This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014DC0120
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL AND THE EUROPEAN PARLIAMENT Member States' Replies to the Court of Auditors' 2012 Annual Report
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT Antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT Antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012
/* COM/2014/0120 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT Antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012 /* COM/2014/0120 final */
INHOUDSOPGAVE Antwoorden
van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012. 3 Samenvatting. 3 Antwoorden
van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012. 5 1. Reikwijdte
van het verslag. 5 2. Hoofdpunten
van het jaarverslag 2012 van de Europese Rekenkamer. 5 3. Samenvatting
van de antwoorden van de lidstaten. 7 3.1 Prestaties
– resultaten behalen met de EU-begroting. 7 3.2 Fouten
inzake subsidiabiliteit en juistheid. 9 3.3 De
controles en systemen verbeteren. 11 4. Conclusie. 15
VERSLAG VAN DE COMMISSIE Antwoorden van de lidstaten op het
jaarverslag van de Rekenkamer over 2012 Samenvatting Dit verslag, waarmee aan de verplichtingen van
artikel 162, lid 5, van het Financieel Reglement wordt voldaan, bevat een
analyse van de antwoorden van de lidstaten op het jaarverslag van de Europese
Rekenkamer ("de Rekenkamer") over het begrotingsjaar 2012. Uit de controle door de Rekenkamer is naar voren
gekomen dat de geconsolideerde jaarrekening 2012 een getrouw beeld geeft van de
financiële positie van de Unie en geen materiële fouten bevat. Wat de verrichte
betalingen betreft, was de conclusie van de Rekenkamer echter dat zij materiële
fouten bevatten en dat de onderzochte controlesystemen gedeeltelijk
doeltreffend waren voor alle uitgavengebieden, met uitzondering van de
administratieve uitgaven, die geen fouten vertoonden. Voor de begroting in haar
totaliteit, was het meest waarschijnlijke foutenpercentage gestegen van 3,9% in
2011 tot 4,8% in 2012. De Rekenkamer constateerde dat een significant deel van
het geraamde totale foutenpercentage bestond uit fouten inzake de
subsidiabiliteit. Tot slot onderstreepte de Rekenkamer dat de uitgaven onder
gedeeld beheer, die 80% van de EU-uitgaven uitmaken, een wezenlijk aandeel
hadden in de geraamde totale foutenpercentages en dat heel wat geconstateerde
fouten door betere eerstelijnscontroles op het niveau van de lidstaten ontdekt
hadden kunnen worden. In dit verslag worden de antwoorden geanalyseerd
die de lidstaten hebben verstrekt voor drie grote thema's – (1) Prestaties –
Resultaten behalen met de EU-begroting, (2) Fouten inzake subsidiabiliteit en
juistheid en (3) Verbetering van controles en systemen. Wat de prestaties betreft, heeft de Rekenkamer
kritiek geuit op het bestaande kader voor prestatiemeting en -rapportering. Aan
de lidstaten was daarom gevraagd te antwoorden op vragen over de meting,
evaluatie en rapportering van prestaties voor meegefinancierde programma's.
Drieëntwintig lidstaten hebben meegedeeld dat zij gebruikmaken van
SMART-doelstellingen en RACER-indicatoren. Tevens hebben de lidstaten diverse
aspecten van de nationale processen waarmee zij prestaties meten, meer in
detail toegelicht. Als de positieve kijk van de lidstaten wordt bewaarheid, dan
zou de Commissie haar meting en rapportering van de algemene prestaties op
basis van gegevens van de lidstaten moeten kunnen verbeteren. Op het gebied van de verrichte betalingen
constateerde de Rekenkamer terugkerende fouten met financiële gevolgen
betreffende niet-subsidiabele btw in kostendeclaraties. In de landbouwsector
werden significante tekortkomingen geconstateerd in drie gecontroleerde
perceelidentificatiesystemen (LPIS), die resulteerden in fouten inzake
subsidiabiliteit en juistheid. Alle betrokken lidstaten deelden mee dat zij
maatregelen hadden getroffen om de fouten inzake de btw te rectificeren en de
LPIS-databases bij te werken en te verbeteren. De Rekenkamer wees op de
gunstige invloed van vereenvoudigde kostenopties bij de werkgelegenheids- en
cohesiemaatregelen, en een meerderheid van de lidstaten was het daarmee eens.
Dit is uiterst belangrijk omdat het gebruik van vereenvoudigde kostenopties een
cruciale factor zou kunnen zijn in het voorkomen van fouten bij programma's in
het nieuwe MFK. Bij gedeeld beheer past de Commissie zoveel
mogelijk het single audit-beginsel toe, wat betekent dat zij zich bij bewezen
betrouwbaarheid en gesteld dat de beheers- en controlesystemen volledig
doeltreffend zijn, kan verlaten op de audits en controles van de nationale
auditautoriteiten. De Rekenkamer heeft in haar verslag gewezen op het risico
dat door de auditautoriteiten verstrekte informatie vaak onbetrouwbaar bleek te
zijn. Tien lidstaten hebben geantwoord geen plannen te hebben om verbeteringen
aan te brengen omdat zij hun auditautoriteiten betrouwbaar achten. Alle
lidstaten spraken in het algemeen hun tevredenheid uit over de verstrekte
raadgevingen voor de behandeling van fouten en over de seminars die de
Commissie in 2012 en 2013 organiseerde. Een meerderheid van de lidstaten gaf
aan effectieve en proportionele maatregelen tegen fraude te willen treffen. De
Commissie erkent weliswaar de voordelen van de single audit, maar is
verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van de gegevens die de lidstaten
meedelen en daarom onderwerpt zij de systemen van de nationale
auditautoriteiten en de nationale instanties die voor de uitvoering van
EU-programma's verantwoordelijk zijn, aan evaluatie en audits. VERSLAG VAN DE COMMISSIE Antwoorden
van de lidstaten op het jaarverslag van de Rekenkamer over 2012 1. Reikwijdte
van het verslag Artikel 162, lid 5, van het Financieel Reglement
bepaalt dat, zodra de Rekenkamer haar jaarverslag heeft toegezonden, de
Commissie de betrokken lidstaten onmiddellijk de passages van het verslag moet
doen toekomen betreffende het beheer van de middelen waarvoor zij op grond van
de toepasselijke regelgeving een bevoegdheid uitoefenen. De lidstaten dienen de
Commissie binnen zestig dagen te antwoorden, waarna de Commissie aan de
Rekenkamer, het Europees Parlement en de Raad vóór 28 februari van het erop
volgende jaar een samenvatting van de antwoorden doet toekomen. Na de publicatie van het jaarverslag van de
Rekenkamer over het begrotingsjaar 2012 heeft de Commissie de lidstaten
uitvoerig over het jaarverslag geïnformeerd. Zij deed dit bij middel van een
brief en drie, door alle lidstaten in te vullen, bijlagen. Bijlage I was een
vragenlijst over de paragrafen in het jaarverslag die betrekking hadden op de
individuele lidstaten; bijlage II bevatte een vragenlijst over de
controlebevindingen die betrekking hadden op de individuele lidstaat en bijlage
III bevatte een vragenlijst over algemene bevindingen betreffende gedeeld
beheer voor de betrouwbaarheidsverklaring 2012. Dit verslag bevat een analyse van de antwoorden
die de lidstaten hebben verstrekt volgens drie grote thema's – (1) Prestaties –
Resultaten behalen met de EU-begroting, (2) Fouten inzake subsidiabiliteit en
juistheid en (3) Verbetering van controles en systemen, en gaat vergezeld van
een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin de antwoorden van de
lidstaten op de bijlagen I en III zijn vervat. 2. Hoofdpunten van het jaarverslag 2012 van
de Europese Rekenkamer Uit de controle door de Rekenkamer is naar voren
gekomen dat de geconsolideerde jaarrekening 2012 een getrouw beeld geeft van de
financiële positie van de Unie en geen materiële fouten bevat. Ook de
vastleggingen op alle uitgavengebieden waren vrij van materiële fouten. Wat de
verrichte betalingen betreft, was de conclusie van de Rekenkamer echter dat zij
materiële fouten bevatten en dat de onderzochte controlesystemen over het algemeen
gedeeltelijk doeltreffend waren. De Rekenkamer concludeerde tevens dat het
meest waarschijnlijke foutenpercentage voor alle beleidsterreinen in 2012 was
gestegen. Bijgevolg is het percentage voor de begroting als geheel eveneens
gestegen, van 3,9% in 2011 tot 4,8% in 2012.De meest foutgevoelige
uitgavengebieden waren plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid
(hoofdstuk 4) met 7,9%, en regionaal beleid, energie en vervoer (hoofdstuk 5)
met 6,8%. Wat de typologie van de in 2012 door de Rekenkamer
ontdekte fouten betreft, hadden fouten in verband met de subsidiabiliteit een
wezenlijk aandeel in het geraamde totale percentage, gevolgd door fouten bij
aanbestedingen. De onderstaande grafiek toont de aandelen van de verschillende
soorten fouten in het geraamde totale foutenpercentage.[1] De Rekenkamer benadrukte eveneens dat de uitgaven
onder gedeeld beheer in hun geheel genomen een significant deel uitmaakten van
de geraamde totale foutenpercentages. (zie grafiek 1.3 hierna).[2] Tot slot merkte de Rekenkamer op, dat voor een
groot deel van de verrichtingen die aan fouten onderhevig waren bij gedeeld
beheer, de autoriteiten van de lidstaten over voldoende informatie beschikten
om die fouten te kunnen opsporen en corrigeren.[3] 3. Samenvatting van de antwoorden
van de lidstaten 3.1 Prestaties
– resultaten behalen met de eu-begroting De Rekenkamer rapporteert sinds 2010 specifiek
over prestatie-aangelegenheden. In haar jaarverslag over 2012 heeft zij een
aantal grote thema's en lessen belicht die uit haar speciale verslagen van 2012
kunnen worden getrokken. Volgens de Rekenkamer worden "prestaties
beoordeeld aan de hand van de beginselen van goed financieel beheer
(zuinigheid, efficiëntie, doeltreffendheid). De meting ervan is van
essentieel belang voor het hele proces van overheidsoptreden, gaande van de
input, de output en de resultaten tot de impact."[4] Zij gaf echter ook aan dat "het wetgevende kader voor veel
terreinen van de EU-begroting complex is en er een gebrek aan
prestatiegerichtheid is."[5] Inzake de resultaten van de doelmatigheidscontrole
lichtte de Rekenkamer in haar jaarverslag toe dat zij zich had "gericht
op drie onderwerpen die van belang zijn om de gewenste resultaten en impact van
de volgende generatie uitgavenprogramma’s te verwezenlijken"[6]: ten eerste, Smart geformuleerde doelstellingen en voor programma's
geschikte indicatoren; ten tweede, betrouwbare en tijdig beschikbare gegevens
over de prestaties van programma's en, tot slot, de duurzaamheid van door de EU
gefinancierde projecten. Dezelfde thema's komen ook aan bod in de speciale
verslagen van de Rekenkamer. Bijvoorbeeld in haar speciaal verslag over de
integratie van onderdanen uit derde landen "concludeerde de Rekenkamer
dat, hoewel de Commissie uitgebreide richtsnoeren voor indicatoren verstrekte,
vier van de vijf lidstaten significante gebreken vertoonden ten aanzien van het
opnemen van Smart-doelstellingen in programma’s, het opzetten van deugdelijke
geautomatiseerde verzamelsystemen en/of de verslaglegging over de verwezenlijking
van doelen. Dit deed dan ook afbreuk aan het vermogen van de lidstaten
om de programma’s te monitoren en aan te sturen.[7] De vragenlijst (bijlage III) voor de lidstaten
bevatte een aantal vragen over het meten, evalueren en rapporteren van
prestaties. De lidstaten konden eveneens hun nationale systemen voor het meten
van de prestaties in het kader van meegefinancierde programma's toelichten. Op de vraag betreffende de doelstellingen en
indicatoren die voor het meten van de prestaties worden gebruikt, antwoordden 23
lidstaten dat zij Smart-doelstellingen en RACER-indicatoren gebruiken (zie
grafiek hierna). 23 van de 27 lidstaten-respondenten deelden tevens
mee dat zij de doelstellingen en indicatoren die voor meegefinancierde
programma's worden vastgesteld, met hun gesprekspartners bij de Europese
Commissie bespreken. De lidstaten verstrekten in hun antwoorden nadere
toelichting bij diverse aspecten van hun prestatiemetingsprocessen voor
meegefinancierde programma's. Het ging daarbij in hoofdzaak om vier elementen:
een algemeen overzicht van het proces, monitoring, evaluatie en rapportering
van prestaties. Door de lidstaten zijn het proces en de bevoegde
instanties in het algemeen voorgesteld en beschreven. Daarnaast is in de
antwoorden een beschrijving gegeven van de monitoring, de evaluatie en de
rapportering van indicatoren, gewoonlijk in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen.
De gehele procedure wordt meestal gecoördineerd door de beheersautoriteiten of
de comités van toezicht. In sommige gevallen echter, worden de evaluatie en de
rapportering niet systematisch door de beheersautoriteiten verricht. Zoals
respectievelijk door Estland en Hongarije wordt meegedeeld, "worden
evaluaties gewoonlijk door externe deskundigen verricht"[8] en "worden evaluatieprojecten uitbesteed, gewoonlijk voor een
half jaar tot een jaar."[9] De lidstaten hebben eveneens beschrijvingen
gegeven van de voor monitoring gebruikte indicatoren. Oostenrijk, Cyprus,
Tsjechië en Polen meten de prestaties op basis van indicatoren die in de operationele
programma's (OP's) zijn vermeld.[10] Bulgarije, Cyprus en Tsjechië gebruiken naast die indicatoren ook op
projectniveau vastgestelde indicatoren.[11] Bulgarije, Tsjechië en Slowakije lichtten verder toe dat zij de
prestaties hebben gemeten aan de hand van start- en streefwaarden, terwijl
Cyprus en Griekenland hebben meegedeeld gebruik te maken van economische,
output- en resultaatindicatoren.[12] Denemarken maakt, behalve van indicatoren op het niveau van de OP's of
individuele projecten, ook gebruik van ondersteunende informatie uit
statistische bronnen, zoals gegevens van het Deens Bureau voor de Statistiek.[13] Voor het meten en evalueren van de indicatoren
maken de lidstaten gebruik van verschillende methoden. Zes lidstaten gaven te
kennen dat de indicatoren continu worden gemonitord of via een proces van
doorlopende evaluatie. Bulgarije en Tsjechië zetten, op basis van de start- en
streefwaarden, de vooropgestelde en de effectief bereikte resultaten tegen
elkaar af.[14] Tot slot worden voor het meten van de resultaten ook evaluatiestudies,
enquêtes en doorlichtingen gebruikt, zoals bijvoorbeeld Hongarije, Polen en
Roemenië aangeven.[15] Op het vlak van de rapportering concentreerden de
lidstaten zich op de vormelijke en tijdsaspecten van de procedures. De
rapportering geschiedt meestal op jaarbasis via de jaarlijkse
uitvoeringsverslagen. Malta en Polen stellen ook halfjaarlijkse verslagen op,
en Tsjechië deelde mee dat "over de outputs regelmatig wordt
gerapporteerd in het maandelijks monitoringverslag".[16] Ook worden verslagen op internet bekendgemaakt en via specifieke
netwerken meegedeeld aan doelgroepen, bijvoorbeeld in Hongarije, Spanje en
Portugal, en/of besproken tijdens openbare hoorzittingen, bijvoorbeeld in
Slovenië.[17] Bulgarije deelde daarnaast mee dat het een elektronisch systeem,
SIBILA genaamd, heeft ontwikkeld "om de impact van de middelen uit de
Structuurfondsen en het Cohesiefonds op de Bulgaarse economie te ramen."[18] Oostenrijk heeft het belang van de
prestatiegerichtheid onderstreept met de vermelding dat "om te
garanderen dat de richtlijnen en verordeningen werkzaam zijn, de
toezichtarchitectuur constant verder moet worden ontwikkeld. Daarom
voert de Europese Rekenkamer doelmatigheidscontroles uit (zie hoofdstuk 10 van
haar jaarverslag over het begrotingsjaar 2012), wat de Oostenrijkse Rekenkamer
toejuicht en waar zij intensiever gebruik van zal maken."[19] Naar analogie daarvan heeft Denemarken opgemerkt dat "groot
belang eveneens wordt gehecht aan het JV-hoofdstuk "Resultaten behalen met
de EU-begroting". Dit hoofdstuk bevestigt dat er onverminderd
behoefte blijft aan het uitbouwen van een robuust systeem voor
resultaatgerichte verslaggeving en impactmeting."[20] Over het algemeen waren de reacties van de
lidstaten op de desbetreffende vragen zeer positief. De opgave bestaat er voor
de Commissie in haar algemeen kader voor het meten van prestaties en het
rapporteren daarover op basis van gegevens van de lidstaten te blijven
verbeteren. 3.2 Fouten inzake subsidiabiliteit en juistheid Zoals eerder aangegeven, bestond voor alle
beleidsgroepen bijeengenomen het geraamde foutenpercentage in de begroting als
geheel voor een significant gedeelte - ruim twee derden - uit fouten in verband
met de subsidiabiliteit.[21] De Rekenkamer heeft in hoofdstukken 3 en 4[22]
van haar jaarverslag voorbeelden gegeven van dergelijke fouten in de
verschillende lidstaten. In hoofdstuk 3 werden fouten inzake subsidiabiliteit
en juistheid in het kader van het LPIS gesignaleerd. In hoofdstuk 4 bracht de
Rekenkamer gevallen van niet- nakoming van de subsidiabiliteitsvereisten voor
een investeringsprojecten onder de aandacht. De Rekenkamer heeft tevens terugkerende
subsidiabiliteitsfouten met financiële gevolgen betreffende niet-subsidiabele
btw aangetroffen in Frankrijk, Spanje, Italië, Polen, Portugal en Roemenië. Er
werd bij alle betrokken lidstaten nagevraagd of de betaalorganen vertrouwd
waren met de toepasselijke wetgeving inzake terugbetaling van de btw, en alle
lidstaten antwoordden bevestigend. In hoofdstuk 3 van het verslag constateerde de
Rekenkamer aanzienlijke tekortkomingen in drie gecontroleerde LPIS[23], met fouten inzake subsidiabiliteit en juistheid tot gevolg. De vier
in het verslag vermelde lidstaten met onjuiste gegevens in het LPIS[24] (Spanje, Oostenrijk, Portugal en het Verenigd Koninkrijk
(Noord-Ierland)) hebben te kennen gegeven dat maatregelen zijn getroffen om de
respectieve LPIS-gegevensbestanden bij te werken en te verbeteren. Volgens
Oostenrijk: "wordt het Oostenrijkse LPIS naar behoren
en regelmatig bijgewerkt. Sinds 2009 en vooral na 2012 zijn grote inspanningen
geleverd op het vlak van de kwaliteit van luchtfotografie."[25] De autoriteiten hebben tevens meegedeeld dat
"de verstrekking van beelden vanaf 2013 wordt gereorganiseerd",
waardoor de fotografie regelmatiger en nauwkeuriger zou moeten worden.[26] Spanje heeft uitvoerig toegelicht hoe de
geconstateerde tekortkomingen worden verholpen: "In reactie op het verzoek van de
Commissie om corrigerende maatregelen te nemen, hebben wij in 2010 een
actieplan opgesteld, waarin de noodzakelijk geachte maatregelen en een concreet
tijdschema voor de uitvoering ervan zijn opgenomen. Deze maatregelen worden toegepast vertrekkende
van een goed geconsolideerd en functionerend, transparant en kwalitatief
hoogstaand LPIS-perceelidentificatiesysteem, dat de vrucht is van volgehouden,
intensieve investeringen; Het resultaat van deze maatregelen zal dus een
kwalitatieve verbetering van het bestaande systeem zijn." Ten aanzien van de
situatie in Portugal hebben de autoriteiten verklaard dat "de voltooiing
van het LPIS-actieplan in januari 2013 zeker zal bijdragen tot het matigen van
de impact van de vermelde gevallen."[27] In het bijzonder met
betrekking tot Noord-Ierland heeft het Verenigd Koninkrijk verklaard: "de
Noord-Ierse autoriteiten zijn van mening dat de lopende werkzaamheden in het
kader van het LPIS Improvement Project het risico voor het Fonds hebben
verkleind."[28] Een ander gebied waar de Rekenkamer ernstige
gevallen van niet-inachtneming van de subsidiabiliteitsvereisten heeft
aangetroffen, is dat van de investeringsprojecten voor plattelandsontwikkeling.
Aan de betrokken lidstaten werd gevraagd een oordeel te geven over de
subsidiabiliteitsvereisten voor investeringsprojecten; een meerderheid vond
deze te complex. Door de meeste respondenten werd opgemerkt dat desondanks
alles in het werk werd gesteld om een correcte toepassing te garanderen. Polen
bijvoorbeeld, verklaarde: "de subsidiabiliteitsvereisten voor
investeringsprojecten zijn betrekkelijk ingewikkeld, wat de controle
bemoeilijkt. Polen doet er evenwel alles aan om zo volledig mogelijk, met
gebruikmaking van alle beschikbare instrumenten, te controleren."[29] Litouwen deelde mee dat in zijn geval "een
gecorrigeerd betalingsverzoek was ingediend betreffende de terugstorting aan
het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) van
onrechtmatig gebruikte middelen uit het fonds."[30] Ook Spanje voerde aan dat het de nodige correcties
had doorgevoerd en dat "de in het controleerde dossier aangetroffen
tekortkomingen geen gevolgen hebben voor andere dossiers, en de fout bijgevolg
geen systemisch karakter heeft."[31] Italië verklaarde insgelijks dat het voor wat zijn
dossier betreft aanvullende informatie ter rechtvaardiging had verstrekt en dat
"de betaalorganen de toepasselijke EU-regels strikt toepassen."[32] De positieve reacties van de lidstaten wat betreft
hun maatregelen en intenties worden door de diensten van de Commissie
gemonitord om te verzekeren dat zij de risico's die door de Rekenkamer zijn
gesignaleerd, effectief verkleinen. 3.3 De controles en systemen verbeteren In haar jaarverslag 2012 benadrukt de Rekenkamer
het positieve effect van de vereenvoudigde kostenopties (SCO's). De Rekenkamer
had eerder, in 2006, de Commissie aanbevolen om in de plaats van de
"werkelijke kosten" te vergoeden, meer gebruik te maken van vaste
bedragen en forfaitaire percentages. In de steekproef van verrichtingen voor de
controle-exercitie 2012 trof de Rekenkamer wat hoofdstuk 6 betreft geen
kwantificeerbare of niet-kwantificeerbare fouten aan die verband hielden met
het specifieke gebruik van SCO's. De conclusie luidde dan ook dat projecten
waarvan de kosten op die basis waren gedeclareerd, minder foutgevoelig waren en
dat het grootschaligere gebruik van SCO's een positieve effect op het
foutenpercentage zou hebben. Aan de lidstaten werd de vraag gesteld of zij het
eens waren met de bovenstaande opvatting van de Rekenkamer. Alle lidstaten
hebben bevestigend geantwoord. Tevens werd gevraagd
of er plannen waren om vereenvoudigde kostenopties te introduceren, dan wel om
het bestaande gebruik ervan uit te breiden. De antwoorden van de lidstaten op
deze vraag waren ook in dit geval eensluidend. Luxemburg wees op de
ondersteuning die aan begunstigden wordt verstrekt aan het begin van een
programma of project: "De
beheersautoriteit voor het ESF heeft een vrij eenvoudige presentatie gemaakt
die bij de start van de procedure ter beschikking van aanvragers wordt gesteld.
De autoriteit verleent op verzoek ook actieve bijstand aan begunstigden inzake
budgetbeheer, waarmee mogelijke oorzaken van fouten worden geëlimineerd en de
administratie voor de begunstigde wordt vereenvoudigd."[33] Tot slot werden de
lidstaten gepolst over de vraag of de Commissie het gebruik van SCO's voldoende
en doeltreffend had aangemoedigd. Nagenoeg alle 27 respondenten antwoordden dat
de Commissie meer zou kunnen doen. Duitsland en Hongarije merkten op dat de
goedkeuringsprocedures en de onderhandelingen in de vorige
programmeringsperiode 2007-2013 tijdrovend waren.[34]
Volgens het Verenigd Koninkrijk zou "actieve aanmoediging door de
Commissie in een vroeger stadium van de programmeringsperiode 2007-2013
wenselijk zijn geweest."[35]
In een uitweiding over deze gedachte stelde Oostenrijk dat de Commissie
weliswaar inspanningen had gedaan om het gebruik aan te moedigen, maar dat: "De ervaring
had geleerd dat 100% vertrouwen dat de gedeclareerde kosten bij gebruik
van die opties worden geaccepteerd door de Commissie en/of de
controle-autoriteit, de doorslaggevende factor voor het succes van vereenvoudigde
kostenopties bij de lidstaten kan zijn. En daar lag precies het grootste
knelpunt bij de Structuurfondsen in de periode 2007-13. Alhoewel de forfaitaire
regelingen waarin de wetgeving voorzag, in theorie voldoende ruimte lieten wat
de toepassing betreft, werd deze marge in de praktijk weer ingeperkt door een
aantal interpretaties en nam voor de uitvoerende instanties het risico toe dat
de op basis van vereenvoudigde opties in rekening gebrachte kosten niet zouden
worden geaccepteerd door de Commissie op de controle-autoriteit."[36] Roemenië en Malta
vroegen beide om "meer richtsnoeren" van de Commissie en
Roemenië stelde tevens dat "met het oog op de toepassing van de
Europese verordeningen in 2014-2020 adequate richtsnoeren en opleidingen nodig
zouden zijn."[37] Cyprus en Letland
lichtten toe welk soort bijstand en advies de Commissie zou kunnen verstrekken.
Volgens Cyprus was er behoefte aan: "meer
workshops en seminars waarop de lidstaten ervaringen kunnen uitwisselen", terwijl Letland
aandrong op de verspreiding van informatie en voorbeelden van: "beste
praktijken inzake de toepassing van de verschillende soorten vereenvoudigde
kosten... informatie over specifieke gebieden waar die kosten kunnen worden
toegepast en een standaardmethode voor welbepaalde gebieden en kosten."[38] Zweden trad de
aanbeveling van de Rekenkamer bij "dat de Commissie de voorafgaande
goedkeuring van de forfaitaire percentages die in het kader van de
vereenvoudigde kostenopties worden bepaald, moet voortzetten en verder
ontwikkelen". Om dit doel te bereiken, moet volgens Zweden: "de Commissie meer middelen opzijzetten
voor de ontwikkeling van vereenvoudigde kostenopties om de ondersteuning van de
lidstaten voor de goedkeuring van forfaitaire percentages te versterken. Ook
moet de samenwerking worden versterkt met de controleurs van de Commissie om te
verduidelijken hoe de wet- en regelgeving ten aanzien van vereenvoudigde
kostenopties dient te worden geïnterpreteerd. Daartoe moet er meer informatie
worden verstrekt aan en intensiever worden samengewerkt met de geografische
desks, om het proces van invoering van de vereenvoudigingsmaatregelen in de
operationele programma's van de lidstaten te vereenvoudigen."[39] Dat de lidstaten aangeven op grotere schaal te
willen gebruikmaken van SCO's, is van groot belang, aangezien dit een van de
kritische factoren is om het foutenrisico in het nieuwe MFK te drukken. Ten aanzien van de controles wijst de Rekenkamer
in de hoofdstukken 5 - Regionaal beleid, energie en vervoer, en 6 –
Werkgelegenheid en sociale zaken, van haar verslag herhaaldelijk op de frequent
onbetrouwbare informatie die door de controle-autoriteiten was verstrekt en het
daarmee samenhangende risico. De Rekenkamer heeft de Commissie daarom
aanbevolen "verbetering tot stand te brengen in de werkzaamheden van de
controle-autoriteiten en in de kwaliteit en betrouwbaarheid van de informatie
vervat in de jaarlijkse controleverslagen en de auditadviezen."[40] De lidstaten was gevraagd mee te delen of zij
voornemens waren maatregelen te treffen om de situatie te verbeteren. In totaal
tien lidstaten antwoordden geen plannen te hebben voor verbeteringen omdat zij
hun controle-autoriteiten betrouwbaar achtten en zij in sommige gevallen
daarvan bevestiging van de Commissie hadden gekregen. Zo antwoordde Portugal
bijvoorbeeld: "De in de jaarlijkse controleverslagen en
auditadviezen verstrekte informatie wordt van goede kwaliteit en voldoende
betrouwbaar geacht."[41] Cyprus wees erop dat "de EU had aangegeven
tevreden te zijn met het niveau van de jaarlijkse controleverslagen van de
controle-autoriteit."[42] Luxemburg stelde, afgezien van het feit dat geen
van zijn controle-autoriteiten deel uitmaakte van de steekproef van de
Rekenkamer voor 2012, dat zijn verslagen doorgaans "door de Commissie
waren aanvaard" en dat "de beheerssystemen in Luxemburg een
eenvoudige, transparante structuur hebben."[43] Ierland tot slot, merkte het volgende op: "De controle-autoriteit maakt geen
specifieke risico-inschatting ten aanzien van fraude. Het programma van
beheerscontroles (zowel administratieve controles als controles ter plaatse) is
toereikend om redelijke zekerheid te geven dat frauderisico's worden beperkt."[44] De door de lidstaten meest gevraagde maatregelen voor verbetering waren
meer raadgevingen en opleiding door de Commissie. Daarnaast achtten sommige
lidstaten betere kwaliteitscontroles bij de controle-autoriteiten eveneens
noodzakelijk. Tevens was er, zij het in mindere mate, vraag naar externe
evaluatie en monitoring voor de controle-autoriteiten van sommige lidstaten. Tsjechië verstrekte uitvoerige informatie over maatregelen die reeds in
uitvoering zijn om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer
inzake de controle-autoriteiten. Het in 2012 uitgevoerde actieplan werd
beschreven en er werd gewezen op de intentie om de beheers- en controlesystemen
voor de Structuurfondsen te verbeteren, onder andere de controlewerkzaamheden
te centraliseren. Daarnaast wordt een controlehandboek opgesteld en worden
interne en externe opleidingen aan het personeel aangeboden. Tot slot merkte
Tsjechië op: "De bovenbedoelde ontwikkelingen zijn door vertegenwoordigers
van de controle-autoriteit (het ministerie van Financiën) persoonlijk aan de
Europese Rekenkamer meegedeeld. Tsjechië heeft alle door de Commissie
voorgestelde maatregelen getroffen, is van plan om met de diensten van de
Commissie te blijven communiceren over verbetering van de kwaliteit en
betrouwbaarheid van de informatie en is vragende partij voor werkbijeenkomsten
die door de Commissie worden georganiseerd ter verbetering van de werkzaamheden
van de controle-autoriteit."[45] Met betrekking tot het werk van de controle-autoriteiten hebben de
lidstaten tot slot in het algemeen hun tevredenheid geuit over de richtsnoeren
voor de behandeling van fouten en de seminars die de Commissie in 2012 en 2013
organiseerde, en aangegeven "altijd vragende partij te zijn voor meer
ondersteuning/opleiding".[46]Italië,
Letland, Slovenië, Slowakije en Griekenland vermeldden de verschillende
seminars en richtsnoeren in verband met steekproeftrekking als bijzonder
nuttige initiatieven met een meerwaarde.[47]
Litouwen, Malta en Polen[48] wezen dan weer op het nut van de vergaderingen en conferenties van
OLAF, terwijl Letland en Bulgarije[49]
de voordelen beklemtoonden van de Homologues Group meeting for Auditors.
Duitsland merkte als positief aan, naast de seminars, dat "de
contactpersonen van de EC zeer beschikbaar zijn om gedetailleerd te antwoorden
op individuele vragen."[50] Met het oog op verdere systemische versterking vereist het nieuwe
wetgevingskader voor het Cohesiebeleid dat de beheersautoriteiten doeltreffende
en proportionele maatregelen tegen fraude treffen. Op de vraag of inschatting
van frauderisico's deel uitmaakte van hun beheers- en controlesystemen,
antwoordde ruim 60% van de lidstaten bevestigend. Een vergelijkbaar percentage
deelde tevens mee erop toe te zien dat doeltreffende en proportionele
maatregelen tegen fraude aanwezig zijn om frauderisico's te beperken. Iets meer
dan de helft van de lidstaten deelde mee resultaatindicatoren te hebben
vastgesteld voor de controles ter opsporing en voorkoming van fraude (zie tabel
hierna). Bij gedeeld beheer moet de Commissie zich ten
behoeve van haar toezicht op de EU-begroting kunnen verlaten op de systemen en
controles van de lidstaten. De Commissie erkent weliswaar de voordelen van de
single audit, maar is zich bewust van het risico waarop de Rekenkamer wijst dat
de controle-autoriteiten onbetrouwbare gegevens verstrekken. Zij zal daarom de
systemen van de nationale auditautoriteiten en de nationale instanties die voor
de uitvoering van EU-programma's verantwoordelijk zijn, aan evaluatie en audits
blijven onderwerpen. 4. Conclusie Uit het jaarverslag 2012
van de Rekenkamer blijkt dat de klemtoon moet blijven liggen op het verminderen
van het aantal fouten bij uitgaven onder gedeeld beheer. De Rekenkamer merkte
op dat voor een groot deel van de verrichtingen bij gedeeld beheer, de
lidstaten over voldoende informatie beschikten om fouten te kunnen opsporen en
corrigeren. Tevens is de Rekenkamer kritisch op het gebrek aan efficiëntie van
sommige controle-autoriteiten en op de gebrekkige focus op resultaten. De lidstaten zijn dit jaar
in hun antwoorden uitvoerig ingegaan op sommige van hun inspanningen om gevolg
te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. Het gebruik van SCO's,
waar de Rekenkamer op aandringt, is reeds een volwaardig onderdeel van het
financieel beheer van programma's en projecten in sommige lidstaten. De
lidstaten vragen tevens aan de Commissie dat zij het gebruik van SCO's op
grotere schaal zou ondersteunen en aanmoedigen. Heel wat lidstaten zijn
het niet eens met de kritiek van de Rekenkamer op het ondoeltreffend
functioneren van de controle-autoriteiten en sommige hebben erop gewezen dat de
Commissie zich in een aantal gevallen volledig verlaat op het werk van die
autoriteiten (door de artikel 73-status toe te kennen)[51].
Dit neemt niet weg dat er kennelijk op het niveau van de lidstaten, met
assistentie van de Commissie, actie wordt ondernomen om aan capaciteitsopbouw
bij de controle-autoriteiten te doen. Wat de
prestatiegerichtheid betreft, blijkt uit de antwoorden dat de lidstaten daaraan
momenteel veel aandacht schenken en dat zij een prestatiegerichte cultuur
actief willen bevorderen. Op grond van de
inspanningen die de lidstaten in nauwe samenwerking met de Commissie leveren,
kan worden gesteld dat er bij het begin van deze nieuwe programmeringsperiode
al heel wat concrete maatregelen zijn getroffen. Deze op voortdurende
verbetering gerichte maatregelen dragen bij tot een goed en duurzaam financieel
beheer en verkleinen het risico op fouten. [1] Europese Rekenkamer, JV 2012, 1.17 [2] Bijlage A bij dit verslag [3] Europese Rekenkamer, JV 2012, 5.27, 6.12 [4] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 10.2 [5] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 10.3 [6] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 10.26 [7] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 10.29 [8] SWD blz. 164 [9] SWD blz. 189 [10] SWD blz. 131, 152, 154 en 239 [11] SWD blz. 140, 152 en 154 [12] SWD blz. 140, 152, 264, 152 en 185 [13] SWD blz. 158 [14] SWD blz. 140 en 155 [15] SWD blz. 186-7, 242 en 263 [16] SWD blz. 156 [17] SWD blz. 191, 272, 258 en 268 [18] SWD blz. 147 [19] SWD blz. 302 [20] SWD blz. 303 [21] Europese Rekenkamer, JV 2012, 1.17 [22] Hoofdstuk 3 - Landbouw: marktondersteuning en rechtstreekse steun, en
hoofdstuk 4 - Plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid. [23] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 3.22 [24] Europese Rekenkamer, JV 2012, tekstvakken 3.1 en 3.3 [25] SWD blz. 130 [26] SWD blz. 130 [27] SWD blz. 50 [28] SWD blz. 56 [29] SWD blz. 238 [30] SWD blz. 78 [31] SWD blz. 77 [32] SWD blz. 201 [33] SWD blz. 208 [34] SWD blz. 175 en 186 [35] SWD blz. 299 [36] SWD blz. 130 [37] SWD blz. 214 en 263 [38] SWD blz. 152 en 203 [39] SWD blz. 296 [40] Europese Rekenkamer, JV 2012 , 6.24 [41] SWD blz. 256 [42] SWD blz. 152 [43] SWD blz. 208 [44] SWD blz. 195 [45] SWD blz. 155-156 [46] SWD blz. 299 [47] SWD blz. 201, 202, 267, 264 en 185 [48] SWD blz. 205, 214 en 238 [49] SWD blz. 202, 140 [50] SWD blz. 175 [51] Artikel 73 van Verordening nr. 1083/2006 van de Raad