Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014PC0338

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van het standpunt van de Unie tijdens de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) en de aanhangsels daarvan

/* COM/2014/0338 final - 2014/0172 (NLE) */

52014PC0338

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van het standpunt van de Unie tijdens de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) en de aanhangsels daarvan /* COM/2014/0338 final - 2014/0172 (NLE) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Het voorgestelde besluit van de Raad heeft als doel het standpunt van de Europese Unie vast te stellen tijdens de zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF (25-27 juni 2014) ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) en de aanhangsels B (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen – CIM), D (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer – CUV), E (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer – CUI), F (Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer – APTU) en G (Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer – ATMF), waarover de genoemde commissie zal beslissen.

2.           RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

De amendementen op aanhangsel G (ATMF) en aanhangsel D (CUV) zijn verschillende malen besproken op vergaderingen van specifieke werkgroepen van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF). Zowel de Europese Commissie als het Europees Spoorwegbureau (ERA) hebben samen met een aantal lidstaten actief aan deze vergaderingen deelgenomen. Er zullen echter ook voorstellen aan de Herzieningscommissie worden voorgelegd die niet op de voorbereidende vergaderingen van de OTIF zijn besproken.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

De Unie is in juli 2011 tot het COTIF toegetreden op grond van Besluit 2013/103/EU van de Raad[1]. Het COTIF is een gemengd verdrag, waarbij de Unie en elke lidstaat met een spoornet verdragsluitende partijen zijn. In bijlage III bij het besluit is de interne regeling voor de Raad, de lidstaten en de Commissie in OTIF-procedures vastgesteld. In aangelegenheden die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, stemt de EU met het aantal stemmen van alle lidstaten die partij zijn bij het COTIF. 26 EU-lidstaten zijn ook lid van het COTIF. Drie lidstaten hebben het COTIF 1999 echter nog niet geratificeerd. Drie EU-lidstaten hebben hun verklaringen over de niet-toepassing van de aanhangsels E (CUI) en F (APTU) niet ingetrokken en vier EU-lidstaten hebben hun verklaringen over de niet-toepassing van aanhangsel G (ATMF) niet ingetrokken. Zij hebben die verklaringen opgesteld toen de aanhangsels nog onverenigbaar waren met het Europees recht. Daardoor kunnen deze EU-lidstaten niet stemmen over amendementen op bepalingen die zij niet toepassen. De OTIF telt 46 actieve lidstaten (het lidmaatschap van twee andere leden is geschorst totdat het internationale spoorvervoer is hersteld).

Overeenkomstig artikel 35 van titel VI van het COTIF treden de amendementen, zodra de Herzieningscommissie er een besluit over heeft genomen, in werking voor alle verdragsluitende partijen op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin de secretaris-generaal van de OTIF de verdragsluitende partijen van deze amendementen in kennis heeft gesteld. Een verdragsluitende partij kan bezwaar maken binnen een termijn van vier maanden na de datum van de kennisgeving. Wanneer een vierde van de verdragsluitende partijen bezwaar aantekent, treedt de wijziging niet in werking.

In de verdragsluitende partijen die binnen de daartoe voorziene termijn bezwaar hebben gemaakt tegen een besluit, wordt de toepassing van het desbetreffende aanhangsel in haar geheel geschorst vanaf het moment waarop de besluiten van kracht worden, voor zover het betrekking heeft op verkeer met en tussen deze partijen. In het geval van een bezwaar tegen de validering van een technische norm of tegen de vaststelling van een uniform technisch voorschrift, wordt alleen die norm of dat voorschrift geschorst vanaf het moment waarop de besluiten van kracht worden, voor wat verkeer met en tussen de lidstaten betreft; hetzelfde geldt in het geval van een gedeeltelijk bezwaar.

Tenzij een voldoende aantal partijen bezwaar maakt, treden de in dit voorstel bedoelde amendementen in werking in de twaalfde maand na de maand waarin de secretaris-generaal van de OTIF de verdragsluitende partijen van deze amendementen op de hoogte heeft gesteld. Vanaf die datum worden de amendementen bindend voor de Unie en de lidstaten en maken zij een integrerend deel uit van het acquis van de Unie.

Tot slot is in artikel 38 van titel VII van het COTIF bepaald dat met het oog op de uitoefening van het stemrecht en het recht van bezwaar, als bedoeld in artikel 35, § 2 en § 4, de regionale organisatie en met name de Europese Unie een aantal stemmen heeft dat gelijk is aan die van haar leden welke ook lidstaten van de organisatie zijn.

Het voorstel is opgesteld op basis van de bepalingen van het besluit van de Raad betreffende de toetreding van de EU tot het COTIF (Besluit 2013/103/EU). De rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit van de Raad is artikel 91 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

Het voorstel voor een besluit van de Raad voorziet in de bijlage in een gedetailleerde lijst van de beoogde amendementen en geeft aan welke amendementen, zoals voorgelegd door de secretaris-generaal, op de zitting van de Herzieningscommissie door de Unie kunnen worden aanvaard en welke moeten worden afgewezen omdat ze nader moeten worden bekeken en/of er verdere maatregelen nodig zijn om ze in overeenstemming te brengen met het EU-recht. Een groot aantal van de beoogde amendementen wordt, rekening houdend met de technologische vooruitgang, geschikt geacht voor veilig en betrouwbaar internationaal spoorvervoer en kan daarom worden gesteund, terwijl sommige amendementen (in het bijzonder die op de financiering van de OTIF of overeenkomsten voor het vervoer van goederen) geen gevolgen hebben voor de EU-wetgeving.

Als de door de Herzieningscommissie aangenomen amendementen niet in overeenstemming zijn met het in de bijlage bij dit ontwerpbesluit vastgestelde standpunt van de Unie, moet de Unie een bezwaar uitbrengen overeenkomstig de procedure in artikel 35, § 4, van titel VI van het COTIF teneinde te voorkomen dat deze amendementen in werking treden.

2014/0172 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

tot vaststelling van het standpunt van de Unie tijdens de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) en de aanhangsels daarvan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, gelezen in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)       De Unie is tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, zoals gewijzigd door het protocol van Vilnius van 3 juni 1999 (hierna het "COTIF-verdrag" genoemd), toegetreden op grond van Besluit 2013/103/EU van de Raad van 16 juni 2011 betreffende de ondertekening en de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) betreffende de toetreding van de Europese Unie tot het genoemde verdrag[2].

(2)       Alle lidstaten, met uitzondering van Cyprus en Malta, passen het COTIF-verdrag toe.

(3)       De Herzieningscommissie, die is opgericht overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder c), van het COTIF-verdrag, zal tijdens haar 25e zitting, die plaatsvindt van 25 tot en met 27 juni 2014, naar verwacht een besluit nemen over bepaalde amendementen op het COTIF-verdrag en de aanhangsels B (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen – CIM), D (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer – CUV), E (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst inzake het gebruik van de infrastructuur bij internationaal spoorwegvervoer – CUI), F (Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer – APTU) en G (Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer – ATMF).

(4)       De amendementen op het COTIF-verdrag hebben tot doel a) de taken van het Comité van technische deskundigen te actualiseren en een verwijzing naar de definitie van "houder" in overeenstemming te brengen met de EU-wetgeving en b) bepaalde regels inzake de financiering van de OTIF, haar controle en verslaggeving te wijzigen alsook kleine administratieve wijzigingen aan te brengen.

(5)       De amendementen op aanhangsel B (CIM) hebben tot doel de voorkeur te geven aan de elektronische vorm van de vrachtbrief en de begeleidende documenten en sommige bepalingen van de vervoerovereenkomst te verduidelijken.

(6)       De amendementen op aanhangsel D (CUV) die door de secretaris-generaal van de OTIF zijn voorgelegd, hebben tot doel de rol van de houder en de met het onderhoud belaste entiteit te verduidelijken in de contracten voor het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer. Frankrijk heeft een afzonderlijk voorstel ingediend over de aansprakelijkheid voor door een voertuig veroorzaakte schade.

(7)       De amendementen op aanhangsel G (ATMF) hebben tot doel de bepalingen inzake de technische toelating van spoorwegmaterieel voor internationaal spoorvervoer te actualiseren, de taken van en de betrekkingen tussen de verdragsluitende staat, de bevoegde autoriteit en de beoordelende entiteit te verduidelijken alsook termen in overeenstemming met de wetgeving van de EU brengen.

(8)       De amendementen op aanhangsel F (APTU) hebben tot doel de samenhang met het herziene aanhangsel G te handhaven.

(9)       De amendementen op bijlage E (CUI) die zijn voorgesteld door het CIT, hebben tot doel de werkingssfeer van de uniforme regels inzake het contract voor het gebruik van infrastructuur voor het binnenlands vervoer uit te breiden, een rechtsgrondslag voor de algemene voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur te creëren en de aansprakelijkheid van de infrastructuurbeheerder voor schade of verliezen die zijn veroorzaakt door de infrastructuur uit te breiden.

(10)     De secretaris-generaal van de OTIF stelt ook redactionele wijzigingen voor ter vervanging van de term "Europese Gemeenschappen" door "Europese Unie" in het COTIF-verdrag en de bijbehorende aanhangsels.

(11)     De meeste voorgestelde amendementen zijn in overeenstemming met de wet en met de strategische doelstellingen van de Europese Unie en moeten derhalve door de Unie worden gesteund. Bepaalde amendementen hebben geen gevolgen voor de EU-wetgeving en daarom hoeft er op EU-niveau geen standpunt te worden ingenomen. Tot slot moeten enkele amendementen nog verder binnen de Europese Unie worden besproken en moeten zij op deze zitting van de Herzieningscommissie worden afgewezen. Als de laatstgenoemde amendementen zouden worden goedgekeurd zonder een voor de Unie aanvaardbare aanpassing, moet de Unie een bezwaar uitbrengen overeenkomstig de procedure van artikel 35, § 4, van het COTIF-verdrag,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1 Standpunt van de Europese Unie

1.         Het standpunt van de Europese Unie op de 25e zitting van de Herzieningscommissie in het kader van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, is in overeenstemming met de bijlage bij dit besluit.

2.         Kleine wijzigingen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde documenten kunnen worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in de Herzieningscommissie zonder verder besluit van de Raad.

Artikel 2

Het besluit van de Herzieningscommissie wordt na vaststelling in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 3 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De voorzitter

[1]               Besluit van de Raad van 16 juni 2011 betreffende de ondertekening en sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer tot toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999, PB L 51 van 23.2.2013, blz. 1.

[2]               PB L 51 van 23.2.2013, blz. 1.

BIJLAGE

bij het voorstel voor het

Besluit van de Raad

tot vaststelling van het standpunt van de Unie tijdens de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) en de aanhangsels daarvan

1. Inleiding

Het secretariaat-generaal (SG) van de OTIF heeft de 25e zitting van de Herzieningscommissie voor het COTIF 1999 gepland in Bern van 25 tot en met 27 juni 2014.

Doel van dit werkdocument is een gecoördineerd EU-standpunt uit te werken dat op de zitting van de Herzieningscommissie zal worden geformuleerd. Het document werd opgesteld door DG MOVE met de hulp van andere betrokken diensten van de Commissie (TAXUD, SANCO, SJ, SG).

2. Referentiedocumenten

Documenten over de agendapunten zijn meegedeeld aan de OTIF-lidstaten op 25 april 2014 en zijn beschikbaar op de website van de OTIF via volgende link: http://otif.org/en/law/revision-committee/working-documents.html.

3. Opmerkingen bij de agendapunten

Punt 1. Opening van de vergadering en vaststelling van het quorum

Document: geen.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: niet van toepassing.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: geen.

Het quorum van de Herzieningscommissie is bereikt als de meerderheid van de lidstaten met stemrecht vertegenwoordigd is op het ogenblik van de stemming. Men dient echter rekening te houden met artikel 13, § 3, van het Verdrag, waarin wordt bepaald dat de lidstaten die een verklaring hebben afgelegd over de niet-toepassing van één of meer aanhangsels, niet mogen stemmen over amendementen op het desbetreffende aanhangsel.

De volgende lidstaten hebben hun verklaringen over de niet-toepassing van bepaalde aanhangsels niet ingetrokken:

Pakistan, Rusland (over CIV, RID, CUV, CUI, APTU en ATMF), Georgië (over CUV, CUI, APTU en ATMF), Tsjechië, Noorwegen, Slowakije, het Verenigd Koninkrijk (over CUI, APTU en ATMF) en Frankrijk (over ATMF).

Bij de bespreking van de amendementen op de aanhangsels moet voor de bepaling van het quorum voor de stemming over een bepaald aanhangsel, het aantal lidstaten dat een verklaring heeft afgelegd over de niet-toepassing van het aanhangsel worden afgetrokken van het aantal actieve leden van de OTIF (46).

Als de EU bevoegd is, mag de EU stemmen voor al haar leden met stemrecht, zonder rekening te houden met de fysieke aanwezigheid van die leden tijdens de stemming. Als de EU haar lidstaten vertegenwoordigt, kan het quorum dus anders zijn dan als de lidstaten van de EU in eigen naam stemmen.

Punt 2. Verkiezing van de voorzitter en vicevoorzitter

Document: geen.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: lidstaten.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 3. Goedkeuring van de agenda

Document: CR 25/3.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: lidstaten.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 4. Gedeeltelijke herziening van het COTIF – Basisverdrag

Documenten: CR 25/4, CR 25/4 Add. 1.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: lidstaten.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt:

Amendementen op artikel 3 (internationale samenwerking) worden gesteund (redactionele wijziging om de verwijzing naar de "Europese Gemeenschappen" te vervangen door een verwijzing naar de "Europese Unie).

Amendementen op artikel 12 (uitvoering van de vonnissen. Bijlage) worden gesteund aangezien de definitie van "houder" in overeenstemming wordt gebracht met het EU-recht.

Amendementen op artikel 20 (Comité van technische deskundigen) worden gesteund aangezien zij noodzakelijk zijn voor het actualiseren van de uniforme regels APTU en ATMF om ze in overeenstemming te houden met het EU-recht.

Andere amendementen: geen EU-standpunt nodig, aangezien deze wijzigingen betrekking hebben op de financiering en controle van de organisatie of op administratieve wijzigingen met betrekking tot het werkprogramma, het jaarverslag en de lijsten van lijnen of diensten die geen gevolgen hebben voor het EU-recht.

Punt 5. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel B (CIM UR)

Documenten: CR 25/5, CR 25/5 Add. 1, CR 25/5 Add. 2, CR 25/5.1.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: EU voor de artikelen 6 en 6 bis; lidstaten voor andere artikelen.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt:

Amendementen op artikel 6 en het nieuwe artikel 6 bis hebben betrekking op de EU-wetgeving wegens het gebruik van de vrachtbrief en de bijbehorende documenten voor douanediensten en sanitaire en fytosanitaire (SPS) procedures. De EU is het eens met het voornemen van de OTIF om voorrang te geven aan de elektronische vorm van vrachtbrieven. Op dit moment kan de aanneming van deze amendementen echter ongewenste gevolgen hebben. De huidige vereenvoudigde procedure voor het douanevervoer per spoor is alleen mogelijk met papieren documenten. Als spoorwegen kiezen voor de elektronische vrachtbrief, moeten zij daarom de normale procedure voor douanevervoer en het nieuwe geautomatiseerde systeem voor douanevervoer (NCTS) gebruiken. De Commissie bereidt een werkgroep voor die het gebruik van elektronische vervoersdocumenten voor douanevervoer in het kader van het douanewetboek van de Unie zal bespreken. Deze werkgroep vergadert een eerste keer op 4 en 5 juni 2014. De EU gaat akkoord met het voornemen om de begeleidende documenten in elektronische vorm aan te bieden. In de huidige EU-wetgeving is er echter geen rechtsgrond om de documenten die met SPS verband houdende goederen moeten begeleiden (bijv. gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst, gemeenschappelijk document van binnenkomst), in elektronische vorm aan te beiden. Daarom moeten deze worden op papier verstrekt. De Commissie heeft een voorstel opgesteld voor een verordening die in elektronische certificering voorziet. Het ontwerp is momenteel in behandeling bij de Raad en het Parlement. Die verordening (verordening officiële controles) zal naar verwachting worden aangenomen tegen eind 2015/begin 2016. Er is echter een overgangsperiode voor de handhaving gepland.

Daarom stelt de EU voor om op de eerstvolgende zitting van de Herzieningscommissie geen besluit over deze punten te nemen en met de OTIF rond deze kwestie te blijven samenwerken. Zo kan er een goede oplossing worden voorbereid voor een toekomstige herziening van de CIM, die best kan worden gesynchroniseerd met het nieuwe douanewetboek van de Unie en de uitvoeringsbepalingen daarvan, die in werking moeten treden op 1 mei 2016. Bepaalde elektronische procedures kunnen geleidelijk worden ingevoerd tussen 2016 en 2020 overeenkomstig artikel 278 van het douanewetboek.

Andere amendementen: geen EU-standpunt nodig omdat deze bepalingen geen invloed hebben op de EU-wetgeving.

Punt 6. Elektronische documenten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen – Informatie over de werkzaamheden van het Comité van deskundigen van het RID

Document: CR 25/6.

Bevoegdheid: EU.

Uitoefening van het stemrecht: niet van toepassing.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: kennis nemen van de informatie.

Punt 7. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel D (CUV UR)

Documenten: CR 25/7, CR 25/7 Add. 1, CR 25/7 Add. 2.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen EU-standpunt: amendementen op de artikelen 2 en 9 worden gesteund omdat zij de rol van de houder en de met het onderhoud belaste entiteit verduidelijken overeenkomstig de EU-wetgeving. Het door Frankrijk voorgestelde amendement op artikel 7 betreffende de aansprakelijkheid van de persoon die het voertuig heeft verstrekt om te worden gebruikt als een vervoermiddel in geval van schade die het gevolg is van een defect aan het voertuig, moet nader worden onderzocht omdat de mogelijke gevolgen voor andere COTIF-instrumenten, die soms ook een invloed hebben op de EU-wetgeving, niet diepgaand genoeg konden worden beoordeeld. De Commissie is ook van mening dat voorstellen van EU-lidstaten die een invloed kunnen hebben op het EU-recht binnen de EU moeten worden besproken voordat zij aan de OTIF worden voorgelegd. De EU bevindt zich daarom niet in een positie om dit wijzigingsvoorstel tijdens deze zitting van de Herzieningscommissie te steunen.

Punt 8. Herziening van aanhangsel G (ATMF UR)

Documenten: CR 25/8, CR 25/8 Add. 1, CR 25/8 Add. 2.

Bevoegdheid: EU.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: zie werkdocument voor COTIF-CTE7. Het standpunt moet worden geactualiseerd in het licht van de resultaten van de CTE-vergadering op 4 en 5 juni 2014.

Punt 9. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel F (APTU UR)

Documenten: Referentie: CR 25/9, CR 25/9 Add. 1.

Bevoegdheid: EU.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: redactionele wijzigingen worden gesteund.

Punt 10. Mandaat voor de consolidatie van het toelichtend verslag

Document: CR 25/10.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: lidstaten.

Aanbevolen EU-standpunt: wordt gesteund.

Punt 11. Redactionele wijzigingen

Document: CR 25/11.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen EU-standpunt: wordt gesteund.

Punt 12. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel E (CUI UR)

Document: CR 25/12.

Bevoegdheid: EU.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: amendementen worden verworpen. Deze door het CIT voorgestelde amendementen omvatten de uitbreiding van de werkingssfeer van de CUI tot binnenlandse activiteiten, de invoering van contractueel bindende algemene voorwaarden en de uitbreiding van de aansprakelijkheid van de infrastructuurbeheerder voor schade. Zij verdienen verder te worden overwogen, maar aangezien zij niet zijn besproken op een intern forum van de OTIF vóór de zitting van de Herzieningscommissie, konden zij niet diepgaand genoeg worden beoordeeld. Het lijkt voorbarig om de CUI (die momenteel in overeenstemming met het EU-recht zijn) op deze zitting van de Herzieningscommissie te wijzigen zonder degelijke voorbereiding.

Punt 13. Reglement van orde voor de werkgroepen van de Herzieningscommissie met betrekking tot de aanhangsels A, B, D en E

Document: CR 25/13.

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: EU.

Aanbevolen EU-standpunt: wordt gesteund.

Punt 14. Informatie over de toekomstige werkzaamheden

Document: CR 25/14 (nog niet beschikbaar).

Bevoegdheid: gedeeld.

Uitoefening van het stemrecht: niet van toepassing.

Aanbevolen gecoördineerd standpunt: ter plaatse te bepalen.

Top