Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012IR0085

Advies van het Comité van de Regio's — Energie-efficiëntie in steden en regio's, met de verschillen tussen stad en platteland als invalshoek

PB C 225 van 27.7.2012, pp. 52–57 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

27.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 225/52


Advies van het Comité van de Regio's — Energie-efficiëntie in steden en regio's, met de verschillen tussen stad en platteland als invalshoek

2012/C 225/06

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

pleit ervoor dat energie-efficiëntie een centraal en integraal onderdeel wordt van het energiebeleid en dat daar voldoende prioriteit aan wordt gegeven in de hiërarchie van energiebeleidsmaatregelen;

is voor een sterkere bundeling van de financiële steunmaatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparing in toekomstige EU-financieringsprogramma's;

pleit voor krachtigere maatregelen om menselijk gedrag en energieverbruikpatronen te beïnvloeden en denkt dat daarvoor de methode van de „wortel en de stok” moet worden gebruikt, d.w.z. economische argumenten aanvoeren, maar indien nodig ook meer nadruk leggen op dwingende voorschriften;

beseft dat met het oog op de verwezenlijking van de huidige doelstellingen het beleid thans op steden is gericht, maar benadrukt dat ook de uitdagingen en kansen van plattelandsgebieden op het punt van energieverbruik en -productie uitgebreider en op een meer gecoördineerde wijze aan de orde moeten komen;

roept lokale en regionale overheden op om goede praktijken op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing uit te wisselen en om hun veerkracht op het punt van energie te vergroten door bij de planning van en het toezicht op hun dienstverlening zo weinig mogelijk energie te verbruiken.

Rapporteur

Brian MEANEY (IE/EA), Clare County Council en Mid-West Regional Authority

Referentiedocument

Adviesaanvraag door het Deense EU-voorzitterschap van 12 januari 2012

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

A.   Inleiding

1.   benadrukt dat energie-efficiëntie een centrale rol moet gaan spelen om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te halen. Daartoe moet worden overgestapt op een economie waarin efficiënt met hulpbronnen wordt omgegaan. Energie-efficiëntie houdt niet in dat er minder wordt geproduceerd of dat er minder economische activiteit is, maar dat voor eenzelfde productie het energieverbruik per productie-eenheid (of per geproduceerde eenheid) wordt teruggedrongen. Dit betekent dat energieverspilling moet worden opgespoord en tegengegaan en dat moet worden gezocht naar doeltreffendere productiemethoden.

2.   Zorgwekkend is dat de EU naar verwachting maar de helft zal halen van de voor 2020 voorgestelde 20 % besparing op het verbruik van primaire energie. De verwezenlijking van de streefcijfers voor 2020 vraagt om een gecoördineerde inspanning op alle bestuursniveaus (EU, nationaal, regionaal en lokaal). Energie-efficiëntie moet de allerhoogste prioriteit krijgen en vergt een aangescherpt beleid op alle bestuursniveaus.

3.   Om haar doelstellingen op het gebied van een duurzame, concurrerende en veilige energievoorziening te kunnen halen, moet de EU op solidaire en efficiënte wijze collectieve actie ondernemen: bestaande en nieuw opkomende technologische ontwikkelingen moeten worden opgespoord en in praktijk worden gebracht en er moet een gedragsverandering in gang worden gezet waardoor energie-efficiëntie gemakkelijker kan worden verwezenlijkt en bevorderd. In dit verband dient de EU op korte en middellange termijn prioriteit te geven aan invoering van de meest efficiënte en commercieel meest concurrerende technologieën.

4.   Niet in de laatste plaats dankzij de inspanningen van lokale en regionale energie-instanties spelen steden, regio's en lokale overheden een belangrijke rol bij het vergemakkelijken, bevorderen en reguleren van energie-efficiëntie, zowel in hun eigen activiteiten en infrastructuurvoorzieningen als in hun betrekkingen met consumenten en energieproducenten. Om die taak te vervullen moeten overheden de nodige armslag krijgen op het gebied van financiering en ondersteuning. Aldus kunnen ze hun steentje bijdragen aan de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

5.   Het CvdR wijst op de rol van de lokale en regionale overheden: zij hebben een voorbeeldfunctie, trekken investeringen aan en creëren werkgelegenheid. De EU zou een impuls moeten geven aan de uitwerking van lokale en regionale energie-efficiëntieplannen die bijdragen tot de nationale en Europese energiedoelstellingen, alsmede aan de verbetering van hun energie-informatiesystemen, en zou daartoe ondersteunende mechanismen moeten invoeren.

6.   Dat 2012 tot het Internationale Jaar van duurzame energie voor iedereen is uitgeroepen, valt toe te juichen, omdat hierin een waardevolle kans ligt om de lokale, nationale, regionale en internationale overheden te doordringen van het belang van meer energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Als mensen geen toegang hebben tot schone, betaalbare en betrouwbare energie, wordt er een rem gelegd op de menselijke, sociale en economische ontwikkeling en is dit een enorm obstakel voor de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen. De volledige omschakeling op duurzame energie moet worden geschraagd door versterkte inspanningen ter vermindering van het energieverbruik en door de ontsluiting van nieuwe energiebronnen, hetgeen er ook in zal resulteren dat we minder afhankelijk worden van de import van fossiele brandstoffen.

7.   De economieën van India en China zijn zich nog maar aan het „warmlopen”. Naar verwachting zal de vraag naar energie in China de pan uitrijzen: 75 % méér in 2035 (1). De daaruit voortvloeiende fellere concurrentieslag om de energie die momenteel door de EU wordt ingevoerd, kan problemen opleveren op het gebied van levering, distributie en kosten, met mogelijk ernstige gevolgen voor de economie en de samenleving op tal van terreinen. Er moeten concrete en uitvoerbare actieplannen als reactie op deze ontwikkelingen worden opgesteld, bedoeld om zo snel mogelijk de behoeften te dekken via plaatselijk beschikbare duurzame energiebronnen. Steden, regio's en lokale overheden moeten bij de uitwerking van die plannen worden betrokken.

8.   Er bestaat een nog niet gerealiseerd maatschappelijk voordeel dat kan worden bereikt door in gemeenten en regio's groene omschakelingsprojecten op touw te zetten. In dit verband zouden de Europese Commissie en de nationale regeringen aanzienlijke middelen moeten vrijmaken om openbare gebouwen energie-efficiënt te maken.

9.   De richtlijn inzake energie-efficiëntie staat momenteel ter discussie. Er moet beslist een krachtige en ambitieuze tekst worden goedgekeurd. Steden en regio's zijn alleen maar gebaat bij meer energie-efficiëntie en minder energieverbruik: hun afhankelijkheid van de invoer van brandstoffen kan zo worden verminderd; verder kunnen er plaatselijk tot 2 miljoen banen worden gecreëerd door bouw- en retrofitwerkzaamheden (2), terwijl gezinnen behoorlijk op hun energierekening kunnen besparen. Daar komt bij dat de EU de uitstoot van broeikasgassen verder kan terugdringen en op dit gebied nog ambitieuzere doelstellingen voor zichzelf zou kunnen formuleren. De richtlijn die wordt voorgesteld, biedt een eerste stap om de huidige crisis te verlichten, maar schiet echter in brede zin tekort, omdat hiermee in eerste instantie economische doelstellingen worden nagestreefd, te weten: vermindering van de invoer van olie en gas en terugsluizing van de daardoor vrijgekomen miljarden euro's in de economie van de EU. Het ontbreekt evenwel aan concrete denkbeelden voor de noodzakelijke grootschalige verdere ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. In dit geval is het van doorslaggevend belang dat elke lidstaat de gelegenheid krijgt om uit te gaan van zijn eigen specifieke situatie, zodat voor elk land de meest doeltreffende maatregelen kunnen worden genomen.

10.   In dit verband valt het m.n. te betreuren dat een samenhangende langetermijnvisie op de noodzakelijke renovatie van het woningbestand ontbreekt, evenals uitdrukkelijke en specifieke engagementen m.b.t. de financiële bijstand aan lokale en regionale overheden voor het bevorderen van investeringen in energie-efficiëntie op lokaal en regionaal niveau. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan het verschil tussen maatschappelijke en bedrijfseconomische doelstellingen. Voor een bedrijf is het belangrijk dat bij de renovatie van een gebouw wordt uitgegaan van wat bedrijfseconomisch mogelijk is, terwijl het voor de samenleving van belang is dat de sociale doelstellingen worden gerealiseerd.

11.   De EU zou de informatiesystemen op het gebied van energie-efficiëntie moeten uitbreiden met: informatie over energie-efficiëntiemaatregelen op zowel nationaal als regionaal niveau; systemen voor de evaluatie van de procedures voor de controle op energiebesparingen op territoriaal niveau; energie-efficiëntie-indicatoren; databanken met toepasselijke normen voor besparingsmaatregelen; richtsnoeren voor goede praktijken, handelswijzen, enz. De Europese organisatie van lokale overheden Energy Cities stelt terecht dat er niets terecht zal komen van de voorgestelde maatregelen als er geen geld voor wordt vrijgemaakt. Zorgwekkend is ook dat de voorgestelde richtlijn inzake energie-efficiëntie geen bindende doelstellingen omvat, niet voorziet in adequate evaluatieprocedures en te gemakkelijk opt-out-mogelijkheden biedt. Het goede werk dat het Poolse EU-voorzitterschap op dit gebied is begonnen, wordt momenteel voortgezet door het Deense EU-voorzitterschap, dat ernaar streeft de nodige financieringsmaatregelen en andere ontbrekende elementen alsnog in de richtlijn op te nemen. Het CvdR schaart zich ook achter de inspanningen van het Deense EU-voorzitterschap om een politiek compromis te vinden waardoor overheden een voortrekkersrol op zich kunnen nemen m.b.t. het energie-efficiënt maken van hun gebouwen, rekening houdend met de lokale en regionale situatie in de lidstaten. Het voorstel om energiebedrijven ertoe te verplichten om ieder jaar gemiddeld 1,5 % energie te besparen, verdient bijzondere bijval.

12.   Energie-efficiëntie kan niet worden bereikt via centraal vastgelegde en rigide maatregelen waarin geen rekening wordt gehouden met de situatie op lokaal en regionaal niveau. Daarom zou er moeten worden voorzien in de mogelijkheid om alternatieve benaderingen te volgen ter verwezenlijking van de energiebesparingsdoelstellingen, met dien verstande dat er een even grote besparing op het energieverbruik wordt gerealiseerd, terwijl gemeenten en regio's de kans zouden moeten krijgen om energiebesparende strategieën voor te stellen.

13.   Het beleid van de EU en de manier waarop in de Unie over energie wordt gedacht, worden gekenmerkt door hokjesdenken. Zo wordt alles per sector bezien (het vervoer, de bouw enz.), wat ten koste gaat van de aandacht voor de ruimtelijke en territoriale ongelijkheden en mogelijkheden. Vooruitgang voor de hele EU is echter alleen mogelijk als ook rekening wordt gehouden met dit laatste.

14.   Er moeten naast maatregelen voor meer energie-efficiëntie ook adequate acties ter bevordering van energiemanagement/energiebesparing worden uitgewerkt. Er is behoefte aan doelstellingen op dit gebied ter vermindering van het energieverbruik; deze zouden de doelstellingen ter bevordering van energie-efficiëntie kunnen ondersteunen of zelfs nog verder kunnen gaan dan deze.

15.   Het Deense EU-voorzitterschap zou de rol van de lokale en regionale overheden bij de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen van de Europa 2020-strategie moeten erkennen. Lokale en regionale overheden worden nauwelijks genoemd in de voorstellen van de Raad voor de onderhandelingen over de toekomstige richtlijn inzake energie-efficiëntie, wat ook geldt voor de mededeling van de Commissie over de routekaart voor energie 2050. Ook zouden de verbintenissen die op het gebied van energie-efficiëntie zijn aangegaan, duidelijker naar voren moeten komen in de herziene nationale hervormingsprogramma's en in de landenspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan.

16.   Het financieringsinitiatief „Intelligente Energie voor Europa” (IEE) wordt toegejuicht, vooral omdat daarmee wordt geprobeerd om marktbelemmeringen te overwinnen. Het IEE-programma zou met name moeten worden ingezet om acties voor gedragsverandering te promoten. Wel zou het CvdR graag willen dat de verspreiding van de resultaten van de IEE-projecten en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen overal in de EU voortvarender wordt aangepakt (voorlichtingscampagnes, wetgevingsinitiatieven enz.), en dat tegelijkertijd in de begrotingsperiode 2014-2020 wordt voorzien in de financiering van het IEE-programma of van de programma's die hiervoor in de plaats komen.

17.   Het CvdR benadrukt met het oog op de speciale territoriale dimensie van de problematiek dat

plattelandsgebieden in de EU meer vervuilende energiebronnen gebruiken dan verstedelijkte gebieden. Daarom moet als tussenoplossing met name steun worden gegeven aan de vervanging van zwaar vervuilende fossiele brandstoffen door minder vervuilende fossiele brandstoffen of in het bijzonder door hernieuwbare energie;

plattelandsgebieden bezig zijn met een inhaalslag, maar qua economische ontwikkeling nog steeds achterlopen bij het EU-gemiddelde, vooral in vergelijking met verstedelijkte gebieden. De kloof tussen plattelands- en verstedelijkte gebieden is met name heel erg groot in Oost- en Centraal-Europa. Vooral zorgwekkend is dat die kloof, vanwege de snel uitdijende hoofdsteden en andere metropolen, tussen 2000 en 2007 nog groter is geworden.

B.   Steden, regionale en lokale overheden

18.   In het beleid voor duurzame energie dat overal in de EU wordt gevoerd, moet beslist worden gezorgd voor een beter evenwicht tussen stad en platteland. Ook moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die het platteland biedt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van energie-efficiëntie. Immers, het platteland biedt veel mogelijkheden, zowel voor de opwekking van energie als voor de terugdringing van het energieverbruik: grote terreinen voor de aanleg van windmolenparken of zonne-energiecentrales zijn alleen te vinden op het platteland. Daarentegen verbruikt de moderne landbouw enorme hoeveelheden energie. Het potentieel van de landbouw op het vlak van energiebezuiniging en ontsluiting van nieuwe energiebronnen wordt veelal over het hoofd gezien.

19.   Er zijn aanzienlijke verschillen tussen stad en platteland. Qua energie-efficiëntie scoort het platteland slecht, iets wat zo snel mogelijk moet worden verholpen. Gezinnen en kleine bedrijven op het platteland ondervinden in meer dan één opzicht nadelen als het gaat om hun energieverbruik. Die nadelen zijn vooral terug te voeren op de aard van de huishoudens en de kwaliteit van het bouwbestand. Gebouwen op het platteland zijn over het algemeen veel ouder en voor de eigenaren is de renovatie duurder en vaak niet te bekostigen. Dit is onder meer te wijten aan de bevolkingsdichtheid: isolatie van eengezinswoningen op het platteland levert niet dezelfde schaalvoordelen op als in het geval van stadswoningen die een groter aantal bewoners herbergen. Daarom zijn in alle lidstaten – in een mate die per land varieert – de stookkosten naar verhouding hoger op het platteland, terwijl het inkomen per capita lager is (21 % à 62 %) (3).

20.   Desalniettemin heeft het energiebeleid van de EU tot dusverre in het teken gestaan van de behoeften van grote steden. Beleggers hebben nagenoeg alleen oog voor infrastructuurvoorzieningen die speciaal zijn afgestemd op gebruik in verstedelijkte gebieden.

21.   De toegang tot energie is over het algemeen duurder op het platteland en in afgelegen gebieden. Bovendien is de energie-efficiëntie er minder groot, omdat schone technologie en isolatie er schaarse goederen zijn. Er moeten goede oplossingen worden gevonden op het gebied van governance en financiering om plattelandsgebieden overal in de EU de kans te geven, de achterstand op steden in te halen, vooral door gebruik te maken van het potentieel van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en de hierop aansluitende Leader-aanpak. Er zijn tal van voorbeelden van geslaagde methoden en proefprojecten waaruit duidelijk is gebleken dat plattelandsgebieden het potentieel hebben om in hun eigen energiebehoeften te voorzien. Daarvoor kan worden geput uit diverse bronnen, zoals CO2-neutrale energiebronnen die geen broeikasgassen uitstoten, en ook biomassa en brandstofcellen.

22.   Bij ESF-steun voor capaciteitsontwikkeling, met name als het gaat om de uitbreiding van de vaardigheden van werknemers, waarbij ook kan worden gedacht aan het gebruik van traditionele technieken en materialen die kenmerkend zijn voor een bepaalde regio, moet rekening worden gehouden met de verschillen in behoeften van stad en platteland om te voorkomen dat werknemers op het platteland aan hun lot worden overgelaten. Zo niet, dan ontstaat er een tekort aan vaardigheden om voor het platteland geschikte technologie toe te passen en wordt de energiekloof tussen stad en platteland nog groter.

23.   Het onderwijsbeleid kan een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van energie-efficiëntie en een aanzet geven tot de benodigde gedragsverandering bij de mensen. De bestaande onderwijsinitiatieven zouden met elkaar moeten worden vergeleken, zodat kan worden vastgesteld wat een goede aanpak is en er leerplannen kunnen worden ontwikkeld die al in het vroegste stadium van het formele onderwijs voorzien in lessen duurzaamheid. Voorts zouden er met de volgende versie van het programma „Erasmus voor iedereen” kennisallianties moeten worden gesmeed tussen universiteiten en groene bedrijven ter ontwikkeling van nieuwe leerplannen, waarmee het gebrek aan innovatie en vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing wordt aangepakt.

24.   Lokale en regionale overheden kunnen ook bijdragen tot meer energie-efficiëntie door in al hun aanbestedingsprocedures milieuvereisten op te nemen. Het voorstel van de Commissie voor een richtlijn met nieuwe regels voor de gunning van overheidsopdrachten (4), valt in goede aarde. Volgens dit voorstel moeten lokale en regionale overheden de mogelijkheid hebben om milieufactoren in aanmerking te nemen, zodat ze bijv. bij aanbestedingsprocedures om energie-efficiëntie kunnen vragen. De lokale en regionale overheden dienen te worden aangemoedigd om bij de beoordeling van offertes gebruik te maken van het criterium MEAT (Most Economical Advantageous Tender), zodat gedurende de hele aanbestedingsprocedure rekening kan worden gehouden met energiebesparingen.

C.   Consumenten

25.   Er speelt hier ook een sociaal aspect, omdat energiearmoede bijzonder nadelige gevolgen kan hebben voor lagere inkomensgroepen. Ook wat de oorzaken en effecten van energiearmoede betreft, bestaan er grote verschillen tussen stedelijke en plattelandsgebieden. Daarmee moet bij de te nemen maatregelen rekening worden gehouden. Er mag niet blindelings worden afgegaan op de algehele energie-efficiëntie van bepaalde landen of regio's.

26.   Er is behoefte aan maatregelen waardoor consumenten zich actief kunnen opstellen in hun contacten met producenten en/of leveranciers, zodat ze bepaalde voordelige regelingen kunnen afdwingen in ruil voor een verandering van hun verbruikspatroon. Als particulieren bijv. collectief overschakelen op energieverbruik tijdens daluren, zouden ze net als afnemers van grote hoeveelheden goederen in aanmerking moeten kunnen komen voor kortingen. Ook de ontwikkeling van geavanceerde slimme netwerktechnologieën voor meting en facturering, die het mogelijk maken de energie-efficiëntieniveaus van de leveranciers (dankzij efficiënt netwerkbeheer, beter onderhoud van netwerken en materiaal, enz.) en van de consumenten (dankzij een beter inzicht in verbruiksmeters, facturering, energielevering, netwerkdiensten, intelligent interactief verbruik, enz.) te verhogen, dient te worden ondersteund als iets wat de gehele maatschappij ten goede komt. Bovendien mag verzet hiertegen van de kant van het bedrijfsleven niet worden getolereerd en dient de algemene invoering ervan eerder plaats te vinden dan thans is voorzien. Er dient op te worden toegezien dat de consumenten niet de rekening van de installatie van geavanceerde meetapparatuur gepresenteerd krijgen.

27.   De aan het voorstel voor een programma ter invoering van keurmerken voor stroombesparende kantoorapparatuur verbonden vernieuwing en voortzetting van het Energy-Star-keurmerkprogramma verdient bijval. Het voorstel voor een verordening COM(2012) 109 final voorziet in verlenging van de Energy-Star-overeenkomst in combinatie met een besluit van de Raad over een akkoord tussen de VS en de EU inzake de coördinatie van keurmerkprogramma's voor stroombesparende kantoorapparatuur (COM(2012) 108 final). Het gebruik van de Energy Star-programma's moet worden aangemoedigd. Het is bekend dat hoge energiekosten de verkoop van toestellen met een hoge energie-efficiëntie doen stijgen. Voorts zou het gebruik van etiketten met gegevens over de ingebedde energie die nodig is om een product te fabriceren, door de Commissie in overweging moeten worden genomen.

D.   Financiering

28.   Het CvdR herhaalt zijn reeds in het advies over klimaatverandering en de toekomst van de EU (5) uitgesproken bezorgdheid over de nadruk die dezer dagen wordt gelegd op besparingsmaatregelen, waarbij er tegen de achtergrond van de toekomstige EU-begroting (periode 2014-2020) nauwelijks nog aandacht is voor kwesties die verband houden met de reële economie. Zorgwekkend is vooral het feit dat er niet meer wordt gesproken over de zo dringend noodzakelijke uitbreiding van de middelen die de EU uittrekt voor investeringen in duurzame energie op lokaal en regionaal niveau, zowel in steden als op het platteland, iets waarop het CvdR in eerdere adviezen heeft aangedrongen. Het is daarentegen een goede zaak dat „overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken” als een investeringsprioriteit is opgenomen in het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK) (6), al zal erop moeten worden toegezien dat de GSK-fondsen niet alleen worden gebruikt om bepaalde regionale uitdagingen aan te gaan, maar dat ook moet worden gezocht naar een evenwicht tussen duurzame productie en energie-efficiëntie.

29.   Het is te betreuren dat de Raad het niet nodig heeft geacht om in de tekst van de energie-efficiëntierichtlijn een bepaling op te nemen over het oormerken van financiële middelen, zoals de nationale energie-efficiëntiefondsen. Het is noodzakelijk om de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) via nationale en lokale kredietinstellingen een overtuigende impuls te geven teneinde investeringen in energie-efficiëntie te financieren.

30.   Het Deense voorzitterschap wordt verzocht, ervoor te zorgen dat de toekomstige subsidiëring van maatregelen ter bevordering van een efficiënte ruimteverwarming en -koeling wordt gekoppeld aan de omvang van de besparingen die per geval op het gebied van energieverbruik worden gerealiseerd.

31.   De Europese Commissie wordt verzocht om in de aanstaande EU-begroting rekening te houden met het voorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie en ervoor te zorgen dat er genoeg middelen worden vrijgemaakt voor het bevorderen van energie-efficiënte bouwmethoden op het platteland.

32.   Een van de grote problemen voor plattelandsgebieden betreft de moeilijkheden die op lokaal en regionaal niveau worden ondervonden bij het verkrijgen van toegang tot bestaande financieringsbronnen, te weten:

de financiële mechanismen (ELENA e.d.) en energie-efficiëntiefondsen (zoals het EEEF);

de onvolledige benutting van de voor energie-efficiëntie bestemde middelen uit de structuurfondsen, zoals blijkt uit de in de huidige financieringsperiode opgedane ervaringen. Daarom moet er bij het financiële kader voor 2014-2020, dat zelfs nog meer middelen voor die efficiëntie bevat, op worden gelet dat de lokale en regionale overheden gemakkelijker toegang tot die middelen krijgen.

33.   Niet vergeten mag worden dat er in deze tijden waarin steeds minder overheidsgelden te besteden zijn, nog andere financiële instrumenten ter beschikking staan om initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie aan te moedigen, zoals energieprestatiecontracten, publiek-private partnerschappen en nationale en regionale energie-efficiëntiefondsen. In de huidige situatie van beperkte overheidsmiddelen en in het licht van de moeilijkheden die op het ogenblik door tal van kleine en middelgrote ondernemingen worden ondervonden, zal er in het bijzonder op moeten worden toegezien dat de steun van de EU optimaal wordt verdeeld tussen enerzijds grootscheepse infrastructuurprojecten en anderzijds een gedecentraliseerde energieproductie, die essentieel is voor de energievoorziening op het platteland. Daarnaast dient de EU de rol van energiedienstenbedrijven als partijen die investeringen in efficiëntie financieren, op Europees niveau te bevorderen en te reguleren, waarmee deze bedrijven ook toegang kunnen krijgen tot relevante Europese middelen.

34.   Om de toegang tot financiering te verbeteren zijn er instrumenten nodig die het voor consumenten en overheden gemakkelijker maken om te voldoen aan de eisen inzake cofinanciering en om innovatieve plannen ter verbetering van kredietverstrekking uit te werken.

35.   Uit de begin 2010 door het CvdR gehouden Europa 2020-enquête naar „Duurzaam energiebeleid” is gebleken dat lokale en regionale initiatieven gewoonlijk neerkomen op sectoroverschrijdende, geïntegreerde acties die in gelijke mate gericht zijn op bevordering van het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid. Het is dan ook zaak dat deze feitelijke situatie op adequate wijze in aanmerking wordt genomen bij de toekomstige uitwerking van de EU-begroting.

36.   De lokale en regionale overheden moeten de nodige capaciteit krijgen om energie-efficiëntie te integreren in hun eisen op het gebied van ruimtelijke ordening en stadsplanning.

E.   Logistiek

37.   Het is belangrijk dat er logistieke systemen die de gehele EU beslaan, worden ontwikkeld, zoals een Centraal Europees Logistiek Systeem („CELS”), waardoor het vrachtvervoer efficiënter kan worden georganiseerd. Het zou hier o.a. om een cartografisch systeem gaan waarbij alle Europese vervoerswijzen (per spoor, over de weg, door de lucht, over zee en via binnenwateren) als geïntegreerd geheel in beeld worden gebracht.

38.   Een CELS zou behulpzaam kunnen zijn bij het leveren van de gevisualiseerde cartografie en kostenanalyses die nodig zijn om een groene, kosteneffectieve en doeltreffende intermodale koppeling van vervoerswijzen te bevorderen. Een en ander zou neerkomen op een digitaal vrachtvervoerdersbestand, waarvoor elke ondernemer die goederen over de weg, per spoor, door de lucht, via binnenwateren of over zee transporteert, zich kan opgeven, zodat een en ander kan uitgroeien tot het meest uitgebreide bestand van vrachtvervoerders überhaupt. Met behulp hiervan kan ook worden aangegeven welke routes geschikt zijn voor gecombineerd vervoer, waardoor kan worden gekozen voor het kortste alternatief over de weg.

39.   Een geïntegreerd en sectoroverschrijdend beleid inzake duurzame energie, met nadruk op enerzijds energie-efficiëntie in gebouwen, het vervoer enz. en anderzijds een gedecentraliseerde productie van hernieuwbare energie, is van groot belang voor plattelandsgebieden.

F.   Conclusies

40.   Het cohesiebeleid kan in dit verband een raamwerk bieden voor een gecoördineerde aanpak waarmee deze complexe uitdaging het hoofd kan worden geboden. De dwarsverbanden tussen de verschillende doelstellingen van de Europa 2020-strategie vragen erom dat de beleidsmakers in de EU zich duidelijk realiseren dat er alleen verbeteringen kunnen worden doorgevoerd op alle onderdelen van de Europa 2020-strategie als de maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie op grote schaal in de gehele EU ten uitvoering worden gebracht.

41.   De interne en externe dimensies van de energievoorziening in de EU zullen beter met elkaar in evenwicht moeten worden gebracht. Er zal minstens evenveel aandacht moeten worden besteed aan de bevordering van onderzoek en toepassing van energie-efficiëntie als aan investeringen in nieuwe pijpleidingen voor fossiele brandstoffen uit derde landen. De Europese Commissie moet zich realiseren dat er nog altijd miljarden euro's in de sectoren huisvesting en vervoer moeten worden geïnvesteerd om de doelstelling van energie-efficiëntie te verwezenlijken. Ook energiemanagement/energiebesparing zal moeten worden erkend als een onverminderd actuele prioriteit, die vraagt om passende maatregelen.

42.   Er zij eens te meer op gewezen dat de lidstaten een raadplegingsprocedure in gang moeten zetten waarbij regionale en lokale actoren een rol krijgen bij het opstellen van de nationale energie-efficiëntieplannen (bottom-upbenadering), zodat ze in overeenstemming kunnen worden gebracht met de lokale en regionale doelstellingen en mogelijkheden. De lokale en regionale overheden zouden ook betrokken moeten worden bij de follow-upfase, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.

43.   Het CvdR wijst andermaal op het belang van het Burgemeestersconvenant, dat kan worden beschouwd als een tastbaar bewijs van het vaste voornemen van het lokale bestuursniveau om energie-efficiëntie te bevorderen en de uitdaging van de klimaatverandering aan te gaan, al dient te worden gezegd dat de ondertekenaars van het convenant geen onderling overeengekomen rapportagemethode hanteren. Het Burgemeesterconvenant is een initiatief waarbij van de regio's wordt verlangd dat ze verslag uitbrengen over hun prestaties op het gebied van energie-efficiëntie met gebruikmaking van strikte en gemeenschappelijke rapportagecriteria (7).

44.   Het CvdR verzoekt de Commissie om onmiddellijk actie te ondernemen met het oog op de eventuele totstandbrenging van Europese energiedistributienetwerken. Zo kan de EU ervoor zorgen dat al haar burgers gegarandeerd toegang hebben tot een betrouwbare energievoorziening. Ook vanuit een oogpunt van veiligheidsbeleid is dit belangrijk, omdat Europa dan minder afhankelijk wordt van fossiele brandstoffen uit landen met autoritaire regimes.

45.   Kernboodschappen – actiepunten

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

a)

pleit ervoor dat energie-efficiëntie een centraal en integraal onderdeel wordt van het energiebeleid en dat daar voldoende prioriteit aan wordt gegeven in de hiërarchie van energiebeleidsmaatregelen;

(b)

is voor een sterkere bundeling van de financiële steunmaatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparing in toekomstige EU-financieringsprogramma's

(c)

pleit voor krachtigere maatregelen om menselijk gedrag en energieverbruikpatronen te beïnvloeden en denkt dat daarvoor de methode van de „wortel en de stok” moet worden gebruikt, d.w.z. economische argumenten aanvoeren, maar indien nodig ook meer nadruk leggen op dwingende voorschriften;

(d)

beseft dat met het oog op de verwezenlijking van de huidige doelstellingen het beleid thans op steden is gericht, maar benadrukt dat ook de uitdagingen en kansen van plattelandsgebieden op het punt van energieverbruik en -productie uitgebreider en op een meer gecoördineerde wijze aan de orde moeten komen;

(e)

roept lokale en regionale overheden op om goede praktijken op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing uit te wisselen en om hun veerkracht op het punt van energie te vergroten door bij de planning van en het toezicht op hun dienstverlening zo weinig mogelijk energie te verbruiken.

Brussel, 4 mei 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  IEA Global Energy Report 2011

(2)  Europese Commissie.

(3)  Eurostat.

(4)  COM(2011) 896 final.

(5)  Verkennend advies over mainstreaming van de klimaatverandering en de begroting van de Europese Unie (CdR 104/2011).

(6)  Voorstel voor een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het EFMZ, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen (COM2011 615 final).

(7)  http://ec.europa.eu/energy/publications/doc/2012_thinkbooklet.pdf.


Top