This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012PC0206
Proposal for a COUNCIL DIRECTIVE amending Directive 2006/112/EC on the common system of value added tax, as regards the treatment of vouchers
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de behandeling van vouchers betreft
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de behandeling van vouchers betreft
/* COM/2012/0206 final - 2012/0102 (CNS) */
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de behandeling van vouchers betreft /* COM/2012/0206 final - 2012/0102 (CNS) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Motivering
en doel van het voorstel De zesde
btw-richtlijn[1]
noch de btw-richtlijn[2]
voorziet in regels voor de behandeling van transacties met vouchers. Als bij
een belastbare transactie gebruik wordt gemaakt van een voucher, kan dat
gevolgen hebben voor de maatstaf van heffing, het tijdstip van de transactie en
– in bepaalde omstandigheden – zelfs de plaats van heffing. Onzekerheid over de
juiste fiscale behandeling kan evenwel tot problemen leiden bij grensoverschrijdende
transacties of bij ketentransacties in de commerciële distributie van vouchers. Door het
ontbreken van gemeenschappelijke regels hebben de lidstaten noodgedwongen eigen
oplossingen ontwikkeld, die onvermijdelijk niet op elkaar waren afgestemd. Als
gevolg daarvan sluiten de belastingstelsels niet naadloos op elkaar aan, wat
niet alleen voor problemen zorgt zoals dubbele heffing of niet-heffing, maar
ook belastingontwijking in de hand werkt en hindernissen opwerpt voor
bedrijfsinnovatie. Bovendien is door de ruimere gebruiksmogelijkheden die
vouchers mettertijd hebben gekregen, het onderscheid met meer algemene
betaalmiddelen vervaagd. Sinds de
vaststelling van de gemeenschappelijke btw-voorschriften in 1977 hebben zich
heel wat ontwikkelingen voorgedaan en het toegenomen gebruik van vouchers is
slechts een van de vele veranderingen die de wijze van zakendoen ingrijpend
hebben gewijzigd, onder meer met complexe verrichtingen die toentertijd niet te
voorzien waren. Het Hof van
Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft zich verschillende malen
moeten uitspreken over de toepassing van de btw-richtlijnen in dergelijke
omstandigheden. Voor vouchers is er langs deze weg enige duiding gegeven, maar
andere problemen zijn zonder oplossing gebleven. Dit voorstel strekt ertoe deze
leemte te vullen door de regels in de EU-wetgeving betreffende de
btw-behandeling van vouchers te verduidelijken en te harmoniseren. Algemene
context Dit wetgevingsvoorstel is opgesteld met als
doel duidelijkheid te verschaffen, met name over de fiscale gevolgen van de
uitgifte, distributie of inwisseling van de verschillende soorten vouchers,
zowel in een nationale (binnen de grenzen van een lidstaat) als in een
grensoverschrijdende (bij verrichtingen die zich in verschillende lidstaten
afspelen) context. Wat is een
voucher? Voor de btw is een voucher een instrument dat
de houder ervan recht geeft op goederen of diensten, dan wel op een korting of
een terugbetaling in verband met een levering van goederen of diensten. De
verstrekker van de voucher neemt een verplichting op zich om goederen of
diensten te leveren, een korting te geven of een terugbetaling te doen. Een voucher kan in elektronische of fysieke
vorm voorkomen en heeft doorgaans een achterliggend commercieel of promotioneel
doel, zoals de levering van bepaalde goederen of diensten stimuleren of de
betaling van bepaalde goederen of diensten versnellen. Een voucher heeft met
andere woorden tot doel de markt voor goederen of diensten te ontwikkelen,
klanten te binden of het betalingsproces te vergemakkelijken. Deze
doelstellingen helpen het onderscheid te maken met instrumenten zoals
travellerscheques, die uitsluitend bedoeld zijn om betalingen te doen. Een instrument dat uitsluiting tot betaling
dient, valt buiten de definitie van vouchers voor btw-doeleinden. Voor zuivere
betaaldiensten gelden andere btw-regels. Er bestaan verschillende soorten vouchers.
Sommige worden verstrekt tegen een vergoeding en worden momenteel, afhankelijk
van de benadering van de afzonderlijke lidstaten, ofwel bij de verkoop ofwel
bij de inwisseling belast. Vouchers kunnen ook gratis worden verstrekt en de
houder ervan recht geven op afname van goederen of diensten zonder verdere
betaling. Dit kan worden beschouwd als een relatiegeschenk. Een gratis kortingsvoucher
die de houder recht geeft op een korting bij een latere transactie, kan gewoon
worden beschouwd als een verplichting om een prijsvermindering te verlenen. Een recht op een korting op alle aankopen over
een bepaalde periode, zelfs als dat recht tegen betaling wordt verleend, wordt
hier evenwel niet als een voucher aangemerkt, omdat de aanspraak losstaat van
de aankooptransacties. Het open karakter van een dergelijk recht (ook al is het
beperkt in de tijd) verschilt sterk van dat van een kortingsvoucher, die een
eenmalig recht verleent voor specifieke goederen of diensten. Dit betekent
evenwel niet dat een dergelijke dienst onbelast zal blijven. Welke vragen
in verband met de huidige btw-behandeling van vouchers moeten aan de orde
worden gesteld? Er rijst een fundamentele vraag over het
tijdstip waarop transacties met vouchers moeten worden belast. Zonder
gemeenschappelijke regels bestaat er geen afstemming tussen de verschillende
werkwijzen van de lidstaten. Sommige van hen belasten de meest courante soorten
vouchers bij de uitgifte, terwijl andere dat pas bij de inwisseling ervan doen.
Dit leidt tot onzekerheid bij ondernemers, met name wanneer zij profijt willen
trekken van de kansen die de eengemaakte markt biedt. Wanneer een voucher in
een lidstaat wordt uitgegeven en in een andere lidstaat wordt gebruikt, is
dubbele heffing of niet-heffing een van de praktische gevolgen van de
discrepanties tussen de verschillende belastingstelsels. De scheidingslijn tussen vouchers (waarvan de
btw-regels in onderhavig document worden behandeld) en de ontwikkeling van
innoverende betaalsystemen (waarvan de btw-behandeling elders in de
btw-richtlijn is geregeld) moet worden verduidelijkt. Vouchers komen vaak bij de klant terecht via
een keten van distributeurs (met name prepaidvouchers in de
telecommunicatiesector). Ook hier heeft het ontbreken van gemeenschappelijke
regels geleid tot de meest uiteenlopende benaderingen, waarbij soms ook nog
rekening is gehouden met lokale concessieovereenkomsten, waardoor de ontwikkeling
van intra-EU-bedrijfsmodellen wordt gehinderd. Bij kortingsvouchers kan er sprake zijn van
een terugbetaling van een fabrikant of distributeur (die kortingsvouchers
verstrekt) aan een detailhandelaar als compensatie voor een prijsvermindering
die de klant in ruil voor de kortingsvoucher krijgt. De bestaande regels, zoals
zij zijn uitgelegd door het HvJ EU, zijn omslachtig en in de praktijk moeilijk
toe te passen. Er is dringend behoefte aan een betere aanpak. 2. WELKE OPLOSSINGEN WORDEN
VOORGESTELD? Om deze problemen op te lossen, zal de
btw-richtlijn worden gewijzigd. De wijzigingen kunnen in vijf rubrieken worden
ingedeeld. 1. Definitie van vouchers voor
btw-doeleinden De eerste stap bestaat erin te verduidelijken
wat voor de btw onder een voucher moet worden verstaan. Daarvoor wordt een
nieuw artikel 30 bis ingevoegd. In de btw-richtlijn moet worden duidelijk
gemaakt welke vouchers bij uitgifte moeten worden belast en welke vouchers pas
bij inwisseling moeten worden belast. Eerstgenoemde worden aangeduid als
"single purpose vouchers", laatstgenoemde als "multipurpose
vouchers". Bij het onderscheid draait het om de vraag of er voldoende
informatie beschikbaar is om de voucher bij de uitgifte al te belasten dan wel
of de belasting pas bij de inwisseling kan gebeuren, omdat de voucher voor
verschillende doeleinden kan worden aangewend. Voorts moet ervoor worden
gezorgd dat instrumenten die momenteel ter betaling kunnen worden gebruikt in
meerdere, niet met elkaar verbonden verkooppunten en nu meestal niet als
vouchers worden behandeld, ook in de toekomst op dezelfde manier worden
behandeld. Door innovatie op het gebied van de
verstrekking van betaaldiensten is het onderscheid tussen vouchers en
traditionele betaalsystemen vervaagd. Artikel 30 bis verschaft ook de
vereiste duidelijkheid over de grenzen die er voor vouchers in de btw-sfeer
gelden. 2. Tijdstip van belastingheffing Nadat de verschillende soorten vouchers zijn
gedefinieerd, moeten nog enkele andere wijzigingen worden doorgevoerd om ervoor
te zorgen dat er duidelijkheid heerst over de juiste btw-behandeling. De huidige regels met betrekking tot het
tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt (artikel 65), moeten worden
aangepast om ervoor te zorgen dat single purpose vouchers (SPV's) aan de btw
worden onderworpen op het tijdstip waarop zij worden verstrekt en betaald. Om verwarring te voorkomen, mogen de
toekenning van het recht dat in een voucher besloten ligt, en de onderliggende
levering van goederen of diensten niet als aparte transacties worden beschouwd.
SPV's worden onmiddellijk belast, waardoor dit potentiële probleem zich niet
kan voordoen. Bij vouchers die niet bij uitgifte worden belast omdat de plaats
en de hoogte van de belasting nog niet kunnen worden bepaald, mag de heffing pas
gebeuren bij de levering van de onderliggende goederen of diensten. Om te
garanderen dat de heffing op die manier gebeurt - en ook alleen op die manier
-, wordt een nieuw artikel 30 ter voorgesteld. Hierin wordt duidelijk gemaakt
dat de uitgifte van een voucher en de daaropvolgende levering van goederen of
diensten voor de btw één enkele transactie vormen. 3. Regels voor de distributie Nadat in de btw-richtlijn is bepaald dat
multipurpose vouchers (MPV's) moeten worden belast bij de inwisseling, moet een
aantal kwesties in verband met de distributie van deze vouchers worden
geregeld. Voordat zij bij de klant terechtkomen, passeren zij vaak via een
reeks van distributeurs. Ofschoon de onderliggende transactie pas mag worden
belast wanneer de uiteindelijke levering van de goederen of diensten
plaatsvindt, vormt de commerciële distributie van een MPV een belastbare dienst
op zich die losstaat van de onderliggende prestatie. Wanneer de MPV in andere
handen overgaat in een distributieketen, kan de maatstaf van heffing voor de
dienst in kwestie worden bepaald aan de hand van de ontwikkeling van de waarde
van de voucher. Wanneer een distributeur een voucher aankoopt voor X en hem
vervolgens voor een hoger bedrag (X plus Y) verkoopt, komt de opslag Y overeen
met de waarde van de verleende distributiedienst. Aangezien distributieketens van MPV's zich
over verschillende lidstaten kunnen uitstrekken, zijn gemeenschappelijke regels
nodig om de distributiedienst precies te omlijnen en de waarde ervan te
bepalen. In een extra punt d) in artikel 25 wordt duidelijk gemaakt dat voor de
toepassing van de btw-richtlijn de distributie als een dienst is aan te merken.
De berekening van de maatstaf van heffing voor deze dienst wordt geregeld in
een nieuw artikel 74 ter. Om de berekening van de maatstaf van heffing
in ieder stadium van een distributieketen te vergemakkelijken, wordt het begrip
"nominale waarde" ingevoerd en in artikel 74 bis gedefinieerd
als de volledige tegenprestatie die toekomt aan de verstrekker van de MPV, welke
op haar beurt de maatstaf van heffing (plus btw) vormt die toerekenbaar is aan
de levering van de onderliggende goederen of diensten. De constructie die in deze twee bepalingen is
opgezet, garandeert dat het geheel van de belastbare handelingen die samenhangen
met een MPV – de levering van een distributiedienst en de levering van de
onderliggende goederen of diensten – op een alomvattende, neutrale en
transparante wijze is beschreven en in de heffing wordt betrokken. 4. Kortingsvouchers Er doen zich problemen voor met
kortingsvouchers wanneer de korting uiteindelijk wordt gedragen door degene die
de voucher heeft verstrekt in plaats van degene bij wie hij wordt ingewisseld.
Om een complexe reeks van correcties te vermijden, wordt voorgesteld deze
korting te behandelen als een aparte dienst van de inwisselaar aan de
verstrekker. De daartoe benodigde maatregelen zijn vastgesteld in een nieuw
punt e) in artikel 25 en in artikel 74 quater. 5. Overige technische of
secundaire wijzigingen De btw-richtlijn zal ook op een aantal andere
punten technisch moeten worden gewijzigd om de goede werking van deze
oplossingen te verzekeren, met name wat betreft het recht op aftrek (artikel
169), de persoon die tot voldoening van de belasting is gehouden (artikel 193)
en andere verplichtingen (artikel 272). De artikelen 28 en 65 moeten technisch
worden gewijzigd ten behoeve van een juiste behandeling van respectievelijk
MPV's en SPV's. 3. TECHNISCHE TOELICHTING OP DE
BELANGRIJKSTE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL De definitie van vouchers en de
verschillende criteria die van toepassing zijn, waaronder het tijdstip van
belastingheffing (artikel 30 bis, leden 1 en 2, en artikel 30 ter). De btw-regels moeten duidelijk en coherent
zijn wat betreft het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. Als de
informatie die nodig is voor een juiste heffing, niet beschikbaar is wanneer
een voucher wordt uitgegeven, is het praktische gevolg daarvan dat de heffing
alleen kan plaatsvinden op het tijdstip waarop de voucher wordt ingewisseld. Doordat
de btw-richtlijn hieromtrent geen handvatten aanreikt, bestaat er geen
consensus over welke vouchers moeten worden belast bij de uitgifte en welke bij
de inwisseling ervan. Het gevolg hiervan is dat sommige lidstaten een bepaald
soort voucher (bv. een beltegoed[3])
aanmerken als een vooruitbetaling die vooraf moet worden belast, terwijl andere
lidstaten bij hetzelfde soort voucher de uiteindelijke prestatie in de heffing
betrekken[4].
Als een voucher in een van de eerstgenoemde lidstaten wordt uitgegeven en in
een van de laatstgenoemde wordt ingewisseld, zullen beide lidstaten btw heffen
over dezelfde prestatie. Vanuit beide standpunten is deze aanpak
gerechtvaardigd, maar het resultaat is dubbele heffing. In de omgekeerde
situatie wordt in geen van beide lidstaten btw geheven en is het resultaat
niet-heffing. Dubbele belasting als gevolg van discrepanties
tussen belastingstelsels vormt een potentiële en reële belemmering voor
commerciële activiteiten waarmee bedrijven de kansen van de eengemaakte markt
willen benutten. Omgekeerd kan misbruik worden gemaakt van onbedoelde
niet-heffing als gevolg van dergelijke discrepanties. Om dit probleem aan te pakken, wordt in het
voorstel eerst een definitie gegeven van vouchers en van de hoofdcategorieën
van vouchers, waarbij met name een onderscheid wordt gemaakt tussen SPV's en
MPV's. Een SPV geeft de houder een recht op afname
van specifieke goederen of diensten in omstandigheden waarin de hoogte van de
belasting (meer bepaald het btw-tarief), de identiteit van de leverancier of
dienstverlener, en de lidstaat waar de onderliggende prestatie wordt verricht,
onmiddellijk definitief kunnen worden bepaald. De btw-behandeling staat vast
bij de verkoop van de voucher. Als voorbeeld kan worden gedacht aan een
dienstverlener die (rechtstreeks of via tussenpersonen) vouchers verkoopt die
recht geven op afname van een specifieke dienst (bv. telecommunicatie) in een
bepaalde lidstaat. Een MPV geeft de houder een recht op afname
van goederen of diensten waarbij nog niet voldoende duidelijk is welke goederen
of diensten zullen worden geleverd of in welke lidstaat de prestatie zal worden
verricht en de heffing zal plaatsvinden, om de btw al op het tijdstip van
uitgifte van de voucher te kunnen bepalen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer
een internationale hotelketen zijn producten wil promoten met behulp van
vouchers die voor logies kunnen worden ingewisseld in een van zijn vestigingen
in verschillende lidstaten. Een ander voorbeeld is het gebruik van
prepaidtegoeden om ofwel telecommunicatiediensten af te nemen (normaal
btw-tarief), ofwel het openbaar vervoer te betalen (waar een verlaagd tarief
kan gelden). Onderscheid tussen vouchers en
betaalinstrumenten (artikel 30 bis, lid 2) Aangezien vouchers en meer algemene
betaalmiddelen voor de btw verschillend worden behandeld, vereist de
neutraliteit dat er een duidelijk onderscheid tussen beide is, dat rekening
houdt met hun respectieve inherente aard. Wanneer een middel dat uitsluitend
tot betaling dient, een aantal kenmerken krijgt die ook vouchers gewoonlijk
hebben (bv. een kaart waarop waarde is opgeslagen of een prepaidtegoed dat is
opgeslagen op of gekoppeld aan een mobiele telefoon), moet zorgvuldig worden
gekeken naar de wijze waarop dit middel in essentie functioneert. De inwisseling
van een voucher tegen goederen of diensten is geen betaling maar veeleer de
uitoefening van een recht volgend op een betaling die is verricht wanneer de
voucher werd uitgegeven of in andere handen overging. Wanneer daarentegen
gebruikt wordt gemaakt van een opgeslagen bedrag of een prepaidtegoed om de
prijs van goederen of diensten te voldoen, gaat het recht op die goederen of
diensten pas gelden wanneer de betaling is verricht. Dit concept is
fundamenteel verschillend van de uitoefening van een verworven recht door de
houder van een voucher. Vouchers moeten altijd leiden tot de levering
van goederen of diensten en worden vaak uitgegeven om de verkoop van een
bepaalde leverancier of dienstverlener of groep van leveranciers of
dienstverleners te promoten dan wel de aankoop van goederen of diensten te
vergemakkelijken. Deze kenmerken spelen in combinatie met het recht op afname
van goederen of diensten (en de overeenkomstige verplichting tot levering van
deze goederen of diensten) een rol bij het maken van het onderscheid tussen
vouchers en meer algemene betaalinstrumenten (die geen dergelijke specifieke
rechten belichamen). Het groeiend aantal mobiele toestellen
versterkt de behoefte aan een duidelijk onderscheid tussen enerzijds
prepaidtegoeden voor telecommunicatie (dit zijn vouchers) en anderzijds mobiele
betaaldiensten meer in het algemeen, die naar verwachting door het systeem van
voorafbetaling van die tegoeden in de hand zullen worden gewerkt. Typisch voor
mobiele betaalsystemen is dat zij een klant de mogelijkheid bieden om met een
mobiele telefoon niet alleen telecommunicatiediensten te betalen, maar ook een
steeds breder wordend scala aan goederen en diensten (en zelfs geld over te
schrijven). Als het systeem is opgezet om de betaling te vergemakkelijken van
een brede of open reeks goederen of diensten, waaronder eventueel ook content
(muziekbestanden, spelletjes, kaarten, data enz.), of andere diensten (parkeren
enz.) of goederen (bv. uit een automaat), kan bezwaarlijk gewag worden gemaakt
van een voucher. Doorslaggevend voor het onderscheid tussen een MPV (waarbij de
houder toegang heeft tot telecommunicatiediensten en ook andere specifieke
goederen of diensten) en een betaaldienst (waarvan het doel is de besteding van
een prepaidtegoed te vergemakkelijken bij de aankoop van goederen of diensten,
met name ook van andere leveranciers of dienstverleners) is het bestaan van een
recht op afname van goederen of diensten. Instrumenten die mogelijkerwijs een aantal
kenmerken van vouchers hebben maar waarvan het hoofddoel is als betaalmiddel te
functioneren, moeten derhalve worden uitgesloten van de definitie van een
voucher. Dit wordt beoogd met artikel 30 bis, lid 2. Distributie van vouchers in een keten
(artikel 25, onder d), artikel 74 bis en artikel 74 ter) Vouchers kunnen op veel verschillende manieren
worden uitgedeeld (bijvoorbeeld via kranten, tussenpersonen, aangebracht op een
product in de supermarkt enz.). Aangezien SPV's vooraf kunnen worden belast,
is de distributie ervan relatief ongecompliceerd. De distributie van MPV's via
tussenpersonen in een verkoopketen kan daarentegen iets ingewikkelder zijn. Er bestaan vele mogelijke modellen; bij een
daarvan wordt ervan uitgegaan dat de prijs waartegen de verstrekker de MPV
verkoopt aan het begin van de keten verschilt van de prijs die de klant betaalt
aan het eind van de keten als gevolg van de marges of de toeslagen van de
distributeurs. De klant die de MPV aankoopt aan het eind van de keten, betaalt
een hogere prijs dan de vergoeding die de voucherverstrekker heeft ontvangen
aan het begin van de keten. Tenzij de marge (of toeslag) correct wordt
meegenomen, zal er een discrepantie bestaan tussen de btw die de verstrekker in
rekening heeft gebracht, en de btw (voorbelasting) die de klant, die een belastingplichtige
met recht op aftrek kan zijn, op zijn factuur verwacht. Dit soort regelingen is gebruikelijk bij de
distributie van prepaidvouchers in de telecommunicatiesector. Om het probleem op te lossen, wordt
voorgesteld om het concept "nominale waarde" in te voeren - een vast
bedrag dat bij het begin is vastgelegd door de verstrekker van de MPV - en om
ieder positief verschil tussen deze nominale waarde en de prijs die een
distributeur van de MPV heeft betaald, aan te merken als de vergoeding voor een
distributiedienst. De distributeur (D1) verleent een (belaste)
distributiedienst aan de verstrekker (V). Daaropvolgende distributeurs (D2)
verlenen een vergelijkbare distributiedienst aan de voorgaande distributeur
(die hen de MPV heeft verkocht). Dit kan als volgt geïllustreerd worden: Bedrijf V (een telecombedrijf) verkoopt in dit
voorbeeld een MPV aan een distributeur (D1) met een nominale waarde van 100
EUR. D1 betaalt 80 EUR aan de verstrekker. Het verschil tussen de nominale
waarde en de betaalde prijs is 20 EUR. Dit bedrag wordt beschouwd als de
vergoeding (inclusief btw) voor een distributiedienst die door de distributeur
aan het telecombedrijf wordt verleend. D1 reikt een factuur uit aan V waarop de prijs
van de distributiedienst en de toepasselijke btw zijn vermeld. Bij een
btw-tarief van 25 % zal de distributiedienst 16 EUR en de btw 4 EUR
bedragen. D1 verkoopt vervolgens de MPV aan een
subdistributeur voor 90 EUR. D2 verricht in dit geval een distributiedienst
voor D1 en reikt een factuur uit met het verschil tussen de nominale waarde
(100 EUR) en het betaalde bedrag (90 EUR). Hierop zal een bedrag van 8 EUR
vermeld zijn voor de dienst en 2 EUR voor de btw. D2 verkoopt ten slotte de voucher aan de
consument (C) voor 100 EUR. C gebruikt de voucher (een prepaidtegoed) om
telecom- of andere diensten aan te kopen bij V. Als het om zakelijk gebruik
gaat, ontvangt C (een belastingplichtige) een factuur van V voor 100 EUR,
inclusief btw. Er wordt op geen enkel ogenblik een
btw-factuur uitgereikt voor de verkoop van de MPV in de distributieketen. Wat V (het telecombedrijf en de verstrekker
van de MPV) betreft, zal het bedrijf diensten hebben verleend voor een waarde
van 80 EUR en 20 EUR btw in rekening hebben gebracht (nog altijd uitgaande van
een vast btw-tarief van 25 %). Bedrijf V zal distributiekosten hebben
betaald ten belope van 16 EUR (plus 4 EUR btw die zijn aangerekend) om de MPV
bij de consument te krijgen. Neutraliteit
van gratis kortingsvouchers (artikel 25, onder e), en artikel 74 quater) Gratis kortingsvouchers geven de houder recht
op een korting bij inwisseling van de voucher tegen bepaalde goederen of
diensten. Als de verstrekker van de voucher en degene bij wie de voucher wordt
ingewisseld, dezelfde persoon is, wordt de maatstaf van heffing van deze
prestaties verminderd met het kortingsbedrag (minus de inbegrepen btw). De
consument die een product van 100 EUR koopt, zal dus slechts 95 EUR betalen als
hij een kortingsvoucher van 5 EUR gebruikt. In de praktijk passeren de artikelen waarop
kortingsvouchers betrekking hebben, vaak via verschillende belastingplichtigen
(zoals groothandelaren, distributeurs en de detailhandelaar) voordat zij
uiteindelijk bij de consument terechtkomen. De korting wordt vaak terugbetaald
door de verstrekker (bijvoorbeeld de fabrikant) aan de persoon (bijvoorbeeld
een detailhandelaar) bij wie de voucher wordt ingewisseld. Het kan zelfs
voorkomen dat de consument de normale prijs betaalt maar achteraf een
terugbetaling krijgt ("geld terug") van de verstrekker. In dit verband
zijn er moeilijkheden gerezen met de vaststelling van de juiste
btw-behandeling. Op basis van vaste rechtspraak van het HvJ EU[5] is het momenteel zo dat de
initiële verstrekker (groothandelaar of fabrikant) de terugbetaling aan de
inwisselaar in mindering kan brengen op de prijs van de initiële verkoop van de
goederen waarop de voucher betrekking heeft. Om verlies aan belastinginkomsten
te voorkomen (de belastingplichtigen verderop in de keten moeten geen correctie
aanbrengen op de door hen afgedragen btw), wordt de terugbetaling beschouwd als
een betaling van een derde partij door de fabrikant aan de inwisselaar, die
moet worden opgeteld (exclusief de inbegrepen btw) bij de maatstaf van heffing
op de factuur die de inwisselaar aan de klant uitreikt. In bovenstaand
voorbeeld zal de inwisselaar dus een factuur van 100 EUR (inclusief btw)
uitreiken aan de klant, ook al heeft deze slechts 95 EUR betaald. Er ontstaan evenwel nog altijd problemen
wanneer deze correcties moeten worden doorgevoerd in een distributieketen (dit
is een complexe materie en bedrijven worden geconfronteerd met onsamenhangende
regels in verband met de aangifte van de btw en de desbetreffende
bewijsstukken) of wanneer de voucher wordt ingewisseld in een andere lidstaat
dan die waar hij werd uitgegeven. Het conflict tussen het recht op aftrek van
de klant (wanneer de voucher wordt gebruikt door een belastingplichtige voor
goederen of diensten die hij voor zijn economische activiteiten wil aanwenden)
en de vermindering van de maatstaf van heffing bij de fabrikant is niet
gemakkelijk op te lossen. Bovendien reikt de rechtspraak geen oplossing aan
voor de situatie waarbij de verstrekker van de voucher niet de bron van de
terugbetaling is. Daarom wordt een adequate wijziging van de
bestaande situatie voorgesteld. De terugbetaling wordt niet langer beschouwd
als een tegenprestatie van een derde partij, maar als een tegenprestatie
(inclusief btw) voor een dienst, namelijk het inwisselen van de voucher. In
plaats van de maatstaf van heffing van de eerste verkoop te verminderen brengt
de fabrikant (die de voucher verstrekt) de voorbelasting in mindering op de
dienst die hem door de inwisselaar wordt verleend, te weten de inwisseling van
de voucher. Wanneer een gratis kortingsvoucher ter
inwisseling wordt aangeboden tegen een levering van goederen of diensten, zal
de betaalde prijs nog altijd worden verminderd met de nominale waarde van de
voucher, maar dit is dan om de maatstaf van heffing van die prestatie te
verminderen. Deze maatstaf van heffing (plus btw) is gelijk aan de werkelijk
door de klant betaalde prijs. In bovenstaand voorbeeld betekent dit dat de
inwisselaar een factuur uitreikt voor 95 EUR (inclusief btw). De klant kan
nooit meer btw in mindering brengen dan wat passend is en de neutraliteit wordt
hersteld. Dit kan als volgt geïllustreerd worden: Bedrijf F (een fabrikant) verkoopt goederen
aan groothandelaar G1 voor 70 EUR. G1 verkoopt deze goederen aan G2 voor 80
EUR, die ze op zijn beurt verkoopt aan D (een detailhandelaar) voor 90 EUR
(alle bedragen inclusief btw). D verkoopt de goederen ten slotte aan
consument C voor 100 EUR. Om de verkoop te promoten, deelt F ondertussen
een gratis kortingsvoucher van 5 EUR uit via kranten en C maakt daar gebruik
van bij zijn aankoop. De voucher wordt als deel van de betaling aanvaard door
D, die F om terugbetaling vraagt. Momenteel mag F deze terugbetaling gebruiken
om de maatstaf van heffing voor de levering aan G1 te verminderen. Het werd
echter als onpraktisch gezien om deze correctie doorheen de hele
distributieketen mee te nemen en de oplossing van het HvJ EU bestond erin om de
5 EUR als een betaling van een derde partij aan te merken. Dit is evenwel
geen zuivere oplossing en zij leidt tot verlies aan belastinginkomsten wanneer
C een belastingplichtige is (met recht op aftrek van de voorbelasting) of
wanneer de toeleveringsketen zich over meer dan een lidstaat uitstrekt (waarbij
er sprake is van een intra-EU verwerving tegen nultarief). Om dit op te lossen, wordt in het voorgestelde
punt e) van artikel 25 het bedrag van 5 EUR aangemerkt als een dienst, namelijk
de inwisseling van de voucher, waarvoor D een factuur uitreikt aan F (waarbij
de 5 EUR het bedrag inclusief btw is). F brengt geen correctie meer aan in de
maatstaf van heffing van de initiële levering en C, die in werkelijkheid 95 EUR
betaalt, krijgt ook een factuur voor dat bedrag (alle bedragen inclusief btw).
Raadpleging van belanghebbende partijen
Het probleem van de btw-behandeling van
vouchers is met vertegenwoordigers van de belastingautoriteiten van de
lidstaten besproken op Fiscalis-seminars in 2002 en 2006. Hierna heeft, ook in
2006, een openbare raadpleging plaatsgevonden, waarvan de resultaten op de
volgende website kunnen worden geraadpleegd: http://ec.europa.eu/taxation_customs/common/consultations/tax/article_2992_en.htm. De meeste respondenten waren van mening dat de
problemen grotendeels toe te schrijven waren aan de uiteenlopende toepassing
van de btw-regels door de lidstaten, hetgeen met name voor intra-EU transacties
tot problemen leidde. De interpretatie van de huidige regels moet worden
geharmoniseerd en daarvoor is volgens de respondenten waarschijnlijk een
wijziging van de primaire wetgeving vereist. De algemene overtuiging was dat er
absoluut een wettelijke definitie van vouchers voor btw-doeleinden moest komen. Door de steeds ruimere gebruiksmogelijkheden
van vouchers is de scheidingslijn met traditionele betaalmiddelen niet altijd
duidelijk of consequent. Velen waren daarom ook van mening dat de neutrale
behandeling van systemen die dezelfde gebruiksmogelijkheden bieden, aandacht
moest krijgen.
Effectbeoordeling
De geconstateerde problemen, waarvoor dit
initiatief een oplossing wil bieden, zijn te wijten aan tekortkomingen in de
wetgeving, die geen gelijke tred heeft gehouden met recente commerciële
ontwikkelingen. Bij het voorstel is een effectbeoordeling
gevoegd. Daarin wordt geconcludeerd dat de enige realistische manier om de
vastgestelde tekortkomingen aan te pakken, een modernisering van de
btw-richtlijn is waarbij nieuwe bepalingen, die betrekking hebben op vouchers,
in de tekst worden ingevoegd. Er zijn ook twee andere opties in overweging
genomen: niets doen of een soft-lawaanpak volgen. De eerste zou betekenen dat
de lidstaten de geconstateerde problemen zelf moeten verhelpen. Zij zouden
daarvoor ad-hocoplossingen kunnen creëren of het HvJ EU kunnen vragen om
duiding te geven. Een voorbeeld van de tweede optie is het opstellen van
richtsnoeren. Geen van beide opties zou evenwel rechtszekerheid verschaffen of
leiden tot een wetsbesluit dat de bestaande btw-regels wijzigt. Dat de
geconstateerde tekortkomingen, met name het ontbreken van handvatten in de
btw-richtlijn voor een consistente behandeling door de lidstaten, zich situeren
op fiscaal gebied is uitermate betreurenswaardig, omdat net daar
rechtszekerheid zo belangrijk is. Bij de effectbeoordeling is een door Deloitte
verrichte studie gevoegd. Deze ondersteunt de economische rechtvaardiging voor
het indienen van dit wetgevingsvoorstel, met name de huidige en potentiële
gevolgen van discrepanties tussen de lidstaten. Hij bevestigt ook dat vouchers
voor prepaidtelecomdiensten veruit de belangrijkste categorie van vouchers zijn
en dat de verschillende fiscale behandeling ervan algemeen verspreid is. Dit
kan leiden tot het opzetten van ontwijkingsconstructies of verstoring van de
mededinging en zelfs de economische exploitatie oninteressant maken als gevolg
van de fiscale onzekerheid.
Juridische elementen van het voorstel
Het voorstel voorziet in verschillende
wijzigingen van de btw-richtlijn, die ertoe strekken de verschillende soorten
vouchers duidelijk te definiëren en de btw-behandeling ervan te harmoniseren.
Het is gebaseerd op artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU). Subsidiariteitsbeginsel De voorgestelde wijzigingen zijn noodzakelijk
om de regels betreffende de btw-behandeling van vouchers te verduidelijken en
te harmoniseren. Dit doel kan niet in voldoende mate door de lidstaten worden
verwezenlijkt. In de eerste plaats zijn de desbetreffende
btw-regels vastgesteld in de btw-richtlijn. Deze regels kunnen alleen worden
gewijzigd via een wetgevingsproces op EU-niveau. Ten tweede zou met een optreden van de
lidstaten alleen de beoogde uniforme toepassing van de btw niet kunnen worden
bereikt vanwege de mogelijk uiteenlopende interpretatie van de regels. De
onduidelijkheid van de huidige wetgeving en de verschillende toepassing door de
lidstaten zijn de belangrijkste redenen voor de problemen die zich thans
voordoen. Om de btw-behandeling van belastbare goederen en diensten die worden
geleverd tegen vouchers, te verduidelijken, moet de btw-richtlijn worden
gewijzigd. Het voorstel gaat niet verder dan wat
uitsluitend met EU-wetgeving kan worden bereikt. Het is derhalve in
overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Evenredigheidsbeginsel De wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG zijn
nodig, gezien de geconstateerde problemen, en zij moeten oplossingen aanreiken
waarmee de doelstellingen worden verwezenlijkt. Deze oplossingen zullen ertoe
bijdragen dat belastingneutraliteit wordt bereikt, de nalevingskosten worden
verminderd en het risico van dubbele belasting wordt weggenomen, waardoor
marktdeelnemers hun middelen efficiënter kunnen alloceren. Duidelijke regels
die gelijke voorwaarden voor alle partijen garanderen, verminderen de
mogelijkheden van eventuele belastingontwijking en verschaffen rechtszekerheid,
zowel voor de belastingplichtigen als voor de belastingdiensten. Het voorstel is derhalve in overeenstemming
met het evenredigheidsbeginsel. Vereenvoudiging Het voorstel voorziet in vereenvoudiging door
de verschillende soorten vouchers in categorieën in te delen en duidelijk te
omschrijven, de btw-behandeling van elk soort voucher te stroomlijnen en bij
kortingsvouchers een sterkere invulling te geven aan het concept neutraliteit. Keuze van instrumenten Het voorgestelde instrument is een richtlijn.
Andere middelen zijn ongeschikt omdat de btw-behandeling van vouchers in
verschillende artikelen van de btw-richtlijn aan de orde komt. De bovengenoemde
doelstellingen kunnen dus alleen worden verwezenlijkt met behulp van een
wijzigingsrichtlijn. Correlatietabel De lidstaten moeten de Commissie de tekst doen
toekomen van de nationale bepalingen waarmee zij de richtlijn hebben omgezet,
tezamen met één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van
deze richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten
wordt toegelicht. Dit is een gerechtvaardigde en evenredige vereiste in verband
met deze richtlijn, omdat zij ervoor zal helpen zorgen dat belastingplichtigen
duidelijkheid kunnen krijgen over hun rechten en verplichtingen bij transacties
met vouchers, met name in het geval van intra-EU verrichtingen. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting van de Europese Unie. 5. NADERE UITLEG VAN HET
VOORSTEL Artikel 25 Punt d) Wanneer een MPV zich doorheen de verschillende
schakels van een distributieketen begeeft, moet de btw-behandeling van een door
een distributeur behaalde marge of ontvangen vergoeding duidelijk en consistent
zijn. Te dien einde moet specifiek worden bepaald dat dit een belastbare dienst
vormt. Punt e) Met punt e) wordt beoogd te garanderen dat
wanneer een voucher die recht geeft op een korting of een terugbetaling, gratis
wordt verstrekt en bij een andere belastingplichtige dan de verstrekker wordt
ingewisseld, die daarvoor door de verstrekker wordt terugbetaald, deze
handeling wordt aangemerkt als een dienst van de inwisselaar aan de
verstrekker. Dit zal ervoor zorgen dat de maatstaf van heffing plus btw op de
door de inwisselaar afgegeven factuur zal overeenstemmen met het bedrag dat
werkelijk wordt betaald door de klant/belastingplichtige. Artikel 28 Dit artikel wordt
gewijzigd om buitensporige administratieve lasten te voorkomen in een keten van
transacties waarbij gebruik wordt gemaakt van MPV's. MPV's worden niet
belast wanneer zij in andere handen overgaan, maar pas wanneer ze worden
ingewisseld. Zonder deze verduidelijking bestaat het risico dat wanneer de
voucher wordt ingewisseld en het btw-tarief bekend is, de behoefte zou kunnen
ontstaan om overeenkomstige correcties aan te brengen in alle voorafgaande
stadia in een distributieketen (naar het toepasselijke tarief van de tegen de
voucher ingewisselde goederen of diensten). Een dergelijke
laattijdige en retroactieve btw-correctie zou bijzonder omslachtig zijn en
ontmoedigend werken voor bedrijven zonder dat er ook echt nieuwe
belastinginkomsten tegenover staan (in de veronderstelling dat de voorbelasting
in ieder stadium wordt geïnd). Om dit te vermijden, mag geen btw worden geheven
op de verstrekking van een voucher bij de opeenvolgende schakels in de keten,
maar slechts bij de laatste transactie, namelijk wanneer de voucher wordt
ingewisseld. Deze bepaling moet
worden gelezen in samenhang met artikel 25, waarin is bepaald dat de marge voor
de distributie van MPV's afzonderlijk moet worden belast als een dienst op
zich. Deze twee bepalingen hebben tot gevolg dat de onderliggende goederen of
diensten waarop de MPV recht geeft, worden belast op het tijdstip van
inwisseling, dat wil zeggen op de juiste plaats op de juiste tijd, terwijl de
marge van de distributeur wordt belast als een dienst telkens wanneer deze
wordt verleend, dat wil zeggen telkens wanneer de MPV in andere handen
overgaat. Artikel 30 bis Zoals hierboven werd uitgelegd, geeft dit
artikel een definitie van vouchers en bakent het de gebruiksmogelijkheden ervan
af om een onderscheid te maken met meer algemene betaalmiddelen. Het
onderscheid tussen een SPV en een MPV is afhankelijk van de vraag of er
voldoende zekerheid is om de btw te heffen bij de verstrekking van de voucher
dan wel of het nodig is om te wachten totdat de goederen of diensten worden
geleverd. Voor een SPV moet er zekerheid bestaan over de identiteit van de
partij die de verplichting op zich neemt om de prestatie te verlenen die in de
voucher besloten ligt. Vouchers die niet in ruil voor een
tegenprestatie worden verstrekt, hebben specifieke btw-gevolgen die apart
worden behandeld. Artikel 30 ter In dit artikel is bepaald dat wanneer een
voucher recht geeft op afname van goederen of diensten, de toekenning van dit
recht en de daaropvolgende levering van goederen of diensten met elkaar
verbonden zijn en als één transactie zijn aan te merken. Aangezien de btw-behandeling van deze ene
transactie dezelfde moet zijn als die welke zou zijn toegepast wanneer de
goederen of diensten niet met gebruikmaking van een voucher waren geleverd,
moeten de plaats van levering/dienst en het toepasselijke tarief worden bepaald
door de geleverde goederen of diensten. Uit dit artikel volgt ook dat MPV's
worden belast wanneer ze worden ingewisseld. SPV's daarentegen worden belast
bij de verkoop (zie artikel 65). Om verwarring te vermijden, moet ook worden
gegarandeerd dat het gebruik van een voucher bij een transactie die onder de
bijzondere regeling voor reisbureaus valt, niet op gespannen voet staat met de
voorschriften van die regeling. Artikel 65 Het lid dat aan
dit artikel wordt toegevoegd, regelt de vraag wanneer de btw bij SPV's
verschuldigd wordt. Net zoals bij vooruitbetalingen wordt de btw verschuldigd
bij ontvangst van de betaling en ter zake van het ontvangen bedrag. Artikel 66 Dit artikel wordt
gewijzigd om te vermijden dat lidstaten voor SPV's afwijken van artikel 65.
Anders zou de verschuldigdheid bij SPV's nog altijd kunnen verschillen van
lidstaat tot lidstaat, wat kan leiden tot dubbele heffing of niet-heffing. Artikel 74 bis Dit artikel regelt
de maatstaf van heffing voor prestaties waarbij gebruik wordt gemaakt van een
MPV, ook indien deze slechts gedeeltelijk wordt ingewisseld. Het introduceert
ook het concept "nominale waarde", dat van essentieel belang is voor
een ordelijke belastingheffing, met name bij intra-EU verrichtingen, omdat het
voor een constante waarde van een MPV zorgt van de eerste tot de laatste
schakel in een distributieketen. De nominale waarde is (in artikel 74 bis, lid
2) gedefinieerd als alles wat de voucherverstrekker verkrijgt of moet
verkrijgen in ruil voor een voucher. Dit is nodig om rekening te houden met de
waarde van de distributiedienst die wordt verricht door een distributeur (voor
eigen rekening of in opdracht) van een MPV in een verkoopketen. De door de
distributeur behaalde marge moet worden beschouwd als de tegenprestatie
(inclusief btw-bedrag) voor een belaste distributiedienst (zie artikel 25). De nominale waarde van een MPV is een bedrag
inclusief btw. Het inbegrepen bedrag aan btw is pas bekend bij de inwisseling
van de voucher wanneer het, op basis van het toepasselijke btw-tarief voor de
in te wisselen goederen of diensten, mogelijk wordt de nominale waarde op te
splitsen tussen het btw-bedrag en de maatstaf van heffing. In het geval dat een klant meer dan de
nominale waarde heeft betaald, betekent dit dat een distributeur een marge
heeft aangerekend, en de klant heeft dan recht op een aparte factuur voor dat
verschil (dat uiteraard niet tot uiting komt in de factuur voor de prestatie).
Als de klant minder dan de nominale waarde heeft betaald, kan dit betekenen dat
een distributeur verlies heeft geleden, maar hoe dan ook blijft de door de
verstrekker verkregen tegenprestatie dezelfde. Artikel 74 ter In dit artikel wordt bepaald hoe de marge van
een distributeur wordt berekend in het geval van prestaties waarbij gebruik
wordt gemaakt van een MPV. De maatstaf van heffing van de verrichte
distributiedienst is een saldo en wordt berekend als het verschil tussen de
nominale waarde van de MPV en het werkelijk betaalde bedrag door de ontvanger. Het totale btw-bedrag voor distributiediensten
is constant, ongeacht het aantal schakels in de verkoopketen. Als er sprake is
van meer dan één distributeur, wordt het totale btw-bedrag voor
distributiediensten verdeeld over de verschillende distributeurs (zie het
voorbeeld van de distributie van een MPV). Artikel 74 quater Aangezien een gratis kortingsvoucher niet
langer is aan te merken als een tegenprestatie van een derde partij voor een
levering van goederen of diensten, moet de maatstaf van heffing van de bij
artikel 25, onder e), ingevoerde dienst (inwisseling) precies worden omlijnd en
de waarde ervan duidelijk worden bepaald. Artikel 169 Het in dit artikel opgenomen lid zorgt voor
samenhang in het recht op aftrek. Als de verstrekker van een MPV de voucher
inwisselt voor belaste transacties, kan hij op grond van artikel 168 de btw die
is verschuldigd of betaald ter zake van de verstrekking van die voucher, in mindering
brengen. Om gelijke voorwaarden te creëren moet worden verduidelijkt dat,
wanneer een MPV in het kader van transacties die recht op aftrek geven, wordt
ingewisseld door iemand anders dan de verstrekker, laatstgenoemde zijn recht op
aftrek behoudt voor de btw die is verschuldigd of betaald ter zake van uitgaven
die verband houden met de verstrekking van de voucher. Dit kan onder meer druk-
of coderingskosten omvatten. Deze bepaling is noodzakelijk wanneer een MPV
door iemand anders dan de verstrekker wordt ingewisseld. De daaropvolgende
terugbetaling door de verstrekker aan de inwisselaar valt buiten het
toepassingsgebied. Zonder deze bepaling zou de verstrekker geen recht op aftrek
kunnen behouden. Artikel 193 Het lid dat in dit artikel wordt opgenomen,
verduidelijkt dat het altijd de inwisselaar van een MPV is, die de belaste
levering van goederen of diensten verricht en dus de tot de betaling van de btw
gehouden persoon is. Dit is belangrijk wanneer de verstrekker en de inwisselaar
van de voucher niet dezelfde persoon zijn. Alleen de inwisselaar weet welke
goederen of diensten er werden geleverd en ook waar en wanneer die prestatie
werd verricht. Artikel 272 De wijzigingen van dit artikel moeten
garanderen dat de informatie over grensoverschrijdende diensten, inclusief
diensten in verband met vouchers, wordt ontvangen door alle lidstaten waar de
btw verschuldigd is, zodat zij de btw op hun grondgebied correct kunnen
vaststellen en innen. Met name een consistente toepassing in alle lidstaten van
de verplichting dat belastingplichtigen voor btw-doeleinden geïdentificeerd
moeten zijn en dat zij lijsten moeten indienen, is vereist. 2012/0102 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG
betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde
waarde wat de behandeling van vouchers betreft DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 113, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Parlement[6], Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[7],
Handelend volgens een bijzondere
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) Bij Richtlijn 2006/112/EG van
de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van
belasting over de toegevoegde waarde[8]
zijn regels vastgesteld met betrekking tot de tijd en plaats van de levering van
goederen en diensten, de maatstaf van heffing, de verschuldigdheid van de btw
en het recht op aftrek. Deze regels zijn evenwel onvoldoende duidelijk of
uitgebreid om een consistente btw-behandeling van transacties met vouchers te
garanderen, hetgeen ongewenste gevolgen heeft voor de goede werking van de
interne markt. (2) Teneinde een duidelijke en
uniforme behandeling te garanderen, inconsistenties, verstoring van de
mededinging, dubbele heffing of niet-heffing te voorkomen en het risico van
belastingontwijking te beperken, dienen er specifieke regels te worden
vastgesteld voor de btw-behandeling van vouchers. (3) Om precies af te bakenen wat
voor btw-doeleinden onder een voucher wordt verstaan en een onderscheid te
maken met betaalinstrumenten, is het dienstig een definitie te geven van
vouchers, die in fysieke of elektronische vorm kunnen voorkomen, en de
wezenlijke eigenschappen ervan vast te stellen, met name de aard van het recht
dat in een voucher besloten ligt en de verplichtingen die de verstrekker van de
voucher op zich neemt. (4) De btw-behandeling van
transacties met vouchers is afhankelijk van de specifieke kenmerken van de
voucher. Daarom moet een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende
soorten vouchers en de verschillen moeten in Uniewetgeving worden vastgelegd. (5) Een recht om goederen of
diensten te ontvangen of een korting te krijgen is inherent aan een voucher.
Dit recht kan door een persoon aan een andere worden overgedragen voordat de
voucher uiteindelijk wordt ingewisseld. Teneinde het risico van dubbele
belasting te vermijden indien de dienst die in een dergelijk recht besloten
ligt, zou worden belast, is het zaak te bepalen dat de toekenning van dit recht
en de inwisseling tegen goederen of diensten als één enkele transactie moeten
worden beschouwd. (6) Bij de levering van goederen
of diensten kan de betaling rechtstreeks gebeuren of ook gebruik worden gemaakt
van een voucher. Teneinde een neutrale behandeling van deze transacties te
garanderen, moeten de goederen of diensten die in ruil voor de voucher worden
geleverd, bepalend zijn voor de belasting die over de ene transactie wordt
geheven. (7) De margeregeling voor
reisbureaus voorziet in heffing in de lidstaat van vestiging van het
reisbureau. Teneinde te voorkomen dat de plaats van heffing wijzigt, moet
worden gespecificeerd dat leveringen van goederen of diensten waarbij vouchers
worden gebruikt, onder deze regeling blijven vallen. (8) Vouchers worden vaak
gedistribueerd via tussenpersonen of doorlopen verschillende schakels van een
distributieketen, waarbij ze worden aangekocht en opnieuw verkocht. Teneinde de
neutraliteit te handhaven, is het van wezenlijk belang dat het bedrag aan btw
dat moet worden betaald op de levering van goederen of diensten in ruil voor
een voucher, ongewijzigd blijft. Te dien einde moet de waarde van multipurpose
vouchers bij de verstrekking ervan worden vastgelegd. (9) Wanneer vouchers worden
gedistribueerd door een belastingplichtige die op eigen naam maar voor rekening
van een ander handelt, zou deze belastingplichtige worden geacht zelf de
vouchers te hebben ontvangen en verstrekt. Betreft de distributie ook
multipurpose vouchers waarbij de heffing pas bij de inwisseling van de voucher
plaatsvindt, zou dit leiden tot correcties in alle stadia van de
distributieketen, met weinig of geen nieuwe belastingopbrengsten. Teneinde
buitensporige administratieve lasten te vermijden, mag een belastingplichtige
die dergelijke vouchers distribueert, niet worden geacht de voucher zelf te
hebben ontvangen en verstrekt. (10) Het is noodzakelijk om de
btw-behandeling te verduidelijken van de transacties die verband houden met de
distributie van multipurpose vouchers. Wanneer deze vouchers onder hun waarde
worden aangekocht om tegen een hogere prijs te worden doorverkocht, moet de
distributie worden belast op de marge die de belastingplichtige met deze
dienstverrichting heeft behaald. (11) Vouchers kunnen worden
gebruikt voor grensoverschrijdende aankopen van goederen of diensten. Als de
btw in de betrokken lidstaten op andere wijze verschuldigd wordt, kan dit
leiden tot dubbele heffing of niet-heffing. Teneinde die situatie te voorkomen,
mag geen uitzondering worden toegestaan op de regel dat de btw verschuldigd
wordt wanneer de goederen of diensten worden geleverd. (12) Wanneer vooruitbetalingen
worden gedaan voordat de goederen of diensten worden geleverd, is de btw
evenwel verschuldigd op het ontvangen bedrag. Er dient te worden verduidelijkt
dat dit ook van toepassing is op betalingen voor vouchers die recht geven op
een levering van goederen of diensten waarvan de plaats en de hoogte van de
belasting bekend zijn (single purpose vouchers). Voor andere vouchers
(multipurpose vouchers) wordt de btw pas verschuldigd bij de inwisseling van de
voucher. (13) Sommige vouchers voorzien in
een korting bij de levering van goederen of diensten. Aangezien de
prijsvermindering hoofdzakelijk dient om de goederen en diensten van de
voucherverstrekker te promoten, is het passend om te bepalen dat de inwisseling
van de voucher door de leverancier van de goederen of de dienstverrichter een
dienst vertegenwoordigt van de leverancier of de dienstverrichter aan de
verstrekker. (14) Teneinde het
neutraliteitsbeginsel in acht te nemen wanneer een prijsvermindering wordt
toegekend voor goederen of diensten in ruil voor een voucher, dient de maatstaf
van heffing van de promotionele dienst die door de inwisselaar aan de
voucherverstrekker wordt verleend, gelijk te zijn aan de terugbetaling die
wordt verkregen door eerstgenoemde. (15) Voor zover de goederen of
diensten die bij de inwisseling van een voucher worden geleverd, worden belast,
heeft de belastingplichtige recht op aftrek van de btw ter zake van uitgaven
die verband houden met de verstrekking van de voucher. Er moet worden verduidelijkt
dat deze btw-kosten aftrekbaar zijn, ook als die goederen of diensten door
iemand anders dan de voucherverstrekker worden geleverd. (16) Er kunnen verschillende
belastingplichtigen betrokken zijn bij de verstrekking, distributie en
inwisseling van een voucher, maar in het geval van multipurpose vouchers weet
alleen de inwisselaar van de voucher wat waar en wanneer is geleverd. Teneinde
te garanderen dat het betaalde bedrag aan btw juist is, moet de inwisselaar in
alle gevallen worden aangemerkt als de persoon die gehouden is tot voldoening
van de btw aan de belastingautoriteiten ter zake van de uiteindelijk geleverde
goederen of diensten. (17) Wanneer de distributie of de
inwisseling van een voucher zelf leidt tot een afzonderlijke dienst die losstaat
van de goederen of diensten die met de voucher worden verkregen, en die dienst
is grensoverschrijdend, is het zaak dat de btw-verplichtingen worden nagekomen
om een juiste toepassing en inning van de verschuldigde btw te garanderen. (18) Daar de doelstellingen van het
overwogen optreden ten behoeve van de vereenvoudiging, modernisering en
harmonisering van de btw-regels voor vouchers niet voldoende door de lidstaten
kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kunnen worden
verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen
nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde
evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze
doelstellingen te verwezenlijken. (19) Overeenkomstig de gezamenlijke
politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken
van 28 september 2011[9]
hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de
kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of
meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de
overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever
de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd. (20) Richtlijn 2006/112/EG moet
daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt
gewijzigd: (1) Aan artikel 25 worden de volgende
punten d) en e) toegevoegd: "d) de distributie van een multipurpose
voucher door een belastingplichtige, die niet de verstrekker van de voucher is,
wanneer de voucher hem is geleverd voor een prijs onder de nominale waarde door
de verstrekker van de voucher of door een andere belastingplichtige die op
eigen naam handelt; e) de inwisseling van een gratis
kortingsvoucher, wanneer de belastingplichtige die de goederen levert of de
diensten verricht waarop de voucher betrekking heeft, een tegenprestatie
ontvangt van de verstrekker van de voucher." (2) Aan artikel 28 wordt het volgende
lid toegevoegd: "Het eerste lid is evenwel
niet van toepassing wanneer de belastingplichtige betrokken is bij de
verstrekking van een multipurpose voucher." (3) In titel IV "Belastbare
handelingen" wordt het volgende hoofdstuk 5 ingevoegd: "Hoofdstuk
5 Gemeenschappelijke
bepalingen voor de hoofdstukken 1 en 3 Artikel 30 bis 1. Onder "voucher"
wordt verstaan een instrument dat recht geeft op afname van goederen of
diensten, dan wel op een prijskorting of terugbetaling in verband met een
levering van goederen of diensten, in combinatie met een overeenkomstige
verplichting om aan dit recht te voldoen. Onder "single purpose
voucher" wordt verstaan een voucher die recht geeft op afname van goederen
of diensten, waarbij de identiteit van de leverancier of dienstverrichter, de
plaats van levering of dienst, en het toepasselijke btw-tarief voor deze
goederen of diensten bekend zijn op het tijdstip van verstrekking van de
voucher. Onder "multipurpose
voucher" wordt verstaan iedere voucher, met uitzondering van een kortings-
of terugbetalingsvoucher, die geen single purpose voucher is. Onder "kortingsvoucher"
wordt verstaan een voucher die recht geeft op een prijskorting of terugbetaling
in verband met een levering van goederen of diensten. 2. Een betaaldienst in de zin
van Richtlijn 2007/64/EG wordt niet aangemerkt als een voucher. Artikel 30 ter De verstrekking van een voucher die
recht geeft op afname van goederen of diensten, en de daaropvolgende levering
van deze goederen of diensten worden aangemerkt als één transactie. Deze
ene transactie wordt op dezelfde wijze behandeld als een levering van goederen
of diensten waarbij geen gebruik werd gemaakt van een voucher. Wanneer
een voucher recht geeft op afname van goederen of diensten waarvoor de
margeregeling voor reisbureaus geldt, wordt de levering van goederen of
diensten voor btw-doeleinden behandeld overeenkomstig de voorschriften van die
regeling." (4) Artikel 65 komt als volgt te
luiden: "Artikel 65 Indien vooruitbetalingen worden
gedaan alvorens de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht,
daaronder begrepen betaling voor een single purpose voucher, wordt de belasting
verschuldigd op het tijdstip van ontvangst van de vooruitbetalingen, ten belope
van het ontvangen bedrag." (5) In artikel 66 wordt de tweede
alinea vervangen door: "De in de eerste alinea bedoelde afwijking
is evenwel niet van toepassing op betalingen die worden verricht voor vouchers,
of op diensten waarvoor de belasting ingevolge artikel 196 wordt verschuldigd
door de afnemer." (6) De volgende artikelen 74 bis, 74
ter en 74 quater worden ingevoegd: "Artikel 74 bis 1. De maatstaf van heffing
voor de levering van goederen of diensten die worden ingewisseld tegen een
multipurpose voucher, is gelijk aan de nominale waarde van die voucher, of in
het geval van een gedeeltelijke inwisseling, aan het deel van de nominale
waarde dat overeenstemt met de gedeeltelijke inwisseling van de voucher,
verminderd met het bedrag aan btw dat betrekking heeft op de ingewisselde
goederen of diensten. 2. De nominale waarde van een
multipurpose voucher omvat alles wat de tegenprestatie uitmaakt, inclusief het
btw-bedrag, die de verstrekker van de voucher verkrijgt of moet verkrijgen. Artikel 74 ter Wat
de in artikel 25, onder d), bedoelde distributie betreft, is de maatstaf van
heffing voor deze dienst gelijk aan het verschil tussen de nominale waarde van
de voucher en de betaalde aankoopprijs, verminderd met het bedrag aan btw dat
betrekking heeft op de verleende distributiedienst. Artikel 74 quater Wat de in artikel 25, onder e),
bedoelde inwisseling betreft, is de maatstaf van heffing voor deze dienst
gelijk aan de prijsvermindering die aan de klant wordt toegekend en door de
verstrekker wordt terugbetaald, verminderd met het bedrag aan btw dat
betrekking heeft op de verleende dienst bestaande in de inwisseling van de
voucher." (7) Aan artikel 169 wordt het volgende
punt d) toegevoegd: "d) handelingen in verband met de
betaling van de tegenprestatie door de verstrekker van een voucher aan de
belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verricht waarop de
voucher betrekking heeft, voor zover de geleverde goederen of verrichte
diensten recht op aftrek geven." (8) Aan artikel 193 wordt de volgende
alinea toegevoegd: "Wanneer
één transactie als bedoeld in artikel 30 ter de verstrekking van een
multipurpose voucher en een daaropvolgende levering van goederen of diensten omvat,
wordt de inwisselaar aangemerkt als degene die de belastbare prestatie heeft
verricht." (9) Artikel 272 wordt als volgt
gewijzigd: a) lid 1, onder b), wordt vervangen
door: "b) de belastingplichtigen die geen van
de volgende handelingen verrichten: i) de in de artikelen 20, 21, 22, 33, 36,
138 en 141 bedoelde handelingen; ii) de in artikel 44 bedoelde handelingen,
maar uitsluitend wanneer de btw ingevolge artikel 196 wordt verschuldigd door
de afnemer;" b) lid 2 komt als volgt te luiden: "2. Wanneer
de lidstaten van de in lid 1, eerste alinea, punt d) of e), bedoelde
mogelijkheid gebruikmaken, nemen zij de nodige maatregelen voor een juiste
toepassing van de overgangsregeling voor de belastingheffing op
intracommunautaire handelingen." Artikel 2
1. De lidstaten dienen uiterlijk
op 1 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast
te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de
Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. Zij passen die bepalingen toe vanaf
1 januari 2015. Wanneer de lidstaten
die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële
bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing
worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die
zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977
betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake
omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde
waarde: uniforme grondslag (PB L 145
van 13.6.1977, blz. 1), ("de zesde btw-richtlijn"). [2] Richtlijn 2006/112/EG van de
Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van
belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1)
("de btw-richtlijn"), die de zesde btw-richtlijn heeft vervangen
vanaf 1 januari 2007. [3] Beltegoeden zijn de meest courante vorm van vouchers. In
de economische studie die bij de effectbeoordeling is gevoegd, wordt de totale
waarde van prepaidtegoeden voor mobiele telefonie voor de EU in 2008 op 38
miljard EUR geraamd. [4] De verschillende werkwijzen in
verband met het tijdstip van heffing zijn beschreven in de effectbeoordeling
bij dit voorstel. [5] Zaak C‑317/94, Elida Gibbs Ltd tegen
Commissioners of Customs and Excise, Jurispr. 1996, blz. I‑5339;
Zaak C‑427/98, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen
Bondsrepubliek Duitsland, Jurispr. 2002, blz. I‑8315. [6] PB C […] van [...], blz. […]. [7] PB C […] van [...], blz. […]. [8] PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1. [9] PB C 369 van 17.12.2011, blz.
14.