EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014PC0167

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

/* COM/2014/0167 final - 2014/0091 (COD) */

52014PC0167

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking) /* COM/2014/0167 final - 2014/0091 (COD) */


TOELICHTING

1.           Achtergrond van het voorstel

De Europese samenleving is aan het vergrijzen. Overal in de Europese Unie (EU) moeten pensioenstelsels zich aanpassen om te garanderen dat pensioenen toereikend, zekergesteld en betaalbaar zijn. Dat is geen eenvoudige opgave. Om aan deze uitdagingen effectief het hoofd te kunnen bieden, moeten lidstaten hun optreden nauw coördineren. De voorgenomen herziening van Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's)[1] zal ertoe leiden dat die instellingen beter worden bestuurd, transparanter zijn en hun grensoverschrijdende activiteiten kunnen opvoeren, waardoor de interne markt zal worden versterkt.

Op een aantal punten komt de herziening van de richtlijn niets te vroeg.

Ten eerste heeft de economische en financiële crisis duidelijk gemaakt dat er behoefte is aan hogere governancenormen die op optimale werkwijzen op nationaal niveau zijn geënt en die erop gericht zijn deelnemers aan en pensioengerechtigden van een regeling te beschermen en een veilige grensoverschrijdende pensioenvoorziening te vergemakkelijken. Sommige IBPV's zijn grote financiële instellingen en het omvallen ervan kan een negatief effect sorteren op de financiële stabiliteit en tevens ernstige sociale gevolgen hebben. Dat is vooral relevant omdat steeds meer bedrijfspensioenen de vorm aannemen van toegezegdebijdrageregelingen. De pensioenen van de deelnemers aan dergelijke regelingen komen immers in het gedrang bij een eventueel tekortschietende risicogovernance of mogelijk wanbeheer[2].

Ten tweede moet iets worden gedaan aan de toezicht- en regelgevingsverschillen, de overlappende vereisten en de al te zware grensoverschrijdende procedures. De raadplegingen van de Commissie hebben immers uitgewezen dat deze factoren belemmeringen voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende markten voor bedrijfspensioenen vormen. Indien deze belemmeringen worden weggenomen, dan zou dat ertoe bijdragen dat alle ondernemingen, zowel kleine en middelgrote als multinationale, hun pensioenvoorziening op Europese schaal efficiënter kunnen organiseren[3]. Grensoverschrijdende IBPV's, zoals het pan-Europese pensioenfonds voor mobiele onderzoekers[4] of de geplande grensoverschrijdende regeling voor Oostenrijkse werkgevers[5], zijn vandaag nog zeer zeldzaam. De druk op de sector van de bedrijfspensioenen, die zich nu al in steeds sterkere mate laat gevoelen, zal in de toekomst echter nog aanzienlijk groter worden naarmate openbare pensioenstelsels aan alsmaar toenemende beperkingen onderhevig zijn. Grensoverschrijdende IBPV's kunnen dan ook een steeds belangrijkere rol in de bedrijfspensioenvoorziening gaan vervullen. Diverse lidstaten hebben overigens al nieuwe wetgeving ingevoerd die van hen een aantrekkingspool moet maken voor grensoverschrijdende IBPV's[6].

Ten derde is gebleken dat er overal in de EU sprake is van grote lacunes in de informatieverstrekking aan deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen. Tal van deelnemers aan regelingen geven er zich geen rekenschap van dat hun pensioenrechten niet gegarandeerd zijn of dat deze rechten, anders dan bij andere financiële contracten, ook al zijn zij opgebouwd, door IBPV's kunnen worden gekort[7]. Zij zijn er zich ook vaak niet van bewust dat van kosten een aanzienlijk effect op de pensioenrechten kan uitgaan.

Dit voorstel bouwt voort op een aantal initiatieven die de afgelopen jaren zijn ontplooid, zoals het witboek over pensioenen[8] en het groenboek over de langetermijnfinanciering van de Europese economie[9]. Aansluitend op dit groenboek wordt met de richtlijn ook beoogd IBPV's beter in staat te stellen in activa met een economisch langetermijnprofiel te beleggen en de financiering van de duurzame groei van de reële economie te ondersteunen.

In tal van lidstaten waar voor bedrijfspensioenen tot dusver een beperkte rol is weggelegd, wordt thans werk gemaakt van de ontwikkeling van de IBPV-sector, onder meer door toezicht- en regelgevingskaders tot stand te brengen. Als nu niet voor een actueel toezicht- en regelgevingskader in de EU wordt gezorgd, dan bestaat het gevaar dat lidstaten uiteenlopende oplossingen zullen blijven ontwikkelen, waardoor er nog grotere verschillen in toezicht en regelgeving zullen ontstaan. Het neemt bovendien heel wat tijd in beslag voordat bedrijfspensioenen beter gaan presteren. Als nu niets wordt gedaan, zouden kansen worden verkeken wat kostenbesparingen en beleggingsrendementen betreft, en zouden miljoenen Europeanen inadequate financiële plannen maken. Ook zouden jongere generaties met onevenredig hoge lasten worden geconfronteerd en zou de solidariteit tussen generaties worden ondermijnd.

Dit voorstel voorziet niet in de invoering van nieuwe solvabiliteitsvoorschriften, die hoe dan ook niet relevant zijn voor toegezegdebijdrageregelingen. Uit een in 2013 door de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority, EIOPA) uitgevoerde kwantitatieve impactstudie[10] blijkt voorts dat vollediger gegevens over solvabiliteitsaspecten noodzakelijk zijn voordat over deze aspecten een besluit kan worden genomen.

1.1.        Doelstellingen van het voorstel

De algemene doelstelling van dit voorstel is het faciliteren van de opbouw van een bedrijfspensioen. Veiliger en efficiëntere bedrijfspensioenen zullen de toereikendheid van pensioenen en de betaalbaarheid ervan in de hand werken door het aandeel van aanvullende pensioenspaarregelingen in het pensioeninkomen te vergroten. Dit zal tevens niet alleen de rol van IBPV's als institutionele beleggers in de reële economie van de EU versterken, maar ook de Europese economie beter in staat stellen langetermijnbesparingen in de richting van groeibevorderende investeringen te kanaliseren.

Met het voorstel worden vier specifieke doelstellingen nagestreefd: 1) opheffen van de resterende prudentiële belemmeringen voor grensoverschrijdende IBPV's, onder meer door te eisen dat de toepasselijke beleggingsvoorschriften en regels voor de informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden die van de lidstaat van herkomst zijn, door de procedures voor het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten te verduidelijken, en door het werkterrein van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst duidelijk af te bakenen; 2) garanderen van een goede governance en een degelijk risicobeheer; 3) voorzien in de verstrekking van heldere en relevante informatie aan deelnemers en pensioengerechtigden; en 4) waarborgen dat toezichthouders over de benodigde instrumenten beschikken om op doelmatige wijze toezicht op IBPV's te kunnen uitoefenen.

1.2.        Consistentie met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

De doelstellingen van dit voorstel zijn in overeenstemming met de beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in maatregelen om ervoor te zorgen dat een goed werkende interne markt met een hoge mate van consumentenbescherming tot stand komt en dat diensten vrij kunnen worden verricht.

Dit voorstel sluit aan bij het witboek over pensioenen. Tegelijkertijd strookt het met de Europa 2020-strategie. In het kader van deze strategie wordt ervoor gepleit dat budgettaire consolidatie en financiële houdbaarheid op lange termijn hand in hand gaan met een structurele hervorming van de pensioenstelsels in de lidstaten[11]. Ten slotte is dit voorstel in overeenstemming met andere initiatieven op het gebied van financiële diensten, zoals de Solvabiliteit II-richtlijn[12], de AIFMD[13] en de MiFID II[14]. Als zodanig valt het duidelijk binnen de werkingssfeer van de agenda van de Commissie om te komen tot een sterkere financiële sector die de groei ondersteunt[15].

Het voorstel bevordert de mensenrechten door de pensioenvoorziening te beschermen. Het spoort met artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de EU, waarin ervoor wordt gepleit het recht van ouderen te erkennen en te eerbiedigen om een waardig en zelfstandig leven te leiden. De voorgestelde maatregelen zouden gunstige gevolgen hebben voor de consumentenbescherming als bedoeld in artikel 38 en de vrijheid van ondernemerschap als bedoeld in artikel 16, met name door een grotere transparantie van de pensioenvoorziening te verzekeren, een individuele financiële en pensioenplanning met kennis van zaken te garanderen, en het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten door IBPV's en hun bijdragende ondernemingen te bevorderen. De algemene doelstelling rechtvaardigt bepaalde beperkingen op de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16) omdat het voorstel erop gericht is de marktintegriteit en -stabiliteit veilig te stellen.

2.           Resultaten van raadplegingen van belanghebbenden en effectbeoordeling

Aan dit voorstel liggen meerdere openbare raadplegingen over vereisten met betrekking tot kwantitatieve aspecten, governance en informatieverstrekking ten grondslag. Gezien het bijzondere karakter van de IBPV-activiteiten zijn bij de raadplegingen systematisch de sociale partners (werkgevers en vakbonden) betrokken. In juli 2010 heeft de Commissie een raadpleging georganiseerd over haar groenboek over pensioenen, waarin zij een aantal ideeën met betrekking tot deze herziening heeft uiteengezet. In het kader van de raadpleging zijn bijna 1 700 reacties uit de gehele EU ontvangen[16]. 350 daarvan waren afkomstig van de lidstaten, nationale parlementen, bedrijfs- en vakbondsorganisaties, het maatschappelijk middenveld en vertegenwoordigers van de sector[17].

In het licht van de feedback over het groenboek over pensioenen hebben de Commissiediensten de EIOPA in april 2011 verzocht technisch advies te verstrekken over de wijze waarop de richtlijn zou kunnen worden gewijzigd. Rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel heeft de EIOPA aanbevolen het in de Solvabiliteit II-richtlijn vastgelegde governancekader ook op IBPV's toe te passen. De publicatie van het ontwerpadvies[18] werd gevolgd door een uitvoerige raadpleging[19]. In februari 2012 heeft de EIOPA haar definitief advies uitgebracht. Op grond daarvan heeft het directoraat-generaal Interne markt en diensten op 1 maart 2012 tijdens een openbare hoorzitting met belanghebbenden van gedachten gewisseld. Vervolgens hebben de diensten van de Commissie zowel een kwantitatieve impactstudie naar de kwantitatieve vereisten, als een studie naar de administratieve lasten van met governance en informatieverstrekking samenhangende aspecten uitgevoerd. Beide studies bouwden voort op de bijdragen die van de sector en de sociale partners zijn ontvangen.

Dit voorstel gaat vergezeld van een effectbeoordelingsverslag waarin een reeks beleidsopties en –subopties aan de orde komen. Op 4 september 2013 is het verslag een eerste keer aan de Raad voor effectbeoordeling voorgelegd. Deze raad heeft gevraagd het verslag opnieuw in te dienen nadat het was uitgebreid met aanvullende informatie over de standpunten van de verschillende groepen van belanghebbenden en een probleemomschrijving, alsook met een beschrijving van de subsidiariteits- en evenredigheidsaspecten en met een overzicht van de opties en de verwachte gevolgen ervan. Het verslag is dienovereenkomstig herzien, waarbij de volgende belangrijke wijzigingen erin zijn aangebracht: i) een uitvoeriger uiteenzetting van de standpunten van de lidstaten en van de verschillende categorieën belanghebbenden; ii) een nauwkeuriger beschrijving van de problemen die met de voorgenomen maatregel worden aangepakt; iii) wat de subsidiariteit betreft, een gedetailleerdere motivering van het EU-optreden; iv) de verduidelijking dat geen verdere harmonisatie van de toezichtrapportage wordt voorgesteld; v) een nieuwe afdeling over het effect van het initiatief op kleine en middelgrote ondernemingen; en vi) een nauwkeuriger beschrijving van de aannamen waarvan bij de berekening van de verwachte uitkeringen en van de kosten van de diverse opties is uitgegaan. Op 16 oktober 2013 is de effectbeoordeling opnieuw aan de Raad voor effectbeoordeling voorgelegd. Deze heeft op 6 november verklaard dat hij geen positief advies kon uitbrengen, waarbij hij om een aantal verdere wijzigingen heeft verzocht.

3.           Juridische elementen van het voorstel

3.1.        Rechtsgrondslag

Dit voorstel neemt de vorm aan van een herschikking van Richtlijn 2003/41/EG: de ongewijzigde bepalingen worden gecodificeerd en tegelijkertijd worden er wijzigingen in de richtlijn aangebracht. De rechtsgrondslagen van Richtlijn 2003/41/EG zijn oud artikel 47, lid 2, oud artikel 55 en oud artikel 95 VEG (thans de artikelen 53 en 62 en artikel 114, lid 1, VWEU).

Het voorstel berust op dezelfde rechtsgrondslagen als de richtlijn. Het strekt ertoe de interne markt tot stand te brengen door middel van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging door de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst te reguleren en door een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.

Richtlijn 2003/41/EG regelt onder meer de volgende aspecten: de voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden van IBPV's (met inbegrip van een gemeenschappelijke benadering voor de registratie of vergunningverlening), de in acht te nemen regels en procedures wanneer IBPV's hun diensten in andere lidstaten willen aanbieden, kwantitatieve solvabiliteitsregels, beleggingsvoorschriften op basis van het "prudent person"-beginsel, vereisten op het gebied van een doelmatig beheer (met inbegrip van betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen), het gebruik van interneaudit- en actuariële diensten, vereisten inzake risicobeheer, het beroep op bewaarders, aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen, alsook toezichtbevoegdheden en rapportageverplichtingen.

Dit voorstel bouwt voort op deze elementen. Wat bijvoorbeeld de door IBPV's te verstrekken informatie betreft, wordt een EU-breed pensioenuitkeringsoverzicht ingevoerd. Met het oog op een doelmatig beheer van IBPV's worden gedetailleerdere voorschriften vastgesteld inzake de betrouwbaarheid en deskundigheid en inzake bepaalde sleutelfuncties, waaronder het risicobeheer. Met het voorstel wordt ook beoogd het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken.

De beide doelstellingen van Richtlijn 2003/41/EG worden gehandhaafd. Geen van de doelstellingen is van ondergeschikt of indirect belang ten opzichte van de andere. Zo resulteren de professionalisering van het IBPV-beheer door de nadere omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van essentieel leidinggevend personeel en de invoering van een toekomstgerichte eigen risicotoetsing in een betere consumentenbescherming. Andersom zorgt een betere informatieverschaffing in de vorm van een pensioenuitkeringsoverzicht ervoor dat het IBPV-bestuur meer verantwoording verschuldigd is aan deelnemers en pensioengerechtigden. Een belangrijkere mate van harmonisatie van deze vereisten faciliteert het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten doordat transactiekosten worden verminderd en marktinnovatie wordt bevorderd.

3.2.        Subsidiariteit en evenredigheid

Een EU-optreden op dit terrein houdt een meerwaarde in omdat een optreden door de lidstaten afzonderlijk niet resulteert in: i) het opheffen van belemmeringen voor grensoverschrijdende activiteiten van IBPV's; ii) een hoger EU-breed minimumniveau van consumentenbescherming; iii) de schaalvoordelen, risicospreiding en innovatie die grensoverschrijdende activiteiten met zich meebrengen; iv) het vermijden van toezicht- en regelgevingsarbitrage tussen financiëledienstensectoren; v) het vermijden van toezicht- en regelgevingsarbitrage tussen lidstaten; en vi) de inaanmerkingneming van de belangen van werknemers die over de grenzen heen actief zijn.

Overeenkomstig het voorstel blijven de lidstaten de volledige verantwoordelijkheid dragen voor de organisatie van hun pensioenstelsels. De herziening doet geen afbreuk aan dit prerogatief. De herziening heeft evenmin betrekking op kwesties die met nationale sociale en arbeidswetgeving, dan wel met nationaal fiscaal of contractenrecht verband houden.

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Met de gekozen beleidsopties wordt naar een evenwicht gestreefd tussen het algemeen belang, de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden, en de kosten voor instellingen, bijdragende ondernemingen en toezichthouders. De opties zijn zorgvuldig bestudeerd, als minimumnormen weergegeven en zodanig vormgegeven dat zij met verschillende bedrijfsmodellen rekening houden. Daarom zal het voorstel algemeen genomen de bedrijfspensioenvoorziening bevorderen.

3.3.        Verwijzingen naar andere richtlijnen

Dit voorstel betreft een herschikking, waarbij wordt verwezen naar de Richtlijnen 2003/41/EG, 2009/138/EG, 2010/78/EU[20], 2011/61/EU en 2013/14/EU[21]. Richtlijn 2003/41/EG wordt ingetrokken door deze richtlijn.

3.4.        Nadere uitleg van het voorstel, per hoofdstuk of per artikel

Aangezien het hier een herschikking van Richtlijn 2003/41/EG betreft, wordt in de onderstaande nadere uitleg van het voorstel uitsluitend ingegaan op nieuwe bepalingen of bepalingen die moeten worden gewijzigd.

Titel I – ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 6 bevat thans nieuwe en/of duidelijker definities van "bijdragende onderneming", "lidstaat van herkomst", "lidstaat van ontvangst", "overdragende" en "ontvangende" instellingen, "gereglementeerde markt", "multilaterale handelsfaciliteit", "georganiseerde handelsfaciliteit", "duurzame drager" en "sleutelfuncties".

In artikel 9, in combinatie met artikel 10, zijn niet langer de voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden afzonderlijk vermeld, maar wordt aan de lidstaten de verantwoordelijkheid toevertrouwd ervoor te zorgen dat elke instelling geregistreerd is of een vergunning heeft, en dat er naar behoren vastgestelde regels voor de pensioenregeling bestaan.

Artikel 12 wordt op drie punten gewijzigd. Ten eerste wordt gesteld dat een instelling grensoverschrijdende activiteiten ontplooit wanneer zij een pensioenregeling uitvoert die onder de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat valt, met inbegrip van situaties waarin de instelling en de bijdragende onderneming in dezelfde lidstaat zijn gevestigd[22]. Ten tweede is in lid 4 bepaald dat als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten verbiedt, zij dat bij een met redenen omkleed besluit moet doen. Bovendien is het zo dat als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst niet in kennis stelt, zij opgave moet doen van de redenen van haar weigering. Ten derde mag de lidstaat van ontvangst niet langer aanvullende informatievereisten opleggen aan instellingen die grensoverschrijdende activiteiten ontplooien. Dat komt omdat het voorstel een gestandaardiseerd pensioenuitkeringsoverzicht invoert (zie de artikelen 40 tot en met 54).

In artikel 13 zijn nieuwe regels vastgesteld voor grensoverschrijdende overdrachten van pensioenregelingen, die van tevoren door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling moeten worden goedgekeurd. Tenzij in de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van pensioenstelsels anders is bepaald, moeten de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden van tevoren worden goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers. Artikel 13 bevat ook voorschriften voor de uitwisseling van informatie over de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving op grond waarvan de pensioenregeling moet worden uitgevoerd. Indien de ontvangende uitstelling na de overdracht grensoverschrijdende activiteiten ontplooit, dan is het bepaalde in artikel 12, leden 8 en 9, van toepassing. De instelling voert de pensioenregeling uit in overeenstemming met de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst[23], waarbij het niveau van bescherming van de deelnemers en pensioengerechtigden die met de overdracht te maken krijgen, onveranderd blijft.

Titel II – KWANTITATIEVE VEREISTEN

Artikel 20 betreffende beleggingsvoorschriften is op twee punten gewijzigd. Ten eerste mag de lidstaat van ontvangst niet langer aanvullende beleggingsvoorschriften opleggen aan instellingen die grensoverschrijdende activiteiten ontplooien. Dit vergemakkelijkt de organisatie van het beleggingsbeheer, met name voor toegezegdebijdrageregelingen. De bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden wordt er niet door ondermijnd omdat daartegenover een versterkte governance en strengere toezichtregels staan. Ten tweede is artikel 20, lid 6, onder a), aangepast aan de in Verordening (EU) nr. …/… [MiFIR] gehanteerde terminologie. Ten derde is de dubbelzinnige term "risicokapitaalmarkten" (artikel 20, lid 6, onder c)) vervangen door bewoordingen die de oorspronkelijke betekenis van deze bepaling beter weergeven, namelijk dat lidstaten instellingen niet kunnen verbieden te beleggen in langetermijninstrumenten die niet op gereglementeerde markten worden verhandeld. Bovendien mogen de beleggingsvoorschriften geen beperkingen bevatten ten aanzien van beleggingen in niet-beursgenoteerde activa waarmee koolstofarme en klimaatbestendige infrastructuurprojecten worden gefinancierd.

Er wordt geen verdere harmonisatie van de voorschriften betreffende de financiële solvabiliteit van IBPV's voorgesteld.

Titel III – VOORWAARDEN VOOR DE BEDRIJFSUITOEFENING

Wat kleine IBPV's betreft, handhaaft het voorstel de mogelijkheid voor de lidstaten om instellingen die regelingen uitvoeren waarbij in totaal minder dan 100 deelnemers aangesloten zijn, vrij te stellen. Voor andere IBPV's garanderen specifieke maatregelen, met betrekking tot bijvoorbeeld de sleutelfuncties en de risicobeoordeling, dat de governancevereisten evenredig blijven.

HOOFDSTUK 1 – Governancesysteem

Met uitzondering van de artikelen 31 en 32 (oude artikelen 10 en 12) is deze titel volledig nieuw. Hij bevat nieuwe gedetailleerde governancevereisten voor IBPV's.

In artikel 21 is bepaald dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de IBPV de eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de IBPV van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn worden vastgesteld. De governanceregels voor IBPV's laten de rol van de sociale partners in het bestuur ervan onverlet.

Overeenkomstig artikel 22 moeten instellingen beschikken over een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt. Het systeem moet in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de IBPV om te voorkomen dat de governancevereisten te belastend zijn voor bijvoorbeeld kleine instellingen.

Artikel 23 schrijft voor dat IBPV's erop moeten toezien dat alle personen die de IBPV daadwerkelijk besturen of sleutelfuncties vervullen, over de nodige beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring beschikken om een gezond en prudent bestuur van de IBPV mogelijk te maken of om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen (deskundigheid), en dat zij een goede naam hebben en integer zijn (betrouwbaarheid).

In artikel 24 is bepaald dat instellingen over een deugdelijk beloningsbeleid moeten beschikken en dat dit beleid openbaar moet worden gemaakt. In het artikel wordt ook voorgesteld de Commissie de bevoegdheid te verlenen een gedelegeerde handeling vast te stellen.

In artikel 25 zijn de algemene beginselen betreffende sleutelfuncties opgenomen. IBPV's mogen toestaan dat één persoon of organisatorische eenheid meer dan één sleutelfunctie vervult, maar moeten te allen tijde de risicobeheerfunctie toevertrouwen aan een andere persoon of organisatorische eenheid dan de persoon of organisatorische eenheid die de interneauditfunctie vervult.

Overeenkomstig Artikel 26 moeten IBPV's beschikken over een doeltreffend risicobeheersysteem. Dat systeem is nodig om voortdurend alle risico's (met inbegrip van die welke verband houden met uitbestede of vervolgens onderuitbestede werkzaamheden en onderlinge verbanden) waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden, te detecteren, te bewaken, te beheren en te rapporteren. Het risicobeheer moet in verhouding staan tot de schaal en de interne organisatie en tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

Artikel 27 voorziet in een doeltreffende interneauditfunctie. In het kader van deze functie wordt geëvalueerd of het internecontrolesysteem en andere onderdelen van het governancesysteem, met inbegrip van uitbestede of vervolgens onderuitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn. De interneauditfunctie moet door ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de instelling worden vervuld.

Krachtens artikel 28 moet in een doelmatige actuariële functie worden voorzien, zowel voor de coördinatie van en het toezicht op de berekening van de technische voorzieningen als voor de beoordeling van de geschiktheid van de gehanteerde methodieken en onderliggende modellen, ingeval deelnemers en pensioengerechtigden niet alle risico's dragen.

In artikel 29 is bepaald dat instellingen periodiek een risicobeoordeling voor pensioenen moeten opstellen en terstond na een significante wijziging in het risicoprofiel van de instelling. De beoordeling moet de verenigbaarheid van een aantal elementen met de nationale voorschriften aantonen. Zij moet onder meer betrekking hebben op nieuwe of zich aandienende risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden. De risicobeoordeling voor pensioenen moet in verhouding staan tot de schaal en de interne organisatie en tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

In artikel 30 wordt voorgesteld de Commissie de bevoegdheid te verlenen een gedelegeerde handeling met betrekking tot de risicobeoordeling voor pensioenen vast te stellen.

HOOFDSTUK 2 – Uitbesteding en beleggingsbeheer

In artikel 33 zijn de voorschriften vastgesteld voor de uitbesteding van werkzaamheden aan derden, met inbegrip van de onderuitbesteding van werkzaamheden.

HOOFDSTUK 3 – Bewaarder

In de artikelen 35, 36 en 37 is bepaald dat IBPV's één enkele bewaarder moeten aanstellen voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken indien deelnemers en pensioengerechtigden het beleggingsrisico volledig dragen.

Titel IV – AAN TOEKOMSTIGE DEELNEMERS, DEELNEMERS EN PENSIOENGERECHTIGDEN TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN

HOOFDSTUK I – Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt, voortbouwend op het oude artikel 11, nader beschreven welke inlichtingen aan deelnemers, toekomstige deelnemers en (na de pensionering) pensioengerechtigden moeten worden verstrekt.

In artikel 38 wordt het algemene beginsel betreffende de informatieverstrekking beschreven.

Artikel 39 schrijft voor waarover deelnemers (en pensioengerechtigden) moeten worden ingelicht. Het betreft onder meer de rechten en plichten van de partijen, de risico's en beleggingsmogelijkheden en het feit of het al dan niet om standaard beleggingsmogelijkheden gaat. De voorwaarden van de specifieke pensioenregeling moeten door de betrokken instelling op een website worden gepubliceerd.

Krachtens artikel 40 zijn IBPV's ertoe verplicht om de twaalf maanden iedere individuele persoon een zo duidelijk mogelijk pensioenuitkeringsoverzicht te verstrekken; dat overzicht kan ook als uitgangspunt dienen voor de input van informatie in een eventuele pensioentraceerdienst zoals beschreven in het witboek over pensioenen[24]. Ingeval de lidstaten reeds voorschrijven dat uitvoerige informatie over een of meerdere pensioenpijlers aan particulieren moet worden verstrekt, handhaven zij de flexibiliteit die IBPV's bij de opzet van hun systemen voor de verstrekking van informatie over pensioenen genieten, mits deze aan de vereisten van dit voorstel voldoen.

HOOFDSTUK 2 – Pensioenuitkeringsoverzicht

In de artikelen 40 tot en met 44 zijn de algemene voorschriften voor het pensioenuitkeringsoverzicht vastgelegd. Dit overzicht is bedoeld voor werkzame deelnemers aan de pensioenregeling. Het idee van het pensioenuitkeringsoverzicht is afkomstig uit het EIOPA-advies aan de Europese Commissie over de herziening van de IBPV-richtlijn en is gebaseerd op nationale optimale werkwijzen in diverse lidstaten en op internationale werkzaamheden van de OESO[25]. Het pensioenuitkeringsoverzicht verzekert de vergelijkbaarheid met de informatie die entiteiten in andere financiële sectoren wettelijk verplicht zijn te verstrekken (zoals het essentiële-informatiedocument dat beleggingsfondsen van het open-end type (icbe's) moeten verschaffen), terwijl tegelijkertijd met de specifieke kenmerken van de sector van de bedrijfspensioenen rekening wordt gehouden. Bovendien biedt het pensioenuitkeringsoverzicht de lidstaten voldoende manoeuvreerruimte om meer specifieke vereisten en geïntegreerde systemen in te voeren die een vergelijking tussen de verschillende pijlers van het pensioenstelsel mogelijk maken.

De standaardisering van het pensioenuitkeringsoverzicht moet het mogelijk maken de periodieke opstelling ervan te automatiseren en eventueel uit te besteden, waardoor de kosten laag kunnen worden gehouden, vooral voor kleinere instellingen.

In de artikelen 46 tot en met 53, die samen met artikel 45 moeten worden gelezen, zijn de onderdelen van het pensioenuitkeringsoverzicht vastgelegd. De bovenbedoelde onderdelen zijn:

· persoonsgegevens van de deelnemer;

· identificatie van de instelling;

· garanties;

· saldo, bijdragen en kosten;

· pensioenprojecties;

· beleggingsprofiel;

· in het verleden behaalde resultaten; en

· aanvullende informatie.

In artikel 54 wordt voorgesteld de Commissie de bevoegdheid te verlenen een gedelegeerde handeling met betrekking tot het pensioenuitkeringsoverzicht vast te stellen.

HOOFDSTUK 3 – Andere te verstrekken inlichtingen en documenten

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de informatie die IBPV's aan deelnemers en pensioengerechtigden moeten verstrekken in de verschillende pensioenstadia, namelijk vlak voor de inschrijving, vlak voor de pensionering of tijdens de uitbetalingsfase.

Artikel 55 bevat specifieke voorschriften met betrekking tot de inlichtingen die een IBPV aan toekomstige deelnemers moeten verstrekken voordat zij zich bij de pensioenregeling van de IBPV aansluiten.

In artikel 56 is vastgelegd welke inlichtingen vóór de pensionering aan deelnemers moeten worden verstrekt. Deze inlichtingen moeten, naast het pensioenuitkeringsoverzicht, ten minste twee jaar voor de pensionering worden verstrekt, ongeacht of dat van tevoren is vastgesteld of niet.

In artikel 57 is aangegeven welke inlichtingen tijdens de uitbetalingsfase aan de pensioengerechtigden moeten worden verstrekt. Deze informatie aan pensioengerechtigden komt in de plaats van het pensioenuitkeringsoverzicht.

In artikel 58 is vastgelegd welke inlichtingen op verzoek aan deelnemers en pensioengerechtigden moeten worden verstrekt.

Titel V – PRUDENTIEEL TOEZICHT

HOOFDSTUK 1 – Algemene regels betreffende het prudentiële toezicht

Overeenkomstig artikel 59 is het hoofddoel van het prudentiële toezicht de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden.

In artikel 60 is aangegeven welke terreinen het prudentiële toezicht in het kader van deze richtlijn geacht wordt te bestrijken. Dit artikel neemt de rechtsonzekerheid voor de IBPV's weg die uit de verschillen in reikwijdte van het prudentiële toezicht in de diverse lidstaten voortvloeide.

In artikel 61 worden de algemene beginselen van het prudentiële toezicht uiteengezet. Zo is bepaald dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst als enige verantwoordelijk is voor het prudentiële toezicht op alle IBPV's die binnen haar rechtsgebied een vergunning hebben gekregen of zijn geregistreerd. In dit artikel is voorts het beginsel neergelegd dat het toezicht op IBPV's niet alleen op een prospectieve en risicogebaseerde benadering moet berusten, maar ook tijdig en op proportionele wijze moet worden uitgeoefend.

Artikel 63 voert het prudentiële toezichtsproces in, waarmee wordt beoogd de IBPV's te identificeren met financiële, organisatorische of andere kenmerken die tot een hoger risicoprofiel aanleiding kunnen geven.

Artikel 64 waarborgt dat alle nieuwe vereisten die krachtens dit voorstel worden ingevoerd, tot uiting komen in de aan de bevoegde autoriteiten verleende bevoegdheid met betrekking tot de informatieverstrekking.

In Artikel 65 is bepaald dat bevoegde autoriteiten hun taken op een transparante en verantwoordelijke wijze moeten verrichten.

HOOFDSTUK 2 – Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie

De artikelen 66 tot en met 71 hebben betrekking op de regelingen en voorwaarden voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten en instanties die bijdragen tot de versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel.

Titel VI – SLOTBEPALINGEN

In de artikelen 73 tot en met 81 zijn de samenwerkings- en rapportageverplichtingen, alsook de voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens vastgelegd. Deze artikelen hebben voorts onder meer betrekking op de evaluatie en herziening van de richtlijn, een wijziging in Richtlijn 2009/138/EG (Solvabiliteit II), de omzettingstermijn van de richtlijn, intrekkingen en adressaten.

4.           Gevolgen voor de begroting

De specifieke gevolgen voor de begroting worden behandeld in het financieel memorandum en houden verband met aan de EIOPA toebedeelde taken.

ê 2003/41/EG

2014/0091 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet opGezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschapbetreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 5347, lid 2, artikel 6255 en artikel 114, lid 195, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

ò nieuw

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

ê 2003/41/EG

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

ò nieuw

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

ê 2003/41/EG

Handelend volgensVolgens de gewone wetgevingsprocedurevan artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

ò nieuw

(1)       Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad[26] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd[27]. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

ê 2003/41/EG overweging 1

Een echte interne markt voor financiële diensten is voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie van wezenlijk belang.

ê 2003/41/EG overweging 2 (aangepast)

ð nieuw

(2)       Er zijn reeds belangrijke resultaten geboekt met betrekking tot de totstandbrenging van Detdeze interne markt, ð moet ï waardoor financiële instellingen ð in staat stellen ï in andere lidstaten kunnen Ö te Õ opereren en ð deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening ï de consumenten van financiële diensten een hoog beschermingsniveau Ö bieden Õ wordt geboden.

ê 2003/41/EG overweging 3 (aangepast)

De mededeling van de Commissie, getiteld "Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan" somt een reeks maatregelen op die nodig zijn om de interne markt voor financiële diensten te vervolmaken, en de Europese Raad heeft er tijdens zijn bijeenkomst te Lissabon op 23 en 24 maart 2000 toe opgeroepen dit actieplan vóór 2005 uit te voeren.

ê 2003/41/EG overweging 4 (aangepast)

Het actieplan voor financiële diensten beschouwt de opstelling van een richtlijn inzake het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als een dringende prioriteit, omdat dit grote financiële instellingen zijn die ten aanzien van de integratie, de efficiëntie en de liquiditeit van de financiële markten een centrale rol spelen, maar niet onderworpen zijn aan een samenhangende communautaire wetgeving die hen in staat stelt de voordelen van de interne markt ten volle te benutten.

ò nieuw

(3)       Met Richtlijn 2003/41/EG is een eerste wetgevende stap gezet op de weg naar een interne markt voor op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening. Een echte interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening blijft van wezenlijk belang voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie en voor het aanpakken van de uitdaging van een vergrijzende Europese samenleving. De richtlijn, die van 2003 dateert, behoefde niet ingrijpend te worden gewijzigd om er ook een modern risicogebaseerd governancesysteem voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in op te nemen.

ê 2003/41/EG overweging 5 (aangepast)

ð nieuw

(4)       ð Actie is geboden om aanvullende particuliere pensioenspaarregelingen, zoals bedrijfspensioenen, verder uit te bouwen. Dat is belangrijk omdat socialezekerheidsstelsels onder toenemende druk komen te staan, wat inhoudt dat burgers in de toekomst steeds meer op bedrijfspensioenen zullen gaan vertrouwen om als aanvulling te fungeren. ï Aangezien de socialezekerheidsstelsels steeds meer onder druk komen te staan, zullen de bedrijfspensioenvoorzieningen in de toekomst steeds meer als aanvulling moeten dienen. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen derhalve verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model.

(5)       Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en ondernemingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(6)       Ondanks de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/41/EG blijven er belangrijke prudentiële belemmeringen bestaan die het duurder maken voor instellingen om over de grenzen heen pensioenregelingen uit te voeren. Bovendien moet het huidige minimumniveau van bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden worden opgetrokken. Dit is des te belangrijker omdat het aantal Europeanen dat vertrouwt op regelingen die het hogeleeftijdsrisico en het marktrisico doorschuiven van de instelling of onderneming die de bedrijfspensioenregeling aanbiedt ("bijdragende onderneming") naar de betrokken persoon, sterk is gestegen. Bovendien moet het huidige minimumniveau van informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden worden verhoogd. Al deze ontwikkelingen rechtvaardigen een wijziging van de richtlijn.

ê 2003/41/EG overweging 7

(7)       De in de richtlijn verankerde prudentiële regels zijn bedoeld om de toekomstige gepensioneerden door middel van strenge toezichtsnormen een hoge mate van zekerheid te bieden en tegelijkertijd een efficiënte uitvoering van de regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening mogelijk te maken.

ê 2003/41/EG overweging 8

(8)       Instellingen die volledig zijn gescheiden van bijdragende ondernemingen en die op basis van kapitaaldekking opereren met als enig doel het verstrekken van pensioenuitkeringen, dienen vrijelijk diensten en beleggingen te kunnen verrichten met als enige voorwaarde dat aan gecoördineerde prudentiële vereisten wordt voldaan, ongeacht of deze instellingen als rechtspersonen worden beschouwd.

ê 2003/41/EG overweging 9

(9)       Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld.

ê 2003/41/EG overweging 10

(10)     De nationale voorschriften betreffende de deelname van zelfstandigen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen uiteen. In sommige lidstaten mogen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening opereren op grond van overeenkomsten met een branche of met bedrijfsorganisaties waarvan de aangeslotenen als zelfstandigen werkzaam zijn, dan wel op grond van rechtstreeks met zelfstandigen en werknemers gesloten overeenkomsten. In sommige lidstaten kan een zelfstandige zich ook aansluiten bij een instelling wanneer de zelfstandige handelt als werkgever of zijn professionele diensten ten behoeve van een onderneming verricht. In sommige lidstaten mogen zelfstandigen niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening deelnemen tenzij bepaalde voorwaarden, waaronder die welke voortvloeien uit de sociale en de arbeidswetgeving, vervuld zijn.

ê 2003/41/EG overweging 11

(11)     Instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren en die reeds op GemeenschapsUnieniveau worden gecoördineerd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met het speciale geval van instellingen die in één lidstaat zowel socialezekerheidsregelingen als bedrijfspensioenregelingen beheren.

ê 2003/41/EG overweging 12

(12)     Financiële instellingen waarop reeds communautaireUnieregelgeving van toepassing is, dienen in de regel van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Daar deze instellingen in sommige gevallen echter ook bedrijfspensioendiensten aanbieden, moet ervoor worden gezorgd dat deze richtlijn niet tot mededingingsverstoringen leidt. Deze verstoringen kunnen worden vermeden door de prudentiële vereisten van deze richtlijn ook op de bedrijfspensioenactiviteiten van levensverzekeringsondernemingen toe te passen. De Commissie moet zorgvuldig toezien op de situatie op de bedrijfspensioenmarkt en nagaan of het mogelijk is de facultatieve toepassing van deze richtlijn uit te breiden tot andere financiële instellingen waarop regelgeving van toepassing is.

ê 2003/41/EG overweging 13

(13)     Bij het streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering dient ervoor gezorgd te worden dat de uitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien. Tevens dient een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens mogelijk te zijn.

ê 2003/41/EG overweging 14

(14)     Het is van belang ervoor te zorgen dat ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten. Een passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, alsmede uitkeringen aan nabestaanden die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn.

ê 2003/41/EG overweging 15

(15)     De lidstaten toestaan om instellingen die regelingen met minder dan 100 deelnemers uitvoeren van de werkingssfeer van de nationale uitvoeringsbepalingen uit te sluiten, kan het toezicht in bepaalde lidstaten vergemakkelijken zonder de deugdelijke werking van de interne markt op dit gebied te ondermijnen. Een en ander mag echter geen afbreuk doen aan het recht van die instellingen om voor het beheer van hun beleggingsportefeuille en de bewaring van hun activa, in een andere lidstaat gevestigde en naar behoren erkende beleggingsbeheerders en ‑bewaarders te benoemen.

ê 2003/41/EG overweging 16

(16)     Instellingen zoals de "Unterstützungskassen" in Duitsland, waarvan de deelnemers geen wettelijke rechten op uitkeringen van een bepaald bedrag hebben en waarbij de belangen van de deelnemers door een verplichte wettelijke verzekering tegen insolventie worden beschermd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgezonderd.

ê 2003/41/EG overweging 17

(17)     Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten beperken tot de activiteiten, en de daarmee verband houdende werkzaamheden, die in deze richtlijn worden genoemd.

ê 2003/41/EG overweging 18

(18)     In geval van faillissement van een bijdragende onderneming loopt de deelnemer het gevaar zowel zijn werk als zijn verworven pensioenrechten te verliezen. Derhalve is een duidelijke scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling noodzakelijk en dienen minimale prudentiële normen te worden vastgesteld om de deelnemers te beschermen.

ê 2003/41/EG overweging 19

(19)     De werking van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen in de lidstaten aanzienlijk uiteen. In sommige lidstaten kan niet alleen op de instelling zelf toezicht worden uitgeoefend, maar ook op de lichamen of ondernemingen die gemachtigd zijn deze instellingen te beheren. De lidstaten moeten met een dergelijke specifieke omstandigheid rekening kunnen houden zolang daadwerkelijk aan alle in deze richtlijn opgenomen vereisten wordt voldaan. Daarnaast moeten de lidstaten verzekeringslichamen en andere financiële lichamen kunnen toestaan om instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te beheren.

ê 2003/41/EG overweging 20

(20)     Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan.

ê 2003/41/EG overweging 21

(21)     Gezien het enorme aantal instellingen in bepaalde lidstaten moet een pragmatische oplossing worden gevonden in verband met de voorafgaande vergunningverlening aan de instellingen. Wanneer een instelling in een andere lidstaat een pensioenregeling wenst uit te voeren, moet echter een voorafgaande vergunning, verleend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, worden verlangd.

ê 2003/41/EG overweging 36 (aangepast)

ð nieuw

(22)     Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, dienen instellingen de mogelijkheid te hebben ð na het verkrijgen van een vergunning van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling ï hun diensten in andere lidstaten te verrichten. Het dient hun te zijn toegestaan in ð gelijk welke ï andere lidstatenlidstaat gevestigde ondernemingen als bijdragende onderneming te aanvaarden en pensioenregelingen met deelnemers in meer dan één lidstaat uit te voeren. Dit zou deze instellingen aanzienlijke schaalvoordelen kunnen opleveren, het concurrentievermogen van deze bedrijfstak in de GemeenschapUnie kunnen verbeteren en de arbeidsmobiliteit kunnen vergroten. Hiervoor is een wederzijdse erkenning van prudentiële normen nodig. Op een deugdelijke handhaving van deze prudentiële normen moet toezicht worden gehouden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, tenzij anders is bepaald.

ê 2003/41/EG overweging 37

ð nieuw

(23)     Het recht van een instelling in een bepaalde lidstaat om een bedrijfspensioenregeling overeengekomen in een andere lidstaat uit te voeren, moet worden uitgeoefend met volledige inachtneming van de bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die in de lidstaat van ontvangst van kracht zijn, voor zover deze voor bedrijfspensioenen relevant zijn, bijvoorbeeld de definitie en de betaling van pensioenuitkeringen en de voorwaarden voor de overdraagbaarheid van pensioenrechten. ð Het toepassingsgebied van de prudentiële regels moet worden verduidelijkt om de rechtszekerheid van de grensoverschrijdende activiteiten van de instellingen te garanderen. ï

ò nieuw

(24)     Instellingen moeten pensioenregelingen binnen de Unie over de grenzen heen aan andere instellingen kunnen overdragen om de organisatie van de bedrijfspensioenvoorziening op Uniebrede schaal te vergemakkelijken, waarbij als enige beperking geldt dat aan de instelling waaraan de pensioenregeling wordt overgedragen (de "ontvangende instelling"), vergunning moet zijn verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de betrokken instelling. Tenzij in de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van pensioenstelsels anders is bepaald, moeten de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden van tevoren worden goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers.

ê 2003/41/EG overweging 26

(25)     Een prudente berekening van de technische voorzieningen is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat aan de uitkeringsverplichtingen kan worden voldaan. De technische voorzieningen moeten derhalve worden berekend op basis van erkende actuariële methoden en door gekwalificeerde personen worden gewaarmerkt. De maximale rentevoeten moeten prudent worden gekozen overeenkomstig relevante nationale voorschriften. Het minimumbedrag van de technische voorzieningen moet toereikend zijn om de uitbetaling van de reeds verschuldigde uitkeringen aan pensioengerechtigden te kunnen voortzetten en de verplichtingen weergeven die uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers voortvloeien.

ê 2003/41/EG overweging 27

(26)     De door de instellingen gedekte risico's lopen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. De lidstaten van herkomst dienen derhalve de mogelijkheid te hebben de berekening van de technische voorzieningen te onderwerpen aan aanvullende en uitvoeriger regels dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.

ê 2003/41/EG overweging 28

(27)     Toereikende en passende activa ter dekking van de technische voorzieningen beschermen de belangen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling wanneer de bijdragende onderneming insolvent wordt. Met name in gevallen van grensoverschrijdende activiteiten vereist de wederzijdse erkenning van de toezichtbeginselen die in de lidstaten van toepassing zijn, dat de technische voorzieningen te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt.

ê 2003/41/EG overweging 29

(28)     Wanneer de instelling geen grensoverschrijdende activiteiten verricht, kunnen lidstaten een ontoereikende dekking toestaan, mits een deugdelijk plan wordt opgesteld om tot volledige kapitaaldekking te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever[28].

ê 2003/41/EG overweging 30

(29)     Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.

ê 2003/41/EG overweging 31

(30)     Instellingen zijn beleggers op zeer lange termijn. De door deze instellingen aangehouden activa mogen in de regel niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen. Bovendien moeten de instellingen, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, kunnen kiezen voor een allocatie van activa die nauwkeurig strookt met de aard en de looptijd van hun verplichtingen. Deze overwegingen maken een efficiënte controle en benadering van de beleggingsregels noodzakelijk, die de instellingen voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent te handelen. Toepassing van de "prudent person"-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de deelnemersstructuur van de afzonderlijke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.

ê 2003/41/EG overweging 6 (aangepast)

(31)     Deze richtlijn vormt aldus een eerste stap op de weg naar een op Europese schaal georganiseerde interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening.Door de "prudent person"-regel tot onderliggend beginsel te maken voor vermogensbelegging en door het voor instellingen mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de overheveling van spaargelden naar de sector bedrijfspensioenvoorziening gestimuleerd, waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang.

ê 2003/41/EG overweging 32

(32)     De toezichtmethoden en -praktijken lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Daarom moet de lidstaten een zekere vrijheid worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen. Deze voorschriften mogen het vrije kapitaalverkeer evenwel niet belemmeren, tenzij dit om prudentiële redenen gerechtvaardigd is.

ê 2003/41/EG overweging 33 (aangepast)

ð nieuw

(33)     Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon en lage liquiditeitsrisico's, bevinden instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen prudente grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in ð instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, ï risicokapitaalmarkten te beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen, risicokapitaalmarkten en Ö in Õ andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt, ð en in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, ï mogen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet worden beperkt.

ò nieuw

(34)     Instrumenten met een economisch langetermijnprofiel is een ruim begrip. Het betreft effecten die niet overdraagbaar zijn en die dus niet van de door secundaire markten geboden liquiditeit kunnen profiteren. Zij vereisen vaak dat men zich gedurende een bepaalde termijn vastlegt, waardoor de verhandelbaarheid ervan beperkt is. Deze instrumenten moeten worden geacht participaties, schuldinstrumenten van niet-beursgenoteerde ondernemingen en aan dergelijke ondernemingen verstrekte leningen te omvatten. Niet-beursgenoteerde ondernemingen zijn onder meer infrastructuurprojecten, niet-beursgenoteerde vennootschappen die groei nastreven en vastgoed of andere activa welke geschikt kunnen zijn voor langetermijnbeleggingsdoeleinden. Koolstofarme en klimaatbestendige infrastructuurprojecten zijn veelal niet-beursgenoteerd en zijn wat projectfinanciering betreft vaak op langetermijnkredieten aangewezen.

ê 2003/41/EG overweging 34 (aangepast)

Indien de instelling evenwel grensoverschrijdende activiteiten verricht, kan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst worden verzocht om grenzen in acht te nemen voor belegging in aandelen en soortgelijke activa die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, alsmede in aandelen en andere instrumenten die door dezelfde onderneming worden uitgegeven of in activa in niet-congruente valuta's, mits die voorschriften ook gelden voor in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen.

ê 2003/41/EG overweging 35 (aangepast)

Beperkingen ten aanzien van de vrije keuze door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van erkende vermogensbeheerders en -bewaarders belemmeren de mededinging in de interne markt en moeten derhalve worden opgeheven.

ò nieuw

(35)     Het moet instellingen worden toegestaan conform de voorschriften van hun lidstaat van herkomst in andere lidstaten te beleggen om de aan grensoverschrijdende activiteiten verbonden kosten te drukken. Het dient de lidstaten van ontvangst bijgevolg verboden te zijn extra beleggingsvereisten op te leggen aan in andere lidstaten gevestigde instellingen.

(36)     Sommige risico's kunnen niet worden gereduceerd met behulp van kwantitatieve vereisten die in de technische voorzieningen en financieringsvereisten tot uiting komen, maar kunnen alleen met behulp van governancevereisten naar behoren worden aangepakt. Voor een adequaat risicobeheer is een doeltreffend governancesysteem derhalve van essentieel belang. Dergelijke systemen dienen in verhouding te staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden.

(37)     Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van buitensporige risico's kan een degelijk en doeltreffend risicobeheer van instellingen ondermijnen. De beginselen en openbaarmakingsvereisten in verband met het beloningsbeleid die in de Unie voor andere soorten financiële instellingen gelden, moeten ook op de instellingen toepasselijk worden gemaakt, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de bijzondere governancestructuur van de instellingen in vergelijking met andere soorten financiële instellingen, alsook met de schaal, aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen.

(38)     Een sleutelfunctie is een interne capaciteit om bepaalde governancetaken uit te voeren. Instellingen moeten over voldoende capaciteit beschikken voor een risicobeheerfunctie, een interneauditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. De identificatie van een bepaalde sleutelfunctie belet de instelling niet om deze in de praktijk naar eigen inzicht te organiseren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Dit mag evenwel niet tot al te belastende vereisten leiden, want er dient rekening te worden gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

(39)     Alle personen die sleutelfuncties vervullen, moeten deskundig en betrouwbaar zijn. Alleen degenen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties, zijn echter tot verplichte kennisgeving aan de bevoegde autoriteit gehouden.

(40)     Verder moet het in kleinere en minder complexe ondernemingen mogelijk zijn dat één persoon of één organisatorische eenheid meer dan één sleutelfunctie vervult, behalve wat de interneauditfunctie betreft. De persoon of eenheid die een sleutelfunctie vervult, moet echter verschillen van de persoon of eenheid die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervult, al dient de bevoegde autoriteit gemachtigd te zijn een ontheffing te verlenen, rekening houdend met de schaal, aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

(41)     Het is van essentieel belang dat instellingen hun risicobeheer zodanig verbeteren dat mogelijke kwetsbare punten wat de houdbaarheid van de pensioenregeling betreft, naar behoren kunnen worden onderkend en met de bevoegde autoriteiten kunnen worden besproken. In het kader van hun risicobeheerssysteem dienen de instellingen een risicobeoordeling voor hun met pensioenen verband houdende activiteiten op te stellen. Deze risicobeoordeling moet ook beschikbaar worden gesteld voor de bevoegde autoriteiten. In die beoordeling dienen de instellingen onder meer een kwalitatieve beschrijving te geven van de essentiële elementen die hun financieringspositie overeenkomstig de nationale wetgeving bepalen, de doeltreffendheid van hun risicobeheersysteem en hun vermogen om aan de vereisten inzake de technische voorzieningen te voldoen. In deze risicobeoordeling moeten ook nieuwe of zich aandienende risico's zijn opgenomen, zoals risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen of het milieu verband houden.

ê 2003/41/EG overweging 22

(42)     Elke lidstaat eist dat een op zijnhun grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en, indien van toepassing, een jaarverslag en een jaarrekening voor elke pensioenregeling. De jaarrekening en het jaarverslag, waarin, rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, een getrouw beeld van de activa, passiva en financiële positie van de instelling wordt gegeven en die naar behoren door een bevoegde persoon zijn goedgekeurd, vormen een essentiële bron van informatie voor de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling, alsmede voor de bevoegde autoriteiten. Zij stellen met name de bevoegde autoriteiten in staat de financiële draagkracht van een instelling te controleren en te beoordelen of de instelling aan al haar contractuele verplichtingen kan voldoen.

ê 2003/41/EG overweging 24

(43)     Het beleggingsbeleid van een instelling is voor zowel de veiligheid als de betaalbaarheid van de bedrijfspensioenen doorslaggevend. De instellingen dienen derhalve een "verklaring inzake de beleggingsbeginselen" op te stellen, die zij ten minste eens in de drie jaar herzien. Deze verklaring dient aan de bevoegde autoriteiten en desgevraagd ook aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling ter beschikking te worden gesteld.

ò nieuw

(44)     Het moet instellingen zijn toegestaan hun beheer geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan andere entiteiten die namens hen handelen. Bij de uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden moeten de instellingen echter volledig verantwoordelijk blijven voor de nakoming van al hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

(45)     De bewarings- en toezichttaken met betrekking tot de activa van instellingen moeten worden versterkt door de rol en taken van de bewaarder te verduidelijken. Alleen instellingen die regelingen uitvoeren waarbij deelnemers en pensioengerechtigden alle risico's dragen, moeten verplicht zijn een bewaarder aan te stellen.

ê 2003/41/EG overweging 23 (aangepast)

Deugdelijke informatie aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling is van wezenlijk belang. Dit geldt met name voor verzoeken om inlichtingen over de financiële draagkracht van de instelling, de contractuele bepalingen, de uitkeringen en de feitelijke financiering van opgebouwde pensioenrechten, het beleggingsbeleid en het risico- en kostenbeheer.

ò nieuw

(46)     Instellingen moeten duidelijke en adequate inlichtingen aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, is ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties en in het verleden behaalde resultaten van cruciaal belang.

(47)     Voordat toekomstige deelnemers zich bij een regeling aansluiten, moeten hun alle nodige inlichtingen worden verstrekt opdat zij met kennis van zaken een keuze kunnen maken; het betreft onder meer informatie over uitstapmogelijkheden, bijdragen, kosten en beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing.

(48)     Ten behoeve van de deelnemers aan een instelling die nog niet gepensioneerd zijn, moet de betrokken instelling een gestandaardiseerd pensioenuitkeringsoverzicht opstellen met essentiële persoonsgebonden en algemene informatie over de pensioenregeling. Het pensioenuitkeringsoverzicht moet een standaardvorm hebben, zodat het een goed inzicht biedt in de pensioenrechten in de tijd en van de verschillende regelingen, en tevens de arbeidsmobiliteit ten goede komt.

(49)     Instellingen moeten deelnemers ver genoeg vóór hun pensionering informeren over hun uitbetalingsmogelijkheden. Ingeval de pensioenuitkering niet in de vorm van een levenslange lijfrente wordt uitbetaald, dienen deelnemers van wie de pensionering nadert, informatie over de beschikbare uitkeringsproducten te ontvangen ter vergemakkelijking van de financiële planning voor de pensionering.

(50)     Tijdens de fase waarin pensioenuitkeringen worden uitbetaald, moeten pensioengerechtigden informatie over hun uitkeringen en de desbetreffende betalingsmogelijkheden blijven ontvangen. Dat is in het bijzonder van belang wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen.

(51)     Het hoofddoel van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet de bescherming van deelnemers en pensioengerechtgden zijn.

(52)     De reikwijdte van het prudentiële toezicht verschilt van lidstaat tot lidstaat. Dit kan problemen veroorzaken wanneer een instelling zich moet houden aan de prudentiële regelgeving van haar lidstaat van herkomst en tegelijkertijd de sociale en arbeidswetgeving van haar lidstaat van ontvangst in acht moet nemen. Door te verduidelijken welke terreinen voor de toepassing van deze richtlijn als onderdeel van het prudentiële toezicht moeten worden beschouwd, worden de rechtsonzekerheid en de daarmee gepaard gaande transactiekosten gereduceerd.

(53)     Een interne markt voor instellingen vereist wederzijdse erkenning van prudentiële normen. Op de inachtneming van die normen door de instelling moet toezicht worden gehouden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instelling. De lidstaten moeten de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden verlenen opdat deze preventieve of corrigerende maatregelen kunnen nemen bij schending van één van de voorschriften van deze richtlijn.

ê 2003/41/EG overweging 25 (aangepast)

Om hun wettelijke taak te kunnen vervullen dienen de bevoegde autoriteiten in toereikende mate te beschikken over rechten op informatie en interventiebevoegdheden ten aanzien van instellingen en de personen die deze instellingen daadwerkelijk besturen. Wanneer een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zeer belangrijke taken (zoals het beleggingsbeheer, de informaticatechnologie of de boekhouding) aan andere ondernemingen heeft uitbesteed (outsourcing), dienen de rechten op informatie en interventiebevoegdheden tot die uitbestede taken te worden uitgebreid om na te gaan of deze activiteiten overeenkomstig de toezichtregels worden uitgevoerd.

ò nieuw

(54)     Om een doeltreffend toezicht op de uitbestede werkzaamheden, met inbegrip van alle vervolgens onderuitbestede werkzaamheden, te kunnen uitoefenen, is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot alle relevante gegevens in het bezit van de dienstverleners waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, ongeacht of deze al dan niet onder toezicht staan, en tevens het recht hebben controles ter plaatse te verrichten. Teneinde met de marktontwikkelingen rekening te houden en ervoor te zorgen dat de uitbestedingsvoorwaarden steeds worden nageleefd, moeten instellingen de bevoegde autoriteiten vooraf van de uitbesteding van kritieke of belangrijke werkzaamheden in kennis stellen.

(55)     Er dient te worden voorzien in regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten, andere autoriteiten en organen die uit hoofde van hun functie tot de versterking van de financiële stabiliteit en de beëindiging van pensioenregelingen bijdragen. Het is daarom noodzakelijk te bepalen op welke voorwaarden de bovengenoemde uitwisseling van informatie mogelijk moet zijn. Wanneer informatie alleen met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten openbaar mag worden gemaakt, dienen deze autoriteiten bovendien in staat te zijn eventueel strikte voorwaarden aan hun instemming te verbinden.

(56)     Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad[29] is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten in het kader van deze richtlijn en onder het toezicht van de bevoegde autoriteiten. Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad[30] regelt de verwerking van persoonsgegevens door de Europese toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig deze richtlijn en onder het toezicht van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, zoals het uitwisselen of doorgeven van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met de nationale uitvoeringsvoorschriften van Richtlijn 95/46/EG, en elke uitwisseling of doorgifte van gegevens door de Europese toezichthoudende autoriteiten moet in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001.

(57)     Om een soepele werking van de interne markt voor een op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening te garanderen, dient de Commissie, na raadpleging van de EIOPA, de toepassing van deze richtlijn te onderzoeken en hierover een verslag uit te brengen dat zij uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt. In het kader van dat onderzoek moet meer in het bijzonder het volgende worden beoordeeld: de toepassing van de regels voor de berekening van de technische voorzieningen, de financiering van de technische voorzieningen, het voorgeschreven eigen vermogen, de solvabiliteitsmarges, de beleggingsvoorschriften en enigerlei ander aspect dat met de financiële solvabiliteit van de instelling verband houdt.

(58)     Om de eerlijke concurrentie tussen de instellingen te verzekeren, moet de overgangsperiode waarin onder Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad[31] vallende verzekeringsondernemingen hun werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening in overeenstemming met de in artikel 4 van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde voorschriften mogen voortzetten, tot en met 31 december 2022 worden verlengd. Richtlijn 2009/138/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(59)     Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze richtlijn vervatte voorschriften moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de verduidelijking van het beloningsbeleid, de risicobeoordeling voor pensioenen en het pensioenuitkeringsoverzicht. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

ê 2003/41/EG overweging 38 (aangepast)

Wanneer een regeling wordt afgescheiden, gelden de bepalingen van deze richtlijn voor deze regeling afzonderlijk.

ê 2003/41/EG overweging 39 (aangepast)

Het is belangrijk voorziening te treffen voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in verband met toezichthoudende taken, en tussen deze autoriteiten en de Commissie voor andere doeleinden. Voor hun taakuitvoering en om een bijdrage te leveren aan de consequente en tijdige uitvoering van deze richtlijn moeten de bevoegde autoriteiten elkaar de noodzakelijke informatie verschaffen ter toepassing van de richtlijn. De Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn een Comité van toezichthouders in te stellen ter aanmoediging van de samenwerking, coördinatie en uitwisseling van standpunten tussen de nationale autoriteiten en ter bevordering van een consequente uitvoering van deze richtlijn.

ê 2003/41/EG overweging 40

(60)     Daar de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk het scheppen van een Uniebreedgemeenschappelijk juridisch kader dat de instellingen voor bedrijfspensioenenvoorziening bestrijkt, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de UnieGemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de UnieGemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.,

ò nieuw

(61)     Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken[32] hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(62)     De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de eerdere richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit deze eerdere richtlijnen.

(63)     Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

ê 2003/41/EG

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

ò nieuw

Titel I

ALGEMENE BEPALINGEN

ê 2003/41/EG

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Wanneer instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig de nationale wetgeving geen rechtspersoonlijkheid hebben, passen de lidstaten deze richtlijn toe op deze instellingen of, onverminderd lid 2, op de vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

ê 2003/41/EG (aangepast)

              a) instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren welke onder de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71[33]883/2004[34] en Verordening (EEG) nr. 574/72[35]987/2009[36] van Ö het Europees Parlement en Õ de Raad vallen;

ê 2011/61/EU artikel 62, lid 1 (aangepast)

              b) instellingen die onder de Richtlijnen 73/239/EEG[37], 85/611/EEG[38], 93/22/EEG[39], 2000/12/EG[40], 2002/83/EG[41]2004/39/EG[42], 2009/65/EG[43], 2009/138/EG, en2011/61/EU[44] en 2013/36/EU[45] vallen;

ê 2003/41/EG

              c) instellingen die op basis van een omslagstelsel werken;

              d) instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen juridisch afdwingbare rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen;

              e) ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers pensioenuitkeringen te betalen.

Artikel 3

Toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen uitvoeren

Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die tevens verplichte arbeidsgerelateerde pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, vallende onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 883/2004 en Verordening (EEG) nr. 574/72 987/2009, vallen met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van de niet-verplichte bedrijfspensioenvoorziening onder deze richtlijn. In dat geval worden de passiva en de overeenkomstige activa afgescheiden en kunnen ze niet worden overgedragen aan verplichte pensioenregelingen welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, of omgekeerd.

Artikel 4

Facultatieve toepassing op onder Richtlijn 2002/83/EG 2009/138/EG vallende instellingen

ê 2003/41/EG (aangepast)

De lidstaten van herkomst kunnen ervoor kiezen de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 16 en 18 tot en met 20 Ö 9 tot en met 15, 20 tot en met 23, artikel 24, leden 1 en 2, de artikelen 25 tot en met 29, 31 tot en met 53 en 55 tot en met 71 Õ van deze richtlijn toe te passen op de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening van onder Richtlijn 2002/83/EG 2009/138/EG vallende Ö levens Õverzekeringsondernemingen. In dat geval worden alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en passiva afgescheiden en gescheiden van de overige werkzaamheden van de Ö levens Õverzekeringsondernemingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat.

In dat geval zijn Ö levens Õverzekeringsondernemingen, uitsluitend wat betreft hun bedrijfspensioenvoorzieningwerkzaamheden, niet onderworpen aan de artikelen 20 tot en met 26, 31 en 36 Ö 76 tot en met 86, artikel 132, artikel 134, lid 2, artikel 173, artikel 185, lid 5, artikel 185, leden 7 en 8, en artikel 209 Õ van Richtlijn 2002/83/EG 2009/138/EG.

De lidstaat van herkomst waarborgt dat ofwel de bevoegde autoriteiten, ofwel de met het toezicht op de onder Richtlijn 2002/83/EG 2009/138/EG vallende Ö levens Õverzekeringsondernemingen belaste autoriteiten in het kader van hun toezicht de strikte scheiding van de betrokken bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden controleren.

Artikel 5

Kleine pensioeninstellingen en wettelijke regelingen

Met uitzondering van artikel 19 Ö de artikelen 34 tot en met 37 Õ, kunnen de lidstaten ervoor kiezen deze richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen. Onverminderd artikel 2, lid 2, moet Ö wordt Õ dergelijke instellingen niettemin het recht worden verleend deze richtlijn vrijwillig toe te passen. Artikel 20 12 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de artikelen 9 tot en met 17 Ö 1 tot en met 8, 12, 20 en 34 tot en met 37 Õ niet toe te passen op instellingen waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd. Artikel 20 12 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

ê 2003/41/EG

Artikel 6

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

              a) "instelling voor bedrijfspensioenvoorziening" of "instelling": een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract:

– individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun respectieve vertegenwoordigers, of

– met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst,

              en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;

              b) "pensioenregeling": een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

              c) "bijdragende onderneming": een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze, respectievelijk dit, een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt ð omvat, die, respectievelijk dat, op grond van nationale wetgeving wettelijk verplicht is, dan wel zich er op vrijwillige basis toe verbindt een pensioenregeling aan te bieden; ï

ê 2003/41/EG

              d) "pensioenuitkeringen": uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. Om voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen hebben deze uitkeringen gewoonlijk de vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens;

              e) "deelnemer": persoon die op grond van zijnhun beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling;

              f) "pensioengerechtigde": persoon die pensioenuitkeringen ontvangt;

              g) "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die zijn aangewezen om de in deze richtlijn vastgestelde taken te verrichten;

              h) "biometrische risico's": risico's in verband met overlijden en/of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting;

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

              i) "lidstaat van herkomst": lidstaat ð waar de instelling een vergunning heeft verkregen of is geregistreerd en waar zij haar hoofdbestuur heeft. Met "plaats van het hoofdbestuur" wordt de plaats bedoeld waar de voornaamste strategische beslissingen van het besluitvormingsorgaan van de instelling worden genomen; ïwaar de instelling haar statutaire zetel en haar hoofdbestuur heeft, of, indien de instelling geen statutaire zetel heeft, waar zij haar hoofdbestuur heeft;

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

              j) "lidstaat van ontvangst": lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming en de deelnemers ð of pensioengerechtigden ï;.

ò nieuw

k) "overdragende instelling": instelling die een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een instelling in een andere lidstaat;

l) "ontvangende instelling": instelling waaraan een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen door een instelling van een andere lidstaat;

m) "gereglementeerde markt": multilateraal systeem in de Unie zoals omschreven in artikel 2, lid 1, punt 5, van Verordening (EU) nr. …/… [MiFIR];

n) "multilaterale handelsfaciliteit": multilateraal systeem in de Unie zoals omschreven in artikel 2, lid 1, punt 6, van Verordening (EU) nr. …/… [MiFIR];

o) "georganiseerde handelsfaciliteit": systeem of faciliteit in de Unie zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 7, van Verordening (EU) nr. …/… [MiFIR];

p) "duurzame drager": elk hulpmiddel dat een deelnemer of pensioengerechtigde in staat stelt om persoonlijk aan die deelnemer of pensioengerechtigde gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

q) "sleutelfunctie": binnen een governancesysteem, een interne capaciteit om praktische taken uit te voeren; een governancesysteem omvat de risicobeheerfunctie, de interneauditfunctie en, ingeval de instelling financiële verbintenissen aangaat of technische voorzieningen vaststelt, ook de actuariële functie.

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 7

Werkzaamheden van de instellingen

Iedere lidstaat legt De lidstaten leggen de op zijnhun grondgebied gevestigde instellingen de verplichting op hun werkzaamheden te beperken tot activiteiten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daarmee verband houden.

Wanneer een Ö levens Õverzekeringsonderneming haar werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig artikel 4 door afscheiding van de activa en passiva beheert, worden die afgescheiden activa en passiva uitsluitend aangewend voor verrichtingen inzake pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daar rechtstreeks verband mee houden.

Artikel 8

Juridische scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening

Iedere lidstaat draagt De lidstaten dragen er zorg voor dat er een juridische scheiding bestaat tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, zodat in geval van faillissement van de bijdragende onderneming de activa van de instelling in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden beschermd zijn.

Artikel 9

Voorwaarden van de uitvoering van de werkzaamheden ð Registratie of vergunningverlening ï

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgt iedere lidstaatzorgen de lidstaten ervoor dat:

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 1, onder a) (aangepast)

              a) de instelling door de bevoegde autoriteit in een nationaal register is ingeschreven of over Ö van de bevoegde autoriteit Õ een vergunning Ö heeft verkregen Õ beschikt; bij grensoverschrijdende activiteiten in de zin van artikel 2012 worden daarbij ook de lidstaten waar de instelling werkzaam is vermeld; deze gegevens worden medegedeeld aan de bij Verordening (EU) nr. 1094/2010[46] opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority, hierna de "EIOPA" genoemd), die ze publiceert op haar website;.

ê 2003/41/EG (aangepast)

              b) de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd door personen van goede reputatie die zelf over voldoende beroepskwalificaties en beroepservaring beschikken of adviseurs in dienst hebben met toepasselijke beroepskwalificaties en beroepservaring;

ò nieuw

Artikel 10

In het kader van pensioenregelingen geldende regels

ê 2003/41/EG

 (c)Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor dat er naar behoren vastgestelde regels bestaan betreffende de werking van elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en dat de deelnemers naar behoren van die regels in kennis zijn gesteld;.

ê 2003/41/EG (aangepast)

d) alle technische voorzieningen door een actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, zijn berekend en gewaarmerkt overeenkomstig de nationale wetgeving, op basis van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden;

ò nieuw

Artikel 11

Verplichting tot het storten van regelmatige financiële bijdragen en het aanbieden van bijkomende voorzieningen

ê 2003/41/EG

e)1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor dat de bijdragende onderneming bij regelingen waarin zij garant staat voor de betaling van de pensioenuitkeringen, tot regelmatige financiële bijdragen verplicht is;.

ê 2003/41/EG (aangepast)

(f) de deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

            i) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

            ii) de financiële, technische en andere aan de pensioenregeling verbonden risico's;

            iii) de aard en spreiding van die risico's.

ê 2003/41/EG

2. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat de facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve vertegenwoordigers, zulks overeenkomen.

ê 2003/41/EG (aangepast)

3. Een lidstaat kan aan de voorwaarden van bedrijfsvoering van een op zijn grondgebied gevestigde instelling andere eisen stellen om ervoor te zorgen dat de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden adequaat worden beschermd.

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 1, onder a) (aangepast)

5. Bij grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 worden de voorwaarden van bedrijfsvoering van de instelling onderworpen aan de voorafgaande verlening van een vergunning door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Wanneer een dergelijke vergunning wordt verstrekt, stelt de lidstaat de EIOPA hiervan onverwijld in kennis.

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2012

Grensoverschrijdende activiteiten ð en procedures ï

1. Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, staan de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen toe bij te dragen aan instellingen ð die voornemens zijn grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien ï voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Tevens staan zij de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening toe ð grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien ï Ö door Õ bijdragen te aanvaarden van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten ð een lidstaat ï zijn gevestigd.

2. Indien een instelling Ö voornemens is Õ ð grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en ï bijdragen wenst te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, dan is hiervoor voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vereist, zoals bedoeld in artikel 9, lid 5. Zij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst waar haar vergunning is verleend, in kennis van haar voornemen om bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd.

3. De lidstaten verlangen van op hun grondgebied gevestigde instellingen ð die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of zijn geregistreerd en ï die voornemens zijn bijdragen te ontvangen, van een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde onderneming dat zij bij een kennisgeving ingevolge lid 2 de volgende gegevens verstrekken:

(a) de lidstaat (lidstaten) van ontvangst;

(b) de naam ð en de locatie van het bestuur ï van de bijdragende onderneming;

(c) de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden uitgevoerd.

ê 2003/41/EG

ð nieuw

4. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis worden gesteld overeenkomstig lid 2, doen zij, tenzij ze reden hebben te betwijfelen ð zij een besluit hebben uitgevaardigd ï dat de administratieve structuur of de financiële positie van de instelling, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de instelling besturen ð niet ï met de in de lidstaat van ontvangst voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn, binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de instelling daarvan dienovereenkomstig in kennis.

ò nieuw

Het in de eerste alinea bedoelde besluit is met redenen omkleed.

Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de in de eerste alinea bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst mede te delen, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 3 bedoelde gegevens opgave van de redenen van haar weigering aan de betrokken instelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

5. Voordat de instelling met de uitvoering van een pensioenregeling voor een bijdragende onderneming in een andere lidstaat Ö het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten Õ begint, zullen informeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst binnen twee ð een ï maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst informeren over de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de lidstaat van ontvangst, alsmede over voorschriften die krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden toegepast. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de instelling mededeling van deze gegevens.

6. Zodra de instelling de in lid 5 bedoelde mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 5 genoemde periode geen mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst is ontvangen, kan de instelling met Ö het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten Õ de uitvoering van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de lidstaat van ontvangst beginnen, met inachtneming van de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst en van voorschriften die krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden toegepast.

ê 2003/41/EG (aangepast)

7. Met name zijn de instellingen waaraan wordt bijgedragen door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, wat de desbetreffende deelnemers betreft, tevens onderworpen aan door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst aan in die lidstaat gevestigde instellingen opgelegde voorschriften inzake informatieverstrekking overeenkomstig artikel 11.

ê 2003/41/EG

ð nieuw

87. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van elke significante wijziging in de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling, voorzover het gaat om ð grensoverschrijdende activiteiten ï de uitvoering van de pensioenregeling waaraan door een onderneming wordt bijgedragen in de lidstaat van ontvangst, alsmede in de voorschriften die toegepast moeten worden krachtens artikel 18, lid 7, van dit artikel.

98. De instelling wordt onderworpen aan voortdurend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om na te gaan of haar activiteiten in overeenstemming zijn met de in lid 5 bedoelde op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, alsook met de in lid 7 bedoelde voorschriften inzake informatieverstrekking. Wanneer bij dit toezicht onregelmatigheden aan het licht komen, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst nemen in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instelling een einde maakt aan de vastgestelde inbreuk op de sociale en arbeidswetgeving.

ê 2003/41/EG

109. Indien de instelling, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen of omdat de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft getroffen, inbreuk blijft maken op de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, kunnen de bevoegde autoriteiten van deze laatste, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voor zover zulks volstrekt noodzakelijk is, de instelling te beletten in de lidstaat van ontvangst activiteiten te verrichten voor de bijdragende onderneming.

ò nieuw

10. De lidstaten zorgen ervoor dat een instelling die grensoverschrijdende activiteiten ontplooit, met betrekking tot de deelnemers op wie deze grensoverschrijdende activiteiten slaan, niet onderworpen is aan voorschriften betreffende de informatieverschaffing aan deelnemers en pensioengerechtigden welke door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst worden opgelegd.

Artikel 13

Grensoverschrijdende overdrachten van pensioenregelingen

1. De lidstaten verlenen toestemming aan instellingen die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, om hun pensioenregelingen geheel of gedeeltelijk over te dragen aan ontvangende instellingen die in andere lidstaten een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn.

2. De overdracht van de gehele pensioenregeling of van een deel ervan tussen overdragende en ontvangende instellingen die in verschillende lidstaten een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, wordt afhankelijk gesteld van de voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling. De aanvraag tot goedkeuring van de overdracht wordt door de ontvangende instelling ingediend.

3. Tenzij in de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels anders is bepaald, worden de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden van tevoren goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers. In elk geval wordt ten minste vier maanden voor de indiening van de in lid 2 bedoelde aanvraag informatie over de aan de overdracht verbonden voorwaarden ter beschikking gesteld van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers.

4. De in lid 2 bedoeld aanvraag bevat de volgende gegevens:

(a) de schriftelijke overeenkomst tussen de overdragende en de ontvangende instelling met de voorwaarden van de overdracht, met inbegrip van de hoofdkenmerken van de pensioenregeling, alsook de beschrijving van de overgedragen activa en, in voorkomend geval, de overeenkomstige passiva;

(b) de naam en zetel van de overdragende instelling;

(c) de locatie van het bestuur van de bijdragende onderneming en de naam van de bijdragende onderneming;

(d) de lidstaat van ontvangst of de lidstaten van ontvangst als er meer is dan een.

5. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling de in lid 2 bedoelde aanvraag ontvangt en geen besluit heeft uitgevaardigd waarin wordt verklaard dat de administratieve structuur of de financiële positie van de ontvangende instelling, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de ontvangende instelling besturen, niet met de in de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 4 bedoelde gegevens, mededeling van haar besluit tot goedkeuring van de overdracht aan de ontvangende instelling en aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling stelt de overdragende instelling in kennis van dat besluit.

De in de eerste alinea bedoelde besluiten zijn met redenen omkleed. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling weigert de in de eerste alinea bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling mede te delen, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 4 bedoelde gegevens opgave van de redenen van haar weigering aan de betrokken instelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open door de ontvangende instelling bij de rechter in de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling.

6. Binnen een maand, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 5 bedoelde gegevens, informeert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling over de op bedrijfspensioenvoorziening van de lidstaat van ontvangst toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling deelt deze informatie aan de ontvangende instelling mede.

7. Zodra de ontvangende instelling de in lid 6 bedoelde mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 6 genoemde termijn geen mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling is ontvangen, kan de ontvangende instelling met de uitvoering van de pensioenregeling beginnen, met inachtneming van de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst.

8. Wanneer de ontvangende instelling grensoverschrijdende activiteiten ontplooit, is het bepaalde in artikel 12, leden 8 en 9, van toepassing.

Titel II

KWANTITATIEVE VEREISTEN

ê 2003/41/EG

Artikel 15 14

Technische voorzieningen

1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren te allen tijde met betrekking tot het geheel van de door henhun uitgevoerde pensioenregelingen een juist bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten voortvloeien.

2. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden tegen biometrische risico's en/of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking tot het geheel van deze regelingen.

3. De technische voorzieningen worden elk jaar berekend. De lidstaat van herkomst kan evenwel toestaan dat deze berekening om de drie jaar wordt uitgevoerd indien de instelling de deelnemers en/of de bevoegde autoriteiten voor de tussenliggende jaren een verklaring of een verslag met aanpassingen verstrekt. In die verklaring of dat verslag moet de aangepaste ontwikkeling van de technische voorzieningen en van wijzigingen in de gedekte risico's worden weergegeven.

4. De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd en gewaarmerkt door een actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, op grond van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden en met inachtneming van de volgende beginselen:

              a) het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden, kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de passiva zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht genomen moet worden, indien van toepassing;

              b) de toegepaste maximale rentepercentages moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle desbetreffende voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van deze prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met:

(1) het rendement van de overeenkomstige activa die door de instelling worden beheerd en met de toekomstige beleggingsopbrengsten, en/of

(2) marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige of staatsobligaties;

              c) de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte biometrische tabellen worden gebaseerd op prudente beginselen, rekening houdend met de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's;

              d) de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijft in het algemeen van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd. Wijzigingen kunnen evenwel gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.

5. De lidstaat van herkomst kan ten aanzien van de berekening van de technische voorzieningen aanvullende en meer uitvoerige voorwaarden opleggen met het oog op een voldoende bescherming van de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden.

2010/78/EU artikel 4, lid 4

6. Met het oog op een verdere harmonisatie van de voorschriften voor de berekening van de technische voorzieningen die gerechtvaardigd kunnen zijn – met name de rentepercentages en andere hypotheses die van invloed zijn op de hoogte van de technische voorzieningen – brengt de Commissie, gebruik makend van advies van de EIOPA, om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat verslag uit over de situatie met betrekking tot de ontwikkeling van de grensoverschrijdende activiteiten.

ê 2003/41/EG

De Commissie stelt alle maatregelen voor die noodzakelijk zijn ter voorkoming van mogelijke verstoringen die worden veroorzaakt door verschillen in de hoogte van de rentevoeten, en ter bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en de deelnemers aan enigerlei regeling.

ê 2003/41/EG (aangepast)

Artikel 16 15

Financiering van de technische voorzieningen

1. De lidstaat van herkomst verplicht iedere instelling te allen tijde over voldoende en passende activa te beschikken om de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen te dekken.

2. De lidstaat van herkomst kan een instelling toestaan gedurende een korte periode over onvoldoende activa te beschikken om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval verplichten de bevoegde autoriteiten de instelling een concreet en haalbaar herstelplan aan te nemen om ervoor te zorgen dat opnieuw aan de vereisten van lid 1 wordt voldaan. Bedoeld plan is aan de volgende voorwaarden onderworpen:

              a) de instelling stelt een concreet en haalbaar plan op om de hoeveelheid activa die noodzakelijk is om de technische voorzieningen volledig te dekken, tijdig te herstellen. Het plan wordt ter beschikking gesteld van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers en/of wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst goedgekeurd;

              b) bij de opstelling van het plan wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van de instelling, met name de structuur van activa en passiva, het risicoprofiel, de liquiditeitsplanning, het leeftijdsprofiel van de deelnemers die aanspraak kunnen maken op pensioenuitkeringen, aanvangsregelingen en regelingen die van niet- of gedeeltelijke kapitalisatie in volledige kapitalisatie worden gewijzigd;

              c) ingeval een pensioenregeling tijdens deze Ö de in de eerste zin van dit lid genoemde Õ periode zoals hiervoor in dit lid genoemd, wordt beëindigd, stelt de instelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. De instelling stelt een procedure vast om de activa en overeenkomstige passiva aan een andere financiële instelling of een vergelijkbaar lichaam over te dragen. Deze procedure wordt ter kennis van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst gebracht, en er wordt een algemeen overzicht van de procedure ter beschikking van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers gesteld in overeenstemming met het vertrouwelijkheidsbeginsel.

3. In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 1220 moeten de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt. Is niet aan deze voorwaarden voldaan, dan handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 6214. Voor de naleving van dit vereiste kan de lidstaat van herkomst verlangen dat de activa en passiva worden afgescheiden.

Artikel 17 16

Voorgeschreven eigen vermogen

1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort risico en de aard van de activa met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.

ê 2009/138/EG artikel 303, lid 1 (aangepast)

2. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 17 bis-17 quinquiesÖ 17, 18 en 19 Õ vastgestelde regels van toepassing.

2003/41/EG

3. Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde instellingen te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.

ê 2009/138/EG artikel 303, lid 2

Artikel 17a 17

Beschikbare solvabiliteitsmarge

1. Iedere lidstaat verplichtDe lidstaten verplichten elke op zijnhun grondgebied gevestigde instelling in de zin van artikel 17 16, lid 1, te allen tijde te beschikken over een voldoende beschikbare solvabiliteitsmarge met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, die ten minste gelijk is aan hetgeen in deze richtlijn als vereiste is gesteld.

2. De beschikbare solvabiliteitsmarge bestaat uit het vermogen van de instelling dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichting, na aftrek van de immateriële bestanddelen, met inbegrip van:

              a) het gestorte maatschappelijk kapitaal of, wat onderlinge waarborgmaatschappijen betreft, het gestorte gedeelte van het waarborgkapitaal plus de rekeningen van de leden van die waarborgmaatschappij, die aan alle volgende criteria voldoen:

         i) de statuten bepalen dat er langs deze rekeningen alleen betalingen aan leden mogen worden verricht indien zulks geen daling van de beschikbare solvabiliteitsmarge tot onder het vereiste niveau veroorzaakt of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan;

         ii) de statuten bepalen dat de bevoegde autoriteiten ten minste een maand van tevoren in kennis moeten worden gesteld van de in punt i) bedoelde betalingen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kunnen verbieden; en

         iii) de relevante bepalingen in de statuten kunnen pas worden gewijzigd wanneer de bevoegde autoriteiten, onverminderd de onder i) en ii) genoemde criteria, hebben verklaard geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben;

              b) de (wettelijke of vrije) reserves die niet tegenover verplichtingen staan;

              c) de overgebrachte winst of het overgebrachte verlies, na aftrek van de uit te keren dividenden; en

              d) voor zover de nationale wetgeving zulks toestaat: de op de balans opgenomen winstreserves, wanneer deze kunnen worden gebruikt tot dekking van eventuele verliezen en wanneer zij niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers.

De beschikbare solvabiliteitsmarge wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door de instelling worden gehouden.

3. De lidstaten kunnen bepalen dat de beschikbare solvabiliteitsmarge ook kan bestaan uit:

              a) het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge naargelang welk bedrag het laagst is, waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van faillissement of liquidatie van de instelling, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip uitstaande schulden zijn voldaan;

              b) effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten, met inbegrip van andere gecumuleerde preferente aandelen dan de onder a) bedoelde, ten belope van maximaal 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is, voor het totaal van deze effecten en van de onder a) vermelde achtergestelde leningen, mits deze aan de volgende voorwaarden voldoen:

         i) zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;

         ii) de emissieovereenkomst biedt de instelling de mogelijkheid de betaling van de rente over de lening uit te stellen;

         iii) de vorderingen van de kredietverlener op de instelling moeten volledig worden achtergesteld bij de vorderingen van alle niet- achtergestelde crediteuren;

         iv) in de documenten met betrekking tot de effectenemissie wordt bepaald dat de verliezen gecompenseerd kunnen worden door de schuld en de niet-betaalde rente, terwijl de instelling haar activiteiten kan voortzetten; en

         v) alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

              Voor de toepassing van punt a) moeten achtergestelde leningen tevens voldoen aan de volgende voorwaarden:

         i) alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen;

         ii) voor leningen met een vaste looptijd bedraagt de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar. Uiterlijk een jaar voor de vervaldag legt de instelling de bevoegde autoriteiten een plan ter goedkeuring voor waarin wordt uiteengezet op welke wijze de beschikbare solvabiliteitsmarge zal worden gehandhaafd of op het vereiste niveau gebracht op de vervaldag, tenzij de mate waarin de lening als bestanddeel van de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking mag worden genomen, gedurende minimaal de laatste vijf jaren voor de vervaldag geleidelijk wordt verlaagd. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke leningen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de emitterende herverzekeringsonderneming en haar beschikbare solvabiliteitsmarge niet onder het vereiste niveau daalt;

         iii) leningen waarvan de looptijd niet bepaald is, worden slechts terugbetaald met een opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij de leningen niet langer als bestanddelen van de beschikbare solvabiliteitsmarge worden aangemerkt of uitdrukkelijk de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is voor vervroegde terugbetaling. In dit laatste geval dient de instelling de bevoegde autoriteiten ten minste zes maanden van tevoren in kennis te stellen van de voorgenomen terugbetaling, onder vermelding van de beschikbare en de vereiste solvabiliteitsmarge zowel vóór als na deze terugbetaling. De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming voor de terugbetaling indien de beschikbare solvabiliteitsmarge van de herverzekeringsonderneming niet onder het vereiste niveau dreigt te dalen;

         iv) de leningsovereenkomst bevat geen bepalingen op grond waarvan de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald; en

         v) de leningsovereenkomst kan alleen worden gewijzigd nadat de bevoegde autoriteiten verklaard hebben geen bezwaar te hebben tegen de wijziging.

4. Op een met bewijzen gestaafd verzoek van de instelling aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en met instemming van deze bevoegde autoriteit kan de beschikbare solvabiliteitsmarge ook bestaan uit:

              a) in geval van niet-zillmeren of in geval van zillmeren waarbij de in de premie begrepen afsluitkosten niet worden bereikt, het verschil tussen de niet-gezillmerde of gedeeltelijk gezillmerde wiskundige voorziening en een gezillmerde wiskundige voorziening waarbij het percentage van het zillmeren gelijk is aan de in de premie begrepen afsluitkosten;

              b) de latente netto meerwaarden die voortvloeien uit de waardering van de activa, voor zover deze nettoreserves geen uitzonderlijk karakter hebben;

              c) de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het waarborgkapitaal, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dit kapitaal bedraagt, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.

Het onder a) bedoelde bedrag mag echter niet groter zijn dan 3,5 % van de som van de verschillen tussen de kapitalen voor levensverzekering en bedrijfspensioenvoorziening en de wiskundige voorzieningen voor alle overeenkomsten waarbij zillmeren mogelijk is; dit verschil wordt eventueel verminderd met het bedrag van de niet afgeschreven afsluitkosten die als een debetpost worden opgenomen.

ê 2003/41/EG (aangepast)

5. De Commissie kan nadere uitvoeringsmaatregelen treffen ten aanzien van de leden 2, 3 en 4, om rekening te houden met ontwikkelingen die een technische aanpassing van de voor opneming in de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking komende bestanddelen vergen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21 ter bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

ê 2009/138/EG artikel 303, lid 2 (aangepast)

Artikel 17b 18

Vereiste solvabiliteitsmarge

1. Onverminderd artikel 17 quater wordt de De vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald als aangegeven in de leden 2 tot en met 6, al naargelang de verzekerde risico's.

2. De vereiste solvabiliteitsmarge is gelijk aan de som van de volgende twee uitkomsten:

              a) eerste uitkomst:

              een component van 4 % van de wiskundige voorzieningen met betrekking tot het directe verzekeringsbedrijf en tot de geaccepteerde herverzekeringen zonder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen de wiskundige voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het brutobedrag van de wiskundige voorzieningen; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 85 %;

              b) tweede uitkomst:

              voor overeenkomsten waarbij het risicokapitaal niet negatief is, wordt een component van 0,3 % van dit kapitaal dat ten laste komt van de instelling, vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen het risicokapitaal dat ten laste van de instelling blijft, na overdracht en retrocessie uit hoofde van herverzekering, en het risicokapitaal zonder aftrek van de herverzekering; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

              Voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden, met een looptijd van ten hoogste drie jaar, bedraagt deze component 0,1 %; voor verzekeringen met een looptijd van meer dan drie, doch niet meer dan vijf jaar, bedraagt deze component 0,15 %.

3. Voor de aanvullende verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a) iii), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de vereiste solvabiliteitsmarge voor instellingen als bedoeld in artikel 17 quinquies19.

4. Voor de kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b) iii), van Richtlijn 2009/138/EG van is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 4 % van de wiskundige voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a).

5. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b) i), van Richtlijn 2009/138/EG van is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 1 % van hun activa.

6. Voor de verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a), i) en ii), van Richtlijn 2009/138/EG, die verbonden zijn met beleggingsfondsen en voor de verrichtingen als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b), iii), iv) en v), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de som van:

              a) voor zover de instelling een beleggingsrisico draagt, een component van 4 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

              b) voor zover de instelling geen beleggingsrisico draagt maar het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van meer dan vijf jaar, een component van 1 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

              c) voor zover de onderneming geen beleggingsrisico draagt en het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van vijf jaar of minder, een bedrag dat gelijk is aan 25 % van de nettobeheerskosten in verband met dergelijke verrichtingen in het voorgaande boekjaar;

              d) voor zover de verzekeringsonderneming een overlijdensrisico draagt, een component van 0,3 % van het risicokapitaal, berekend overeenkomstig lid 2, onder b), van dit artikel.

2009/138/EG artikel 303, lid 2

Artikel 17 quater

Garantiefonds

1. De lidstaten kunnen bepalen dat het garantiefonds bestaat uit een derde deel van de in artikel 17 ter bedoelde vereiste solvabiliteitsmarge. Het wordt gevormd door de in artikel 17 bis, leden 2 en 3, en - met goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst - lid 4, onder b), vermelde bestanddelen.

2. Het garantiefonds bedraagt niet minder dan 3 miljoen EUR. Iedere lidstaat kan bepalen dat het minimumgarantiefonds voor onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen met 25 % wordt verminderd.

2009/138/EG artikel 303, lid 2 (aangepast)

Artikel 17 quinquies 19

De vereiste solvabiliteitsmarge in de zin van artikel 17 ter18, lid 3

1. De vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald ten opzichte van het jaarlijkse totaal van premies of bijdragen, dan wel ten opzichte van de gemiddelde schadelast van de laatste drie boekjaren.

2. Het bedrag van de vereiste solvabiliteitsmarge moet gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de in de leden 3 en 4 omschreven berekeningen.

3. Voor de berekening ten opzichte van de premies of bijdragen wordt uitgegaan van hetzij het bedrag van de uitgegeven brutopremies of -bijdragen, zoals hieronder berekend, hetzij het bedrag van de verdiende brutopremies of ‑bijdragen, naargelang welk van beide bedragen het hoogst is.

De premies of bijdragen die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf gedurende het laatste boekjaar zijn uitgegeven, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de premies die gedurende het laatste boekjaar uit hoofde van herverzekering werden geaccepteerd.

Daarvan worden afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar geannuleerde premies of bijdragen, alsmede het totaalbedrag van de belastingen en rechten op de samengetelde premies of bijdragen.

Het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 50 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 18 % en 16 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

4. De solvabiliteitsmarge op schadebasis wordt berekend als volgt:

Eerst worden de bedragen van de schaden die gedurende de in lid 1 bedoelde perioden in het kader van het directe verzekeringsbedrijf zijn betaald, bij elkaar opgeteld, zonder aftrek van de ten laste van de cessionarissen en retrocessionarissen komende schaden.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de schaden die gedurende dezelfde perioden uit hoofde van geaccepteerde herverzekeringen of retrocessies zijn betaald, en het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het einde van het laatste boekjaar voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Daarvan worden de gedurende de in lid 1 bedoelde perioden voor het uitoefenen van verhaalsrecht ontvangen bedragen afgetrokken.

Van deze uitkomst wordt eveneens afgetrokken het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het tweede boekjaar voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar, voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Een derde van het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 35 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 26 % en 23 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

5. Indien de vereiste solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 lager is dan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, moet de vereiste solvabiliteitsmarge ten minste gelijk zijn aan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal van het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het einde van het laatste boekjaar en het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het begin van het laatste boekjaar. Bij deze berekeningen worden de technische voorzieningen berekend verminderd met de herverzekering, maar het quotiënt mag in geen geval meer dan 1 bedragen.

2003/41/EU

Artikel 18 20

Beleggingsvoorschriften

1. De lidstaten verplichten de instellingen die binnen hun rechtsgebied gevestigd zijn een beleggingsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met de "prudent person"-regel en met name met de volgende voorschriften:

              a) de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden geschiedt;

              b) de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd.

              Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;

              c) de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten activa, moeten in elk geval tot een prudent niveau worden beperkt;

              d) beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;

              e) de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat een bovenmatige afhankelijkheid van (of vertrouwen in) bepaalde activa, of een bepaalde emittent of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.

              Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;

              f) beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille.

              Wanneer een groep van ondernemingen aan de instelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.

De lidstaten kunnen ertoe besluiten de onder e) en f) bedoelde vereisten niet toe te passen op beleggingen in staatsobligaties.

ê 2013/14/EU artikel 1

1 bis2. Met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de onder toezicht vallende instellingen, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de toereikendheid van de kredietbeoordelingsprocessen van deze instellingen, dat zij het gebruik van verwijzingen naar ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus[47], in het beleggingsbeleid van die instellingen beoordelen en dat zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke referenties aanmoedigen, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.

2003/41/EG (aangepast)

23. De lidstaat van herkomst verbiedt de instelling leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te treden. De lidstaten kunnen de instellingen evenwel toestaan om tijdelijk en uitsluitend voor liquiditeitsdoelstellingen leningen aan te gaan.

34. De lidstaten mogen van de op hun grondgebied gevestigde instellingen niet verlangen dat zij in bepaalde categorieën activa beleggen.

45. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 32, stellen de lidstaten geen eisen inzake voorafgaande goedkeuring of systematische kennisgeving aan de beleggingsbesluiten van een op hun grondgebied gevestigde instelling of de vermogensbeheerder ervan.

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

56. De lidstaten kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 tot en met 54, voor op hun grondgebied gevestigde instellingen nadere voorschriften vaststellen, met inbegrip van kwantitatieve voorschriften, mits deze vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn, die het geheel van door deze instellingen uitgevoerde pensioenregelingen weerspiegelen.

Meer in het bijzonder kunnen de lidstaten bepalingen op het gebied van beleggingen toepassen zoals die van Richtlijn 2002/83/EG.

De lidstaten verbieden de instellingen evenwel niet om:

              a) maximaal 70 % van de activa ter dekking van de technische voorzieningen of van de gehele portefeuille voor regelingen waarvan de deelnemers de beleggingsrisico's dragen, te beleggen in aandelen, met aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardepapieren en bedrijfsobligaties die zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markten, ð multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten, ï en te beslissen over het relatieve gewicht van deze waardepapieren in hun beleggingsportefeuille. Mits zulks vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd is, mogen de lidstaten evenwel een lagere limiet toepassen op instellingen die pensioenproducten op basis van een gegarandeerde rente op lange termijn verstrekken, het beleggingsrisico dragen en zelf de garantie bieden;

              b) maximaal 30 % van hun activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, te beleggen in activa in andere valuta's dan die waarin de passiva luiden;

c) in risicokapitaalmarkten te beleggen ð in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld ï.

67. Het bepaalde in lid 56 belet de lidstaten niet ook op individuele basis de toepassing van beleggingsvoorschriften Ö te eisen Õ door op hun grondgebied gevestigde instellingen ð die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn ïte eisen, op voorwaarde dat deze met name in het licht van de door de instelling aangegane verplichtingen, prudentieel gerechtvaardigd zijn.

ê 2003/41/EG (aangepast)

7. In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 kunnen de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat van ontvangst verlangen dat de in de tweede alinea bedoelde voorschriften op de instellingen in de lidstaat van herkomst van toepassing zijn. In dat geval zijn deze voorschriften uitsluitend van toepassing op het deel van de activa van de instelling dat overeenstemt met de activiteiten die in de betrokken lidstaat van ontvangst worden uitgeoefend. Voorts worden ze uitsluitend toegepast indien dezelfde of strengere voorschriften ook op in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen van toepassing zijn.

De in de eerste alinea bedoelde voorschriften luiden als volgt:

            a) de instelling belegt niet méér dan 30 % van die activa in aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, of belegt ten minste 70 % van deze activa in aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt;

            b) de instelling belegt niet meer dan 5 % van die activa in aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren, obligaties en andere geldmarkt- en kapitaalmarktinstrumenten van dezelfde onderneming, en niet meer dan 10 % van die activa in aandelen en andere met aandelen gelijkgestelde waardepapieren, obligaties en andere geldmarkt- en kapitaalmarktinstrumenten van ondernemingen die tot eenzelfde groep behoren;

            c) de instelling belegt niet meer dan 30 % van deze activa in activa in andere valuta's dan die waarin de passiva luiden.

Om aan deze voorschriften te voldoen kan de lidstaat van herkomst verlangen dat de activa worden afgescheiden.

ò nieuw

8. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van een instelling die grensoverschrijdende activiteiten zoals bedoeld in artikel 12 ontplooit, stelt geen beleggingsvoorschriften naast die van de leden 1 tot en met 6 vast voor het deel van de activa die de technische voorzieningen voor grensoverschrijdende activiteiten dekken.

Titel III

VOORWAARDEN VOOR DE BEDRIJFSUITOEFENING

HOOFDSTUK 1

Governancesysteem

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 21

Verantwoordelijkheid van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling krachtens de nationale wetgeving de eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de betrokken instelling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld.

2. Deze richtlijn laat de rol van de sociale partners in het bestuur van de instellingen onverlet.

Artikel 22

Algemene governancevereisten

1. De lidstaten schrijven voor dat alle instellingen moeten beschikken over een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt. Dit systeem bevat een adequate transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en correcte scheiding van verantwoordelijkheden en een doeltreffend systeem voor de overdracht van informatie. Het governancesysteem wordt periodiek intern geëvalueerd.

2. Het in lid 1 bedoelde governancesysteem staat in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling over schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer, de interne audit en, indien van toepassing, actuarissen en uitbesteding beschikt, en dat dit orgaan erop toeziet dat deze beleidslijnen worden toegepast. Deze beleidslijnen worden ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd en aangepast als er zich een duidelijke wijziging in het betrokken systeem of gebied voordoet.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de instellingen beschikken over een doeltreffend systeem van interne controle. Dit systeem omvat de administratieve en financiële verslagleggingsprocedures, een internecontrolekader en passende rapportageregelingen op alle niveaus van de instelling.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen redelijke maatregelen treffen, waaronder de ontwikkeling van noodplannen, om voor continuïteit en regelmatigheid in de verrichting van hun werkzaamheden te zorgen. Daartoe maakt de instelling gebruik van passende en proportionele systemen, middelen en procedures.

6. De lidstaten schrijven voor dat de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd door ten minste twee personen.

Artikel 23

Vereisten voor een deskundig en betrouwbaar bestuur

1. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen erop toezien dat alle personen die de instelling daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:

(d) hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring volstaan om een gezond en prudent bestuur van de instelling mogelijk te maken en om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen (deskundigheidsvereiste); en

(e) ze hebben een goede reputatie en zijn integer (betrouwbaarheidsvereiste).

2. De lidstaten zorgen ervoor dat er in doeltreffende procedures en periodieke controles is voorzien om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen na te gaan of de personen die de instelling daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, aan de vereisten van lid 1 voldoen.

3. Indien een lidstaat van zijn eigen onderdanen een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad of slechts één van deze twee bewijzen eist, aanvaardt deze lidstaat als voldoende bewijs voor onderdanen van andere lidstaten het overleggen van een uittreksel uit het strafregister van de andere lidstaat of, bij het ontbreken van een strafregister in de andere lidstaat, van een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van de lidstaat van herkomst of van de lidstaat waarvan de onderdaan de betrokken persoon is afgegeven gelijkwaardig document waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

4. Wanneer de lidstaat van herkomst of de lidstaat waarvan de onderdaan de betrokken persoon is, geen document verstrekt dat gelijkwaardig is aan het in lid 3 bedoelde document, is het de onderdaan van de andere lidstaat toegestaan in plaats daarvan een verklaring onder ede af te leggen.

In lidstaten waar niet in verklaringen onder ede is voorzien, mag de onderdaan van de andere betrokken lidstaat evenwel een plechtige verklaring afleggen ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie of, in voorkomend geval, van een notaris van zijn lidstaat van herkomst of van de lidstaat waarvan hij afkomstig is.

Die instantie of notaris geeft een attest af dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft.

5. Het in lid 3 bedoelde bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad, mag ook worden verstrekt in de vorm van een verklaring die door de onderdanen van de andere betrokken lidstaat wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke instantie, beroeps- of bedrijfsorganisatie van de betrokken andere lidstaat.

6. De in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten en attesten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden.

7. De lidstaten wijzen de autoriteiten en organisaties aan die bevoegd zijn voor de afgifte van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten en stellen de overige lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten delen de overige lidstaten en de Commissie tevens mede bij welke autoriteiten en organisaties de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten tot staving van het verzoek om op het grondgebied van deze lidstaat de in artikel 12 bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen, moeten worden ingediend.

Artikel 24

Beloningsbeleid

1. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen voor de personen die de instelling daadwerkelijk besturen, moeten beschikken over een deugdelijk beloningsbeleid dat past zowel bij hun omvang en interne organisatie, als bij de aard, omvang en complexiteit van hun werkzaamheden.

2. De instellingen maken periodiek dienstige informatie over het beloningsbeleid openbaar, tenzij anders is bepaald in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad [48].

3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 van deze verordening een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere bepaling van het volgende:

(f) de vereiste elementen van het beloningsbeleid dat op basis van de volgende beginselen door de instellingen moet worden toegepast:

– het beloningsbeleid wordt vastgesteld, toegepast en gehandhaafd in overeenstemming met de werkzaamheden en de risicobeheerstrategie van de instelling, haar risicoprofiel, doelstellingen, risicobeheerpraktijken en de langetermijnbelangen en prestaties van de instelling als geheel;

– het beloningsbeleid omvat evenredige maatregelen die erop gericht zijn belangenconflicten te vermijden;

– het beloningsbeleid draagt bij tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer en moedigt niet aan tot het nemen van zodanige risico's dat de risicotolerantielimieten van de instelling worden overschreden;

– het beloningsbeleid is van toepassing op de instelling en op de partijen die de sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren, met inbegrip van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden die uitbesteed en vervolgens onderuitbesteed zijn;

– het beloningsbeleid bevat bepalingen die specifiek betrekking hebben op de taken en prestaties van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling, van de personen die de instelling daadwerkelijk besturen of sleutelfuncties vervullen, en van andere personeelscategorieën waarvan de beroepswerkzaamheden wezenlijke gevolgen hebben voor het risicoprofiel van de instelling;

– het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling stelt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast voor de personeelscategorieën waarvan de beroepswerkzaamheden gevolgen hebben voor het risicoprofiel van de instelling, en is verantwoordelijk voor de controle van de tenuitvoerlegging ervan;

– het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van een beloningsbeleid dat een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van de instelling in de hand werkt;

– er is sprake van een duidelijke, transparante en doeltreffende governance ten aanzien van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.

(g) de passende frequentie van, de specifieke regels voor en de inhoud van de bekendmaking betreffende het beloningsbeleid.

Afdeling 2

Functies

Artikel 25

Algemene bepalingen

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over een risicobeheerfunctie, een interneauditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. De met elke sleutelfunctie verband houdende rapportagelijnen garanderen dat de sleutelfunctie haar taken op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier kan vervullen.

2. Instellingen mogen toestaan dat één persoon of organisatorische eenheid meer dan een sleutelfunctie vervult. De risicobeheerfunctie wordt echter toevertrouwd aan een andere persoon of organisatorische eenheid dan de persoon of organisatorische eenheid die de interneauditfunctie vervult.

3. Onverminderd de rol van de sociale partners in het algemene bestuur van de instellingen, verschilt de persoon of organisatorische eenheid die de sleutelfunctie vervult, van de persoon of organisatorische eenheid die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervult. Op grond van een met redenen omkleed verzoek van de instelling kan de bevoegde autoriteit een ontheffing van deze beperking verlenen, rekening houdend met de schaal, aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

4. De persoon die een sleutelfunctie vervult, rapporteert elk belangrijk probleem op het terrein waarvoor deze persoon verantwoordelijk is terstond aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling.

5. Bevindingen en aanbevelingen van de risicobeheerfunctie, de interneauditfunctie en, in voorkomend geval, de actuariële functie worden gerapporteerd aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling, dat besluit welke maatregelen moeten worden getroffen.

6. De risicobeheerfunctie, de interneauditfunctie en, in voorkomend geval, de actuariële functie stellen de bevoegde autoriteit van de instelling ervan in kennis als het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling niet tijdig passende corrigerende maatregelen treft:

(h) wanneer de persoon of organisatorische eenheid die de sleutelfunctie vervult, een risico heeft onderkend dat de instelling waarschijnlijk niet aan een wettelijk vereiste van wezenlijke betekenis zal voldoen en dit aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling heeft gerapporteerd;

(i) wanneer de persoon of organisatorische eenheid die de sleutelfunctie vervult, in het kader van de sleutelfunctie van die persoon of organisatorische eenheid een inbreuk van wezenlijke betekenis op de voor de instelling en haar activiteiten geldende wet- en regelgeving heeft geconstateerd en dit aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling heeft gerapporteerd.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 6 in kennis stellen, rechtsbescherming genieten.

Artikel 26

Risicobeheersysteem en -functie

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over een doeltreffend risicobeheersysteem dat bestaat uit strategieën, processen en rapportageprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden, alsook de onderlinge afhankelijkheden en relaties daartussen voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en te rapporteren.

Dit risicobeheersysteem is goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen van de instelling.

2. In verhouding tot hun schaal en interne organisatie en tot de aard, omvang en complexiteit van hun werkzaamheden bestrijkt het risicobeheersysteem de risico's die zich ten minste op de volgende terreinen kunnen voordoen in de instellingen of in de ondernemingen waaraan taken of werkzaamheden zijn uitbesteed:

(j) aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en reservevorming;

(k) afgestemd beheer van activa en passiva (asset-liability management - ALM);

(l) beleggingen, met name derivaten en vergelijkbare verbintenissen;

(m) beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;

(n) beheer van het operationele risico;

(o) verzekering en andere risicolimiteringstechnieken.

3. Ingeval deelnemers en pensioengerechtigden overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling risico's dragen, neemt het risicobeheersysteem ook deze risico's uit het oogpunt van de deelnemers en pensioengerechtigden in aanmerking.

4. Instellingen voorzien in een zodanig opgezette risicobeheerfunctie dat het risicobeheersysteem gemakkelijk kan worden toegepast.

Artikel 27

Interneauditfunctie

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen in een doeltreffende interneauditfunctie moeten voorzien. In het kader van de interneauditfunctie wordt geëvalueerd of het internecontrolesysteem en andere onderdelen van het in de artikelen 21 tot en met 24 vastgelegde governancesysteem, met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de instelling aanwijzen die voor de interneauditfunctie verantwoordelijk is. Met uitzondering van de in artikel 14, lid 4, bedoelde uitvoering en waarmerking mag deze persoon geen verantwoordelijkheid dragen voor andere sleutelfuncties dan die welke in dit artikel zijn vastgelegd.

3. Bevindingen en aanbevelingen van de interneauditfunctie worden gerapporteerd aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling. Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling besluit welke maatregelen moeten worden getroffen met betrekking tot elk van deze bevindingen en aanbevelingen en zorgt ervoor dat deze maatregelen worden uitgevoerd.

Artikel 28

Actuariële functie

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen waarvan deelnemers en pensioengerechtigden niet alle risico's dragen, in een actuariële functie moeten voorzien met de volgende taken:

(p) zij coördineert en houdt toezicht op de berekening van technische voorzieningen;

(q) zij beoordeelt of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;

(r) zij beoordeelt of er genoeg gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen, en zij beoordeelt de kwaliteit van die gegevens;

(s) zij toetst de beste schattingen ("best estimates") aan de ervaring;

(t) zij verstrekt het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling informatie over de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van technische voorzieningen;

(u) zij brengt advies uit over de algehele gedragslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen ingeval de instelling een dergelijke gedragslijn heeft;

(v) zij brengt advies uit over de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval de instelling dergelijke verzekeringsregelingen heeft; en

(w) zij draagt ertoe bij dat het risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de instelling moeten aanwijzen die voor de actuariële functie verantwoordelijk is.

Afdeling 3

Documenten betreffende de governance

Artikel 29

Risicobeoordeling voor pensioenen

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen, in verhouding tot hun schaal en interne organisatie en tot de aard, omvang en complexiteit van hun werkzaamheden, in het kader van hun risicobeheersysteem hun eigen risicotoetsing moeten uitvoeren en een risicobeoordeling voor pensioenen moeten opstellen ter staving van deze toetsing.

De risicobeoordeling voor pensioenen wordt periodiek en terstond na een significante wijziging in het risicoprofiel van de instelling of van de pensioenregeling verricht.

2. De in lid 1 bedoelde risicobeoordeling voor pensioenen heeft betrekking op het volgende:

(x) de doelmatigheid van het risicobeheersysteem;

(y) de totale financieringsbehoeften van de instelling;

(z) de mogelijkheid om aan de in artikel 14 neergelegde vereisten betreffende de technische voorzieningen te voldoen;

(aa) een kwalitatieve evaluatie van de marge voor negatieve afwijkingen in het kader van de berekening van de technische voorzieningen overeenkomstig het nationale recht;

(bb) een beschrijving van de pensioenuitkeringen of kapitaalopbouw;

(cc) een kwalitatieve evaluatie van de bijdragen waartoe de instelling toegang heeft;

(dd) een kwalitatieve evaluatie van de operationele risico's van alle regelingen van de instelling;

(ee) een kwalitatieve evaluatie van nieuwe of zich aandienende risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden.

3. Voor de toepassing van lid 2 beschikken de instellingen over methoden om de risico's te detecteren en te beoordelen waaraan zij op korte en op lange termijn zijn of kunnen zijn blootgesteld. Deze methoden staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de risico's die aan hun activiteiten verbonden zijn. De methoden worden beschreven in de beoordeling.

4. De risicobeoordeling voor pensioenen maakt integraal deel uit van de bedrijfsstrategie en wordt in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de instelling.

Artikel 30

Gedelegeerde handeling voor de risicobeoordeling voor pensioenen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere bepaling van het volgende:

(ff) de door artikel 29, lid 2, te bestrijken elementen;

(gg) de in artikel 29, lid 3, bedoelde methoden, rekening houdend met de detectie en beoordeling van de risico's waaraan zij op korte en op lange termijn zijn of kunnen zijn blootgesteld; en

(hh) de frequentie waarmee de risicobeoordeling voor pensioenen moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de vereisten van artikel 29, lid 1.

De gedelegeerde handeling brengt geen andere financieringsbehoeften met zich mee dan die waarin deze richtlijn voorziet.

ê 2003/41/EG

Artikel 10 31

Jaarrekening en jaarverslag

Iedere lidstaat eistDe lidstaten eisen dat iedereelke op zijnhun grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt waarin iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, alsmede, iedereelke van toepassing, een jaarrekening en een jaarverslag voor iedereelke pensioenregeling, worden opgenomen. De jaarrekeningen en jaarverslagen geven een getrouw beeld van de activa, de passiva en de financiële positie van de instelling. De jaarrekeningen en de informatie in de jaarverslagen zijn consistent, alomvattend en correct gepresenteerd en ze worden naar behoren goedgekeurd door overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegde personen.

Artikel 12 32

Verklaring inzake de beleggingsbeginselen

Iedere lidstaat draagt er zorg voorDe lidstaten zorgen ervoor dat iedere elke op hun grondgebied gevestigde instelling een schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt en deze ten minste om de drie jaar herziet. Deze verklaring moet onverwijld worden herzien na een belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid. De lidstaten zien erop toe dat deze verklaring ten minste onderwerpen omvat als de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen.

ò nieuw

HOOFDSTUK 2

Uitbesteding en beleggingsbeheer

Artikel 33

Uitbesteding

ê 2003/41/EG artikel 9, lid 4

1. Een lidstaat kanDe lidstaten kunnen toestaan of eisen dat de op zijnhun grondgebied gevestigde instellingen toestaan of van hen verlangen dat zij de uitvoeringhet beheer van deze instellingen geheel of ten dele toevertrouwen aan andere lichamen die handelen in naam van die instellingen.

ò nieuw

2. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen bij de uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden volledig verantwoordelijk blijven voor de nakoming van al hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

3. Uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden mag niet tot het volgende leiden:

(ii) er wordt afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de betrokken instelling;

(jj) het operationele risico neemt onnodig toe;

(kk) er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om te controleren of de instelling haar verplichtingen nakomt;

(ll) de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers en pensioengerechtigden worden ondermijnd.

4. Via het selectieproces van de dienstverlener en de continue controle van de werkzaamheden zorgt de instelling ervoor dat de uitbestede werkzaamheden naar behoren worden uitgevoerd.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen die sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitbesteden, ten minste een schriftelijke overeenkomst sluiten met de dienstverlener. De overeenkomst is rechtens afdwingbaar en bevat een duidelijke omschrijving van de rechten en plichten van de instelling en de dienstverlener.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen vóór de uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden de bevoegde autoriteiten tijdig daarvan in kennis stellen, alsook van latere wezenlijke ontwikkelingen met betrekking tot de sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden hebben om te allen tijde van de instellingen inlichtingen te verlangen over sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden die zijn uitbesteed.

2003/41/EG (aangepast)

Artikel 1934

Ö Beleggingsbeheer Õ Beheer enbewaring

ê 2011/61/EU artikel 62, lid 2 (aangepast)

1. De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor het beheer van hun beleggingsportefeuille beleggingsbeheerders aanwijzen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan voor deze activiteit naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG 2004/39/EG, Ö en de Richtlijnen Õ, 2009/65/EG, 93/22/EEG 2000/12/EG 2009/138/EG, ,2002/83/EG 2011/61/EU en 2013/36/EU, alsmede degenen bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

ò nieuw

HOOFDSTUK 3

Bewaarder

Artikel 35

Aanstelling van een bewaarder

1. De lidstaat van herkomst schrijft voor dat de instelling voor elke bedrijfspensioenregeling waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het volledige beleggingsrisico dragen, één enkele bewaarder moet aanstellen voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken overeenkomstig de artikelen 36 en 37.

2. De lidstaat van herkomst kan voorschrijven dat de instelling voor bedrijfspensioenregelingen waarbij de deelnemers en pensioengerechtigden niet het volledige beleggingsrisico dragen, een bewaarder moet aanstellen voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken overeenkomstig de artikelen 36 en 37.

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

3. De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor de bewaring van hun activa bewaarders aanstellen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 93/22/EEG 2004/39/EG of Richtlijn 2000/12/EG 2013/36/EU of die voor de doeleinden van Richtlijn 85/611/EEG 2009/65/EG als bewaarder zijn aanvaard.

Het bepaalde in dit lid belet de lidstaat van herkomst niet de aanwijzing van een bewaarder verplicht te stellen.

4. Iedere lidstaat voertDe lidstaten voeren de nodige maatregelen uit om Ö de bevoegde autoriteiten Õ overeenkomstig zijnhun nationaal recht in staat te zijnstellen om overeenkomstig artikel 14 62 op verzoek van de lidstaat van herkomst van de instelling de vrije beschikking over de activa te verbieden die worden gehouden door een op zijn grondgebied gevestigde depositaris of bewaarder.

ò nieuw

5. De aanstelling van de bewaarder wordt ten minste schriftelijk vastgelegd in een contract. Het contract regelt het doorgeven van de informatie die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken met betrekking tot de pensioenregeling waarvoor hij als bewaarder is aangesteld, uit te voeren overeenkomstig deze richtlijn en andere relevante wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

6. Bij de uitvoering van de in de artikelen 36 en 37 vastgelegde taken handelen de instelling en de bewaarder betrouwbaar, eerlijk, professioneel, onafhankelijk en in het belang van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de regeling.

7. Een bewaarder mag geen werkzaamheden met betrekking tot de instelling uitvoeren die tot belangenconflicten tussen de instelling, de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling en hemzelf kunnen leiden, tenzij de bewaarder het vervullen van zijn bewaarnemingstaken functioneel en hiërarchisch heeft gescheiden van zijn andere mogelijkerwijs conflicterende taken, en de mogelijke belangenconflicten afdoende worden onderkend, beheerd, gecontroleerd en meegedeeld aan de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling.

8. Ingeval geen bewaarder is aangesteld, treffen de instellingen regelingen om de belangenconflicten te voorkomen of te verhelpen die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van taken die anders door een bewaarder of een vermogensbeheerder worden vervuld.

Artikel 36

Bewaring van activa en aansprakelijkheid van de bewaarder

1. Wanneer de activa van een pensioenregeling die bestaan uit financiële instrumenten die in bewaring kunnen worden genomen, voor bewaring aan een bewaarder worden toevertrouwd, houdt de bewaarder alle financiële instrumenten in bewaring die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, alsook alle financiële instrumenten die fysiek aan de bewaarder kunnen worden geleverd.

Hiertoe zorgt de bewaarder ervoor dat de financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2004/39/EG op aparte rekeningen in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de instelling, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij aan de instelling of aan de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling toebehoren.

2. Wanneer de activa van een pensioenregeling bestaan uit andere activa dan die bedoeld in lid 1, verifieert de bewaarder of de instelling of de deelnemers en pensioengerechtigden de eigenaars van deze activa zijn en houdt hij een register van deze activa bij. Bij de verificatie wordt uitgegaan van door de instelling verstrekte gegevens of documenten en van extern bewijsmateriaal als dit voorhanden is. De bewaarder houdt zijn register actueel.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat een bewaarder jegens de instelling of de deelnemers en pensioengerechtigden aansprakelijk is voor alle door hen geleden schade ten gevolge van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 3 bedoelde aansprakelijkheid van een bewaarder blijft bestaan wanneer hij de activa die hij in bewaring heeft genomen, geheel of ten dele aan derden heeft toevertrouwd.

5. Wanneer voor de bewaring van activa geen bewaarder is aangesteld, wordt van de instellingen ten minste het volgende verlangd:

(mm) zij zorgen ervoor dat financiële instrumenten te allen tijde aan passende zorg en bescherming onderworpen zijn;

(nn) zij houden gegevens bij die hen in staat stellen alle activa te allen tijde terstond te identificeren;

(oo) zij nemen de nodige maatregelen om belangenconflicten of onverenigbaarheden te vermijden;

(pp) zij stellen de bevoegde autoriteit, op haar verzoek, in kennis van de wijze waarop de activa worden bijgehouden.

Artikel 37

Toezichttaken

1. Afgezien van de in artikel 36, leden 1 en 2, bedoelde taken vervult de voor de toezichtfunctie aangestelde bewaarder ook de volgende taken:

(qq) hij voert instructies van de instelling uit, tenzij deze strijdig zijn met de nationale wetgeving of de regels van de instelling;

(rr) hij zorgt ervoor dat bij transacties met betrekking tot de activa van een instelling of een pensioenregeling de tegenprestatie binnen de gebruikelijke termijnen aan de instelling wordt voldaan;

(ss) hij ziet erop toe dat de inkomsten uit de activa overeenkomstig de regels van de instelling worden aangewend.

2. Onverminderd lid 1 kan de lidstaat van herkomst van de instelling andere toezichttaken vaststellen die door de bewaarder moeten worden vervuld.

3. Ingeval geen bewaarder voor het vervullen van toezichttaken is aangesteld, stelt de instelling procedures in die garanderen dat de taken die anders aan het toezicht van bewaarders onderworpen zijn, naar behoren binnen de instelling worden uitgevoerd.

Titel IV

AAN TOEKOMSTIGE DEELNEMERS, DEELNEMERS EN PENSIOENGERECHTIGDEN TE VERSTREKKEN INLICHTINGEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

2003/41/EG (aangepast)

Artikel 11

Aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen

ò nieuw

Artikel 38

Beginselen

ê 2003/41/EG (aangepast)

1. Afhankelijk van de aard van de pensioenregeling draagt iedere elke lidstaat er zorg voor dat iedere elke op zijn grondgebied gevestigde instelling Ö toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden Õ ten minste de in Ö de artikelen 39 tot en met 53 en 55 tot en met 58. Õ de leden 2, 3 en 4 bedoelde inlichtingen verstrekt.

 

ò nieuw

2. De inlichtingen voldoen aan alle volgende vereisten:

(tt) zij worden regelmatig bijgewerkt;

(uu) zij zijn op duidelijke wijze op schrift gesteld in heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij wordt vermeden zowel jargon als technische termen te hanteren wanneer in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;

(vv) zij zijn niet misleidend. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;

(ww) zij worden op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar zijn, met gebruik van tekens van leesbare grootte.

Er wordt niet van kleuren gebruikgemaakt wanneer deze afbreuk kunnen doen aan de begrijpelijkheid van de inlichtingen als het pensioenuitkeringsoverzicht in zwart-wit wordt afgedrukt of wordt gefotokopieerd.

Artikel 39

Voorwaarden van de pensioenregeling

ê 2003/41/EG artikel 9, onder f)

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgt iedere lidstaatzorgen de lidstaten ervoor dat: f) de deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

i) a) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

ii) b) de financiële, technische en andere aan de pensioenregeling verbonden risico's;

iii) c) de aard en spreiding van die risico's.;

ò nieuw

2. Bij regelingen waarbij deelnemers een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, worden, naast de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde inlichtingen, tevens de volgende inlichtingen aan de deelnemers verstrekt: de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn, de standaard beleggingsmogelijkheid en, in voorkomend geval, de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde deelnemer aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.

2003/41/EG artikel 11, lid 2

3. Deelnemers en pensioengerechtigden, en/of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ontvangen:

            a) op verzoek de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 10; en indien een instelling verantwoordelijk is voor meer dan één regeling, ontvangen zij de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;

            b) binnen een redelijke termijn alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling.

ò nieuw

4. Instellingen publiceren de voorwaarden van de pensioenregeling op een website van hun keuze.

HOOFDSTUK 2

Pensioenuitkeringsoverzicht

Artikel 40

Frequentie en wijzigingen

(2) De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten behoeve van iedere deelnemer een document met essentiële informatie moeten opstellen (het "pensioenuitkeringsoverzicht").

(3) De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie in het pensioenuitkeringsoverzicht wordt bijgewerkt en ten minste één keer om de twaalf maanden kosteloos aan iedere deelnemer wordt toegezonden.

(4) Elke wezenlijke wijziging in de in het pensioenuitkeringsoverzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande jaar wordt duidelijk toegelicht in een begeleidende brief.

Artikel 41

Begrijpelijkheid en taalgebruik

1.           De in het pensioenuitkeringsoverzicht verstrekte informatie is begrijpelijk zonder dat andere documenten moeten worden geraadpleegd.

2.           De lidstaten zorgen ervoor dat het pensioenuitkeringsoverzicht beschikbaar is in een officiële taal van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming of de instelling enerzijds en de deelnemers of de pensioengerechtigden anderzijds.

Artikel 42

Lengte

In het pensioenuitkeringsoverzicht wordt gebruikgemaakt van tekens van gemakkelijk leesbare grootte; in afgedrukte vorm is het overzicht niet langer dan twee bladzijden van het papierformaat A4.

Artikel 43

Drager

De lidstaten kunnen instellingen toestaan het pensioenuitkeringsoverzicht op een duurzame drager of via een website te verstrekken. Op verzoek wordt aan de deelnemers en pensioengerechtigden, naast een pensioenuitkeringsoverzicht in elektronische vorm, ook kosteloos een papieren afschrift verstrekt.

Artikel 44

Aansprakelijkheid

3.           De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen niet louter op basis van het pensioenuitkeringsoverzicht of een vertaling daarvan civielrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, tenzij dit overzicht misleidend, onnauwkeurig of niet in overeenstemming met de relevante delen van de pensioenregeling is.

4.           Het pensioenuitkeringsoverzicht bevat een duidelijke waarschuwing ter zake.

Artikel 45

Titel

1. De titel van het pensioenuitkeringsoverzicht bevat het woord "pensioenuitkeringsoverzicht".

2. Onmiddellijk onder de titel staat een korte toelichting waarin het doel van het pensioenuitkeringsoverzicht wordt uiteengezet.

3. De precieze datum waarop de informatie in het pensioenuitkeringsoverzicht betrekking heeft, wordt duidelijk zichtbaar vermeld.

Artikel 46

Persoonsgegevens

Het pensioenuitkeringsoverzicht bevat de persoonsgegevens van de deelnemer, met inbegrip van de wettelijke pensioenleeftijd indien van toepassing.

Artikel 47

Identificatie van de instelling

In het pensioenuitkeringsoverzicht wordt de instelling geïdentificeerd en informatie verstrekt over:

(5) de naam en het adres van de instelling;

(6) de lidstaten waarin de instelling een vergunning heeft verkregen of is geregistreerd en de naam van de bevoegde autoriteit;

(7) de naam van de bijdragende onderneming.

Artikel 48

Garanties

1. Het pensioenuitkeringsoverzicht bevat een van de volgende aanwijzingen betreffende de garanties in het kader van de pensioenregeling:

(a) een volledige garantie ingeval de instelling of bijdragende onderneming een bepaald uitkeringsniveau garandeert;

(b) geen garantie ingeval de deelnemer volledig het risico draagt;

(c) een gedeeltelijke garantie in alle andere gevallen.

2. Ingeval een garantie wordt verleend, wordt het volgende in het kort toegelicht:

(d) de aard van de garantie;

(e) het actuele financieringsniveau van de in totaal opgebouwde individuele pensioenrechten van de deelnemer;

(f) mechanismen ter bescherming van de opgebouwde individuele pensioenrechten;

(g) mechanismen ter verlaging van de uitkering indien deze in de nationale wetgeving zijn vastgelegd.

Artikel 49

Saldo, bijdragen en kosten

1. Wat het saldo, de bijdragen en de kosten betreft, worden in het pensioenuitkeringsoverzicht de volgende bedragen vermeld, die in de voor de pensioenregeling relevante valuta zijn uitgedrukt:

(h) de som van de kosten die zijn afgetrokken van de brutobijdragen die gedurende de afgelopen twaalf maanden door de bijdragende onderneming, indien van toepassing, of door de deelnemer zijn betaald, of, indien de deelnemer zich minder dan twaalf maanden eerder bij de regeling heeft aangesloten, de som van de kosten die zijn afgetrokken van de bijdragen die sinds de aansluiting zijn betaald;

(i) de som van de bijdragen die gedurende de afgelopen twaalf maanden door de deelnemer zijn betaald, of, indien de deelnemer zich minder dan twaalf maanden eerder bij de regeling heeft aangesloten, de som van de bijdragen die sinds de aansluiting zijn betaald;

(j) de som van de bijdragen die gedurende de afgelopen twaalf maanden door de bijdragende onderneming zijn betaald, of, indien de deelnemer zich minder dan twaalf maanden eerder bij de regeling heeft aangesloten, de som van de bijdragen die sinds de aansluiting van de deelnemer door de bijdragende onderneming zijn betaald;

(k) het saldo op de datum van het pensioenuitkeringsoverzicht, berekend op een van de twee volgende manieren naargelang van de aard van de pensioenregeling:

(1) voor pensioenregelingen die niet in een richtniveau van de uitkeringen voorzien, de totale som van het door de deelnemer opgebouwde kapitaal, ook uitgedrukt als een lijfrente per maand,

(2) voor pensioenregelingen die wel in een richtniveau van de uitkeringen voorzien, de opgebouwde individuele pensioenrechten per maand;

(l) andere voor de deelnemer relevante bijdragen of kosten, zoals de overdracht van opgebouwd kapitaal;

(m) de onder a) bedoelde kosten, uitgesplitst in de volgende afzonderlijke bedragen die in de voor de pensioenregeling relevante valuta zijn uitgedrukt:

(1) administratiekosten van de instelling;

(2) kosten van de bewaring van activa;

(3) met portefeuilletransacties verband houdende kosten;

(4) overige kosten.

2. De in lid 1, onder f) iv), bedoelde "overige kosten" worden in het kort toegelicht wanneer zij 20 % of meer van de totale kosten uitmaken.

Artikel 50

Pensioenprojecties

1. Wanneer de pensioenregeling in een richtniveau van de uitkeringen voorziet, worden in het pensioenuitkeringsoverzicht de volgende drie bedragen met betrekking tot de pensioenprojecties vermeld, die in de voor de pensioenregeling relevante valuta zijn uitgedrukt:

(b) het richtniveau van de uitkeringen per maand op de pensioenleeftijd op basis van aannamen volgens de beste schatting;

(c) het richtniveau van de uitkeringen per maand twee jaar vóór de pensioenleeftijd op basis van aannamen volgens de beste schatting;

(d) het richtniveau van de uitkeringen per maand twee jaar na de pensioenleeftijd op basis van aannamen volgens de beste schatting.

2. Bij de in lid 1 bedoelde aannamen wordt met toekomstige lonen rekening gehouden.

3. Wanneer de pensioenregeling niet in een richtniveau van de uitkeringen voorziet, worden in het pensioenuitkeringsoverzicht de volgende bedragen met betrekking tot de pensioenprojecties vermeld, die in de voor de pensioenregeling relevante valuta zijn uitgedrukt:

(e) het verwachte bedrag van het tot twee jaar vóór de pensioenleeftijd opgebouwde kapitaal op basis van voor de regeling relevante aannamen volgens de beste schatting;

(f) het verwachte bedrag van het tot de pensioenleeftijd opgebouwde kapitaal op basis van voor de regeling relevante aannamen volgens de beste schatting;

(g) het verwachte bedrag van het tot twee jaar na de pensioenleeftijd opgebouwde kapitaal op basis van voor de regeling relevante aannamen volgens de beste schatting; en

(h) de onder a), b) en c) bedoelde bedragen, uitgedrukt als uitkering per maand.

4. Bij de in lid 3 bedoelde aannamen wordt met de volgende factoren rekening gehouden:

(a) het jaarlijkse percentage van de nominale beleggingsopbrengsten;

(b) het jaarlijkse inflatiepercentage;

(c) toekomstige lonen.

5. Bij de berekening van de in de leden 1 en 3 bedoelde projecties wordt aangenomen dat de bijdragepercentages constant blijven.

Artikel 51

Beleggingsprofiel

1. Bij pensioenregelingen waarbij de deelnemers beleggingsrisico dragen en waarbij zij tussen verschillende beleggingsmogelijkheden de keuze hebben, worden in het pensioenuitkeringsoverzicht de beleggingsprofielen vermeld, samen met een lijst van de beschikbare beleggingsmogelijkheden en een korte beschrijving van elke mogelijkheid. De beleggingsmogelijkheid waarvoor de deelnemer op dat moment heeft gekozen, wordt duidelijk zichtbaar aangegeven.

Wanneer het aantal verschillende beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsdoelstellingen groter is dan vijf, beperkt de instelling de beknopte beschrijving van elke mogelijkheid tot vijf representatieve mogelijkheden, waaronder de meest risicovolle en de minst risicovolle mogelijkheden.

2. Bij pensioenregelingen waarbij de deelnemers beleggingsrisico dragen en waarbij een beleggingsmogelijkheid krachtens een in het kader van de pensioenregeling vastgelegde specifieke regel aan de deelnemer wordt opgelegd, wordt de volgende aanvullende informatie verstrekt:

(d) op de feitelijke leeftijd gebaseerde regels;

(e) op de richtpensioenleeftijd van de deelnemer gebaseerde regels;

(f) overige regels.

3. Bij pensioenregelingen waarbij de deelnemers beleggingsrisico dragen, bevat het pensioenuitkeringsoverzicht informatie over het risico- en rendementsprofiel, waarbij een synthetische grafische indicator van het risico- en rendementsprofiel van de pensioenregeling of, in voorkomend geval, van elke beleggingsmogelijkheid wordt afgebeeld, die vergezeld gaat van het volgende:

(g) een beschrijving van de indicator en van de voornaamste beperkingen ervan;

(h) een beschrijving van de risico's die van wezenlijke relevatie zijn en die niet naar behoren door de synthetische grafische indicator worden bestreken.

De berekening van de synthetische indicator wordt op adequate wijze gedocumenteerd en de instellingen stellen deze documentatie op verzoek beschikbaar aan de deelnemers.

4. De in lid 3, onder a), bedoelde beschrijving bevat het volgende:

(i) een beknopte uitleg waarom de pensioenregeling of beleggingsmogelijkheid tot een specifieke categorie behoort;

(j) een verklaring dat de historische gegevens, zoals die welke voor de berekening van de synthetische grafische indicator zijn gebruikt, geen betrouwbare indicatie voor het toekomstige risicoprofiel van de pensioenregeling of de beleggingsmogelijkheid vormen;

(k) een verklaring dat niet kan worden gegarandeerd dat de vermelde risico- en rendementscategorie ongewijzigd blijft en dat de indeling van de pensioenregeling of van de beleggingsmogelijkheid in de tijd kan variëren;

(l) een verklaring dat de laagste categorie niet betekent dat er sprake is van een risicoloze belegging.

5. De in lid 3 bedoelde synthetische grafische indicator en beschrijvingen zijn opgesteld in overeenstemming met de door de instelling ingestelde interne procedure voor het detecteren, meten en monitoren van risico’s zoals vastgelegd in deze richtlijn, alsook met de beleggingsdoelstellingen en het beleggingsbeleid die in de verklaring van de beleggingsbeginselen zijn beschreven.

Artikel 52

In het verleden behaalde resultaten

1. Het pensioenuitkeringsoverzicht bevat de volgende informatie over de in het verleden behaalde resultaten:

(m) de informatie over de resultaten die in het verleden door de pensioenregeling als geheel of, in voorkomend geval, in het kader van de door de deelnemer gekozen beleggingsmogelijkheid zijn behaald, gepresenteerd in de vorm van een grafiek waarin de resultaten voor de beschikbare jaren en van maximaal de laatste tien jaar zijn weergegeven;

(n) de presentatie van de grafiek, aangevuld met verklaringen die duidelijk zichtbaar zijn en die:

(1) waarschuwen voor de beperkte waarde van de grafiek als richtsnoer voor toekomstige resultaten;

(2) aangeven welke kosten al dan niet bij de berekening van de in het verleden behaalde resultaten in aanmerking zijn genomen;

(3) de valuta aangeven waarin de in het verleden behaalde resultaten zijn berekend.

2. Indien een wezenlijke wijziging in de doelstelling en het beleggingsbeleid van de pensioenregeling plaatsvindt gedurende de periode die in de in lid 1 bedoelde grafiek wordt weergegeven, worden de door de pensioenregeling in het verleden behaalde resultaten die van vóór die wezenlijke wijziging dateren desondanks in de grafiek weergegeven. De periode vóór de wezenlijke wijziging wordt in de grafiek aangeduid met vermelding van een duidelijke waarschuwing dat de resultaten werden behaald in omstandigheden die niet langer van toepassing zijn.

3. Wanneer een deelnemer van beleggingsmogelijkheid verandert, worden de in het verleden in het kader van die beleggingsmogelijkheid behaalde resultaten weergegeven.

Artikel 53

Aanvullende informatie

In het pensioenuitkeringsoverzicht wordt de volgende aanvullende informatie vermeld:

(i) de plaats en de wijze waarop verdere informatie kan worden verkregen over de instelling of de pensioenregeling, met inbegrip van de plaats waar websites en relevante wetsbesluiten van algemene aard te vinden zijn;

(j) de plaats en de wijze waarop verdere informatie kan worden verkregen over de regelingen voor de overdracht van pensioenrechten aan een andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeval van beëindiging van de dienstbetrekking;

(k) informatie over de gehanteerde aannamen voor in lijfrente uitgedrukte bedragen, en met name over het percentage van de lijfrente, het soort aanbieder en de duur van de lijfrente, ingeval de deelnemer om die informatie verzoekt;

(l) de plaats en de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot aanvullende informatie over de individuele situatie van de deelnemer, met inbegrip van het richtniveau van de pensioenuitkeringen, indien van toepassing, en het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking.

Artikel 54

Gedelegeerde handeling betreffende het pensioenuitkeringsoverzicht

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere bepaling van het volgende:

(a) de inhoud van het pensioenuitkeringsoverzicht; deze voorschriften hebben betrekking op het volgende:

(i)      de manier waarop wezenlijke wijzigingen worden toegelicht, zoals bedoeld in artikel 40, lid 3;

(ii)     de grootte van de tekens zoals bedoeld in artikel 42;

(iii)    de bewoordingen van de waarschuwing betreffende de aansparakelijkheid zoals bedoeld in artikel 44;

(iv)    de formulering van de toelichting zoals bedoeld in artikel 45, lid 2;

(v)     de te vermelden persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 46;

(vi)    de te volgen methode bij de toelichting van de in artikel 48, lid 2, onder a), b), c) en d), vermelde elementen;

(vii)   de te volgen methode voor de berekening van de in artikel 49, lid 1, onder a), b), c), d), e) en f), bedoelde bedragen;

(viii)  de te volgen methode voor de berekening van de in artikel 50, leden 1 en 3, bedoelde bedragen, rekening houdend met de in artikel 50, lid 5, gestelde voorwaarde;

(ix)    de in artikel 50, leden 2 en 4, bedoelde aannamen waarvan moet worden uitgegaan;

(x)     het aantal te vermelden beleggingsmogelijkheden en de te volgen methode voor het maken van een keuze uit deze mogelijkheden wanneer het aantal mogelijkheden groter is dan vijf, de te volgen methode voor het beschrijven van de vermelde mogelijkheden, alsook de wijze waarop de beleggingsmogelijkheid moet worden aangegeven waarvoor de deelnemer op dat moment heeft gekozen, zoals bedoeld in artikel 51, lid 1;

(xi)    de te volgen methode voor de beschrijving van de aanvullende informatie zoals bedoeld in artikel 51, lid 2;

(xii)   de te volgen methode voor de opstelling en afbeelding van de synthetische grafische indicatoren en de beschrijvingen zoals bedoeld in artikel 51, lid 3, rekening houdend met de in artikel 51, lid 4, gestelde voorwaarden;

(xiii)  de te volgen methode voor het genereren van de informatie over de in het verleden behaalde resultaten zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, onder a), alsook de te volgen methoden voor de opstelling van de verklaring en de presentatie van de grafiek zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b);

(xiv)  de te volgen methode voor de vergelijking van de verschillende beleggingsmogelijkheden die in het kader van pensioenregelingen beschikbaar zijn, zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, onder a);

(xv)   de te volgen methode voor het weergeven van de in artikel 52, lid 2, bedoelde wezenlijke wijziging;

(xvi)  de te volgen methode voor de vermelding van de aanvullende informatie zoals bedoeld in artikel 53.

(b) de vorm, opmaak, structuur en volgorde van de onderdelen van het pensioenuitkeringsoverzicht, dat de in artikel 44, lid 2, en de artikelen 45 tot en met 53 bedoelde informatie bevat, rekening houdend met de in artikel 41, lid 1, en artikel 42 gestelde voorwaarden.

HOOFDSTUK 3

Andere te verstrekken inlichtingen en documenten

Artikel 55

Aan toekomstige deelnemers te verstrekken inlichtingen

De instelling zorgt ervoor dat toekomstige deelnemers over alle kenmerken van de regeling en alle beleggingsmogelijkheden worden geïnformeerd, waarbij onder meer informatie wordt verstrekt over de wijze waarop in het kader van de beleggingsbenadering rekening is gehouden met kwesties die met milieu, klimaat, samenleving en corporate governance verband houden.

Artikel 56

Tijdens de fase vóór de pensionering aan deelnemers te verstrekken inlichtingen

Afgezien van het pensioenuitkeringsoverzicht verstrekken de instellingen aan iedere deelnemer ten minste twee jaar voor de pensioenleeftijd waarin de regeling voorziet, dan wel op verzoek van de deelnemer, de volgende inlichtingen:

(m) informatie over de opties waarover de deelnemers beschikken bij het innen van hun pensioeninkomen, met inbegrip van informatie over de aan deze opties verbonden voor- en nadelen, en dat op zodanige wijze dat zij worden geholpen de optie te kiezen die het meest geschikt is voor de omstandigheden waarin zij verkeren;

(n) wanneer de uitbetaling in het kader van de pensioenregeling niet in de vorm van een levenslange lijfrente plaatsvindt, informatie over de beschikbare producten voor de uitbetaling van de pensioenuitkering, met inbegrip van de daaraan verbonden voor- en nadelen, en de voornaamste overwegingen waarmee deelnemers rekening moeten houden wanneer zij besluiten voor een bepaald product voor de uitbetaling van de pensioenuitkering te kiezen.

Artikel 57

Tijdens de uitbetalingsfase aan pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen

1. Instellingen verstrekken pensioengerechtigden informatie over de verschuldigde uitkeringen en de overeenkomstige uitbetalingsmogelijkheden.

2. Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen, zorgen de lidstaten ervoor dat de pensioengerechtigden hierover passende informatie ontvangen.

Artikel 58

Op verzoek aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken aanvullende inlichtingen

1. Op verzoek van een deelnemer, een pensioengerechtigde of hun vertegenwoordigers verstrekt de instelling de volgende aanvullende informatie:

a) de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 31 of, indien een instelling voor meer dan één regeling verantwoordelijk is, de jaarverslagen en de jaarrekeningen die met hun specifieke pensioenregeling verband houden;

ê 2003/41/EG (aangepast)

3.b) de in artikel 1232 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen, wordt op verzoek aan de deelnemers en pensioengerechtigden, en/of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ter beschikking gesteld.;

ò nieuw

c) informatie over de gehanteerde aannamen om de in artikel 50 bedoelde projecties op te stellen;

d) informatie over het veronderstelde percentage van de lijfrente, het soort aanbieder en de duur van de lijfrente, zoals bedoeld in artikel 53, onder c).

ê 2003/41/EG

ð nieuw

4 2. ð Op verzoek van een ï Iedere deelnemer, ð verstrekt de instelling ï tevens ontvangt tevens op verzoek duidelijke en wezenlijke gegevens over:

              a) indien van toepassing, het richtniveau van de pensioenuitkeringen;

              b) het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking;

              c) wanneer de deelnemer het beleggingsrisico draagt, alle beschikbare beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing, en de feitelijke beleggingsportefeuille, evenals gegevens over de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen;

              d) de modaliteiten voor de overdracht van aanspraken op een andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeval van beëindiging van de dienstbetrekking.

              De deelnemers ontvangen jaarlijks beknopte informatie over de situatie van de instelling en over het actuele financieringsniveau van hun totale individuele aanspraken.

5. Iedere pensioengerechtigde ontvangt bij zijn pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, de nodige informatie over de uitkeringen waarop hij of zij aanspraak kan maken en over de wijze van uitbetaling.

ò nieuw

Titel V

PRUDENTIEEL TOEZICHT

Hoofdstuk 1

Algemene regels betreffende het prudentiële toezicht

Artikel 59

Hoofddoel van het prudentiële toezicht

1. Het hoofddoel van het prudentiële toezicht is de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden.

2. Onverminderd het hoofddoel van het prudentiële toezicht als genoemd in lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun algemene taken het mogelijke effect van hun beslissingen op de stabiliteit van de betrokken financiële systemen in de Unie, met name in noodsituaties, naar behoren in overweging nemen, rekening houdend met de informatie die op dat moment beschikbaar is.

Artikel 60

Reikwijdte van het prudentiële toezicht

De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening onder prudentieel toezicht staan, met inbegrip van het toezicht op het volgende:

(a) de voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden;

(b) de technische voorzieningen;

(c) de financiering van de technische voorzieningen;

(d) het voorgeschreven eigen vermogen;

(e) de beschikbare solvabiliteitsmarge;

(f) de vereiste solvabiliteitsmarge;

(g) de beleggingsvoorschriften;

(h) het beleggingsbeheer;

(i) de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening; en

(j) de aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken inlichtingen.

Artikel 61

Algemene beginselen van het prudentiële toezicht

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn verantwoordelijk voor het prudentiële toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het toezicht op een prospectieve en risicogebaseerde benadering berust.

3. Het toezicht op de instellingen omvat een passende combinatie van werkzaamheden op afstand en controles ter plaatse.

4. De toezichthoudende bevoegdheden worden tijdig en op proportionele wijze uitgeoefend.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten naar behoren rekening houden met de potentiële gevolgen van hun optreden voor de stabiliteit van de financiële stelsels in de Europese Unie, met name in noodsituaties.

ê 2003/41/EG

Artikel 14 62

Interventiebevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat er in iedere op hun grondgebied gevestigde instelling goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen bestaan.

2. De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde instelling of jegens de personen die deze instelling besturen alle maatregelen te nemen, waaronder, waar passend, maatregelen van bestuursrechtelijke en geldelijke aard, die geschikt en noodzakelijk zijn om eventuele onregelmatigheden die de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden kunnen schaden, te voorkomen of ongedaan te maken.

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 3 (aangepast)

ð nieuw

3. Een eventueel besluit om activiteiten van een instelling te verbieden ð of te beperken ï wordt gedetailleerd met redenen omkleed en de betrokken instelling wordt hiervan in kennis gesteld. Ook de EIOPA wordt hiervan in kennis gesteld.

ê 2003/41/EG (aangepast)

Zij Ö 4. De bevoegde autoriteiten Õ kunnen tevens de vrije beschikking over de activa van de instelling beperken of verbieden, met name wanneer de instelling:

(o) geen toereikende technische voorzieningen heeft gevormd met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, dan wel onvoldoende activa heeft om de technische voorzieningen te dekken;

(p) er niet in is geslaagd het voorgeschreven eigen vermogen in stand te houden.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen, teneinde de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een regeling te beschermen, de bevoegdheden waarover de personen die een op haar grondgebied gevestigde instelling besturen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst beschikken, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een bijzondere vertegenwoordiger die geschikt is om deze bevoegdheden uit te oefenen.

64. De bevoegde autoriteiten kunnen de activiteiten van een op haar grondgebied gevestigde instelling verbieden of beperken, met name indien:

(q) de instelling de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden Ö van de regeling Õ niet afdoende beschermt;

(r) de instelling niet langer aan de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden voldoet;

(s) de instelling ernstig in gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde voorschriften;

(t) de instelling, in geval van grensoverschrijdende activiteiten, de vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenen niet in acht neemt.

57. De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten ten aanzien van instellingen die worden genomen op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beroep op de rechter openstaat.

ò nieuw

Artikel 63

Prudentieel toezichtsproces

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de strategieën, processen en rapportageprocedures beoordelen die de instellingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden waarin de instellingen opereren, en, in voorkomend geval, de partijen die voor hen sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren die zijn uitbesteed. De beoordeling omvat de volgende elementen:

(a) een beoordeling van de kwalitatieve vereisten in verband met het governancesysteem;

(b) een beoordeling van de risico's die de instelling loopt;

(c) een beoordeling van het vermogen van de instelling om die risico's te evalueren.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over monitoringinstrumenten, met inbegrip van stresstests, waarmee ze kunnen constateren dat de financiële omstandigheden in een instelling verslechteren en waarmee ze kunnen volgen hoe een verslechtering wordt verholpen.

3. De bevoegde autoriteiten hebben de nodige bevoegdheden om instellingen te verplichten zwakke punten of tekortkomingen te verhelpen die in het kader van het prudentiële toezichtsproces zijn geconstateerd.

4. De bevoegde autoriteiten stellen de minimale frequentie en de reikwijdte van de in lid 1 bedoelde beoordeling vast, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken instellingen.

ê 2003/41/EG

Artikel 13 64

Aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken inlichtingen

1. Iedere lidstaat draagtDe lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot iedere elke op hun grondgebied gevestigde instelling over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om:

a) de instelling, de leden van de raad van bestuur en andere met het beheer of de leiding of de controle op de instelling belaste personen te verplichten inlichtingen te verstrekken over alle zakelijke aangelegenheden of alle bedrijfsdocumenten over te leggen;

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

              b) toezicht te houden op de betrekkingen tussen de instelling en andere ondernemingen of tussen instellingen waarbij Ö sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden Õ activiteiten aan deze ondernemingen of instellingen worden uitbesteed (outsourcing uitbesteding ð en alle verdere onderuitbesteding ï), waarbij de financiële positie van de instelling wordt beïnvloed of die op concrete wijze van belang zijn voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht;

              c) periodiek de ð volgende documenten te verkrijgen: de risicobeoordeling voor pensioenen ï, Ö de Õ verklaring inzake de beleggingsbeginselen, ð documenten betreffende het governancesysteem ï, de jaarrekening en het jaarverslag, ð aan deelnemers en pensioengerechtigden verstrekte informatiedocumenten, ï alsmede alle Ö overige Õ documenten te verkrijgen die voor de uitoefening van toezicht noodzakelijk zijn.; Daartoe kunnen behoren:

ò nieuw

d) vast te stellen welke documenten noodzakelijk zijn voor toezichtdoeleinden. Daartoe behoren:

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

         i) interne tussentijdse verslagen;

         ii) actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen;

         iii) activa-passiva-studies;

         iv) bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd;

         v) bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen volgens plan zijn betaald;

         vi) rapporten van de in artikel 10 31 bedoelde personen die met de controle van de jaarrekening zijn belast;

              d) e) verificaties uit te voeren in de bedrijfsruimten van de instelling en, waar nodig, onderzoek naar uitbestede ð en alle vervolgens onderuitbestede ï werkzaamhedenactiviteiten in te stellen om na te gaan of deze overeenkomstig de toezichtregels worden verricht.

ò nieuw

f) op gelijk welk tijdstip instellingen om inlichtingen te verzoeken over uitbestede en alle vervolgens onderuitbestede werkzaamheden.

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 2, onder b)

2. De EIOPA kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen inzake de formulieren en formaten voor de in lid 1, onder c)d), punten i) tot en met vi), genoemde documenten.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

ò nieuw

Artikel 65

Transparantie en verantwoording

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun in de artikelen 60, 61, 62, 63 en 64 vastgelegde taken op een transparante en verantwoorde wijze verrichten en daarbij vertrouwelijke informatie op behoorlijke wijze beschermen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende informatie wordt bekendgemaakt:

(d) de bewoordingen van de wet en regelgeving en bestuursrechtelijke voorschriften en algemene richtsnoeren op het gebied van de regelgeving inzake bedrijfspensioenvoorziening, en informatie over de vraag of de lidstaat ervoor kiest deze richtlijn overeenkomstig de artikelen 4 en 5 toe te passen;

(e) gegevens over het in artikel 63 beschreven prudentiële toezichtsproces;

(f) geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentiële kader;

(g) een verklaring dat het hoofddoel van het prudentiële toezicht de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is en informatie over de voornaamste toezichtfuncties en ‑werkzaamheden;

(h) de voorschriften inzake administratieve sancties voor inbreuken op nationale bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat er transparante procedures bestaan en worden toegepast voor de benoeming en het ontslag van de leden van de bestuursorganen van hun bevoegde autoriteiten.

Hoofdstuk 2

Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie

Artikel 66

Beroepsgeheim

1. De lidstaten stellen regelgeving vast om ervoor te zorgen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede auditors en deskundigen die in opdracht van deze autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mogen deze personen vertrouwelijke informatie die zij tijdens de uitvoering van hun taken hebben ontvangen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve in samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat de individuele instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd.

2. Indien een pensioenregeling aan een andere instelling of een andere entiteit is overgedragen, mogen in afwijking van lid 1 evenwel vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de onderneming te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

Artikel 67

Gebruik van vertrouwelijke informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig deze richtlijn vertrouwelijke informatie ontvangen, deze slechts gebruiken bij de uitoefening van hun taken en voor de volgende doeleinden:

(u) om na te gaan of instellingen aan de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke voorwaarden voldoen voordat zij hun werkzaamheden aanvatten;

(v) om de controle van de werkzaamheden van instellingen te faciliteren, met inbegrip van de controle van de technische voorzieningen, de solvabiliteit, het governancesysteem en de aan deelnemers en pensioengerechtigden verstrekte inlichtingen;

(w) om corrigerende maatregelen, met inbegrip van sancties, op te leggen;

(x) in het kader van een beroep tegen een besluit dat de bevoegde autoriteiten op grond van de bepalingen tot omzetting van deze richtlijn hebben genomen;

(y) in rechtszaken betreffende bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

Artikel 68

Informatie-uitwisseling tussen autoriteiten

1. Artikel 66 vormt geen beletsel voor het volgende:

(z) de uitwisseling van informatie tussen meerdere bevoegde autoriteiten in dezelfde lidstaat bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken;

(aa) de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken;

(bb) de uitwisseling van informatie bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken tussen de bevoegde autoriteiten en een van de volgende, zich in dezelfde lidstaat bevindende partijen:

(1) autoriteiten aan wie het toezicht op entiteiten uit de financiële sector en andere financiële organisaties is opgedragen, alsmede autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;

(2) de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het bewaren van de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaten door middel van macroprudentiële regels;

(3) instanties die betrokken zijn bij de beëindiging van pensioenregelingen en bij andere soortgelijke procedures;

(4) saneringsinstanties of -autoriteiten ter vrijwaring van de stabiliteit van het financiële stelsel;

(5) de met de wettelijke controle van de jaarrekening van instellingen, verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen;

(cc) de verstrekking aan instanties die het beheer over de beëindiging van een pensioenregeling voeren, van de informatie die nodig is voor de vervulling van hun taak.

2. De informatie die de in lid 1 bedoelde autoriteiten, instanties en personen ontvangen, valt onder de overeenkomstig artikel 66 vastgestelde regelgeving betreffende de geheimhoudingsplicht.

3. Artikel 66 belet de lidstaten niet toe te staan dat informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten en een van de volgende partijen:

(dd) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de beëindiging van pensioenregelingen en bij andere soortgelijke procedures;

(ee) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de rekeningen van instellingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen;

(ff) de van de instellingen onafhankelijke actuarissen die krachtens de wet een controlefunctie ten aanzien van deze instellingen uitoefenen, en de organen die met het toezicht op deze actuarissen belast zijn.

Artikel 69

Doorgifte van gegevens aan centrale banken, monetaire autoriteiten, Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico's

1. Artikel 66 houdt geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om aan de volgende entiteiten voor de uitoefening van hun respectieve taken dienstige gegevens mede te delen:

(a) centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit;

(b) in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op betalingssystemen;

(c) het Europees Comité voor systeemrisico's, de EIOPA, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten;

2. De artikelen 68 tot en met 71 houden voor de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde autoriteiten of instanties geen belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de informatie toe te zenden die de bevoegde autoriteiten nodig kunnen hebben ter uitvoering van artikel 67.

3. De overeenkomstig de leden 1 en 2 ontvangen gegevens zijn onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de vereisten van deze richtlijn.

Artikel 70

Bekendmaking van informatie aan overheidsdiensten die met financiële wetgeving zijn belast

1. Artikel 66, lid 1, artikel 67 en artikel 71, lid 1, beletten de lidstaten niet om de bekendmaking toe te staan van vertrouwelijke gegevens aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake het toezicht op instellingen, kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsondernemingen, alsmede aan inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen alleen worden verstrekt wanneer zulks nodig is ter wille van het prudentiële toezicht, en de preventie en afwikkeling van falende instellingen. Onverminderd lid 2 van dit artikel zijn de personen die toegang tot de informatie hebben, onderworpen aan eisen betreffende het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de vereisten van deze richtlijn. De lidstaten bepalen evenwel dat de informatie die op grond van artikel 68 is ontvangen, en informatie welke is verkregen naar aanleiding van verificatie ter plaatse, alleen mag worden bekendgemaakt met uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van wie de informatie afkomstig was, of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

2. De lidstaten kunnen toestaan dat vertrouwelijke informatie over het prudentieel toezicht op de instellingen aan parlementaire onderzoekscommissies en de rekenkamer in hun lidstaat, alsook aan andere voor onderzoek verantwoordelijke entiteiten in hun lidstaat wordt meegedeeld onder de volgende voorwaarden:

(d) de entiteiten hebben de bevoegdheid uit hoofde van het nationale recht om de maatregelen van autoriteiten die voor het toezicht op instellingen of voor wetten inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;

(e) de informatie is strikt noodzakelijk om de onder a) bedoelde bevoegdheid te vervullen;

(f) voor de personen die toegang tot de informatie hebben, gelden krachtens de nationale wetgeving professionele geheimhoudingsverplichtingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze richtlijn;

(g) indien de informatie van een andere lidstaat afkomstig is, mag deze niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld, en alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Artikel 71

Voorwaarden voor de uitwisseling van informatie

1. Voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 68, de doorgifte van gegevens overeenkomstig artikel 69 en de bekendmaking van informatie overeenkomstig artikel 70 eisen de lidstaten dat ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(h) de informatie wordt uitgewisseld, doorgegeven of bekendgemaakt voor de uitoefening van het (wettelijke) toezicht;

(i) de ontvangen informatie valt onder het in artikel 66 vastgelegde beroepsgeheim;

(j) informatie die uit een andere lidstaat afkomstig is, wordt niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van wie deze afkomstig is, en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

2. Artikel 67 belet de lidstaten niet om ter versterking van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel toe te staan dat informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht dat op bijdragende ondernemingen van toepassing is.

De lidstaten die de eerste alinea toepassen, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(k) de informatie moet bestemd zijn voor opsporing en onderzoek als bedoeld in artikel 70, lid 2, onder a);

(l) de ontvangen informatie moet onder het in artikel 66 vastgelegde beroepsgeheim vallen;

(m) informatie die uit een andere lidstaat afkomstig is, wordt niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van wie deze afkomstig is, en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

3. Indien de in lid 2, eerste alinea, bedoelde autoriteiten of instanties in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een dergelijke opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, is de in artikel 70, lid 2, bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie van toepassing.

Artikel 72

Nationale bepalingen van prudentiële aard

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 5 (aangepast)

11. 1. De lidstaten stellen de EIOPA in kennis van hun nationale bepalingen voorzieningen van prudentiële aard die relevant zijn voor het gebied van bedrijfspensioenregelingen en die niet vallen onder de verwijzing naar nationale sociale en arbeidswetgeving als bedoeld in artikel 12, lid 1.

2. De lidstaten actualiseren die informatie regelmatig en ten minste om de twee jaar; de EIOPA maakt die informatie beschikbaar op haar website.

Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van dit lid te garanderen, stelt de EIOPA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op inzake de procedures die de bevoegde autoriteiten moeten volgen en de formulieren en templates die zij moeten gebruiken bij het bijwerken van relevante informatie en het toezenden ervan aan de EIOPA. De EIOPA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de derde alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

ê 2003/41/EG (aangepast)

Artikel 21 ter

Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/9/EG van de Commissie[49] ingestelde Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen.

ò nieuw

Titel VI

SLOTBEPALINGEN

ê 2003/41/EG

Artikel 21 73

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 6, onder a)

Samenwerking tussen de lidstaten, de EIOPA en de Commissie

ê 2003/41/EG

1. De lidstaten dragen op passende wijze zorg voor de uniforme toepassing van deze richtlijn door een regelmatige uitwisseling van informatie en ervaringen, met het doel om de beste praktijken op dit gebied alsmede een nauwere samenwerking te ontwikkelen en op deze wijze mededingingsverstoringen te voorkomen en de voorwaarden te scheppen voor vlotte grensoverschrijdende deelneming.

2. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen met het doel om het toezicht op de activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te vergemakkelijken.

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 6, onder b)

2 bis3. De bevoegde autoriteiten werken voor de toepassing van deze richtlijn samen met de EIOPA, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1094/2010.

De bevoegde autoriteiten verstrekken de EIOPA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 1094/2010, overeenkomstig artikel 35 van die verordening.

ê 2010/78/EU artikel 4, lid 6, onder c)

34. Elke lidstaat brengt de Commissie en de EIOPA op de hoogte van eventuele belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn.

De Commissie, de EIOPA en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten onderzoeken deze moeilijkheden zo spoedig mogelijk teneinde een afdoende oplossing te vinden.

ò nieuw

Artikel 74

Verwerking van persoonsgegevens

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn voeren instellingen en bevoegde autoriteiten hun taken zoals bedoeld in deze richtlijn uit in overeenstemming met de nationale wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de EIOPA in het kader van deze richtlijn leeft de EIOPA de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001 na.

Artikel 75

Evaluatie en herziening

ê 2003/41/EG (aangepast)

ð nieuw

4. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn brengt ð gaat ï de Commissie ð over tot een evaluatie van deze richtlijn en de opstelling van een ï verslag uit over de evaluatie van: ð over de tenuitvoerlegging en de doeltreffendheid ervan; dat verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd. ï

            a) de toepassing van artikel 18 en de gemaakte vorderingen inzake de aanpassing van de nationale toezichtstelsels, en

            b) de toepassing van artikel 19, lid 2, tweede alinea, met name de in de lidstaten heersende situatie in verband met het gebruik van bewaarders en de rol die zij in voorkomend geval vervullen.

5. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vragen een besluit te nemen over de afscheiding van de activa en passiva van de instelling, zoals bepaald in artikel 16, lid 3, en artikel 18, lid 7.

ê 2009/138/EG artikel 303, lid 3 (aangepast)

Artikel 21 bis

Aanpassing van het bedrag van het garantiefonds

1. Het in euro luidende bedrag genoemd in artikel 17 quater, lid 2, wordt jaarlijks en voor de eerste maal op 31 oktober 2012 aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumentenprijzen dat alle lidstaten bestrijkt.

Het bedrag wordt automatisch aangepast door het basisbedrag in euro te verhogen met de procentuele wijziging van het indexcijfer gedurende de periode tussen 31 december 2009 en de actualiseringsdatum, en afgerond op een veelvoud van 100 000 EUR.

Indien deze wijziging sinds de laatste aanpassing minder dan 5 % bedraagt, blijft de actualisering achterwege.

2. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks in kennis van de actualisering, alsmede van de aangepaste bedragen, zoals vermeld in lid 1.

ê 2003/41/EG (aangepast)

Artikel 22

Uitvoering

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen voor 23 september 2005. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3. De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 17, leden 1 en 2, op op hun grondgebied gevestigde instellingen die op de in lid 1 van dit artikel genoemde datum niet beschikken over het minimumbedrag aan voorgeschreven eigen vermogen dat is voorgeschreven bij artikel 17, leden 1 en 2, uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die pensioenregelingen op grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen uitvoeren, is dat evenwel niet toegestaan, totdat ze aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

4. De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 18, lid 1, onder f), op op hun grondgebied gevestigde instellingen uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die pensioenregelingen op grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen uitvoeren, is dat evenwel niet toegestaan, tenzij ze onmiddellijk aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

ò nieuw

Artikel 76

Wijziging van Richtlijn 2009/138/EG

In Richtlijn 2009/138/EG wordt het volgende artikel 306 bis ingevoegd:

"Artikel 306 bis

Wanneer de lidstaten van herkomst op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn bepalingen als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn .…/../EU van het Europees Parlement en de Raad[50] toepassen, kunnen deze lidstaten van herkomst de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij met het oog op de naleving van de op 31 december 2015 geldende artikelen 1 tot en met 19, 27 tot en met 30, 32 tot en met 35 en 37 tot en met 67 van Richtlijn 2002/83/EG hebben aangenomen, blijven toepassen gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2022 verstrijkt.

Ingeval een lidstaat van herkomst deze wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen blijft toepassen, berekenen verzekeringsondernemingen in de betrokken lidstaat van herkomst hun sovabiliteitskapitaalvereiste als de som van het volgende:

(gg) een fictief solvabiliteitskapitaalvereiste met betrekking tot hun verzekeringsactiviteiten, berekend zonder de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn …./../EU;

(hh) de solvabiliteitsmarge met betrekking tot de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening, berekend overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het oog op de naleving van artikel 28 van Richtlijn 2002/83/EG zijn aangenomen.

Uiterlijk op 31 december 2017 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met betrekking tot de vraag of de in de eerste alinea vermelde termijn moet worden verlengd."

Artikel 77

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 24, lid 3, artikel 30 en artikel 54 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

4. Een overeenkomstig artikel 24, lid 3, artikel 30 en artikel 54 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van drie maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 78

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2016 aan artikel 6, onder c) en i) tot en met p), artikel 12, lid 4, tweede en derde alinea, artikel 12, lid 10, artikel 13, artikel 20, leden 6 en 8, de artikelen 21 tot en met 30, artikel 33, artikel 35, leden 1 en 2, artikel 35, leden 4 tot en met 7, de artikelen 36, 37 en 38, artikel 39, leden 1 en 3, de artikelen 40 tot en met 53, de artikelen 55, 56 en 57, artikel 58, lid 1, de artikelen 59, 60, 61 en 63, artikel 64, lid 1, onder b), c) en d), de artikelen 65 tot en met 71 van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van die verklaring worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 79

Intrekking

Richtlijn 2003/41/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor de omzetting in intern recht en de toepassing van de in bijlage I, deel B, genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken Richtlijn 2003/41/EG gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 80

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 1 tot en met 5, artikel 6, onder a), b), d) tot en met h) en j), de artikelen 7 tot en met 11, artikel 12, leden 1 tot en met 9, de artikelen 14 tot en met 19, artikel 20, leden 1 tot en met 5 en lid 7, de artikelen 31, 32 en 34, artikel 35, leden 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 3, artikel 58, lid 2, artikel 62, artikel 64, lid 1, onder a) en e), en artikel 64, lid 2, zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2017.

ê 2003/41/EG

Artikel 24 81

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement                        Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

5.           KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

5.1.        Benaming van het voorstel/initiatief

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV2) (herschikking).

5.2.        Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur[51]

Financiële diensten en kapitaalmarkten

5.3.        Aard van het voorstel/initiatief

Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie (herziening van Richtlijn 2003/41/EG).

5.4.        Doelstelling(en)

5.4.1.     De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie

Verhogen van de veiligheid en efficiëntie van de financiële markten; versterken van de interne markt voor financiële diensten.

5.4.2.     Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteiten

Specifieke doelstelling nr.

Betrokken ABM/ABB-activiteit(en)

Financiële diensten en kapitaalmarkten

Verbeteren van de governance en de transparantie van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van IBPV's.

5.4.3.     Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Met het voorstel tot wijziging van de IBPV-richtlijn van 2003 wordt beoogd gedetailleerde voorschriften vast te stellen voor het volgende: de governance van IBPV's, de toezichtbevoegdheden met betrekking tot IBPV's, de door IBPV's aan toezichthouders te verstrekken inlichtingen, de door IBPV's aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken informatie, beleggingen van IBPV's, bewaarders van IBPV's, grensoverschrijdende overdracht van IBPV's en grensoverschrijdende activiteiten van IBPV's.

5.4.4.     Resultaat- en effectindicatoren

De in afdeling 6 van het effectbeoordelingsverslag beschreven indicatoren omvatten geringere kosten voor werkgevers, een grotere geografische dekking van IBPV's, intensievere grensoverschrijdende activiteiten van IBPV's en minder faillissementen van IBPV's.

5.5.        Motivering van het voorstel/initiatief

5.5.1.     Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

5.5.2.     Toegevoegde waarde van de tussenkomst van de EU

1) Een lappendeken van regels kan tot hogere administratieve kosten en regelgevingsarbitrage leiden.

2) Zolang er op EU-niveau geen maatregelen worden genomen, zullen de grensoverschrijdende activiteiten van IBPV's waarschijnlijk op het huidige lage niveau blijven.

3) Een degelijk regelgevingskader voor IBPV's op EU-niveau kan de opkomst van IBPV's in de hand werken in lidstaten waar er momenteel nauwelijks bestaan; op die manier wordt bijgedragen tot een betere pensioenvoorziening en wordt voorzien in een bron van spaargeld voor het doen van langetermijninvesteringen.

4) Verwacht wordt dat betere voorschriften inzake governance en bewaarders het aantal faillissementen van IBPV's zal helpen verminderen.

5) Betere en geharmoniseerde transparantievoorschriften komen deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen ten goede en zorgen voor een grotere vergelijkbaarheid van IBPV's over de grenzen heen.

5.5.3.     Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

De IBPV-richtlijn van 2003, die al tien jaar van kracht is, vertoont grote lacunes, die ertoe hebben geleid dat van lidstaat tot lidstaat verschillende toezichtpraktijken zijn ontstaan wat de governance en de transparantie van IBPV's betreft. Deze verschillen ontmoedigen de grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers, ondermijnen de vergelijkbaarheid van IBPV's, en fungeren als een belemmering voor grensoverschrijdende overdrachten en dienstverlening door IBPV's.

5.5.4.     Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten

De herziening van de IBPV-richtlijn van 2003 is aangekondigd in het witboek van 16 februari 2012 "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" en vormt een totaalpakket samen met de andere initiatieven en maatregelen die in dat witboek worden geschetst met het oog op een betere pensioenvoorziening in de EU.

5.6.        Duur en financiële gevolgen

Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur

5.7.        Beheersvorm(en)[52]

Uit de begroting 2014

¨ Direct beheer door de Commissie

¨ via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie

¨ via de uitvoerende agentschappen

¨ Gedeeld beheer met de lidstaten

¨ Indirect beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan:

¨ derde landen of de door hen aangewezen organen;

¨ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

¨ de EIB en het Europees Investeringsfonds;

ü in de artikelen 208 en 209 van het Financieel Reglement genoemde organen;

¨ publiekrechtelijke organen;

¨ privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

¨ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Opmerkingen

De EIOPA is een regelgevend agentschap dat onder toezicht van de Commissie handelt.

6.           BEHEERSMAATREGELEN

6.1.        Regels inzake monitoring en verslaglegging

Conform reeds bestaande regelingen brengt de EIOPA periodiek verslag uit over haar werkzaamheden (met inbegrip van interne rapportage aan de hoogste leiding, rapportage aan de raad van bestuur en een zesmaandelijks activiteitenverslag aan de raad van toezicht, alsook de opstelling van het jaarverslag) en wordt zij onderworpen aan audits van de Rekenkamer en de Dienst Interne Audit wat het gebruik van haar middelen betreft. Bij de monitoring en verslaglegging in verband met de thans voorgestelde maatregelen zullen dezelfde, reeds geldende voorschriften in acht worden genomen.

6.2.        Beheers- en controlesysteem

6.2.1.     Mogelijk(e) risico('s)

Geen risico's geïdentificeerd.

6.2.2.     Informatie over de opzet van het interne controlesysteem

De beheers- en controlesystemen waarin de EIOPA-verordening voorziet, zijn reeds tot stand gebracht. De EIOPA werkt nauw samen met de Dienst Interne Audit van de Commissie om ervoor te zorgen dat op alle terreinen van de interne controle aan de toepasselijke normen wordt voldaan. Deze regelingen gelden ook ten aanzien van de rol van de EIOPA in het kader van het onderhavige voorstel. Er worden jaarlijkse internecontroleverslagen toegezonden aan de Commissie, het Parlement en de Raad.

6.2.3.     Raming van de kosten en baten van controles en beoordeling van het verwachte foutenrisico

Er worden geen extra kosten verwacht. Het risico van fouten wordt beperkt geacht.

6.3.        Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zonder enige beperking van toepassing op de EIOPA.

De EIOPA is toegetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en heeft passende regelingen getroffen die op alle werknemers van de EIOPA van toepassing zijn.

De EIOPA werkt momenteel aan een eigen fraudebestrijdingsstrategie en een daaruit voortvloeiend actieplan. Aan de strategie en het actieplan zal in 2014 uitvoering worden gegeven. De versterkte acties van de EIOPA op het gebied van fraudebestrijding zullen stroken met de regels en richtsnoeren van het Financieel Reglement (fraudebestrijdingsmaatregelen in het kader van een goed financieel beheer), het fraudepreventiebeleid van OLAF, alsook met de regelingen waarin is voorzien door de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (COM(2011) 376) en de Gemeenschappelijke Aanpak voor gedecentraliseerde EU-agentschappen (juli 2012) en de desbetreffende routekaart.

7.           GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

7.1.        Betrokken rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage

Aantal […] Rubriek 1a Slimme en inclusieve groei – Economische, sociale en territoriale cohesie………………………………………...……….] || GK/ NGK ([53]) || van EVA-landen[54] || van kandidaat-lidstaten[55] || van derde landen || in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Regle-ment

|| 12.0303 (begrotingsonderdeel 1a) Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen [EIOPA – Subsidiëring onder titels 1 en 2 (Administratieve en personeelsuitgaven)] || NGK || JA || NEE || NEE || NEE

Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen

7.2.        Geraamde gevolgen voor de uitgaven

Er zullen geen nieuwe middelen nodig zijn. De beleidsmiddelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit initiatief, zullen overeenkomstig de financiële programmering in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad "Programmering 2014-2020 van de personeels- en financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen" (COM(2013) 519 final) worden gedekt door herschikking van de bijdrage die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure aan de EIOPA is toegekend.

7.2.1.     Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Aantal || […][Rubriek……………...……………………………………………………………….]

DG: MARKT || || || Jaar 2015[56] || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

Beleidskredieten

12.0303 || Vastleggingen || (1) || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Betalingen || (2) || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten

Nummer begrotings-onderdeel || || (3) || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor DG MARKT || Vastleggingen || =1+1a +3 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Betalingen || =2+2 a +3 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget voor specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor RUBRIEK <….> van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || =4+6 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Betalingen || =4+6 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere rubrieken

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget voor specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (a) (6) || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarig financieel kader (Referentiebedrag) || Vastleggingen || =4+6 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Betalingen || =4+6 || 0,185 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 0,370 || 2,035

Rubriek van het meerjarige financiële kader || 5 || "Administratieve uitgaven"

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

|| || || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || Invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL

DG: <…….> ||

Ÿ Personele middelen || || || || || || || ||

Ÿ Andere uitgaven van administratieve aard || || || || || || || ||

TOTAAL DG <…….> || Kredieten || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten voor RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || || || || || || || ||

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

|| || || Jaar N[57] || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || Invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL

TOTAAL kredieten voor de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || || || || || || || ||

Betalingen || || || || || || || ||

7.2.2.     Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

De diverse taken voor de EIOPA die rechtstreeks uit het wetgevingsvoorstel voortvloeien, zijn: advies verlenen aan de Commissie over de opstelling van de gedelegeerde handelingen en met betrekking tot de evaluatie van de toepassing van de richtlijn in het kader van de voorbereiding van het evaluatieverslag van de Commissie. Voorts zal de EIOPA overeenkomstig artikel 17 van haar oprichtingsverordening (Verordening (EU) nr. 1094/2010) van het Europees Parlement en de Raad) de toepassing van de richtlijn moeten monitoren en actie moeten ondernemen om de correcte toepassing van de richtlijn te waarborgen, alsook om meningsverschillen tussen nationale toezichthouders over toepassingsaangelegenheden te schikken (artikel 19 van de EIOPA-verordening). De EIOPA kan zich met name verplicht zien meningsverschillen tussen toezichthouders van de lidstaat van herkomst en toezichthouders van de lidstaat van ontvangst op te lossen met betrekking tot de grensoverschrijdende overdracht van IBPV's. Overeenkomstig artikel 16 van de EIOPA-verordening kan zij ook richtsnoeren en aanbevelingen opstellen. Aangezien in het voorstel het accent wordt gelegd op governance- en rapportagekwesties, wordt voorts verwacht dat een deskundigengroep van nationale toezichthouders betreffende governance en rapportage in het leven zal moeten worden geroepen; deze groep zal worden gecoördineerd en beheerd door de EIOPA.

Voor de uitvoering van al deze taken zijn in totaal naar schatting 7 VTE-personeelsleden op jaarbasis vereist. Vier van deze personeelsleden zijn nodig voor de opstelling van het bovengenoemde advies aan de Commissie, een voor het beheer en de coördinatie van een nieuwe werkgroep betreffende governance en transparantie, en twee voor de monitoring van de tenuitvoerlegging van de richtlijn en de schikking van meningsverschillen tussen nationale autoriteiten. Al deze posten moeten personeelsformatieposten zijn, aangezien het moeilijk is arbeidscontractanten voor dergelijke gespecialiseerde functies in dienst te nemen en het steeds moeilijker wordt voor nationale autoriteiten om gedetacheerde nationale deskundigen te leveren.

7.2.3.     Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

7.2.3.1.  Samenvatting

ü  Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

7.2.3.2.  Geraamde personeelsbehoeften

ü  Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

Opmerkingen:

Er zijn geen extra personele en administratieve middelen binnen DG MARKT vereist als gevolg van het voorstel. De middelen die momenteel worden ingezet om Richtlijn 2003/41/EG te monitoren, worden gehandhaafd.

7.2.4.     Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader

ü  Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidige meerjarige financiële kader

¨ Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarige financiële kader

Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[58].

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

Opmerkingen:

In Commissiemededeling COM(2013) 519 van 10 juli 2013 "Programmering 2014-2020 van de personeels- en financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen" is de personeelsplanning voor gedecentraliseerde agentschappen (zoals onder meer de EIOPA) vastgelegd voor de periode die door het volgende meerjarige financiële kader wordt bestreken. Tot 2014 wordt de EIOPA in de mededeling aangemerkt als een "agentschap in de opstartfase". In afdeling 5.1.2 van de mededeling wordt gesteld dat het totale aantal posten van de EIOPA naar raming zal toenemen van 80 in 2013 tot 112 in 2020. Het compromis van de begrotingsautoriteit voor de EIOPA voorziet in 87 personeelsformatieposten in 2014. Verwacht wordt dat het onderhavige wetgevingsvoorstel in 2015 in werking zal treden en dat de 7 personeelsformatieposten waarin dit financieel memorandum voorziet, op verschillende tijdstippen in de loop van 2015 zullen worden ingevuld en zullen worden opgenomen in de extra posten die reeds voor de periode 2014-2017 zijn gepland.

7.2.5.     Bijdrage van derden aan de financiering

Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro's (tot op 3 decimalen)

|| 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal

Nationale bevoegde autoriteiten in de lidstaten || 0,277 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 3,049

TOTAAL medegefinancierde kredieten || 0,277 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 0,554 || 3,049

* Deze ramingen zijn gebaseerd op een gemiddelde kostprijs van een AD-ambtenaar van 132 000 EUR per jaar. Aangenomen wordt dat de 7 ambtenaren in kwestie op verschillende tijdstippen in de loop van 2015 in dienst zullen worden genomen, waardoor de totale kosten in dat jaar de helft zullen bedragen van de kosten over een volledig jaar van 7 voltijdse ambtenaren. De bedragen zijn gebaseerd op het huidige financieringsmechanisme in de EIOPA-verordening (lidstaten 60 % - Gemeenschap 40 %).

7.3.        Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

ü  Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

¨         voor de eigen middelen

¨         voor de diverse ontvangsten

miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Begrotingsonder-deel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[59]

(b) Jaar N || (c) Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || Invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel …………. || || || || || || || ||

Voor de diverse ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten.

Voorgestelde personeelsformatie

Functiegroep en rang || Tijdelijke posten

AD16 ||

AD15 ||

AD14 ||

AD13 ||

AD12 ||

AD11 ||

AD10 || 1

AD9 || 1

AD8 || 1

AD7 || 2

AD6 || 1

AD5 || 1

||

Totaal AD || 7

[1]               PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10.

[2]               Regelingen waarbij het niveau van de bijdragen en niet dat van de uiteindelijke uitkering van tevoren is vastgesteld. Individuele deelnemers dragen het beleggings- en het langlevenrisico en nemen vaak besluiten met betrekking tot de wijze waarop deze risico's kunnen worden beperkt.

[3]               Zie bijvoorbeeld de antwoorden op vraag 5 in het groenboek van de Commissie over pensioenen (http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=700&langId=en&consultId=3&visib=0&furtherConsult=yes); Hewitt Associates (2010), "Feasibility Study for Creating an EU Pension Fund for Researchers Prepared for the European Commission Research Directorate-General"; Centre for European Economic Research, Expert Survey on the future of DC pension plans in Europe, 2009, blz. 128.

[4]               Sinds 2010 werkt de Commissie samen met vertegenwoordigers van werkgevers van onderzoekers aan de oprichting van een meerdere landen en meerdere werkgevers bestrijkende IBPV. Doel van het pan-Europese pensioenfonds voor onderzoekers is te zorgen voor toereikende en betaalbare bedrijfspensioenen voor mobiele en niet-mobiele onderzoekers in de EER.

[5]               Zie bijvoorbeeld de vraag van het Europees Parlement aan de Commissie (E-002485-13) van 4 maart 2013 betreffende het voornemen om in Nederland een grensoverschrijdende IBPV te vestigen voor deelnemers en pensioengerechtigden uit Oostenrijk.

[6]               Voorbeelden zijn onder meer SEPCAV (Société d’épargne-pension à capital variable) en ASSEP (Association d’épargne-pension) in Luxemburg, OFP (organisme voor de financiering van pensioenen) in België, en PPI (premiepensioeninstelling) in Nederland.

[7]               Zo heeft De Nederlandsche Bank (DNB) bekendgemaakt dat door onvoldoende herstel sinds het uitbreken van de crisis 68 IBPV's in april 2013 een korting op de opgebouwde pensioenrechten hebben moeten doorvoeren; dit heeft 300 000 mensen geraakt (DNB, 2013, Vijf jaar pensioensector: kortingen en indexatie in perspectief). In het Verenigd Koninkrijk kunnen omvallende IBPV's door het Pension Protection Fund worden overgenomen, maar in dat geval worden de pensioenrechten met 10 % gekort.

[8]               COM(2012) 55 final van 16.2.2012.

[9]               COM(2013) 150 final van 25.3.2013.

[10]             EIOPA, "Report on QIS on IORPs" van 4.7.2013.

[11]             COM(2010) 2020 final van 3.3.2010.

[12]             PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

[13]             Richtlijn inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (Alternative Investment Fund Managers Directive, PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

[14]             Richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (Markets in Financial Instruments Directive).

[15]             COM(2010) 301 final van 2.6.2010.

[16]             COM(2010) 365 final van 7.7.2010.

[17]             Voor de samenvatting van de reacties op de raadpleging, zie: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=333&langId=en.

[18]             EIOPA-CP-11/001 van 8.7.2011.

[19]             De reacties op het overleg over het EIOPA-advies zijn te vinden via https://eiopa.europa.eu/consultations/consultation-papers/2011-closed-consultations.

[20]             PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120.

[21]             PB L 145 van 31.5.2013, blz. 1.

[22]             De instelling en de bijdragende onderneming zijn bijvoorbeeld in lidstaat A gevestigd, terwijl op de pensioenregeling de sociale en arbeidswetgeving van lidstaat B van toepassing is.

[23]             De lidstaat van herkomst vóór de overdracht wordt de lidstaat van ontvangst na de overdracht.

[24]             Initiatief 17 luidt als volgt: "De Commissie zal de ontwikkeling van pensioentraceerdiensten bevorderen om de mensen in staat te stellen hun in verschillende banen verworven pensioenaanspraken bij te houden. Zij zal in de context van de herziening van de IORP-richtlijn en het voorstel voor een meeneembaarheidsrichtlijn bekijken hoe de verstrekking van de vereiste informatie voor pensioentracering kan worden geregeld en zij zal een proefproject inzake grensoverschrijdende tracering ondersteunen."

[25]             OECD Roadmap for the good design of defined contribution pension plans, juni 2012.

[26]             Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).

[27]             Zie bijlage I, deel A.

[28]             PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23.

[29]             Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

[30]             Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

[31]             Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

[32]             PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

[33]             Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 1).

[34]             Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

[35]             Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 410/2002 van de Commissie (PB L 62 van 5.3.2002, blz. 17).

[36]             Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).

[37]             Eerste Richtlijn van de Raad 73/239/EEG van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3.).

[38]             Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3.).

[39]             Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27.).

[40]             Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.).

[41]             Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1.).

[42]             Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

[43]             Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

[44]             Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

[45]             Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

[46]             PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

[47]             Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

[48]             Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

[49]             PB L 3 van 7.1.2004, blz. 34.

[50]             PB

[51]             ABM: activity-based management – ABB: activity-based budgeting.

[52]             Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html

[53]             GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.

[54]             EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.

[55]             Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan.

[56]             Deze ramingen zijn gebaseerd op een gemiddelde kostprijs van een AD-ambtenaar van 132 000 EUR per jaar. Aangenomen wordt dat de 7 ambtenaren in kwestie op verschillende tijdstippen in de loop van 2015 in dienst zullen worden genomen, waardoor de totale kosten in dat jaar de helft zullen bedragen van de kosten over een volledig jaar van 7 voltijdse ambtenaren. De bedragen zijn gebaseerd op het huidige financieringsmechanisme in de EIOPA-verordening (lidstaten 60 % - Gemeenschap 40 %).

[57]             Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het voorstel/initiatief wordt begonnen.

[58]             Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord (voor de periode 2007-2013).

[59]             Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25% aan inningskosten.

BIJLAGE I

Deel A

Ingetrokken richtlijn met lijst van de achtereenvolgende wijzigingen ervan (bedoeld in artikel 79)

Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 235 van 23.9.2003, blz.10) || ||

|| Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1) Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120), Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 174 van 1.7.2011, blz.1), Richtlijn 2013/14/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2013, blz. 1), || Alleen artikel 303 Alleen artikel 4 Alleen artikel 62 Alleen artikel 1

Deel B

Lijst van de termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing (bedoeld in artikel 79)

Richtlijn || Omzettingstermijn || Toepassingsdatum

2003/41/EG 2009/138/EG 2010/78/EU 2011/61/EU 2013/14/EU || 23.09.2005 31.03.2015 31.12.2011 22.07.2013 21.12.2014 || 23.09.2005 01.01.2016 31.12.2011 22.07.2013 21.12.2014

_____________

BIJLAGE II

Richtlijn 2003/41/EG || Deze richtlijn

Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6, onder a) en b) Artikel 6, onder c) Artikel 6, onder d) tot en met h) Artikel 6, onder i) Artikel 6, onder j) Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9, lid 1, onder a) Artikel 9, lid 1, onder b) en c) Artikel 9, lid 1, onder d) Artikel 9, lid 1, onder e) Artikel 9, lid 2 Artikel 9, lid 3 Artikel 9, lid 5 Artikel 20, leden 1 tot en met 9 Artikel 20, lid 10 Artikel 15, leden 1 tot en met 5 Artikel 15, lid 6 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 17 bis, leden 1 tot en met 4 Artikel 17 bis, lid 5 Artikel 17 ter Artikel 17 quater Artikel 17 quinquies Artikel 18, lid 1 Artikel 18, lid 1 bis Artikel 18, leden 2 tot en met 4 Artikel 18, lid 5, eerste alinea Artikel 18, lid 5, tweede en derde alinea Artikel 18, lid 6 Artikel 18, lid 7 Artikel 10 Artikel 12 Artikel 9, lid 4 Artikel 19, lid 1 Artikel 19, lid 2, eerste alinea Artikel 19, lid 2, tweede alinea Artikel 19, lid 3 Artikel 11, lid 1 Artikel 9, lid 1, onder f) Artikel 11, lid 2, onder a) Artikel 11, lid 2, onder b) Artikel 11, lid 3 Artikel 11, lid 4, onder a) en b) Artikel 11, lid 4, onder c) en d) Artikel 14, lid 1 Artikel 14, lid 2, eerste alinea Artikel 14, lid 4, tweede alinea Artikel 14, lid 2, tweede alinea Artikel 14, lid 3 Artikel 14, lid 4, eerste alinea Artikel 14, lid 5 Artikel 13, lid 1, onder a) Artikel 13, lid 1, onder b) tot en met d) Artikel 13, lid 2 Artikel 20, lid 11, eerste alinea Artikel 20, lid 11, tweede alinea Artikel 20, lid 11, derde en vierde alinea Artikel 21, leden 1 en 2 Artikel 21, lid 2 bis Artikel 21, lid 3 Artikel 21 bis Artikel 21 ter Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 || Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6, onder a) en b) Artikel 6, onder c) Artikel 6, onder d) tot en met h) Artikel 6, onder i) Artikel 6, onder j) tot en met p) Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11, lid 1 Artikel 11, lid 2 Artikel 12, leden 1 tot en met 8 Artikel 12, lid 9 Artikel 12, lid 10 Artikel 13 Artikel 14, leden 1 tot en met 5 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17, leden 1 tot en met 4 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20, lid 1 Artikel 20, lid 2 Artikel 20, leden 3 tot en met 5 Artikel 20, lid 6, eerste alinea Artikel 20, lid 6, tweede alinea Artikel 20, lid 7 Artikel 20, lid 8 Artikel 21 Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24 Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27 Artikel 28 Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 32 Artikel 33, lid 1 Artikel 33, leden 2 tot en met 7 Artikel 34 Artikel 35, leden 1 en 2 Artikel 35, lid 3 Artikel 35, lid 4 Artikel 35, leden 5 tot en met 8 Artikel 36 Artikel 37 Artikel 38, lid 1 Artikel 38, lid 2 Artikel 39, lid 1 Artikel 39, lid 2 Artikel 39, lid 3 Artikel 39, lid 4 Artikel 40 Artikel 41 Artikel 42 Artikel 43 Artikel 44 Artikel 45 Artikel 46 Artikel 47 Artikel 48 Artikel 49 Artikel 50 Artikel 51 Artikel 52 Artikel 53 Artikel 54 Artikel 55 Artikel 56 Artikel 57 Artikel 58, lid 1 Artikel 58, lid 2, onder a) en b) Artikel 59 Artikel 60 Artikel 61 Artikel 62, lid 1 Artikel 62, lid 2 Artikel 62, lid 3 Artikel 62, lid 4 Artikel 62, lid 5 Artikel 62, lid 6 Artikel 62, lid 7 Artikel 63 Artikel 64, lid 1, onder a) Artikel 64, lid 1, onder b) tot en met f) Artikel 64, lid 2 Artikel 65 Artikel 66 Artikel 67 Artikel 68 Artikel 69 Artikel 70 Artikel 71 Artikel 72, lid 1 Artikel 72, lid 2 Artikel 73, leden 1 en 2 Artikel 73, lid 3 Artikel 73, lid 4 Artikel 74 Artikel 75 Artikel 76 Artikel 77 Artikel 78 Artikel 79 Artikel 80 Artikel 81

_____________

Top