This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012PC0461
Proposal for a DECISION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on mobilisation of the European Globalisation Adjustment Fund, in accordance with point 28 of the Interinstitutional Agreement of 17 May 2006 between the European Parliament, the Council and the Commission on budgetary discipline and sound financial management (application EGF/2010/015 FR/Peugeot from France)
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/015 FR/Peugeot, Frankrijk)
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/015 FR/Peugeot, Frankrijk)
/* COM/2012/0461 final - 2012/ () */
Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/015 FR/Peugeot, Frankrijk) /* COM/2012/0461 final - 2012/ () */
TOELICHTING Krachtens punt 28 van het Interinstitutioneel
Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie
betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[1] mag uit het Europees Fonds voor
aanpassing aan de globalisering (EFG) door middel van een
flexibiliteitsmechanisme een jaarlijks maximumbedrag van
500 miljoen EUR boven het maximum van de betrokken rubrieken van het
financieel kader beschikbaar worden gesteld. De regels die van toepassing zijn op de bijdragen
uit het EFG zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het
Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een
Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering[2]. Op 5 mei 2010 heeft Frankrijk aanvraag
EGF/2010/015 FR/Peugeot ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG
naar aanleiding van gedwongen ontslagen bij twee filialen van de groep PSA
Peugeot Citroën (Peugeot Citroën Automobiles en Sevelnord) in Frankrijk. Na de aanvraag grondig te hebben onderzocht, heeft
de Commissie overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1927/2006
geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage op grond van
deze verordening wordt voldaan. SAMENVATTING VAN DE AANVRAAG EN ANALYSE Belangrijkste gegevens: || EGF-referentienummer || EGF/2010/015 Lidstaat || Frankrijk Artikel 2 || onder a) Primaire onderneming || PSA Peugeot Citroën Leveranciers en downstreamproducenten || 0 Referentieperiode || 1.11.2009 – 28.2.2010 Startdatum voor de individuele dienstverlening || 1.1.2009 Datum van de aanvraag || 5.5.2010 Ontslagen tijdens de referentieperiode || 649 Ontslagen voor en na de referentieperiode || 1 440 Totaal aantal ontslagen werknemers dat voor steun in aanmerking komt || 2 089 Ontslagen werknemers voor wie steun wordt aangevraagd || 2 089 Uitgaven voor individuele dienstverlening (EUR) || 18 352 056 Uitgaven voor de implementatie van het EFG[3] (EUR) || 32 047 % van de uitgaven voor de implementatie van het EFG || 0,17 Totaal budget (EUR) || 18 384 103 EFG-bijdrage (65 %) (EUR) || 11 949 666 1. De aanvraag werd op 5 mei
2010 bij de Commissie ingediend; aan de aanvraag werd aanvullende informatie
tot en met 13 april 2012 toegevoegd. 2. De aanvraag voldoet aan de
voorwaarden voor steunverlening uit het EFG van artikel 2, onder a), van
Verordening (EG) nr. 1927/2006, en werd ingediend binnen de in artikel 5 van
die verordening genoemde termijn van tien weken. Verband tussen de ontslagen en de grote
structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ingevolge de
globalisering of de financiële en economische wereldcrisis 3. Als bewijs van het verband
tussen de ontslagen en de financiële en economische wereldcrisis voert
Frankrijk aan dat deze crisis, door de slechtere groeiperspectieven en de
hardere kredietvoorwaarden die zij heeft veroorzaakt, bij particulieren
twijfels over hun werkzekerheid heeft doen ontstaan en hen ertoe heeft aangezet
de aankoop van een voertuig uit te stellen. Gezien de verslechterende
economische situatie hebben tegelijkertijd ook de ondernemingen over het geheel
genomen hun investeringen en bijgevolg ook de vernieuwing van hun
voertuigenpark beperkt. Ondanks de tijdelijke maatregelen die bepaalde
lidstaten hebben getroffen (onder andere slooppremies) is de Europese automarkt
– in het bijzonder in West-Europa, de belangrijkste markt voor de groep
PSA Peugeot Citroën[4] –
in het tweede semester van 2008 plots ingestort, met een daling van de
inschrijvingen van personenwagens en lichte bedrijfswagens in Europa (18 landen
van West-Europa) van 10,7 % in het derde kwartaal en van 17 % in het
vierde kwartaal van 2008 in vergelijking met dezelfde periode van het jaar
daarvoor. De daling van de verkoop van voertuigen als gevolg van de financiële
en economische wereldcrisis had directe negatieve gevolgen voor de economische
resultaten van de groep PSA Peugeot Citroën, die in 2008 een verlies van
344 miljoen EUR leed, terwijl de groep aan het eind van het eerste
semester van dat jaar nog winstgevend was (731 miljoen EUR). Om deze conjonctuurcrisis het hoofd te bieden,
heeft de groep PSA Peugeot Citroën in de eerste plaats het aantal tijdelijke
arbeidskrachten sterk beperkt en tijdelijke maatregelen getroffen (zoals de
berekening van de arbeidstijd op jaarbasis en werktijdverkorting) om de
productie te beperken en de werknemers toch aan het werk te houden. Toen is
gebleken dat deze maatregelen niet zouden volstaan om de daling van de
voertuigenverkoop het hoofd te bieden, heeft de groep PSA Peugeot Citroën
gekozen voor een plan om de werknemers ertoe aan te zetten vrijwillig te
vertrekken. 4. Voorts heeft de Commissie in
antwoord op eerdere aanvragen voor de automobielsector[5] [6] reeds erkend dat deze sector
bijzonder ernstig was getroffen door de financiële crisis die de economie heeft
doen vertragen, aangezien 60 à 80 % (naar gelang van de lidstaat)
van de nieuwe voertuigen die in Europa worden verkocht, op krediet wordt
gekocht[7].
Tijdens het tweede kwartaal van 2009 daalde het totale aantal voertuigen dat in
de Europese Unie werd geproduceerd met 39,5 % in vergelijking met het jaar
daarvoor. De crisis heeft de grootste Europese autoconstructeurs en hun
leveranciers zwaar getroffen[8]. Bewijsstukken voor het aantal ontslagen
en naleving van de criteria van artikel 2, onder a) 5. De aanvraag werd door
Frankrijk ingediend in het kader van het criterium voor steunverlening van
artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1927/2006, op grond waarvan ten
minste vijfhonderd gedwongen ontslagen moeten plaatsvinden binnen een periode
van vier maanden in een onderneming in een lidstaat, met inbegrip van de ontslagen
bij leveranciers en downstreamproducenten. 6. In de aanvraag wordt melding
gemaakt van 649 gedwongen ontslagen bij de groep PSA Peugeot Citroën tijdens de
referentieperiode van vier maanden van 1 november 2009 tot en met
28 februari 2010. In de aanvraag wordt eveneens melding gemaakt van
1 440 andere ontslagen die het gevolg zijn van dezelfde regeling voor
vrijwillig vertrek en die zich ook binnen de groep PSA Peugeot Citroën hebben
voorgedaan, maar buiten de referentieperiode. Alle ontslagen werden in
overeenstemming met artikel 2, tweede alinea, eerste streepje, van Verordening
(EG) nr. 1927/2006 berekend. Het onvoorziene karakter van deze
ontslagen 7. De Franse autoriteiten
argumenteren dat de internationale financiële crisis de productievooruitzichten
voor voertuigen van de groep PSA Peugeot Citroën abrupt heeft verslechterd. In
2007 kende de verkoop van de groep een groei van 1,7 % in het eerste
semester en van 6,2 % in het tweede semester in vergelijking met dezelfde
periode van het voorgaande jaar. De groep verwachtte bijgevolg een
vergelijkbare positieve tendens in 2008. De onverwachte financiële en
economische wereldcrisis en haar onvoorziene gevolgen hebben die positieve
vooruitzichten van de groep echter de bodem ingeslagen, zonder dat die zich
daarop had kunnen voorbereiden. De bedrijven waar de ontslagen vallen,
en de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd 8. De aanvraag heeft betrekking
op 649 gedwongen ontslagen bij twee filialen van de groep PSA Peugeot Citroën
(Peugeot Citroën Automobiles en Sevelnord). Naam van de ondernemingen || Aantal ontslagen tijdens de referentieperiode Peugeot Citroën Automobiles || 630 Sevelnord || 19 Totaal || 649 Overeenkomstig artikel 3 bis,
onder b), van Verordening (EG) nr. 1927/2006 komen behalve de werknemers
die tijdens de referentieperiode werden ontslagen ook 1 440 werknemers
voor de steunmaatregelen in aanmerking die door dezelfde ondernemingen werden
ontslagen vóór en na de referentieperiode als gevolg van dezelfde regeling voor
vrijwillig vertrek. In totaal komen bijgevolg 2 089 werknemers voor het
medegefinancierde gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening in
aanmerking. 9. Uitsplitsing van de
werknemers voor wie steun wordt aangevraagd: Categorie || Aantal || Percentage Mannen || 1 623 || 77,69 Vrouwen || 466 || 22,31 EU-burgers || 2 028 || 97,08 Niet-EU-burgers || 61 || 2,92 15-24 jaar || 13 || 0,62 25-54 jaar || 1 208 || 57,83 55-64 jaar || 868 || 41,55 Ouder dan 64 jaar || 0 || 0,00 10. Van de werknemers voor wie
steun wordt aangevraagd hebben er 108 (5,2 %) een langdurig gezondheidsprobleem
of een handicap. 11. Uitsplitsing per
beroepscategorie: Categorie || Aantal || Percentage Hoger leidinggevend personeel || 344 || 16,47 Administratief, technisch en toezichthoudend personeel || 494 || 23,65 Arbeiders || 1 251 || 59,89 12. Overeenkomstig artikel 7 van
Verordening (EG) nr. 1927/2006 heeft Frankrijk bevestigd dat een beleid van
gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie is toegepast en ook
verder zal worden toegepast in de verschillende stadia van de implementatie van
het EFG, en in het bijzonder bij de toegang ertoe. Beschrijving van het betrokken gebied,
de autoriteiten ervan en andere belanghebbenden 13. De ontslagen waarop deze
aanvraag betrekking heeft, zijn gevallen in tien Franse regio's die zich
grotendeels in de noordelijk helft van het land bevinden. Het vrijwillig
vertrek betreft evenwel meer in het bijzonder Bretagne (32 %),
Île-de-France (25 %) en Franche-Comté (13 %). 14. De bevoegde autoriteit is het
ministerie van Arbeid, Werkgelegenheid en Gezondheid, en met name de algemene delegatie
voor Werkgelegenheid en Beroepsopleiding. De andere lokale belanghebbenden zijn
de regionale directeurs Ondernemingen, Concurrentie, Consumenten, Arbeid en
Werkgelegenheid, en hun territoriale eenheden. De groep PSA Peugeot Citroën is
eveneens een belangrijke betrokkene en zal de maatregelen coördineren. Verwachte gevolgen van de ontslagen voor
de plaatselijke, regionale of nationale werkgelegenheid 15. De regeling voor vrijwillig
vertrek van de groep PSA Peugeot Citroën betreft hoofdzakelijk de onderstaande
vier Franse regio's (in dalende volgorde): –
Bretagne (1 473 ontslagen): de vestiging in Rennes bevindt zich in een werkgelegenheidszone waar
de werkloosheid onder het nationale gemiddelde ligt (respectievelijk 7 %
en 9,3 % in 2011), maar waar de groep PSA Peugeot Citroën de belangrijkste
werkgever is; –
Franche-Comté (803 ontslagen): de vestigingen van Sochaux en Vesoul bevinden zich in een
werkgelegenheidszone waar de werkloosheid (12,2 % in 2011) aanzienlijk
hoger ligt dan het nationale gemiddelde. Dit gebied, dat van oudsher wordt
gekenmerkt door de industrie in het algemeen en door de automobielindustrie in
het bijzonder, werd hard getroffen door de economische crisis; –
Île-de-France (515 werknemers voor wie steun
wordt aangevraagd): de vestigingen in Île-de-France
bevinden zich in een werkgelegenheidszone waar de werkloosheid (8,4 % in
2011) gewoonlijk lager ligt dan die in Europees Frankrijk, maar waar de
werkgelegenheid in de industriesector sneller krimpt dan in de andere Franse
regio's. Zo daalde het aantal arbeidsplaatsen in de industrie in Île-deFrance
tussen 1999 en 2008 gemiddeld met 2,5 % per jaar, tegen 1,4 % in de
rest van Frankrijk[9]; –
Elzas (428 ontslagen):
de vestiging in Mulhouse bevindt zich in een werkgelegenheidszone met een hoge
werkloosheid (11,5 % in 2011). In dit gebied daalt de werkgelegenheid in
de industrie snel (- 4,7 % tussen 2003 en 2007). De groep PSA Peugeot
Citroën is de grootste werkgever in de regio; –
Lotharingen (400 ontslagen): de vestigingen van Metz en Tremery bevinden zich in een
werkgelegenheidszone waar de werkloosheid (10,5 % in 2011) hoger ligt dan het
nationale gemiddelde. Dit gebied is hoofdzakelijk gericht op de tertiaire
sector, maar de werkgelegenheid in de industrie neemt er constant af (‑ 1,76 %
tussen 2003 en 2007). De groep PSA Peugeot Citroën is met haar twee vestigingen
de grootste particuliere werkgever in de regio. 16. De regeling voor vrijwillig
vertrek van de groep PSA Peugeot Citroën trof eveneens, zij het in mindere
mate, de regio's Nord-Pas-de-Calais (142 werknemers voor wie steun wordt
aangevraagd), Picardië (50 werknemers voor wie steun wordt aangevraagd), Basse
Normandie (37 werknemers voor wie steun wordt aangevraagd), Auvergne (16
werknemers voor wie steun wordt aangevraagd) en Centre (3 werknemers voor wie
steun wordt aangevraagd). 17. Aangezien het filiaal Peugeot
Citroën Automobiles van de groep PSA Peugeot Citroën meer dan duizend
werknemers in dienst heeft, is het krachtens artikel L1233‑84 van het
Arbeidswetboek verplicht deze regio's weer nieuw leven te helpen inblazen. Dat
houdt in dat de onderneming zal bijdragen tot het creëren van nieuwe
activiteiten en nieuwe banen, teneinde de gevolgen van de ontslagen in die
regio's te helpen opvangen. Gecoördineerd pakket van individuele
dienstverlening waarvoor financiering wordt aangevraagd, gespecificeerde
kostenraming en complementariteit met door de structuurfondsen gefinancierde
acties 18. De regeling voor vrijwillig
vertrek die de groep PSA Peugeot Citroën op 1 januari 2009 heeft gelanceerd,
had tot doel de 5 100 werknemers te helpen op wie deze regeling betrekking
had. Tot 31 maart 2010 kon elke werknemer een van de onderstaande opties
kiezen: 1)
beroeps- of persoonlijk project: deze maatregel is bedoeld voor de werknemers die reeds een re-integratieplan
hebben (en bijvoorbeeld reeds een toekomstige beroepssector of werkgever op het
oog hebben), maar tijdelijk begeleiding nodig hebben (één tot drie maanden) om
hun doel te bereiken. Deze begeleiding bestaat met name uit advies, opleidingen
of hulp bij de oprichting of overname van een bedrijf. 113 werknemers hebben
voor het beroeps- of persoonlijk project gekozen; 2)
re-integratieverlof:
deze maatregel is bedoeld voor de werknemers die op het ogenblik van hun
vrijwillig vertrek nog geen duidelijk re-integratieplan hebben en die gedurende
een periode die tot negen maanden kan duren gebruik willen maken van
omscholing, advies, begeleiding of ondersteuning bij de oprichting of overname
van een bedrijf. 1 369 werknemers hebben voor re-integratieverlof gekozen; 3)
oprichting of overname van een bedrijf: deze maatregel is bedoeld voor de werknemers van wie het
re-integratieplan voorziet in de oprichting of de overname van een bedrijf en
die daarbij geen begeleiding nodig hebben. 607 werknemers hebben voor de oprichting
of overname van een bedrijf gekozen; 4)
vervroegde uittreding; 5)
hulp bij terugkeer naar het land van herkomst; 6)
hulp bij interne mobiliteit; 7)
hulp bij langdurig verlof. De aanvraag om middelen uit het EFG beschikbaar te
stellen heeft tot doel in totaal 2 089 werknemers te helpen die hebben
gekozen voor de eerste drie maatregelen die hierboven worden beschreven, met
name beroeps- of persoonlijk project (113 werknemers), re-integratieverlof
(1 369 werknemers) en oprichting of overname van een bedrijf (607
werknemers). Wat het re-integratieverlof betreft, is een
onderneming die meer dan duizend personen in dienst heeft overeenkomstig
artikel L1233-71 van het Arbeidswetboek verplicht voor minimum vier maanden en
maximaal negen maanden maatregelen voor te stellen die in dat artikel zijn
gedefinieerd. Overeenkomstig de bovengenoemde wetgeving is de periode van de
vijfde tot en met de negende maand dus facultatief. Overeenkomstig artikel 6,
lid 1, van de verordening tot oprichting van het fonds komt deze periode dus in
aanmerking voor een bijdrage uit het EFG. De groep PSA Peugeot Citroën heeft
besloten deze maatregel voor te stellen voor maximaal negen maanden,
afhankelijk van de functie die de werknemer bekleedde, zijn anciënniteit en de
vestiging waar hij werkte. In de aanvraag wordt geen bijdrage gevraagd voor de
eerste vier maanden van het re‑integratieverlof (die overeenstemt met de
bij wet vastgestelde minimumperiode) en worden ook alle perioden uitgesloten
waarin de werknemers zich nog in hun opzeggingstermijn bevinden. 19. De onderstaande maatregelen
worden voorgesteld. Samen vormen zij het gecoördineerde pakket van individuele
dienstverlening dat tot doel heeft de 2 089 werknemers voor wie
steun wordt aangevraagd op de arbeidsmarkt te re‑integreren. –
Adviessteunpunten Werk Mobiliteit: deze 24 adviessteunpunten bieden begeleiding bij het zoeken naar werk
en beschikbare opleiding, toegang tot de opleiding zelf, en verstrekken
adviezen voor het opstarten van bedrijven (verwerven van financiering, hulp bij
het opstellen van een bedrijfsplan, eerste beginselen van bedrijfsvoering,
enz.). Deze adviessteunpunten bestaan uit werknemers van de groep PSA Peugeot
Citroën, die worden ondersteund door externe medewerkers van adviesbureaus. Hun
activiteiten worden gecoördineerd en begeleid door een centraal
adviessteunpunt. Hun diensten worden aangeboden aan alle werknemers voor wie
EFG-steun werd aangevraagd. –
Opleiding voor werknemers die hebben gekozen
voor re-integratieverlof: de werknemers die voor
re-integratieverlof hebben gekozen, krijgen opleidingen die zijn afgestemd op
hun behoeften, zoals die door het adviessteunpunt Werk Mobiliteit zijn
vastgesteld (zoals IT-ondersteuning, lessen Engels, enz.). Deze opleidingen
kunnen langer duren dan de negen maanden van het re‑integratieverlof
indien zij deel uitmaken van het door het adviessteunpunt re‑integratie
vastgestelde opleidingstraject. –
Opleiding voor werknemers die hebben gekozen
voor een beroeps- of persoonlijk project: de
werknemers die hebben gekozen voor een beroeps- of persoonlijk project krijgen
opleidingen met het oog op de realisatie van hun project (zoals houtbewerking,
ergonomische methodologie, decoratieschilderen, enz.). –
Opleiding voor werknemers die hebben gekozen
voor de oprichting of overname van een bedrijf: de
werknemers die hebben gekozen voor de oprichting of overname van een bedrijf
krijgen opleidingen met het oog op de realisatie van hun project (zoals
boekhoudkundige ondersteuning, opleiding bedrijfsbeheer, enz.). –
Toelage voor het re-integratieverlof: deze maandelijkse toelage wordt uitgekeerd tot het eind van het
re-integratieverlof en bedraagt 65 % van het laatste loon van de
werknemer. Bij de berekening wordt uitgegaan van de hypothese dat de werknemers
op voltijdse basis deelnemen aan actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen; als
dat niet het geval is, dan wordt de toelage door het EFG aan iedere werknemer
naar evenredigheid van zijn werkelijke participatie betaald. –
Steun bij de oprichting van een bedrijf : deze maatregel wordt zowel aangeboden aan de werknemers die hebben
gekozen voor het beroeps- of persoonlijk project als aan de werknemers die
hebben gekozen voor het re-integratieverlof. Afhankelijk van de behoeften van
de werknemers voor wie steun wordt aangevraagd, bestaat deze steun in: –
een premie van 6 000 EUR, die in twee
keer wordt betaald (de eerste helft bij overlegging van een bewijs van
oprichting of overname van een bedrijf; het saldo bij overlegging van een
bewijs dat de onderneming zes maanden na haar inschrijving in het handelsregister
nog steeds een reële activiteit uitoefent); –
een plaatselijke re-integratietoelage van
2 000 EUR, die wordt betaald wanneer het bedrijf wordt opgericht of
overgenomen in het werkgelegenheidsgebied van de vestiging waar de werknemer
die de groep PSA Peugeot Citroën heeft verlaten, oorspronkelijk werkte; –
een toelage voor het creëren van nieuwe banen van
1 000 EUR per gecreëerde voltijdse baan voor de eerste twee banen; –
een terugbetaalbare lening van 15 000 EUR
tegen het nultarief. De kosten van deze ene maatregel worden geschat op
2 900 EUR. Deze kosten stemmen overeen met de dossierkosten en de
intresten op de leningen die de betrokken kredietinstelling aan de onderneming
doorberekent. 20. De in de aanvraag vermelde
uitgaven voor de implementatie van het EFG overeenkomstig artikel 3 van
Verordening (EG) nr. 1927/2006 dekken activiteiten op het vlak van
voorbereiding van de aanvraag, beheer, voorlichting en publiciteit, alsook
controle en implementatie van het fonds. De voorlichtingsmaatregelen die Frankrijk
voorstelt omvatten de publicatie van diverse artikelen over de aanvraag van
EFG-steun in de media van de groep PSA Peugeot Citroën en op het intranet van
human ressources, alsook de verspreiding van affiches waarop het fonds wordt
voorgesteld in de vestigingen van de groep. Anderzijds werden affiches en
folders van de Commissie over EFG-steun verspreid bij de plaatselijke
informatiepunten en bij de Adviessteunpunten Werk Mobiliteit. Het Franse
voorstel voorziet eveneens in de verspreiding van een externe mededeling na de
goedkeuring van de aanvraag door de Commissie. De Franse autoriteiten hebben bovendien toegelicht
dat de bedragen voor het beheer en de controle zo laag waren omdat de
activiteiten die zij in het kader van het algemene beheer van de staat toch al
moest uitvoeren, niet in rekening zijn gebracht. 21. De door de Franse autoriteiten
voorgestelde individuele dienstverlening omvat actieve arbeidsmarktmaatregelen
die op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1927/2006 voor financiering
in aanmerking komen. De Franse autoriteiten ramen de totale kosten van deze
dienstverlening op 18 352 056 EUR en de uitgaven voor de
implementatie van het EFG op 32 047 EUR (0,17 % van het totale
bedrag). Van het EFG wordt in totaal een bijdrage van 11 949 666 EUR (65 %
van de totale kosten) gevraagd. Maatregelen || Geschat aantal werknemers voor wie steun wordt aangevraagd || Geschatte kosten per betrokken werknemer (EUR) || Totale kosten (EFG en nationale medefinanciering) (EUR)[10] Individuele dienstverlening (artikel 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1927/2006) Adviessteunpunten Werk Mobiliteit || 2 089 || 981,43 || 2 050 206 Opleiding voor werknemers die hebben gekozen voor re‑integratieverlof || 700 || 3 684,59 || 2 579 213 Opleiding voor werknemers die hebben gekozen voor een beroeps- of persoonlijk project || 68 || 3 131,38 || 212 934 Opleiding voor werknemers die hebben gekozen voor de oprichting of overname van een bedrijf || 304 || 3 634,12 || 1 104 773 Toelage voor het re-integratieverlof || 1 080 || 5 105,18 || 5 513 593 Ondersteuning bij de oprichting van een bedrijf || 924 || 7 458,16 || 6 891 337 Subtotaal individuele dienstverlening || || 18 352 056 Uitgaven voor de implementatie van het EFG (artikel 3, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1927/2006) Voorbereiding en follow-up || || 17 047 Organisatie, controle en traceerbaarheid van de gegevens || || 15 000 Subtotaal uitgaven voor de implementatie van het EFG || || 32 047 Totale geraamde kosten || || 18 384 103 EFG-bijdrage (65 % van de totale kosten) || || 11 949 666 22. Frankrijk bevestigt dat de
hierboven beschreven maatregelen complementair zijn met de door de
structuurfondsen gefinancierde maatregelen en garandeert dat er geen dubbele
financiering plaatsvindt aangezien voor deze maatregelen noch van de Europese
Unie, noch van de Franse staat andere steun wordt ontvangen. Een overeenkomst
tussen de Franse staat en de groep PSA Peugeot Citroën bevestigt dat dubbele
financiering moet worden vermeden. Datum waarop met individuele
dienstverlening aan de getroffen werknemers is begonnen of waarop gepland is
daarmee te beginnen 23. Op 1 januari 2009, de datum
waarop alle maatregelen waarin de regeling voor vrijwillig vertrek voorzag voor
de getroffen werknemers beschikbaar werden gesteld, heeft Frankrijk een begin
gemaakt met de individuele dienstverlening aan de getroffen werknemers die in
aanmerking komen voor het gecoördineerde pakket waarvoor medefinanciering van
het EFG wordt aangevraagd. Deze datum geldt daarom als het begin van de periode
waarin uitgaven voor een eventuele ondersteuning uit het EFG in aanmerking komen. Wijze waarop de sociale partners zijn
geraadpleegd 24. Op 2 december 2008 is de
centrale ondernemingsraad in buitengewone vergadering bijeengekomen om het
voorstel van de groep PSA Peugeot Citroën voor een regeling voor vrijwillig
vertrek te bespreken. De centrale ondernemingsraad heeft in 2009 vervolgens
herhaaldelijk vergaderd, met name om de realisatie van het plan te evalueren en
een balans op te maken. De indiening van een aanvraag voor een EFG-bijdrage
werd aangekondigd tijdens een buitengewone vergadering van de centrale
ondernemingsraad op 20 april 2010. De vakbonden zijn eveneens geregeld
geïnformeerd over de uitvoering van de maatregelen. 25. De Franse autoriteiten hebben
bevestigd dat aan de voorschriften van de nationale en EU-wetgeving betreffende
collectieve ontslagen is voldaan. Informatie over acties die volgens de
nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten verplicht zijn 26. In verband met de criteria van
artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1927/2006 hebben de Franse autoriteiten in
de aanvraag: · bevestigd dat de financiële bijdrage van het EFG niet in de plaats komt
van maatregelen die krachtens de nationale wetgeving of collectieve
arbeidsovereenkomsten onder de verantwoordelijkheid van de ondernemingen
vallen; · aangetoond dat de maatregelen ten doel hebben steun te verlenen aan
individuele werknemers en niet worden gebruikt om ondernemingen of sectoren te
herstructureren; · bevestigd dat voor de vermelde subsidiabele maatregelen geen steun uit
andere EU-financieringsinstrumenten wordt ontvangen. Beheers- en controlesystemen 27. Frankrijk heeft de Commissie
ervan in kennis gesteld dat de financiële bijdrage zal worden beheerd door de
taskforce van het Franse Nationale Werkgelegenheidsfonds (Mission du Fonds
national de l’emploi - FNE) bij de algemene delegatie voor Werkgelegenheid en
Beroepsopleiding (DGEFP) van het ministerie van Arbeid, Werkgelegenheid en
Gezondheid. De betalingen worden beheerd door de taksforce Financiering,
Begroting en Beheersdialoog (Mission du financement, du budget et du dialogue
de gestion - MFBDG) van de afdeling Financiering, Begroting en Beheersdialoog
(Département financement, dialogue et contrôle de gestion) van het
desbetreffende ministerie. De audits en controles worden uitgevoerd door de
taskforce Organisatie van de controles (Mission organisation des contrôles -
MOC) van de dienst Opleidingsbeleid en controle (Sous-direction des politiques
de formation et du contrôle) van het hierboven genoemde ministerie. De
certificeringen worden afgegeven door het certificeringscetrum (Pôle de
certification) van het directoraat-generaal Overheidsfinanciën. Financiering 28. Op grond van de aanvraag van
Frankrijk bedraagt de voorgestelde bijdrage uit het EFG aan het gecoördineerde
pakket van individuele dienstverlening (met inbegrip van de uitgaven voor de
implementatie van het EFG) 11 949 666 EUR (65 % van de totale
kosten). De Commissie heeft haar voorstel voor een bijdrage uit het fonds
gebaseerd op de door Frankrijk verstrekte informatie. 29. Gezien het beschikbare
maximumbedrag aan bijdragen uit het EFG ingevolge artikel 10, lid 1, van
Verordening (EG) nr. 1927/2006, alsook de mogelijkheden tot herschikking van de
kredieten, stelt de Commissie voor om uit het EFG het hierboven vermelde totale
bedrag beschikbaar te stellen, dat zal worden toegewezen onder rubriek 1a van
het financiële kader. 30. Het voorgestelde bedrag van de
financiële bijdrage laat meer dan 25 % van het jaarlijkse maximumbedrag
van het EFG beschikbaar voor toewijzingen tijdens de laatste vier maanden van
het jaar, zoals voorgeschreven bij artikel 12, lid 6, van Verordening (EG) nr.
1927/2006. 31. Met haar voorstel om middelen
uit het EFG beschikbaar te stellen, leidt de Commissie de vereenvoudigde
trialoogprocedure in, zoals voorgeschreven in punt 28 van het
Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006, om van de twee takken van de
begrotingsautoriteit de instemming te verkrijgen betreffende de noodzaak van
het fonds gebruik te maken en betreffende het vereiste bedrag. De Commissie
verzoekt de eerste tak van de begrotingsautoriteit die op het passende
politieke niveau overeenstemming bereikt over het ontwerpvoorstel voor een
beschikbaarstelling uit het fonds, de andere tak en de Commissie van zijn
voornemens op de hoogte te brengen. Indien één van de twee takken van de
begrotingsautoriteit het niet met het voorstel eens is, wordt een formele
trialoogvergadering bijeengeroepen. 32. De Commissie presenteert
afzonderlijk een voorstel tot overschrijving om in de begroting voor 2012
specifieke vastleggingskredieten op te nemen, zoals voorgeschreven in punt 28
van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006. Herkomst van de betalingskredieten 33. Kredieten van het
EFG-begrotingsonderdeel zullen worden gebruikt ter dekking van het voor deze
aanvraag benodigde bedrag van 11 949 666 EUR. Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD betreffende de beschikbaarstelling van
middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
overeenkomstig punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006
tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de
begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (aanvraag EGF/2010/015
FR/Peugeot, Frankrijk) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 17
mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de
begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer[11], en met name punt 28, Gezien Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het
Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een
Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering[12], en met name artikel 12, lid
3, Gezien het voorstel van de Europese Commissie[13], Overwegende hetgeen volgt: (1) Het Europees Fonds voor
aanpassing aan de globalisering (EFG) is opgericht om extra steun te verlenen
aan werknemers die worden ontslagen als gevolg van door de globalisering
veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen en om
hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt. (2) Het EFG staat sinds
1 mei 2009 ook open voor tot en met 30 december 2011 ingediende
aanvragen om steun voor werknemers die worden ontslagen als rechtstreeks gevolg
van de wereldwijde financiële en economische crisis. (3) Krachtens het
Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 mag uit het EFG een jaarlijks
maximumbedrag van 500 miljoen EUR beschikbaar worden gesteld. (4) Op 5 mei 2010 heeft Frankrijk
een aanvraag ingediend om middelen uit het EFG beschikbaar te stellen in
verband met gedwongen ontslagen bij de groep PSA Peugeot Citroën in Frankrijk;
aan de aanvraag werd aanvullende informatie tot en met 13 april 2012
toegevoegd. Deze aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor een financiële
bijdrage overeenkomstig artikel 10
van Verordening (EG) nr. 1927/2006. Bijgevolg stelt de
Commissie voor om een bedrag van 11 949 666 EUR beschikbaar te
stellen. (5) Er moeten dan ook middelen
uit het EFG beschikbaar worden gesteld om een financiële bijdrage te leveren
voor de door Frankrijk ingediende aanvraag, HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT
VASTGESTELD: Artikel 1 Ten laste van de algemene begroting van de
Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012 wordt een bedrag van 11 949 666 EUR
aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees
fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG). Artikel 2 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De
voorzitter De voorzitter [1] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. [2] PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1. [3] Overeenkomstig artikel 3, derde alinea, van Verordening
(EG) nr. 1927/2006. [4] De Europese markt in brede zin (30 landen)
vertegenwoordigt 74 % van de verkoop van het merk Peugeot en 80 % van
het merk Citroën. [5] COM(2011) 664 van 13.10.11, Voorstel voor een besluit
van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van
middelen uit het EFG (aanvraag EGF/2011/005 PT/Norte-Centro, automobielsector,
Portugal). [6] COM(2011) 420 van 11.7.2011, Voorstel voor een besluit
van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van
middelen uit het EFG (aanvraag EGF/2009/019 FR/Renault, Frankrijk). [7] COM(2009) 104 van 25.2.2009, "Aanpak van de crisis
in de Europese automobielindustrie" . [8] Directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie: "Impact
of the economic crisis on the manufacturing and construction
industries – April 2009 update" (Gevolgen van de economische
crisis voor de verwerkende industrie en de bouw – actualisering april 2009) (http://ec.europa.eu/enterprise/newsroom/cf/itemdetail.cfm?item_id=3437&tpa=0&tk=&lang=nl). [9] "Industrie francilienne: des emplois plus qualifiés
et moins industriels", INSEE, december 2011, http://www.insee.fr/fr/insee_regions/idf/themes/alapage/alap378/alap378.pdf [10] Door het afronden kloppen de totalen niet exact. [11] PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1. [12] PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1. [13] PB C […] van […], blz. […].