This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0728
COMMUNICATION FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT, THE COUNCIL, THE EUROPEAN ECONOMIC AND SOCIAL COMMITTEE AND THE COMMITTEE OF THE REGIONS Towards a Quality Framework on Traineeships Second-stage consultation of the social partners at European level under Article 154 TFEU
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Een kwaliteitskader voor stages Tweede fase van de raadpleging van de sociale partners op Europees niveau overeenkomstig artikel 154 VWEU
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Een kwaliteitskader voor stages Tweede fase van de raadpleging van de sociale partners op Europees niveau overeenkomstig artikel 154 VWEU
/* COM/2012/0728 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Een kwaliteitskader voor stages Tweede fase van de raadpleging van de sociale partners op Europees niveau overeenkomstig artikel 154 VWEU /* COM/2012/0728 final */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET
COMITÉ VAN DE REGIO'S Een kwaliteitskader voor stages Tweede fase van de raadpleging van de
sociale partners op Europees niveau
overeenkomstig artikel 154 VWEU 1. Inleiding Het doel van deze
mededeling is het advies van de sociale partners op EU-niveau in te winnen,
overeenkomstig artikel 154, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie (VWEU), over de inhoud van een voorstel van de Commissie voor
een Europees kwaliteitshandvest voor stages, en hen te vragen of zij
onderhandelingen willen aangaan als bedoeld in artikel 154, lid 4, VWEU. In de mededeling "Naar
een banenrijk herstel"[1]
van 18 april 2012 (werkgelegenheidspakket) kondigde de Commissie aan dat zij
vóór eind 2012 een voorstel voor een aanbeveling van de Raad over een
kwaliteitskader voor stages zou indienen. Tegelijkertijd werd een openbare
raadpleging gestart[2]
om het advies van de verschillende belanghebbende partijen in te winnen over de
behoefte aan een dergelijk initiatief en over de reikwijdte, de vorm en de
mogelijke inhoud ervan. De openbare raadpleging leverde meer dan 250 reacties
op, waarvan 29 afkomstig van nationale en regionale regeringen (ministeries en
agentschappen), 8 van vakbonden, 40 van werkgeversorganisaties en
vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, 14 van (overkoepelende)
jongerenorganisaties, 33 van onderwijsinstellingen, 11 van andere organisaties
en 117 van particulieren. Er was brede overeenstemming
over de belangrijke rol van stages in een soepele overgang van school naar werk
en over de behoefte aan hoogwaardige stages. Vakbonden,
ngo's, de meeste onderwijsinstellingen, particulieren en verschillende
nationale regeringen toonden zich voorstander van een kwaliteitskader voor
stages. In hun reacties op de
openbare raadpleging hebben de Europese sociale partners erom verzocht formeel
te worden geraadpleegd over de mogelijke richting van een optreden volgens de
in de artikelen 154 en 155 VWEU bedoelde procedure. Volgens deze artikelen moet
de Commissie de sociale partners raadplegen alvorens voorstellen op het gebied
van de sociale politiek in te dienen. De Commissie heeft
aan het verzoek van de sociale partners voldaan en benadrukte daarbij dat zij
een cruciale rol kunnen spelen bij de ontwikkeling en uitvoering van een
kwaliteitskader voor stages. Op 11 september 2012 werden de Europese sociale
partners in de eerste fase van de raadpleging uitgenodigd hun mening te geven
over de mogelijke richting van een EU-optreden. Nu de reacties daarop binnen
zijn, start de Commissie de tweede fase van de raadpleging over de inhoud van
het voorstel[3]. Deze mededeling
bundelt de belangrijkste resultaten van de eerste fase van de raadpleging en
recente gegevens over de kwaliteitsproblemen in verband met stages. Verder
worden verschillende mogelijkheden voor optreden op EU-niveau toegelicht. Om de
sociale partners te helpen hun reacties op deze raadpleging op te stellen, gaat
deze mededeling vergezeld van een analytisch document met achtergrondinformatie
en analyses (bv. een definitie van soorten stages en de bijbehorende voordelen
en kosten, de rapportering van de standpunten van de belanghebbenden, de
probleemomschrijving en de beleidsdoelstellingen)[4]. Onder stages wordt
verstaan een beperkte periode waarin studenten of jongeren die onlangs een
opleiding hebben afgerond, in een bedrijf, een overheidsinstelling of
instelling zonder winstoogmerk werken om nuttige en praktische werkervaring op
te doen voordat zij de arbeidsmarkt op gaan. Er
zijn vijf – gedeeltelijk overlappende – soorten stages: stages tijdens de opleiding; stages
die deel uitmaken van een verplichte beroepsopleiding (zoals rechten,
geneeskunde, onderwijs, architectuur, boekhouding enz.); stages die deel uitmaken van een actief arbeidsmarktbeleid; stages op de vrije markt;
grensoverschrijdende stages. Wat
de reikwijdte van het initiatief betreft, mag dit door de sociale partners
worden bepaald, maar dit zou onder andere stages op de vrije markt kunnen
omvatten, aangezien dit het meest problematische segment is. Maar er zijn ook andere mogelijkheden: de reikwijdte van de maatregelen kan worden
uitgebreid of beperkt tot alleen grensoverschrijdende stages of stages met een
bepaalde minimumduur. Een ander punt is of de
specifieke kenmerken van sectoren reden zijn om de maatregelen voor bepaalde
bedrijfstakken aan te passen of te beperken. 2. Eerste fase van de
raadpleging van de sociale partners De sociale partners
in de EU zijn het erover eens dat stages belangrijk zijn voor een soepele
overgang van onderwijs naar werk, met name in de context van de crisis. In 2010
hadden de sectoroverschrijdende sociale partners afgesproken om meer en
betere leer- en stageovereenkomsten te stimuleren als kernactiviteit in hun
kaderovereenkomst over inclusieve arbeidsmarkten. Alle respondenten zijn het
erover eens dat de sociale partners een belangrijke rol spelen in de
ondersteuning van het stageaanbod en dringen er bij de Commissie op aan
financiële steun te verlenen om het aantal stages te vergroten, onder andere
via grootschalige programma's op EU-niveau. De
eerste fase van de raadpleging heeft echter uiteenlopende standpunten
opgeleverd over de noodzaak van een EU-initiatief, de reikwijdte ervan, de vorm
die een dergelijk initiatief zou moeten krijgen en de belangrijkste
kwaliteitselementen die deel kunnen uitmaken van het initiatief. De
vakbonden vinden EU-optreden op het gebied van stages "absoluut
noodzakelijk". Het EVV[5] is zeer bezorgd over het grote
aantal jongeren die soms jarenlang in stageposities blijven hangen. Maar al te vaak hebben deze jongeren geen
duidelijke status, noch recht op sociale zekerheid, en verdienen zij veel
minder dan het minimumloon. Met andere
woorden, zij verlenen een dienst die gelijkwaardig is aan die van een werknemer
maar krijgen daarvoor geen vergelijkbaar voordeel. Daarom
benadrukt het EVV dat, om deze kwesties aan te pakken, een hoogwaardig kader
moet worden vastgesteld in wetgeving of in een collectieve overeenkomst. Het EVV is het eens met de analyse/definitie van de
Commissie van de kwaliteitselementen in het raadplegingsdocument
(stageovereenkomst, duidelijke doelstellingen en inhoud, beperkte duur,
passende sociale zekerheid/beloning enz.) en benadrukt dat de sociale partners
actief bij elke fase en op elk niveau van dit proces moeten worden betrokken. Het EVV wijst ook op de noodzaak dat er toezicht
komt op een toekomstig kwaliteitskader. De
werkgeversorganisaties nemen een sceptischer houding aan en onderstrepen
de noodzaak om een duidelijk onderscheid te maken tussen stages en
leerplaatsen. BusinessEurope vraagt zich af of
een EU-initiatief wel noodzakelijk is. Werkgeversorganisaties
erkennen dat de kwaliteit bij bepaalde stages een probleem kan zijn, maar zijn
van mening dat dergelijke problemen op nationaal of regionaal niveau moeten
worden aangepakt. Zij voeren aan dat de EU
niet voldoende bevoegdheid heeft, met name op het gebied van beloning. BusinessEurope
is van mening dat beloning en sociale zekerheid mogelijk niet onder EU‑bevoegdheid
vallen, en in ieder geval zouden kleine ondernemingen moeite hebben dergelijke
maatregelen toe te passen. Hoewel wordt erkend
dat stages aanzienlijke voordelen voor het mkb hebben (met name de mogelijkheid
om potentiële toekomstige werknemers te screenen, hooggekwalificeerde
werknemers aan te werven en te behouden en het bedrijfsimago tegen relatief
lage kosten te verbeteren), wijst UEAPME[6]
erop dat kleine bedrijven met specifieke problemen te maken krijgen bij het
aanbieden van stageplaatsen doordat dit hun relatief meer kost. Het CEEP[7]
is voorstander van een kwaliteitskader op EU‑niveau in de vorm van een
reeks overkoepelende beginselen. BusinessEurope
en UEAMPE geven aan dat het kader zo flexibel moet zijn dat het kan worden
afgestemd op de verschillende nationale systemen en werkwijzen. Er bestaat bezorgdheid dat stageregelingen
overbelast zouden kunnen raken door een overmaat aan juridische of
administratieve procedures, hetgeen bedrijven ervan kan weerhouden stagiairs
aan te nemen, waardoor jongeren de kans op waardevolle werkervaring wordt
ontnomen. Er
is brede consensus dat de meeste problemen betrekking hebben op stages op de
vrije markt en verschillende organisaties (waaronder veel, maar niet alle
werkgeversorganisaties) stellen voor het kader te beperken tot stages op de
vrije markt. Op
de bijeenkomst van het Comité voor de sociale dialoog van 23 oktober 2012
hebben BusinessEurope, het CEEP en UEAPME verklaard dat
werkgevers in de EU bereid zijn besprekingen te beginnen over stages als
onderdeel van de autonome onderhandelingen van de Europese sociale partners
over een actiekader over jeugdwerkgelegenheid. Het
EVV gaf aan dat het vastbesloten is deel te nemen aan de
onderhandelingen van de Europese sociale partners over het actiekader en zich
verheugt over het initiatief van de Commissie om een kwaliteitskader voor
stages te ontwikkelen. Het vindt de besprekingen in het actiekader in dit
stadium echter niet de geschikte plaats voor onderhandelingen over stages
overeenkomstig artikel 154 VWEU. Beide zijden
benadrukten dat de standpunten die zij in de eerste fase van de raadpleging te
kennen hebben gegeven, niet vooruitlopen op hun standpunten in een eventuele
tweede raadpleging. 3. Problemen in verband met
stages Hoewel
stages niet alleen voor stagiairs, maar ook voor werkgevers en voor de
samenleving als geheel een aantal voordelen hebben, hebben alle EU-instellingen
hun bezorgdheid geuit over de doeltreffendheid, de beschikbaarheid en de
kwaliteit van stages. In 2010 heeft het Europees
Parlement een resolutie aangenomen waarin wordt verzocht om betere en
gegarandeerde stageplaatsen en om een Europees kwaliteitshandvest voor stages,
dat voorziet in minimumnormen voor stages om hun educatieve waarde te
verzekeren en exploitatie te voorkomen[8]. In april 2012 heeft de Europese Commissie in het
werkgelegenheidspakket[9]
aangekondigd dat zij vóór eind 2012 een voorstel voor een kwaliteitskader voor
stages zou indienen. In juni 2012 concludeerde
de Europese Raad dat "de jeugdwerkloosheid dringend [dient] te worden
aangepakt, in het bijzonder via de initiatieven van de Commissie inzake
jongerengaranties en het kwaliteitskader voor stages"[10]. De
politieke aandacht op hoog niveau heeft te maken met het feit dat een
aanzienlijk deel van de stages problemen vertoont, zoals onvoldoende
leerinhoud, geen of een lage vergoeding en ontoereikende voorwaarden ten
aanzien van andere regelingen dan beloning/vergoeding (zoals slechte
arbeidsomstandigheden). Er zijn ook problemen in verband met het lage niveau van
mobiliteit binnen de EU voor stagiairs[11]. In
alle lidstaten is de werkloosheid onder jongeren veel hoger dan onder de rest
van de bevolking in de werkende leeftijd — gemiddeld tweemaal zo hoog. Dit is
het gevolg van een aantal factoren, met name het gebrek aan werkervaring van
nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Dit onderstreept het belang van stages voor een
soepele overgang van school naar werk en uiteindelijk het terugdringen van de
jeugdwerkloosheid. Een doeltreffend kwaliteitskader moet richtsnoeren bieden om
werkgevers te helpen meer stageplaatsen te creëren die zowel voordelen voor hun
bedrijf hebben als stagiairs een springplank naar de arbeidsmarkt bieden. Anderzijds
kunnen kwalitatief slechte stages die de inzetbaarheid van de stagiair niet
verbeteren, die geen minimaal beschermingsniveau bieden en die worden gebruikt
als een goedkope vervanging voor bestaande banen, jongeren ervan weerhouden in
een stage te investeren en de arbeidsmarkt verstoren. In een aantal lidstaten
is het niet verplicht een stageovereenkomst te hebben waarin de rechten en
plichten van de partijen zijn vastgelegd, hetgeen betekent dat sommige
stagiairs (maar liefst 25 % volgens een enquête van het Europees
Jeugdforum uit 2011) geen schriftelijke contractuele banden hebben met hun gastorganisatie. Wat vergoeding en
beloning betreft, vormt een hoogwaardig opleidingsaanbod een kostenpost voor de
werkgever. Niettemin is beloning een belangrijk kwaliteitselement. Het
ontbreken van een vergoeding bij een groot deel van de stages roept vragen op
over de gelijke toegang, omdat jongeren met een minder bevoorrechte achtergrond
hierdoor in de praktijk kunnen worden uitgesloten. Een ander probleem is
de toename van opeenvolgende stages, waarbij jongeren soms verschillende stages
moeten volgen voordat zij de arbeidsmarkt betreden. Volgens de enquête van het
Europees Jeugdforum heeft 37 % van de respondenten drie of meer stages
gevolgd. De lage beloning of het ontbreken van een beloning in combinatie met
de toename van opeenvolgende stages roept ook de vraag op of werkgevers stages
als een vorm van onbetaalde arbeid gebruiken. Momenteel lopen
betrekkelijk weinig jongeren stage in een ander land. Uit een
Eurobarometer-enquête van 2011 blijkt dat 53 % van de jongeren in Europa
openstaat voor of enthousiast is over werken in een andere EU-lidstaat.[12] De belangrijkste
belemmeringen voor het organiseren van grensoverschrijdende mobiliteit hebben
te maken met het gebrek aan duidelijke en toegankelijke informatie over de
wettelijke en administratieve voorwaarden, en met het probleem om
gastorganisaties te vinden waarbij het profiel van de stagiair goed aansluit op
de behoeften van de organisatie. Het gebrek aan informatie over de kwaliteit
van stages speelt vooral een rol bij grensoverschrijdende stages. Het
stageonderzoek heeft grote verschillen in de regelgeving inzake de arbeidsmarkt
en stages tussen de lidstaten aan het licht gebracht. Het gebrek aan kennis van
de plaatselijke omstandigheden maakt het voor buitenlandse stagiairs moeilijker
hun rechten goed te begrijpen en deze uit te oefenen. De belangstelling van
jongeren voor werken in het buitenland en het lage aandeel van internationale
stages duiden erop dat onzekerheden over de arbeidsvoorwaarden in het
buitenland mogelijk een belangrijke (negatieve) rol spelen. Als een jongere
niet weet wat hij of zij op het vlak van voorwaarden, leren, sociale zekerheid,
beloning enz. van een buitenlandse stage kan verwachten, is de wens om daaraan
deel te nemen waarschijnlijk beperkt. Dit betekent een gemiste kans voor de
stagiair (en latere werknemer) wat de verwerving van nieuwe vaardigheden en
ervaringen betreft, en vormt een belemmering voor de mobiliteit binnen de EU. 4. Noodzaak van EU-optreden
inzake stages Gezien de situatie
van jongeren op de arbeidsmarkt van de EU en de hierboven beschreven problemen
moet de kwaliteit van stages dringend worden verbeterd door samen te werken met
de sociale partners en richtsnoeren voor de lidstaten te ontwikkelen. Het is
nodig de hoge jeugdwerkloosheid te verkleinen en de aansluitproblemen op de
Europese arbeidsmarkt door de overgang van onderwijs naar werk te
vergemakkelijken en belemmeringen voor mobiliteit weg te nemen. Deze mededeling
maakt deel uit van het jeugdwerkgelegenheidspakket, dat initiatieven inzake
jeugdgarantie, mobiliteit en leerplaatsen omvat[13]. In het Europees
semester van 2012 hebben 22 lidstaten landenspecifieke aanbevelingen ontvangen
die specifiek gericht zijn op verbetering van de positie van jongeren op de
arbeidsmarkt[14].
Kwalitatief hoogwaardige stages helpen de inzetbaarheid van jongeren te
vergroten en vormen een belangrijke springplank in de doorstroming naar
reguliere arbeid. Het EU-optreden zal
de lidstaten ondersteunen in de uitvoering van werkgelegenheidsrichtsnoer nr. 8
van Europa 2020, met name door "in samenwerking met de sociale partners
regelingen in te voeren om pas afgestudeerden te helpen bij het vinden van een
eerste baan of aanvullende onderwijs- of opleidingsmogelijkheden". Bovendien kunnen internationaal aanvaarde
kwaliteitsnormen sneller worden vastgesteld als supranationale instellingen een
coördinerende en ondersteunende rol spelen. De
EU is het best in staat om dit doel te bereiken, omdat er weinig tot geen
spontane actie lijkt te worden ondernomen om internationale kwaliteitsnormen te
ontwikkelen. Een oplossing op EU-niveau zou
ook duidelijke voordelen hebben voor de mobiliteit van stagiairs binnen de EU
en zou bijdragen tot een meer geïntegreerde arbeidsmarkt van de EU. De bevordering van de geografische mobiliteit van
stagiairs binnen de EU zal de structurele werkloosheid helpen verlagen,
aangezien vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt duidelijk niet op elkaar
afgestemd zijn. De ontwikkeling van grensoverschrijdende stages is een
belangrijk hulpmiddel om dit te bereiken. Jongeren die overwegen een opleiding
in een andere EU-lidstaat te volgen, moeten een duidelijk referentiepunt hebben
zodat zij de kwaliteitscriteria kunnen nagaan en kan worden voorkomen dat zij
worden ontmoedigd door onzekerheid over administratieve formaliteiten,
juridische kwesties of contractuele verplichtingen. Een aanpak op EU-niveau is
ook operationeel gezien een eerste voorwaarde voor de uitbreiding van EURES tot
leerplaatsen en stages, zoals verlangd door de Europese Raad van juni 2012[15]. 5. Mogelijkheden voor
EU-optreden De Commissie heeft
verschillende mogelijkheden voor EU-optreden uitgewerkt, waarover zij de mening
van de sociale partners wil vragen, onder andere met betrekking tot de
mogelijke start van onderhandelingen tussen de lidstaten. Alle mogelijkheden voor EU-optreden – die eventueel
kunnen worden gecombineerd – worden toegelicht in het bijgaande analytische
document. Momenteel lopen de
standpunten van de sociale partners in de EU in de eerste fase van de
raadpleging uiteen wat de inhoud en de vorm van een dergelijk initiatief
betreft. 5.1. Kwaliteitskader voor stages De
Commissie heeft in het werkgelegenheidspakket van april 2012[16] een voorstel voor een
kwaliteitskader voor stages aangekondigd. Wat
de keuze van de kwaliteitselementen betreft, heeft de Commissie een aantal
beginselen vastgesteld die kenmerkend zijn voor hoogwaardige stages, op basis
van het stageonderzoek en de reacties op de openbare raadpleging en de eerste
fase van de raadpleging. Hoewel deze
beginselen algemeen toepasbaar lijken te zijn, kunnen zij worden aangepast aan
het type beroep/sector en worden afgestemd op de omvang van de gastorganisatie. Er moet rekening worden gehouden met de lasten die
naleving voor het mkb oplevert, omdat het voor kleine en met name micro‑ondernemingen
moeilijker kan zijn om stagiairs op hetzelfde niveau begeleiding (of
andersoortige ondersteuning) te bieden als grotere organisaties. Bovendien mag het niveau van bescherming dat
stagiairs genieten, niet groter zijn dan dat van werknemers. De
volgende elementen moeten voor opneming in de kaderregeling in overweging
worden genomen: –
Stageovereenkomst: het
uitgangspunt voor het kwaliteitskader is de sluiting van een stageovereenkomst.
Een hoogwaardige stage moet gebaseerd zijn op een schriftelijke overeenkomst
tussen de stagiair en de gastorganisatie (en eventueel de
opleidingsorganisatie) die aspecten omvat zoals beroeps- en leerdoelstellingen,
duur, dagelijkse/wekelijkse arbeidstijd en, waar van toepassing, sociale
zekerheid en beloning/vergoeding. –
Duidelijke informatie:
rechten en plichten van de stagiair, de werkgever en, waar van toepassing, de
onderwijsinstelling. Actuele informatie over op Europees en nationaal niveau
geldende wettelijke en andere bepalingen moet in een vergelijkbaar formaat gemakkelijk
beschikbaar zijn voor alle partijen die betrokken zijn bij (het organiseren
van) stages. De moeilijkheid om toegang tot betrouwbare en volledige informatie
over deze bepalingen in alle lidstaten te verkrijgen, is een van de
belangrijkste obstakels voor de organisatie van grensoverschrijdende stages. –
Doelstellingen en inhoud: stages moeten de stagiair de gelegenheid bieden vaardigheden op de
werkplek op te doen die een aanvulling vormen op zijn of haar theoretische
studie. Het hoofddoel van stages is de inzetbaarheid en de loopbaankansen van
jongeren te vergroten. Om de inzetbaarheid van de stagiair te vergroten, zijn
duidelijk omschreven doelstellingen en hoogwaardige leerinhoud belangrijk. –
Begeleiding en erkenning: de educatieve inhoud moet worden verzekerd door aan iedere stagiair
een persoonlijke stagebegeleider of mentor in de gastorganisatie toe te wijzen.
Een stagebegeleider moet de stagiair begeleiden in de uitvoering van de
toegewezen taken, toezien op de voortgang, en de algemene werkprocessen en ‑technieken
uitleggen. De stagebegeleider moet de prestaties van de stagiair aan het einde
van de stageperiode beoordelen, eventueel in de vorm van een referentiebrief.
Een eindbeoordeling waarin aspecten als duur, educatieve inhoud, verrichte
taken, verworven kennis, vaardigheden en competenties, en een
prestatiebeoordeling zijn opgenomen, moet een passende erkenning van de stage
waarborgen. –
Duur: stages op de
vrije markt moeten doorgaans niet langer dan een bepaalde periode duren,
bijvoorbeeld zes maanden, zodat stages niet ter vervanging van reguliere banen
worden gebruikt. Verplichte postdoctorale beroepsopleidingen (bv. voor artsen,
juristen, leerkrachten) moeten hiervan worden vrijgesteld omdat deze stages
veelal sterk gereguleerd zijn. Een soortgelijke categorie zijn bedrijfsinterne
"stageprogramma's" voor aanwerving op hogere managementniveaus die
bedoeld zijn om stagiairs klaar te stomen voor een topfunctie in de
onderneming. –
Opeenvolgende stages: er
moet iets worden gedaan om opeenvolgende stages bij dezelfde werkgever tegen te
gaan, bijvoorbeeld door de mogelijkheid in te perken om tussen dezelfde
partijen binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld 12 maanden) na het
verstrijken van de vorige overeenkomst een nieuwe stageovereenkomst te sluiten. –
Socialezekerheidsvoorzieningen: de socialezekerheidsdekking moet worden verduidelijkt tussen de
stagiair en de gastorganisatie. Dit heeft onder andere betrekking op
ziektekosten- en arbeidsongevallenverzekeringen. Indien de stagiair geen
student is[17],
moeten de gastorganisatie en de stagiair de verzekeringsverplichtingen nakomen
overeenkomstig het arbeidsrecht van het betreffende land. Een andere
mogelijkheid is dat de overeenkomst voorziet in verzekeringen die worden
betaald door de gastorganisatie dan wel de stagiair. –
Beloning/onkostenvergoeding: indien er een wederzijds voordeel voor zowel de gastorganisatie als
de stagiair in de vorm van kennisoverdracht en leren is, kan een onbetaalde
stage gepast zijn. Daarom moet in een leidraad voor beloning/vergoeding worden
vastgelegd dat in de schriftelijke stageovereenkomst duidelijk moet worden
bepaald of een vergoeding of beloning wordt aangeboden, en zo ja, welke,
waarbij moet worden opgemerkt dat beloning/onkostenvergoeding ertoe kan
bijdragen dat ook (jonge) mensen in een achterstandspositie toegang krijgen tot
hoogwaardige stages en daarmee tot bepaalde beroepen. –
Partnerschapsaanpak: om
het aantal hoogwaardige stages te verhogen, moeten werkgevers en
gastorganisaties meer gaan samenwerken met de openbare diensten voor de
arbeidsvoorziening (onder meer via het EURES-netwerk), andere overheden,
onderwijs- en opleidingsinstellingen en andere werkgevers om beter gebruik te
maken van synergieën, kosten te besparen, optimale werkwijzen uit te wisselen,
de aansluiting tussen gastorganisatie en stagiair te verbeteren enz. Een
dergelijk kwaliteitskader kan beperkt zijn tot stages op de vrije markt en kan
de vorm van een aanbeveling krijgen (op grond van de artikelen 292 en 153
VWEU), zoals aangekondigd in het werkgelegenheidspakket. 5.2. Kwaliteitskeurmerk voor
stages Een
andere optie zou zijn om een kwaliteitskeurmerk te ontwikkelen voor
gastorganisaties, onderwijsinstellingen en diensten voor arbeidsvoorziening
en/of andere relevante actoren die voldoen aan het kwaliteitskader of een
beperkter aantal kwaliteitsbeginselen. Ook kan
worden gedacht aan een kwaliteitskeurmerk voor specifieke sectoren. Er
zijn verschillende oplossingen mogelijk. Om de
kosten van naleving zo laag mogelijk te houden, kan het kwaliteitskeurmerk
worden toegekend aan organisaties die zich inzetten voor de
kwaliteitsbeginselen zonder voorafgaande inspectie of screening, met dien
verstande dat naar behoren gerechtvaardigde klachten kunnen leiden tot
intrekking van het keurmerk. Het keurmerk zou
dan kunnen worden beheerd door een kleine extern bureau of een
belangenorganisatie. Een kwaliteitskeurmerk
zou een niet-regelgevende oplossing zijn voor kwaliteitsaspecten. Het risico van deze aanpak is echter dat slechts
enkele organisaties het keurmerk kunnen aanvragen, zeker nu de vraag naar
stages groter is dan het aanbod. Bovendien
bieden veel van de organisaties die het keurmerk aanvragen, waarschijnlijk nu
al hoogwaardige stages en zou dit het probleem dus niet volledig oplossen. 5.3. Oprichting van een
informatieve website Een
andere mogelijkheid is het opzetten van een website met overzichtelijke
informatie over stages (met regelmatig geactualiseerde informatie over
stagevoorwaarden en het rechtskader in elke lidstaat, eventueel in de context
van het EURES-portaal). Een goed opgezette,
gebruikersvriendelijke website zou het gemakkelijker maken informatie te vinden
over nationale wetgeving op het gebied van stages en over de beschikbaarheid
van verschillende soorten stages in de lidstaten. Dit
zou de zoekkosten voor stagiairs verlagen en kan een betere afstemming tussen
stagiair en gastorganisatie mogelijk maken en ook een positief effect hebben op
de beschikbaarheid van kandidaten voor grensoverschrijdende stages. Anderzijds kan dit slechts een beperkt effect
hebben op de stagekwaliteit. De website zou een oplossing bieden voor het
probleem van het gebrek aan algemene informatie over de normen, maar zou niet
systematisch informatie kunnen verstrekken over de kwaliteit van specifieke
aangeboden stageposities; dit zou moeten gebeuren door middel van een module
waar stagiairs of voormalige stagiairs subjectieve feedback over specifieke
stageposities geven. 5.4. Effecten van de diverse
opties Alle
mogelijkheden voor EU-optreden zullen effect hebben, zoals aangegeven in het
bijgaande analytische document. De Commissie
vraagt de sociale partners hun standpunt over de effecten van de voorgestelde
opties kenbaar te maken. 6. Volgende stappen Een kwaliteitskader
kan een essentiële rol spelen in de verbetering van de kwaliteit van stages in
de EU. Hiermee zouden de gastorganisaties worden gestimuleerd om meer
stageplaatsen aan te bieden met een hoogwaardige leerinhoud en fatsoenlijke
arbeidsomstandigheden, die daadwerkelijk een springplank vormen naar de
arbeidsmarkt. De Commissie zal
rekening houden met de resultaten van deze raadpleging bij haar verdere
werkzaamheden om de kwaliteit van stages te verbeteren. Zij kan deze
werkzaamheden opschorten als de sociale partners besluiten met elkaar
onderhandelingen aan te gaan over zaken met een voldoende brede reikwijdte.
Anders zal zij overgaan tot de goedkeuring van een EU-initiatief over een
kwaliteitskader voor stages, ondersteund door een effectbeoordeling. 7. VRAGEN AAN DE SOCIALE
PARTNERS De Commissie vraagt daarom de sociale partners
hun standpunt over de volgende kwesties en over hun beoordeling van het effect
van de voorkeursoptie kenbaar te maken: 1. Bent u van mening dat de in
punt 5.1 uiteengezette optie –
een aanvaardbaar kader kan bieden om de zaken
waarover u zich volgens uw antwoorden in de eerste fase van de raadpleging
zorgen maakte, aan te pakken? –
moet worden beperkt tot stages op de vrije markt of
betrekking moet hebben op alle soorten stages? 2. Wat is uw mening over de
andere opties, die in de punten 5.2 en 5.3 uiteen worden gezet? 3. Zijn de sociale partners in
de EU op sectoroverschrijdend of sectoraal niveau bereid onderhandelingen aan
te gaan op basis van de in punt 5.1 van deze mededeling beschreven elementen,
met als doel een overeenkomst te sluiten over een kwaliteitskader voor stages
uit hoofde van artikel 155 VWEU? [1] COM(2012) 173 final. [2] SWD(2012) 99 final. [3] De mogelijke uitkomsten van deze procedure zijn als
volgt: de sociale partners kunnen onderhandelingen aangaan en zo een autonome
overeenkomst bereiken of kunnen de Commissie vragen een wetgevingsvoorstel op
basis van hun overeenkomst op te stellen. Als de sociale partners het niet eens
worden of besluiten om niet te onderhandelen, moet de Commissie de situatie
beoordelen en beslissen of zij een eigen voorstel zal indienen. [4] SWD(2012) 407 van 5.12.2012. [5] Europees Verbond van Vakverenigingen. [6] Europese Unie van ambachten en van het midden- en
kleinbedrijf. [7] Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven en
ondernemingen van algemeen economisch belang. [8] EP 2009/2221 (INI) van 14.6.2010. [9] COM(2012) 173 van 18.4.2012. [10] EUCO 76/12, 28-29 juni 2012. [11] Europese Commissie (2012): Study on a comprehensive
overview on traineeship arrangements in Member States (hierna "het
stageonderzoek"). [12] De ervaring die is opgedaan met de Erasmus- en Leonardo da
Vinci-programma's laat zien dat veel studenten stage willen lopen in het
buitenland, aangezien de vraag van potentiële stagiairs het beschikbare budget
ruim overschrijdt. [13] COM(2012) 727 van 5.12.2012. [14] Een gedetailleerd overzicht van specifieke aanbevelingen
voor jongeren is te vinden in bijlage II bij werkdocument (2012) 406 van
5.12.2012. [15] EUCO
76/12, 28-29 juni 2012. [16] COM(2012) 173 van 18.4.2012. [17] In de meeste lidstaten worden studenten door de staat of
onderwijsinstelling sociaal verzekerd, m.a.w. zij zijn verzekerd tegen
ziektekosten en ongevallen als zij tijdens hun studie stage lopen.