Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006PC0373

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden {SEC(2006) 894} {SEC(2006) 914}

/* COM/2006/0373 def. - COD 2006/0132 */

52006PC0373

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden {SEC(2006) 894} {SEC(2006) 914} /* COM/2006/0373 def. - COD 2006/0132 */


NL

Brussel, 12.7.2006

COM(2006) 373 definitief

2006/0132 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden

(door de Commissie ingediend)

{SEC(2006) 894}

{SEC(2006) 914}

TOELICHTING

1. Achtergrond van het voorstel

· Motivering en doel van het voorstel

Pesticiden zijn werkzame stoffen en producten die ontworpen zijn om fundamentele processen in levende organismen te beïnvloeden en kunnen dus worden gebruikt om schadelijke organismen te verdelgen of onder controle te houden. Pesticiden kunnen ook ongewenste nadelige effecten hebben op niet-doelorganismen, de volksgezondheid en het milieu. Wegens de bijzondere omstandigheden waaronder pesticiden worden gebruikt (met name voor gewasbescherming) – waarbij het dus om introductie in het milieu gaat – is de toepassing daarvan in de lidstaten en in de Gemeenschap gereguleerd. In de loop van de jaren is een geavanceerd systeem ontwikkeld voor evaluatie van de aan het gebruik van pesticiden verbonden risico's voor de volksgezondheid en het milieu.

Ondanks het bestaande regelgevingskader worden in sommige milieucompartimenten (met name bodem, lucht en water) nog steeds ongewenste hoeveelheden van bepaalde pesticiden aangetroffen, en komen in landbouwproducten nog steeds residuen voor in concentraties die de reglementaire waarden overschrijden. Uit nieuwe en nog in ontwikkeling zijnde wetenschappelijke gegevens – onder andere over het vermogen van bepaalde chemische stoffen, waaronder pesticiden, om ook in lage concentraties het functioneren van het endocriene systeem te verstoren – blijken nadrukkelijk de aan het gebruik van die stoffen verbonden potentiële risico's voor mens en milieu.

In het besluit tot vaststelling van het zesde Milieuactieprogramma (6e MAP) hebben het Europees Parlement en de Raad te kennen gegeven dat het effect van pesticiden en met name van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid en het milieu verder moet worden teruggedrongen. Zij hebben er met nadruk op gewezen dat een duurzamer gebruik van pesticiden moet worden gerealiseerd en hebben daartoe een tweeledige aanpak geschetst:

– volledige tenuitvoerlegging en passende herziening van het desbetreffende juridische kader,

– ontwikkeling van een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden.

In haar mededeling “Thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden” [COM(2006) 372 def.] presenteert de Commissie de diverse maatregelen die deel kunnen uitmaken van die strategie. Deze worden zoveel mogelijk geïntegreerd in bestaande wetgevingsinstrumenten en beleidsonderdelen. Bijgaande ontwerp-richtlijn is bedoeld om invulling te geven aan de onderdelen van de thematische strategie die nieuwe wetgeving vereisen.

Hoewel in alle documenten die deel uitmaken van de thematische strategie systematisch de term "pesticiden" wordt gebruikt, wordt dit voorstel voorlopig toegespitst op gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn verschillende redenen voor deze beperking, onder andere het feit dat gewasbeschermingsmiddelen de belangrijkste groep pesticiden zijn, waarvoor al het langst wetgeving bestaat. Wetgeving inzake het op de markt brengen van biociden is pas recent ingevoerd bij Richtlijn 98/8/EG, en noch de Commissie, noch de lidstaten hebben daarmee al voldoende ervaring opgedaan om verdere maatregelen voor te stellen. Voorts blijkt duidelijk uit het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het 6e MAP dat ondanks het gebruik van de term "pesticiden" de belangstelling hoofdzakelijk uitgaat naar gewasbeschermingsmiddelen. Dit wordt benadrukt door artikel 7, lid 1, vijfde streepje, waarin wordt gepleit voor "een significante algemene vermindering van de risico's en van het gebruik van pesticiden die strookt met de noodzakelijke gewasbescherming", alsook door artikel 7, lid 2, onder c), waarin Richtlijn 91/414/EEG wordt genoemd als het geldende regelgevingskader dat moet worden aangevuld door de thematische strategie. Bijgevolg concentreert dit voorstel zich voorlopig op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Mochten in de toekomst echter soortgelijke maatregelen noodzakelijk worden geacht voor biociden, zullen deze waar nodig in de thematische strategie worden opgenomen.

· Algemene context

Ondanks de aan pesticiden verbonden risico's voor de volksgezondheid en het milieu, biedt het gebruik daarvan diverse voordelen - hoofdzakelijk in economisch opzicht – met name voor landbouwers. Pesticiden zorgen voor een maximale landbouwopbrengst en kwaliteit van de landbouwproducten bij een minimale werklast. Zij kunnen bijdragen tot beperking van bodemerosie door teelten met weinig grondbewerking mogelijk te maken en kunnen helpen zorgen voor een betrouwbare voorziening met een brede keuze aan betaalbare landbouwproducten. Gewasbeschermingsmiddelen zijn voorts een belangrijk middel om te voldoen aan eisen inzake plantengezondheid en internationale handel in landbouwproducten mogelijk te maken. Om al deze redenen wordt in de landbouw op ruime schaal gebruik gemaakt van pesticiden. Ook buiten de landbouwsector worden pesticiden gebruikt voor diverse doeleinden, gaande van hout- of textielbescherming tot toepassingen ter bescherming van de volksgezondheid.

Op communautair niveau werd in 1979 een begin gemaakt met het bestaande beleid en de bestaande regelgeving, en deze werden in de loop van de jaren aanzienlijk ontwikkeld, culminerend in de vaststelling van Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden. Daarin is bepaald dat alle gewasbeschermingsmiddelen en biociden moeten worden beoordeeld en toegelaten voordat zij op de markt kunnen worden gebracht. Ondanks de toenemende kosten van deze procedure en het teruglopende aantal werkzame stoffen op de markt, is het feitelijke ge- en verbruik van pesticiden in de EU in de afgelopen tien jaar niet afgenomen. Het percentage voedsel- en diervoedermonsters met een gehalte aan residuen van pesticiden boven de reglementaire maximumgrenzen loopt evenmin terug, maar blijft hangen rond de 5 %. Bovendien worden sommige pesticiden regelmatig in het aquatische milieu aangetroffen in concentraties die ruim boven de reglementaire maximumgrens liggen, en er zijn geen aanwijzingen dat deze concentraties teruglopen. In de afgelopen vijftien jaar zijn in de verschillende lidstaten aanzienlijke, maar uiteenlopende veranderingen in het pesticidengebruik vastgesteld. In sommige lidstaten neemt het gebruik van pesticiden af, maar in andere is dan weer een steile toename geconstateerd. Deze discrepanties, die wijzen op beleidsverschillen tussen de lidstaten, rechtvaardigen dat door de Gemeenschap actie wordt ondernomen, met name om het beschermingsniveau van de volksgezondheid en het milieu te harmoniseren.

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Besluit nr. 1600/2002/EG tot vaststelling van het 6e MAP, bestaat de overkoepelende doelstelling van de thematische strategie in vermindering van de effecten van pesticiden op de volksgezondheid en het milieu en meer in het algemeen in de totstandbrenging van een duurzamer gebruik van pesticiden en een significante algemene vermindering van de risico's en het gebruik van pesticiden, zonder dat de noodzakelijke bestrijding van schadelijke organismen daardoor in het gedrang komt.

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c), van Besluit nr. 1600/2002/EG zijn de specifieke doelstellingen van de thematische strategie:

– maximale beperking van de aan het gebruik van pesticiden verbonden gevaren en risico's voor gezondheid en milieu;

– verbeterde controles op het gebruik en de distributie van pesticiden;

– vermindering van de toegepaste hoeveelheden schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door veiligere, met inbegrip van niet-chemische, alternatieven;

– bevordering van teelten met een gering of nulgebruik van pesticiden, met name door bewustmaking van de gebruikers, het promoten van gedragscodes en het in overweging nemen van de inzet van financiële instrumenten;

– het opzetten van een transparant systeem voor rapportage en monitoring van de gemaakte vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, met inbegrip van de ontwikkeling van passende indicatoren.

Thematische strategieën zijn nieuwe instrumenten waarbij een holistische aanpak wordt gevolgd bij het oplossen van specifieke problemen. De integratie van de maatregelen van de strategie in bestaande beleidsonderdelen en wetgeving speelt daarbij een sleutelrol. Daarom zullen passende maatregelen bij voorkeur in het kader van die beleidsonderdelen worden getroffen. In dit verband voorziet het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), met name Verordening (EG) nr. 1698/2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, reeds in specifieke maatregelen ter bevordering van teelten met een lage pesticideninzet. De onlangs aangenomen nieuwe Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen (MRL's) in of op levensmiddelen en diervoerders voorziet in een versterking van de jaarlijkse bewakingsprogramma's. Milieubewaking met betrekking tot pesticiden zal onder andere deel uitmaken van de door de kaderrichtlijn water voorgeschreven bewakingsactiviteiten.

Bij de voorbereiding van de thematische strategie, met name bij de overlegronde en de effectbeoordeling, is echter gebleken dat een aantal van de voorgenomen maatregelen niet in bestaande wetgeving of beleid kan worden geïntegreerd. Voor verschillende daarvan is aangetoond dat deze het beste via wetgevingsvoorstellen ten uitvoer kunnen worden gelegd. Bijgaande ontwerp-richtlijn bevat alle maatregelen waarvoor nieuwe wetgeving noodzakelijk wordt geacht, met de volgende twee uitzonderingen:

– verzameling van en rapportage over statistieken inzake het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waarvoor de Commissie een afzonderlijke verordening zal voorstellen,

– certificatie van apparatuur voor de toepassing van pesticiden die op de markt wordt gebracht, waarvoor de Commissie een afzonderlijk voorstel zal doen voor een richtlijn waarbij Richtlijn 2006/42/EG betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 96/16/EG (herschikking) [1] mogelijk zal worden gewijzigd.

Naast deze drie voorstellen zal de Commissie een voorstel doen voor een ingrijpende herziening van Richtlijn 91/414/EEG, waarin onder andere twee van de vijf doelstellingen van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden zullen zijn verwerkt: op marktniveau en op gebruikersniveau zullen bepalingen inzake het officiële toezicht op de naleving van alle aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verbonden voorwaarden worden aangescherpt; tevens wordt voorzien in bepalingen inzake de toepassing van vergelijkende beoordeling en het substitutieprincipe bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

· Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Het communautaire regelgevingskader inzake pesticiden is toegespitst op het begin en het einde van de levenscyclus van dergelijke producten. De meest relevante wetgeving in dit verband is:

(1) Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen,

(2) Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong.

Het doel van de Richtlijnen 91/414/EEG en 98/8/EG is risico's aan de bron te voorkomen door middel van een zeer uitgebreide risico-evaluatie van elke werkzame stof en van de producten die die stof bevatten, voorafgaand aan de verlening van een vergunning voor het gebruik en het op de markt brengen daarvan. Verordening (EG) nr. 396/2005 voorziet in maximumresidugehalten (MRL's) voor werkzame stoffen in landbouwproducten, en helpt zo de risico's voor de consumenten, die aan het einde van de voedselketen staan, zoveel mogelijk te beperken. Bovendien is toezicht op de naleving van de MRL's een belangrijk instrument om na te gaan of de landbouwers in de EU de instructies en beperkingen die gekoppeld zijn aan de toelating van gewasbeschermingsmiddelen correct hebben toegepast.

Een van de tekortkomingen van het bestaande juridische kader is het feit dat de eigenlijke gebruiksfase, die een doorslaggevend element is bij het bepalen van het algehele aan pesticiden verbonden risico, daarin onvoldoende aan bod komt. Gezien hun reikwijdte zullen de bestaande wetgevingsinstrumenten, ook na herziening, niet in staat zijn alle in het 6e MAP aangegeven doelstellingen te realiseren. Daarom wordt gepoogd met de maatregelen van de thematische strategie, met name die welke in deze ontwerp-richtlijn zijn opgenomen, deze leemte op te vullen.

·

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU

Dit voorstel is volledig in overeenstemming met de doelstellingen van het 6e Milieuactieprogramma, zoals bescherming van natuur en biodiversiteit, milieu en volksgezondheid en levenskwaliteit. Het spoort eveneens met de Lissabonstrategie, de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling, andere thematische strategieën (met name de bodem- en de mariene strategie) en het EU-beleid voor waterbescherming, voedselveiligheid en consumentenbescherming.

2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling

· Raadpleging van belanghebbende partijen

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Overeenkomstig het 6e Milieuactieprogramma moeten thematische strategieën worden ontwikkeld via een proces van twee stappen waarbij alle belanghebbenden worden betrokken. Met haar mededeling "Op weg naar een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden" [2] heeft de Commissie de aanzet gegeven voor een brede overlegronde.

In die mededeling werd gewezen op de tekortkomingen van het huidige regelgevingskader ten aanzien van de gebruiksfase in de levenscyclus van gewasbeschermingsmiddelen. Ook bevatte de mededeling uitgebreide achtergrondinformatie over de voordelen en risico's van het gebruik van pesticiden, alsook een lijst van te behandelen kernpunten. Voorts werden daarin mogelijke maatregelen genoemd om negatieve tendensen om te buigen en de gebruiksfase te reguleren.

Bij het overleg waren het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het publiek in het algemeen (via internet) betrokken. Er zijn meer dan 150 bijdragen ontvangen. Voorts heeft de Commissie in november 2002 een conferentie gehouden met meer dan 200 deelnemers uit alle belanghebbendengroepen, zoals de pesticidenindustrie, landbouwersorganisaties, overheidsinstanties, consumenten- en milieuorganisaties.

Nader overleg heeft plaatsgevonden via deelneming van de Commissie aan diverse externe conferenties over verschillende specifieke kwesties (b.v. vergelijkende beoordeling/substitutie, apparatuur voor de toepassing van pesticiden, geïntegreerde bestrijding van schadelijke organismen) en via door de Commissie georganiseerde specifieke bijeenkomsten (b.v. over sproeien vanuit de lucht). Als laatste stap van de overlegronde heeft de Commissie nog een internetraadpleging gehouden via "Your voice in Europe" over de maatregelen die in bijgaande ontwerp-richtlijn moesten worden opgenomen.

Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden

Voor de doelstellingen en veel van de mogelijke maatregelen, zoals uiteengezet in hoofdstuk VI van de mededeling van 2002, bleek brede steun te bestaan bij de geraadpleegde belanghebbenden en instellingen. Alle reacties zijn te vinden op:

http://europa.eu.int/comm/environment/ppps/1st_step_consul.htm.

De documenten en rapporten die het resultaat zijn van de raadpleging van belanghebbende partijen zijn beschikbaar op:

http://europa.eu.int/comm/environment/ppps/1st_step_conf.htm.

Een meer gedetailleerd overzicht van het overlegproces en de uitslag daarvan is te vinden in de effectbeoordeling die samen met deze ontwerp-richtlijn wordt ingediend. Met alle bijdragen is terdege rekening gehouden bij de opstelling van de verschillende onderdelen van de thematische strategie, inclusief bijgaande richtlijn en de effectbeoordeling.

Van 17.3.2005 tot 12.5.2005 heeft via internet een openbare raadpleging plaatsgevonden. De Commissie heeft 1.800 reacties ontvangen. De resultaten zijn beschikbaar op:

http://europa.eu.int/comm/environment/ppps/pdf/stats_consult.pdf.

· Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden

Landbouw, gewasbescherming, machines en techniek (toepassingsapparatuur, met name sproeiers en bijbehorende uitrusting), sproeien vanuit de lucht, analyse van economische, sociale en milieueffecten.

Gebruikte methode

Bilateraal overleg met belanghebbende partijen, organiseren van vergaderingen, deelneming aan conferenties, studie door een consultant.

Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen

Instanties van de lidstaten, pesticidenindustrie, landbouwersorganisaties, academische instellingen, Europese Commissie voor normalisatie (CEN), milieuorganisaties.

Ontvangen en gebruikte adviezen

De ontvangen adviezen bevestigden dat extra maatregelen inzake sproeien vanuit de lucht, normalisatie en regelmatige keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden, indicatoren en het inzamelen en verwijderen van leeg verpakkingsmateriaal noodzakelijk waren, en bijgevolg zijn bepalingen ter zake in de ontwerp-richtlijn opgenomen.

Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek

Zoals alle andere tijdens de raadpleging geleverde bijdragen zijn de adviezen van deskundigen beschikbaar gesteld op de website van de Commissie:

http://europa.eu.int/comm/environment/ppps/2nd_step_tech.htm

·

Effectbeoordeling

Voor elke in de ontwerp-richtlijn voorgestelde maatregel zijn drie tot vijf opties, variërend van vrijwillige tot dwingende maatregelen, onderzocht op hun economische, sociale en milieueffecten voor de verschillende belanghebbenden en instanties.

Bovendien is ook een scenario bestudeerd waarin geen actie wordt ondernomen, als ijkpunt voor de verwachte kosten en baten van de voorgestelde maatregelen.

Het rapport over de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling wordt samen met dit voorstel gepresenteerd als een werkdocument van de diensten van de Commissie. Het is ook beschikbaar op:

http://ec.europa.eu/environment/ppps/2nd_step_study.htm.

3. Juridische elementen van het voorstel

· Samenvatting van de voorgestelde maatregel

In het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad zijn de bepalingen van de thematische strategie verwerkt die niet in bestaande instrumenten of beleidssectoren kunnen worden opgenomen, met uitzondering van het onderdeel verzameling van statistische informatie inzake het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het voorstel bevat voorschriften inzake de volgende onderwerpen:

– vaststelling van nationale actieplannen (NAP's) voor het formuleren van doelstellingen ter vermindering van de gevaren en risico's en de afhankelijkheid van chemicaliën voor gewasbescherming; deze plannen zullen ruimte laten voor de noodzakelijke flexibiliteit om de maatregelen aan de specifieke situatie in elke lidstaat aan te passen;

– inschakeling van belanghebbende partijen bij de opstelling, uitvoering en aanpassing van de NAP's;

– invoering van een systeem voor opleiding en bewustmaking voor distributeurs en professionele gebruikers van pesticiden om te waarborgen dat deze zich volledig bewust zijn van de daaraan verbonden risico's. Betere voorlichting van het brede publiek via bewustmakingscampagnes, informatieverstrekking door detailhandelaars en andere passende maatregelen;

– regelmatige keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden om de schadelijke effecten op de gezondheid (met name wat betreft de blootstelling van de bedieners van de apparatuur) en het milieu tijdens de toepassing terug te dringen;

– verbod op sproeien vanuit de lucht, met de mogelijkheid ontheffingen toe te staan, om de risico's op aanzienlijke schadelijke effecten op de volksgezondheid en het milieu, met name door verwaaien van de productnevel, te beperken;

– specifieke maatregelen om het aquatisch milieu te beschermen tegen vervuiling door pesticiden;

– afbakening van gebieden met een aanzienlijk verminderd of nulgebruik van pesticiden in samenhang met maatregelen in het kader van andere wetgeving (zoals de kaderrichtlijn water, de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn, enz.) of ter bescherming van kwetsbare groepen;

– hantering en opslag van pesticiden en verpakkingen en overschotten daarvan;

– ontwikkeling van voor de hele Gemeenschap geldende normen voor geïntegreerde bestrijding van schadelijke organismen (IPM) en scheppen van de nodige voorwaarden voor de toepassing van IPM;

– meten van de met risicoreductie gemaakte vooruitgang door middel van passende geharmoniseerde indicatoren;

– opzetten van een informatie-uitwisselingssysteem voor de continue ontwikkeling en verbetering van passende richtsnoeren, beste praktijken en aanbevelingen.

· Rechtsgrondslag

Artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag is de passende rechtsgrondslag.

· Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voorzover het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt.

Op dit ogenblik hebben sommige lidstaten reeds maatregelen getroffen die het toepassingsgebied van de richtlijn (geheel of gedeeltelijk) bestrijken. Andere lidstaten hebben nog geen actie ondernomen. Hierdoor ontstaat een situatie waarbij er geen sprake is van een gelijk speelveld voor landbouwers en pesticidenproducenten, hetgeen kan leiden tot oneerlijke concurrentie voor economische actoren in verschillende lidstaten. Voorts is er niet overal in de Gemeenschap een uniform beschermingsniveau van de volksgezondheid en het milieu en is er sprake van discrepanties tussen de lidstaten qua pesticidengebruik.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Alleen via een optreden van de Gemeenschap kan de huidige heterogene situatie in de lidstaten worden verbeterd, namelijk door de invoering van geharmoniseerde voorschriften en een uniform beschermingsniveau van de volksgezondheid en het milieu en de voltooiing van de interne markt voor toepassingsapparatuur.

Het op de markt brengen van pesticiden is reeds geharmoniseerd door communautaire regelgeving. Bijgevolg dient hetzelfde te gelden voor andere aspecten van het pesticidenbeleid. Momenteel ontwikkelen de lidstaten hun nationaal beleid in verschillende richtingen en uitgaande van een verschillend ambitieniveau.

Uniforme voorschriften en doelstellingen voor alle lidstaten kunnen alleen door de Gemeenschap worden vastgesteld. Gebeurt dit niet, dan zal de huidige situatie, met uiteenlopende verplichtingen voor de economische actoren, blijven aanslepen. De continue informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie waarin het voorstel voorziet, zal het mogelijk maken passende richtsnoeren, beste praktijken en aanbevelingen te ontwikkelen, rekening houdend met de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Verdere informatie zal worden verzameld via de bewakings- en controleprogramma's van andere richtlijnen en verordeningen waarop de thematische strategie van invloed is. Dit kan niet door de lidstaten alleen worden gerealiseerd.

Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

· Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

De voorgestelde richtlijn vormt een juridisch kader met fundamentele voorschriften en doelstellingen. De lidstaten behouden een flinke speelruimte om de noodzakelijke nadere uitvoeringsmaatregelen af te stemmen op hun specifieke geografische, landbouw- en klimaatsituatie. De Commissie is voornemens een specifieke deskundigengroep op te richten die zal bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten en alle andere belanghebbende partijen; deze groep zal regelmatig de doorgegeven informatie en gegevens beoordelen en zal aan de hand daarvan passende richtsnoeren en aanbevelingen formuleren. Deze "deskundigengroep thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden" (hierna de "deskundigengroep") zal in een later stadium formeel worden opgericht bij besluit van de Commissie. Indien nodig zal de Commissie wijzigingen op de bijlagen bij de voorgestelde richtlijn aannemen, na afloop van een regelgevingsprocedure in het kader van het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

Op basis van de gedetailleerde analyse van de economische, sociale en milieueffecten (inclusief administratieve lasten) die voor alle maatregelen is uitgevoerd, heeft de Commissie kunnen bepalen welke opties voor alle belanghebbenden een minimum aan kosten meebrengen; over het algemeen komen deze kosten lager uit dan de verwachte baten.

· Keuze van instrumenten

Er is gekozen voor een kaderrichtlijn.

Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn.

Een sterk regulerende verordening of richtlijn zou niet adequaat zijn geweest, aangezien er per lidstaat aanzienlijke verschillen bestaan in de uitgangssituatie, b.v. de structuur van de landbouwsector, de geografische en klimaatomstandigheden en de bestaande nationale wetgeving en programma's. Anderzijds zouden eenvoudige aanbevelingen niet doeltreffend zijn om de voorgenomen doelstellingen te realiseren, aangezien de naleving daarvan niet zou kunnen worden afgedwongen. Wanneer dit haalbaar wordt geacht (b.v. voor het verzamelen van leeg verpakkingsmateriaal), laat de richtlijn de betrokken belanghebbenden ruimte voor zelfregulering.

4. Gevolgen voor de begroting

Voorgesteld wordt om bij de Commissie één vaste post in het leven te roepen voor de administratie en coördinatie van de strategie en het organiseren van alle bijeenkomsten van de deskundigengroep voor de ontwikkeling van richtsnoeren, verdere maatregelen en de berekening van en rapportage over indicatoren. Verdere uitgaven voor activiteiten in het kader van deze richtlijn zullen worden gedekt door het financieel instrument voor het milieu (LIFE+ voor de periode 2007-2013). Er wordt geen extra bedrag gevraagd.

5. Aanvullende informatie

· Simulatie, testfase en overgangsperiode

Er is geen overgangsperiode voor de voorgestelde richtlijn.

· Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling

Het voorstel bevat een evaluatiebepaling.

· Europese Economische Ruimte

De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom gelden voor de hele Europese Economische Ruimte.

· Nadere uitleg van het voorstel, per hoofdstuk of per artikel

In artikel 1 wordt het onderwerp van de richtlijn vermeld.

In artikel 2 wordt de reikwijdte van de richtlijn aangegeven.

Artikel 3 bevat de definities die in het kader van deze richtlijn relevant zijn.

Artikel 4 schrijft voor dat de lidstaten nationale actieplannen (NAP's) opstellen om de gewassen, activiteiten of gebieden te inventariseren waarvoor verontrustende risico's bestaan en waarvoor bij voorrang een oplossing moet worden gezocht, en tevens om doelstellingen en tijdschema's voor het bereiken daarvan vast te leggen. Uit de in een aantal lidstaten opgedane ervaring blijkt dat samenhangende actieplannen het meest geschikte instrument zijn om de voorgenomen doelstellingen te realiseren. Gezien de per lidstaat sterk uiteenlopende situatie en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moeten de NAP's op nationaal en/of regionaal niveau worden vastgesteld. Bij de opstelling of aanpassing van NAP's wordt het publiek in een vroeg stadium daadwerkelijk de gelegenheid geboden aan het proces deel te nemen, in de geest van Richtlijn 2003/35/EG tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu [3]. Dit is van belang om een succesvolle en efficiënte tenuitvoerlegging mogelijk te maken. De lidstaten zullen er alert op moeten zijn dat de samenhang wordt bewaard met andere relevante plannen die van invloed kunnen zijn op het gebruik van pesticiden, zoals plannen voor stroomgebiedbeheer en plattelandsontwikkeling.

Artikel 5 legt de lidstaten de verplichting op systemen voor de opleiding van distributeurs en professionele gebruikers van pesticiden op te zetten om te waarborgen dat deze zich volledig bewust zijn van de daaraan verbonden risico's. Het volgen van opleidingen, met een getuigschrift als bewijs, dient geen voorwaarde vooraf te zijn voor de vestiging of indienstneming van professionele pesticidengebruikers. De nadere invulling van de procedures en administratieve regelingen wordt overgelaten aan de lidstaten, maar in bijlage I worden wel de specifieke onderwerpen genoemd die in het kader van die opleidingsprogramma's moeten worden behandeld.

Artikel 6 bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat distributeurs van vergiftige of zeer vergiftige pesticiden ten minste één persoon in dienst hebben die informatie aan de klanten kan verstrekken, en dat alleen professionele gebruikers die aan de nodige eisen voldoen toegang krijgen tot pesticiden. De lidstaten moeten bepalen dat alleen specifiek toegelaten producten mogen worden verkocht aan niet-professionele gebruikers, aangezien deze zich niet zo goed bewust zijn van de risico's als professionele gebruikers.

In artikel 7 wordt de lidstaten de verplichting opgelegd bewustmakingsprogramma's en publieksvoorlichting over pesticiden en hun alternatieven te faciliteren en te bevorderen om niet-professionele gebruikers over alle risico's en te nemen voorzorgsmaatregelen voor te lichten.

Artikel 8 schrijft de lidstaten voor een systeem op te zetten voor regelmatige technische keuring en onderhoud van toepassingsapparatuur die in gebruik is. Goed onderhouden en correct functionerende toepassingsapparatuur is de sleutel tot het continu garanderen van een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid (met name de gezondheid van de bedieners van de apparatuur) en het milieu bij het gebruik van pesticiden. Om ervoor te zorgen dat de technische keuringen in de hele Gemeenschap even streng zijn, moet gebruik worden gemaakt van gemeenschappelijke en geharmoniseerde normen die gebaseerd zijn op de fundamentele eisen in bijlage II. De organisatorische aspecten (zoals het opzetten van publieke of private keuringssystemen, kwaliteitsborging van de betrokken keuringsinstanties, frequentie van de keuring, financiële aspecten, enz.) worden overgelaten aan de lidstaten, die daarover aan de Commissie verslag moeten uitbrengen.

Artikel 9 verplicht de lidstaten een verbod in te stellen op sproeien vanuit de lucht, maar laat ruimte voor ontheffingen. Sproeien vanuit de lucht dient te worden verboden vanwege het aanzienlijke risico op schadelijke gezondheidseffecten door verwaaien van de sproeinevel. Ontheffingen kunnen worden toegestaan wanneer sproeien vanuit de lucht duidelijke voordelen biedt, ook voor het milieu, vergeleken met andere sproeimethodes, of wanneer er geen bruikbare alternatieven voorhanden zijn. Nadere eisen voor het verlenen van ontheffingen zullen worden vastgesteld op het niveau van de lidstaten, die daarover bij de Commissie verslag moeten uitbrengen.

Artikel 10 verplicht de lidstaten van landbouwers en andere professionele gebruikers van pesticiden te eisen dat zij bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van het aquatisch milieu door middel van maatregelen zoals het afbakenen van bufferstroken en het planten van heggen langs waterlopen of andere passende maatregelen om verwaaien te beperken.

Artikel 11 voorziet in de verplichte afbakening door de lidstaten van gebieden met een aanzienlijk verminderd of nulgebruik van pesticiden in samenhang met maatregelen in het kader van andere wetgeving (zoals de kaderrichtlijn water, de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn, enz.). Dergelijke gebieden moeten ook worden aangewezen om te voorzien in de specifieke beschermingsbehoefte van kwetsbare groepen zoals kinderen. De lidstaten brengen verslag uit over de maatregelen die zijn getroffen met het oog op de ontwikkeling van richtsnoeren, criteria voor de selectie van gebieden en beste praktijken.

Artikel 12 legt de lidstaten de verplichting op maatregelen te treffen ter bestrijding van puntbronemissies, met name die welke worden veroorzaakt door mengen, vullen en reinigen van de apparatuur. Ook moeten zij maatregelen treffen om gevaarlijke hanteringshandelingen door niet-professionele gebruikers te voorkomen. Voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten over hun nationale initiatieven en over de gemaakte vooruitgang zal worden gezorgd via rapportage, waaraan ook zal worden deelgenomen door op dit gebied bijzonder actieve belanghebbenden.

Artikel 13 schrijft voor dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de voorwaarden te scheppen die essentieel zijn voor de toepassing van geïntegreerde bestrijding. Er moeten algemene normen voor geïntegreerde bestrijding worden ontwikkeld die vanaf 2014 bindend zullen zijn. Bovendien moeten voor de hele Gemeenschap geldende gewasspecifieke IPM-normen worden ontwikkeld, die echter op vrijwillige basis zullen worden toegepast. De lidstaten moeten verslag uitbrengen over de maatregelen die zijn getroffen om de voorwaarden te scheppen voor de invoering van geïntegreerde bestrijding, om de algemene IPM-normen te handhaven en om de toepassing van gewasspecifieke IPM-normen door pesticidengebruikers te bevorderen.

In artikel 14 is bepaald dat de lidstaten statistische informatie over het op de markt brengen en het gebruik van pesticiden zullen moeten verzamelen en doorgeven - nadere details staan in het voorstel voor een verordening inzake statistieken over gewasbeschermingsmiddelen. Deze informatie zal dienen als grondslag voor de berekening van geschikte risico-indicatoren, die noodzakelijk zijn om de voortgang te kunnen toetsen die is gemaakt bij het terugdringen van de algehele risico's van het gebruik van pesticiden. Aan de ontwikkeling van geharmoniseerde risico-indicatoren wordt nog gewerkt. Wanneer deze werkzaamheden zijn afgerond zal uiteindelijk een gemeenschappelijke reeks risico-indicatoren worden overeengekomen door de Commissie en de lidstaten. In afwachting daarvan kunnen de lidstaten hun huidige indicatoren blijven gebruiken. Om het beperkende effect van deze richtlijn en andere maatregelen van de thematische strategie op de algehele risico's te evalueren, zal de Commissie rapporten opstellen waarin de trends in de ontwikkeling van de door de lidstaten gemelde indicatoren worden geanalyseerd.

Artikel 15 schrijft voor dat de Commissie regelmatig verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad, zulks op basis van de verslagen van de lidstaten over de maatregelen die zij treffen om de doelstellingen van deze kaderrichtlijn te bereiken.

De artikelen 16 tot en met 22 bevatten standaardbepalingen met betrekking tot de comitéprocedure, normalisatie, sancties en inwerkingtreding.

Bijlagen

De bijlagen bevatten nadere bepalingen inzake diverse maatregelen die de lidstaten op grond van de richtlijn moeten treffen. De bijlagen kunnen worden gewijzigd overeenkomstig artikel 18, in het licht van de ervaringen en behoeften die in het kader van het informatie-uitwisselingssysteem en de besprekingen binnen de deskundigengroep zijn geïnventariseerd.

In bijlage I zijn de elementen vermeld die aan bod moeten komen in de opleidingsprogramma's.

Bijlage II bevat de fundamentele eisen voor de keuringen en controles op het onderhoud die moeten worden uitgevoerd bij toepassingsapparatuur die in gebruik is.

2006/0132 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [4],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [5],

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s [6],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig de artikelen 2 en 7 van Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap [7] dient een gemeenschappelijk regelgevingskader tot stand te worden gebracht om tot een duurzaam gebruik van pesticiden te komen.

(2) De maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, dienen een aanvulling te vormen op en mogen geen afbreuk doen aan de maatregelen die zijn neergelegd in andere aanverwante communautaire wetgeving, met name Verordening (EG) nr. […] inzake gewasbeschermingsmiddelen [8], Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid [9] en Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG [10].

(3) Om de uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken, moeten de lidstaten gebruik maken van nationale actieplannen die erop gericht zijn doelstellingen vast te stellen om de risico’s - inclusief de gevaren - en de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te beperken en gewasbescherming door andere dan chemische middelen te bevorderen. Deze nationale actieplannen kunnen worden gecoördineerd met tenuitvoerleggingsplannen krachtens andere relevante Gemeenschapswetgeving en kunnen worden gebruikt voor het bundelen van doelstellingen die uit hoofde van andere Gemeenschapswetgeving met betrekking tot pesticiden moeten worden gerealiseerd.

(4) De uitwisseling van informatie over de doelstellingen en acties die de lidstaten in hun nationale actieplannen opnemen, is van groot belang voor het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn. Bijgevolg is het passend dat de lidstaten wordt verzocht regelmatig verslag uit te brengen bij de Commissie en de andere lidstaten, met name over de uitvoering en de resultaten van hun nationale actieplannen en over hun ervaringen terzake.

(5) Met betrekking tot het opstellen en wijzigen van de nationale actieplannen is het passend dat wordt voorzien in de toepassing van Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad [11].

(6) Het is wenselijk dat de lidstaten systemen voor de opleiding van distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van pesticiden opzetten zodat diegenen die pesticiden gebruiken of zullen gebruiken, zich volledig bewust zijn van de mogelijke risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu en van de passende maatregelen om die risico’s zoveel mogelijk te beperken. De opleidingsactiviteiten ten behoeve van professionele gebruikers kunnen worden gecoördineerd met die welke worden georganiseerd in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) [12].

(7) Gezien de mogelijke risico’s van het gebruik van pesticiden dient het brede publiek beter over de met het gebruik van pesticiden samenhangende risico’s te worden geïnformeerd via bewustmakingscampagnes, door detailhandelaars verstrekte informatie en andere passende maatregelen.

(8) Voorzover voor de hantering en de toepassing van pesticiden minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid op de werkplek moeten worden vastgesteld die betrekking hebben op de risico’s welke voortvloeien uit de blootstelling van werknemers aan die producten en op de algemene en specifieke preventiemaatregelen ter beperking van die risico’s, vallen deze maatregelen binnen de werkingssfeer van Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk [13] en Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk [14].

(9) Aangezien bij Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 96/16/EG (herschikking) [15] regels worden vastgesteld voor het in de handel brengen van apparatuur voor de toepassing van pesticiden die garanderen dat aan de milieueisen wordt voldaan, is het, met het oog op een verdere vermindering van de door deze apparatuur teweeggebrachte schadelijke effecten van pesticiden op de menselijke gezondheid en het milieu, passend dat wordt voorzien in een regeling voor de geregelde technische keuring van toepassingsapparatuur voor pesticiden die reeds in gebruik is.

(10) Het sproeien van pesticiden vanuit de lucht kan aanzienlijke schadelijke effecten veroorzaken op de menselijke gezondheid en het milieu, met name door verwaaiende sproeinevel. Derhalve dient het sproeien vanuit de lucht in het algemeen te worden verboden, met een mogelijkheid tot ontheffing wanneer daaraan duidelijke voordelen en met name ook milieubaten zijn verbonden in vergelijking met andere sproeimethoden, of wanneer er geen haalbaar alternatief is.

(11) Het aquatische milieu is bijzonder kwetsbaar voor pesticiden. Daarom is het noodzakelijk bijzondere aandacht te besteden aan het vermijden van verontreiniging van het oppervlaktewater en het grondwater door het nemen van passende maatregelen zoals de afbakening van bufferstroken of het aanplanten van heggen langs oppervlaktewateren om de blootstelling van de waterlichamen aan verwaaiende sproeinevel te beperken. De afmetingen van de bufferzones dienen in het algemeen te worden afgestemd op de bodemkenmerken, het klimaat, de omvang van de waterloop en de landbouwkenmerken van het betrokken gebied. Het gebruik van pesticiden in gebieden bestemd voor de onttrekking van drinkwater, op of langs transportwegen, bijvoorbeeld spoorwegen, op afgedichte of zeer doorlaatbare oppervlakken kan resulteren in een hoger risico van verontreiniging van het aquatische milieu. In dergelijke gebieden dient het gebruik van pesticiden derhalve zoveel mogelijk te worden beperkt of, indien passend, achterwege te worden gelaten.

(12) Het gebruik van pesticiden kan bijzonder gevaarlijk zijn in zeer kwetsbare gebieden zoals Natura 2000-gebieden die bescherming genieten uit hoofde van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand [16] en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [17]. Op andere plaatsen zoals openbare parken, sportterreinen en speelplaatsen voor kinderen bestaat er een groot risico van blootstelling van het publiek aan pesticiden. Het gebruik van pesticiden in dergelijke gebieden dient derhalve zoveel mogelijk te worden beperkt of, waar passend, achterwege te worden gelaten.

(13) De hantering van pesticiden, met inbegrip van het verdunnen en mengen van de chemicaliën en het schoonmaken van de toepassingsapparatuur na gebruik, alsook de verwijdering van tankoverschotten, lege verpakkingen en ongebruikte pesticiden, kunnen zeer makkelijk aanleiding geven tot ongewenste blootstelling van personen en van het milieu. Daarom is het passend met betrekking tot deze activiteiten te voorzien in specifieke maatregelen die een aanvulling vormen op de maatregelen krachtens de artikelen 4 en 8 van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen [18] en de artikelen 2 en 5 van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen [19]. Die specifieke maatregelen dienen eveneens te gelden voor niet-professionele gebruikers, aangezien de kans op onjuiste hantering door deze groep van gebruikers zeer groot is omdat zij de vereiste kennis missen.

(14) De toepassing van algemene geïntegreerde-bestrijdingsnormen door alle landbouwers zou resulteren in een meer gerichte aanwending van de diverse beschikbare bestrijdingsmiddelen, inclusief pesticiden. Derhalve draagt dit bij tot een verdere vermindering van de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu. De lidstaten dienen landbouw met lage pesticideninzet, en met name de geïntegreerde bestrijding van schadelijke organismen, te bevorderen en de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor het in de praktijk brengen van geïntegreerde bestrijdingstechnieken. Daarnaast dienen de lidstaten de toepassing van gewasspecifieke geïntegreerde-bestrijdingsnormen aan te moedigen.

(15) Het is noodzakelijk dat de vooruitgang wordt gemeten die op het stuk van vermindering van de risico’s en de schadelijke effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu wordt geboekt. Een passend middel daartoe vormen geharmoniseerde risico-indicatoren die op Gemeenschapsniveau worden vastgesteld. De lidstaten dienen deze indicatoren te gebruiken voor het risicobeheer op nationaal niveau en voor rapportagedoeleinden; de Commissie dient indicatoren te berekenen om de vooruitgang op Gemeenschapsniveau te evalueren. In afwachting van het beschikbaar komen van gemeenschappelijke indicatoren dienen de lidstaten gebruik te kunnen maken van eigen nationale indicatoren.

(16) De lidstaten dienen regels vast te stellen met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en ervoor te zorgen dat deze bepalingen ten uitvoer worden gelegd. De sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

(17) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de mogelijk met het gebruik van pesticiden samenhangende risico’s, niet in voldoende mate door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de effecten van de maatregel, beter op Gemeenschapsniveau kunnen worden gerealiseerd, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als omschreven in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(18) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met name wordt zo gestreefd naar de integratie in het communautaire beleid van een hoog niveau van milieubescherming overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling zoals neergelegd in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(19) De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze richtlijn dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [20],

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt een kader vast voor de totstandbrenging van een duurzamer gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu op een manier die verenigbaar is met de noodzakelijke bescherming van de gewassen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op pesticiden in de vorm van gewasbeschermingsmiddelen als omschreven in Verordening (EG) nr. […] betreffende het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

2. Deze richtlijn laat alle overige relevante communautaire wetgeving onverlet.

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(a) ‘gebruik’: alle met pesticiden uitgevoerde handelingen, zoals opslag, hantering, verdunning, vermenging en toepassing;

(b) ‘professionele gebruiker’: elke natuurlijke of rechtspersoon die pesticiden gebruikt in het kader van zijn beroepsactiviteiten, met inbegrip van bedieners van toepassingsapparatuur, technici, werkgevers en in de landbouwsector of daarbuiten werkzame zelfstandigen;

(c) ‘distributeur’: elke natuurlijke of rechtspersoon die ervoor zorgt dat pesticiden in de handel verkrijgbaar zijn, met inbegrip van groothandelaren, kleinhandelaren, verkopers en leveranciers;

(d) ‘voorlichter’: elke natuurlijke of rechtspersoon die advies verstrekt over het gebruik van pesticiden, in voorkomend geval met inbegrip van particuliere zelfstandige voorlichtingsdiensten, handelsagenten, levensmiddelenproducenten of kleinhandelaren;

(e) ‘apparatuur voor de toepassing van pesticiden’: elk apparaat dat specifiek is ontworpen voor de toepassing van pesticiden of producten die pesticiden bevatten;

(f) ‘hulpstukken voor de toepassing van pesticiden’: voorzieningen die op apparatuur voor de toepassing van pesticiden kunnen worden gemonteerd en essentieel zijn voor de goede werking daarvan, zoals sproeikoppen, manometers, filters, zeven en toebehoren voor het schoonmaken van tanks;

(g) ‘sproeien vanuit de lucht’: alle toepassingen van pesticiden vanuit vliegtuigen of helikopters;

(h) ‘geïntegreerde bestrijding’: geïntegreerde bestrijding van plagen als omschreven in Verordening (EG) nr. […];

(i) ‘risico-indicator’: een parameter die kan worden gebruikt bij de beoordeling van de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu.

Artikel 4

Nationale actieplannen ter vermindering van de gevaren, risico’s en afhankelijkheid van pesticiden

1. De lidstaten nemen nationale actieplannen aan teneinde streefcijfers, maatregelen en tijdschema’s vast te stellen om de risico’s - inclusief de gevaren – en de afhankelijkheid van pesticiden te verminderen.

Bij het opstellen en herzien van hun nationale actieplannen houden de lidstaten terdege rekening met de sociale, economische en milieueffecten van de geplande maatregelen.

2. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn delen de lidstaten hun nationale actieplannen mee aan de Commissie en aan de andere lidstaten.

De nationale actieplannen worden ten minste iedere vijf jaar opnieuw bezien en eventuele veranderingen in de nationale actieplannen worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.

3. In voorkomend geval stelt de Commissie de overeenkomstig lid 2 medegedeelde informatie ter beschikking van derde landen.

4. De bepalingen inzake inspraak van het publiek van artikel 2 van Richtlijn 2003/35/EG zijn van toepassing op de opstelling en de wijziging van de nationale actieplannen.

Hoofdstuk II

Opleiding, bewustmakingsprogramma’s en verkoop van pesticiden

Artikel 5

Opleiding

1. De lidstaten zien erop toe dat alle professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters toegang hebben tot een passende opleiding.

De opleiding wordt zo opgezet dat wordt gewaarborgd dat daarbij voldoende kennis van de in bijlage I genoemde onderwerpen wordt verworven.

2. Binnen twee jaar na de in artikel 20, lid 1, genoemde datum zetten de lidstaten een systeem van certificaten op aan de hand waarvan het bewijs kan worden geleverd dat een volledige leergang is gevolgd die ten minste de in bijlage I genoemde onderwerpen omvat.

3. De Commissie kan, overeenkomstig de in artikel 18, lid 3, bedoelde procedure, bijlage I aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

Artikel 6

Voorschriften betreffende de verkoop van pesticiden

1. De lidstaten zien erop toe dat distributeurs die pesticiden verkopen die overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad [21] als vergiftig of zeer vergiftig zijn ingedeeld, ten minste één personeelslid in dienst hebben dat over het in artikel 5, lid 2, bedoelde certificaat beschikt en dat op de plaats van verkoop aanwezig en beschikbaar is om klanten informatie te verschaffen over het gebruik van de pesticiden.

2. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om te garanderen dat de verkoop van pesticiden die uitsluitend voor professioneel gebruik zijn toegelaten, wordt beperkt tot professionele gebruikers die houder zijn van het in artikel 5, lid 2, bedoelde certificaat.

3. De lidstaten eisen van distributeurs die pesticiden voor niet-professioneel gebruik in de handel brengen, dat zij algemene informatie verstrekken over de risico’s van pesticidengebruik, met name wat betreft gevaren, blootstelling, correcte opslag, hantering en toepassing alsook verwijdering.

De maatregelen waarin de leden 1 en 2 voorzien, worden binnen vier jaar na de in artikel 20, lid 1, genoemde datum vastgesteld.

Artikel 7

Bewustmakingsprogramma’s

De lidstaten bevorderen en faciliteren bewustmakingsprogramma’s en de beschikbaarheid van informatie over pesticiden voor het brede publiek, met name over hun gezondheids- en milieueffecten en over alternatieven waarbij geen chemische stoffen worden gebruikt.

Hoofdstuk III

Apparatuur voor de toepassing van pesticiden

Artikel 8

Keuring van apparatuur die in gebruik is

1. De lidstaten zien erop toe dat apparatuur en hulpstukken voor de toepassing van pesticiden die professioneel worden gebruikt, op geregelde tijdstippen aan een keuring worden onderworpen.

Daartoe zetten zij een systeem van certificaten op aan de hand waarvan de keuringen kunnen worden geverifieerd.

2. Bij de keuring wordt geverifieerd of de apparatuur en de hulpstukken voor de toepassing van pesticiden voldoen aan de essentiële gezondheids-, veiligheids- en milieueisen zoals vermeld in bijlage II.

Apparatuur en hulpstukken voor de toepassing van pesticiden die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 17, lid 1, ontwikkelde geharmoniseerde normen, worden geacht te voldoen aan de essentiële gezondheids-, veiligheids- en milieueisen die deel uitmaken van die geharmoniseerde norm.

3. Binnen vijf jaar na de in artikel 20, lid 1, genoemde datum zorgen de lidstaten ervoor dat alle voor professioneel gebruik bestemde apparatuur en hulpstukken voor de toepassing van pesticiden ten minste een keer zijn gekeurd, en dat uitsluitend apparatuur en hulpstukken voor de toepassing van pesticiden die bij de keuring goed zijn bevonden, professioneel worden gebruikt.

4. De lidstaten wijzen de instanties aan die bevoegd zijn voor het uitvoeren van de keuringen en stellen de Commissie daarvan in kennis.

5. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 18, lid 3, bedoelde procedure bijlage II aanpassen aan de vooruitgang van de techniek.

Hoofdstuk IV

Specifieke praktijken en toepassingen

Artikel 9

Sproeien vanuit de lucht

1. De lidstaten verbieden, onverminderd het bepaalde in de leden 2 tot en met 6, het sproeien van pesticiden vanuit de lucht.

2. De lidstaten geven aan en maken bekend voor welke gewassen, gebieden en specifieke toepassingsbehoeften het sproeien vanuit de lucht in afwijking van lid 1 kan worden toegestaan.

3. De lidstaten wijzen de instanties aan die bevoegd zijn voor het toestaan van de ontheffingen en stellen de Commissie daarvan in kennis.

4. Ontheffingen mogen alleen worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(a) er is geen haalbaar alternatief, of er zijn duidelijke voordelen op het stuk van verminderde effecten op de gezondheid en het milieu in vergelijking met de toepassing van pesticiden vanaf de grond;

(b) er worden alleen pesticiden gebruikt waarvan het sproeien vanuit de lucht uitdrukkelijk is toegestaan;

(c) de bediener die het sproeien vanuit de lucht uitvoert, is houder van een certificaat als bedoeld in artikel 5, lid 2.

In de toelating worden de vereiste maatregelen gespecificeerd om omwonenden en omstanders te waarschuwen en het milieu in de omgeving van het besproeide gebied te beschermen.

5. Een professionele gebruiker die pesticiden wil toepassen door sproeien vanuit de lucht, dient daartoe bij de bevoegde instantie een verzoek in dat vergezeld gaat van gegevens die aantonen dat aan de in lid 4 genoemde voorwaarden wordt voldaan.

6. De bevoegde instanties houden een register van toegestane ontheffingen bij.

Artikel 10

Specifieke maatregelen ter bescherming van het aquatische milieu

1. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer pesticiden worden gebruikt in de nabijheid van waterlichamen, bij voorkeur gebruik wordt gemaakt van:

(a) producten die niet gevaarlijk zijn voor het aquatische milieu;

(b) de meest doeltreffende toepassingstechnieken, met inbegrip van het gebruik van toepassingsapparatuur waarbij weinig verwaaiing optreedt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat adequate bufferzones, waar geen pesticiden mogen worden toegepast of opgeslagen, worden afgebakend op de percelen die grenzen aan waterlopen en met name aan de beschermingszones voor de onttrekking van drinkwater die zijn ingesteld overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG.

De omvang van de bufferzones wordt afgestemd op het risico van verontreiniging en op de landbouwkenmerken van het betrokken gebied.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen worden genomen ter beperking van de verwaaiing van de toegepaste pesticiden, ten minste in het geval van opgaande gewassen met inbegrip van boomgaarden, wijngaarden en hopakkers die vlak naast een waterloop gelegen zijn.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van pesticiden zoveel mogelijk wordt beperkt of, voorzover mogelijk, achterwege wordt gelaten op en langs wegen, spoorwegen, zeer doorlaatbare oppervlakken en andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, alsook op afgedichte oppervlakken waar een groot risico van afspoeling in oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat.

Artikel 11

Vermindering van het pesticidengebruik in kwetsbare gebieden

De lidstaten zorgen ervoor dat, met inachtneming van de eisen inzake hygiëne en openbare veiligheid, de volgende maatregelen worden genomen:

(a) het gebruik van pesticiden wordt verboden of tot het noodzakelijke minimum beperkt in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare bevolkingsgroepen worden gebruikt en in elk geval in parken, openbare tuinen, sportterreinen, schoolterreinen en speelplaatsen;

(b) het gebruik van pesticiden wordt verboden of beperkt in speciale beschermingszones en andere gebieden die ten behoeve van de uitvoering van de noodzakelijke natuurbehoudsmaatregelen zijn aangewezen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 79/409/EEG en de artikelen 6, 10 en 12 van Richtlijn 92/43/EEG.

Het verbod of de beperking bedoeld onder b) kan worden gebaseerd op de resultaten van desbetreffende risicobeoordelingen.

Artikel 12

Hantering en opslag van pesticiden en de verpakkingen en restanten daarvan

1. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om te garanderen dat de volgende handelingen de gezondheid of de veiligheid van personen en het milieu niet in gevaar brengen:

(a) de opslag, hantering, verdunning en vermenging van pesticiden vóór de toepassing ervan;

(b) de hantering van verpakkingen en restanten van pesticiden;

(c) de behandeling van pesticidenmengsels die overblijven na de toepassing ervan;

(d) het schoonmaken van de voor de toepassing gebruikte apparatuur.

2. De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen met betrekking tot pesticiden waarvan het niet-professionele gebruik is toegestaan teneinde te vermijden dat daarmee op een gevaarlijke manier wordt omgegaan.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat opslagplaatsen voor pesticiden zo worden ingericht dat het ongewenst vrijkomen daarvan wordt voorkomen.

Artikel 13

Geïntegreerde bestrijding

1. De lidstaten nemen alle maatregelen die nodig zijn om landbouw met lage pesticideninzet te bevorderen, met inbegrip van geïntegreerde bestrijding, en om ervoor te zorgen dat professionele gebruikers van pesticiden geleidelijk overgaan op een milieuvriendelijker gebruik van de diverse beschikbare gewasbeschermingsmaatregelen, waarbij zij zo mogelijk prioriteit geven aan alternatieven waaraan weinig risico is verbonden, en anders aan de producten die binnen het gehele voor de bestrijding van hetzelfde schadelijke organisme ter beschikking staande aanbod de geringste effecten op de menselijke gezondheid en het milieu veroorzaken.

2. De lidstaten scheppen of ondersteunen de schepping van alle noodzakelijke voorwaarden voor het in de praktijk brengen van geïntegreerde bestrijding.

3. Met name zorgen de lidstaten ervoor dat landbouwers kunnen beschikken over systemen – met inbegrip van opleiding overeenkomstig artikel 5 - en instrumenten voor de bewaking van schadelijke organismen en besluitvorming, alsook over adviesdiensten voor geïntegreerde bestrijding.

4. Tegen 30 juni 2013 brengen de lidstaten bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van het bepaalde in de leden 2 en 3, en met name over de vraag of de noodzakelijke voorwaarden voor het in de praktijk brengen van geïntegreerde bestrijding zijn vervuld.

5. De lidstaten zien erop toe dat alle professionele gebruikers van pesticiden uiterlijk tegen 1 januari 2014 de algemene normen inzake geïntegreerde bestrijding toepassen.

6. De lidstaten voorzien in alle nodige stimulansen om landbouwers aan te sporen tot het toepassen van gewasspecifieke normen inzake geïntegreerde bestrijding.

7. De in lid 5 bedoelde algemene normen inzake geïntegreerde bestrijding worden ontwikkeld overeenkomstig de procedure van artikel 52 van Verordening (EG) nr. […].

8. De in lid 6 bedoelde gewasspecifieke normen inzake geïntegreerde bestrijding kunnen worden ontwikkeld overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 98/34/EG.

Hoofdstuk V

Indicatoren, rapportage en uitwisseling van informatie

Artikel 14

Indicatoren

1. De Commissie ontwikkelt overeenkomstig de in artikel 18, lid 3, bedoelde procedure geharmoniseerde risico-indicatoren. Tot het tijdstip waarop die indicatoren worden aangenomen, mogen de lidstaten bestaande nationale indicatoren blijven gebruiken of mogen zij andere passende indicatoren aannemen.

2. De lidstaten gebruiken de overeenkomstig Verordening (EG) nr. [ESTAT...] verzamelde gegevens voor de volgende doeleinden:

(a) berekening van gemeenschappelijke en geharmoniseerde risico-indicatoren op nationaal niveau;

(b) signalering van trends inzake het gebruik van specifieke werkzame stoffen, met name wanneer op Gemeenschapsniveau restricties ten aanzien van het gebruik daarvan zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. […];

(c) aanwijzing van prioritaire werkzame stoffen of prioritaire gewassen of onduurzame praktijken die extra aandacht verdienen, of goede praktijken die als voorbeeld kunnen worden gesteld ter bereiking van de doelstellingen van deze richtlijn op het stuk van vermindering van het risico en de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen.

3. De lidstaten brengen de resultaten van de overeenkomstig lid 2 uitgevoerde evaluaties ter kennis van de Commissie en van de andere lidstaten.

4. De Commissie gebruikt de overeenkomstig Verordening (EG) nr. [ESTAT...] verzamelde statistische gegevens en de in lid 3 bedoelde informatie voor de berekening van risico-indicatoren op Gemeenschapsniveau, teneinde de trends met betrekking tot de risico’s van pesticidengebruik in te schatten.

Deze gegevens en informatie worden tevens door de Commissie gebruikt voor de beoordeling van de vooruitgang bij het bereiken van de doelstellingen van ander communautair beleid dat erop gericht is de effecten van pesticiden op de gezondheid van mensen en dieren en op het milieu te verminderen.

5. Met het oog op lid 2, onder a), en lid 3, worden de risico-indicatoren berekend op basis van inputgegevens betreffende gevaren en blootstelling, gegevens over het pesticidengebruik, gegevens over de kenmerken van de pesticiden, meteorologische gegevens en gegevens over de bodem.

Artikel 15

Rapportage

De Commissie dient op geregelde tijdstippen bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in over de met de uitvoering van deze richtlijn geboekte vooruitgang, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van wijzigingsvoorstellen

Hoofdstuk VI

Slotbepalingen

Artikel 16

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en zij treffen alle nodige maatregelen om de daadwerkelijke toepassing ervan te garanderen. De opgelegde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 12 maanden na de in artikel 20, lid 1, genoemde datum in kennis van die bepalingen en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

Artikel 17

Normalisatie

1. De in artikel 8, lid 2, bedoelde normen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 6, lid 3, van Richtlijn 98/34/EG.

Een verzoek tot ontwikkeling van dergelijke normen kan worden geformuleerd in overleg met het in artikel 18, lid 1, bedoelde comité.

2. De Commissie publiceert de verwijzingen naar de normen in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3. Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat een norm niet volledig beantwoordt aan de essentiële eisen die daarin aan de orde zijn, legt de Commissie of de betrokken lidstaat de zaak, met uiteenzetting van de argumenten, voor aan het bij Richtlijn 98/34/EG ingestelde comité. Dat comité brengt zonder verwijl advies uit.

In het licht van het advies van dat comité beslist de Commissie om de verwijzingen naar de betrokken geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie te publiceren, niet te publiceren, onder voorbehoud te publiceren, te handhaven, onder voorbehoud te handhaven of in te trekken.

Artikel 18

Comité’s

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad [22] opgerichte Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 19

Uitgaven

Teneinde de totstandkoming van een geharmoniseerd beleid en geharmoniseerde systemen op het gebied van duurzaam gebruik van pesticiden te ondersteunen, financiert de Commissie in voorkomend geval:

(a) de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem, inclusief een geschikte databank om alle informatie betreffende pesticidenrisico-indicatoren te verzamelen en op te slaan en deze informatie ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteiten, andere belanghebbende partijen en het grote publiek;

(b) de uitvoering van studies die nodig zijn voor het voorbereiden en opstellen van wetgeving, met inbegrip van de aanpassing van de bijlagen van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek;

(c) de ontwikkeling van richtsnoeren en beste praktijken om de uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken.

Artikel 20

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [datum van inwerkingtreding + 2 jaar] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de […] dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 22

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, […]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE I

Opleidingsprogramma’s

De opleidingsprogramma’s worden op zodanige wijze opgezet dat de cursisten een voldoende kennis verwerven van de volgende onderwerpen:

1. alle relevante wetgeving betreffende pesticiden en het gebruik ervan;

2. de aan pesticiden verbonden gevaren en risico’s en hoe die kunnen worden vastgesteld en beheerst, met name:

a) risico’s voor de mens (bedieners van toepassingsapparatuur, omwonenden, omstanders, personen die een behandeld gebied betreden en personen die behandelde items hanteren of consumeren) en hoe die worden verhoogd door factoren zoals roken,

b) symptomen van pesticidenvergiftiging en eerste-hulpmaatregelen,

c) risico’s voor andere plantensoorten dan de doelsoort en voor nuttige insecten, de wilde fauna, de biodiversiteit en het milieu in het algemeen;

3. basiskennis van geïntegreerde bestrijdingsstrategieën en –technieken, geïntegreerde gewasbeheerstrategieën en –technieken en beginselen van biologische landbouw; informatie betreffende algemene en gewasspecifieke normen inzake geïntegreerde bestrijding;

4. een eerste kennismaking met vergelijkend onderzoek voor gebruikers, teneinde professionele gebruikers te helpen de beste keuze te maken tussen alle toegestane producten voor de bestrijding van een gegeven schadelijk organisme in een gegeven situatie;

5. maatregelen om de risico’s voor de mens, niet-doelsoorten en het milieu zoveel mogelijk te beperken: veilige werkpraktijken voor de opslag, de hantering en de vermenging van pesticiden en voor de verwijdering van lege verpakkingen, ander verontreinigd materiaal en pesticidenoverschotten (met inbegrip van mengsels uit tanks), in geconcentreerde dan wel in verdunde vorm; aanbevolen manieren om de blootstelling van bedieners van toepassingsapparatuur te beperken (materiaal voor persoonlijke bescherming);

6. procedures voor het gereedmaken van toepassingsapparatuur voor het gebruik, met inbegrip van het kalibreren, en voor de bediening ervan met minimaal risico voor de gebruiker, andere mensen, niet-doelsoorten (dieren zowel als planten), de biodiversiteit en het milieu;

7. het gebruik van toepassingsapparatuur en het onderhoud daarvan, alsook specifieke sproeitechnieken (bijvoorbeeld kleinvolumeversproeiing, gebruik van sproeikoppen die verwaaiing tegengaan), en voorts de doelstellingen van de technische controle van sproeiers die in gebruik zijn en manieren om de sproeikwaliteit te verbeteren;

8. noodmaatregelen ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in het geval van accidentele verliezen en verontreiniging;

9. gezondheidsbewaking en contactpunten voor het rapporteren van eventuele incidenten of aanleidingen tot bezorgdheid;

10. registratie van elk gebruik van pesticiden, conform de toepasselijke wetgeving.

BIJLAGE II

Gezondheids-, veiligheids- en milieueisen in het kader van de keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden

De keuring van apparatuur voor de toepassing van pesticiden dient alle aspecten te behelzen die van belang zijn voor het bereiken van een hoog niveau van veiligheid en bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en voor een maximale doeltreffendheid van de pesticidentoepassing door het garanderen van de correcte werking – voorzover toepasselijk – van de volgende voorzieningen en functies:

(1) Aandrijvingssysteem

De bescherming van de aftakas van de aandrijving en de bescherming van de aansluiting op de voeding moeten zijn aangebracht en dienen in goede staat te verkeren, en de beschermingsvoorzieningen alsook alle bewegende of roterende onderdelen van het krachtoverbrengingssysteem dienen ongehinderd te kunnen functioneren zodat de bediener geen gevaar loopt.

(2) Pomp

De capaciteit van de pomp dient te zijn afgestemd op de behoeften van de apparatuur en de pomp dient naar behoren te functioneren om een stabiel en gelijkmatig toepassingsdebiet te garanderen. De pomp mag niet lekken.

(3) Roeren/schudden

Roerders/schudders moeten zorgen voor een correctie recirculatie, zodat in het hele volume vloeibaar sproeimengsel in de tank een gelijkmatige concentratie wordt bereikt.

(4) Sproeivloeistoftank

De sproeivloeistoftanks, met inbegrip van peilindicatoren, vulinrichtingen, zeven en filters, ledigings- en menginrichtingen dienen zodanig te functioneren dat accidentele verliezen, ongelijkmatige concentratie, blootstelling van de bediener alsook de in de apparatuur achterblijvende hoeveelheid sproeivloeistof worden geminimaliseerd.

(5) Meet-, controle- en regelsystemen

Alle meetapparatuur en alle inrichtingen voor het in- en uitschakelen en voor het regelen van de druk en/of het debiet dient betrouwbaar te functioneren en lekvrij te zijn. Tijdens de toepassing van de pesticiden moet de druk vlot te regelen zijn en moet de drukregelingsapparatuur vlot kunnen worden bediend. Door middel van drukregelingsapparatuur moet bij een constant toerental van de pomp een constante werkdruk worden gehandhaafd om te garanderen dat constante volumes worden toegediend.

(6) Leidingen en slangen

De leidingen en slangen dienen in een goede staat te verkeren om verstoringen van de vloeistofstroming en accidentele verliezen bij defecten te vermijden. De leidingen en slangen mogen geen lekken vertonen wanneer zij bij de maximale druk die in het systeem kan worden geleverd, worden belast.

(7) Filters

Ter voorkoming van turbulentie en ongelijkmatig sproeien dienen de filters in een goede staat te verkeren en dient de maaswijdte van de filters te zijn afgestemd op de grootte van de sproeikoppen die op de sproeier zijn aangebracht. Het verklikkersysteem voor verstopte filters dient naar behoren te functioneren.

(8) Sproeiboom (voor apparatuur waarmee pesticiden worden versproeid met behulp van een horizontaal geplaatste boom die in de nabijheid van het gewas of het te behandelen materiaal wordt gebracht)

De sproeiboom dient in goede staat te verkeren en in alle richtingen stabiel te zijn. De bevestigings- en verstelsystemen en de inrichtingen voor het dempen van accidentele bewegingen en voor het compenseren van hellingen dienen betrouwbaar te functioneren.

(9) Sproeikoppen

De sproeikoppen moeten naar behoren functioneren zodat druipen wordt voorkomen wanneer het sproeien wordt stopgezet. Teneinde homogene versproeiing te garanderen, mag het debiet van elke sproeikop afzonderlijk niet meer dan 5 % afwijken van de waarde die in de door de fabrikant verstrekte debiettabel wordt vermeld.

(10) Spreiding

De spreiding van het sproeimengsel in de dwarsrichting en in de verticale richting (in het geval van toepassing bij opstaande gewassen) en de spreiding in de richting van de beweging dienen gelijkmatig te zijn. Er moet voor worden gezorgd dat de toegediende hoeveelheid sproeimengsel en de spreiding daarvan adequaat zijn voor het te behandelen oppervlak.

(11) Blower (voor apparatuur waarbij pesticiden met behulp van lucht worden verspreid)

De blower moet in goede staat verkeren en moet zorgen voor een constante en gelijkmatige luchtstroom.

FINANCIEEL MEMORANDUM

Dit document dient als aanvulling op de toelichting. Vul dit financieel memorandum dus in zonder informatie uit de toelichting te herhalen, voorzover de leesbaarheid dit toelaat. Lees voor het invullen de specifieke richtsnoeren voor de onderstaande punten.

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

Milieu (ABB code 0703: Tenuitvoerlegging van milieubeleid en –wetgeving van de Gemeenschap.

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

Financieel instrument voor het Milieu (LIFE+ voor de periode 2007-2013) (07.03.07)

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Voor de periode 2007-2013 worden de vereiste kredieten gedekt door de middelen die reeds zijn uitgetrokken voor het LIFE+ -programma; er wordt geen extra bedrag gevraagd.

3.3. Begrotingskenmerken (voeg zo nodig rijen toe):

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzich-ten |

07 03 07 | Niet-verplicht | GK | NEE | NEE | NEE | nr. [2] |

4.

OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Soort uitgave | Punt nr. | | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 e. v. | Totaal |

Beleidsuitgaven [23] | | | | | | | | |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | A | 0,227 | 0,161 | 0,161 | 0,134 | 0,134 | 0,107 | 0,924 |

Betalingskredieten (BK) | | B | 0,151 | 0,153 | 0,170 | 0,143 | 0,129 | 0,109 | 0,855 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag [24] | | | | |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4 | C | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG | | | | | | | |

Vastleggingskredieten | | A+c | 0,227 | 0,161 | 0,161 | 0,134 | 0,134 | 0,107 | 0,924 |

Betalingskredie-ten | | B+c | 0,151 | 0,153 | 0,170 | 0,143 | 0,129 | 0,109 | 0,855 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen [25] | | |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | D | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,648 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6 | E | 0,000 | 0,111 | 0,031 | 0,111 | 0,031 | 0,111 | 0,395 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | | a+c+d+e | 0,335 | 0,380 | 0,300 | 0,353 | 0,273 | 0,326 | 1,967 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | | b+c+d+e | 0,259 | 0,372 | 0,309 | 0,362 | 0,268 | 0,328 | 1,898 |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan een bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Medefinancieringsbron | | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 e. v. | Totaal |

…………………… | f | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f | 0,335 | 0,380 | 0,300 | 0,353 | 0,273 | 0,326 | 1,967 |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

X Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord [26] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

X Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

NB: Alle gegevens en opmerkingen over de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten moeten in een aparte bijlage worden vermeld.

in miljoenen euro’s (tot op één decimaal nauwkeurig)

| | Vóór de actie [2007] | | Situatie na de actie |

Begrotings-onderdeel | Ontvangsten | | | [2008] | [2009] | [2010] | [2011] | [2012] | [2013] [27] |

| a) Ontvangsten in absolute bedragen | | | | | | | | |

| b) Verschil in ontvangsten | | | | | | | | |

(Vermeld elk betrokken begrotingsonderdeel; voeg extra regels toe wanneer er gevolgen zijn voor meer dan een begrotingsonderdeel.)

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 e. v. |

Totale personele middelen in VTE | 1A*/ AD | 1A*/ AD | 1A*/ AD | 1A*/ AD | 1A*/ AD | 1A*/ AD |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

Gegevens over de context van het voorstel moeten in de toelichting worden verstrekt. Geef in dit deel van het financieel memorandum de volgende aanvullende informatie:

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Betere bescherming van volksgezondheid en milieu tegen schadelijke effecten van pesticiden (zie Toelichting, onderdeel "Motivering en doel van het voorstel"). Daartoe zijn financiële middelen nodig voor:

– de ontwikkeling van een geharmoniseerd systeem, waaronder een geschikte databank om alle informatie betreffende pesticidenrisicoindicatoren te verzamelen en op te slaan en deze informatie ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteiten, andere belanghebbende partijen en het grote publiek;

– de uitvoering van de nodige studies voor de voorbereiding en ontwikkeling van wetgeving, inclusief de aanpassing van de bijlagen bij deze richtlijn aan de technische vooruitgang; en

– de ontwikkeling van richtsnoeren en beste praktijken om de tenuitvoerlegging van deze richtlijn te vergemakkelijken.

De principes van Verordening nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen worden volledig in acht genomen.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

Zonder betrokkenheid van de Gemeenschap zou de huidige heterogene situatie in de lidstaten voortduren (zie ook punt 3 van de Toelichting).

De beleidsuitgaven worden gefinancierd uit het gedeelte van het LIFE+ -budget dat onder direct centraal beheer valt.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

Vermindering van de effecten van pesticiden op de menselijke gezondheid en het milieu en meer in het algemeen totstandbrenging van een duurzamer gebruik van pesticiden en een significante algemene vermindering van de risico's en het gebruik van pesticiden die strookt met de noodzakelijke gewasbescherming. Met name worden de volgende specifieke doelstellingen nagestreefd:

(i) maximale beperking van de aan het gebruik van pesticiden verbonden gevaren en risico's voor gezondheid en milieu;

(ii) verbeterde controles op het gebruik en de distributie van pesticiden;

(iii) vermindering van de gehalten aan schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door veiliger, met inbegrip van niet-chemische, alternatieven;

(iv) bevorderen van teelten met een gering of nulgebruik van pesticiden, met name door bewustmaking van de gebruikers, het promoten van gedragscodes en het in overweging nemen van de inzet van financiële instrumenten;

(v) het opzetten van een transparant systeem voor rapportage en monitoring van de gemaakte vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, met inbegrip van de ontwikkeling van passende indicatoren.

Geharmoniseerde indicatoren zullen in een later stadium worden ontwikkeld en vastgesteld. Deze zullen dan worden gebruikt voor bewaking van de tenuitvoerlegging en de effecten.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Voor de uitvoering van de actie gekozen methode(n) [28].

X Gecentraliseerd beheer

X rechtstreeks door de Commissie

ٱ gedelegeerd aan:

ٱ uitvoerende agentschappen

ٱ door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

ٱ nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

ٱ met lidstaten

ٱ met derde landen

ٱ Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen:

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

De lidstaten zullen verslag moeten uitbrengen over alle acties en maatregelen die zij vaststellen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn en - zodra de nodige wetgeving van kracht is - over het werkelijke pesticidengebruik.

Door de Commissie gesloten contracten met het oog op de tenuitvoerlegging van de richtlijn moeten voorzien in toezicht en financiële controle door de Commissie (of een door haar gemachtigde vertegenwoordiger) alsook in audits door de Rekenkamer, indien nodig ter plaatse.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Zie de effectbeoordeling die als werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit voorstel is gevoegd. De effecten van alle voorgestelde maatregelen zijn beoordeeld uit economisch, sociaal, gezondheids- en milieuoogpunt.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

De in de kaderrichtlijn voorgestelde maatregelen zijn gebaseerd op de evaluatie van de situatie door en de ervaringen van de lidstaten. Bij de effectbeoordeling is met deze evaluaties rekening gehouden.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Regelmatige evaluatie van de doeltreffendheid van de richtlijn binnen de "Deskundigengroep thematische strategie", die aanbevelingen zal doen voor passende richtsnoeren, beste praktijken en de nodige wijzigingen in de richtlijn en de tenuitvoerlegging daarvan.

7. Fraudebestrijdingsmaatregelen

Volledige toepassing van de interne controlenormen nrs. 14, 15, 16, 18, 19, 20 en 21, alsook van de principes van Verordening nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

De Commissie ziet erop toe dat bij de tenuitvoerlegging van uit hoofde van dit programma gefinancierde acties de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

(Vermeld de doelstellingen, acties en outputs) | Soort output | Gem. kosten | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 e. v. | TOTAAL |

| | | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten |

BELEIDSDOELSTELLING nr. 1 ontwikkeling en onderhoud van een database | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1: opzetten van de databank | | 0,100 | 1 | 0,100 | 0 | 0,000 | 0 | 0,000 | 0 | 0,000 | 0 | 0,000 | 0 | 0,000 | 1 | 0,100 |

Actie 2: opzetten van de databank | | 0,030 | 0 | 0,000 | 1 | 0,030 | 1 | 0,030 | 1 | 0,030 | 1 | 0,030 | 1 | 0,030 | 5 | 0,150 |

Subtotaal doelstelling 1 | | | | 0,100 | | 0,030 | | 0,030 | | 0,030 | | 0,030 | | 0,030 | | 0,250 |

BELEIDSDOELSTELLING nr. 2 uitvoering van studies voor de ontwikkeling van wetgeving (aanpassing van bijlagen aan de technische vooruitgang, ontwikkeling van richtsnoeren) | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1: studies door een externe consultant | | 0,050 | 1 | 0,050 | 2 | 0,100 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 7 | 0,350 |

Actie 2: bijeenkomsten van het deskundigennetwerk | | 0,027 | 1 | 0,027 | 3 | 0,081 | 3 | 0,081 | 2 | 0,054 | 2 | 0,054 | 1 | 0,027 | 12 | 0,324 |

Subtotaal doelstelling 2 | | | | 0,077 | | 0,181 | | 0,131 | | 0,104 | | 0,104 | | 0,077 | | 0,674 |

TOTALE KOSTEN | | | | 0,177 | | 0,211 | | 0,161 | | 0,134 | | 0,134 | | 0,107 | | 0,924 |

8.2. Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Soort post | | Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie (aantal posten/VTE) |

| | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 |

Ambtena-ren of tijdelijk personeel [29] (XX 01 01) | A*/AD | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |

| B*, C*/AST | | | | | | |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel [30] | | | | | | |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel [31] | | | | | | |

TOTAAL | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Verificatie van de tenuitvoerlegging in de lidstaten en opzetten van een informatieuitwisselingssysteem overeenkomstig artikel 16 van het voorstel met het oog op de opstelling van maatregelen voor de eventuele aanpassing van de richtlijn of de bijlagen daarbij aan de technische vooruitgang.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

(Wanneer meer dan een bron wordt vermeld, geef dan het aantal posten per bron)

Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

X Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

8.2.4.

Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Begrotingsonderdeel(nummer en omschrijving) | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013e.v. | TOTAAL |

1 Technische en administratieve bijstand (inclusief bijbehorende personeelsuitgaven) | | | | | | | |

Uitvoerende agentschappen [32] | | | | | | | |

Andere technische en administratieve bijstand | | | | | | | |

- intern | | | | | | | |

- extern | | | | | | | |

Totaal Technische en administratieve bijstand | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Soort personeel | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.)(vermeld begrotingsonderdeel) | | | | | | |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen) | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 | 0,108 |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1

Het standaardsalaris for 1A* /AD als bedoeld in punt 8.2.1 bedraagt 0,108 M€.

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1

8.2.6 Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepenin miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) |

| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | 0,000 | 0,004 | 0,004 | 0,004 | 0,004 | 0,004 | 0,020 |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | 0,000 | 0,080 | 0,000 | 0,080 | 0,000 | 0,080 | 0,240 |

XX 01 02 11 03 – Comités [33] | 0,000 | 0,027 | 0,027 | 0,027 | 0,027 | 0,027 | 0,135 |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 |

XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 | 0,000 |

2 Totaal andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | | | | | | | |

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) | | | | | | | |

Totale andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,000 | 0,111 | 0,031 | 0,111 | 0,031 | 0,111 | 0,395 |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

Voor de periode 2009-2013 worden jaarlijks 4 missies met een kostprijs van 1000€ elk gepland; deze zijn bedoeld om de doelstellingen en maatregelen van de thematische strategie uit te leggen en de implementatie daarvan in de lidstaten te vergemakkelijken.

Voor de periode 2009-2013 staat om de twee jaar een conferentie gepland (kostprijs per keer: 80.000€) om belanghebbenden en bevoegde instanties te raadplegen over de tenuitvoerlegging van de maatregelen van de thematische strategie.

Vanaf 2009 is jaarlijks een bijeenkomst van de Commissie gepland (kostprijs per keer: 27.000€) om informatie uit te wisselen met het oog op de vaststelling van passende richtsnoeren en aanbevelingen die een grotere mate van harmonisatie tussen de lidstaten mogelijk moeten maken.

De behoeften aan personele en administratieve middelen zullen worden gedekt met de kredieten die in het kader van de jaarlijks toewijzingsprocedure aan het beherende DG worden toegewezen.

[1] PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

[2] COM(2002) 349 def.

[3] PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.

[4] PB C […] van […], blz. […].

[5] PB C […] van […], blz. […].

[6] PB C […] van […], blz. […].

[7] PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

[8] PB L […].

[9] PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking nr. 2455/2001/EG (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

[10] PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 178/2006 van de Commissie (PB L 29 van 2.2.2006, blz. 3).

[11] PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.

[12] PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

[13] PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11. Richtlijn gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 2003.

[14] PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50.

[15] PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

[16] PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

[17] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[18] PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.

[19] PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

[20] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[21] PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

[22] PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

[23] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[24] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[25] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[26] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[27] Voeg zo nodig extra kolommen toe (wanneer de duur van de actie langer is dan 6 jaar).

[28] Verstrek, indien meer dan een methode wordt aangekruist, extra informatie onder Opmerkingen.

[29] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[30] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[31] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[32] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[33] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.

--------------------------------------------------

Top