This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0562
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL, THE EUROPEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE AND THE COMMITTEE OF THE REGIONS Implementation of the European Progress Microfinance Facility — 2012
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — 2012
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — 2012
/* COM/2013/0562 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Uitvoering van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — 2012 /* COM/2013/0562 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN
DE REGIO'S Uitvoering van de
Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — 2012 INHOUDSOPGAVE 1........... Inleiding.......................................................................................................................... 4 2........... Uitvoering op het niveau van
microkredietverstrekkers..................................................... 5 2.1........ Gesloten overeenkomsten............................................................................................... 5 2.2........ Gefinancierde acties........................................................................................................ 7 2.3........ Gefinancierde en afgewezen aanvragen.......................................................................... 11 3........... Uitvoering op het niveau van
microkredietnemers........................................................... 11 3.1........ Omvang van microkredieten en aantal
eindbegunstigden................................................. 11 3.2........ Sociale en werkgelegenheidseffecten
van Progress-microfinanciering.............................. 12 3.2.1..... Kredietverlening aan kansarme groepen........................................................................ 13 3.2.2..... Kleine bedragen die een groot effect
hebben................................................................. 14 3.3........ Sectorale en regionale spreiding van
ondersteunde ondernemingen................................. 15 4........... Complementariteit en coördinatie
met andere instrumenten............................................. 17 5........... Conclusies en vooruitzichten.......................................................................................... 18 1. Inleiding
In maart 2010 is bij Besluit nr. 283/2010/EU de
Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit (EPMF) voor werkgelegenheid en
sociale insluiting ingesteld.
Publieke en private entiteiten, zowel banken als
niet-banken, kunnen een aanvraag indienen voor steun uit de EPMF in de vorm van
een garantie of een gefinancierd instrument (schuldinstrument, instrument voor
risicodeling of eigenvermogensinstrument). Van het totale budget is 25 miljoen EUR
toegewezen voor garanties, die worden gefinancierd door de Europese Commissie.
De rest van het budget - voor gefinancierde instrumenten - is samengesteld uit 75 miljoen EUR van
de Europese Commissie en 100 miljoen EUR van de Europese
Investeringsbank (EIB), die met de Commissie is overeengekomen om hetzelfde
bedrag als de Commissie beschikbaar te stellen en nu al het verwachte
hefboomeffect van de financieringsfaciliteit heeft vergroot[1].
Aan het oorspronkelijke budget van 75 miljoen EUR is in 2010 nog eens
3 miljoen EUR toegevoegd uit hoofde van een voorbereidende actie van het
Europees Parlement[2] en in 2013 2 miljoen EUR
via de algemene overschrijvingsprocedure. Voor Progress-microfinanciering is
een budget van in totaal 205 miljoen EUR beschikbaar voor zowel
garanties als gefinancierde instrumenten. Het Europees Investeringsfonds (EIF)
geeft namens de Commissie en de EIB de garanties af en voert namens de twee
instellingen ook het beheer over de gefinancierde instrumenten. De voor
deelname geselecteerde entiteiten worden financiële intermediairs, die
microkredieten van maximaal 25 000 EUR verstrekken, hoewel de meesten
hebben gekozen voor een lager maximum. De begunstigden van ondersteunde
microkredieten zijn natuurlijke personen en micro-ondernemingen waarvan wordt
aangenomen dat zij bij kredietverlening onder marktvoorwaarden in een
ongunstige positie verkeren en waarschijnlijk geen krediet zullen krijgen[3].
In dit verslag wordt gekeken naar de uitvoering
van de EPMF nadat zij meer dan twee jaar operationeel is. De meeste gegevens
waarover het EIF beschikt, werden vóór 30 september 2012 verstrekt. Voor
zover mogelijk is ook meer recente informatie opgenomen. De opbouw van het
verslag is conform de eisen van artikel 8 van het instellingsbesluit.
Eerst wordt gedetailleerde informatie over de gesloten overeenkomsten
verstrekt. Vervolgens wordt verslag gedaan van de gegevens die zijn verzameld
als onderdeel van de beoordeling van de sociale effecten van de faciliteit.
Daarna wordt een beschrijving gegeven van de complementariteit en coördinatie van
de EPMF met andere programma's. Tot slot wordt ingegaan op mogelijke
toekomstige implicaties en trends.
2. Uitvoering op het
niveau van microkredietverstrekkers
2.1. Gesloten
overeenkomsten
Soorten intermediairs De EPMF voorziet in een
breed spectrum van financiële instrumenten. De diversiteit van de
instrumentenportefeuille wordt weerspiegeld in het diverse karakter van de
intermediairs. Daartoe behoren zowel
publieke als private entiteiten, uit zowel de bancaire als niet-bancaire
sector. Op dit moment zijn overeenkomsten gesloten met 26 instellingen in
15 lidstaten, die gebruikmaken van het garantie-instrument of het
instrument voor gefinancierde instrumenten of beide[4].
Tegen mei 2013 zou een overeenkomst met een in het Verenigd Koninkrijk
gevestigde kredietverstrekker (geen bank) worden gesloten.
·
1 overheidsinstelling: ICREF (ES) ·
11 niet-bancaire instellingen: Adie (FR), Créa-Sol
(FR), Crédal Société Coopérative (BE), FAER (RO), Inicjatywa Mikro (PL), JOBS
MFI (BG), Microfinance Ireland (IE)[5], microStart (BE),
Mikrofond (BG), Patria Credit (RO), Qredits (NL) ·
14 banken: Banca di Credito Cooperativo Mediocrati
(IT), Banca di Credito Cooperativo Emilbanca (IT), Banca Popolare di Milano
(IT), Banca Transilvania (RO), Banco Espirito Santo (PT), Cooperative Central
Bank (CY), Erste Bank der österreichischen Sparkassen AG (AT), FM Bank (PL),
Millennium bcp (PT), Pancretan Cooperative Bank (EL), Sberbank banka (SI)[6],
SEFEA (IT), Societe Generale Expressbank (BG), Šiaulių bankas (LT)
Activiteiten van microkredietverstrekkers in de
lidstaten
In verband met Progress-micofinanciering zijn
eisen gesteld die ervoor moeten zorgen dat microkredieten in een groot aantal lidstaten
breed toegankelijk worden. Zo moet het EIF ten minste in twaalf lidstaten
garanties afgeven. In maart 2013 was aan kredietverstrekkers in negen landen
een garantie verstrekt (voor nadere bijzonderheden zie punt 2.2). Per land
geldt een concentratielimiet van 16 %. Ook voor de gefinancierde
instrumenten geldt per land een concentratielimiet, namelijk 10 %. Deze
eisen moeten bijdragen aan een evenwichtig gebruik van de beschikbare middelen
in de lidstaten. Na ondertekening van een overeenkomst met de Societe Generale
Expressbank is in Bulgarije de maximaal toegestane blootstelling bereikt. Twee
andere landen, Roemenië en Italië, zijn dicht bij het maximum voor
gefinancierde instrumenten (momenteel 18 miljoen EUR), en er zijn toezeggingen
gedaan voor respectievelijk 16,5 en 15, 8 miljoen EUR. Sinds het uitvoeringsverslag van 2011 hebben elf
nieuwe entiteiten een overeenkomst ondertekend uit hoofde van de EPMF. Zes van
die entiteiten zijn gevestigd in landen waar de EPMF eerder nog geen toepassing
had gevonden: Oostenrijk, Ierland en Italië. Tot die entiteiten behoren zowel
bancaire als niet-bancaire kredietverstrekkers.
Geografische spreiding van de EPMF in maart
2013 In maart 2013 waren garanties verstrekt aan
intermediairs in negen lidstaten (BE, IE, EL, FR, NL, AT, PL, PT en RO),
vergeleken met slechts zes in de voorgaande periode. Gefinancierde instrumenten
werden gebruikt in tien landen (BG, ES, FR, IT, CY, LT, PL, PT, RO en SI), één
meer dan vorig jaar. Dat de uitbreiding naar de andere lidstaten moeilijk
verloopt, kan deels worden toegeschreven aan het bestaan van concurrerende
nationale regelingen en deels aan een gebrek aan capaciteit onder
microkredietverstrekkers (zie punt 4). 2.2. Gefinancierde acties
Garanties De Commissie, die dit instrument in haar eentje
financiert[7], staat garant voor
maximaal 75 % van de verliezen die de kredietverstrekker op zijn microkredietportefeuille
lijdt. Tot dusver hebben alle kredietverstrekkers geprofiteerd van het hoogst
mogelijke garantiepercentage (75 %). Een maximum van 20 % is
vastgesteld voor het dekken van verliezen, d.w.z. het deel van de portefeuille
dat eventueel niet wordt terugbetaald en door de garantie zou worden gedekt.
Tot dusver varieerde dit van 5,5 % tot 20 % Voor het gebruik van dit instrument wordt geen
vergoeding gevraagd. Wel zijn de intermediairs gehouden om ten minste 90 %
van het overeengekomen portefeuillevolume te realiseren. Als zij daar niet in
slagen, wordt een reserveringsprovisie in rekening gebracht. Dit vormt een
prikkel voor de microkredietinstellingen om de eindbegunstigden actief te
benaderen. Meer in het algemeen stellen garanties microkredietverstrekkers in
staat om hun activiteiten uit te breiden tot groepen die een groter
kredietrisico vertegenwoordigen. Millennium bcp, bijvoorbeeld, maakt bij
afnemers van een gegarandeerd microkrediet geen gebruik van credit scoring,
omdat dit het soort klanten is dat in de regel niet aan de standaardcriteria
van banken voldoet. Een garantie kan ook worden gebruikt voor het versoepelen
van de standaardkredietvoorwaarden, door de rente of de zekerheidsvereisten te
verlagen of de looptijd van het microkrediet te verlengen, en dat gebeurt ook. In het uitvoeringsverslag van 2011 wordt gewezen
op de noodzaak van het verlengen van de garantietermijn van drie tot zes jaar,
omdat het aantal verstrekte garanties achterbleef bij de verwachtingen. Dat is
in oktober 2011 bij amendement gebeurd. Empirisch bewijs laat zien dat de vraag
naar garanties door deze wijziging aanzienlijk is gestegen: sinds vorig jaar is
het totale garantievolume meer dan verdubbeld.
Gefinancierde instrumenten De vraag naar gefinancierde instrumenten is zelfs
nog groter dan de vraag naar garanties. Dit rechtvaardigt de verdeling van de
middelen binnen de EPMF, waarin voor gefinancierde instrumenten 180 miljoen EUR[8]
van het budget is gereserveerd. Van het scala van instrumenten genieten de
niet-achtergestelde leningen de meeste belangstelling. In 2012 is één
achtergestelde lening verstrekt (Sberbank banka). De eerste overeenkomst voor
een risicodelende lening is gesloten met de Banca Populare di Milano, voor een
bedrag van 8,8 miljoen EUR. Hoewel vooralsnog geen overeenkomsten zijn gesloten
voor participaties in eigen vermogen, lopen momenteel onderhandelingen met een
potentiële niet-bancaire kredietverstrekker over een directe investering in eigen
vermogen. De aanhoudende belangstelling voor
niet-achtergestelde leningen heeft wellicht te maken met de technische
kenmerken van dergelijke leningen. In tegenstelling tot de andere financiële
producten, die complexer en omstandiger zijn, zijn niet-achtergestelde leningen
eenvoudiger en gemakkelijker te beheren. De keerzijde is dat
niet-achtergestelde leningen een kleiner hefboomeffect hebben dan risicodelende
of achtergestelde leningen, waarbij
intermediairs een groter bedrag aan eindbegunstigden moeten doorlenen dan bij een
niet-achtergestelde lening. Er gelden ook strengere eisen voor degenen
waarop de investering is gericht. Wanneer uit hoofde van de faciliteit wordt
geïnvesteerd in een kredietverstrekker, wordt van die kredietverstrekker geëist
dat hij een microkredietportefeuille creëert die ten minste drie keer zo groot
is als die investering in eigen vermogen (zie tevens onder het kopje
"hefboompotentieel"). Voor het vergroten van het hefboomeffect van
het product zijn in sommige gevallen niet-achtergestelde leningen verstrekt
waarvoor een multipliereffect tussen 1,5 en 2 werd verlangd, met name voor
niet-achtergestelde leningen bij banken en bij herhaalde transacties met intermediairs
die zich hebben verzekerd van medefinanciering door derden. In totaal zijn nu 29 overeenkomsten voor garanties
en gefinancierde instrumenten ondertekend. Eén kredietverstrekker maakt gebruik
van beide instrumenten, terwijl twee andere al twee opeenvolgende
overeenkomsten met het EIF hebben gesloten. In de volgende tabel staat een
overzicht van deze overeenkomsten[9]. Overzicht
van transacties uit hoofde van de EPMF t/m 31 maart 2013
Lidstaat || Intermediair || Instrument || Steun voor intermediair (in EUR) BE || Crédal Société Coopérative || Garantie || 250 000 BE || microStart || Garantie || 110 000 BG || Mikrofond || Niet-achtergestelde lening || 3 000 000 BG || JOBS MFI || Niet-achtergestelde lening || 6 000 000 BG || Societe Generale Expressbank || Niet-achtergestelde lening || 8 500 000 IE || Microfinance Ireland (First Step) || Garantie || 1 627 875 EL || Pancretan Cooperative Bank || Garantie || 750 000 ES || ICREF || Niet-achtergestelde lening || 4 000 000 FR || Adie || Garantie || 2 200 000 FR || Créa-Sol || Niet-achtergestelde lening || 1 000 000 || || Niet-achtergestelde lening II || 1 000 000 IT || BCC Mediocrati || Niet-achtergestelde lening || 3 000 000 IT || SEFEA || Niet-achtergestelde lening || 2 000 000 IT || BCC Emilbanca || Niet-achtergestelde lening || 2 000 000 IT || Banca Popolare di Milano || Risicodelende lening || 8 800 000 CY || Cooperative Central Bank || Niet-achtergestelde lening || 8 000 000 LT || Siauliu Bankas || Niet-achtergestelde lening || 5 000 000 NL || Qredits || Garantie || 1 300 000 || || Garantie II || 1 700 000 AT || Erste Bank || Garantie || 473 644 PL || FM Bank || Garantie || 1 880 000 PL || Inicjatywa Mikro || Niet-achtergestelde lening || 3 771 000 PT || Banco Espírito Santo || Niet-achtergestelde lening || 8 750 000 PT || Millenium bcp || Garantie || 310 000 RO || Patria Credit || Garantie || 960 000 || || Niet-achtergestelde lening || 8 000 000 RO || FAER || Niet-achtergestelde lening || 973 000 RO || Banca Transilvania || Niet-achtergestelde lening || 7 500 000 SI || Sberbank banka || Achtergestelde lening || 8 750 000 15 lidstaten || 26 microkredietverstrekkers || 29 overeenkomsten || 101 605 519 Financiële volumes
Het totale bedrag dat voor garanties is vastgelegd
(maximumbedrag), voor de financiering van tien transacties met negen
microkredietverstrekkers (zie bovenstaande tabel), is 11,6 miljoen EUR. Garanties worden alleen geactiveerd bij
wanbetaling op een participatielening. Afhankelijk van de klantenportefeuille
van microkredietverstrekkers hoeven zij de aan hen verstrekte garantie mogelijk
nooit op te eisen. Daarnaast wordt van kredietverstrekkers verwacht dat zij
eerst gebruikmaken van andere middelen (bijv. juridische middelen of
herstructurering van de lening) alvorens zij de garantie opeisen. Vooralsnog
hebben slechts twee kredietverstrekkers (microStart en FM Bank) dat moeten
doen, voor verliezen van in totaal respectievelijk 40 000 EUR en 200 000
EUR. Naarmate het volume van de aan begunstigden uitbetaalde en door de garanties
gedekte microkredieten stijgt, zal ook het bedrag aan garantievorderingen
stijgen.
Niet-achtergestelde en achtergestelde leningen die
uit de faciliteit worden gefinancierd, worden uitbetaald conform de
overeengekomen regels voor termijnbetalingen. Er kan pas met een betaling
worden begonnen nadat de voor een bepaalde intermediair gestelde voorwaarden
zijn vervuld. In maart 2013 was van het totaal vastgelegde
bedrag van 90 miljoen EUR 55 miljoen EUR uitbetaald [10]: Intermediair (lidstaat) || Uitbetaling aan intermediair (in EUR) tot maart 2013 Mikrofond (BG) || 1 500 000 Patria Credit (RO) || 6 000 000 Siauliu Bankas (LT) || 2 500 000 Cyprus Cooperative Bank (CY) || 4 000 000 JOBS MFI (BG) || 4 000 000 FAER (RO) || 700 000 ICREF (ES) || 4 000 000 Inicjatywa Mikro (PL) || 2 800 000 Sberbank banka (SI) || 8 800 000 Banca Transilvania (RO) || 7 500 000 BCC Mediocrati (IT) || 1 500 000 SEFEA (IT) || 1 100 000 BCC Emilbanca (IT) || 1 100 000 Societe General Expressbank (BG) || 4 500 000 Banco Espiríto Santo (PT) || 4 000 000 Créa-Sol (FR) || 1 000 000 Totaal uitbetalingen || 55 000 000 Hefboompotentieel
Met de EPMF wordt niet alleen beoogd om
EU-middelen beschikbaar te maken, maar ook om daarmee een hefboomeffect te
creëren van in totaal zo'n 500 miljoen EUR aan investeringen, dat wil
zeggen: vijf keer zoveel als de EU-bijdrage. Dit hefboomeffect wordt gecreëerd
door mede-investeringen van andere partners, door het renouvellerende karakter
van de middelen en door de aangeboden financiële producten. Door het partnerschap met de EIB, die een even
groot bedrag als dat van de Commissie beschikbaar stelde, is het
oorspronkelijke bedrag verdubbeld. Dit gecombineerde bedrag (samen met de
aanvullende bijdrage uit hoofde van de voorbereidende actie van het Europees
Parlement en de middelen die zijn toegewezen via de algemene
overschrijvingsprocedure) wordt nu met een veelvoud vermeerderd door de
microkredieten die financiële intermediairs verstrekken. Met name de garanties hebben een groot
hefboomeffect. Tot maart 2013 waren aan microkredietverstrekkers garanties ter
waarde van 11,6 miljoen EUR verstrekt. Die garanties zullen zich naar
verwachting vertalen in microkredieten met een totale omvang van 134,8 miljoen EUR,
wat betekent dat met dit product een hefboomratio van 11,6 wordt bereikt. De
hefboomratio van gefinancierde instrumenten bedraagt ongeveer 3,7. Het
hefboomeffect van sommige kredieten, zoals het eerste dat aan Créa-Sol werd
verstrekt, is beperkt tot de aanvullende financiering van de EIB, aangezien in
die gevallen van de kredietverstrekker niet meer werd verwacht dan dat hij voor
het bedrag van het krediet kredietovereenkomsten met eindbegunstigden sloot.
Het tweede krediet voor Créa-Sol zal naar verwachting een microkredietvolume
genereren van 1,5 keer het verstrekte krediet. Andere kredietverstrekkers, met
name de Banca Popolare di Milano (risicodelende lening) en de Sberbank banka
(achtergestelde lening), creëren bij het verstrekken van microkredieten een
aanvullend hefboomeffect van ten minste twee keer het bedrag dat uit de
faciliteit is ontvangen. Het totale multipliereffect van de hele EPMF‑portefeuille,
zoals overeengekomen met de intermediairs, is 5,5.
2.3. Gefinancierde
en afgewezen aanvragen Om gebruik te kunnen
maken van de EPMF moeten aanvragers succesvol inschrijven op een oproep van het
EIF tot het indienen van voorstellen en, in het geval van garanties, de
goedkeuring van de Commissie krijgen. De raad van bestuur van het EIF kan een aanvraag
officieel afwijzen en de Commissie kan weigeren haar goedkeuring aan een
garantie te geven. Sinds de instelling van de faciliteit zijn nog geen
aanvragen afgewezen, omdat alleen voorstellen ter goedkeuring worden ingediend
die met succes het proces van screening en due diligence van het EIF hebben
doorlopen. Sinds de instelling van de faciliteit is het EIF
in contact geweest met meer dan 180 potentiële kredietverstrekkers. In
maart 2013 hadden 27 intermediairs[11] een transactie
ondertekend, waardoor het percentage transactiesluitingen op dat moment 15 %
bedroeg. Zoals hierboven al is opgemerkt, is dat deels het gevolg van
concurrerende nationale regelingen en de beschikbaarheid van andere
financieringsbronnen, met name in de Noordse landen en Duitsland. Een andere
mogelijke reden voor het lage percentage transactiesluitingen is dat het EIF zich
door de hoge kosten die met een transactie zijn gemoeid, op grotere transacties
concentreert. Ook de strenge kredietbeoordeling speelt mogelijk een rol.
Aangezien de Commissie het eerste verlies dekt, is er wellicht ruimte voor
herziening van dit beleid. 3. Uitvoering op het
niveau van microkredietnemers
3.1. Omvang
van microkredieten en aantal eindbegunstigden Het huidige
multipliereffect van 5,5 is in overeenstemming met de doelstelling. De komende
jaren zullen aanvullende overeenkomsten met microkredietverstrekkers moeten
worden gesloten en zullen de uitbetaalde bedragen volledig moeten worden
gebruikt als men wil dat aan het einde van de looptijd van de faciliteit, in
2020, het geraamde bedrag van 500 miljoen EUR is gedistribueerd, verdeeld
over 46 000 microkredieten. Op de verslagdatum voor 2012 bestond de totale
garantieportefeuille uit 2 920 microkredieten voor 2 836 klanten[12],
ter waarde van 28,05 miljoen EUR. Het aanbieden van microkredieten op basis van
gefinancierde instrumenten resulteerde in 3 358 overeenkomsten met 3 253
eindbegunstigden. Deze kredieten vertegenwoordigden in september 2012 een
waarde van 21,1 miljoen EUR. Vergeleken met het in 2011 gemelde gebruik, is het
volume van gegarandeerde microkredieten in zes maanden tijd met 61 % en dat
van microkredieten op basis van gefinancierde instrumenten in diezelfde periode
met 122 % toegenomen. Dit gebruikspatroon is in overeenstemming met de
oorspronkelijke aanname dat de faciliteit traag van start zou gaan, maar dat
het volume aan microkredieten gestaag zou groeien en dat in de laatste fase
sprake zou zijn van sterke groei. In september 2012 was al duidelijk sprake van
een hoger gebruiksniveau, met name in Nederland, waar een vervolgovereenkomst
met Qredits werd gesloten, waardoor het maximale garantiebedrag is verhoogd tot
3 miljoen EUR. Goede gebruiksniveaus werden ook geconstateerd in
Bulgarije, Polen en Roemenië. Ook met een begunstigde in Frankrijk is een
tweede overeenkomst voor een niet-achtergestelde lening gesloten omdat de
oorspronkelijke lening al volledig was uitbetaald. De groeiprojecties van het EIF zijn zelfs nog
optimistischer. Volgens die projecties hebben de via de huidige intermediairs
verstrekte microkredieten in september 2013 een totale omvang van 142,4 miljoen
EUR en in maart 2015 van 288,8 miljoen EUR. Een mogelijke verklaring
voor het feit dat deze sterke groei zich niet eerder heeft gemanifesteerd, is
het gebrek aan institutionele capaciteit van microkredietverstrekkers. Vandaar
de noodzaak van aanvullende actie (zie punt 4 voor een analyse daarvan).
3.2. Sociale
en werkgelegenheidseffecten van Progress-microfinanciering Sociale en
werkgelegenheidseffecten behoren tot de essentiële beleidsoverwegingen die aan
de EPMF ten grondslag liggen. Dit is het eerste uitvoeringsverslag met gegevens
over deze effecten, die afkomstig zijn van een aanzienlijk aantal
eindbegunstigden. Hoewel de kredietverstrekkers hun interne procedures en
systemen hebben moeten aanpassen, zijn zij in staat gebleken om gegevens te
verzamelen over 4 688 begunstigde micro-ondernemers, van de 6 089 die
deelnemen aan de faciliteit. Hierdoor is het mogelijk om een aantal trends te
analyseren in de kredietverlening aan kansarme groepen, door rekening te houden
met leeftijd, geslacht, opleiding en het al dan niet behoren tot een
minderheidsgroep. Bij het analyseren van de verzamelde gegevens kan
zowel naar positieve als negatieve effecten worden gekeken. Toch hebben die
gegevens maar een beperkte relevantie, omdat de vragenlijst niet door alle
begunstigden volledig is ingevuld. Daardoor kan geen geaggregeerde analyse
worden gemaakt en zijn sommige gegevens minder relevant geworden. Kennis van
deze tekortkomingen kan helpen bij het maken van de noodzakelijke wijzigingen
om de kwaliteit en betrouwbaarheid van de rapportage van sociale effecten voor
het toekomstige instrument te vergroten (zie tevens punt 5), waarvoor de eisen
inzake gegevensverzameling zullen moeten worden herzien.
3.2.1. Kredietverlening
aan kansarme groepen Jongere en oudere ondernemers Hoewel de meerderheid van de mensen die van
intermediairs een microkrediet hebben ontvangen, tussen de 25 en 54 jaar zijn
(85,04 %), is een aanzienlijk aantal jonger dan 25 jaar, namelijk 5,22 %.
Dit is meer dan het gemiddelde percentage zelfstandigen in deze leeftijdsgroep
(4,1 %), zoals gerapporteerd in de EU‑arbeidskrachtenenquête van
2011[13]. De faciliteit helpt
deze leeftijdsgroep dus om zelfstandig ondernemer te worden. Intermediairs met
een relatief hoog percentage jonge klanten zijn Qredits (25,00 %), Siauliu
Bankas (14,29 %) en Millennium bcp (12,08 %). De intermediairs
rapporteren ook het leeftijdsprofiel van de werknemers van hun klanten: 11,25 %
is jonger dan 25 jaar. Ouderen (55+) maken 9,74 % van de
eindbegunstigden uit. Volgens de arbeidskrachtenenquête is het percentage
zelfstandigen onder ouderen 19,2 % in de leeftijdsgroep van 50 tot 64 jaar
en 49,9 % onder 65-plussers. In de arbeidskrachtenenquête wordt echter ook
aangegeven dat het zelfstandig ondernemerschap in deze leeftijdsgroepen
mogelijk alleen wordt gebruikt als middel om de pensionering uit te stellen of
om na de pensionering landbouw- en veeteeltactiviteiten uit te oefenen om in
eigen behoeften te voorzien. Deze twee groepen hebben niet noodzakelijkerwijs
een microkrediet nodig. De drie banken met het hoogste percentage 55-plussers
zijn Mikrofond, FAER en Siauliu Bankas. Het percentage varieert tussen 14,9 %
en 15,91 %. 10,67 % van de werknemers van eindbegunstigden is ouder
dan 55 jaar. Vrouwelijke ondernemers Volgens de beschikbare gegevens is de verhouding
tussen mannelijke en vrouwelijke eindbegunstigden 60,73/39,27. Dit is een
verbetering ten opzichte van de huidige situatie in Europa, waarin slechts 34,4 %
van alle ondernemers vrouw is[14]. De faciliteit werkt dus
correctief en ondersteunt vrouwelijke ondernemers. Zoals hierboven is
opgemerkt, bieden sommige van de verzamelde gegevens een incompleet beeld en
moeten zij met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Siauliu Bankas
en Milennium bcp hebben een hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke
kredietnemers, respectievelijk 57,14 % en 50,34 %. In het geval van
de Litouwse bank is dit het resultaat van een beleid dat erop is gericht om
vrouwelijke ondernemers gemakkelijker toegang tot financiering te verschaffen.
Crédal maakt eveneens melding van een beter dan gemiddelde man/vrouw-ratio:
51,72/48,28. Intermediairs verstrekken ook informatie over de werknemers van
hun klanten. Daaruit blijkt dat 38,3 % vrouw is. Het ontbreken van
aanvullende ondersteunende gegevens maakt verdere analyse onmogelijk. Bevorderen
van werkgelegenheid door het ondersteunen van zelfstandigen en startende
ondernemingen 31,89 % van de eindbegunstigden zegt dat zij
op het moment van de kredietaanvraag werkloos of inactief waren. Dankzij de
faciliteit hebben zij een lening gekregen om een eigen onderneming te starten.
Ook voor de overige aanvragers, die zeiden een dienstbetrekking te hebben
(67,52 %) of een studie te volgen (0,59 %), zijn er in potentie
positieve effecten. Een microkrediet kan klanten met een dienstbetrekking
helpen om ernstige liquiditeitsproblemen te voorkomen of hun zaak uit te
breiden. Studenten zouden de lening kunnen gebruiken om na het afstuderen, of
zelfs nog daarvoor, een eigen onderneming te starten. De beschikbare gegevens laten voor beide
microfinancieringsinstrumenten ook zien dat bijna 80 % van de ondersteunde
ondernemingen minder dan drie jaar oud is. 40,58 % is zelfs niet langer
dan zes maanden voor de kredietaanvraag opgericht. Dit bevestigt dat in de
aanloopfase van een nieuwe onderneming de slechte toegang tot financiering een
aanzienlijke hindernis vormt, die met de faciliteit ten dele wordt weggenomen.
Steunverlening in de aanloopfase van een onderneming lijkt vaker voor te komen
bij intermediairs waaraan een garantie is verstrekt en niet-bancaire
intermediairs. Dit zou in overeenstemming zijn met de oorspronkelijke aanname
dat garanties worden gebruikt in het geval van klanten die een meer dan normaal
kredietrisico vertegenwoordigen, en gefinancierde instrumenten (met name niet-achtergestelde
leningen) voor het verstrekken van kredieten aan minder risicovolle klanten. Er
zijn nog geen gegevens voor het beoordelen van de duurzaamheid van
ondernemingen en de gecreëerde banen. Opleidingsniveau Het opleidingsniveau van succesvolle aanvragers
van financiële producten die uit hoofde van de EPMF worden ondersteund,
varieert van geen formeel onderwijs tot een voltooide universitaire studie.
Aangezien een hoog opleidingsniveau in de regel in verband wordt gebracht met
een relatief laag werkloosheidsrisico, is het belangrijk om te weten dat 7,28 %
van de begunstigden geen of slechts basisonderwijs heeft genoten. Omdat
laagopgeleiden zich op de arbeidsmarkt in een achterstandspositie bevinden,
ziet die groep begunstigden het zelfstandig ondernemerschap mogelijk als
alternatief voor een dienstbetrekking. Een soortgelijke motivatie ligt mogelijk
ook ten grondslag aan de aanvragen van relatief laag opgeleiden met alleen maar
middelbaar onderwijs, die meer dan 50 % van de begunstigden uitmaken. De
rest van de begunstigden heeft postsecundair of universitair onderwijs genoten,
waarin het brede aandachtsgebied van de deelnemende kredietverstrekkers wordt
weerspiegeld. Ondersteunen van minderheden Er zijn duidelijke aanwijzingen dat minderheidsgroepen
goed worden bereikt. Omdat dergelijke gegevens in sommige lidstaten niet mogen
worden verzameld, is maar van een klein aantal begunstigden officieel
vastgesteld - op geaggregeerd niveau - dat zij tot een minderheidsgroep behoren. Op het niveau van de kredietverstrekkers
melden Mikrofond (BG), JOBS MFI (BG) en FAER (RO) dat respectievelijk 18,18 %,
12,5 % en 14,63 % van hun klanten tot een minderheidsgroep behoren.
Uit de verstrekte informatie wordt afgeleid dat het daarbij voornamelijk om
Roma gaat. Voor leden van de Roma, die op de arbeidsmarkt op hindernissen
stuiten, zou zelfstandig ondernemerschap een oplossing kunnen zijn. Ook Qredits
(NL) meldt dat een aanzienlijk percentage van haar klanten tot een
minderheidsgroep behoort, namelijk 12,5 %. 3.2.2. Kleine
bedragen die een groot effect hebben De verstrekte microkredieten zijn in de regel
kleinere bedragen. Van starters en zelfstandigen die behoren tot een kwetsbare
groep wordt niet verwacht dat zij op zoek zijn naar grotere bedragen. Het
populairste zijn microkredieten van minder dan 5 000 EUR (37 %),
gevolgd door microkredieten van maximaal 10 000 EUR (25 %).
Ongeveer één op de acht begunstigden vraagt naar een microkrediet van maximaal
15 000, 20 000 of 25 000 EUR. De gemiddelde grootte van
microkredieten van microStart is 4 958 EUR. MicroStart, dat kantoren
heeft in migrantenwijken in Brussel, heeft een specifieke doelgroep. De
microkredieten die door deze intermediair worden aangeboden, liggen ver onder
het maximum van 25 000 EUR, namelijk maximaal 10 000 EUR.
Ook de microkredieten waarin een van de twee kredietinitiatieven van de Erste
Bank voorziet, zijn niet groter dan 12 500 EUR. Dat betekent niet dat
deze kleine bedragen steeds voldoende zijn om volledig in de kredietbehoefte
van de eindbegunstigden te voorzien. Veeleer wordt verwacht dat, zodra een
bedrijf dankzij een microkrediet goed op gang is gekomen, de ondernemer buiten
het kader van Progress-microfinanciering een grotere lening kan krijgen.
3.3. Sectorale
en regionale spreiding van ondersteunde ondernemingen
Landbouw en handel zijn nog steeds de
belangrijkste sectoren: meer dan de helft van de ondersteunde ondernemingen is
daarin actief. Het is niet verrassend dat de landbouw bijna uitsluitend met
gefinancierde instrumenten wordt ondersteund, omdat die het populairste zijn in
de landen waarin de intermediairs erg actief zijn in plattelandsgebieden (zie
onderstaande kaart), namelijk Roemenië en Bulgarije. De steun voor de handel
komt in min of meer even grote mate uit het garantie-instrument. Sectorale spreiding van gefinancierde
micro-ondernemingen Regionale spreiding van gefinancierde
micro-ondernemingen Aantal begunstigden per NUTS 1-regio 4. Complementariteit en
coördinatie met andere instrumenten
Investeringen en risicodekking uit hoofde van de
EPMF stelt microkredietverstrekkers in staat om groei en het optimaliseren van
hun portefeuille te laten samengaan met het aanbieden van kredieten aan
risicovollere doelgroepen. Er zijn nog verscheidene andere instrumenten
gecreëerd die daaraan complementair zijn. De intermediairs zijn contractueel gehouden tot
samenwerking met organisaties die opleidingen verzorgen en mentoringdiensten
verlenen. De lidstaten kunnen het Europees Sociaal Fonds gebruiken voor het
verlenen van bijstand aan starters in de vorm van begeleiding of opleiding. Een
dergelijke bijstand heeft een positief effect op de ondernemingsvaardigheden
van begunstigden en vormt een duidelijke aanvulling op de toegang tot
financiering die met de faciliteit wordt geboden. Een goed voorbeeld is het
Ierse initiatief "Going for Growth". Dit initiatief is bedoeld om
vrouwelijke starters via mentoring and coaching te ondersteunen en wordt deels
gefinancierd via het nationaal operationeel programma 2007-2013 voor investeringen
in menselijk kapitaal. Succesvolle deelnemers aan dit initiatief hebben
mogelijk belangstelling voor het aanvragen van een microkrediet, bijvoorbeeld
bij Microfinance Ireland (dat in het kader van de EPMF al een overeenkomst met
het EIF heeft gesloten), voor de financiering van een nieuw commercieel idee
dat zij hebben ontwikkeld. Er is nog ruimte voor verbetering in de mentoring
en opleiding die in combinatie met de EPMF-steun worden aangeboden. Dit is een
topprioriteit voor de Commissie en het EIF kan ervoor zorgen dat alle
intermediairs beter aan deze vereiste voldoen. Meer in het bijzonder dient het
EIF grondiger te kijken naar het aantal en de kwaliteit van de contracten
tussen kredietverstrekkers en organisaties die opleidingen en mentoring
verzorgen, en aandringen op een betere samenwerking, vooral met regelingen die door
het ESF worden ondersteund. Nationale en EU-steun kunnen zo worden gebruikt
dat zij elkaar aanvullen: dat is het geval in Oostenrijk, waar een van de twee
door de Erste Bank aangeboden producten kan profiteren van een verlaagd
garantiepercentage voor microkredieten (66,67 %) omdat het ook wordt
ondersteund door de Oostenrijkse regering. JASMINE is een gezamenlijk initiatief van de
Europese Commissie en het EIF om microkredietverstrekkers te helpen hun
activiteiten te verbeteren, uit te breiden en onafhankelijk te worden. Door het
EIF geselecteerde begunstigden ontvangen technische bijstand die bestaat in een
institutionele beoordeling of rating gevolgd door een op maat gemaakte
opleiding. Twaalf EPMF-intermediairs hebben al hun voordeel kunnen doen met dit
initiatief, waaronder - het meest recent - BCC Mediocrati en microStart in 2012. Jaarlijks worden acht tot tien workshops gehouden
waarop microkredietverleners steun voor bedrijfsontwikkeling ontvangen. Ook is
er een JASMINE-helpdesk om vragen te beantwoorden. In het kader van JASMINE is
een Europese gedragscode voor microkredietverstrekking ontwikkeld, die
richtsnoeren voor goede praktijken en gemeenschappelijke normen bevat. Deze
gedragscode ondersteunt de sector bij het aanpakken van uitdagingen in verband
met de toegang tot langetermijnfinanciering, het handhaven/verhogen van de
kwaliteit van diensten en het bevorderen van transparantie in de sector.
Conform de aanbevelingen in de gedragscode wordt deze de komende maanden
aangevuld met JASMINE Online, een internetapplicatie die informatie verschaft
over microkredietverstrekkers in de EU en waarop relevante verslagen worden
gepubliceerd. Aanbevolen wordt om bij de uitvoering van het vervolgprogramma
van de EPMF (zie punt 5) deze gedragscode in acht te nemen. Mogelijk wordt de
inachtneming ervan een voorwaarde voor microkredietverstrekkers voor het
verkrijgen van financiële middelen. 5. Conclusies en
vooruitzichten De EPMF beantwoordt aan een grote vraag van zowel
bancaire als niet-bancaire microkredietverstrekkers. Van de toegewezen 203 miljoen
EUR was in maart 2013 101 miljoen EUR vastgelegd voor
intermediairs (investeringen zijn nog mogelijk tot 2016). Uitgaande van de met
de kredietverstrekkers overeengekomen microkredietvolumes, ligt het huidige
hefboomeffect van 5,5 boven de doelstelling. De geografische reikwijdte van de faciliteit is
uitgebreid tot 15 lidstaten. Al bijna 50 miljoen EUR heeft de
eindbegunstigden bereikt. Daartoe behoren onder meer leden van kansarme
groepen, in het bijzonder vrouwen, jongeren, minderheden en laaggeschoolde
arbeiders. De EPMF heeft aanzienlijk bijgedragen aan het creëren van
werkgelegenheid en een groot percentage werkloze en inactieve jongeren aan werk
geholpen. In een tussentijds evaluatieverslag, dat voor 2014 staat gepland, zal
een meer diepgaande analyse van het programma worden gegeven. Er is ruimte voor verbetering voor de begeleidende
mentoring en opleiding van micro-ondernemers. De Commissie zal er bij het EIF
op blijven aandringen dat deze contractuele verplichting wordt nagekomen. Het
probleem van de gebrekkige institutionele capaciteit van
microkredietverstrekkers, waarvan wordt erkend dat het de uitbetaling van
kredieten vertraagd, wordt aangepakt via het vervolginstrument dat in het kader
van het Programma voor sociale verandering en innovatie 2014‑2020[15] zal worden ingesteld.
Behalve dat kredietportefeuilles zullen worden gefinancierd en de daaraan
verbonden risico's zullen worden gedeeld, zoals nu uit hoofde van de EPMF
gebeurt, zullen uit hoofde van het nieuwe (overkoepelende) instrument ook
financiële middelen worden verschaft voor capaciteitsopbouw van en technische
bijstand aan microkredietverstrekkers. De verordening tot instelling van het Programma
voor sociale verandering en innovatie 2014-2020 bevindt zich momenteel in de
laatste fasen van de trialoogonderhandelingen. De Commissie hoopt dat de
medewetgevers ermee akkoord zullen gaan dat het saldo van het EPMF-budget dat
overblijft nadat aan het einde van de looptijd van de faciliteit alle garanties
zijn opgeëist en alle leningen en investeringen in het eigen vermogen zijn
terugbetaald, op de begroting van dat programma wordt overgeschreven, zodat ten
volle gebruik wordt gemaakt van een renouvellerend EU-instrument dat het
scheppen van banen en financiële inclusie ondersteunt. [1] Meer informatie over het hefboomeffect van de EPMF is te
vinden onder het kopje "Hefboompotentieel". [2] Voorbereidende actie van het Europees Parlement getiteld
"Promoting a more favourable environment for microcredit in Europe". [3] Voor informatie over de wijze waarop
Progress-microfinanciering werkt, zie het uitvoeringsverslag van 2010 COM(2011)
195. [4] Patria Credit maakt gebruik van beide instrumenten. [5] Oorspronkelijk was een overeenkomst met First Step (IE)
gesloten. Na de oprichting van Microfinance Ireland moet First Step echter
stoppen met kredietverstrekking. [6] Er is één overeenkomst met Volksbank Slovenia gesloten.
De naam van deze entiteit is na de overname door Sberbank in Sberbank banka
veranderd. In het verslag wordt deze entiteit onder haar huidige naam
aangeduid. [7] In tegenstelling tot gefinancierde instrumenten. [8] Inclusief de bijdrage van de EIB. [9] De niet-achtergestelde lening aan de Pancretan Cooperative
Bank waarvan in het vorige verslag melding wordt gemaakt, is niet verstrekt en
wordt in zijn geheel vrijgemaakt. [10] De uitbetalingen aan de Banca Popolare di Milano (IT) en
de uitbetaling van een tweede lening aan de Créa-Sol zijn aanstaande. Een
uitbetaling aan de Pancreatan Cooperative Bank (EL) is vanwege onverwachte
systemische veranderingen onmogelijk gebleken. [11] Inclusief de overeenkomst met First Step. [12] Het verschil tussen het aantal microkredieten en het
aantal begunstigden kan worden toegeschreven aan het feit dat in sommige
gevallen de methode van het tweetrapskrediet wordt toegepast, waarbij de
kredietnemer eerst een klein bedrag ontvangt en na enige tijd een aanvullend
krediet. Het totale bedrag van een krediet is nooit groter dan 25 000 EUR
per klant. [13] http://epp.eurostat.ec.europa.eu/cache/ITY_OFFPUB/KS-SF-12-040/EN/KS-SF-12-040-EN.PDF. [14] http://ec.europa.eu/enterprise/newsroom/cf/itemdetail.cfm?item_id=6358&lang=en&title=Unleashing-Europe’s-entrepreneurial-potential-to-bring-back-growth. [15] COM(2011) 609 definitief.