This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012PC0773
Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL concerning the exercise of the Union's rights for the application and enforcement of international trade rules
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van internationale handelsregels
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van internationale handelsregels
/* COM/2012/0773 final - 2012/0359 (COD) */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van internationale handelsregels /* COM/2012/0773 final - 2012/0359 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Motivering en doel In dit voorstel voor een verordening van het
Europees Parlement en de Raad wordt uitdrukking gegeven aan de prioriteit van
de Unie haar handelsrechten effectief te handhaven. Deze doelstelling werd
vastgesteld in de mededeling van de Commissie over "Handel, groei en
wereldvraagstukken"[1] en bekrachtigd in de conclusies van de Raad van 21 december 2010[2]. Momenteel beschikt de Unie niet over een
gemeenschappelijk wetgevingskader[3]
om haar rechten uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten te
handhaven. Dit voorstel heeft tot doel verandering te brengen in deze situatie. Algemene context De Unie kan zich genoodzaakt zien om
unilaterale maatregelen te nemen om haar rechten en belangen uit hoofde van
internationale handelsovereenkomsten te handhaven en te verdedigen. Dat is het
geval in het kader van de geschillenbeslechtingsregels van de
Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van bilaterale of regionale
geschillenbeslechtingsregelingen. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij
vrijwaringsmaatregelen en zogenoemde herconsolideringsonderhandelingen met
betrekking tot internationale overeenkomsten. Dergelijke maatregelen moeten
snel kunnen worden genomen om een doeltreffend en geloofwaardig instrument te
zijn om naleving af te dwingen en om de termijnen van de desbetreffende
internationale verbintenissen van de Unie te respecteren. Binnen de structuren
waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, is dus een snelle, doeltreffende en
flexibele besluitvorming nodig. Vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van
Lissabon benaderde de Unie handhaving van geval tot geval door middel van
verordeningen die de Raad op grond van oud artikel 133 vaststelde op basis van
een voorstel van de Commissie. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van
Lissabon zijn de Raad en het Europees Parlement echter medewetgevers volgens de
gewone wetgevingsprocedure wat de maatregelen betreft die het kader vaststellen
voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikel 207 van
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, "het VWEU").
De handhaving van rechten uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten
is een typische uitvoerende functie waarvoor mogelijk binnen strikte termijnen maatregelen
moeten worden goedgekeurd en uitgevoerd. De Raad en het Europees Parlement
moeten een duidelijk en voorspelbaar kader creëren voor de vaststelling van
dergelijke handelingen. De geldende praktijk vóór de inwerkingtreding
van de VWEU illustreert dat het wenselijk is om te werken volgens procedures
die een snelle en doeltreffende besluitvorming mogelijk maken om de rechten van
de Unie te handhaven: –
in de WTO-geschillenbeslechtingszaak VS-Foreign
Sales Corporation verliepen acht maanden tussen de goedkeuring van een voorstel
van de Commissie en de vaststelling van Verordening (EG) nr. 2193/2003 van de
Raad van 8 december 2003 waarbij de douanerechten op bepaalde producten uit de
VS werden verhoogd. Voor de opschorting van die maatregel verliepen drie dagen
tussen de goedkeuring van een voorstel van de Commissie en de vaststelling van
Verordening (EG) nr. 728/2006 van de Raad van 15 mei 2006; –
in de WTO-geschillenbeslechtingszaak VS-Byrd
verliepen twee maanden tussen de goedkeuring van een voorstel van de Commissie
en de vaststelling van Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad van 25 april
2005 waarbij de douanerechten op bepaalde producten van oorsprong uit de VS
werden verhoogd; –
in de WTO-geschillenbeslechtingszaak VS-tarwegluten
werd de EU bij Verordening (EG) nr. 1804/98 van de Raad van 14 august 1998
het recht voorbehouden om overeenkomstig artikel 8 van de WTO‑Overeenkomst
inzake vrijwaringsmaatregelen evenwichtsherstellende maatregelen te nemen ten
aanzien van de negatieve gevolgen van de vrijwaringsmaatregelen van de VS. Er
verliep een maand tussen de goedkeuring van een voorstel van de Commissie en de
vaststelling van de verordening; –
in de zaak VS-ijzer- en staalproducten vergde de
vaststelling van Verordening (EG) nr. 1031/2002 van de Raad van 13 juni 2002
waarbij ten aanzien van de vrijwaringsmaatregelen evenwichtsherstellende
maatregelen werden ingesteld twee maanden; de herroeping van de
evenwichtsherstellende maatregelen in dezelfde zaak vergde slechts vier dagen. Bij gebrek aan een passend wetgevingskader
voor de toepassing van handelspolitieke maatregelen moet in situaties die
vergelijkbaar zijn met de hierboven vermelde gevallen voor de goedkeuring van
maatregelen gebruik worden gemaakt van de gewone wetgevingsprocedure. Gemiddeld
vergt de vaststelling van een handeling 15 tot 31 maanden; deze langdurige
procedure gaat ten koste van het vermogen van de Unie om haar rechten binnen de
in internationale handelsovereenkomsten vastgestelde termijnen effectief uit te
oefenen. Voor deze ontwerp-verordening is uitgegaan van
de overweging dat a) de goedkeuring van handelspolitieke maatregelen om de
rechten van de Unie uit hoofde van internationale overeenkomsten te handhaven
een typische uitvoerende functie is die in een kader van gemeenschappelijke
regels ten uitvoer moet worden gelegd; b) het vermogen van de Unie om haar
rechten effectief te handhaven bij gebrek aan een passend wetgevingskader
misschien in het gedrang komt; c) er een potentieel conflict is tussen de
relatief lange besluitvormingstermijnen van de Unie en de termijnen voor de
handhaving van de rechten uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten. In deze context
wordt in deze ontwerp-verordening voorgesteld een gemeenschappelijk
wetgevingskader te creëren om de rechten van de Unie uit hoofde van
internationale handelsovereenkomsten overeenkomstig het Verdrag van Lissabon te
handhaven. In de verordening wordt voorgesteld de Commissie ertoe te machtigen
overeenkomstig artikel 291 van het VWEU uitvoeringshandelingen vast te
stellen binnen het in deze ontwerp‑verordening gedefinieerde
toepassingsgebied, alsook binnen de termijnen en volgens de criteria die
expliciet zijn vastgesteld. Het toepassingsgebied van de verordening omvat de
vaststelling, opschorting, wijziging en beëindiging van uitvoeringshandelingen
met betrekking tot: a) de handhaving van de rechten van de
Unie uit hoofde van bindende multilaterale en bilaterale
geschillenbeslechtingsregels; b) evenwichtsherstellende maatregelen
in het kader van multilaterale en bilaterale vrijwaringsregels; c) evenwichtsherstellende maatregelen
in geval van wijzigingen door een derde land van zijn concessies overeenkomstig
artikel XXVIII van de GATT 1994. In het kader van
deze ontwerp-verordening kan de Commissie de volgende soorten handelspolitieke
maatregelen nemen: douanerechten, kwantitatieve beperking van de in- of uitvoer
van goederen, en maatregelen inzake overheidsopdrachten. Deze benadering vloeit
voort uit de ervaring die in de loop der jaren bij de vaststelling van
handelspolitieke maatregelen is verworven, en is gebaseerd op het feit dat
maatregelen op de desbetreffende gebieden haalbaar en over het algemeen
doeltreffend zijn. In de huidige ontwikkelingsfase van het recht van de Unie,
in het bijzonder rekening houdend met nationale regelgeving op het gebied van
diensten en intellectuele eigendom en de beperkingen voor een doeltreffend
optreden gezien de aard van deze sectoren, dient de aandacht wat de machtiging
van de Commissie betreft op andere handelspolitieke gebieden te worden gericht.
Er zij op gewezen dat zogenoemde "sectoroverschrijdende
vergeldingsmaatregelen" (d.w.z. de opschorting van concessies of andere
verplichtingen in een andere sector dan die waar volgens de uitspraak in het
kader van de geschillenbeslechtingsprocedure schending heeft plaatsgevonden)
volgens de WTO-regels over het algemeen mogelijk zijn en dat de
vrijhandelsovereenkomsten van de Unie geen beperkingen inzake
"sectoroverschrijdende vergeldingsmaatregelen" bevatten. Mocht de
Unie gebruik moeten maken van handelspolitieke maatregelen die niet onder de
ontwerp-verordening vallen, onder meer met betrekking tot de handel in diensten
of de commerciële aspecten van intellectuele-eigendomsrechten, kan de Commissie
op grond van artikel 207 VWEU voorstellen voor handelingen indienen, dan wel
gebruik maken van andere toepasselijke procedures. Overeenkomstig een evaluatiebepaling moet de
Commissie de werking van deze verordening drie jaar na de eerste toepassing
ervan evalueren. De Commissie stelt een verslag op en kan, als de
omstandigheden dat rechtvaardigen, passende maatregelen voorstellen om de
verordening doeltreffender te maken. In deze context kan worden gedacht aan de
reikwijdte van de handelspolitieke maatregelen waarin de verordening voorziet,
zoals handel in diensten en intellectuele-eigendomsrechten, naast goederen. Overeenkomstig de WTO‑Overeenkomst
inzake overheidsopdrachten ("de GPA"), zowel in de versie die
momenteel van kracht is als in de herziene versie, mogen andere partijen bij de
GPA concessies of andere verbintenissen met betrekking tot aanbestedingsmarkten
alleen opschorten wanneer een partij bij de GPA haar verplichtingen niet
nakomt. Bijgevolg is het belangrijk dat in de voorgestelde ontwerp-verordening
wordt voorzien in de mogelijke vaststelling van handelspolitieke maatregelen
inzake overheidsopdrachten, zodat de Unie haar legitieme rechten inzake onder
haar internationale verplichtingen vallende overheidsopdrachten effectief kan
handhaven. Afgezien van de WTO-geschillenbeslechtingsregeling, waarvan
meermaals gebruik is gemaakt om praktijken te bestrijden die tegen de GPA
indruisen, zijn maatregelen met het oog op de handhaving van verbintenissen
inzake overheidsopdrachten ook waarschijnlijk in een bilaterale context,
aangezien recente bilaterale handelsovereenkomsten die de Unie heeft gesloten
volwaardige geschillenbeslechtingsregelingen omvatten. De Unie heeft ervaring
met de tenuitvoerlegging van handelspolitieke maatregelen die de toegang van
derde landen tot de aanbestedingsmarkten van de Unie indien nodig beperken[4]. Gezien de specificiteit van
overheidsopdrachten en met name het bestaan van een administratieve procedure
die de toegang tot specifieke aanbestedingen reguleert en vaststelt, kan worden
voorzien in maatregelen voor de aanbesteding van zowel goederen als diensten.
Voorts zouden handelspolitieke maatregelen in het kader van deze
ontwerp-verordening een oplossing aanreiken voor de opgeschorte verbintenissen
inzake aanbestedingen – deze zouden m.a.w. alleen gelden voor bepaalde entiteiten
en boven bepaalde drempels. Tot slot zij gewezen op het verband tussen dit
voorstel en het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad over toegang van goederen en diensten uit derde landen tot
de interne aanbestedingsmarkt van de Unie (COM(2012) 124 van 21 maart 2012).
Dat voorstel beoogt de hefboomwerking van de Unie in de onderhandelingen over
de voorwaarden voor toegang van Europese goederen, diensten en leveranciers tot
de aanbestedingsmarkten van derde landen te vergroten: het legt dus in het
bijzonder de aandacht op de toegang tot de aanbestedingsmarkt van de Unie van
goederen en diensten van derde landen waarvoor in het kader van bestaande
internationale overeenkomsten op het gebied van overheidsopdrachten geen
verbintenissen inzake de markttoegang gelden. Dit voorstel daarentegen
behandelt de handhaving van dergelijke overeenkomsten op een horizontale
manier: het vult de regeling van internationale aspecten van
overheidsopdrachten aan, in zoverre dat het een kader creëert van regels die de
handhaving van bepalingen inzake aanbestedingen in internationale
handelsovereenkomsten mogelijk maken. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Tijdens de opstelling van dit voorstel zijn
respectievelijk op 19 september 2011 en 11 november 2011 twee non-papers
aan het Comité handelspolitiek van de Raad en het Commissie internationale
handel van het Europees Parlement (INTA) voorgelegd. De lidstaten werden
geraadpleegd tijdens twee technische vergaderingen op 27 september en
28 november 2011. Het streven naar een efficiënte en probate
handhaving van de rechten van de Unie geniet brede steun. Voor dit voorstel is geen effectbeoordeling
uitgevoerd omdat dit initiatief geen rechtstreekse gevolgen heeft voor de
economie, de samenleving of het milieu, en de aard van de betrokken maatregelen
(geval per geval) toch geen evaluatie vooraf toelaat. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Samenvatting De Unie beschikt niet over een gemeenschappelijk
wetgevingskader om haar rechten uit hoofde van internationale
handelsovereenkomsten te handhaven. Met dit initiatief wordt gepoogd aan deze
situatie te verhelpen door een wetgevingsinstrument te creëren waarmee de Unie
haar rechten in overeenstemming met haar internationale verplichtingen kan
handhaven en verdedigen. Het initiatief beoogt een efficiënte en snelle
tenuitvoerlegging om de belangen van de Unie te vrijwaren. Er wordt dan ook
voorgesteld de Commissie op grond van artikel 207 van het VWEU te
machtigen uitvoeringshandelingen vast te stellen, op te schorten, te wijzigen
of te beëindigen om de rechten van de Unie te handhaven binnen de structuur van
het Verdrag van Lissabon, d.w.z. overeenkomstig artikel 291 van het VWEU. De Unie kan in het kader van de
WTO-geschillenbeslechtingsregeling, bilaterale
geschillenbeslechtingsregelingen, alsook multilaterale en bilaterale
vrijwaringsmaatregelen genoopt zijn om unilaterale maatregelen te nemen om haar
rechten en belangen te verdedigen. In het geval van handhavingsmaatregelen in
het kader van geschillenbeslechtingsbepalingen of evenwichtsherstellende
maatregelen moet snel worden opgetreden teneinde de toepasselijke handelsregels
na te leven en een doeltreffend instrument te creëren om naleving af te dwingen. De verordening moet op het niveau van de Unie
worden vastgesteld. De gemeenschappelijke handelspolitiek is een exclusieve
bevoegdheid van de Unie. Rechtsgrondslag Artikel 207 van het VWEU. Structuur van de verordening De ontwerp-verordening heeft tot doel regels
en procedures vast te stellen die de Unie in staat stellen haar rechten om
concessies op te schorten of in te trekken effectief uit te oefenen in reactie
op inbreuken op internationale handelsregels door een derde land teneinde een
bevredigende oplossing te garanderen; alsook het evenwicht van concessies of
andere verplichtingen te herstellen in handelsbetrekkingen met derde landen,
wanneer veranderingen optreden in de behandeling van de invoer van goederen uit
de Unie. Zoals vastgesteld in artikel 3 is de
ontwerp-verordening van toepassing op de volgende situaties: a) Na de uitspraak in handelsgeschillen
overeenkomstig het Memorandum inzake Geschillenbeslechting van de WTO (Dispute
Settlement Understanding - DSU), wanneer aan de Unie toestemming is verleend om
concessies of andere verplichtingen in het kader van multilaterale en
plurilaterale overeenkomsten waarop het Memorandum inzake Geschillenbeslechting
van toepassing is, op te schorten. Bij de WTO wordt de opschorting van concessies of
andere verplichtingen geregeld bij artikel 22, lid 3, van de DSU; in geval van
verboden subsidies is artikel 4.10 van de Overeenkomst inzake subsidies en
compenserende maatregelen van toepassing[5]
en op de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen,
is artikel 7.9 van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende
maatregelen van toepassing. b) Na de uitspraak in handelsgeschillen
in het kader van internationale handelsovereenkomsten, waaronder regionale of
bilaterale overeenkomsten, wanneer de Unie het recht heeft om concessies of
andere verplichtingen in het kader van dergelijke overeenkomsten op te
schorten. In dergelijke internationale handelsovereenkomsten
die de Unie heeft gesloten, worden de regels inzake geschillenbeslechting
vastgesteld waarbij de partijen worden gemachtigd hun eigen rechten
overeenkomstig de in de desbetreffende overeenkomst vastgestelde regels te
handhaven. c) Om het evenwicht van concessies of
andere verplichtingen te herstellen, een maatregel waartoe de toepassing van
een vrijwaringsmaatregel door een derde land het recht kan verlenen
overeenkomstig artikel 8 van de WTO‑Overeenkomst inzake
vrijwaringsmaatregelen of overeenkomstig de bepalingen inzake vrijwaringsregels
die in zijn opgenomen in de regionale of bilaterale overeenkomsten die de Unie
heeft gesloten. Overeenkomstig artikel 8 van de WTO‑Overeenkomst
inzake vrijwaringsmaatregelen, die uitsluitend goederen betreft[6], moeten lidstaten die
vrijwaringsmaatregelen toepassen over het algemeen handelscompensaties bieden
aan de landen die negatieve gevolgen ondervinden van de vrijwaringsmaatregelen,
na raadpleging vóór de toepassing of uitbreiding van een vrijwaringsmaatregel
overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.
Wanneer geen overeenstemming wordt bereikt, mogen de getroffen exporterende
leden uiterlijk 90 dagen na de toepassing van de maatregel individueel
evenwichtsherstellende maatregelen nemen. Het recht om evenwichtsherstellende
maatregelen te nemen ten aanzien van de lidstaat die de vrijwaringsmaatregel
toepast, mag worden uitgeoefend a) drie jaar nadat de maatregel van kracht is
geworden of b) zodra het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (DSB –
Dispute Settlement Body) de maatregel onverenigbaar met de WTO‑regels
heeft bevonden (de respijtperiode van drie jaar waarin artikel 8 van de
Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen voorziet, geldt niet wanneer de
maatregel op een relatieve toename van de invoer is gebaseerd). Evenzo kunnen
evenwichtsherstellende maatregelen worden genomen in het kader van de
toepassing van vrijwaringsregels die in bilaterale of regionale
vrijhandelsovereenkomsten zijn vastgesteld[7]. De bestaande wetgeving van de Unie die de
multilaterale en bilaterale vrijwaringsmaatregelen ten uitvoer legt, regelt
deze aspecten niet, noch voor artikel 8 van de Overeenkomst inzake
vrijwaringsmaatregelen, noch voor de desbetreffende regels in de
vrijhandelsovereenkomsten, maar stelt veeleer de procedures vast voor de
toepassing van vrijwaringsmaatregelen door de Unie. Elke evenwichtsherstellende
maatregel zou in principe aan de gewone wetgevingsprocedure onderworpen zijn,
tenzij het onderhavige ene wetgevingskader erop van toepassing is. d) Bij wijzigingen van concessies door
een WTO-lid overeenkomstig artikel XXVIII van de Algemene
Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) 1994, wanneer geen
overeenstemming over een compenserende regeling is bereikt. Bij wijziging van een concessie door een ander
WTO-lid overeenkomstig artikel XXVIII van de GATT 1994 is de partij bij de
overeenkomst die zijn concessie wenst te wijzigen vrij dit te doen wanneer geen
overeenstemming wordt bereikt met de leden die onderhandelingsrechten of
rechten als plaatsvervanger bezitten. In dat
geval kunnen deze leden[8]
die een recht bezitten uiterlijk zes maanden nadat een dergelijke wijziging van
de concessie heeft plaatsgevonden, evenwichtsherstellende maatregelen nemen. Dergelijke evenwichtsherstellende maatregelen
houden in dat concessies die in wezen gelijkwaardig zijn aan de concessies
waarover oorspronkelijk overeenstemming is bereikt met de overeenkomstsluitende
partij die een concessie wijzigt of intrekt, na dertig dagen te rekenen van de
dag waarop de overeenkomstsluitende partijen de schriftelijke kennisgeving van
de intrekking van de concessie ontvangen, worden ingetrokken. Tot nu toe heeft de Unie geen concessies
ingetrokken op grond van artikel XXVIII van de GATT 1994. Indien de mogelijkheid zich zou voordoen, zou het
handelsevenwicht na een wijziging van concessies door andere WTO-leden op grond
van artikel XXVIII van de GATT binnen relatief korte termijnen worden hersteld
(uiterlijk zes maanden nadat het lid zijn concessie heeft gewijzigd of
ingetrokken). Doeltreffende
besluitvormingsprocedures om evenwichtsherstellende maatregelen ten uitvoer te
leggen zouden de Unie ten aanzien van haar partner in
herconsolideringsonderhandelingen geloofwaardiger maken en kunnen de loop van
de onderhandelingen over een compenserende regeling ten voordele van de Unie beïnvloeden. De verordening laat de vaststelling van
handelspolitieke maatregelen in het kader van andere procedures onverlet,
bijvoorbeeld handelspolitieke maatregelen in de sector diensten en
intellectuele-eigendomsrechten na een uitspraak in een multilaterale en
regionale of bilaterale geschillenbeslechting. Wanneer in de hierboven vermelde omstandigheden
maatregelen moeten worden genomen om de EU-rechten te handhaven, stelt de
Commissie overeenkomstig artikel 291 van het VWEU en volgens de onderzoeksprocedure
uitvoeringshandelingen vast (artikel 4 "Uitoefening van de rechten van de
Unie"). Voor de uitvoeringshandelingen
geldt de regel dat het niveau van de tegenmaatregelen het niveau van de
tenietdoening of uitholling, waarmee over het algemeen de negatieve gevolgen
voor de Unie van een in de desbetreffende overeenkomst vastgestelde maatregel
van een derde land worden bedoeld (artikel 2 "Definities"), niet
mag overtreffen. Wanneer de Commissie het toepassingsgebied van de vast te
stellen uitvoeringshandeling bepaalt, moet zij eveneens rekening houden met
diverse criteria, naast de belangen die uit de publieke raadplegingen naar
voren zijn gekomen en de algemene belangen van de Unie, zoals doeltreffendheid
van de maatregelen om derde landen te dwingen internationale handelsregels na
te leven; het potentieel van de maatregelen om de situatie van de
marktdeelnemers in de Unie die onder de maatregelen van derde landen te lijden
hebben, te verlichten; de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers voor de
betrokken producten, om mogelijke negatieve gevolgen voor de verwerkende
industrie of de eindgebruikers in de Unie te voorkomen of tot een minimum te
beperken; elk specifiek criterium dat kan zijn vastgesteld in internationale
handelsovereenkomsten in verband met de situaties waarin artikel 3 voorziet. De soorten handelsmaatregelen die bij een
uitvoeringshandeling kunnen worden vastgesteld, zijn maatregelen betreffende de
invoer of uitvoer van goederen en maatregelen op het gebied van
overheidsopdrachten. Invoer- of uitvoermaatregelen omvatten de
opschorting van tariefconcessies en de instelling van nieuwe of hogere
douanerechten; de invoering of verhoging van kwantitatieve beperkingen van de
invoer of de uitvoer, in de vorm van quota's, invoer- of uitvoervergunningen of
andere maatregelen. Overeenkomstig de WTO‑Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten mag een geschil dat bij de uitvoering van die overeenkomst
ontstaat niet leiden tot opschorting van concessies of andere verplichtingen
uit hoofde van andere WTO overeenkomsten waarop het Memorandum inzake
Geschillenbeslechting van toepassing is. Bijgevolg
is het belangrijk dat in de voorgestelde verordening wordt voorzien in de
mogelijke goedkeuring van handelspolitieke maatregelen inzake
overheidsopdrachten, zodat de Unie haar legitieme rechten effectief kan
handhaven. Gezien de specificiteit van overheidsopdrachten en met name het
bestaan van een administratieve procedure die de toegang tot specifieke
aanbestedingen reguleert en vaststelt, kan worden voorzien in maatregelen voor
de aanbesteding van zowel goederen als diensten. In dit opzicht betreft het soort handelspolitieke
maatregelen dat kan worden vastgesteld de uitsluiting van overheidsopdrachten
van inschrijvingen waarvan de totale waarde voor meer dan 50 % uit
goederen of diensten van oorsprong uit het betrokken derde land bestaat; en/of
de instelling van een verplichte prijstoeslag op het gedeelte van de
inschrijving dat bestaat uit goederen of diensten van oorsprong uit het
betrokken derde land (artikel 5 "Handelspolitieke maatregelen"). De onderzoeksprocedure moet worden gevolgd voor de
vaststelling, opschorting, wijziging en beëindiging van de
uitvoeringshandelingen waarbij de passende handelspolitieke maatregelen voor de
handhaving van de rechten van de Unie worden vastgesteld (de artikelen 4
"Uitoefening van de rechten van de Unie" en 7 "Opschorting,
wijziging en beëindiging van maatregelen"). Bij de vaststelling van
uitvoeringshandelingen en teneinde de proliferatie van extra structuren te
voorkomen, moet de Commissie worden bijgestaan door het bestaande, bij
Verordening (EG) nr. 3286/94 ingestelde comité handelsbelemmeringen. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Geen. De voorgestelde verordening stelt een regeling
in om de rechten van de Unie te handhaven en de verantwoordelijkheid over alle
instellingen te spreiden. 2012/0359 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende de uitoefening van de rechten van
de Unie voor de toepassing en handhaving van internationale handelsregels HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 207, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) De Unie heeft een aantal
multilaterale, regionale en bilaterale internationale handelsovereenkomsten
gesloten die tot wederzijds voordeel van de partijen rechten en verplichtingen
creëren. (2) Het is van essentieel belang
dat de Unie over passende instrumenten beschikt om haar rechten uit hoofde van
internationale handelsovereenkomsten effectief uit te oefenen teneinde haar
economische belangen te vrijwaren. Dat geldt met name in situaties waar derde
landen handelsbeperkende maatregelen vaststellen die de voordelen van
internationale handelsovereenkomsten voor de marktdeelnemers in de Unie
beperken. De Unie moet snel en flexibel kunnen reageren in de context van de
procedures en termijnen van de internationale handelsovereenkomsten die zij
heeft gesloten. Bijgevolg moet de Unie wetgeving goedkeuren waarbij een kader
wordt gecreëerd voor de uitoefening van de rechten van de Unie in bepaalde
specifieke situaties. (3) De WTO en andere ― ook
regionale of bilaterale ― geschillenbeslechtingsregelingen hebben tot
doel een positieve oplossing te vinden voor geschillen tussen de Unie en de
andere partij of partijen bij die overeenkomsten. De Unie moet overeenkomstig
die geschillenbeslechtingsregels niettemin concessies of andere verplichtingen
opschorten wanneer andere middelen om een positieve oplossing te vinden voor
een geschil hebben gefaald. In dergelijke gevallen draagt het optreden van de
Unie bij tot het doel het betrokken derde land te dwingen de desbetreffende
internationale handelsregels na te leven om de situatie van wederzijdse
voordelen te herstellen. (4) Overeenkomstig de
WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen moet een WTO-lid dat een vrijwaringsmaatregel
wil toepassen of uitbreiden ernaar streven een in wezen gelijkwaardig niveau
van concessies en andere verplichtingen te handhaven tussen hemzelf en de
exporterende leden voor wie een dergelijke vrijwaringsmaatregel negatieve
gevolgen zou hebben. Vergelijkbare regels gelden in de context van andere
― ook regionale of bilaterale ― internationale
handelsovereenkomsten die de Unie heeft gesloten. De Unie moet
evenwichtsherstellende maatregelen nemen door concessies of andere verplichtingen
op te schorten wanneer het betrokken derde land geen bevredigende aanpassingen
ten uitvoer legt. In dergelijke gevallen zet het optreden van de Unie derde
landen ertoe aan handelsbevorderende maatregelen in te voeren om de situatie
van wederzijdse voordelen te herstellen. (5) Artikel XXVIII van de GATT
1994 en het ermee verband houdende memorandum regelen de wijziging of
intrekking van in de tariefregelingen van WTO-leden vastgestelde concessies.
WTO-leden die negatieve gevolgen ondervinden van een dergelijke wijziging
hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om in wezen gelijkwaardige
concessies in te trekken. De Unie moet in dergelijke gevallen
evenwichtherstellende maatregelen nemen, tenzij overeenstemming over een
compenserende regeling wordt bereikt. De maatregelen van de Unie hebben tot
doel derde landen te dwingen handelsbevorderende maatregelen ten uitvoer te
leggen. (6) De Unie moet haar rechten op
het gebied van overheidsopdrachten kunnen handhaven aangezien een geschil dat
onder de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten ontstaat overeenkomstig
die overeenkomst mag niet leiden tot de opschorting van concessies of andere
verplichtingen in het kader van andere WTO‑overeenkomsten waarop het
Memorandum inzake Geschillenbeslechting van toepassing is. (7) Deze verordening moet zich
concentreren op de maatregelen waarmee de Unie ervaring heeft wat de
totstandbrenging en de toepassing ervan betreft; de mogelijk uitbreiding van
het toepassingsgebied van deze verordening tot de sectoren diensten en intellectuele-eigendomsrechten
moet te zijner tijd worden geëvalueerd, waarbij rekening wordt gehouden met de
specifieke kenmerken van elk gebied. (8) Bij de handhaving van de
rechten van de Unie moet de oorsprong van een goed worden vastgesteld
overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992
tot vaststelling van het communautair douanewetboek[9]; bij de handhaving van de
rechten van de Unie na een geschillenbeslechting op het gebied van
overheidsopdrachten moet de oorsprong van een dienst worden vastgesteld op
basis van de oorsprong van de natuurlijke of rechtspersoon die de dienst
verstrekt. (9) De Commissie moet de werking
van deze verordening uiterlijk drie jaar na de eerste toepassing ervan
evalueren teneinde die te beoordelen en indien nodig doeltreffender te maken. (10) Uitvoeringshandelingen
krachtens deze verordening moeten worden vastgesteld op grond van specifieke in
deze verordening vastgestelde geschiktheidscriteria. (11) Verordening (EG) nr. 3286/94
van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van communautaire procedures
op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de
handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale
regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën
van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (ook "verordening
inzake handelsbelemmeringen" of "TBR (Trade barrier Regulation)"
genoemd), moet worden gewijzigd om rekening te houden met de
vaststelling van deze verordening wat de tenuitvoerlegging van handelspolitieke
maatregelen betreft. (12) Om eenvormige voorwaarden voor
de uitvoering van deze verordening te waarborgen moeten aan de Commissie
uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Deze bevoegdheden moeten worden
uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees
Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene
voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de
lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie
controleren[10]. (13) Om
de belangen van de Unie te vrijwaren, moet de Commissie onmiddellijk toepasbare
uitvoeringshandelingen vaststellen wanneer, in naar behoren gemotiveerde
gevallen die verband houden met de noodzaak om de handelspolitieke maatregelen
aan het gedrag van de betrokken derde partij aan te passen, dwingende redenen
van urgentie dat vereisen, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 Doel In deze verordening worden regels en
procedures vastgesteld met het oog op een doeltreffende uitoefening van de
rechten van de Unie om concessies of andere verplichtingen uit hoofde van
internationale handelsovereenkomsten op te schorten of in te trekken, met als
doel: a) te reageren op inbreuken door derde
landen op internationale handelsregels die de belangen van de Unie schaden,
teneinde een bevredigende oplossing te zoeken; b) het evenwicht van concessies of
andere verplichtingen te herstellen in handelsbetrekkingen met derde landen,
wanneer veranderingen optreden in de behandeling van de invoer van goederen uit
de Unie. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening
wordt verstaan onder: a) "land": elke staat of elk
afzonderlijk douanegebied; b) "concessies of andere
verplichtingen": tariefconcessies of enige andere voordelen tot de
toepassing waarvan de Unie de verbintenis is aangegaan in haar handel met derde
landen in het kader van internationale handelsovereenkomsten waarbij zij partij
is, c) "niveau van tenietdoening of
uitholling": de mate waarin de belangen van de Unie in het kader van een
internationale handelsovereenkomst worden geschaad. Tenzij
anders aangegeven in de desbetreffende overeenkomst omvat dit elk schadelijk
economisch gevolg van een maatregel van een derde land; d) "verplichte prijstoeslag":
een verplichting voor aanbestedende autoriteiten of entiteiten die procedures
op het gebied van overheidsopdrachten toepassen om behoudens bepaalde
uitzonderingen de prijs te verhogen van diensten en/of goederen uit bepaalde
derde landen waarvoor in aanbestedingsprocedures een offerte is ingediend. Artikel 3 Toepassingsgebied 1. Deze verordening is van
toepassing: a) na de uitspraak in handelsgeschillen
overeenkomstig het Memorandum inzake Geschillenbeslechting van de WTO, wanneer
aan de Unie toestemming is verleend om concessies of andere verplichtingen in
het kader van multilaterale en plurilaterale overeenkomsten waarop het
Memorandum inzake Geschillenbeslechting van de WTO van toepassing is, op te
schorten; b) na de uitspraak in handelsgeschillen in
het kader van internationale handelsovereenkomsten, waaronder regionale of
bilaterale overeenkomsten, wanneer de Unie het recht heeft om concessies of
andere verplichtingen in het kader van dergelijke overeenkomsten op te
schorten; c) om het evenwicht van concessies of andere
verplichtingen te herstellen, een maatregel waartoe de toepassing van een
vrijwaringsmaatregel door een derde land het recht kan verlenen overeenkomstig
artikel 8 van de WTO‑Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen of overeenkomstig
de bepalingen inzake vrijwaring die zijn opgenomen in andere internationale
handelsovereenkomsten, waaronder regionale of bilaterale overeenkomsten; d) bij wijzigingen van concessies door een
WTO‑lid overeenkomstig artikel XXVIII van de Algemene
Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, wanneer geen overeenstemming over
een compenserende regeling is bereikt. 2. Deze verordening laat de
goedkeuring van handelspolitieke maatregelen in het kader van andere
toepasselijke procedures onverlet wanneer de maatregelen waarin in artikel 5
wordt voorzien niet beschikbaar zijn of een ongeschikte of ondoeltreffende
reactie op de in lid 1 bedoelde situaties zouden zijn. Artikel 4 Uitoefening
van de rechten van de Unie 1. Wanneer maatregelen nodig
zijn om de belangen van de Unie in de in artikel 3, lid 1, genoemde gevallen te
vrijwaren, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarbij de passende
handelspolitieke maatregelen worden genomen. Een dergelijke
uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 8, lid 2,
bedoelde onderzoeksprocedure. 2. Overeenkomstig lid 1
vastgestelde uitvoeringshandelingen voldoen aan de volgende voorwaarden: a) Wanneer na de uitspraak in een
handelsgeschil overeenkomstig het Memorandum inzake Geschillenbeslechting van
de WTO concessies of andere verplichtingen worden opgeschort, is hun niveau
niet hoger dan het door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO
toegestane niveau. b) Wanneer concessies of andere
verplichtingen na afloop van een internationale geschillenbeslechtingsprocedure
in het kader van een bilaterale of regionale overeenkomst worden opgeschort,
mag hun niveau niet hoger zijn dan het niveau van tenietdoening of uitholling
van de desbetreffende maatregel van het derde land zoals door de Commissie of
door arbitrage, al naar het geval, is vastgesteld. c) In het geval van evenwichtherstellende
maatregelen ten aanzien van concessies of andere verplichtingen overeenkomstig
vrijwaringsbepalingen in internationale handelsovereenkomsten is het optreden
van de Unie in wezen gelijkwaardig aan het niveau van de concessies of andere
verplichtingen die negatief worden beïnvloed door de vrijwaringsmaatregel,
overeenkomstig de voorwaarden van de WTO-Overeenkomst inzake
vrijwaringsmaatregelen of de vrijwaringsbepalingen in regionale of bilaterale
handelsovereenkomsten uit hoofde waarvan de vrijwaringsmaatregel wordt
toegepast. d) Concessies die worden ingetrokken in de
handel met een derde land in verband met artikel XXVIII van de GATT 1994 en het
gerelateerde memorandum zijn in wezen gelijkwaardig aan de door dat derde land
gewijzigde of ingetrokken concessies, overeenkomstig artikel XXVIII van de GATT
1994 en het gerelateerde memorandum. 3. Handelspolitieke maatregelen
overeenkomstig lid 1 worden genomen op grond van de volgende criteria, in het
licht van de beschikbare informatie en van het algemene belang van de Unie: a) doeltreffendheid van de maatregelen om
derde landen ertoe te dwingen internationale handelsregels na te leven; b) het potentieel van de maatregelen om de
situatie van de marktdeelnemers in de Unie die onder de maatregelen van derde
landen te lijden hebben, te verlichten; c) de
beschikbaarheid van alternatieve leveranciers voor de betrokken producten, om
mogelijke negatieve gevolgen voor de verwerkende industrie of de eindgebruikers
in de Unie te voorkomen of tot een minimum te beperken; d) elk
specifiek criterium dat kan zijn vastgesteld in internationale
handelsovereenkomsten in verband met de situaties waarin artikel 3 voorziet. Artikel 5 Handelspolitieke
maatregelen Onverminderd de internationale overeenkomsten
waarbij de Unie partij is, bestaan de handelspolitieke maatregelen die door
middel van een uitvoeringshandeling op grond van artikel 4, lid 1, kunnen
worden vastgesteld in: a) de opschorting van tariefconcessies
en de instelling van nieuwe of hogere douanerechten, met inbegrip van de
wederinstelling van douanerechten op het meestbegunstigingsniveau of de
instelling van douanerechten boven het meestbegunstigingsniveau, of de instelling
van enige andere extra heffing op de invoer of uitvoer van goederen; b) de instelling of verhoging van
kwantitatieve beperkingen op de invoer of uitvoer van goederen, in de vorm van
quota's, invoer- of uitvoervergunningen of andere maatregelen; c) de opschorting van concessies op het
gebied van overheidsopdrachten door: i) de uitsluiting van overheidsopdrachten
van inschrijvingen waarvan de totale waarde voor meer dan 50 % uit goederen of
diensten van oorsprong uit het betrokken derde land bestaat; en/of ii) de instelling van een verplichte
prijstoeslag op het gedeelte van de inschrijving dat bestaat uit goederen of
diensten van oorsprong uit het betrokken derde land. Artikel 6 Oorsprongsregels 1. De oorsprong van een goed
wordt vastgesteld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van
12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek[11]. 2. De oorsprong van een dienst
wordt vastgesteld op basis van de oorsprong van de natuurlijke of rechtspersoon
die de dienst verleent. De oorsprong van de dienstverlener wordt geacht te
zijn: a) in het geval van een natuurlijke persoon,
het land waarvan de persoon onderdaan is of waar hij een permanent
verblijfsrecht heeft; b) in het geval van een rechtspersoon is een
van de volgende situaties van toepassing: i) indien de dienst wordt verricht op een
andere wijze dan door een commerciële aanwezigheid in de Unie, het land waar de
rechtspersoon is opgericht of anderszins georganiseerd naar het recht van dat
land en op het grondgebied waarvan hij zelfstandige zakelijke activiteiten
verricht; ii) indien de dienst wordt verricht door
een commerciële aanwezigheid in de Unie, de lidstaat waar de rechtspersoon is
gevestigd en op het grondgebied waarvan hij zijn zelfstandige zakelijke
activiteiten zodanig verricht dat hij een rechtstreekse en daadwerkelijke band
heeft met de economie van een betrokken lidstaat. Voor de toepassing van punt ii), indien de
rechtspersoon zijn zelfstandige zakelijke activiteiten niet zodanig verricht
dat hij een rechtstreekse en daadwerkelijke band heeft met de economie van een
betrokken lidstaat, de oorsprong van de natuurlijke of rechtspersoon die
eigenaar is van of zeggenschap heeft over de rechtspersoon die de dienst
verricht. De rechtspersoon die de dienst verleent wordt
geacht de "eigendom" te zijn van personen van een bepaald land indien
meer dan 50 % van het aandelenkapitaal in eigendom is van personen van dat
land, en onder "zeggenschap" te staan van personen van een bepaald
land indien deze personen bevoegd zijn een meerderheid van de bestuurders te
benoemen of anderszins de handelingen van de rechtspersoon rechtens te sturen. Artikel 7 Opschorting,
wijziging en beëindiging van maatregelen 1. Wanneer het betrokken derde
land, na de vaststelling van een uitvoeringshandeling op grond van artikel 4,
lid 1, de Unie bevredigende compensatie toekent in de in artikel 3, lid 1,
onder a) en b), genoemde gevallen, kan de Commissie de toepassing van die
uitvoeringshandeling voor de duur van de compensatieperiode opschorten. De
opschorting wordt overeenkomstig de in artikel 8, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure vastgesteld. 2. De Commissie beëindigt een
krachtens artikel 4, lid 1, vastgestelde uitvoeringshandeling in de volgende
omstandigheden: a) wanneer het derde land waarvan de
maatregelen in een geschillenbeslechtingsprocedure strijdig met internationale
handelsregels worden bevonden, zijn maatregelen met de regels in
overeenstemming brengt, of wanneer op enige andere wijze een voor alle partijen
bevredigende oplossing is gevonden; b) in gevallen van evenwichtherstellende
maatregelen ten aanzien van concessies of andere verplichtingen na de
vaststelling door een derde land van een vrijwaringsmaatregel, wanneer de
vrijwaringsmaatregel wordt ingetrokken of vervalt, of wanneer het betrokken
derde land de Unie na de vaststelling van een uitvoeringshandeling krachtens
artikel 4, lid 1, bevredigende compensatie biedt; c) bij wijzigingen van concessies door een
WTO-lid overeenkomstig artikel XXVIII van de Algemene
Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, wanneer het betrokken derde land
de Unie na de vaststelling van een uitvoeringshandeling krachtens artikel 4,
lid 1, bevredigende compensatie biedt. De beëindiging wordt overeenkomstig de in
artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. 3. Wanneer aanpassingen nodig
zijn in handelspolitieke maatregelen die krachtens deze verordening zijn
vastgesteld, kan de Commissie, rekening houdend met de voorwaarden en criteria
van artikel 4, leden 2 en 3, passende wijzigingen vaststellen overeenkomstig de
procedure van artikel 8, lid 2. 4. In geval van naar behoren
gemotiveerde redenen van urgentie die verband houden met de beëindiging of de
wijziging van de desbetreffende maatregel van het derde land stelt de Commissie
onmiddellijk toepasbare uitvoeringshandelingen vast tot opschorting, wijziging
of beëindiging van krachtens artikel 4, lid 1, vastgestelde
uitvoeringshandelingen, zoals bepaald in dit artikel, overeenkomstig de in
artikel 8, lid 3, bedoelde procedure. Artikel 8 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door het bij Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad ingestelde comité. Dat
comité is een comité in de zin van artikel 3 van Verordening (EU) nr.
182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. 3. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met
artikel 5 daarvan van toepassing. Artikel 9 Verzamelen
van informatie 1. De Commissie wint informatie
en standpunten in over de economische belangen van de Unie in specifieke
producten of sectoren, in toepassing van deze verordening, door een bericht in
het Publicatieblad van de Europese Unie of andere geschikte openbare
communicatiemiddelen. 2. De op grond van deze
verordening ontvangen inlichtingen worden slechts gebruikt voor het doel
waarvoor zij werden gevraagd. 3. De Commissie, de Raad, het
Europees Parlement, de lidstaten, alsmede hun functionarissen mogen de gegevens
van vertrouwelijke aard die zij op grond van deze verordening hebben ontvangen,
niet bekendmaken zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die ze heeft
verstrekt. 4. De informatieverstrekker kan
vragen dat de verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld. In dat geval
gaat die informatie vergezeld van een niet‑vertrouwelijke samenvatting of
een verklaring van de redenen waarom de informatie niet kan worden samengevat. 5. Indien blijkt dat een verzoek
om vertrouwelijke behandeling niet gerechtvaardigd is, en degene die de
gegevens heeft verstrekt deze niet openbaar wil maken, noch machtiging wil
geven tot bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in de vorm van een
samenvatting, kunnen de betrokken gegevens buiten beschouwing worden gelaten. 6. De leden 2 tot en met 5
sluiten niet uit dat algemene informatie kan worden bekendgemaakt door de
autoriteiten van de Unie. Bij deze bekendmaking moet rekening worden gehouden
met het rechtmatige belang van de betrokken partijen bij een vertrouwelijke
behandeling van hun zakengeheimen. Artikel 10 Evaluatie Uiterlijk drie
jaar na de eerste goedkeuring van een uitvoeringshandeling krachtens deze
verordening evalueert de Commissie de uitvoering ervan en brengt zij verslag
uit aan het Europees Parlement en de Raad. Artikel 11 Wijzigingen
in andere handelingen Artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr.
3286/94 van de Raad [de verordening inzake handelsbelemmeringen] wordt
vervangen door: "Wanneer de Unie, na in overeenstemming
met artikel 12, lid 2, te hebben gehandeld, een besluit moet nemen over de op
grond van artikel 11, lid 2, onder c), of artikel 12 te nemen handelspolitieke
maatregelen, dan neemt zij in overeenstemming met artikel 207 van het Verdrag
en in voorkomend geval met Verordening nr. XX/XX of alle andere toepasselijke
procedures onverwijld een besluit." Artikel 12 Deze verordening treedt in werking op de […]
dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter [1] Zie COM (2010) 612 definitief van 9.11.2010, punt 4. [2] Zie de conclusies van de Raad over het handelsbeleid van
de EU van 21.12.2010, punt 8. [3] De EU heeft in het verleden elk geval afzonderlijk
behandeld (verordening van de Raad op voorstel van de Commissie op grond van
oud artikel 133). [4] Zie in dit
verband Verordening (EEG) n. 1461/93 van de Raad betreffende het openstellen
van overheidsopdrachten voor inschrijvers uit de Verenigde Staten van Amerika
en Verordening (EG) nr. 1836/95 van de Raad tot aanvulling van de bijlage
bij Verordening (EEG) nr. 1461/93 betreffende het openstellen van
overheidsopdrachten voor inschrijvers uit de Verenigde Staten van Amerika. [5] In specifieke omstandigheden wordt aan het lid dat de
klacht heeft ingediend bij artikel 4.10 van de Overeenkomst inzake subsidies en
compenserende maatregelen toestemming verleend om "de nodige
tegenmaatregelen" te nemen. [6] De WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en de
vrijwaringsregels in het kader van vrijhandelsovereenkomsten betreffen
uitsluitend de handel in goederen. WTO-leden moeten nog overeenstemming
bereiken over urgentie-vrijwaringsmaatregelen voor diensten waarvoor bij
artikel X van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATS) een
mandaat voor multilaterale onderhandelingen is verleend. [7] Bijvoorbeeld artikel 3.4 van de vrijhandelsovereenkomst
tussen de EU en Korea: « 1. Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel
toepast, treedt in overleg met de andere partij, teneinde overeenstemming te
bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van
de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen
voor de handel of die gelijkwaardig is aan de bijkomende rechten die de
vrijwaringsmaatregel naar verwachting met zich zal brengen. De partij biedt
uiterlijk 30 dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel
gelegenheid voor dergelijk overleg. 2. Indien het overleg als bedoeld in lid 1
niet binnen 30 dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een
passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de
partij wiens goederen voorwerp van de vrijwaringsmaatregel zijn, de toepassing
opschorten van in wezen gelijkwaardige concessies aan de partij die de
vrijwaringsmaatregel toepast. 3. Het in lid 2 bedoelde opschortingsrecht wordt
niet uitgeoefend in de eerste 24 maanden waarin een bilaterale
vrijwaringsmaatregel van kracht is, mits de vrijwaringsmaatregel in
overeenstemming is met deze overeenkomst." [8] Op voorwaarde dat zij een "oorspronkelijk
onderhandelingsrecht", een "belang als voornaamste leverancier"
of een "aanmerkelijk belang" hebben. [9] PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. [10] PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13. [11] PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.