EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 11.3.2016
SWD(2016) 56 final
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE
SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING
bij
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1343/2011 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad
{COM(2016) 134 final}
{SWD(2016) 57 final}
Dit verslag verbindt alleen de diensten van de Commissie die bij de opstelling ervan betrokken zijn, en loopt niet vooruit op de definitieve vorm van een eventueel door de Commissie te nemen besluit.
|
Samenvatting
|
|
Effectbeoordeling van een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen
|
|
A. Maatregelen zijn nodig
|
|
Waarom? Wat is het probleem?
|
|
De bestaande regeling inzake technische maatregelen (31 verordeningen) is niet langer geschikt om de duurzaamheidsdoelstellingen van het nieuwe GVB te verwezenlijken. De huidige maatregelen zijn met name:
gebaseerd op negatieve, vaak dwingende stimulansen in een top-down governancesysteem, die bij de belanghebbenden wantrouwen wekken omdat de maatregelen als onrechtvaardig worden gezien, wat er op zijn beurt toe leidt dat zij niet worden nageleefd;
van die aard dat de bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van het GVB niet kan worden gemeten;
talrijk en overdreven ingewikkeld, waardoor het moeilijk wordt om ze na te leven en te controleren;
erop gericht te veel aspecten van visserijoperaties onder controle te houden, wat het vertrouwen van de sector in de maatregelen verzwakt;
zo opgezet dat zij weinig stimulansen bieden om selectief te vissen indien er geen kosten verbonden zijn aan de teruggooi, de vangst van kwetsbare soorten of het beschadigen van de zeebodem; en
suboptimaal voor het bereiken van bredere milieu- en ecologische beleidsdoelstellingen.
De vangstsector (met ongeveer 82 000 vaartuigen en 98 500 vte's) wordt het meest getroffen.
|
|
Wat is het doel van dit initiatief?
|
|
Dit initiatief beoogt:
(1)ervoor te zorgen dat technische maatregelen optimaal bijdragen aan de belangrijkste doelstellingen van het nieuwe GVB, dat op 1 januari 2014 in werking is getreden;
(2)ervoor te zorgen dat technische maatregelen op een flexibele manier kunnen worden aangepast door meer ruimte te bieden voor regionale benaderingen (in overeenstemming met de doelstellingen van het EU-recht);
(3)de huidige regels overeenkomstig het REFIT-programma van de Commissie te vereenvoudigen. De bestaande regels zijn overdreven ingewikkeld en moeilijk te handhaven; door vereenvoudiging zullen de administratieve kosten en lasten afnemen. Tevens wordt tegemoetgekomen aan de noodzaak om de technische maatregelen te vereenvoudigen, zoals uiteengezet in een eerdere mededeling van de Commissie over de uitvoering van het GVB.
|
|
Wat is de meerwaarde van maatregelen op EU-niveau?
|
|
Bepalingen inzake de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de EU overeenkomstig artikel 3, punt 1, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Derhalve is het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing op die bepalingen. Het concept "regionalisering", waarbij de lidstaten regionaal moeten samenwerken bij het ontwikkelen en uitvoeren van instandhoudingsmaatregelen, staat echter centraal in dit voorstel.
|
|
B. Oplossingen
|
|
Welke wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen worden overwogen? Heeft een bepaalde optie de voorkeur? Waarom?
|
|
In het basisscenario worden de 31 bestaande verordeningen behouden.
Optie 1: Consolidatie – Een nieuwe verordening met een beperkt toepassingsgebied waarin de gemeenschappelijke voorschriften worden samengebracht en geconsolideerd, terwijl de regiospecifieke voorschriften in de bestaande verordeningen ondergebracht blijven. Regionalisering zou plaatsvinden als en wanneer de lidstaten gezamenlijke aanbevelingen voor meerjarenplannen indienen.
Optie 2: Kader – Een kaderverordening met algemene bepalingen en de bijbehorende normen, gemeenschappelijke regels en technische bepalingen, en basisnormen per regio die aansluiten bij de verwachte resultaten en die gelden als standaardmaatregelen wanneer geen regionale maatregelen zijn vastgesteld. De basisnormen en de technische standaardmaatregelen die bij de doelstellingen aansluiten, zouden gelden tenzij en totdat geregionaliseerde maatregelen worden ontwikkeld en in het recht van de Unie worden ingevoerd. Als suboptie (2.1) wordt een kaderverordening zonder vastgelegde basisnormen voorgesteld.
Optie 3: Afschaffing van de bestaande regels – Intrekking van de meeste bestaande verordeningen (met uitzondering van essentiële natuurbeschermingsmaatregelen). Technische maatregelen die noodzakelijk zijn op de langere termijn, zouden op regionaal niveau in het kader van meerjarenplannen worden ontwikkeld. Bij deze optie wordt ervan uitgegaan dat de aanlandingsverplichting op zich een resultaatgerichte maatregel is, die zal leiden tot een "schone" visserij.
Optie 2 is het meest geschikt om de gewenste doelstellingen te bereiken en waarborgt voldoende dat de instandhoudingsdoelstellingen ook in de toekomst, bij een toenemende regionalisering, zullen worden bereikt.
|
|
Wie steunt welke optie?
|
|
Geen enkele belanghebbende partij beschouwde het behouden van het basisscenario als een aanvaardbare optie.
Optie 1 kreeg zeer weinig steun van de belangrijkste belanghebbenden.
Optie 2 kreeg steun van een aantal actoren uit de vangstsector en van de lidstaten en ngo's. Over de inhoud van het kader bestond onder de belanghebbenden geen eensgezindheid. De vangstsector voerde argumenten aan voor een kader zonder basisnormen (suboptie 2.1), maar de lidstaten, ngo's en enkele adviesraden verzetten zich daar tegen.
Optie 3 genoot de voorkeur van bepaalde onderdelen van de vangstsector, maar werd afgewezen door de lidstaten, ngo's en andere onderdelen van de vangstsector omdat zij die strategie te risicovol vinden.
|
|
C. Gevolgen van de voorkeursoptie
|
|
Wat zijn de voordelen van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders van de belangrijkste opties)?
|
|
De economische gevolgen zouden positief zijn, aangezien de kaderaanpak impulsen voor regionalisering zou bieden, wat zou bijdragen tot de verwezenlijking van de MSY voor alle bestanden, een afname van het aantal ongewenste vangsten en het bereiken van een goede milieutoestand uit hoofde van de kaderrichtlijn mariene strategie. Daardoor zouden de vangstmogelijkheden toenemen en zouden de inkomsten (naar raming 10-40 %) hoger komen te liggen doordat grotere en meer waardevolle vis wordt aangeland. De situatie zou mettertijd verbeteren.
In deze optie zou de werkgelegenheid snel moeten stabiliseren en zou er potentieel voor meer werkgelegenheid ontstaan. Zodra de MSY-niveaus worden gehaald, zullen de vangstmogelijkheden toenemen (met minstens 20 % tegen 2020). Die aanzienlijke toename zou mogelijkheden bieden voor jobcreatie in de vangstsector. Dankzij de bevissing van duurzame bestanden zullen het inkomen en de lonen stijgen en zal het aantrekkelijker worden om in de sector te werken. Als gevolg van een duurzame visserij zullen de gemiddelde lonen bijna verdubbelen.
De milieu-impact zal positief zijn. Het kader zou de overgang naar regionalisering in goede banen leiden en ervoor zorgen dat de milieuduurzaamheidsdoelstellingen van het GVB niet in het gedrang komen. Op langere termijn zouden de visbestanden er wel bij varen en zouden kwetsbare soorten en habitats beter worden beschermd.
|
|
Wat zijn de kosten van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders van de belangrijkste opties)?
|
|
|
|
Wat zijn de gevolgen voor bedrijven, kmo's en micro-ondernemingen?
|
|
De administratieve kosten en lasten zouden afnemen doordat de huidige verordeningen onmiddellijk zouden worden vereenvoudigd en de vangstsector via de adviesraden een grotere rol zou krijgen bij de ontwikkeling van technische maatregelen. Bovendien zou de mogelijke overschakeling naar een op resultaten gebaseerd systeem op de langere termijn tot een verdere vereenvoudiging van de technische voorschriften leiden, hoewel daarmee de bewijslast wordt verschoven naar de vangstsector.
|
|
Zijn er significante gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden?
|
|
De verschuiving in de richting van regionalisering zal leiden tot hogere kosten voor de nationale overheden (naar schatting 80 000 à 120 000 EUR) voor de ontwikkeling van een enkel meerjarig plan. Die kosten houden niet allemaal rechtstreeks verband met technische maatregelen, die slechts een onderdeel van die plannen vormen. De kosten zouden grotendeels al tijdens de ontwikkeling van die plannen gemaakt worden. Op de korte termijn zal door de vereenvoudiging minder moeten worden uitgegeven voor controle, maar de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting zal wel een aantal extra kosten met zich meebrengen. Op de langere termijn zouden de kosten voor controle aanzienlijk moeten afnemen, met name indien de regio's in de richting van een resultaatgericht beheer bewegen, waarbij er minder behoefte is aan handhaving van dwingende regels op zee. Momenteel zijn de kosten voor de handhaving van technische maatregelen op zee erg hoog.
|
|
Zijn er nog andere significante gevolgen?
|
|
De kaderaanpak leidt tot een eenvoudiger structuur: één verordening vervangt zes verordeningen, vervangt drie verordeningen gedeeltelijk en leidt tot de intrekking van tien verordeningen van de Commissie. Deze aanpak zal rechtstreeks leiden tot regionalisering overeenkomstig het GVB.
|
|
D. Follow-up
|
|
Wanneer wordt dit beleid geëvalueerd?
|
|
Een ex-postevaluatie moet worden uitgevoerd vóór 2020, wanneer de aanlandingsverplichting volledig operationeel moet zijn, de MSY voor alle bestanden moet zijn verwezenlijkt en een goede milieutoestand moet zijn bereikt voor de mariene ecosystemen. Die evaluatie zal rechtstreeks worden meegenomen in de retrospectieve evaluatie van het GVB, die in 2022 van start moet gaan.
|