This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0463
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL Eighth progress report on economic, social and territorial cohesion The regional and urban dimension of the crisis
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Achtste voortgangsverslag over de economische, sociale en territoriale cohesie De regionale en stedelijke dimensie van de crisis
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Achtste voortgangsverslag over de economische, sociale en territoriale cohesie De regionale en stedelijke dimensie van de crisis
/* COM/2013/0463 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Achtste voortgangsverslag over de economische, sociale en territoriale cohesie De regionale en stedelijke dimensie van de crisis /* COM/2013/0463 final */
INHOUD 1........... Inleiding. 3 2........... Achtergrond. 3 2.1........ Krimp
van bbp en werkgelegenheid. 3 2.2........ Daling
van de nationale en subnationale financiering. 4 2.3........ De bouw
en de verwerkingsindustrie zijn de grootste slachtoffers van de recessie. 5 2.4........ Herstel
van de uitvoer 5 2.5........ Afname
van directe buitenlandse investeringen. 7 2.6........ Toenemend
risico op armoede en uitsluiting. 8 3........... De
gevolgen op regionaal niveau. 11 3.1........ Bbp en
werkgelegenheid in de eerste drie crisisjaren. 12 3.2........ Stijging
van de werkloosheid, met name in de zuidelijke regio's. 13 3.3........ Tragere
migratiestromen. 13 4........... De
gevolgen op stedelijk niveau. 14 4.1........ Metroregio's:
een combinatie van flexibiliteit en kwetsbaarheid. 14 4.2........ Steden
en de crisis. 15 5........... Het
cohesiebeleid en de crisis. 17 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD Achtste voortgangsverslag over de
economische, sociale en territoriale cohesie De regionale en stedelijke dimensie van
de crisis 1. Inleiding In de nasleep van de ergste recessie van de
laatste vijftig jaar gaat in 2014 de programmeringsperiode van het
cohesiebeleid van start. De crisis heeft de convergentie van het regionale bbp
per hoofd van de bevolking en van de ontwikkelingen in de werkloosheid binnen
de EU teruggedraaid. De uitdaging op dit moment is dan ook om snel weer de weg
naar een solide economische groei in te slaan, met name in de minder
ontwikkelde regio's en steden. Ter ondersteuning van de komende
onderhandelingen over het programma wordt in dit verslag aandacht besteed aan
de veranderingen als gevolg van de crisis die van invloed zijn op de context en
de prioriteiten van nieuwe programma's. In dit verslag wordt allereerst als
achtergrond een overzicht gegeven van de belangrijkste ontwikkelingen op
nationaal niveau. Vervolgens komen de gevolgen van de crisis aan de orde voor
de regio's en steden en voor de steeds groter wordende ongelijkheden. Tot slot
wordt beschreven op welke wijze de veranderende economische omstandigheden van
invloed zijn op de toekomstige cohesieprogramma's en wordt de noodzaak van een
sterke thematische concentratie benadrukt. Dit verslag is een vervolg op het zevende
voortgangsverslag, dat in 2011 is gepubliceerd. Het wordt in 2014 aangevuld met
de bekendmaking van het zesde cohesieverslag, waarin ook onderwerpen aan de
orde komen als innovatie, klimaat en milieu, die niet in dit verslag konden
worden opgenomen. 2. Achtergrond 2.1. Krimp van bbp en werkgelegenheid In de EU trad in het tweede kwartaal van 2008
een recessie in die vijf kwartalen zou duren. Sinds die recessie kan de groei,
wat het bbp betreft, in het algemeen als traag worden aangemerkt. In het
laatste kwartaal van 2011 en in de eerste twee kwartalen en het laatste
kwartaal van 2012 is het bbp van de EU wederom gekrompen. Indien het bbp in het
eerste kwartaal van 2013 verder krimpt, is er sprake van een "triple-dip"
recessie. Het algemene effect van de crisis op het bbp
en de werkgelegenheid was tussen 2007 en 2011 het grootst in de drie Baltische
staten, Ierland, Griekenland en Spanje (zie het werkdocument van de diensten
van de Commissie, figuur 1). In de Baltische staten en Ierland is in 2010 en
2011 de groei weer ingezet en deze zal naar verwachting tot in 2014 doorzetten.
Spanje en Griekenland laten echter nog geen
consistente groei zien. In 2011 was er in Spanje weliswaar sprake van groei,
maar in 2012 is het bbp weer gekrompen. Uit de voorlopige bbp‑cijfers van
Griekenland blijkt dat de recessie aanhoudt en zelfs nog erger wordt. Het
Griekse bbp is in 2011 met circa 7 % afgenomen en begint wellicht pas in
2014 weer toe te nemen. Daarnaast heeft Cyprus sinds 2012 te kampen
met een financiële crisis die tot een scherpe daling van het bbp en van de
werkgelegenheid heeft geleid, een trend die naar verwachting tot in 2014 zal
voortduren. Daarentegen hebben negen lidstaten een
relatief milde recessie doorgemaakt of, zoals in het geval van Polen, slechts
een tragere groei ondervonden. 2.2. Daling van de nationale en subnationale financiering De economische en financiële crisis heeft op
vier manieren tot een aanzienlijke toename van de totale overheidsschulden
geleid (zie factsheet 1). In de eerste plaats hebben verschillende nationale
overheden de financiële sector door de herkapitalisatie van banken en door de
inbreng van activa ondersteund. In de tweede plaats zijn door de vertraging van
de economische activiteit de belastinginkomsten gedaald en de sociale uitgaven
(bv. aan ww‑uitkeringen) gestegen. In de derde plaats hebben regeringen
stimuleringspakketten aangenomen om de vraagzijde een impuls te geven. En in de
vierde plaats is ook de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp (hierna
"de overheidsschuldquote" genoemd) gestegen als gevolg van de geringe
groei van het bbp. Hierdoor is de overheidsschuldquote in de EU
tussen het eerste kwartaal van 2008 en het vierde kwartaal van 2012 gestegen
van 59 tot 85 %. Op nationaal niveau was de toename het hoogst in Ierland
(90 procentpunten), Portugal (56 procentpunten) en Griekenland en Spanje
(allebei 49 procentpunten). Lidstaten die failliet gaande banken hebben
overgenomen, kunnen hun schuld wellicht terugdringen door de resterende activa
van die banken te verkopen, maar de waarde daarvan blijft onzeker. Hoge overheidsschulden kunnen twijfels
oproepen over de mogelijkheden van die overheid om op lange termijn aan haar
rente- en/of aflossingverplichtingen te voldoen. Dit kan tot hogere
rentetarieven en rentebetalingen leiden. De hogere belastingen die nodig zijn
om de schuld af te lossen, kunnen vervolgens weer als een rem op de groei
fungeren. In de periode 2011-2013 hebben veel lidstaten
een financiële consolidatie in gang gezet door met name op hun uitgaven te
bezuinigen (-1,5 % van het bbp in de EU in 2011 ten opzichte van 2010). Er
is daarbij voornamelijk bezuinigd op groeivriendelijke uitgaven. Als gevolg
daarvan zullen de overheidsinvesteringen (in dit geval: de brutoinvesteringen
in vaste activa) als percentage van het bbp in 2013 in 18 lidstaten lager zijn
dan in 2011. Die bezuinigingen kunnen van invloed zijn op de groei op de
middellange termijn. De overheidsschuld heeft niet in alle landen
dezelfde invloed. Zo bedraagt de overheidsschuld van Estland slechts 10 %
van het bbp. Slechts 13 lidstaten hebben een overheidsschuld die lager is dan
60 % van hun bbp: de drie Noordse lidstaten, Luxemburg en negen van de
tien Midden- en Oost-Europese lidstaten. De crisis is op twee manieren van
invloed op de subnationale overheden. In de eerste plaats heeft de crisis
geleid tot minder belastinginkomsten en tot belastingverlagingen om de groei te
stimuleren. In de tweede plaats heeft de crisis de lokale vraag naar
overheidsdiensten en sociale zekerheid verhoogd, hetgeen tot meer
overheidsuitgaven heeft geleid. Door de financiële consolidatie wordt de druk
op de begrotingen van de subnationale overheden vergroot. Zij worden nog steeds
geconfronteerd met grotere sociale uitgaven en moeten hun uitgaven terugdringen
en meer inkomsten genereren. Hun financiële problemen kunnen ook van invloed
zijn op de openbare diensten die zij verlenen. Een groeivriendelijke consolidatie moet ervoor
zorgen dat verminderingen van de schulden van de centrale overheid niet worden
teniet gedaan door hogere schulden van de subnationale overheden. Een
dergelijke gecoördineerde schuldreductie moet tevens waarborgen dat overheidsinvesteringen
die de groei stimuleren, met inbegrip van de investeringen die in het kader van
het cohesiebeleid medegefinancierd worden, op eenzelfde peil blijven. 2.3. De bouw en de verwerkingsindustrie zijn de grootste
slachtoffers van de recessie Hoewel de crisis in de financiële en
verzekeringssector is begonnen, was het aandeel van deze sector in de bruto
toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de EU in 2011 grofweg hetzelfde als
in 2007. In de zes lidstaten die het hardst door de crisis getroffen zijn, is
tussen 2007 en 2011 de werkgelegenheid in deze sector echter met 1 % en de
bruto toegevoegde waarde met 1,8 % per jaar gedaald (zie het werkdocument
van de diensten van de Commissie, figuur 2). Tussen 2007 en 2011 zijn zowel de bruto
toegevoegde waarde als de werkgelegenheid in de bouw in de Unie met 3 %
per jaar gedaald. In de zes lidstaten die het hardst door de crisis getroffen
zijn bedroeg die daling zelfs 10 tot 20 % per jaar voor de werkgelegenheid
en 6 tot 20 % voor de bruto toegevoegde waarde. Deze drastische dalingen in de bouwsector
houden verband met de vastgoedzeepbel en de daaruit voortvloeiende
ineenstorting van de huizenprijzen in een aantal lidstaten. Tussen 2007 en 2012
zijn de vastgoedprijzen in Ierland[1], Letland en Estland met
30 tot 50 % gedaald (zie factsheet 2). In Portugal zijn die prijzen tot nu
toe met 9 % gedaald. De Eurostat-cijfers voor Griekenland wijzen op een
gematigde stijging tussen 2007 en 2010, maar uit andere bronnen[2]
blijkt dat de prijzen sinds 2010 aan het dalen zijn. In het algemeen kunnen
meer prijsdalingen niet worden uitgesloten. De verwerkingsindustrie is tussen 2007 en 2011
zwaar getroffen met een daling van meer dan 2 % per jaar. In de zes
lidstaten die het hardst door de crisis getroffen zijn, bedroeg de gemiddelde
jaarlijkse krimp bijna 5 %. De daling van de bruto toegevoegde waarde is
met 0,9 % gematigd te noemen. De veranderingen in de bruto toegevoegde
waarde hadden wel een variabeler karakter, waarbij de grootste dalingen in de
betreffende periode zich in Griekenland (-6 %) en Finland (-5 %)
hebben voorgedaan, en de grootste stijgingen in Slowakije (8 %) en Ierland
(4 %) (zie het werkdocument van de diensten van de Commissie, figuur 3).
De krimp in de verwerkingsindustrie hield nauw verband met de krimp in de
handel. 2.4. Herstel van de uitvoer In het kielzog van de crisis werd er nauwelijks
nog krediet verleend, waardoor de investeringen en de consumptie terugliepen.
Hierdoor werden er ook minder goederen verhandeld en verspreidde de recessie
zich al snel over belangrijke handelspartners, hetgeen tot nog meer inkomsten-
en/of banenverlies leidde. Hoewel de uitbreiding in 2004 nog een impuls aan de
handel in de EU gaf, zorgde de crisis voor een acute terugval (zie figuur 1). Figuur 1:
Veranderingen in het handelsvolume in de EU, 2000-2011 In 2008 nam de
uitvoer nog toe, zij het in een veel trager tempo, terwijl de groei in het
invoervolume bijna tot nul was gedaald. In 2009 namen zowel de uitvoer als
invoer met 15 % af tot een niveau dat vergelijkbaar was met dat in 2005. De Midden- en Oost-Europese lidstaten hadden
met de grootste daling van de invoer te maken (zie factsheet 3). De meeste
landen die vanaf 2004 tot de EU zijn toegetreden, maakten – voordat zij door de
crisis werden getroffen – een periode van grote economische groei door dankzij
een hoog investerings- en consumptieniveau. In de westelijke lidstaten daalde de uitvoer
sterker dan de invoer omdat de binnenlandse consumptie en investeringen, in
ieder geval in de beginfase, minder van de crisis te lijden hadden. De mondiale
daling aan de vraagzijde veroorzaakte een afname van de uitvoer, waardoor de
productie in de verwerkingsindustrie afnam. De uitvoer herstelde zich gelukkig
snel en in 2010 was het uitvoervolume vergelijkbaar met dat van 2007. De
gevolgen van de abrupte daling van de uitvoer bleven echter nog steeds voelbaar
op de arbeidsmarkt. 2.5. Afname van directe buitenlandse investeringen Als gevolg van de crisis nam het volume van de
directe buitenlandse investeringen (hierna "DBI" genoemd) in snel
tempo af. Veel buitenlandse investeerders sluisden de beschikbare middelen
terug naar hun moedermaatschappijen. Door de toetreding tot de EU hadden de
Midden- en Oost-Europese lidstaten dankzij de interne markt en de tenuitvoerlegging
van het acquis van de EU gemakkelijker toegang gekregen tot DBI.
Aangezien DBI een bijdrage kunnen leveren aan een grotere efficiëntie, aan
overdracht van innovatieve technologieën en aan een hogere productiviteit in de
ontvangende landen, speelt de instroom van DBI een belangrijke rol in de minder
ontwikkelde lidstaten bij het scheppen van werkgelegenheid en het moderniseren
van hun economieën. De DBI-stromen uit andere lidstaten en van
buiten de Unie stegen tussen 2004 en 2007 in snel tempo. Tussen 2004 en 2007
namen de inkomende investeringsstromen met een factor vier toe (zie figuur 2).
Toen in 2008 en 2009 de mondiale kredietsituatie echter verslechterde, namen
ook de inkomende investeringsstromen af. Het laagste punt werd in 2010 bereikt
en was vergelijkbaar met het niveau in 2004. In 2011 begonnen de
investeringsstromen weer toe te nemen. De DBI-stromen vormen overigens geen
weerspiegeling van de aandelenbelangen in handen van buitenlandse
investeerders. Het aantal aandelen dat in andere landen werd gehouden, steeg
tussen 2004 en 2007 met bijna 60 %. Die stijging is nooit teruggedraaid.
In 2011 was het aantal aandelen in buitenlandse handen meer dan twee keer zo
hoog als in 2004. In sommige EU-landen vormen de inkomende
DBI-stromen een belangrijke kapitaal- en investeringsbron. Zo bedroeg de
gemiddelde DBI-instroom (netto) van 2005 tot 2007 tussen de 15 en 23 % van
het bbp in Bulgarije, Malta, België en Estland. De crisis leidde in tien
Midden- en Oost-Europese lidstaten tot een snelle terugval in de DBI-instromen.
De daling bedroeg in de perioden 2005-2007 en 2008-2010 tussen de 1,5 en 6 %
van hun bbp, met uitzondering van Bulgarije waar het bbp met 12 % daalde
(zie factsheet 4). Figuur 2: Directe buitenlandse investeringen in de EU,
2004-2011 2.6. Toenemend risico op armoede en uitsluiting Op EU-niveau heeft de crisis ertoe geleid dat
een groter deel van de bevolking risico op armoede of sociale uitsluiting
loopt. Tussen 2009 en 2011 is dat aandeel met 1 procentpunt toegenomen. Alle
drie de componenten (het armoederisicopercentage, ernstige materiële deprivatie
en een zeer lage werkintensiteit) vertonen eveneens een stijgende lijn, met
name de zeer lage werkintensiteit (zie figuur 3). De gevolgen hiervan zullen in
de toekomst waarschijnlijk nog groter worden, aangezien de crisis nog niet
voorbij is en het enige tijd duurt voordat het effect voelbaar wordt. De gevolgen voor het risico op armoede of
uitsluiting zijn het grootst in de zes lidstaten die het hardst door de crisis
getroffen zijn, maar ook in Italië en Bulgarije is de impact aanzienlijk. In
een aantal grote lidstaten was echter slechts sprake van een kleine toename
(zoals in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) of zelfs van een lichte daling
van het risico op armoede of uitsluiting (bijvoorbeeld in Polen en Roemenië). Figuur 3: Armoede en
sociale uitsluiting in de EU, 2005-2011 In de nasleep van de
crisis werden veel mensen als gevolg van ontslagen of een vermindering van de arbeidstijden
of van de salarissen met een lager inkomen geconfronteerd. In de zes lidstaten
die het die het hardst door de crisis getroffen zijn, is het reële bruto alternatieve
beschikbare inkomen na de crisis aanzienlijk gedaald (zie figuur 4). In de Baltische staten is het reële bruto alternatieve
beschikbare gezinsinkomen (per hoofd van de bevolking) tussen 2005 en 2008 snel
gestegen, waarna het vervolgens sterk is gedaald. In Letland is het beschikbare
inkomen in 2009 met bijna een vijfde afgenomen. Sinds 2010 neemt het beschikbare
inkomen in alle drie de Baltische lidstaten weer toe, maar in geen van die
landen is het niveau van vóór de crisis alweer bereikt. In Griekenland, Spanje en Ierland is het
niveau van het beschikbare inkomen aanzienlijk hoger dan in de Baltische
staten, maar de situatie loopt hier meer uiteen. In Spanje en Ierland werd het
effect van de crisis pas in 2009 merkbaar. Sindsdien is het beschikbare inkomen
in beide landen met circa 8 % gedaald waarbij zij weer op het niveau van
2005 zijn aanbeland. In Griekenland begon het beschikbare inkomen al in 2007
langzaam te dalen, maar ging het in 2009 en 2010 zeer snel bergafwaarts. Dat
heeft ertoe geleid dat het beschikbare inkomen in Griekenland in 2011
aanzienlijk onder het niveau van 2005 lag. Als gevolg van reducties in het mediane inkomen,
en dus de armoededrempel, neemt het armoederisicopercentage tijdens een
recessie vaak af. Om dit effect te voorkomen, wordt in dit gedeelte een
armoededrempel gehanteerd die overeenkomt met het niveau van 2005. Figuur 4: Reëel
bruto alternatief beschikbaar gezinsinkomen (per hoofd van de bevolking),
2005-2011 In Ierland is
het aantal mensen dat risico op armoede loopt op basis van de drempel van 2005
toegenomen van 10 % in 2008 tot meer dan 15 % in 2010 (zie Figuur 5). Dat percentage is in Spanje tot 20 %
en in Griekenland tot 23 % opgelopen. Als gevolg van de hoge inkomensgroei
van begin 2005 tot 2011 is het armoederisicopercentage op basis van de drempel
van 2005 na de crisis slechts licht gestegen in de Baltische staten (tot 10 %
of minder) en is het niveau van voor de crisis in deze landen niet meer
bereikt. Figuur 5:
Armoederisicopercentage op basis van de drempel van 2005, 2006-2011 Het percentage mensen dat een risico op
armoede loopt op basis van de drempel van 2005 is in België, Hongarije,
Duitsland, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk licht gestegen. In
de overige delen van de EU is dat percentage afgenomen of gelijk gebleven. Het percentage van de bevolking tussen de 0 en
59 jaar dat in een huishouden woont met een zeer lage werkintensiteit, is na de
crisis toegenomen, maar lag op EU-niveau nog steeds onder de waarden van 2006.
In de zes lidstaten die het hardst door de crisis getroffen zijn, is dat
percentage tussen 2007 en 2011 echter met 4 tot 9 procentpunten gestegen (zie
figuur 6). Figuur 6: Zeer lage werkintensiteit, 2005-2011 Het percentage van de bevolking met ernstige
materiële deprivatie, d.w.z. mensen die zich de aanschaf van vier van negen
primaire items niet kunnen veroorloven, is tussen 2005 en 2010 op EU-niveau van
11 tot 8 % afgenomen. Roemenië en Bulgarije kennen de hoogste percentages
en beide landen zijn erin geslaagd om het percentage van de bevolking met
ernstige materiële deprivatie in 2010 terug te brengen tot 31 % en 35 %.
In 2011 is het percentage voor de EU echter weer gestegen. Tussen 2008 en 2011 is de ernstige materiële
deprivatie het sterkst toegenomen in Letland[3] (12
procentpunten), Litouwen (6 procentpunten), Hongarije (5 procentpunten) en
Griekenland (4 procentpunten). In 2010 is dat percentage in Ierland met 2
procentpunten toegenomen tot 7,5 %, en dat is hoog gezien de
inkomensniveaus in dit land. In Spanje, een land met een iets lager
inkomensniveau, was dat aandeel slechts 4 %. Polen heeft een opvallende
vermindering van het percentage van de bevolking met ernstige materiële
deprivatie gerealiseerd, van 18 % in 2008 tot 13 % in 2011. Voor een uitgebreidere analyse van de
veranderingen op het gebied van armoede en sociale uitsluiting wordt verwezen
naar hoofdstuk 2 van het verslag Employment and Social Developments in
Europe 2012[4]. 3. De
gevolgen op regionaal niveau De crisis heeft
een einde gemaakt aan een lange periode waarin regionale verschillen in bbp per
hoofd van de bevolking en in werkloosheidcijfers werden teruggedrongen. Tussen
2000 en 2008 zijn de regionale verschillen in bbp per hoofd van de bevolking
elk jaar kleiner geworden (zie figuur 7). In 2009 kwam hieraan een einde en in
2010 en 2011 zijn de verschillen zelfs weer groter geworden. Figuur 7: Regionale
convergentie en de crisis De regionale werkloosheidspercentages zijn
tussen 2001 en 2007 geconvergeerd, maar zijn vervolgens van 2007 tot 2012 elk
jaar weer gedivergeerd. Ook in EU15 is er sinds 2007 zowel wat betreft het bbp
per hoofd van de bevolking als de regionale werkloosheid, sprake van toenemende
verschillen. 3.1. Bbp en werkgelegenheid in de eerste drie crisisjaren Tussen 2007 en 2010 heeft twee derde van de
regio's te maken gehad met een krimp van het bbp tot 6 % per jaar. Tot de
tien regio's waar het bbp tussen 2007 en 2010 het meest gekrompen is, behoren
de drie Baltische staten en zeven regio's in zeven verschillende lidstaten (zie
factsheet 5). In deze regio's is het bbp met meer dan 3 % gekrompen. Hieronder
bevinden zich geen Spaanse of Griekse regio's. Spanje komt niet in de top tien
voor omdat de daling van het bbp in dit land kleiner was dan die van de
werkgelegenheid. Griekenland komt niet in de top tien voor omdat de grootste krimp
van het bbp zich na 2010 heeft voorgedaan. Wat Cyprus betreft, is in 2012 zowel
de krimp van de werkgelegenheid als van het bbp begonnen en de verwachting is
dat deze ontwikkeling zich tot in 2014 voortzet. In een aantal lidstaten kent de
hoofdstedelijke regio het hoogste groeipercentage; dat geldt onder andere voor
Bulgarije, Duitsland, Slowakije en Polen. In dezelfde periode werd voor één op de twee
regio's een krimp van de totale werkgelegenheid geconstateerd. In de Baltische
staten, drie Spaanse regio's, de twee Ierse regio's en één regio in Bulgarije
is de werkgelegenheid met meer dan 4 % per jaar gedaald (zie factsheet 5).
De krimp van de Griekse werkgelegenheid heeft pas na 2010 plaatsgevonden en dat
is de reden dat dit land niet voorkomt in de lijst met meest getroffen regio's. In het algemeen is de koppeling tussen het
regionale bbp en de veranderingen in de werkgelegenheid in de betreffende jaren
klein, omdat het tijd kost voordat verminderingen in de output een effect op de
werkgelegenheid hebben. Daarnaast was een aantal beleidsmaatregelen
rechtstreeks gericht op het in stand houden van de (parttime) werkgelegenheid
tijdens de crisis. 3.2. Stijging van de werkloosheid, met name in de zuidelijke
regio's Op EU-niveau zijn de werkloosheidspercentages
tussen 2008 en 2010 van 7 tot 10 % gestegen. De werkloosheidspercentages
in de lidstaten die het hardst door de crisis zijn getroffen, zijn echter
verdubbeld of zelfs verdrievoudigd met stijgingen van meer dan 8 procentpunten
in vijf lidstaten en tot 17 procentpunten in Spanje (zie factsheet 6). De
werkloosheidspercentages in de vijf lidstaten die met betrekking tot deze
indicator het hardst getroffen zijn, varieerden van 12 % in Cyprus tot 25 %
in Spanje[5]. De werkloosheid is ook aanzienlijk toegenomen
in Letland, Estland, Slovenië, Slowakije en Denemarken. Aan de andere kant is
het werkloosheidpercentage in Duitsland gedaald en is het percentage in
Luxemburg, Malta, België en Oostenrijk vrijwel onveranderd gebleven. In het algemeen hadden vier op de vijf
EU-regio's tussen 2008 en 2010 te kampen met een stijging van de werkloosheid.
Voor de meeste van die regio's vond de grootste stijging in deze periode
plaats. Meer dan een derde van deze regio's is er sinds 2010 in geslaagd om de
werkloosheid weer terug te dringen. In overeenstemming met de aanbevelingen van
het Europees economisch herstelplan heeft een aantal lidstaten maatregelen
genomen om een buitensporig banenverlies te voorkomen en om de criteria voor
uitkeringen te verruimen en de duur ervan te verlengen. Op EU-niveau is de jeugdwerkloosheid
toegenomen van 16 % in 2008 tot 21 % in 2011 (zie factsheet 7). In 52
regio's was één op de drie economisch actieve jongeren werkloos. In elf van
deze regio's was dat zelfs een op de twee jongeren, met name in regio's in
Spanje en Griekenland. Daarnaast is het percentage jongeren tussen de 15 en 24
jaar zonder scholing, werk of stage (not in employment, education or training
- NEET) eveneens gestegen; tussen 2008 en 2011 zijn de NEET-percentages in
bijna vier op de vijf regio's toegenomen, met name in Roemenië, Griekenland en
het Verenigd Koninkrijk (zie factsheet 8). 3.3. Tragere migratiestromen Tussen 2004 en 2008 is het aantal ingezetenen
dat buiten het land woont waarvan zij staatsburger zijn, in EU27 met 1,5
miljoen personen per jaar toegenomen. Dientengevolge is het overeenkomstige
percentage van de totale bevolking van EU27 gestegen van 5,1 tot 6,2 %. In
de periode tussen 2009 en 2011 is die jaarlijkse toename gedaald tot 0,9
miljoen personen, hetgeen tot een aandeel van 6,7 % in 2011 heeft geleid. Tussen 2004 en 2008 heeft in Ierland, Spanje
en Cyprus een toename van het aandeel aan buitenlanders met meer dan 4 procentpunten
plaatsgevonden, waarbij de betreffende migranten voornamelijk afkomstig waren
uit de lidstaten die in 2004 of 2007 tot de EU zijn toegetreden. In diezelfde
periode kenden ook Italië, Portugal, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk een
substantiële toename van het percentage buitenlandse burgers. Het grootste effect van de crisis op de
migratie deed zich voor in regio's met de meest omvangrijke instroom aan
arbeidsmigranten in de periode vóór de crisis. De teruggang van de migratie was
weliswaar het sterkst in Spanje, Ierland, Cyprus en sommige regio's in het
Verenigd Koninkrijk en Italië (zie factsheet 9), maar wel nog steeds
positief. Veel regio's in Spanje, Zuid-Frankrijk en Noord-Italië behoorden nog
altijd tot de gebieden met de hoogste positieve nettomigratie. De crisis heeft de emigratie vanuit Litouwen
en Letland versneld. In Polen werd de negatieve nettomigratie minder negatief
in de grensregio's en verder steeg de positieve nettomigratie in de
hoofdstedelijke regio. De negatieve nettomigratie in Roemenië nam af als gevolg
van migranten die uit Spanje terugkeerden. Aangezien de crisis blijft
voortduren, kunnen de toenemende verschillen in regionale
werkloosheidspercentages en lonen in de toekomst een nog groter effect op de
migratie hebben. De snelle daling van de werkgelegenheid in de
bouw en in de industriële sector heeft bijgedragen aan de afname van de
nettomigratie in Spaanse regio's en in Noord-Italië. Over het algemeen
vertoonde de nettomigratie de neiging om meer te dalen in regio's met een hoog
percentage migranten uit andere lidstaten. 4. De
gevolgen op stedelijk niveau Om de gevolgen voor stedelijke gebieden te
analyseren, worden in dit verslag twee ruimtelijke concepten gebruikt:
metroregio's en steden. 1) Metroregio's zijn NUTS3-regio's die een
stedelijke agglomeratie van meer dan 250 000 inwoners vormen. Op
basis van dit uitgangspunt is een stadgerichte interpretatie van veranderingen
van het bbp en de werkgelegenheid mogelijk. 2) Steden worden op lokaal niveau
gedefinieerd en omvatten de belangrijkste steden in de EU. Op basis van dit
concept zijn geaggregeerde gegevens beschikbaar over werkgelegenheid en armoede
voor alle steden in een land. 4.1. Metroregio's: een combinatie van flexibiliteit en
kwetsbaarheid In twee op de drie lidstaten[6]
is het bbp per hoofd van de bevolking (uitgedrukt in koopkrachtstandaard – KKS)
tussen 2007 en 2010 gemiddeld gestegen ten opzichte van het betreffende land
als geheel (zie het werkdocument van de diensten van de Commissie, figuur 4).
In de twaalf lidstaten waarin het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte
van de EU is toegenomen, presteerden de metroregio's beter dan de rest van het
land. In acht van de twaalf lidstaten met een daling van het bbp per hoofd van
de bevolking ten opzichte van de EU, nam het bbp per hoofd van de bevolking in
metroregio's sneller af dan in het betreffende land als geheel. Dit patroon van een snellere bbp-toename in
groeiende economieën en een snellere afname van het bbp in de meeste krimpende
economieën zou erop kunnen duiden dat stedelijke economieën weliswaar
flexibeler reageren op een hausse, maar ook gevoeliger zijn voor een baisse. Ondanks de goede resultaten van metroregio's
in het algemeen, zagen meer dan drie op de vijf metroregio's het bbp per hoofd
van de bevolking tussen 2007 en 2010 afnemen ten opzichte van het landelijke
resultaat. De kleinere metroregio's presteerden daarbij het slechtst; 74 %
bleef achter bij het landelijke resultaat. Ook de metroregio's met een
gemiddelde omvang presteerden niet goed; 54 % van die regio's bleef achter.
Alleen de hoofdstedelijke metroregio's lieten betere resultaten zien; slechts
30 % van die regio's presteerde slechter dan het land als geheel. In de meeste lidstaten was de werkgelegenheid[7]
in metroregio's tussen 2007 en 2010 beter bestand tegen de crisis dan in de
andere regio's (zie het werkdocument van de diensten van de Commissie, figuur
5). Slechts in Finland, Griekenland, Hongarije en Letland daalde de
werkgelegenheid in de andere regio's langzamer dan in metroregio's. Net als bij de veranderingen in het bbp per
hoofd van de bevolking, zijn de veranderingen in de werkgelegenheid niet voor
alle metroregio's groter dan de veranderingen op landelijk niveau. Slechts de
helft van de metroregio's had een kleinere daling (of snellere groei) van de
werkgelegenheid dan de andere regio's in het betreffende land. Iets meer dan de
helft van de metroregio's met een gemiddelde omvang presteerde beter dan het
betreffende land als geheel. Dat gold eveneens voor iets minder dan de helft
van de kleinere metroregio's. De hoofdstedelijke regio's boekten daarentegen
veel betere resultaten: negen op de tien presteerden beter qua werkgelegenheid
dan het landelijk gemiddelde. Negen hoofdstedelijke metroregio's noteerden
zelfs een groei van de werkgelegenheid ondanks een daling van de nationale
werkgelegenheid. In het Verenigd Koninkrijk en Spanje
presteerde ongeveer de helft van de metroregio's op werkgelegenheidsgebied
slechter dan de andere regio's. In Griekenland en Hongarije gold dat voor
vrijwel alle metroregio's. In de meeste lidstaten echter boekten alle of de
meeste metroregio's qua werkgelegenheid betere resultaten dan de andere
regio's. Dat was met name het geval in Polen, Slowakije, Tsjechië, Roemenië en
Bulgarije. In de eerste drie crisisjaren hebben de meeste
metroregio's, en meer in het bijzonder de hoofdstedelijke metroregio's,
aangetoond dat zij over de nodige veerkracht beschikken. De metroregio's met
een gemiddelde omvang presteerden minder goed, terwijl de kleinere metroregio’s
behoorlijk kwetsbaar bleken te zijn. De meerderheid van die kleinere
metroregio's bleef, wat betreft de veranderingen in het bbp per hoofd van de
bevolking en in werkgelegenheid, achter bij de resultaten op nationaal niveau. 4.2. Steden en de crisis Armoede en sociale uitsluiting zijn
voornamelijk in de steden geconcentreerd, met name in Noordwest-Europa. Door de
crisis is die concentratie nog verder versterkt. Het risicopercentage voor
armoede of sociale uitsluiting (RASU) is in de steden in de EU met 1 procentpunt
gestegen terwijl die toename in gebieden buiten de steden slechts 0,5 procentpunt
bedroeg (zie Figuur 8). Figuur 8: Wijziging in
het risico op armoede of sociale uitsluiting, 2008-2011 In 2011 liepen mensen die in steden in EU15
woonden, een groter risico op armoede of sociale uitsluiting dan de mensen die
niet in een stad woonden (zie figuur 9). Daarnaast komen de drie componenten
waaruit dat risico is opgebouwd, in de steden vaker voor dan daarbuiten. In
EU12 lijkt de situatie juist omgekeerd. Mensen die in steden wonen, hebben een
aanzienlijk kleiner risico op armoede of sociale uitsluiting. Figuur 9: Risico op
armoede of sociale uitsluiting in steden, 2011 In de steden in 18 lidstaten is de ernstige
materiële deprivatie (EMD) hoger dan buiten die steden. Een zeer lage
werkintensiteit (ZLW) komt in 15 lidstaten vaker voor (zie factsheet 10)
en het risico op armoede is in de steden in 10 lidstaten hoger dan in andere
gebieden. Het hoge percentage huishoudens met een zeer
lage werkintensiteit in steden, waar toch sprake is van een hoge concentratie
aan banen, is enigszins paradoxaal. Dit zou een gevolg kunnen zijn van het feit
dat vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten, van de hoeveelheid onzekere
banen of van het hoge percentage eenpersoonshuishoudens in steden. Het zou ook
verband kunnen houden met het grotere percentage van inwoners in de steden die
buiten de EU zijn geboren. In
elf van de lidstaten van EU15[8] hadden mensen die buiten
de EU waren geboren, een veel grotere kans om in een huishouden met een zeer
lage werkintensiteit te wonen. In 2010 was het aandeel van mensen met een zeer
lage werkintensiteit die niet in de EU waren geboren, ten minste 6
procentpunten hoger dan het aandeel van mensen die in het land woonden waar ze
ook geboren waren. Veel mensen die van buiten de EU afkomstig zijn, worden met
meerdere obstakels geconfronteerd bij de toegang tot de arbeidsmarkt, zoals het
niet beheersen van de lokale taal, een gebrek aan vaardigheden, geen erkenning
van hun (beroeps)kwalificaties en discriminatie. Net als bij armoede en sociale uitsluiting
hebben de steden in de meer ontwikkelde lidstaten vaak lagere
werkgelegenheidspercentages en hogere werkloosheidspercentages dan
provinciesteden, randgemeenten en plattelandsgebieden (zie figuur 10), terwijl
voor de minder ontwikkelde lidstaten het tegenovergestelde geldt. Dit patroon
is door de crisis niet veranderd. Figuur 10:
Werkgelegenheid en werkloosheid in steden en overige gebieden, 2008-2011 5. Het
cohesiebeleid en de crisis In dit verslag wordt een toelichting gegeven
op enkele belangrijke onderwerpen waaraan in het kader van de
cohesieprogramma's voor de periode 2014-2020 aandacht zou moeten worden
besteed. Door de lagere werkgelegenheidspercentages en
de toenemende armoede en sociale uitsluiting als gevolg van de crisis is het
moeilijker geworden om de doelstellingen van Europa 2020 te verwezenlijken.
Bovendien wordt door de toenemende regionale ongelijkheden een van de
belangrijkste doelstellingen van de Europese Unie en het cohesiebeleid
bedreigd. Hoewel een aantal lidstaten, zoals Duitsland
en Polen, de crisis relatief ongeschonden heeft doorstaan, zullen de meeste
landen met meer problemen en minder overheidsmiddelen te kampen krijgen.
Daarbij kan voor veel – en wellicht zelfs de meeste – lidstaten gedacht worden
aan: ·
de bbp- en werkgelegenheidscijfers die nog steeds
niet het niveau van vóór de crisis hebben bereikt; ·
een grotere werkloosheid en meer armoede en sociale
uitsluiting; ·
een lager besteedbaar gezinsinkomen waardoor de
consumptie en de invoer negatief worden beïnvloed; ·
ongekend hoge overheidsschulden en de noodzaak om
de overheidsfinanciën te consolideren. Uit het verslag blijkt dat de ernst van de
problemen binnen Europa aanzienlijk uiteenloopt. Dat duidt erop dat deze
verschillen in de opzet van de toekomstige cohesieprogramma's tot uiting moeten
komen om een optimaal effect te bewerkstelligen en om juist de regio's met de
meest acute problemen te ondersteunen. Tegen deze achtergrond moeten de toekomstige
cohesieprogramma's met name de nadruk leggen op investeringen die de groei
bevorderen en werkgelegenheid scheppen. De werkloosheidspercentages kunnen uitsluitend
door een stabiel en krachtig herstel worden teruggedrongen. De
Commissie stelt daarom voor de beschikbare middelen op een paar belangrijke
gebieden te concentreren, zoals de werkgelegenheid (met name voor jongeren),
opleiding en onderwijs, sociale inclusie, innovatie en kmo's,
energie-efficiëntie en een koolstofarme economie. Daarnaast is de Commissie
bereid om het pakket maatregelen ook tot de ICT‑infrastructuur en
digitale groei uit te breiden. De
uitvoer en directe buitenlandse investeringen vormen een belangrijke motor voor
de groei in minder ontwikkelde lidstaten, aangezien zij een bijdrage leveren
aan het creëren van banen en aan het overdragen van kennis en technologie. Met
name de kmo's, een van de belangrijkste doelgroepen van het cohesiebeleid, zijn
het slachtoffer van de verslechterde bedrijfsomstandigheden. In een situatie
met een geringe interne vraag, kan een grotere uitvoer van goederen en diensten
een bijdrage leveren aan het herstel van de economische groei. Door
investeringen in innovatie en een strategie voor slimme specialisaties kunnen
de resultaten in deze sector worden verbeterd. De bouwsector zal de negatieve gevolgen van de
bankencrisis blijven ondervinden door de beperktere toegang tot kredieten, het
uiteenspatten van de huizenmarktzeepbel, de teruggang in het beschikbare
gezinsinkomen en het verlies aan inkomenszekerheid. Door investeringen in de
energie-efficiëntie van gebouwen zou een deel van het banenverlies in deze
sector gecompenseerd kunnen worden. Het risico op armoede en sociale uitsluiting
is op EU-niveau toegenomen en zou in de toekomst verder kunnen stijgen door het
feit dat de crisis een vertraagd effect op armoede en uitsluiting heeft. Door de consolidatie van de overheidsfinanciën
zal de rol van het cohesiebeleid als een belangrijke bron van
overheidsinvesteringen in de periode 2014-2020 alleen nog maar groter worden.
In de praktijk bestaat in veel van de minder ontwikkelde lidstaten en regio's
al meer dan de helft van de overheidsinvesteringen uit cohesiemiddelen. De
Commissie dringt er bij de lidstaten en de regio's op aan om geen tijd te
verliezen bij het opstellen van de nieuwe programma's. Alleen op die manier kan
gewaarborgd worden dat de projecten die nodig zijn om de economische
bedrijvigheid nieuw leven in te blazen en de sociale insluiting te
ondersteunen, begin volgend jaar ook daadwerkelijk van start kunnen gaan. [1] 2007-2010. [2] Economist Housing Index. [3] Een deel van deze stijging is wellicht een gevolg van
een breuk in de gegevensreeks. [4] http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7315
[5] Voor een uitgebreidere analyse wordt verwezen naar het
verslag Employment and Social Developments in Europe 2012: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7315
[6] In deze analyse zijn Luxemburg, Malta en Cyprus buiten
beschouwing gelaten. [7] In deze analyse zijn Luxemburg, Malta, Cyprus en Italië
buiten beschouwing gelaten. [8] De enige uitzonderingen waren Italië, Griekenland,
Portugal en Luxemburg.