Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011PC0785

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma Creatief Europa

/* COM/2011/0785 definitief - 2011/0370 (COD) */

52011PC0785

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma Creatief Europa /* COM/2011/0785 definitief - 2011/0370 (COD) */


TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Op 29 juni 2011 heeft de Commissie een voorstel voor het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 goedgekeurd betreffende een begroting voor de uitvoering van de "Europa 2020"-strategie. In haar voorstel heeft de Commissie bepaald dat de ondersteuning van de culturele en creatieve sectoren een essentieel element moet blijven van het volgende financiële pakket. Daartoe heeft zij het overkoepelende kaderprogramma "Creatief Europa" voorgesteld, waarin de huidige programma's Cultuur, MEDIA en MEDIA Mundus worden ondergebracht en waarin tevens een volledig nieuwe financiële faciliteit ter bevordering van de toegang tot financiële middelen voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) en organisaties in de culturele en creatieve sectoren is opgenomen.

Hierdoor wordt ook erkend hoe belangrijk de bijdrage van deze sectoren is voor de werkgelegenheid en economische groei. In 2008 vertegenwoordigden zij namelijk 4,5% van het totale Europese bbp, terwijl circa 3,8% van de beroepsbevolking in deze sectoren actief was[1]. Naast die directe bijdrage aan het bbp, zorgen deze sectoren ook voor overloopeffecten naar andere sectoren van de economie, zoals het toerisme, en leveren zij inhoud voor ICT. In bredere zin zal creativiteit een essentiële rol spelen in het moderne onderwijs. Creativiteit zal een drijvende kracht zijn achter innovatie, ondernemerschap en een slimme en duurzame groei, en zal daarnaast een bijdrage aan sociale integratie leveren. De lidstaten ondersteunen talrijke culturele initiatieven, die in veel gevallen onder de regels voor staatssteun vallen.

Hoewel deze sectoren de afgelopen jaren in veel landen een meer dan gemiddelde groei hebben vertoond, worden zij met diverse gemeenschappelijke uitdagingen en problemen geconfronteerd. Dat neemt niet weg dat er mogelijkheden zijn voor een verdere groei in de toekomst, mits er een coherente strategische aanpak wordt gehanteerd en er goede instrumenten beschikbaar worden gesteld.

Een kaderprogramma voor een creatief Europa zal bijdragen aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen en aan een aantal kerninitiatieven van die strategie doordat wordt ingespeeld op de uitdagingen waarmee de culturele en creatieve sectoren worden geconfronteerd als gevolg van de fragmentatie, de mondialisering en de digitale omwenteling, het tekort aan gegevens en het gebrek aan particuliere investeringen. Met dat kaderprogramma wordt gestreefd naar het verbeteren van het concurrentievermogen in de culturele en creatieve sectoren door een sterke nadruk te leggen op maatregelen gericht op de capaciteitsopbouw en op de ondersteuning van een transnationale verspreiding van culturele werken. Tegelijkertijd zal het programma een cruciale rol spelen bij het nakomen van de wettelijke verplichtingen van de Europese Unie om de culturele en taalkundige verscheidenheid te waarborgen en te bevorderen.

Het programma zal een eenvoudige, herkenbare en gemakkelijke toegangspoort zijn voor Europese culturele en creatieve professionals, en zal mogelijkheden bieden voor activiteiten binnen en buiten de Europese Unie (EU). Door één enkel kaderprogramma zullen synergieën en kruisbestuivingen tussen de verschillende culturele en creatieve sectoren mogelijk worden.

De EU-interventies op dit gebied zijn bedoeld om systemische effecten te bewerkstelligen en de beleidsontwikkeling te ondersteunen. Zij zullen met name waardevol zijn vanwege de volgende redenen:

– het transnationale karakter van de uit te voeren activiteiten en de impact daarvan, die een aanvulling zullen vormen op nationale, internationale en andere Europese programma’s;

– de schaalvoordelen en de kritische massa die door de EU-steun tot stand kunnen worden gebracht, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat extra middelen kan genereren;

– de transnationale samenwerking, die bevorderlijk kan zijn voor een meer omvattende, snellere en effectievere respons op mondiale uitdagingen en die op de langere termijn systemische effecten op de sector kan hebben;

– het waarborgen van meer gelijke concurrentievoorwaarden in de Europese culturele en creatieve sectoren doordat er rekening wordt gehouden met landen met een lagere productiecapaciteit en/of met landen of regio's met een beperkt geografisch en taalgebied.

Door specifiek aandacht te besteden aan de behoeften van de culturele en creatieve sectoren die grensoverschrijdend actief willen worden, en met een sterke koppeling aan het bevorderen van de culturele en taalkundige diversiteit, vormt het programma een aanvulling op andere EU-programma's, zoals de steun van de structuurfondsen voor investeringen in de culturele en creatieve sectoren, de restauratie van het erfgoed en de culturele infrastructuur en diensten, de digitaliseringsfondsen voor cultureel erfgoed en de instrumenten voor externe betrekkingen. Daarnaast bouwt het programma voort op de ervaring en successen van bestaande initiatieven zoals Media en de Culturele Hoofdsteden van Europa.

2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING 2.1. Raadpleging en advies van deskundigen

Tussen 15 september en 15 december 2010 heeft er een openbare raadpleging plaatsgevonden over de toekomst van het programma Cultuur. Talrijke organisaties hebben daarnaast ook in afzonderlijke documenten hun standpunt kenbaar gemaakt. De bijna 1 000 reacties (589 van individuele personen en 376 van organisaties en overheidsinstanties) vertegenwoordigen een goede steekproef met het oog op de toekomstige analyse. In de onlineraadpleging is een reeks vragen gesteld voortbouwend op de resultaten van de tussentijdse evaluatie. Een samenvatting van de resultaten is gepubliceerd op 13 juni 2011[2]. De onlineraadpleging werd op 16 februari 2011 gevolgd door een openbare raadpleging middels een hoorzitting in Brussel die door meer dan 550 mensen is bijgewoond, veelal namens representatieve Europese culturele organisaties[3].

Naast de resultaten van de openbare raadplegingen heeft de Commissie ook rekening gehouden met de tussentijdse evaluatie van het huidige programma die in 2010 is uitgevoerd[4], met de feedback op het Groenboek van de Commissie getiteld "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken" (circa 350 reacties), met de bevindingen van onafhankelijke studies en met aanbevelingen van deskundigen in het kader van de open coördinatiemethode (OCM) voor cultuur, en met de gestructureerde dialoog met de sector in de periode 2008-2010.

Door deze uiteenlopende bronnen zijn de vele voordelen van het programma Cultuur benadrukt, hoewel er ook gewezen is op gebieden waarop verbeteringen of vereenvoudigingen nodig zijn. Een van de aspecten die met name werd benadrukt, was de noodzaak om de doelstellingen te herzien in het licht van de Europa 2020-strategie en de wettelijke en morele verplichtingen van de Unie om de culturele en taalkundige diversiteit te waarborgen en te bevorderen. Daarnaast bestond er grote steun voor de rol die het programma kan spelen bij het versterken van de cultuursector via een professionele ontwikkeling van en capaciteitsopbouw bij kunstenaars/culturele actoren in een internationale context en bij het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele werken en producten, onder andere door de mobiliteit van kunstenaars, uitvoerende artiesten en cultuurprofessionals te vergroten. Ook was er steun voor prioriteiten met een meer sociaal karakter, zoals een betere toegang tot cultuur voor en deelname aan culturele activiteiten door achterstandsgroepen (sociale integratie). Bovendien is herhaaldelijk gewezen op de problemen waar culturele en creatieve KMO's mee te maken hebben bij de verkrijging van financiering.

Van september tot en met november 2010 heeft de Commissie een onlineraadpleging uitgevoerd over de toekomst van het programma Media 2007. 2 586 respondenten hebben deelgenomen aan deze openbare onlineraadpleging[5]. Zij vertegenwoordigden een breed scala aan belanghebbenden binnen de Europese audiovisuele sector uit veel lidstaten en andere Europese landen. Uit de onlineraadpleging is gebleken dat de respondenten met name de volgende onderwerpen als de belangrijkste prioriteiten voor het toekomstige programma beschouwen: nieuwe technologieën, lacunes in de opleiding, fragmentatie, ondersteuningsregels, mediageletterdheid en quota van Europese werken.

Van maart tot eind mei 2011 is er een aparte onlineraadpleging over het programma MEDIA Mundus georganiseerd. De Commissie heeft 367 reacties uit 51 landen ontvangen[6]. 86% van de reacties was afkomstig van professionals uit de lidstaten. De belanghebbenden die deelgenomen hebben aan de raadpleging over MEDIA Mundus gaven prioriteit aan acties ter bevordering van coproducties, d.w.z. aan de ondersteuning van coproductiemarkten en internationale coproductiefondsen. Ook permanente opleidingen konden op grote steun van de belanghebbenden rekenen.

Op 18 maart 2011 heeft er in Brussel een openbare hoorzitting plaatsgevonden over MEDIA en MEDIA Mundus[7]. Ongeveer 250 belanghebbenden, zoals filmmakers, producenten, distributeurs, filmregisseurs, exposanten, filmfondsen e.d. kwamen hier bijeen om hun standpunten te presenteren en over de toekomst van de programma's te debatteren. Nog eens 900 mensen hebben de hoorzitting via een "streamed transmission" gevolgd. De belangrijkste resultaten van de hoorzitting waren als volgt: in de twintig jaar van zijn bestaan heeft MEDIA bijgedragen tot ingrijpende veranderingen van het Europese audiovisuele landschap; zonder MEDIA-steun zouden de meeste Europese films niet buiten het land van herkomst worden vertoond; de Europese animatie-industrieën spelen thans een zeer belangrijke rol op de wereldmarkten; en MEDIA heeft grote invloed op de ontwikkeling van Europese coproducties. De sector wordt nu echter met grote uitdagingen en kansen geconfronteerd als gevolg van de digitalisering en globalisering en zal dan ook ondersteund moeten worden bij het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsmodellen en bij het adequaat inspelen op de veranderende marktomstandigheden. In dat verband is het buitengewoon belangrijk om projecten te ondersteunen waarvan de activiteiten zich door de hele waardeketen heen afspelen en meer aandacht te besteden aan publieksopbouw, "branding" en filmeducatie.

De Commissie heeft ook een reeks focusgroepen voor belanghebbenden op audiovisueel gebied georganiseerd om nader inzicht te krijgen in de meningen over het programma. Daarnaast heeft zij in 2011 conferenties en bijeenkomsten met diverse belanghebbenden georganiseerd in het kader van de filmfestivals in Rotterdam, Berlijn en Cannes.

Bovendien heeft er nog een aantal gerichte raadplegingen plaatsgevonden over de geconstateerde problemen bij het verkrijgen van financiering. Hierbij zijn verschillende groepen belanghebbenden betrokken geweest uit de audiovisuele, muziek-, uitgeverij- en videogames-sectoren. Aan deze raadplegingen is ook deelgenomen door de EIB-groep (de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds) en andere financiële instellingen. Op 3 mei 2011 heeft de Commissie een seminar georganiseerd onder de titel "Bevordering van de toegang tot financiering voor culturele en creatieve KMO's" waaraan is deelgenomen door vertegenwoordigers van Europese financiële instellingen die betrokken zijn bij de financiering van KMO's die in de culturele en creatieve sectoren actief zijn, door ondernemingen uit deze sectoren en door deskundigen die zich binnen deze sectoren bezig houden met de toegang tot financiering.

De feedback naar aanleiding van deze raadplegingen is zorgvuldig door de Commissie bestudeerd en gebruikt bij het opstellen van zowel de effectbeoordelingsverslagen als de toekomstige programmaopzet.

2.2. Effectbeoordeling

Dit voorstel is mede gebaseerd op drie effectbeoordelingen, te weten een beoordeling van de voortzetting van het huidige programma Cultuur, een gecombineerde effectbeoordeling van de huidige programma's MEDIA en MEDIA Mundus, en een afzonderlijke effectbeoordeling van een nieuwe financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren.

In het kader van de effectbeoordelingen van de programma's Cultuur en MEDIA zijn vier gemeenschappelijke problemen in kaart gebracht waarmee de culturele en creatieve sectoren worden geconfronteerd en die op EU-niveau aangepakt moeten worden om de gewenste effecten te bewerkstelligen. Het eerste probleem is de gefragmenteerde marktsituatie als gevolg van de culturele en taalkundige diversiteit in Europa, waardoor de betreffende sectoren in wezen langs nationale en taalkundige lijnen gefragmenteerd zijn en over onvoldoende kritische massa beschikken. Dat resulteert in een suboptimale transnationale circulatie van werken, een te geringe mobiliteit van kunstenaars en professionals, en geografische onevenwichtigheden. Tevens worden hierdoor de keuzemogelijkheden voor consumenten en de toegankelijkheid van Europese culturele werken beperkt. Het tweede probleem houdt verband met de noodzaak voor deze sectoren om zich aan te passen aan de gevolgen van de globalisering en de digitale omwenteling. Door de globalisering is een tendens ontstaan van een sterkere concentratie van het aanbod bij een beperkt aantal grote marktdeelnemers, hetgeen een bedreiging vormt voor de culturele en taalkundige diversiteit. De digitale omwenteling heeft een zeer grote invloed op de wijze waarop culturele goederen worden geproduceerd, beheerd en verspreid, toegankelijk zijn, en geconsumeerd en te gelde gemaakt worden, wat zowel tot nieuwe mogelijkheden als tot uitdagingen leidt, en de sector zou profiteren van transnationale benaderingen en oplossingen. Het derde probleem is het tekort aan vergelijkbare gegevens over de culturele sector op Europees en nationaal niveau. Dat heeft consequenties voor de Europese beleidscoördinatie, die een nuttige motor voor nationale beleidsontwikkelingen en systeemveranderingen zou kunnen zijn, tegen lage kosten voor de EU-begroting en bij volledige eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel. Het vierde probleem heeft te maken met de moeilijkheden waarmee culturele en creatieve KMO's worden geconfronteerd bij het verkrijgen van financiering. Dit is een gevolg van de immateriële aard van veel van hun activa, zoals auteursrechten, die meestal niet in de boekhouding zijn opgenomen (in tegenstelling tot octrooien). Het is ook een gevolg van het feit dat culturele werken in tegenstelling tot andere industriële projecten doorgaans geen massaproductie kennen, omdat boeken, opera's, toneelstukken, films en videogames eigenlijk allemaal unieke prototypes zijn en ondernemingen in deze sectoren over het algemeen op projectbasis werken.

Na het evalueren van een aantal opties is de conclusie op basis van de effectbeoordelingen dat een samenvoeging van de programma's Cultuur, MEDIA en MEDIA Mundus binnen één enkel kaderprogramma en aangevuld met een nieuwe financiële faciliteit, in vergelijking met alle andere opties voordelen oplevert met het oog op het realiseren van de noodzakelijke doelstellingen, efficiëntie, kosteneffectiviteit (het resultaat per uitgegeven euro) en coherentie.

3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

Het voorstel is gebaseerd op de artikelen 166, 167 en 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 166 vormt de basis voor maatregelen van de EU op het terrein van beroepsopleiding. In artikel 167 worden de bevoegdheden van de EU op cultureel gebied nader gespecificeerd en wordt de Europese Unie opgeroepen om bij te dragen aan de ontplooiing van de culturen van de lidstaten, onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid van die culturen, waarbij tegelijk echter ook de nadruk op het gemeenschappelijk cultureel erfgoed gelegd moet worden en de activiteiten van de lidstaten op de in deze bepaling genoemde terreinen indien noodzakelijk ondersteund en aangevuld dienen te worden. In artikel 173 is vastgelegd dat de Unie en de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat de voorwaarden voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie aanwezig zijn en dat daartoe een gunstig klimaat moet worden geschapen voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen.

Daarnaast wordt in artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie erkend dat de interne markt en economische groei hand in hand moeten gaan met de eerbiediging van de rijke verscheidenheid van cultuur en taal in de EU. In het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (artikel 22) is bovendien vastgelegd dat de Unie de verscheidenheid van cultuur en taal zal eerbiedigen. Tot slot wordt het mandaat van de Unie op dit gebied ook erkend in het internationale recht, namelijk in het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat deel uitmaakt van het communautaire acquis.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De totale begroting voor de maatregelen (2014-2020) bedraagt 1 801 miljoen euro (prijzen van 2011).

5. AANVULLENDE INFORMATIE

Het voorgestelde programma bestaat uit een kader met drie onderdelen:

– een sectoroverschrijdend onderdeel dat op alle culturele en creatieve sectoren is gericht en waarin ook is voorzien in een financiële faciliteit en steun voor transnationale beleidssamenwerking en innovatieve sectoroverschrijdende activiteiten;

– een onderdeel Cultuur, gericht op de culturele en creatieve sectoren;

– een onderdeel MEDIA, gericht op de audiovisuele sector.

De voorlopige verdeling van de financiële middelen is 15% voor het sectoroverschrijdende onderdeel, 30% voor het onderdeel Cultuur en 55% voor het onderdeel MEDIA.

De algemene doelstellingen zijn i) het behoeden en bevorderen van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid, en ii) het verbeteren van het concurrentievermogen van de sector; hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan het verwezenlijken van de Europa 2020-strategie en de bijbehorende kerninitiatieven.

De specifieke doelstellingen zijn:

– het ondersteunen van de capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren om op transnationaal niveau actief te zijn, mede door het versterken van de betrekkingen en van de netwerken tussen actoren;

– het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van de actoren om een nieuw publiek binnen en buiten Europa te bereiken;

– het vergroten van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren;

– het ondersteunen van transnationale beleidssamenwerking ter bevordering van beleidsontwikkeling, innovatie, het bereiken van een groter publiek en het creëren van nieuwe bedrijfsmodellen.

Elk onderdeel zal eigen prioriteiten en maatregelen vaststellen en prioriteit geven aan projecten met een systemisch effect op de sectoren, bijvoorbeeld door het ondersteunen van nieuwe bedrijfsmodellen, het ontwikkelen van netwerken en de uitwisseling van knowhow, met name over de digitale omwenteling en de mondialisering van deze sectoren. Een andere belangrijke en nieuwe doelstelling is het vergroten van de belangstelling voor Europese werken door het ondersteunen van activiteiten om een groter publiek te bereiken.

De internationale dimensie van Creatief Europa zal in het programma geïntegreerd worden door de volgende maatregelen:

– een mogelijke deelname van toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen, EER-landen, landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen en Zwitserland;

– mogelijkheden voor een bilaterale samenwerking met andere derde landen en internationale organisaties;

– specifieke acties gericht op internationale professionals (integratie van MEDIA Mundus).

6. VEREENVOUDIGING

Er is al een aanzienlijk aantal vereenvoudigingen doorgevoerd bij het beheer van de huidige programma's Cultuur en MEDIA. Bij Creatief Europa zullen verdere verbeteringen worden aangebracht.

Er zal in het algemeen meer gebruik worden gemaakt van vaste percentages, subsidiebesluiten en kaderpartnerschapsovereenkomsten, elektronische toepassingen en verslaglegging voor alle acties, en een elektronisch portaal om de papieren administratie voor aanvragers en begunstigden te reduceren.

Het aantal instrumenten en oproepen tot het indienen van voorstellen die het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur (EACEA) beheert onder het onderdeel Cultuur zal worden teruggebracht van 9 tot 4 categorieën. Subsidies voor huishoudelijke uitgaven, die verwarrend waren voor aanvragers en begunstigden, zullen worden vervangen door projectsubsidies.

De financiële faciliteit zal leiden tot een beter gebruik van EU-middelen door het financiële hefboomeffect en het hergebruik van rotatiefondsen, die de Commissie meer efficiëntie zullen bieden dan traditionele subsidies aan begunstigden.

Een andere significante vereenvoudigingsmaatregel zal de samenvoeging van de twee informatienetwerken zijn, teneinde schaalvoordelen te realiseren en het publiek meer duidelijkheid te bieden door één enkel toegangspunt, de "Creatief Europa"-desks.

De oprichting van één enkel programmacomité zou eveneens bijdragen tot kosteneffectiever en slanker management van het programma, niet alleen door besparing op de kosten van uitvoering, maar ook door meer doelmatigheid als gevolg van sterkere synergieën tussen relevante beleidsmaatregelen en sectoren.

2011/0370 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van het programma Creatief Europa

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de het eerste streepje van artikel 167, lid 5, artikel 173, lid 3, en artikel 166, lid 4;

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het voorstel aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van het Comité van de Regio′s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het Verdrag is gericht op totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren en verleent de Unie onder andere de taak om bij te dragen tot de ontplooiing van de culturen van de lidstaten onder eerbiediging van de nationale en regionale verscheidenheid, en tegelijkertijd om er zorg voor te dragen dat de noodzakelijke voorwaarden voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie aanwezig zijn. In dat opzicht versterkt de Unie de activiteiten van de lidstaten om de culturele en taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen, het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren te vergroten, en de aanpassing aan veranderingen in de betreffende bedrijfstakken te vergemakkelijken, met name door beroepsopleiding, en vult zij deze activiteiten aan.

(2) De steun van de Europese Unie voor de culturele en creatieve sectoren is gebaseerd op de ervaringen die bij de volgende programma's en activiteiten zijn opgedaan: Besluit nr. 1855/2006/EG[8] van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van het programma Cultuur (2007 tot en met 2013), Besluit nr. 1718/2006/EG[9] van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007), Besluit nr. 1041/2009/EG[10] van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een samenwerkingsprogramma met vakmensen uit derde landen op audiovisueel gebied (MEDIA Mundus 2011-2013), Besluit nr. 1622/2006/EG[11] van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement Culturele Hoofdstad van Europa voor de periode 2007 tot 2019, en het Besluit nr. xy/2011[12] van de Raad betreffende het Europees Erfgoedlabel.

(3) In de "Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering"[13], die door de Raad in zijn resolutie van 16 november 2007[14] is bekrachtigd, worden de doelstellingen beschreven van de toekomstige activiteiten van de Europese Unie voor de culturele en creatieve sectoren. Doel is het bevorderen van de culturele verscheidenheid en interculturele dialoog, van de cultuur als katalysator voor creativiteit binnen het kader van de strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid, en van de cultuur als cruciale component van de internationale betrekkingen van de Europese Unie.

(4) Met betrekking tot het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 11 en 21, leveren de culturele en creatieve sectoren een aanzienlijke bijdrage aan de bestrijding van alle vormen van discriminatie, met inbegrip van racisme en vreemdelingenhaat, en bieden zij een belangrijk platform voor de vrijheid van meningsuiting. Artikel 22 legt de Unie de morele en wettelijke verplichting op om de culturele en taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen.

(5) Het Verdrag van de Unesco betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2007 in werking is getreden en waarbij de Europese Unie partij is, is gericht op het bevorderen van internationale samenwerking (met inbegrip van internationale coproductie- en codistributieovereenkomsten) en van solidariteit met het oog op het stimuleren van de culturele uitingen van alle landen.

(6) De Unie is sinds 1 januari 1995 lid van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en is daarom verplicht de verplichtingen na te komen die zij op zich heeft genomen in de WTO-overeenkomsten.

(7) In de mededeling van de Europese Commissie[15] getiteld "Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (Europa 2020-strategie) wordt een strategie gedefinieerd die bedoeld is om de EU te veranderen in een slimme, duurzame en inclusieve economie met een hoge werkgelegenheid, productiviteit en sociale cohesie. In deze strategie heeft de Commissie opgemerkt dat de Unie aantrekkelijkere randvoorwaarden moet creëren voor innovatie en creativiteit, met inbegrip van prikkels voor de groei van op kennis gebaseerde ondernemingen en een betere toegankelijkheid tot financiering voor de culturele en creatieve sectoren.

(8) De steun van de Europese Unie voor de culturele en creatieve sectoren is gebaseerd op de uitgebreide ervaring die is opgedaan met de programma's Cultuur, MEDIA en MEDIA Mundus. Deze programma's zijn regelmatig onderworpen aan controles en externe evaluaties. Ook zijn er openbare raadplegingen georganiseerd over hun toekomst.

(9) Uit de genoemde controles, evaluaties en openbare raadplegingen komt naar voren dat de programma's Cultuur, MEDIA en MEDIA Mundus een zeer belangrijke rol spelen bij het beschermen en bevorderen van de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid en tegemoetkomen aan de behoeften van de culturele en creatieve sectoren. Ook is gebleken dat de doelstellingen van alle nieuwe programma's afgestemd moeten worden op de doelen van de Europa 2020-strategie. Uit deze evaluaties en raadplegingen en uit diverse onafhankelijke studies (met name het onderzoek naar de rol van ondernemerschap in de culturele en creatieve industrieën) blijkt dat de culturele en creatieve sectoren met gemeenschappelijke uitdagingen worden geconfronteerd, te weten een zeer gefragmenteerde marktsituatie, de impact van de digitale omwenteling en de globalisering, problemen bij het verkrijgen van financiering en een tekort aan vergelijkbare gegevens. Voor het aanpakken van al deze uitdagingen zijn acties op het niveau van de Unie vereist.

(10) Het is inherent aan de Europese culturele en creatieve sectoren dat zij langs nationale en taalkundige lijnen gefragmenteerd zijn. Enerzijds leidt fragmentatie tot een cultureel divers en zeer onafhankelijk cultureel landschap dat een stem geeft aan de verschillende culturele tradities die samen de diversiteit van het Europees erfgoed vormen. Anderzijds leidt fragmentatie tot een beperkte en suboptimale transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en actoren binnen en buiten de Unie, tot geografische onevenwichtigheden en – dientengevolge – tot een beperkte keuze voor de consumenten.

(11) De digitale omwenteling heeft een bijzonder groot effect op de wijze waarop culturele goederen en diensten gemaakt en verspreid worden, toegankelijk zijn en geconsumeerd en te gelde gemaakt worden. Deze veranderingen brengen grote mogelijkheden met zich mee voor de Europese culturele en creatieve sectoren. Lagere distributiekosten, nieuwe distributiekanalen en nieuwe mogelijkheden voor nicheproducten kunnen de toegankelijkheid en een wereldwijde verspreiding bevorderen. Om deze kansen te benutten en in te spelen op de gewijzigde omstandigheden als gevolg van de digitale omwenteling en de globalisering moeten culturele en creatieve sectoren nieuwe vaardigheden ontwikkelen en een betere toegang tot financiële middelen krijgen om hun uitrusting te kunnen upgraden, nieuwe productie- en distributiemethoden te creëren en hun bedrijfsmodellen aan te passen.

(12) De financiering van films berust op de bestaande distributiepraktijken. Er bestaat echter een groeiende behoefte aan bevordering van een attractief en legaal online-aanbod en aanmoediging van innovatie. Het bevorderen van nieuwe flexibele wijzen van distributie, om het ontstaan van nieuwe bedrijfsmodellen mogelijk te maken, is dan ook essentieel.

(13) Een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren, met name voor de kleine actoren inclusief kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) en micro-ondernemingen, is het verkrijgen van de benodigde financiële middelen om hun activiteiten te financieren, te groeien, hun concurrentievermogen in stand te houden en internationaal actief te worden. Hoewel dit een uitdaging is waarmee alle KMO's worden geconfronteerd, ligt de situatie in de culturele en creatieve sectoren aanzienlijk gecompliceerder als gevolg van het immateriële karakter van hun activa, de prototypische aard van hun activiteiten en het gebrek aan investeringsbereidheid en -knowhow bij zowel de actoren in de sector zelf als bij de financiële instellingen.

(14) De European Creative Industries Alliance is een proefproject en een sectoroverschrijdend beleidsinitiatief dat de creatieve sectoren zal ondersteunen op beleidsniveau. Het is de bedoeling aanvullende middelen voor de creatieve bedrijfstakken te genereren en de vraag naar hun diensten van de kant van andere bedrijfstakken en sectoren te stimuleren. Nieuwe instrumenten voor betere ondersteuning van innovatie in de creatieve sectoren zullen worden getest en de resultaten daarvan zullen worden doorgegeven aan een "policy learning platform" bestaande uit Europese, nationale en regionale stakeholders.

(15) Het is noodzakelijk de huidige afzonderlijke programma's van de Unie voor de culturele en creatieve sectoren te bundelen in één enkel omvattend kaderprogramma om de culturele en creatieve actoren effectiever te ondersteunen, zodat zij profijt kunnen trekken van de kansen die de digitale omwenteling en de globalisering bieden en om hen bij te staan bij het aanpakken van de factoren die op dit moment tot een fragmentatie van de markt leiden. Om effectief te zijn, zou een dergelijk programma middels op maat gemaakte maatregelen binnen onafhankelijke programmaonderdelen rekening moeten houden met het specifieke karakter van de subsectoren en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften.

(16) De Culturele Hoofdstad van Europa en het Europees Erfgoedlabel dragen ertoe bij dat mensen het gevoel hebben dat zij deel uitmaken van een gemeenschappelijk cultureel gebied en dat zij een bijdrage leveren aan het vergroten van de waarde van het cultureel erfgoed. Voor beide acties moeten financiële middelen uitgetrokken worden.

(17) Deelname aan het programma zal openstaan voor toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en voorwaarden voor de deelname van die landen aan EU-programma's die in de desbetreffende kaderovereenkomsten, besluiten van de Associatieraad of vergelijkbare overeenkomsten zijn vastgelegd; voor EVA-landen die aangesloten zijn bij de EER-overeenkomst; en voor landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen, overeenkomstig de kaderovereenkomsten die voorzien in hun deelname aan programma's van de Europese Unie. De deelname van de Zwitserse Bondsstaat is onderworpen aan de speciale regelingen die met dat land zijn getroffen.

(18) Het programma dient verder open te staan voor bilaterale en multilaterale samenwerkingsacties met andere niet-EU-lidstaten op basis van nader te bepalen criteria voor aanvullende kredieten.

(19) Ook de samenwerking tussen het programma en internationale organisaties op het gebied van cultuur, zoals de Unesco, de Raad van Europa en met name Eurimages, de OESO en de WIPO, moeten gestimuleerd worden.

(20) Het is noodzakelijk om te waarborgen dat alle acties die in het kader van het programma worden uitgevoerd, een Europese toegevoegde waarde hebben, at het programma complementair is met de activiteiten van de lidstaten en in overeenstemming met artikel 167, lid 4, van het Verdrag en met andere activiteiten van de Unie, met name op het gebied van het onderwijs, onderzoek en innovatie, industrieel en cohesiebeleid, toerisme en externe betrekkingen.

(21) Bij deze verordening worden de financiële middelen voor de gehele looptijd van het programma vastgesteld die overeenkomstig punt [17] van het Interinstitutioneel Akkoord van XX/YY/201Z tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de samenwerking in begrotingskwesties en een goed financieel beheer, in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het belangrijkste referentiepunt voor de begrotingsautoriteit zijn.

(22) Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd, heeft de Commissie sinds 2009 het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur belast met uitvoeringstaken voor het beheer van het Programma voor communautaire actie op het terrein van onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur. De Commissie kan derhalve voor de tenuitvoerlegging van het programma Creatief Europa 2014-2020, op basis van een kosten-batenanalyse, gebruikmaken van een bestaand uitvoerend agentschap, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 58/2003.

(23) Bij de uitvoering van het programma moet de specifieke aard van de culturele en creatieve sectoren in aanmerking worden genomen en moet met name gewaarborgd worden dat er eenvoudigere administratieve en financiële procedures gehanteerd worden.

(24) In het licht van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en in verband met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) moeten adequate maatregelen ontwikkeld en uitgevoerd worden om fraude te voorkomen en gelden terug te vorderen die verdwenen zijn of die onterecht zijn uitgekeerd of op incorrecte wijze zijn gebruikt.

(25) Zoals opgemerkt in het verslag van de Commissie van 30 juli 2010 betreffende de impact van de besluiten van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de rechtsgrondslagen van de Europese programma's op het gebied van een leven lang leren, cultuur, jeugd en burgerschap, zijn de programma's dankzij de kortere beheersprocedures doelmatiger geworden. Dergelijke vormen van vereenvoudigingen dienen gecontinueerd te worden.

(26) Teneinde voor uniforme voorwaarden voor de uitvoering van dit programma te zorgen, dienen er uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te worden verleend, die uitgeoefend dienen te worden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[16].

(27) In overeenstemming met de beginselen van een prestatiegerelateerde beoordeling moeten de procedures voor het toezicht op en de evaluatie van het programma gedetailleerde jaarverslagen omvatten en verwijzen naar de specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden doelstellingen en indicatoren zoals neergelegd in deze verordening.

(28) De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoek van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of oneigenlijk gebruikte bedragen en, indien nodig, sancties.

(29) Er moet worden voorzien in maatregelen ter regulering van de overgang van de programma's Cultuur 2007, Media 2007 en Media Mundus naar het programma dat in deze verordening wordt vastgesteld.

(30) Gezien het transnationale en internationale karakter van de voorgestelde acties kunnen de doelstellingen van deze verordening niet op adequate wijze door de lidstaten zelf worden gerealiseerd. Vanwege de omvang en de verwachte effecten van deze maatregelen kunnen transnationale resultaten beter op het niveau van de Europese Unie worden verwezenlijkt. De Unie kan acties vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel in datzelfde artikel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen noodzakelijk is ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen om de Europese culturele en taalkundige verscheidenheid te beschermen en te bevorderen en om het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren te vergroten in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp van de verordening

Bij deze verordening wordt ter ondersteuning van de Europese culturele en creatieve sectoren voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 het programma Creatief Europa vastgesteld (hierna "het programma" genoemd)

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. "Culturele en creatieve sectoren": alle sectoren waarin de activiteiten gebaseerd zijn op culturele waarden en/of artistieke en creatieve uitingen, ongeacht of de betreffende activiteiten wel of niet marktgericht zijn en ongeacht het soort structuur of organisatie dat de activiteiten uitvoert. Tot die activiteiten behoren het creëren, produceren, verspreiden en in stand houden van goederen en diensten die culturele, artistieke of creatieve uitingen belichamen, evenals aanverwante functies zoals educatie, beheer en regulering. Meer in het bijzonder omvatten de culturele en creatieve sectoren architectuur, archieven en bibliotheken, artistieke ambachten, audiovisuele werken (zoals film, tv-producties, videogames en multimediale uitingen), cultureel erfgoed, design, festivals, muziek, uitvoerende kunsten, uitgeverijen, radioproducties en beeldende kunsten;

2. "actoren": alle professionals, organisaties, ondernemingen of instellingen die in de culturele en creatieve sectoren actief zijn;

3. "financiële intermediairs": financiële instellingen die kredietfaciliteiten of aanvullende expertise verstrekken aan de culturele en creatieve sectoren, dan wel voornemens zijn om kredietfaciliteiten of aanvullende expertise te verstrekken.

Artikel 3

Europese toegevoegde waarde

1. Het programma ondersteunt uitsluitend acties en activiteiten met een potentiële Europese toegevoegde waarde die een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en aan de bijbehorende kerninitiatieven.

2. Die Europese toegevoegde waarde wordt meer in het bijzonder gewaarborgd door:

a)           het transnationale karakter van de uit te voeren activiteiten en de impact daarvan, die een aanvulling zullen vormen op nationale, internationale en andere EU-programma's;

b)           de schaalvoordelen en de kritische massa die door de EU-steun tot stand kunnen worden gebracht, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat aanvullende middelen kan genereren;

c)           de transnationale samenwerking die bevorderlijk kan zijn voor een meer omvattende, snellere en effectievere respons op mondiale uitdagingen en die op de langere termijn systemische effecten op de sector kan hebben;

d)           het waarborgen van meer gelijke concurrentievoorwaarden in de Europese culturele en creatieve sectoren doordat er rekening wordt gehouden met landen met een lagere productiecapaciteit en/of met landen of regio's met een beperkt geografisch en taalgebied.

Artikel 4

Algemene doelstellingen van het programma

De algemene doelstellingen van het programma zijn:

a)           het bevorderen van het behoeden en bevorderen van de Europese culturele en taalkundige diversiteit;

b)           het versterken van het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren teneinde slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen.

Artikel 5

Specifieke doelstellingen van het programma

De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)           ondersteuning van het vermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren om transnationaal te opereren;

b)           bevordering van de transnationale circulatie van culturele en creatieve werken en actoren, zodat die een nieuw publiek in Europa en daarbuiten kunnen bereiken;

c)           versterking van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen en organisaties;

d)           ondersteuning van transnationale beleidssamenwerking ter bevordering van beleidsontwikkeling, innovatie, publieksopbouw en het creëren van nieuwe bedrijfsmodellen.

Artikel 6

Structuur van het programma

Het programma bestaat uit de volgende onderdelen:

a)           een sectoroverschrijdend onderdeel, gericht op alle culturele en creatieve sectoren;

b)           een onderdeel Cultuur, gericht op de culturele en creatieve sectoren;

c)           een onderdeel MEDIA, gericht op de audiovisuele sector.

HOOFDSTUK II

Het sectoroverschrijdende onderdeel

Artikel 7

De faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren

1. De Commissie creëert een faciliteit ten behoeve van de culturele en creatieve sectoren, die opereert in de context van een schuldinstrument van de Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen. Deze faciliteit heeft de volgende prioriteiten:

a)           het bevorderen van de toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen en organisaties in de Europese culturele en creatieve sectoren;

b)           met het oog daarop, het verbeteren van de capaciteit van financiële instellingen om culturele en creatieve projecten te beoordelen, met inbegrip van op die instellingen gerichte technische bijstand en netwerkmaatregelen.

2. De prioriteiten worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de voorschriften in bijlage I.

Artikel 8

Transnationale beleidssamenwerking

Teneinde beleidsontwikkeling, innovatie, publieksopbouw en bedrijfsmodellen in de culturele en creatieve sectoren te stimuleren, neemt de Commissie de volgende ondersteunende maatregelen voor transnationale beleidssamenwerking:

a)           transnationale uitwisselingen van ervaringen en knowhow betreffende nieuwe bedrijfsmodellen, activiteiten op het gebied van "peer learning" en van netwerken van actoren en beleidsmakers in verband met de ontwikkeling van de culturele en creatieve sectoren;

b)           marktgegevens, studies, instrumenten voor het anticiperen op de behoeften aan vaardigheden en de ontwikkeling van de werkgelegenheid, evaluaties, beleidsanalyses en steun voor statistische onderzoeken;

c)           financiële bijdrage voor lidmaatschap van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, om het verzamelen en analyseren van gegevens in de culturele en creatieve sectoren te bevorderen;

d)           het testen van nieuwe en sectoroverschrijdende bedrijfsmethoden voor financiering, verspreiding en commerciële exploitatie van creatieve activiteiten;

e)           het organiseren van conferenties, seminars en beleidsdialogen, mede op het gebied van culturele en mediageletterdheid;

f)            ondersteuning van de nationale leden van het netwerk "Creatief Europa-Desks" voor de uitvoering van de volgende taken:

– het promoten van het programma Creatief Europa op nationaal niveau;

– het bijstaan van de culturele en creatieve sectoren met betrekking tot het programma Creatief Europa en het verstrekken van informatie over de verschillende typen steun die in het kader van het EU-beleid beschikbaar zijn;

– het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking tussen professionals, instellingen, platforms en netwerken in de culturele en creatieve sectoren;

– het ondersteunen van de Commissie door assistentie te verlenen met betrekking tot de culturele en creatieve sectoren in de lidstaten, bijvoorbeeld door gegevens te verschaffen over deze sectoren;

– het ondersteunen van de Commissie door te zorgen voor passende communicatie en verspreiding van de resultaten en effecten van het programma.

HOOFDSTUK III

Het onderdeel Cultuur

Artikel 9

Prioriteiten van het onderdeel Cultuur

1. De prioriteiten op het terrein van het versterken van de capaciteit van de sector zijn:

a)           het ondersteunen van acties waardoor actoren vaardigheden en kennis kunnen verwerven die bevorderlijk zijn voor de aanpassing aan digitale technologieën, met inbegrip van het testen van nieuwe methoden voor publieksopbouw en voor innoverende bedrijfsmodellen;

b)           het ondersteunen van acties die actoren in staat stellen om hun carrières binnen en buiten Europa een internationaler karakter te geven;

c)           het bieden van ondersteuning bij het versterken van de positie van Europese actoren en internationale culturele netwerken teneinde de toegang tot nieuwe professionele mogelijkheden te bevorderen.

2. De prioriteiten op het terrein van de bevordering van transnationale verspreiding zijn:

a)           het ondersteunen van internationale tournees, evenementen en tentoonstellingen;

b)           het ondersteunen van de verspreiding van Europese literatuur;

c)           het ondersteunen van publieksopbouw als middel om de belangstelling voor Europese culturele werken te stimuleren.

Artikel 10

Ondersteunende maatregelen van het onderdeel Cultuur

Het onderdeel Cultuur biedt steun voor de volgende maatregelen:

a)           samenwerkingsmaatregelen om actoren uit verschillende landen bij elkaar te brengen teneinde sectorale of sectoroverschrijdende activiteiten uit te voeren;

b)           activiteiten door Europese organisaties van netwerken van actoren uit verschillende landen;

c)           activiteiten met een grootschalig en systemisch effect door organisaties die een stimulerend Europees platform bieden voor de ontwikkeling van opkomend talent en ter bevordering van de mobiliteit van artiesten en werken;

d)           de ondersteuning van literaire vertalingen;

e)           speciale activiteiten gericht op een grotere zichtbaarheid van de rijkdom en verscheidenheid van de Europese culturen en op het stimuleren van de interculturele dialoog en wederzijds begrip, bijvoorbeeld door Europese cultuurprijzen of in het kader van het Europees Erfgoedlabel of de Culturele Hoofdsteden van Europa.

HOOFDSTUK IV

Het onderdeel MEDIA

Artikel 11

Prioriteiten van het onderdeel MEDIA

1. De prioriteiten op het terrein van het versterken van de capaciteit van de sector zijn:

a)           het bevorderen van de verwerving van vaardigheden en de ontwikkeling van netwerken, en met name het stimuleren van het gebruik van digitale technologieën om de aanpassing aan de marktontwikkeling te waarborgen;

b)           het vergroten van de capaciteit van audiovisuele actoren om audiovisuele werken te ontwikkelen met verspreidingsmogelijkheden in Europa en daarbuiten, om Europese en internationale coproducties te stimuleren, ook met en tussen televisiemaatschappijen;

c)           het aanmoedigen van business-to-business-uitwisselingen door ten behoeve van audiovisuele actoren de toegang tot markten en bedrijfshulpmiddelen te bevorderen teneinde de zichtbaarheid van hun projecten op de Europese en internationale markten te vergroten.

2. De prioriteiten op het terrein van de bevordering van transnationale verspreiding zijn:

a)           het ondersteunen van de distributie van theaterwerken middels transnationale marketing, "branding", verspreiding en tentoonstelling van audiovisuele projecten;

b)           het ondersteunen van een transnationale marketing en de verspreiding via onlineplatforms;

c)           het ondersteunen van publieksopbouw als middel om de interesse in audiovisuele werken te stimuleren, meer in het bijzonder door promotie, evenementen, filmgeletterdheid en festivals;

d)           het bevorderen van flexibele nieuwe wijzen van distributie om het ontstaan van nieuwe bedrijfsmodellen mogelijk te maken.

Artikel 12

Ondersteunende maatregelen van het onderdeel MEDIA

Het onderdeel MEDIA biedt steun voor de volgende maatregelen:

a)           het ondersteunen van een omvattend aanbod aan mogelijkheden om nieuwe vaardigheden te verwerven, kennis uit te wisselen en netwerkinitiatieven te bevorderen;

b)           het ondersteunen van audiovisuele actoren om Europese audiovisuele werken te ontwikkelen met een groter grensoverschrijdend verspreidingspotentieel;

c)           het ondersteunen van activiteiten gericht op het bevorderen van Europese en internationale coproducties, inclusief televisieproductie;

d)           het verbeteren van de toegang tot professionele audiovisuele beurzen, exposities en markten en het bevorderen van het onlinegebruik van bedrijfshulpmiddelen binnen en buiten Europa;

e)           het opzetten van ondersteuningssystemen voor de distributie van niet-nationale Europese films via alle platforms en voor internationale verkoopactiviteiten;

f)            het via alle mogelijke platforms bevorderen van de mondiale verspreiding van Europese films en van internationale films in Europa;

g)           het ondersteunen van een Europees netwerk van bioscoopeigenaren om een significant aandeel van niet-nationale Europese films te vertonen, met daarbij ook aandacht voor de integratie van digitale technologieën;

h)           het ondersteunen van initiatieven die de verscheidenheid van Europese audiovisuele werken demonstreren en bevorderen;

i)            het ondersteunen van activiteiten gericht op het vergroten van de kennis en interesse van het publiek;

j)            het ondersteunen van innovatieve acties om nieuwe bedrijfsmodellen en hulpmiddelen te testen op gebieden waarvan verwacht wordt dat zij beïnvloed zullen worden door de invoering en het gebruik van digitale technologieën.

HOOFDSTUK V

Resultaten en verspreiding

Artikel 13

Samenhang en complementariteit

1. De Commissie, in samenwerking met de lidstaten, draagt zorg voor de algemene consistentie en complementariteit met:

a)           relevant EU-beleid, met name op de terreinen onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid, onderzoek en innovatie, ondernemerschap, toerisme, justitie en ontwikkeling;

b)           andere relevante bronnen van EU-financiering op het terrein van cultuur- en mediabeleid, met name het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, de programma's voor onderzoek en innovatie, alsmede de financiële instrumenten in verband met justitie en burgerschap, externe samenwerkingsprogramma's en de pretoetredingsinstrumenten. Met name zal gezorgd moeten worden voor synergieën op implementatieniveau tussen het programma en de nationale en regionale strategieën voor intelligente specialisatie.

2. Bij de toepassing en uitvoering van deze verordening worden de internationale verplichtingen van de Unie in acht genomen.

Artikel 14

Toezicht en evaluatie

1. De Commissie draagt zorg voor een periodieke monitoring en externe evaluatie van het programma Creatief Europa aan de hand van onderstaande prestatie-indicatoren. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de verwezenlijking van de doelstellingen mede afhankelijk is van het complementaire effect van andere activiteiten op Europees en nationaal niveau die van invloed zijn op de culturele en creatieve sector:

a)           Indicatoren voor de in artikel 4 bedoelde algemene doelstellingen:

– het aandeel van de sector in de werkgelegenheid en in het bbp;

– het percentage mensen dat aangeeft niet-nationale Europese culturele werken te hebben gezien.

b)           Indicatoren voor de in artikel 5 bedoelde algemene doelstellingen:

Met betrekking tot de in artikel 5, onder a), bedoelde steun voor een grotere capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren:

– meer internationale activiteiten van culturele actoren en het aantal tot stand gebrachte transnationale partnerschappen;

– het aantal leerervaringen dat voor kunstenaars/culturele actoren is gecreëerd en waardoor hun vaardigheden en inzetbaarheid zijn vergroot.

Met betrekking tot de in artikel 5, onder b), bedoelde doelstelling van bevordering van de transnationale circulatie van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van actoren en het bereiken van een nieuw publiek binnen en buiten Europa:

Onderdeel Cultuur:

– het aantal mensen dat rechtstreeks of indirect wordt bereikt door projecten die door het programma ondersteund worden.

Onderdeel MEDIA:

– het aantal toegangskaartjes voor Europese films in Europa en wereldwijd (op de tien belangrijkste niet-Europese markten);

– het percentage Europese audiovisuele werken in bioscopen, op tv en via digitale platforms.

Met betrekking tot het vergroten van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren, zoals bedoeld in artikel 5, onder c):

– het volume van de leningen die in het kader van de financiële faciliteit zijn verstrekt;

– het aantal en de geografische spreiding van de financiële instellingen die financiële middelen voor de culturele en creatieve sectoren beschikbaar stellen;

– het aantal, de nationaliteit en de subsector van financiële begunstigden die gebruik maken van de financiële faciliteit.

Met betrekking tot de doelstelling steun voor transnationale beleidssamenwerking, zoals bedoeld in artikel 5, onder d):

– het aantal lidstaten dat gebruik maakt van de resultaten van de open coördinatiemethode voor hun nationale beleidsontwikkeling, en het aantal nieuwe initiatieven.

2. Bij de uitvoering van het programma wordt rekening gehouden met de resultaten van het toezicht- en evaluatieproces.

3. De evaluatie is breed genoeg van opzet en wordt tijdig genoeg verricht om een rol te kunnen spelen bij het besluitvormingsproces.

a)           Naast het regelmatige toezicht laat de Commissie uiterlijk einde 2017 een extern evaluatieverslag opstellen teneinde de doelmatigheid en de efficiëntie van het programma ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen te kunnen beoordelen, alsmede de Europese toegevoegde waarde, met het oog op de besluitvorming over verlenging, wijziging of opschorting van het programma. Deze evaluatie gaat in op de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de interne en externe coherentie, de vraag of alle doelstellingen nog steeds relevant zijn, en op de bijdrage van de maatregelen tot de prioriteiten van de Unie inzake slimme, duurzame en inclusieve groei. Ook houdt zij rekening met evaluatieresultaten betreffende het effect op langere termijn van Besluit nr. 1855/2006/EG, Besluit nr. 1718/2006/EG en Besluit nr. 1041/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad.

b)           De effecten op langere termijn en de duurzaamheid van de effecten van de maatregelen worden door de Commissie geëvalueerd met het oog op de besluitvorming over verlenging, wijziging of opschorting van een volgend programma.

Artikel 15

Communicatie en verspreiding

1. Begunstigden van de projecten die door het programma ondersteund worden, dragen zorg voor een adequate communicatie en verspreiding van informatie met betrekking tot de EU-financiering die zij hebben ontvangen en de behaalde resultaten.

2. Het netwerk van Creatief Europa-desks als bedoeld in artikel 8, onder f), waarborgt de publicatie en verspreiding van informatie met betrekking tot de EU-financiering die zij hebben ontvangen en de behaalde resultaten voor de respectieve landen.

HOOFDSTUK VI

Toegang tot het programma

Artikel 16

Bepalingen betreffende derde landen en internationale organisaties

1. In overeenstemming met het Verdrag van de Unesco van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen bevordert het programma de culturele verscheidenheid ook op internationaal niveau.

2. De onderdelen staan open voor deelname door de hieronder bedoelde landen, mits er aan de voorwaarden is voldaan, met inbegrip van de voorwaarden die in Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten zijn aangegeven voor het onderdeel MEDIA, en er aanvullende kredieten zijn verstrekt:

a)           toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten die onder een pretoetredingsstrategie vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en voorwaarden voor de deelname van die landen aan EU-programma's die in de desbetreffende kaderovereenkomsten, besluiten van de Associatieraad of vergelijkbare overeenkomsten zijn vastgelegd;

b)           de EVA-landen die lid zijn van de EER, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;

c)           de Zwitserse Bondsstaat, overeenkomstig een met dit land te sluiten bilaterale overeenkomst.

d)           de landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, volgens de procedures die met deze landen worden overeengekomen in vervolg op de kaderovereenkomsten die voorzien in hun deelname aan EU-programma's.

3. Het programma staat open voor bilaterale en multilaterale samenwerkingsacties die op basis van aanvullende kredieten op specifieke landen of regio's zijn gericht.

4. In het kader van het programma zijn, op basis van gezamenlijke bijdragen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, ook samenwerking en gemeenschappelijke acties mogelijk met landen die niet aan het programma deelnemen en met internationale organisaties die in de culturele en creatieve sectoren actief zijn, zoals de Unesco, de Raad van Europa, de OESO en de WIPO.

HOOFDSTUK VII

Uitvoeringsbepalingen

Artikel 17

Uitvoering van het programma

Voor de uitvoering van het programma stelt de Commissie jaarlijkse werkprogramma's vast in de vorm van uitvoeringsbesluiten, overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde adviesprocedure. De jaarlijkse werkprogramma's geven de nagestreefde doelstellingen aan, de verwachte resultaten, de methode van uitvoering, en het totale bedrag van het financieringsplan. Zij bevatten ook een omschrijving van de te financieren acties, een indicatie van het toegewezen financieringsbedrag voor elke actie, en een indicatief tijdschema voor de uitvoering ervan. Wat subsidies betreft, omvatten zij de prioriteiten, de essentiële evaluatiecriteria en het maximale percentage medefinanciering.

Artikel 18

Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het programma Creatief Europa. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 19

Financiële bepalingen

1. De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1, lid 1, aangegeven periode worden vastgesteld op 1 801 000 000 EUR.

2. De financiële toewijzing voor het programma kan eveneens worden gebruikt ter dekking van uitgaven voor voorbereidings-, monitorings-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten die direct noodzakelijk zijn voor het beheer en voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, met name studies, vergaderingen van deskundigen, voorlichtings- en communicatieactiviteiten, met inbegrip van institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Europese Unie voor zover die verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening, uitgaven in verband met IT-netwerken voor informatie-uitwisseling en alle eventuele andere uitgaven voor administratieve en technische bijstand die de Commissie verricht bij het beheer van het programma.

3. De financiële toewijzing kan ook de kosten dekken van administratieve en technische bijstand die noodzakelijk is om de goede overgang tussen het programma en de in Besluit nr. 1855/2006/EG, Besluit nr. 1718/2006/EG en Besluit nr. 1041/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde maatregelen te waarborgen. Zo nodig kunnen kredieten in de begroting na 2020 worden opgenomen om soortgelijke uitgaven te dekken, met het oog op het beheer van de acties die op 31 december 2020 nog niet zijn afgerond.

4. De Commissie voert de bijstand van de Unie uit overeenkomstig Verordening XX/2012 [het Financieel Reglement].

5. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties als subsidiabel beschouwen, zelfs als de begunstigde deze kosten heeft gemaakt voordat hij een subsidieaanvraag had ingediend.

Artikel 20

Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie

1. De Commissie neemt passende maatregelen om te waarborgen dat de financiële belangen van de Unie bij de uitvoering van in het kader van deze verordening gefinancierde acties worden beschermd door de toepassing van preventieve maatregelen ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden, worden opgespoord, door de terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen en zo nodig doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

2. De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer zijn bevoegd om audits te verrichten, op basis van documenten en ter plaatse, bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen. Het Europese Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 controles en verificaties ter plaatse uitvoeren bij de marktdeelnemers die direct of indirect bij dergelijke financiering betrokken zijn om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Europese Unie zijn geschaad.

3. Onverminderd de voorgaande leden verlenen samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en met internationale organisaties en subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten en contracten die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van dit programma de Commissie, met inbegrip van de Rekenkamer en OLAF, uitdrukkelijk het recht om dergelijke audits en controles en verificaties ter plaatse uit te voeren overeenkomstig Verordening XX/2012 [het Financieel Reglement].

HOOFDSTUK VIII

Slotbepalingen

Artikel 21

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1. Besluit nr. 1855/2006/EG van de Raad en de Besluiten nr. 1718/2006/EG en nr. 1041/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.

2. Activiteiten die vóór 31 december 2013 van start gaan op grond van Besluit nr. 1855/2006/EG van de Raad en de Besluiten nr. 1718/2006/EG en nr. 1041/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad worden, totdat zij worden beëindigd, verder beheerd overeenkomstig de bepalingen van die besluiten.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement                       Voor de Raad

De Voorzitter                                                 De Voorzitter

BIJLAGE I

UITVOERINGSREGELINGEN VOOR DE FACILITEIT VOOR DE CULTURELE EN CREATIEVE SECTOREN

De Commissie creëert een financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die opereert in de context van een schuldinstrument van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen. De aldus verleende financiële steun is bedoeld voor kleine en middelgrote ondernemingen en organisaties die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sectoren.

1. Taken

De financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren voert de volgende taken uit:

a)           het bieden van garanties aan relevante financiële intermediairs in landen die deelnemen aan het programma Creatief Europa;

b)           het bieden van aanvullende expertise en capaciteit aan financiële intermediairs om de risico's te kunnen evalueren verband houdende met actoren in de culturele en creatieve sectoren;

2. Selectie van intermediairs

De intermediairs worden geselecteerd volgens de beste marktpraktijk met inachtneming van het effect op:

– het volume aan schuldfinanciering dat aan culturele en creatieve actoren ter beschikking wordt gesteld, en/of

– de toegang van culturele en creatieve actoren tot financiële middelen, en/of

– de risico’s die de betreffende intermediairs nemen bij de financiering van culturele en creatieve actoren.

3. Duur van de faciliteit voor culturele en creatieve sectoren

De maximale looptijd van afzonderlijke garanties bedraagt tien jaar.

Overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening XX/2012 [het Financieel Reglement] worden de inkomsten en terugbetalingen die worden gegenereerd door de garanties aan de financiële faciliteit toegewezen. Voor financiële faciliteiten die al in het vorige meerjarig financieel kader zijn opgezet, worden de inkomsten en terugbetalingen die worden gegenereerd door activiteiten die in de vorige periode zijn gestart, toegewezen aan de financiële faciliteit in de lopende periode.

4. Capaciteitsopbouw

Capaciteitsopbouw in het kader van de financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren betekent in hoofdzaak het beschikbaar stellen van expertise voor de financiële intermediairs die een leningsovereenkomst uit hoofde van de financiële faciliteit ondertekenen. Doel is om alle financiële intermediairs te voorzien van aanvullende expertise en capaciteiten om de risico’s te kunnen evalueren in verband met de financiering van de culturele en creatieve sectoren. Daarnaast kunnen ook de actoren in de culturele en creatieve sectoren baat hebben bij deze capaciteitsopbouw wanneer zij de benodigde vaardigheden ontwikkelen om bedrijfsplannen op te stellen en goede informatie over hun projecten beschikbaar te stellen op basis waarvan de financiële intermediairs de culturele en creatieve projecten op efficiënte wijze kunnen beoordelen.

5. Budget

De begrotingsmiddelen dekken de volledige kosten van de faciliteit, met inbegrip van de betalingsverplichtingen jegens financiële intermediairs, zoals verliezen op garanties, de beheersvergoedingen van het EIF dat de EU-middelen beheert, alsook alle andere in aanmerking komende kosten of uitgaven.

6. Zichtbaarheid en bewustmaking

Elke intermediair zorgt met betrekking tot de ontvangen steun van de Unie voor voldoende zichtbaarheid en transparantie, met inbegrip van adequate informatie over de financiële mogelijkheden die door het programma worden geboden.

Er wordt voor gezorgd dat de uiteindelijke begunstigden behoorlijk over de beschikbare financieringsmogelijkheden worden geïnformeerd.

BIJLAGE II

FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN

KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.        Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van het programma Creatief Europa

1.2.        Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur[17]

Titel 15 — Onderwijs en cultuur

1.3.        Aard van het voorstel /initiatief

ü Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie

¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie[18]

¨ Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie

¨ Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie

1.4.        Doelstellingen

1.4.1.     De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie

Het programma levert een bijdrage aan de Europa 2020-strategie (COM(2010) 2020, 3.3.2010) door

a) het bevorderen van het behoeden en bevorderen van de Europese culturele en taalkundige diversiteit;

b) het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren te versterken met het oog op de bevordering van een slimme, duurzame en inclusieve groei.

1.4.2.     Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteit(en)

Specifieke doelstellingen:

a) het ondersteunen van de capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren om transnationaal actief te zijn;

b) het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van actoren en het bereiken van een nieuw publiek binnen en buiten Europa;

c) het vergroten van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren;

d) het ondersteunen van de transnationale beleidssamenwerking.

Betrokken ABM/ABB-activiteit(en)

15.04 Creatief Europa

1.4.3.     Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en)

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben voor de begunstigden/doelgroepen.

Het programma zal ertoe leiden dat de culturele en creatieve sectoren zich beter aanpassen aan de globalisering en de digitale omwenteling. Tevens wordt de internationale handel in culturele werken en de mobiliteit van kunstenaars en andere professionals bevorderd, hetgeen niet alleen de capaciteit vergroot om internationaal actief te zijn, maar ook een bijdrage levert aan de economische groei en werkgelegenheid. Dit gebeurt middels de ondersteuning van projecten gericht op het verbeteren van de kennis en vaardigheden om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de digitale omwenteling biedt om een groter publiek te bereiken, nieuwe bedrijfsmodellen te ontwikkelen en nieuwe inkomstenbronnen aan te boren (waardoor tevens de afhankelijkheid van overheidsfinanciering wordt gereduceerd). Door de aandacht ook specifiek op "multipliers" te richten, wordt gestreefd naar een exponentieel effect. Een meer gerichte aandacht voor de transnationale verspreiding van werken moet een bijdrage leveren aan het creëren van schaalvoordelen via het bevorderen van fysieke netwerken van kunstenaars, professionals en werken, of via een grootschaligere digitale verspreiding buiten de traditionele distributieketens om, waardoor investeringen sneller terugverdiend kunnen worden door een langere speel- en expositieduur e.d. en een groter publiek.

De structuur van een kaderprogramma waarin de eerdere programma’s Cultuur, MEDIA 2007 en MEDIA Mundus zijn geïntegreerd, zorgt voor een flexibelere informatiestroom tussen de sectoren en bevordert de kennisuitwisseling, bijvoorbeeld met betrekking tot nieuwe zakelijke vaardigheden. Bovendien bevordert het kaderprogramma de netwerkactiviteiten, samenwerking en strategische partnerschappen tussen actoren op een efficiëntere wijze dan met twee afzonderlijke programma's het geval zou zijn.

Bovendien ondersteunt het nieuwe financiële instrument de culturele en creatieve sectoren bij het tot stand brengen van financiële stabiliteit en bevordert het de investeringen in innovatie en de toegang tot nieuwe groeimarkten dankzij de digitale distributie en verkoop waardoor een nieuw en groter publiek kan worden bereikt.

1.4.4.     Resultaat- en effectindicatoren

Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd.

a) Indicatoren voor algemene doelstellingen (artikel 4 van het Financieel Reglement)

- het aandeel van de sector in de werkgelegenheid en in het bbp [streefcijfer voor 2020: een toename van 5 % in het aandeel in de werkgelegenheid en in het bbp];

- het percentage mensen dat aangeeft niet-nationale Europese culturele werken te hebben gezien [streefcijfer voor 2020: toename van twee procentpunten ten opzichte van de Eurobarometer-enquête 2007].

b) Indicatoren voor specifieke doelstellingen (artikel 5 van het Financieel Reglement)

Met betrekking tot de steun voor een grotere capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren (artikel 5, onder a)):

- meer internationale activiteiten van culturele actoren en het aantal tot stand gebrachte transnationale partnerschappen [streefcijfer voor 2020: totstandbrenging van 10 000 transnationale partnerschappen];

- het aantal leerervaringen dat voor kunstenaars/culturele actoren is gecreëerd en waardoor hun vaardigheden en inzetbaarheid zijn vergroot [streefcijfer voor 2020: 300 000 professionals met leerervaringen].

Met betrekking tot het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van actoren en het bereiken van een nieuw publiek binnen en buiten Europa (artikel 5, onder b)):

Onderdeel Cultuur:

- het aantal mensen dat rechtstreeks wordt bereikt door projecten die door het programma ondersteund worden [100 miljoen mensen];

Onderdeel MEDIA:

- het aantal toegangskaartjes voor Europese films in Europa en wereldwijd (op de tien meest belangrijke niet-Europese markten) [streefcijfer voor 2020: 325 miljoen toegangskaartjes (in Europa), 165 miljoen toegangskaartjes (wereldwijd, op de tien meest relevante markten) (stijging van 10%)];

- het percentage Europese audiovisuele werken in bioscopen, op tv en via digitale platforms [streefcijfer voor 2020: 60% voor bioscopen, 67% voor TV, 67% voor digitale platforms)].

Met betrekking tot het vergroten van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren (artikel 5, onder c)):

- het volume van de leningen die in het kader van de financiële faciliteit zijn verstrekt [streefcijfer voor 2020: 1 miljard EUR aan leningen];

- het aantal en de geografische spreiding van de financiële instellingen die financiële middelen voor de culturele en creatieve sectoren beschikbaar stellen [streefcijfer voor 2020: financiële instellingen uit tien verschillende landen];

- het aantal, de nationaliteit en de subsector van financiële begunstigden die van de financiële faciliteit profiteren [streefcijfer voor 2020: 15 000 begunstigden uit vijf verschillende subsectoren].

Met betrekking tot de steun voor transnationale beleidssamenwerking (artikel 5, onder d)):

- het aantal lidstaten dat gebruik maakt van de resultaten van de open coördinatiemethode (OCM) voor hun nationale beleidsontwikkeling en het aantal nieuwe initiatieven [streefcijfer voor 2020: elke lidstaat die aan de OCM deelneemt, maakt gebruik van de resultaten en zet minimaal één initiatief in gang].

1.5.        Motivering van het voorstel/initiatief

1.5.1.     Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Het programma zal reageren op de uitdagingen waarmee de culturele en creatieve sectoren worden geconfronteerd als gevolg van de fragmentatie, de mondialisering en de digitale omwenteling, het tekort aan gegevens en het gebrek aan particuliere investeringen, en zal een bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen door het bevorderen van innovatie, ondernemerschap, een slimme, duurzame groei en sociale integratie.

Het programma vergroot de bijdrage van de sector aan het aandeel in de werkgelegenheid en economische groei. In 2008 vertegenwoordigde de sector 4,5% van het Europese bbp en circa 3,8% van de beroepsbevolking.

1.5.2.     Toegevoegde waarde van het optreden van de EU

Naast het feit dat het initiatief andere Europese beleidsmaatregelen en programma’s van de EU aanvult, levert het de volgende toegevoegde waarde op:

- het transnationale karakter van de activiteiten en de effecten van de outputs, die een aanvulling vormen op nationale, internationale en andere EU-programma’s;

- de schaalvoordelen en de kritieke massa die door de EU-steun tot stand kunnen worden gebracht, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd om extra middelen te genereren;

- transnationale samenwerking, die bevorderlijk kan zijn voor een meer omvattende, snellere en effectievere respons op mondiale uitdagingen en op de langere termijn systemische effecten op de sector kan hebben;

- het waarborgen van meer gelijke concurrentievoorwaarden in de Europese culturele en creatieve sectoren doordat er rekening wordt gehouden met landen met een lagere productiecapaciteit en/of met landen of regio's met een beperkt geografisch en taalgebied.

1.5.3.     Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Op basis van de resultaten van een aantal evaluaties en openbare raadplegingen over voorgaande programma’s worden middels het programma Creatief Europa maatregelen geïntroduceerd die afgestemd zijn op de huidige en toekomstige behoeften van de sectoren, waarbij het nieuwe programma qua beheer en uitvoering eenvoudiger van opzet is.

De ingrijpende veranderingen in de sector als gevolg van de digitalisering en globalisering en de zich voortdurend ontwikkelende technologie vergen grote aanpassingen van de culturele en creatieve actoren. In de voorgestelde actie wordt aan die behoeften tegemoetgekomen. Het programma bevordert nieuwe competenties zoals de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen, het aanboren van aanvullende inkomstenbronnen en het ontwikkelen van vaardigheden op het gebied van marketing en publieksopbouw, actuele ICT-kennis en een beter inzicht in kwesties zoals auteursrechten, terwijl tegelijkertijd ingespeeld wordt op het huidige tekort aan marktgegevens. Door het invoeren van een programmabrede, internationale dimensie en onder meer ook een grotere nadruk op videogames worden nieuwe geografische en productmarkten toegankelijk. Door de mogelijkheid om proefprojecten te ondersteunen, beschikt het programma daarnaast over de benodigde experimentele flexibiliteit. Bovendien sluit het programma aan bij de behoefte aan maatregelen op het gebied van media- en culturele educatie, teneinde een groter publiek op te bouwen en bij te dragen tot een kritische appreciatie van Europese culturele en creatieve werken.

Door dit programma wordt een herkenbare en eenvoudige toegangspoort voor culturele en creatieve actoren in Europa gecreëerd. Eén enkele Creatief Europa-desk leidt tot een besparing van middelen en een beter beheer van de desks en tot een effectievere toepassing en een grotere zichtbaarheid van het programma.

Er zullen nog meer vereenvoudigingen doorgevoerd worden om het operationele beheer van het programma te verbeteren. Daartoe behoren onder andere verbeteringen van de instrumenten en hulpmiddelen voor het verzamelen en analyseren van gegevens, een groter gebruik van forfaitaire financiering en vaste percentages, kader-partnerschapsovereenkomsten en subsidiebesluiten, een vermindering van het aantal instrumenten in het onderdeel Cultuur, toegangsportalen voor begunstigden en andere ICT-instrumenten om de administratieve belasting voor aanvragers/begunstigden te verminderen, en elektronische applicaties en modellen voor de eindverslagen voor alle acties.

1.5.4.     Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten

Het programma is volledig complementair met andere EU-instrumenten. Geen enkel ander EU-instrument bevordert namelijk de transnationale mobiliteit van kunstenaars c.q. culturele en audiovisuele professionals of de verspreiding van culturele en creatieve werken. Wat de taalkundige verscheidenheid betreft, vormt het programma een aanvulling op EU-acties gericht op taalverwerving. Het programma is echter niet zozeer bedoeld voor de formele of informele taalverwerving, die onder het programma "Erasmus voor iedereen" valt, maar richt zich veeleer op het bevorderen van "peer learning" en een versnelde taalverwerving via culturele organisaties met betrekking tot onderwerpen die als belangrijke uitdagingen voor de sector aangemerkt worden.

Het programma complementeert het cultuurbeleid van de EU doordat het de culturele actoren rechtstreeks bereikt, waardoor overeenkomstig de Europese beleidsprioriteiten een bijdrage wordt geleverd aan systemische veranderingen.

In tegenstelling tot andere EU-financiering zoals uit hoofde van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (KCI), is het onderhavige programma specifiek gericht op de behoeften van de culturele en creatieve sectoren die zich bezig willen houden met grensoverschrijdende activiteiten en die een sterke band hebben met de bevordering van de culturele en taalkundige verscheidenheid. De huidige EFRO/ESF-steun is bedoeld voor het in stand houden, restaureren en ontwikkelen van cultureel erfgoed, voor de ontwikkeling van de culturele infrastructuur, voor stadsvernieuwing, ondersteuning van het toerisme, het bevorderen van ondernemerschap, de ondersteuning van ICT-gerelateerde culturele diensten en het verbeteren van het menselijk kapitaal, met een grote nadruk op innovatie en regionale of lokale ontwikkeling. Daarnaast brengt de ondersteuning van de beleidsontwikkeling voordelen met zich mee met het oog op de uitwisseling van kennis bij de ontwikkeling van regionaal beleid door de lidstaten.

Het KCI biedt de KMO's toegang tot financiering (via garanties en kapitaal) en geeft ondersteuning bij het verwerven van digitale technologieën en het omgaan met digitale content. Het gaat hierbij echter om algemene instrumenten, zonder distributie- of sectorspecifieke expertise. De financiële faciliteit die op grond van het onderhavige programma beschikbaar wordt gesteld om de financiële capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren te vergroten, legt wel de nadruk op de specifieke behoeften van deze sectoren. Doel hiervan is het bevorderen van een betere beoordeling van de risico's in deze sectoren door de financiële instellingen en het stimuleren van de benodigde netwerkactiviteiten.

Het onderdeel Cultuur zal geen massale digitalisering van cultureel erfgoed ondersteunen. Dat zou echter door de structuurfondsen gefinancierd kunnen worden. Daarnaast worden beleidsmaatregelen en acties in verband met digitalisering en aggregatie van inhouden rond Europeana (de Europese digitale bibliotheek) uitgevoerd in het kader van de Digitale Agenda voor Europa.

De internationale financiering uit hoofde van het onderdeel Cultuur bevordert de internationale activiteiten van de Europese culturele sector en is in overeenstemming met de doelstellingen van het interne programma. In tegenstelling tot andere EU-instrumenten voor de culturele samenwerking met derde landen gaat het bij het onderhavige programma niet om een bilateraal, maar om een multilateraal instrument dat ook niet bedoeld is voor de ontwikkelingssamenwerking in derde landen. Nadat de culturele en creatieve sectoren eenmaal adequaat zijn opgebouwd, zullen er echter wel synergieën met voornoemde programma's tot stand worden gebracht.

1.6.        Duur en financiële gevolgen

þ Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur

– þ  Voorstel/initiatief van kracht vanaf 1.1.2014 tot en met 31.12.2020

– þ  Financiële gevolgen van 2014 tot 2020 (en post-2020 voor betalingen)

¨ Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur

– Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

– gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.        Beheersvorm(en)[19]

þ Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie

þ Indirect gecentraliseerd beheer door delegatie van uitvoeringstaken aan:

– þ  uitvoerende agentschappen

– ¨  door de Gemeenschappen opgerichte organen[20]

– þ  nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

– ¨  personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement

¨ Gedeeld beheer met lidstaten

¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen

þ Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (zoals hieronder aangegeven)

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

Commentaar

Het programma wordt uitgevoerd door:

- de Commissie voor de volgende actielijnen: speciale acties in het kader van het onderdeel Cultuur (prijzen, Culturele Hoofdstad van Europa, Europees Erfgoedlabel e.d.), steun voor het Coproductiefonds, steun voor transnationale beleidsontwikkeling;

- het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) voor de resterende actielijnen;

- het EIF met betrekking tot de financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren;

- de in Europa gevestigde internationale coproductiefondsen (organen bedoeld in artikel 54 van het Financieel Reglement) voor de actielijn betreffende coproducties.

2.           BEHEERSMAATREGELEN

2.1.        Regels inzake toezicht en verslaglegging

Vermeld frequentie en voorwaarden.

De Commissie draagt zorg voor een periodieke monitoring en externe evaluatie van het programma Creatief Europa aan de hand van de indicatoren zoals die in punt 1.4.4. zijn beschreven. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de beoordeling van de indicatoren ook afhankelijk is van het complementaire effect van andere activiteiten op Europees en nationaal niveau die van invloed zijn op de culturele en creatieve sector. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2017 bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een evaluatieverslag in over de bereikte resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het Programma. Deze evaluatie omvat ook een ex-postevaluatie van de eerdere programma’s.

2.2.        Beheer- en controlesysteem

2.2.1.     Mogelijke risico's

A: Grootste risico’s en belangrijkste oorzaken van fouten

Op basis van de eerdere rapportages op dit punt voor de programma's MEDIA en Cultuur zijn voor het programma Creatief Europa de volgende grote risico’s en oorzaken van fouten in kaart gebracht:

- Specifieke doelgroep: de meeste deelnemers aan het programma zijn naar alle waarschijnlijkheid kleine en middelgrote organisaties die actief zijn in de audiovisuele en creatieve sectoren. Een aantal van deze organisaties beschikt wellicht niet over een goed financieel fundament of over geavanceerde beheersstructuren. Dit zou van invloed kunnen zijn op hun financiële en operationele capaciteit om EU-fondsen te beheren;

- Fouten met betrekking tot de subsidiabiliteit van kosten bij begrotingsgerelateerde subsidies als gevolg van de complexiteit van de regels, het gebrek aan adequate ondersteunende documentatie bij de begunstigden of onvoldoende documentaire controles: dit risico bestaat weliswaar ook nog steeds voor het programma Creatief Europa, maar zou kleiner moeten zijn dan voor de huidige generatie programma’s als gevolg van eenvoudigere regels, een groter gebruik van vaste tarieven en forfaitaire bedragen en betere en meer gerichte documentaire controles (zie punt 2.2.2.);

- Een beperkt risico van dubbele financiering, aangezien begunstigden verschillende subsidies uit hoofde van uiteenlopende EU-programma's kunnen aanvragen.

Opgemerkt dient te worden dat de meeste acties in het kader van de huidige programma’s Media en Cultuur en het programma Creatief Europa beheerd (zullen) worden door het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA). Het beperken van bovengenoemde risico's valt dan ook voornamelijk onder de verantwoordelijkheid van dit agentschap.

B: Verwachte foutenpercentages

Uit de cijfers over 2009 en 2010 blijkt dat het foutenpercentage voor het programma MEDIA bijzonder laag is (minder dan 0,5%). Dit wordt bevestigd door de indicatieve cijfers die op dit moment over 2011 beschikbaar zijn.

Het foutenpercentage voor het programma Cultuur over 2009 bedroeg 0,57%. Volgens de voorlopige gegevens ligt dit cijfer over 2011 ook ruim lager dan 2% (circa 0,6-0,7%). De materialiteit van de risicowaarde als gevolg van het foutenpercentage lag in 2010 boven de drempel van 2% (te weten 4,28%), maar uit de auditsteekproef bleek dat er over dat jaar qua begroting sprake was van een kleiner bedrag dan in 2009 en 2011. Dat betekent dat het meerjarige foutenpercentage voor de periode 2009-2011 kleiner is dan 1%.

Met betrekking tot het foutenpercentage over 2010 is uit de analyse van het EACEA gebleken dat de meeste fouten behoorden tot de categorie "grootste risico’s" zoals die hierboven zijn beschreven. Om die reden is er een actieplan opgesteld met maatregelen om de kwaliteit van de informatie die aan begunstigden wordt verstrekt over hun financiële verplichtingen te verbeteren, met een strategie om de efficiëntie en effectiviteit van monitoringbezoeken te vergroten, met een strategie om de documentaire controles te verbeteren en met een consolidatie van het auditplan voor 2011.

Op basis van de foutenpercentages over 2009 en 2010 en de raming van de foutenpercentages over 2011 kan geconcludeerd worden dat het niveau van de niet-naleving voor het programma Creatief Europa naar verwachting ruim onder de drempel van 2 % ligt. Deze veronderstelling wordt ondersteund door het feit dat er aanvullende vereenvoudigings- en controlemaatregelen doorgevoerd zullen worden die verder gaan dan die van de huidige programma's (zie punt 2.2.2).

2.2.2.     Controlemethode(n)

A: Informatie over het interne controlesysteem

Voor het programma Creatief Europa wordt gebruikgemaakt van een op risico's gebaseerd controlesysteem. Hierna worden de belangrijkste controlemaatregelen beschreven, die voor het merendeel door het EACEA uitgevoerd zullen worden. Voor de rechtstreeks door het Europees Agentschap voor samenwerking (EAS) beheerde acties wordt hetzelfde controlesysteem gehanteerd.

1. In de selectiefase:

- controle van de operationele en financiële capaciteit van aanvragers;

- controles van de subsidiabiliteits- en uitsluitingscriteria;

- begrotingstechnische en inhoudelijke evaluatie en controle;

- juridische en financiële verificaties;

- identificatie van mogelijke gevallen van dubbele financiering met gebruik van adequate IT-instrumenten.

2. In de fase van het contractbeheer

- financiële circuits gebaseerd op een scheiding van taken;

- meer gebruik van vaste percentages en forfaitaire bedragen om het risico van fouten te reduceren;

- voor begrotingsgerelateerde subsidies wordt gebruikgemaakt van een definitie van de documentaire controles die op de jaarrekeningen worden toegepast op basis van een beoordeling van de betrokken risico's en de kosten van de controles:

          * bij subsidies boven een bepaalde drempel zijn auditcertificaten in de fase van de eindbetalingen verplicht;

          * bij kleinere subsidies moeten de begunstigden een steekproef van facturen overleggen; de precieze samenstelling van de steekproeven worden voor elke actie aan de hand van een op risico’s gebaseerde analyse bepaald.

- een vereenvoudiging van de regels en een verbetering van de duidelijkheid en transparantie van de informatie die aan begunstigden over deze regels wordt verstrekt;

- een verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van de monitoringbezoeken middels het gebruik van risicogerelateerde criteria voor de selectie van de projecten die bezocht worden en kwaliteitscriteria om de uitvoering van die projecten te controleren.

3. Achteraf

- een jaarlijks ex-postauditplan (aan de hand van risico's en een willekeurige selectie) gebaseerd op een omvattende risicoanalyse;

- ad-hocaudits wanneer er ernstige twijfels zijn over de rechtmatigheid en/of wanneer fraude wordt vermoed.

Concluderend zou de totale controlebelasting voor de begunstigden af moeten nemen ten opzichte van de huidige situatie, aangezien het verwachte lagere risico op niet-naleving deels een gevolg is van aanvullende vereenvoudigingen en een betere kwaliteit van de ondersteunende informatie die aan de begunstigden wordt verstrekt.

4. Toezicht op het EACEA door de Commissie

Naast de controles met betrekking tot de subsidieprocedure zal de Commissie ook de controlemaatregelen toepassen die op grond van artikel 59 van het Financieel Reglement voor uitvoerende agentschappen vereist zijn. De Commissie zal monitoren en controleren dat het EACEA adequate controledoelstellingen hanteert voor de acties waarvoor het met het beheer is belast. Deze supervisie zal in de voorwaarden voor de samenwerking worden geïntegreerd tussen het moeder-DG en het EACEA en in de halfjaarverslagen van het agentschap.

B: Raming van de kosten voor de controles voor acties die door het EACEA en DG EAC worden beheerd

1. In de selectiefase en de fase van het contractbeheer

1.1 Personeelskosten

De raming wordt berekend op basis van de controleactiviteiten die in de huidige programma’s Media en Cultuur worden uitgevoerd:

- door de operationele en financiële medewerkers die verantwoordelijk zijn voor de inleiding van controles en de verificaties;

- in alle fasen van de levenscyclus van de projecten (selectie, opdrachtverlening en betalingen).

Aantal personeelsleden dat controleactiviteiten uitvoert || Standaardkosten || Totaal (1 jaar)

Contractmedewerkers (EACEA): 21,75 || 64 000€ || 1 392 000€

Tijdelijke medewerkers (EACEA): 6,6 || 127 000€ || 838 200€

Ambtenaren: 1,6 (gedeeltelijk beheer door DG EAC) || 127.000€ || 212 200€

|| || Totaal voor de duur van het programma: 17 096 800€

1.2. Andere kosten

|| Standaardkosten || Totaal (1 jaar)

Controlebezoeken ter plaatse (EACEA) || 1 000€ || 95 000€

Auditcertificaten die door begunstigden verstrekt moeten worden (EACEA) || 1 300€ || 2 550 000€

Controlebezoeken ter plaatse (deels beheerd door DG EAC) || 1 000€ || 6 000€

Auditcertificaten die door begunstigden verstrekt moeten worden (deels beheerd door EAS) || 1 300€ || 150 000€

|| || Totaal voor de duur van het programma: 19 607 000€

2. Controles achteraf

2.1 Personeel

Aantal personeelsleden dat controleactiviteiten uitvoert || Standaardkosten || Totaal (1 jaar)

Contractmedewerkers (EACEA): 1 || 64 000€ || 64 000€

Tijdelijke medewerkers (EACEA): 0,2 || 127 000€ || 25 400€

Ambtenaren (gedeeltelijk beheer door DG EAC): 0,1 || 127 000€ || 12 700€

|| || Totaal voor de duur van het programma: 714 700€

1.2. Audits achteraf

Willekeurige, risicogerelateerde en ad-hocaudits || Standaardkosten || Totaal (1 jaar)

EACEA || 10 500€ || 409 500€

EAC || 10 500€ || 25 000 €

|| || Totaal voor de duur van het programma: 3 041 500€

3. Totale controlekosten voor het EACEA en DG EAC vergeleken met de te beheren operationele begroting

De operationele begroting voor het programma Creatief Europa bedraagt 1 678,7 miljoen euro. Dat betekent dat de totale kosten voor de controle van de acties door het EACEA en DG EAC circa 2,40% van de begroting bedragen.

2.3.        Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen

Een zeer gering aantal gevallen van fraude in combinatie met zeer lage foutenpercentages rechtvaardigt dat maatregelen ter preventie van fraude en onregelmatigheden in het nieuwe programma evenredig en kosteneffectief moeten zijn.

Naast toepassing van alle verplichte controlemechanismen zal DG EAC een antifraudestrategie ontwikkelen die aansluit bij de nieuwe antifraudestrategie van de Commissie (CAFS) die op 24 juni 2011 is goedgekeurd, onder andere om te waarborgen dat zijn benadering inzake frauderisicobeheer passend is om terreinen met een hoog frauderisico te kunnen identificeren en adequaat te reageren. Waar dat noodzakelijk is, zullen netwerkgroepen en passende IT-instrumenten voor het analyseren van fraudezaken in verband met het programma "Erasmus voor iedereen" opgezet worden.

Om mogelijke fraudes en onregelmatigheden tegen te gaan, zijn de volgende maatregelen voorzien:

- er wordt reeds bij de opzet van het programma – door een vereenvoudiging van de regels en een groter gebruik van vaste percentages en forfaitaire bedragen – rekening gehouden met mogelijke fraudes en onregelmatigheden;

- er worden systematische controles naar mogelijke gevallen van dubbele financiering uitgevoerd en de identiteit van begunstigden die meerdere subsidies ontvangen, zal worden gecontroleerd;

- als er ernstige vermoedens bestaan over mogelijke onregelmatigheden en/of fraudes zullen ad-hocaudits uitgevoerd worden;

- het uitvoerend agentschap moet potentiële fraudegevallen en onregelmatigheden zowel op ad-hocbasis als in zijn periodieke verslagen aan de Commissie rapporteren.

3.           GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL /INITIATIEF

3.1.        Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderd(e)el(en) voor uitgaven

· Bestaande begrotingsonderdelen voor uitgaven

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage

Aantal [Omschrijving……………………...……….] || GK/NGK ([21]) || van EVA-landen[22] || van kandidaat-lidstaten[23] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement

5 || 15.01 Administratieve uitgaven voor het beleidsterrein onderwijs en cultuur, artikel 1-3 || NGK || JA || JA || JA || NEE

3 || 15.01.04.31 Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur – Bijdrage van programma's onder rubriek 3 || NGK || JA || JA || JA || NEE

· Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage

Aantal [Rubriek……………………………………..] || GK/NGK || van EVA-landen || van kandidaat-lidstaten || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement

3 || 15.01.04.04 Creatief Europa – Uitgaven voor administratief beheer || NGK || JA || JA || JA || NEE

3 || 15.04.01 Creatief Europa || GK || JA || JA || JA || NEE

3.2.        Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.     Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Rubriek van het meerjarige financiële kader: || Aantal || Rubriek 3

DG: EAC || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Jaar Post-2020 || TOTAAL

Ÿ Beleidskredieten || || || || || || || || ||

Nummer begrotingsonderdeel || Vastleggingen || (1) || 178.670 || 198.139 || 218.564 || 239.022 || 260.243 || 280.850 || 303.212 || || 1678.700

Betalingen || (2) || 107.197 || 158.513 || 174.855 || 244.503 || 266.739 || 288.369 || 311.700 || 126.824 || 1678.700

Uit de begroting van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[24] || || || || || || || || ||

Nummer begrotingsonderdeel || || (3) || 14.330 || 14.861 || 15.436 || 16.978 || 17.757 || 20.150 || 22.788 || || 122.3

TOTAAL kredieten voor DG EAC || Vastleggingen || =1+1a +3 || 193.000 || 213.000 || 234.000 || 256.000 || 278.000 || 301.000 || 326.000 || || 1801.000

|| Betalingen || =2+2a +3 || 121.525 || 173.374 || 190.291 || 261.481 || 284.496 || 308.519 || 334.488 || 126.824 || 1801.000

|| || || || || || || || || ||

De Commissie is voornemens de uitvoering van dit programma (gedeeltelijk) uit te besteden aan een uitvoerend agentschap. De bedragen en de opsplitsing van de geraamde kosten zullen eventueel moeten worden aangepast afhankelijk van de mate van uitbesteding waartoe uiteindelijk besloten wordt

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 3 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || =4+ 6 || 193.000 || 213.000 || 234.000 || 256.000 || 278.000 || 301.000 || 326.000 || || 1801.000

Betalingen || =5+ 6 || 121.525 || 173.374 || 190.291 || 261.481 || 284.496 || 308.519 || 334.488 || 126.824 || 1801.000

Als het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere rubrieken:

Ÿ TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || || || || || || || ||

Betalingen || (5) || || || || || || || ||

Ÿ TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || || || || || || || ||

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 4 van het meerjarige financiële kader (referentiebedrag) || Vastleggingen || =4+ 6 || || || || || || || ||

Betalingen || =5+ 6 || || || || || || || ||

Rubriek van het meerjarige financiële kader: || 5 || "Administratieve uitgaven"

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

|| || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

DG: Onderwijs en cultuur ||

Ÿ Personele middelen || 5.619 || 5.619 || 5.619 || 5.873 || 6.127 || 6.381 || 6.703 || 41.946

Ÿ Andere administratieve uitgaven || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 3.535

TOTAAL DG Onderwijs en cultuur || Kredieten || 6.124 || 6.124 || 6.124 || 6.378 || 6.632 || 6.886 || 7.213 || 45.481

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || (Totaal vastleggingen = Totaal betalingen) || 6.124 || 6.124 || 6.124 || 6.378 || 6.632 || 6.886 || 7.213 || 45.481

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

|| || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Jaar Post-2020 || TOTAAL

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarige financiële kader || Vastleggingen || 198.804 || 218.804 || 239.804 || 262.058 || 284.312 || 307.566 || 332.893 || || 1844.241

Betalingen || 127.331 || 179.178 || 196.095 || 267.539 || 290.808 || 315.085 || 341.381 || 170.065 || 1887.482

3.2.2.     Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

– þ  Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt omschreven:

Vastleggingskredieten in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs ò || ||

OUTPUTS van het onderdeel MEDIA ||

Soort output || Gem. kosten van de output || Totaal aantal outputs (2014-2020) || Totaal kosten ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1: het ondersteunen van de capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren om transnationaal actief te zijn ||

-Output || Nieuwe vaardigheden en networking[outputs: Aantal cursussen/workshops/evenementen] || 0.150 || 425 || 63.7 ||

-Output || Ontwikkeling van audiovisuele projecten (inclusief tv-producties) [Output: Aantal projecten] || 0.110 || 2301 || 253.1 ||

-Output || Ondersteuning van coproductiefondsen [output: aantal ondersteunde coproductiefondsen] || 0.300 || 48 || 14.3 ||

-Output || Audiovisuele marketen, promotie-instrumenten en segmenten [output: aantal markten, marktlocaties, online-instrumenten e.d.] || 0.1925 || 452 || 87.1 ||

-Output || Innovatieve ICT-projecten die van toepassing zijn op de audiovisuele sector [output: aantal ICT-applicaties voor de sector] || 0.500 || 30 || 15.2 ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || 3256 || 433.4 ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 2: het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van de actoren om een nieuw publiek binnen en buiten Europa te bereiken ||

-Output || Distributiecampagnes van niet-nationale Europese films [output: aantal projecten] || 0.046 || 6932 || 318.9 ||

-Output || Tot stand gebrachte internationale organisaties van verkoopagenten, distributeurs en rechthebbenden [output: aantal organisaties] Aantal organisaties || 0.271 || 40 || 10.8 ||

-Output || Netwerk van bioscopen die het merendeel van de Europese films vertonen [output: aantal netwerken] || 13.893 || 7 || 97.2 ||

-Output || Filmfestivals en -evenementen [output: aantal festivals en evenementen] || 0.040 || 645 || 26 ||

-Output || Initiatieven op het gebied van de filmgeletterdheid [output: aantal workshops en festivals met een nadruk op filmgeletterdheid, prijzen] || 0.040 || 269 || 10.7 ||

-Output || Nieuwe marketing- en reclame-instrumenten [output: aantal projecten die bijv. tot de oprichting van communautaire filmplatforms leiden] || 0.040 || 213 || 8.5 ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr.°2 || || 472.1 ||

TOTALE KOSTEN || 11.362 || 905.5 ||

Vermeld doelstellingen en outputs ò || ||

OUTPUTS van het onderdeel CULTURE ||

Soort output[25] || Gem. kosten van de output || Totaal aantal outputs || Totaal kosten ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1: het ondersteunen van de capaciteit van de Europese culturele en creatieve sectoren om transnationaal actief te zijn ||

-Output || Samenwerkingsmaatregelen, zoals activiteiten ter bevordering van peer learning || 0.360 || 356 || 128.1 ||

-Output || Europese netwerken, bijv. ter bevordering van de capaciteitsopbouw || 0.100 || 132 || 13.2 ||

-Output || Europese platforms, bijv. platforms voor internationale professionele ontwikkeling || 0.340 || 39 || 13.2 ||

-Output || Speciale acties, zoals prijzen, Culturele Hoofdsteden van Europa, Europees Erfgoedlabel e.d. || 0.406 || 48 || 19.4 ||

|| || ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || 575 || 173.9 ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 2: het bevorderen van de transnationale verspreiding van culturele en creatieve werken en van de mobiliteit van de actoren om een nieuw publiek binnen en buiten Europa te bereiken ||

-Output || Samenwerkingsmaatregelen, zoals activiteiten ter bevordering van internationale tournees || 0.360 || 553 || 199.2 ||

-Output || Europese netwerken, bijv. ter bevordering van het werven van meer publiek || 0.100 || 205 || 20.5 ||

-Output || Europese platforms, bijv. platforms ter bevordering van internationale carrières || 0.340 || 60 || 20.5 ||

-Output || Literaire vertalingen en ondersteuning op promotiegebied || 0.05 || 859 || 42.9 ||

-Output || Speciale acties, zoals prijzen, Culturele Hoofdsteden van Europa, Europees Erfgoedlabel e.d. || 0.406 || 74 || 30.2 ||

|| || || || ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr.°2 || 1751 || 313.3 ||

TOTALE KOSTEN || 2326 || 487.2 ||

.

Vermeld doelstellingen en outputs ò || ||

OUTPUTS van het sectoroverschrijdende onderdeel ||

Soort output || Gem. kosten van de output || Totaal aantal outputs (2014-2020) || Totaal kosten ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1: het vergroten van de financiële capaciteit van de culturele en creatieve sectoren ||

-Output || Oprichting van een financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren [Output: [output: aantal leningen dat door banken in de periode van zeven jaar aan actoren wordt verstrekt] || 848 [EIF-vergoeding plus verwachte verliezen] || 14420 || 211.20 ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || 211.20 ||

SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 2: het ondersteunen van transnationale beleidssamenwerking ||

-Output || Netwerk van Creatief Europa-desks || 0.226 || 189 || 42.7 ||

-Output || Studies, evaluaties en beleidsanalyses [NB: inclusief het Europees audiovisueel waarnemingscentrum] || 0.317 || 36 || 11,4 ||

-Output || Transnationale uitwisselingen en netwerkactiviteiten || 1.585 || 4 || 6.4 ||

-Output || Testen van nieuwe sectoroverschrijdende methoden || 1.132 || 4 || 4.5 ||

-Output || Conferenties, seminars en beleidsdialoog || 0.232 || 42 || 9.8 ||

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr.°2 || 275 || 74.8 ||

|| || ||

TOTALE KOSTEN || || 286.00 ||

3.2.3.     Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten

3.2.3.1.  Samenvatting

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

– þ  Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig zoals hieronder wordt beschreven:

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

|| Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || ||

Personele middelen || 5.619 || 5.619 || 5.619 || 5.873 || 6.127 || 6.381 || 6.708 || 41.946

Andere administratieve uitgaven || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 0.505 || 3.535

Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || 6.124 || 6.124 || 6.124 || 6.378 || 6.632 || 6.886 || 7.213 || 45.481

Buiten RUBRIEK 5[26] van het meerjarige financiële kader || || || || || || || ||

Personele middelen || || || || || || || ||

Andere uitgaven administratieve uitgaven[27] || 14.330 || 14.861 || 15.436 || 16.978 || 17.757 || 20.150 || 22.788 || 122.3

Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarige financiële kader || || || || || || || ||

TOTAAL || 20.454 || 20.985 || 21.560 || 23.356 || 24.389 || 27.036 || 30.001 || 167.78

3.2.3.2.  Geraamde personeelsbehoeften

– ¨  Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

– ü  Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

|| Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL

Ÿ Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) ||

XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 40 || 40 || 40 || 42 || 44 || 46 || 48 || 300 ||

XX 01 01 02 (delegaties) || || || || || || || || ||

XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || || || ||

10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || || || || ||

Ÿ Extern personeel (in voltijdequivalenten: FTE)[28] ||

XX 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen") || 8 || 8 || 8 || 8 || 8 || 8 || 9 || 57 ||

XX 01 02 02 (CA, INT, JED, LA en SNE in de delegaties) || || || || || || || || ||

XX 01 04 jj[29] || - zetel[30] || || || || || || || ||

- delegaties || || || || || || || ||

XX 01 05 02 (AC, END, INT – onder­zoek door derden) || || || || || || || ||

10 01 05 02 (AC, INT, END - direct onderzoek) || || || || || || || ||

Ander begrotings­onderdeel (te vermelden) || || || || || || || ||

TOTAAL || 48 || 48 || 48 || 50 || 52 || 54 || 57 || 357

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

De benodigde personele middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen. De bedragen en toewijzingen zullen worden aangepast afhankelijk van de resultaten van het geplande uitbestedingsproces.

Beschrijving van uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel || Uitvoering van het programma

Extern personeel || Uitvoering van het programma

3.2.4.     Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader

– ü  Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het meerjarige financiële kader voor 2014-2020.

– ¨  Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van meerjarige financiële kader

Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

– ¨  Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarige financiële kader[31].

Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.

3.2.5.     Bijdragen van derden in de financiering

– Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden

– Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

|| Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || zoveel jaren invullen als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || Totaal

Vermeld medefinancieringsbron || || || || || || || ||

TOTAAL medegefinancierde kredieten || || || || || || || ||

3.3.        Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

– þ  Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

– ¨  Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

¨         voor de eigen middelen

¨         voor de diverse ontvangsten

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel[32]

Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || zoveel kolommen invullen als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

Artikel …………. || || || || || || || ||

Voor de diverse ontvangsten die worden “toegewezen”, vermeld het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

.

Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten.

.

[1]               Building a Digital Economy: The importance of saving jobs in the EU's creative industries, TERA Consultants, maart 2010. Zie ook de nadruk die in het Europese mededingingsverslag 2010 op de culturele en creatieve sectoren wordt gelegd (werkdocument van de diensten van de Commissie, COM(2010) 614)

[2]               Een samenvatting van de resultaten van de onlineraadpleging over het programma Cultuur na 2013 is te vinden op: http://ec.europa.eu/culture/our-programmes-and-actions/consultation-on-the-future-culture-programme_en.htm

[3]               Een samenvatting van deze openbare hoorzitting is te vinden op: http://ec.europa.eu/culture/our-programmes-and-actions/doc/culture/summary-public-meeting-16-02-2011_en.pdf

[4]               De tussentijdse evaluatie is te vinden op: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/culture/2010/progreport_en.pdf

[5]               Een samenvatting van de resultaten van de onlineraaadpleging betreffende het programma MEDIA na 2013 is te vinden op: http://ec.europa.eu/culture/media/programme/docs/overview/online_consultation_summary_en.pdf

[6]               Een samenvatting van de resultaten van de onlineraadpleging betreffende het programma MEDIA Mundus na 2013 is te vinden op: http://ec.europa.eu/culture/media/mundus/public_consultation/index_en.htm

[7]               De conclusies van deze openbare hoorzitting zijn te vinden op:

                http://ec.europa.eu/culture/media/mundus/docs/Programme_public_hearing_The_future_of_the_MEDIAs_en.pdf

[8]               PB L 372 van 27.12.2006, blz. 1.

[9]               PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.

[10]             PB L 288 van 4.11.2009, blz. 10.

[11]             PB L 304 van 3.11.2006, blz. 1.

[12]             PB L … van …, blz. …

[13]             COM(2007) 242 definitief.

[14]             PB C 287 van 29.11.2007, blz. 6.

[15]             COM(2010) 2020 van 3.3.2010.

[16]             PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[17]             ABM: Activity-Based Management (activiteitsgestuurd beheer) – ABB: Activity-Based Budgeting.

[18]             In de zin van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel Reglement.

[19]             Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html

[20]             In de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement.

[21]             GK = gesplitste kredieten / NGK = niet-gesplitste kredieten.

[22]             EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.

[23]             Kandidaat-lidstaten en indien van toepassing potentiële kandidaat-lidstaten uit de Westelijke Balkan.

[24]             Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.

[25]             Outputs zijn te leveren producten en diensten (bv.: aantal gefinancierde uitwisselingen van studenten, aantal kilometers nieuw aangelegde wegen, enz.).

[26]             Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.

[27]             De Commissie is voornemens de uitvoering van dit programma (gedeeltelijk) uit te besteden aan een uitvoerend agentschap. De bedragen en de opsplitsing van de geraamde kosten zullen eventueel moeten worden aangepast afhankelijk van de mate van uitbesteding waartoe uiteindelijk besloten wordt.

[28]             AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JED= jonge deskundige in delegaties (Jeune Expert en Délégation); LA = plaatselijk functionaris; END= gedetacheerd nationaal deskundige.

[29]             Onder het maximum voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).

[30]             Vooral voor structuurfondsen, Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en Europees Visserijfonds (EVF).

[31]             Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[32]             Voor traditionele eigen middelen (douanerechten, suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25 % aan inningskosten.

Top