boekhoudkundige categorieën in bijlage III teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen , zonder de krachtens dit artikel beschikbare totale hoeveelheid van 280 miljoen te boven te gaan . |
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 — lid 1
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||||
|
1. Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn in 2027 en 2032 de volgende maatregelen van toepassing: |
1. Om de twee jaar gaat de Commissie na of de lidstaten aan deze verordening voldoen. Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn de volgende maatregelen van toepassing: |
||||
|
|
||||
|
|
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
||
|
|
Artikel 9 bis |
||
|
|
Reserve wegens vroegtijdig optreden |
||
|
|
1. Om rekening te houden met vroegtijdig optreden vóór 2020 wordt op verzoek van een lidstaat een hoeveelheid van maximaal een totale som van 90 miljoen ton aan jaarlijkse emissieruimte in de periode 2026-2030 voor de naleving door die lidstaat meegerekend bij de laatste nalevingscontrole uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, op voorwaarde dat: |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
2. Het maximale aandeel van een lidstaat in de in lid 1 bedoelde totale som dat voor de naleving kan worden meegerekend, wordt vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen enerzijds het verschil tussen zijn totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 en zijn totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor diezelfde periode, en anderzijds het verschil tussen de totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 van alle lidstaten die aan het criterium van lid 1, onder b), voldoen en de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies van die lidstaten voor diezelfde periode. |
||
|
|
De jaarlijkse emissieruimten en de geverifieerde jaarlijkse emissies worden bepaald op grond van lid 3. |
||
|
|
3. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de maximale aandelen voor elke lidstaat, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, overeenkomstig de leden 1 en 2 worden vastgesteld. Ten behoeve van deze gedelegeerde handelingen gebruikt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG en de geëvalueerde inventarisgegevens voor de jaren 2013 tot en met 2020 krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013. |
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 — lid 2
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd. |
2. De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid , die voor alle lidstaten samen neerkomt op een totale som van 39,14 miljoen ton CO2-equivalent, wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd. |
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 — titel
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Register |
Europees register |
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 — lid 1
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
1. De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register, met inbegrip van de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek. |
1. De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register . Hiertoe stelt de Commissie overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening , in het bijzonder met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Het Europees register is transparant en bevat alle relevante informatie met betrekking tot de overdracht van emissierechten tussen de lidstaten. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek via een speciale website die door de Commissie wordt beheerd . |
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 — lid 2
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1 uit te voeren. |
Schrappen |
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 11 bis |
|
|
Klimaateffecten van de Uniefinanciering |
|
|
De Commissie voert een uitvoerige sectoroverschrijdende studie uit over de gevolgen van middelen die vanuit de Uniebegroting of anderszins overeenkomstig het Unierecht zijn toegewezen voor de beperking van klimaatverandering. |
|
|
Uiterlijk op 1 januari 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de bevindingen van de studie, dat zo nodig vergezeld gaat van wetgevingsvoorstellen met het oog op de stopzetting van Uniefinanciering die niet strookt met de CO2-reductiedoelstellingen of -beleidslijnen van de Unie. Het verslag omvat het voorstel voor een verplichte voorafgaande controle van de verenigbaarheid met het klimaat, die geldt voor elke nieuwe Unie-investering vanaf 1 januari 2020, en de verplichting om de resultaten op transparante en toegankelijke wijze openbaar te maken. |
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 — lid 2
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
2. De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. |
2. De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening ]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. |
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 — lid 3
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
3. De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. |
3. De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. |
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 — lid 6
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
6. Een overeenkomstig de artikelen 7, lid 2, en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. |
6. Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. |
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
Artikel 13 |
Schrappen |
|
Comitéprocedure |
|
|
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. |
|
|
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. |
|
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 — lid 1
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
1. Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. In de mededeling worden met name de rol en toereikendheid van de in deze verordening vastgelegde verplichtingen voor het bereiken van die doelstellingen belicht, alsook de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie, met inbegrip van de voorschriften inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en de wetgevingshandelingen op het gebied van landbouw en vervoer aansluiten bij de Unietoezegging inzake vermindering van broeikasgassen. |
|
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan eventueel passende voorstellen indienen . |
2. De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 na de eerste mondiale evaluatie van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in 2023 en binnen zes maanden na de daaropvolgende wereldwijde evaluaties aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en de bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs . Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de emissiereducties van de lidstaten te verhogen. |
|
|
Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 wordt rekening gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit bij de verdeling over de lidstaten. |
|
|
Bij de evaluatie wordt ook rekening gehouden met de vorderingen die de Unie en derde landen hebben gemaakt op weg naar de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en met de voortgang met betrekking tot het aantrekken en in stand houden van particuliere financiering ter ondersteuning van de overgang naar een koolstofarme economie. |
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Besluit (EU) 2015/1814
Artikel 1 — lid 4
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Amendement |
|
|
Artikel 15 bis |
|
|
Wijziging van Besluit (EU) 2015/1814 |
|
|
Artikel 1, lid 4, van Besluit (EU) 2015/1814 wordt vervangen door: |
|
|
„4. De Commissie publiceert voor elk jaar, uiterlijk 15 mei van het volgende jaar, het totale aantal emissierechten in omloop. Het totale aantal van de in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten is de som van het aantal in de periode vanaf 1 januari 2008 toegewezen emissierechten, met inbegrip van het aantal rechten dat in die periode overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is toegewezen en door installaties uitgeoefende rechten om internationale kredieten te gebruiken uit hoofde van het EU-ETS voor emissies voor 31 december van dat bepaalde jaar, minus het totaal aantal ton geverifieerde emissies van onder de EU-ETS vallende installaties tussen 1 januari 2008 en 31 december van datzelfde bepaalde jaar, de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG behalve de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2017/… (*1) van het Europees Parlement en de Raad, en het aantal emissierechten in de reserve. Er wordt geen rekening gehouden met de emissies tijdens de driejarige periode 2005-2007 en de ten aanzien van deze emissies toegewezen emissierechten. De eerste bekendmaking vindt uiterlijk 15 mei 2017 plaats. |
(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0208/2017).
(16) COM(2015)0080
(16) COM(2015)0080
(19) Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
(19) Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
(1 bis) Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).
(21) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).