This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52009PC0511
Proposal for a Council Directive amending Directive 2006/112/EC as regards an optional and temporary application of the reverse charge mechanism in relation to supplies of certain goods and services susceptible to fraud
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten
/* COM/2009/0511 def. - CNS 2009/0139 */
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten /* COM/2009/0511 def. - CNS 2009/0139 */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 29.9.2009 COM(2009) 511 definitief 2009/0139 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL - Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde[1] (hierna "de btw-richtlijn") voorziet in een tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling om de bestaande fraude bij de handel in emissiecertificaten en bij verrichtingen met bepaalde fraudegevoelige goederen te bestrijden. De toepassing van een doelgerichte verleggingsregeling mag evenwel geen afbreuk doen aan de basisbeginselen van het btw-stelsel, zoals de gespreide betaling, en moet daarom beperkt blijven tot een vooraf vastgestelde lijst van goederen en diensten. - Algemene context In mei 2006 heeft de Commissie een mededeling[2] gepresenteerd teneinde op EU-niveau een brede discussie op gang te brengen over de noodzaak van coördinatie bij de bestrijding van belastingfraude op de interne markt. Aansluitend op haar mededeling[3] van 23 november 2007, die aan de ontwikkeling van een fraudebestrijdingsstrategie in de EU heeft bijgedragen, en het verslag[4] over de stand van zaken in de ATFS-deskundigengroep (Anti Tax Fraud Strategy of strategie ter bestrijding van belastingfraude) heeft de Commissie een mededeling gepresenteerd met een analyse van zogenaamde verdergaande maatregelen tot wijziging van het btw-stelsel ten behoeve van de fraudebestrijding[5]. Een van de in dit verband bestudeerde maatregelen was de vaststelling van een algemene verleggingsregeling. De Commissie toonde zich, op bepaalde voorwaarden, ook bereid een proefproject voor te stellen om na te gaan of een veralgemeende verleggingsregeling een passend antwoord kon bieden op de btw-fraude. De Ecofin-Raad kon evenwel geen overeenstemming bereiken over de conclusies die aan de in deze mededeling aangesneden kwesties moesten worden verbonden. Bij gebrek aan politieke overeenstemming over de "verdergaande" maatregelen heeft de Commissie besloten haar inspanningen uitsluitend te concentreren op de "klassieke" maatregelen ter verbetering van de traditionele fraudebestrijdingsmethoden. In dit verband moet met name worden verwezen naar de mededeling van de Commissie van december 2008 over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van btw-fraude in de Europese Unie[6]. Het huidige initiatief verschilt evenwel van voornoemd idee om een proefproject op te zetten. Aangezien fraude de goede werking van de interne markt kan ondermijnen en de belastingopbrengsten van de lidstaten kan uithollen, hebben enkele lidstaten verzocht om, op basis van een door de Raad uit hoofde van artikel 395 van de btw-richtlijn toegestane derogatie, via een doelgerichte verleggingsregeling de fraude in specifieke fraudegevoelige sectoren of met bepaalde goederen te mogen bestrijden. De meest gebruikelijke vorm van fraude bestaat erin dat een voor de btw geregistreerde leverancier of dienstverrichter een factuur afgeeft voor zijn prestaties, maar vervolgens verdwijnt zonder de btw te voldoen, terwijl zijn afnemer (die ook belastingplichtig is) over een geldige factuur beschikt om de voorbelasting in aftrek te brengen. Het gevolg hiervan is dat de overheid geen btw over de prestaties ontvangt, maar aan de volgende schakel in de handelsketen toch aftrek van voorbelasting moet toestaan. Deze praktijk is in sommige gevallen uitgegroeid tot zogenaamde intracommunautaire ploffraude, een goed georganiseerde aanval op het btw-stelsel waarbij misbruik wordt gemaakt van het feit dat de leverancier of dienstverrichter zijn voorbelasting kan verrekenen via een teruggaaf van de btw als zijn daaropvolgende prestatie aan een belastingplichtige in een andere lidstaat is vrijgesteld. Bovendien wordt dergelijke fraude vaak georganiseerd in de vorm van een reeks van leveringen waarbij dezelfde goederen verschillende keren tussen de lidstaten heen en weer reizen (zogenaamde carrouselfraude) en de schatkist een veelvoud van de verschuldigde belasting derft. Volgens de informatie die verschillende lidstaten hebben verstrekt, is deze vorm van fraude ook al bij diensten opgedoken. Bij verlegging brengt de leverancier of dienstverrichter geen btw in rekening aan zijn belastingplichtige afnemer, die evenwel zelf de tot voldoening van de btw gehouden persoon wordt. In de praktijk verricht de afnemer (voor zover hij een gewone belastingplichtige met een volledig recht op aftrek is) de aangifte en de aftrek van de btw tegelijkertijd zonder dat er enige betaling aan de schatkist gebeurt. Op deze manier wordt de theoretische mogelijkheid om te frauderen, weggenomen. Met dit voorstel wil de Commissie geïnteresseerde lidstaten de mogelijkheid bieden om deze doelgerichte verleggingsregeling toe te passen op een reeks van goederen en diensten op een vooraf vastgestelde lijst, die door de lidstaten als fraudegevoelig zijn aangemerkt. Dit voorstel inzake doelgerichte verlegging is gericht op de volgende gebieden: In de eerste plaats zijn er de Commissie gevallen van fraude bij de handel in broeikasgasemissierechten ter kennis gebracht. Fraude, zowel op de koolstofmarkt als elders, is een bron van zorg en vereist een afdoend antwoord. De uiteenlopende reacties van de individuele lidstaten op dit probleem hebben de Commissie ertoe aangezet dit voorstel op te stellen. Ofschoon de precieze omstandigheden en de huidige omvang van het fraudeprobleem nog verdere analyse behoeven, vereist de door verschillende lidstaten verstrekte informatie toch dat er met spoed wordt opgetreden en dat het probleem al in dit voorstel, dat in eerste instantie slechts een tijdelijke maatregel behelst, wordt aangepakt. Een andere categorie van goederen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, is die van de mobiele telefoons en geïntegreerde schakelingen. Voor deze goederen geldt nu al een derogatie die voorziet in verlegging. Zij is toegestaan aan het Verenigd Koninkrijk op basis van artikel 395 van de btw-richtlijn en onder specifieke voorwaarden verlengd[7]. De tekst van het desbetreffende Commissievoorstel dient ook als basis voor het onderhavige voorstel voor een richtlijn van de Raad. In de toelichting bij haar voorstel voor een beschikking van de Raad heeft de Commissie de zeer specifieke omstandigheden uiteengezet op grond waarvan de derogatie bij wijze van uitzondering werd verleend, en heeft zij ook al aangekondigd dat zij bereid was de mogelijkheid te onderzoeken om een doelgerichte verlegging toe te staan aan geïnteresseerde lidstaten. Omdat het tot dan toe nog niet mogelijk was geweest om vast te stellen in hoeverre verlegging een passend en efficiënt instrument is om fraude in deze specifieke sector te bestrijden, achtte de Commissie het noodzakelijk een verlenging afhankelijk te maken van een volledige evaluatie van de gevolgen van de maatregel. Zij wilde ook een aantal lidstaten die belangstelling hadden om in deze sector een verleggingsregeling toe te passen, die mogelijkheid bieden in het kader van het voorliggende voorstel. Ten derde ziet het voorstel op andere goederen (parfum, edele metalen (zoals platinum)) ten aanzien waarvan de lidstaten op vergaderingen van fraudewerkgroepen te kennen hebben gegeven dat zij blijkbaar ook het voorwerp van fraude uitmaken, en het is dus relevant om deze goederen ook onder de richtlijn te laten vallen. Wat de procedure betreft, moeten de lidstaten de Commissie er eerst van in kennis stellen dat zij een dergelijke regeling willen invoeren. Aan de toepassing van een doelgerichte verleggingsregeling op experimentele basis zullen ook precieze voorwaarden moeten worden verbonden om de werking van de regeling te garanderen, potentiële negatieve gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en een degelijke evaluatie van de resultaten mogelijk te maken. Voordat deze verleggingsregeling kan worden toegepast, zullen de betrokken leveranciers en dienstverrichters alsook afnemers met een eigen nummer voor btw-doeleinden geïdentificeerd moeten zijn, voor zover dat nog niet het geval is. Voorts zullen de betrokken lidstaten rapportageverplichtingen moeten vaststellen om voldoende follow-up van de maatregel te garanderen, zodat het zeker is dat hij effectief functioneert. Om te garanderen dat de toepassing van de verlegging doelgericht blijft alsook een uitzondering op de normale btw-voorschriften, zijn de goederen en diensten in kwestie in een lijst opgenomen en mag iedere lidstaat voor ten hoogste drie categorieën, waarvan er twee betrekking mogen hebben op goederen, de btw verleggen. De geïnteresseerde lidstaten dienen effectieve controlemaatregelen vast te stellen om toezicht uit te oefenen en, in de mate van het mogelijke, iedere vorm van fraude te voorkomen, met name nieuwe vormen van fraude waarbij fraudepraktijken zich naar andere goederen, de detailhandel of andere lidstaten verspreiden. De lidstaten zouden in dat verband rekening moeten houden met de conclusies in verband met de verleggingsregeling in het document van de Commissie over maatregelen tot wijziging van het btw-stelsel met het oog op fraudebestrijding[8]. De ervaring die met deze tijdelijke toepassing van de regeling op fraudegevoelige goederen of diensten wordt opgedaan, moet het mogelijk maken om op basis van de in het voorstel beschreven informatie- en evaluatieprocedure een betere algemene beoordeling te verrichten van het nut en de proportionaliteit van een doelgerichte toepassing van het systeem van verlegging. 2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. De publieke raadpleging in verband met het gebruik van verlegging om fraude te bestrijden, heeft al plaatsgevonden in het kader van de voorgaande mededelingen van de Commissie over btw-fraude (zie met name het raadplegingsdocument[9] van 13 augustus 2007 over de mogelijke invoering van een facultatieve verleggingsregeling voor de btw en de gevolgen ervan voor het bedrijfsleven). Ter verbetering van het inzicht in de gevolgen van een doelgerichte verleggingsregeling wordt in de richtlijn bepaald dat de lidstaten die de regeling willen toepassen, evaluatiecriteria moeten vaststellen om de situatie bij het begin en bij het einde van de toepassingsperiode te kunnen beoordelen. Deze richtlijn biedt een lidstaat de mogelijkheid om onder bepaalde omstandigheden een doelgerichte verleggingsregeling toe te passen, maar houdt hiertoe geen verplichting in. Aangezien de voorgestelde regels de lidstaten de mogelijkheid bieden om op tijdelijke basis de verleggingsregeling toe te passen op zorgvuldig geselecteerde goederen of diensten, is het aan de lidstaten zelf om een grondige effectbeoordeling te verrichten, zoals in de richtlijn is bepaald. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL De richtlijn behelst een wijziging van de btw-richtlijn. Gelet op de onduidelijkheid die er heerst over de gevolgen van de maatregel en het feit dat hij afwijkt van het basisbeginsel van de gespreide betaling, is de vaststelling van een specifieke rechts¬grondslag voor een dergelijke tijdelijke toepassing van verlegging voor bepaalde goederen en diensten de beste stap voorwaarts, in overeenstemming met de beginselen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie over mogelijke maatregelen tot wijziging van het btw-stelsel met het oog op fraudebestrijding[10]. Bovendien kan artikel 395 van de btw-richtlijn niet worden aangemerkt als voldoende grondslag voor een voortzetting en uitbreiding tot verschillende lidstaten van een doelgerichte verleggingsregeling voor bepaalde goederen of diensten. De beoogde fraudebestrijding via verlegging kan dus beter worden verwezenlijkt op het niveau van de Gemeenschap met behulp van een richtlijn die de lidstaten de mogelijkheid biedt om een verleggingsregeling toe te passen op binnenlandse leveringen van bepaalde goederen en diensten. Deze richtlijn gaat dus niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen negatieve gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. 5. AANVULLENDE INFORMATIE Het voorstel bevat een vervalbepaling. 2009/0139 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 93, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement[11], Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[12], Overwegende hetgeen volgt: (1) In Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde[13] is bepaald dat de btw wordt verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare levering van goederen of diensten verricht. Voor grensoverschrijdende handelingen en bepaalde binnenlandse sectoren met een hoog risico zoals de bouw- of de afvalsector is de verplichting tot voldoening van de btw evenwel verlegd naar de afnemer van het goed of de dienst. (2) Gelet op de ernst van de btw-fraude moeten innoverende oplossingen worden gezocht om dit probleem zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om voor bepaalde categorieën van goederen en diensten, ook als deze categorieën niet zijn opgenomen in artikel 199 van Richtlijn 2006/112/EG of het voorwerp uitmaken van een specifieke, aan een lidstaat verleende derogatie, een regeling toe te passen waarbij de verplichting tot betaling van de btw op tijdelijke basis wordt verlegd naar de persoon voor wie de belastbare levering van de goederen of de diensten wordt verricht. (3) De invoering van een dergelijke regeling die niet van algemene toepassing is maar specifiek geldt voor leveringen van bepaalde categorieën van goederen of diensten, mag geen afbreuk doen aan de basisbeginselen van het btw-stelsel, zoals de gespreide betaling, en moet daarom tot een vooraf vastgestelde lijst van goederen en diensten worden beperkt. (4) De vooraf vastgestelde lijst waaruit de lidstaten kunnen kiezen, moet worden beperkt tot leveringen van goederen en diensten die volgens recente ervaringen bijzonder fraudegevoelig zijn. Teneinde te garanderen dat de invoering van een dergelijke regeling doeltreffend kan worden beoordeeld en dat de gevolgen ervan nauwlettend kunnen worden gemonitord, moet de keuze van de lidstaten worden beperkt. (5) De regeling mag pas worden toegepast wanneer de belastingplichtigen die de goederen of diensten uit de vooraf vastgestelde lijst leveren of ontvangen, voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn. Voorts dienen de lidstaten die de regeling willen toepassen, specifieke controlemaatregelen en rapportageverplichtingen voor zowel de leveranciers en dienstverrichters als de afnemers vast te stellen, teneinde een doeltreffende werking en monitoring van de toepassing van de regeling te garanderen en iedere nieuwe vorm van belastingfraude op te sporen en te voorkomen. (6) De lidstaten moeten een evaluatieverslag over de toepassing van de regeling voorleggen voor afloop van de toepassingsperiode, zodat een tijdige beoordeling van de efficiency van de regeling mogelijk is. (7) Opdat het effect van de toepassing van de regeling op frauduleuze handelingen op transparante wijze kan worden gemeten, moeten de evaluatieverslagen van de lidstaten op vooraf door hen vastgestelde criteria gebaseerd zijn. In een dergelijke evaluatie moet een duidelijke beoordeling worden verricht van het niveau van de fraude voor en na de toepassing van de regeling en van eventuele trendverschuivingen in de frauduleuze activiteiten, waaronder naar andere goederen en diensten, naar het niveau van de detailhandel of naar andere lidstaten. (8) In het verslag moet ook een beoordeling worden verricht van de nalevingskosten voor de belastingplichtigen en de uitvoeringskosten voor de lidstaten, inclusief de kosten voor toezicht- en controlemaatregelen. (9) Teneinde alle lidstaten de keuzemogelijkheid te bieden om een dergelijke regeling toe te passen, is het passend een specifieke wijziging in Richtlijn 2006/112/EG aan te brengen. (10) Daar de doelstelling van het overwogen optreden erin bestaat de btw-fraude aan te pakken met tijdelijke maatregelen die afwijken van de bestaande communautaire voorschriften, kan deze alleen op het niveau van de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De vaststelling van een maatregel op het niveau van de Gemeenschap is derhalve in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (11) Richtlijn 2006/112/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd: (1) Het volgende artikel 199 bis wordt ingevoegd: "Artikel 199 bis 1. De lidstaten kunnen tot 31 december 2014 en voor een minimumperiode van twee jaar een regeling invoeren en toepassen waarbij de btw die is verschuldigd op leveringen van de in bijlage VI A opgenomen categorieën van goederen en diensten, moet worden voldaan door de persoon voor wie de goederenlevering of dienst wordt verricht. Bij de keuze van de goederen en diensten waarop zij de regeling willen toepassen, moeten de lidstaten zich beperken tot drie van de in bijlage VI A opgenomen categorieën, waarvan er ten hoogste twee categorieën van goederen mogen zijn. 2. Een lidstaat die de in lid 1 bedoelde regeling wil invoeren, dient: a) ervoor te zorgen dat iedere belastingplichtige die onder de regeling vallende goederenleveringen of diensten verricht of ontvangt, onder een individueel nummer is geïdentificeerd, voor zover hij nog niet overeenkomstig artikel 214, lid 1, is geïdentificeerd; b) aan iedere belastingplichtige die onder de regeling vallende goederenleveringen of diensten verricht, passende en effectieve rapportageverplichtingen op te leggen, zodat voor iedere transactie de belastingplichtige leverancier of dienstverrichter en de belastingplichtige afnemer, het soort goederenlevering of dienst, het belastingtijdvak en de waarde van de goederen of de diensten kunnen worden geïdentificeerd; c) aan iedere belastingplichtige die onder de regeling vallende goederenleveringen of diensten ontvangt, rapportageverplichtingen op te leggen per transactie of voor alle transacties tezamen, zodat een toetsing kan worden verricht met de door de leverancier of dienstverrichter verstrekte gegevens; d) passende en effectieve controlemaatregelen vast te stellen om huidige vormen van fraude te monitoren en tegen te gaan alsook het ontstaan van nieuwe frauduleuze activiteiten met betrekking tot andere goederen of diensten, op het niveau van de detailhandel of in andere lidstaten te voorkomen. 3. De lidstaten dienen de Commissie in kennis te stellen van de toepassing van de in lid 1 bedoelde regeling voordat deze wordt ingevoerd, en haar daarbij de volgende informatie te verstrekken: a) een verklaring over het toepassingsgebied van de maatregel waarbij de regeling ten uitvoer wordt gelegd, en een omstandige uiteenzetting van de flankerende maatregelen, inclusief de rapportageverplichtingen voor de belastingplichtigen en de controlemaatregelen; b) de evaluatiecriteria om een vergelijking te kunnen maken tussen frauduleuze activiteiten met betrekking tot de in bijlage VI A opgenomen goederen en diensten voor en na de toepassing van de regeling, frauduleuze activiteiten met betrekking tot andere goederen en diensten en in andere lidstaten voor en na de toepassing van de regeling, en iedere toename van andere vormen van frauduleuze activiteiten voor en na de toepassing van de regeling, met name op het niveau van de detailhandel; c) de aanvangsdatum en de toepassingsduur van de maatregel waarbij de regeling ten uitvoer wordt gelegd. 4. De lidstaten die de in lid 1 bedoelde regeling toepassen, dienen op basis van de in lid 3, onder b), bedoelde evaluatiecriteria de Commissie een verslag voor te leggen uiterlijk een jaar voor het verstrijken van de maatregel waarbij de regeling ten uitvoer wordt gelegd. In het verslag dient duidelijk te zijn aangegeven welke gegevens als vertrouwelijk moeten worden behandeld en welke gegevens mogen worden gepubliceerd. In het verslag dient een uitvoerige beoordeling te worden gegeven van de algehele effectiviteit en efficiency van de maatregel, met name wat betreft: a) het effect op frauduleuze activiteiten met betrekking tot onder de maatregel vallende goederenleveringen of diensten; b) de eventuele verschuiving van frauduleuze activiteiten naar andere goederen of diensten; c) de eventuele verschuiving van frauduleuze activiteiten naar andere lidstaten; d) de eventuele verschuiving van frauduleuze activiteiten naar het niveau van de detailhandel; e) de uit de maatregel voortvloeiende nalevingskosten voor de belastingplichtigen; f) de uitvoeringskosten voor de lidstaten, inclusief de kosten voor toezicht- en controlemaatregelen." (2) De bijlage bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage VI A. Artikel 2 De lidstaten die de in artikel 1, punt 1, bedoelde regeling willen toepassen, delen de Commissie de bepalingen van de maatregel ter uitvoering van de regeling mee voordat deze van toepassing wordt. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 4 Deze richtlijn is van toepassing tot en met 31 december 2014. Artikel 5 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE "Bijlage VI A Lijst van goederen en diensten als bedoeld in artikel 199 bis Deel A - Goederen 1) Mobiele telefoons, dat wil zeggen toestellen die zijn vervaardigd of aangepast voor gebruik in een netwerk waarvoor een vergunning is afgegeven en die op gespecificeerde frequenties werken, ongeacht of zij nog een ander gebruik hebben. 2) Geïntegreerde schakelingen zoals microprocessoren en centrale verwerkingseenheden, vóórdat deze in een eindproduct zijn ingebouwd. 3) Parfum. 4) Edele metalen, wanneer zij niet onder de bijzondere regelingen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten overeenkomstig de artikelen 311 tot en met 343 of de bijzondere regeling voor beleggingsgoud overeenkomstig de artikelen 344 tot en met 356 vallen. Deel B – Diensten Broeikasgasemissierechten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG(*), die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, evenals andere rechten die door exploitanten kunnen worden gebruikt om die richtlijn na te leven. (*) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32." [1] PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1. [2] COM(2006) 254 definitief van 31.5.2006. [3] COM(2007) 758 definitief van 23.11.2007. [4] SEC(2007) 1584 van 23.11.2007. [5] COM(2008) 109 definitief van 22.2.2008 en SEC(2008) 249 van 22.2.2008. [6] COM(2008) 807 definitief van 1.12.2008. [7] Beschikking van de Raad van 5 mei 2009 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 148 van 11.6.2009, blz. 14). [8] SEC(2008) 249 van 22.2.2008. [9] http://ec.europa.eu/taxation_customs/common/consultations/tax/article_4209_en.htm. [10] COM(2008) 109 definitief van 22.2.2008. [11] PB C […] van […], blz. […]. [12] PB C […] van […], blz. […]. [13] PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.