Este documento es un extracto de la web EUR-Lex
Documento 52006PC0160
Amended proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on services in the internal market
Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt
Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt
/* COM/2006/0160 def. - COD 2004/0001 */
Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt /* COM/2006/0160 def. - COD 2004/0001 */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 4.4.2006 COM(2006) 160 definitief 2004/0001 (COD) Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende diensten op de interne markt (door de Commissie ingediend) TOELICHTING De Commissie dient een gewijzigd voorstel in voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt. In het gewijzigde voorstel zijn de voor de Commissie aanvaardbare amendementen opgenomen die het Europees Parlement in eerste lezing heeft voorgesteld, alsook veel van de door de Raad besproken verduidelijkingen. Het stemt volledig overeen met de conclusies van de Europese Raad, waarin benadrukt werd dat de interne markt voor diensten volledig operationeel moet worden gemaakt, terwijl het Europees sociaal model behouden moet blijven. 1. CHRONOLOGISCH OVERZICHT De Commissie heeft haar voorstel op 13 januari 2004 goedgekeurd. Het is op 6 februari 2004 formeel bij het Europees Parlement en de Raad ingediend. Het Comité van de Regio's heeft op 29 september 2004 advies uitgebracht en het Europees Economisch en Sociaal Comité op 9 februari 2005. Het Europees Parlement heeft op 16 februari 2006 in eerste lezing een wetgevingsresolutie goedgekeurd en amendementen op het voorstel van de Commissie voorgesteld. 2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE De basis voor economische groei en werkgelegenheid in de EU versterken . Het voorstel maakt deel uit van het proces van economische hervormingen dat in het kader van de Lissabonstrategie in gang is gezet. Aangezien diensten de hoofdmoot van de EU-economie vormen, zijn concurrerende dienstenmarkten essentieel voor economische groei. Veel dienstenbedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, kunnen momenteel niet over de landsgrenzen heen groeien en volledig van de interne markt profiteren als gevolg van zeer uiteenlopende belemmeringen op de interne markt. Ook de algehele concurrentiekracht van het EU-bedrijfsleven wordt hierdoor aangetast, niet alleen de dienstensector maar ook de industrie, die in toenemende mate van hoogwaardige diensten afhankelijk is. Ook wordt Europa hierdoor minder aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Een echte interne markt voor diensten tot stand brengen door de juridische en administratieve belemmeringen voor de ontwikkeling van dienstenactiviteiten weg te nemen . Deze belemmeringen hinderen zowel dienstverrichters die zich in een andere lidstaat willen vestigen, als dienstverrichters die vanuit hun lidstaat van vestiging een dienst in een andere lidstaat willen verrichten, bijvoorbeeld door zich tijdelijk naar die lidstaat te begeven. Met het voorstel wordt beoogd de uitoefening van deze twee in het EG-Verdrag verankerde fundamentele vrijheden – de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten – te vergemakkelijken en dienstverrichters meer rechtszekerheid te geven. De rechten van consumenten als gebruikers van diensten versterken . Aan de vraag van consumenten naar grensoverschrijdende diensten wordt niet voldaan als gevolg van aanzienlijke juridische en administratieve problemen en een gebrek aan informatie over, en vertrouwen in, diensten uit andere lidstaten. In het voorstel worden deze problemen aangepakt door de lidstaten te verplichten beperkingen ten aanzien van het gebruik van grensoverschrijdende diensten weg te nemen, door het non-discriminatiebeginsel toe te passen en door meer transparantie en informatie van de dienstverrichters te verlangen. Wettelijke verplichtingen voor de lidstaten creëren met het oog op doeltreffende administratieve samenwerking. Doeltreffende en goed lopende administratieve samenwerking is cruciaal voor een goed werkende interne markt. De regelgevingsinstanties in de lidstaten zijn slecht op de hoogte van het wettelijke kader en de controle in andere lidstaten, en hebben er dan ook weinig vertrouwen in. Dit leidt tot overlappingen van de regelgeving voor en de controles op grensoverschrijdende activiteiten, terwijl oneerlijke marktdeelnemers ervan kunnen profiteren om zich aan toezicht te onttrekken of de nationale regels te omzeilen, hetgeen voor de gebruikers van de diensten risico's oplevert. Het voorstel verplicht tot uitwisseling van informatie en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten op basis van een doeltreffend elektronisch informatiesysteem waarmee de bevoegde instanties hun gesprekspartners in andere lidstaten gemakkelijk kunnen identificeren en zij met elkaar kunnen communiceren. 3. ADVIES VAN DE COMMISSIE OVER DE AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT 3.1 Werkingssfeer en andere algemene bepalingen (artikelen 1 t/m 4) Diensten van algemeen belang. De amendementen 13, 44, 72 (gedeeltelijk) en 289 , betreffende de artikelen 1 en 2 en de overwegingen dienaangaande, maken duidelijk dat diensten van algemeen economisch belang onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, maar dat de richtlijn niet voorziet in de liberalisering van die diensten of in de privatisering van openbare inrichtingen die dergelijke diensten aanbieden, en evenmin betrekking heeft op hun financiering of op staatssteun. Amendement 73 verduidelijkt in artikel 2 dat diensten van algemeen belang buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen. De Commissie stemt in met amendement 44, de desbetreffende delen van amendement 72 en amendement 289. Ook de amendementen 13 en 73 aanvaardt de Commissie, maar zij wijzigt de bewoordingen van amendement 73 (artikel 2) en amendement 13 (nieuwe overweging 7 bis) enigszins om duidelijk te maken dat diensten van algemeen economisch belang - afgezien van enkele specifieke sectoren die expliciet worden uitgesloten - binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, omdat deze diensten om economische redenen worden verricht. Gezondheidszorgdiensten. Amendement 78 sluit particuliere en openbare gezondheidszorgdiensten uit van de werkingssfeer door in artikel 2 een wijziging ter zake aan te brengen. Amendement 304 specificeert in overweging 10 quater dat deze uitsluiting geldt voor medische en farmaceutische diensten die gezondheidswerkers aan patiënten verlenen om hun gezondheid te beoordelen, te bewaren of te herstellen. De amendementen 233/403 maken in artikel 1 duidelijk dat de richtlijn de openbare gezondheidszorgdiensten en de toegang van verrichters van gezondheidszorgdiensten tot openbare financiering onverlet laat. Amendement 305 voegt een nieuwe overweging 10 quinquies toe, waarin wordt uitgelegd dat de richtlijn de terugbetaling van de kosten van gezondheidszorg die in een andere lidstaat wordt verstrekt, onverlet laat en benadrukt dat deze kwestie met het oog op de rechtszekerheid en duidelijkheid in een ander wetgevingsinstrument moet worden behandeld. De Commissie aanvaardt de uitsluiting van gezondheidszorgdiensten van de werkingssfeer en bevestigt haar toezegging om een specifiek initiatief voor gezondheidszorgdiensten te nemen. De amendementen 78, 304 en 305 worden dan ook aanvaard. De amendementen 233/403 betreffende openbare gezondheidszorgdiensten zijn overbodig geworden door de overlapping met de definitie in artikel 2. Sociale diensten. Amendement 292 geeft in artikel 1 aan dat de richtlijn diensten die een doelstelling van maatschappelijk welzijn beogen, onverlet laat en amendement 252 , betreffende artikel 2, sluit sociale diensten zoals diensten voor sociale huisvesting, kinderverzorging en gezinshulp, van de werkingssfeer van de richtlijn uit. De amendementen 294 en 296 betreffen twee nieuwe overwegingen waarin de aard van sociale diensten, en met name van diensten voor sociale huisvesting, kinderverzorging en gezinshulp, wordt toegelicht. Amendement 295 voegt een overweging toe waarin wordt gespecificeerd dat de richtlijn geen betrekking heeft op de financiering van sociale huisvesting en steunregelingen daarvoor, noch op de criteria en voorwaarden die de lidstaten voor diensten van sociale huisvesting vaststellen. Amendement 10 voegt daar in een andere overweging nog aan toe dat de richtlijn geen betrekking heeft op voorwaarden die de toegang tot publieke middelen, bijvoorbeeld voor sociale diensten, regelen. De Commissie is van mening dat uitsluitingen van de richtlijn duidelijk moeten worden gedefinieerd om de rechtszekerheid te vergroten en uiteenlopende interpretaties in de lidstaten te vermijden. Zij wijzigt daarom de formulering van de definitie van amendement 252 (artikel 2) en voegt de amendementen 294 en 296 in een nieuwe overweging 10 nonies samen om duidelijk te maken dat de uitsluiting van de richtlijn geldt voor sociale diensten op het gebied van sociale huisvesting, kinderverzorging en hulp aan gezinnen en personen in nood, die vanwege hun maatschappelijk belang worden verleend door de staat of door dienstverrichters die hiervoor een opdracht hebben gekregen van de staat met het doel ondersteuning te geven aan personen met bijzondere behoeften. Amendement 292 wordt hierdoor overbodig. De formulering van amendement 295 wordt gewijzigd om te verduidelijken dat het gaat om sociale diensten in het algemeen, en niet alleen om sociale huisvesting. Amendement 10 wordt als zodanig aanvaard. Amendement 232 wijst op de specifieke sociale rol van niet-commerciële sportactiviteiten. Dit amendement wordt aanvaard en wordt verwerkt in de nieuwe overweging 16 bis, waarbij de formulering met het oog op de juridische samenhang van de tekst wordt aangepast. Uitsluiting van andere sectoren en volledige uitsluiting van belastingen. De amendementen 300 en 302/332 betreffen artikel 2 en sluiten respectievelijk uitzendbedrijven en beveiligingsdiensten van de werkingssfeer van de richtlijn uit. In de overwegingen dienaangaande, die door de amendementen 301 en 303 worden toegevoegd, wordt benadrukt dat de voorschriften voor deze sectoren volledig geharmoniseerd moeten worden. Amendement 77 sluit juridische diensten uit voorzover deze onder andere communautaire instrumenten vallen. De amendementen 79, 80 en 81 , betreffende artikel 2, en de amendementen 16, 17 en 18 , betreffende de overwegingen dienaangaande, sluiten audiovisuele diensten , ongeacht hun wijze van productie, distributie en doorgifte, gokactiviteiten en beroepsgroepen die betrokken zijn bij de uitoefening van het openbaar gezag , met name notarissen, van de werkingssfeer uit. De Commissie aanvaardt de uitsluiting van diensten van uitzendbedrijven en particuliere beveiligingsdiensten (amendementen 300 en 302/333). De noodzaak van volledige harmonisering voor uitzendbedrijven en beveiligingsdiensten is echter niet bewezen en de amendementen 301 en 303 kunnen om die reden niet worden aanvaard. Amendement 77, betreffende de uitsluiting van juridische diensten, wordt door de Commissie niet aanvaard. Het is namelijk overbodig omdat in artikel 3 al is bepaald dat in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van de dienstenrichtlijn en een bepaling van een ander communautair instrument dat betrekking heeft op specifieke aspecten van een dienstenactiviteit, laatstgenoemde bepaling voorrang heeft. De Commissie aanvaardt de uitsluiting van audiovisuele diensten (amendement 79) en heeft de formulering van amendement 19 (nieuwe overweging 10 sexies) gewijzigd om de tekst in overeenstemming te brengen met het amendement op het artikel en te verduidelijken dat de richtlijn geen betrekking heeft op in de audiovisuele sector verstrekte steun, die onder de mededingingsregels van de Gemeenschap valt. Ook de uitsluiting van gokdiensten aanvaardt de Commissie naar de geest, maar zij wijzigt de formulering van de amendementen 17 en 80 om de uitsluiting strikt te beperken tot gokactiviteiten als zodanig. De amendementen 18 en 81, betreffende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de uitoefening van het openbaar gezag, aanvaardt de Commissie slechts gedeeltelijk en zij stemt de formulering van de uitsluiting af op de nauwkeurige begrenzingen in artikel 45 van het EG-Verdrag, waar voorzien is in een afwijking van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten voor specifieke activiteiten die een rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden, en niet voor volledige beroepsgroepen als zodanig. De Commissie aanvaardt de volledige uitsluiting van belastingen in amendement 82 , betreffende artikel 2, en amendement 19 (overweging 11). De amendementen 14, 15, 20, 74, 75 en 306 betreffen de uitsluiting van sectoren (in artikel 2 en de overwegingen dienaangaande) die in het oorspronkelijke voorstel werden omschreven als financiële diensten, elektronische-communicatiediensten en vervoerdiensten , maar brengen daarin verduidelijkingen aan. De Commissie kan de amendementen 14, 15, 20, 74 en 306 als zodanig, of met aanpassing van de formulering omwille van de juridische samenhang van de tekst, aanvaarden (zie artikel 2, overweging 9 en de nieuwe overwegingen 10 bis en 10 ter), maar amendement 75 niet omdat de desbetreffende toelichting over telecommunicatiediensten al in overweging 10 bis is opgenomen. Specifieke rechtsgebieden . Amendement 298 verduidelijkt in artikel 1 de relatie van de richtlijn tot de door de lidstaten en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende grondrechten en amendement 299 voegt een nieuwe overweging in waarin wordt aangegeven dat de richtlijn zo moet worden geïnterpreteerd dat de uitoefening van de grondrechten in overeenstemming wordt gebracht met de fundamentele vrijheden die in de artikelen 43 en 49 van het Verdrag zijn vastgelegd. Amendement 8 verduidelijkt dat de richtlijn communautaire initiatieven op basis van artikel 137 van het Verdrag inzake de bevordering van de werkgelegenheid en verbeterde levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden, volledig in acht neemt. Amendement 297 , betreffende artikel 1, en amendement 9 , betreffende de overweging dienaangaande, bepalen dat de richtlijn niet geldt voor of geen afbreuk doet aan het arbeidsrecht , dat wil zeggen aan de wettelijke of contractuele bepalingen betreffende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van de gezondheid en veiligheid op het werk en de betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, en dat de richtlijn de betrekkingen tussen de sociale partners volledig eerbiedigt, met inbegrip van het recht om vakbondsacties te voeren, en geen afbreuk doet aan de socialezekerheidswetgeving in de lidstaten. Amendement 290 , betreffende artikel 1, en amendement 291 (overweging) bepalen dat de richtlijn het strafrecht onverlet laat. Amendement 7 en een gedeelte van amendement 72 verduidelijken in een overweging en in artikel 1 dat de richtlijn de maatregelen van de lidstaten om, in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving, de culturele en linguïstische verscheidenheid en de pluriformiteit van de media te beschermen of te bevorderen, onverlet laat. Wat de grondrechten betreft, aanvaardt de Commissie amendement 298 in gewijzigde bewoordingen omwille van de juridische coherentie van de tekst, en amendement 299 als zodanig. De Commissie stemt ermee in dat de richtlijn, overeenkomstig amendement 297, geen afbreuk doet aan het arbeidsrecht, met inbegrip van het recht om vakbondsacties te voeren en het socialezekerheidsrecht van de lidstaten. Om de juridische samenhang van de tekst te waarborgen en de tekst duidelijker en begrijpelijker te maken, past de Commissie de tekst van de amendementen 297 en 298 aan: artikel 1, lid 6, betreft nu het arbeidsrecht en artikel 1, lid 7, de grondrechten, met inbegrip van de rechten ten aanzien van cao's. De Commissie aanvaardt amendement 290, dat bepaalt dat de richtlijn de bepalingen van het strafrecht onverlet laat, en amendement 291 (nieuwe overweging 6 sexies) in gewijzigde bewoordingen om verder te verduidelijken dat geen misbruik van de regels van het strafrecht mag worden gemaakt om de regels van de richtlijn te ontwijken. Van de amendementen betreffende de bescherming of bevordering van de culturele en linguïstische verscheidenheid en de pluriformiteit van de media aanvaardt de Commissie amendement 7 als zodanig en het desbetreffende gedeelte van amendement 72 in gewijzigde bewoordingen omwille van de juridische samenhang van de tekst. Amendement 8 (nieuwe overweging 6 septies), ten slotte, wordt als zodanig door de Commissie aanvaard. Verband van de richtlijn met andere communautaire bepalingen . Dit aspect komt aan de orde in de amendementen 83 en 21 , betreffende artikel 3 en de daarmee overeenkomende overweging 13. De Commissie aanvaardt de verdere verduidelijking in amendement 83 dat de richtlijn geen voorrang heeft op andere communautaire instrumenten en dat in geval van strijdigheid met andere communautaire instrumenten die betrekking hebben op specifieke aspecten van de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit, de bepalingen betreffende die specifieke aspecten voorrang hebben. Om de algehele consistentie van de tekst te waarborgen en de werkzaamheden van het Europees Parlement en de Raad meer met elkaar in overeenstemming te brengen, heeft de Commissie nadere verduidelijkingen toegevoegd (overwegingen 13 bis en 13 ter). De amendementen 307 en 219 (samengevoegd met amendement 83) bepalen bovendien dat de richtlijn het internationaal privaatrecht, met name het internationaal privaatrecht dat betrekking heeft op contractuele en niet-contractuele verbintenissen, onverlet laat, en leggen uit welke gevolgen dit heeft voor de consumentenbeschermingsregels. De Commissie aanvaardt amendement 307 en amendement 219 in enigszins gewijzigde bewoordingen om juridisch juist naar consumentenbescherming te verwijzen. Definities (artikel 4). De amendementen 23 t/m 26, 39, 84 t/m 90, 308 en 92 t/m 98 betreffen de definities van begrippen die in de tekst van de richtlijn voorkomen (zie artikel 4 en de overwegingen dienaangaande). De Commissie aanvaardt de amendementen 25-26, 93-94 en 97-98 als zodanig en de amendementen 23-24 na samenvoeging en in enigszins gewijzigde bewoordingen. Bovendien aanvaardt de Commissie de amendementen 39, 84, 88 t/m 90, 95 en 308 in beginsel, maar zij brengt de formulering in overeenstemming met het acquis communautaire of met de werkingssfeer van de richtlijn. De amendementen 85 en 86 kan de Commissie echter niet aanvaarden. Amendement 96, betreffende de definitie van "werknemer", is gezien de nieuwe definitie van de werkingssfeer eveneens overbodig en wordt niet aanvaard. Amendement 92, betreffende het begrip "bevoegde instantie", en amendement 87, betreffende het begrip "dienstverrichter", worden niet aanvaard om redenen van duidelijkheid en coherentie van de tekst met het acquis communautaire . Ten slotte kan de Commissie amendement 22 , dat de illustratieve lijst van onder de richtlijn vallende diensten in overweging 14 schrapt, niet aanvaarden. Deze overweging is nuttig ter verduidelijking van de richtlijn en wordt dus opnieuw ingevoegd, met enigszins gewijzigde bewoordingen in verband met de nieuwe werkingssfeer. Naar aanleiding van de nuttige aanvullende verduidelijking van de Raad heeft de Commissie bovendien overweging 18 bis ( amendement 25 ) en overweging 20 bis aangevuld en de nieuwe overweging 18 ter toegevoegd. De Commissie aanvaardt de amendementen 1, 2, 3, 5, 6 en 11 betreffende overwegingen waarin de algemene doelstellingen van de richtlijn worden beschreven en wordt aangegeven dat de richtlijn geen invloed heeft op de interne verdeling van de bevoegdheden in de lidstaten, als zodanig of in enigszins gewijzigde bewoordingen. Amendement 4 is echter onaanvaardbaar. 3.2 Administratieve vereenvoudiging (artikelen 5 t/m 8) Vereenvoudiging van de procedures (artikel 5). Amendement 99 maakt van afdeling 1 van het hoofdstuk Vrijheid van vestiging van dienstverrichters een afzonderlijk nieuw hoofdstuk Administratieve vereenvoudiging. Amendement 27 verduidelijkt dat de voorschriften in verband met administratieve procedures niet zijn gericht op harmonisatie van de nationale administratieve procedures, maar op het wegnemen van te belastende elementen die de vrijheid van vestiging hinderen. Amendement 100 bepaalt in artikel 5 dat de lidstaten de procedures en formaliteiten voor de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten onderzoeken (het in het amendement gebruikte werkwoord "bekrachtigen" lijkt niet juist) en waar nodig vereenvoudigen. Bovendien verplicht het de lidstaten "tezamen met de Commissie" geharmoniseerde Europese formulieren in te voeren ( amendement 29 heeft eveneens hierop betrekking) en voegt het een lijst toe van bestaande communautaire wetgeving waarop artikel 5, leden 1 bis en 2, niet van toepassing is. Ook legt amendement 100 uit dat het recht van de lidstaten om "niet-gewaarmerkte" vertalingen van documenten in hun eigen officiële talen te verlangen, onverlet wordt gelaten. Amendement 30 benadrukt dat vormvoorschriften, zoals de eis een origineel document, waaronder een gelegaliseerde vertaling, voor te leggen, niet mogen worden gehanteerd, behalve wanneer dat om een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is. De Commissie aanvaardt de amendementen 99, 27 en 29-30 als zodanig en amendement 100 in beginsel, met gewijzigde bewoordingen om de tekst juridisch coherent te maken en naar aanleiding van de werkzaamheden van de Raad. De tekst van de Commissie geeft met name duidelijk aan dat de Europese formulieren volgens de comitéprocedure worden vastgesteld en in een nieuwe overweging (22 ter) worden een aantal parameters voorgesteld waarmee de lidstaten rekening kunnen houden wanneer zij nagaan of de procedures en formaliteiten vereenvoudigd moeten worden. Éénloketten (artikel 6). Amendement 102 legt uit dat wanneer een pro-forma-inschrijving wordt verlangd, dit elektronisch mogelijk moet zijn bij het éénloket. Amendement 103 verplicht de Commissie de éénloketten te coördineren door de inrichting van een Europees éénloket. Amendement 104 verduidelijkt dat de invoering van het éénloket geen afbreuk doet aan de verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de verschillende instanties binnen een nationaal systeem. Amendement 309 stelt een nieuwe termijn voor de invoering van éénloketten vast. Amendement 310 bepaalt dat ook alle procedures en formaliteiten die nodig zijn voor het toezicht op de verenigbaarheid met Richtlijn 96/71/EG, bij deze éénloketten moeten kunnen worden afgewikkeld. De Commissie aanvaardt de amendementen 309 en 104 en verduidelijkt bovendien overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad in een nieuwe overweging 25 bis dat de vergoeding die het éénloket mag aanrekenen, in verhouding moet staan tot de kosten van de procedures en formaliteiten. Amendement 102 kan de Commissie echter niet aanvaarden omdat een pro-forma-inschrijving bij de éénloketten een onnodige administratieve belasting zou inhouden. De Commissie kan amendement 103 evenmin aanvaarden omdat een Europees éénloket een onnodige administratieve structuur zou zijn en in strijd zou zijn met het subsidiariteitsbeginsel (omdat administratieve samenwerking het beste door de lidstaten zelf kan worden geregeld). Amendement 310 kan niet worden aanvaard omdat een verwijzing naar het toezicht op de verenigbaarheid met Richtlijn 96/71/EG, waarop dit voorstel absoluut geen betrekking heeft, niet passend is. Recht op informatie (artikel 7). Amendement 105 verduidelijkt dat het recht op informatie alleen geldt voor beroepsmogelijkheden die algemeen voorhanden zijn. De amendementen 31, 106 en 110 verduidelijken dat de verplichting van de bevoegde instanties om bijstand te verlenen, niet betekent dat in individuele gevallen juridisch advies moet worden gegeven, dat aan de verplichting om informatie te verstrekken kan worden voldaan door deze informatie via een website toegankelijk te maken, dat de bijstand een gids met stapsgewijze informatie kan omvatten en dat de informatie in gewone en begrijpelijke taal moet worden verstrekt. Amendement 107 bepaalt dat de informatie en bijstand onder andere van op afstand en elektronisch toegankelijk moet zijn. Amendement 108 stelt de uiterste termijn voor de uitvoering van de informatieverplichtingen vast en amendement 109 verduidelijkt dat de beschikbaarheid van informatie in andere talen verenigbaar moet zijn met de wetgeving van de lidstaten over het gebruik van talen. Amendement 33 voegt een nieuwe overweging toe om de bepalingen in artikel 7 te versterken. De Commissie aanvaardt de amendementen 105, 106, 108 t/m 110, 31 en 33. Aan amendement 31 (overweging 25 quater) voegt zij overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad toe dat kwesties zoals de aansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie door de lidstaten worden geregeld. Amendement 107 kan de Commissie echter niet aanvaarden omdat daarmee de verplichting om informatie elektronisch te verstrekken zou worden weggenomen, terwijl dit aspect juist essentieel is voor daadwerkelijke administratieve vereenvoudiging. Elektronische procedures (artikel 8) . Amendement 111 wijzigt de uitvoeringstermijn, legt (evenals amendement 32 ) uit dat de procedures en formaliteiten eenvoudig, onder meer elektronisch, kunnen worden afgewikkeld en dat de elektronische procedures niet van toepassing zijn wanneer verlangd kan worden dat originele documenten worden verstrekt. De Commissie kan, afgezien van de gewijzigde termijn, de amendementen 111 en 32 niet aanvaarden omdat elektronische procedures, zoals hierboven al is aangegeven, een essentieel aspect van de administratieve vereenvoudiging zijn en deze procedures ook voor originele documenten kunnen worden toegepast omdat de authenticiteit met elektronische authenticatie kan worden aangetoond. Zij acht het echter wel nuttig om op grond van het op de werkzaamheden van de Raad gebaseerde amendement 32 (overweging 26) te verduidelijken dat de verplichting om in elektronische procedures te voorzien, de lidstaten niet belet om naast de elektronische weg ook andere wijzen van afwikkeling van procedures en formaliteiten beschikbaar te stellen. 3.3 Vrijheid van vestiging voor dienstverrichters (artikelen 9 t/m 15) Vergunningstelsels. Amendement 35 verduidelijkt in overweging 27 quater dat de bepalingen van de richtlijn over vergunningstelsels niet gelden voor besluiten van bevoegde instanties betreffende de oprichting van een openbare of particuliere entiteit, noch voor het aangaan van overeenkomsten door bevoegde instanties. Amendement 37 geeft aan dat dwingende redenen van algemeen belang, zoals de volksgezondheid, een rechtvaardiging kunnen zijn voor de toepassing van vergunningstelsels en andere beperkingen voor sociale diensten, mits de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid worden geëerbiedigd. De amendementen 112-113 wijzigen de structuur en de naam van het hoofdstuk, respectievelijk de afdeling. Amendement 116 sluit (evenals amendement 209 ) vergunningstelsels uit van de procedure van wederzijdse beoordeling. De Commissie aanvaardt de amendementen 35 en 112-113 als zodanig en amendement 37 in enigszins gewijzigde bewoordingen. De amendementen 116 en 209 kan zij echter niet aanvaarden omdat de verplichting om de vergunningstelsels te evalueren en hierover te rapporteren een essentiële maatregel is om de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten te vergemakkelijken. In een nieuwe overweging (27 quinquies) specificeert de Commissie echter, overeenkomstig de werkzaamheden in de Raad, dat de rapportageplicht enkel betrekking heeft op het bestaan van vergunningstelsels en niet op de criteria en voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. Van de amendementen 114, 115 en 117 , die voornamelijk technische wijzigingen betreffen, aanvaardt de Commissie de amendementen 115 en 117 in gewijzigde bewoordingen omwille van de juridische samenhang. Amendement 114 kan zij echter niet aanvaarden omdat de tekst hierdoor minder duidelijk zou worden. Vergunningsvoorwaarden. De amendementen 34 en 121 bepalen dat vergunningen over het algemeen voor het volledige nationale grondgebied moeten gelden, tenzij een territoriale beperking gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang, zoals milieubescherming. De amendementen 34 en 123 bepalen dat de richtlijn de lokale en regionale bevoegdheden voor het verlenen van een vergunning niet aantast. Amendement 119 voegt "transparantie" en "toegankelijkheid" toe aan de criteria waaraan vergunningstelsels moeten voldoen. Amendement 120 verduidelijkt dat voor de beoordeling of de vergunningsvoorwaarden gelijkwaardig of in wezen vergelijkbaar zijn met de voorwaarden waaraan de dienstverrichter al in een andere lidstaat onderworpen is (overlapping), niet alleen naar hun doel en oogmerk moet worden gekeken, maar ook naar hun effect en de doeltreffendheid van hun handhaving. Amendement 122 bepaalt dat de verplichting om de redenen te vermelden en te voorzien in mogelijkheden tot beroep voor de rechter niet geldt voor beslissingen om een vergunning te verlenen. Amendement 118 schrapt in artikel 10 het woord "objectief" in de zin "objectief gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang". De Commissie aanvaardt de amendementen 34, 118, 119 en 123 als zodanig. Amendement 120 wordt aanvaard omdat een nieuwe overweging (27 octies) wordt ingevoegd die bedoeld is om te verduidelijken dat de bepaling dat vergunningsvoorwaarden elkaar niet mogen overlappen de lidstaten niet belet hun eigen voorwaarden toe te passen, maar alleen vereist dat zij rekening houden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere lidstaat al heeft voldaan. De Commissie stemt ook in met de inhoud van amendement 121, maar wijzigt de formulering. Amendement 122 kan de Commissie echter niet aanvaarden omdat wanneer de verplichting om de redenen te vermelden niet zou gelden voor beslissingen om een vergunning te verlenen, rechterlijke toetsing van een bestuursrechtelijke beslissing, met name ten aanzien van derden, minder doeltreffend of zelfs vrijwel onmogelijk zou worden. Vergunningsduur. Selectie uit verscheidene gegadigden. De amendementen 128 en 36 bepalen dat de mogelijkheid van de lidstaten om vergunningen in te trekken, met name wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan, onverlet wordt gelaten. De amendementen 124 t/m 127, 129, 38 en 30 verduidelijken artikel 11 en de overwegingen dienaangaande op nuttige wijze. Amendement 130 bepaalt dat de lidstaten bij de toepassing van hun selectieprocedure rekening kunnen houden met een aantal doelstellingen van algemeen belang. De Commissie aanvaardt de amendementen 128 en 36, die beperkt zijn tot situaties waarin niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. Zij aanvaardt ook de amendementen 124 t/m 127, 129 en 38 als zodanig of gedeeltelijk en de amendementen 130 en 30 in enigszins gewijzigde bewoordingen. Vergunningsprocedures. De amendementen 134 en 28 schrappen het voorschrift dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de termijn de vergunning moet worden geacht te zijn verleend ("stilzwijgende vergunning"). Amendement 135 bepaalt dat de ontvangst van een vergunningaanvraag alleen op verzoek van de aanvrager moet worden bevestigd en dat de mogelijkheden tot beroep daarin niet hoeven te worden vermeld. De amendementen 131, 132, 133, 136 en 137 betreffen technische verduidelijkingen die de Commissie kan aanvaarden, met kleine wijzigingen in de amendementen 136 en 137. De amendementen 134 en 28 kan de Commissie echter niet aanvaarden, omdat de stilzwijgende vergunning (bij het uitblijven van een antwoord van de instanties) cruciaal is om de uitoefening van de vrijheid van vestiging te vergemakkelijken. Met betrekking tot de stilzwijgende vergunning verduidelijkt de Commissie in een nieuwe overweging (28 bis) evenwel, overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad, dat met betrekking tot bepaalde activiteiten andere regelingen kunnen worden vastgesteld wanneer deze om dwingende redenen van algemeen belang objectief gerechtvaardigd zijn. Ook amendement 135 kan de Commissie niet aanvaarden omdat dit een extra belasting voor de aanvragers zou inhouden en rechterlijke toetsing zou bemoeilijken. Verboden eisen (artikel 14). Amendement 138 wijzigt de titel van deze afdeling. Amendement 140 verduidelijkt (evenals amendement 41 ) dat het verbod op een toepassing per geval van economische criteria geen betrekking heeft op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang. Amendement 141 verduidelijkt dat het verbod op de directe of indirecte betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers bij de verlening van vergunningen geen betrekking heeft op de raadpleging van organisaties als kamers van koophandel inzake andere aangelegenheden dan individuele vergunningaanvragen. Amendement 40 bepaalt dat het in bepaalde gevallen gerechtvaardigd kan zijn een dienstverrichter te verplichten bij de verrichting van zijn activiteit aanwezig te zijn. Amendement 142 legt uit dat het verbod op de verplichting een financiële waarborg te stellen of een verzekering bij een in een lidstaat gevestigde dienstverrichter af te sluiten, geen gevolgen heeft voor de mogelijkheid van lidstaten om financiële waarborgen als zodanig te verlangen of te eisen dat een verzekering wordt afgesloten bij ondernemingen die speciale of exclusieve rechten zijn verleend, en evenmin voor eisen met betrekking tot de deelname aan een collectief waarborgfonds. Amendement 143 verduidelijkt het verbod op de verplichting om vooraf ingeschreven te staan. De Commissie aanvaardt de amendementen 138, 140, 141, 143 en 41 als zodanig en amendement 40 met een extra verduidelijking. Amendement 142 wordt door de Commissie naar de geest aanvaard, maar zij wijzigt met het oog op de samenhang met het Gemeenschapsrecht de formulering van de betrokken bepaling en voegt overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad een nadere verduidelijking toe in de nieuwe overweging 32 bis. Aan de aanvaarde technische verduidelijkingen in amendement 143 voegt de Commissie op grond van de werkzaamheden van de Raad een nieuwe overweging (32 ter) toe om het verbod op de verplichting om vooraf ingeschreven te staan te verduidelijken. Aan evaluatie onderworpen eisen (artikel 15) . Amendement 42 verduidelijkt dat de procedure van wederzijdse beoordeling de vrijheid van de lidstaten onverlet laat in hun wetgeving een hoog beschermingsniveau op te nemen voor algemene belangen en dat bij de wederzijdse beoordeling rekening moet worden gehouden met het specifieke karakter van diensten van algemeen economisch belang en met de bijzondere daaraan toegewezen taken, die aanleiding kunnen zijn voor bepaalde beperkingen van de vrijheid van vestiging. De amendementen 144 en 145 schrappen de voorbeelden van eisen betreffende de rechtsvorm van de dienstverrichter en het aandeelhouderschap van de vennootschap. De amendementen 147/242 sluiten verplichtingen inzake verkoop onder de kostprijs en uitverkopen uit van de procedure van wederzijdse beoordeling. De amendementen 149/242 schrappen het woord "objectief" in de zin "de eisen zijn objectief gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang". De amendementen 148/242 sluiten (evenals amendement 43 ) "must-carry"-verplichtingen uit van de beoordelingsprocedure. Amendement 150 sluit diensten van algemeen economisch belang en socialezekerheidsregelingen uit van artikel 15, leden 1 tot en met 4. Bovendien schrapt amendement 150 in combinatie met amendement 151 de bepaling dat de lidstaten geen nieuwe soortgelijke eisen mogen stellen tenzij deze aan de voorwaarden van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid voldoen, alsmede de daarmee verband houdende bepaling dat de lidstaten kennisgeving moeten doen van dergelijke nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. Amendement 146 voegt een verwijzing naar de Richtlijn beroepskwalificaties toe. De Commissie aanvaardt de amendementen 42, 147 en 148/149/242. Zij aanvaardt ook het schrappen van de voorbeelden uit de desbetreffende artikelen overeenkomstig de amendementen 144 en 145. In overweging 34 neemt zij, overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad, de extra verduidelijking op dat de evaluatie van vaste minimum- en/of maximumtarieven alleen betrekking heeft op tarieven die door bevoegde instanties specifiek voor het verrichten van bepaalde diensten worden opgelegd, en niet op algemene voorschriften inzake prijsbepaling zoals voor de verhuur van huizen. De Commissie aanvaardt amendement 150, betreffende diensten van algemeen economisch belang, in beginsel en specificeert dat de leden 1 tot en met 3 van artikel 15 alleen op de wetgeving op het gebied van diensten van algemeen economisch belang van toepassing zijn voorzover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de aan de desbetreffende ondernemingen toevertrouwde bijzondere taak niet belemmert. Het schrappen van de kennisgevingsverplichting (amendement 151) zou de beoordelingsprocedure aanzienlijk afzwakken en kan daarom niet worden aanvaard. De amendementen 146, 148 en 149/242, ten slotte, behelzen technische wijzigingen die de Commissie aanvaardt (al wordt ten aanzien van amendement 146 naar de volledige Richtlijn beroepskwalificaties verwezen, en niet alleen naar titel II). 3.4 Vrij verkeer van diensten en afwijkingen (artikelen 16 t/m 19) Vrij verrichten van diensten (artikel 16). Amendement 152 (betreffende de hoofdstuktitel) en amendement 293/rev4 (betreffende artikel 16) vervangen het oorsprongslandbeginsel door een bepaling over het vrij verrichten van diensten. Amendement 293/rev4 bevestigt het recht van dienstverrichters om een dienst te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn en verplicht de lidstaat waar de dienst wordt verricht, te zorgen voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van de dienstenactiviteit op zijn grondgebied. In artikel 16, lid 1, wordt bovendien bepaald dat de lidstaat waar de dienst wordt verricht, zijn eigen nationale eisen niet mag toepassen op dienstverrichters die in een andere lidstaat zijn gevestigd tenzij deze eisen gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu en ze niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig zijn. In lid 3 wordt nog eens bevestigd dat de lidstaten, in overeenstemming met lid 1, aan dienstverrichters uit andere lidstaten die zich naar hun grondgebied begeven, hun nationale regels kunnen voorschrijven wanneer deze gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. In lid 3 wordt ook verduidelijkt dat de lidstaten hun voorschriften inzake de arbeidsvoorwaarden in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht mogen toepassen. Artikel 16, lid 2, bevat een lijst van eisen die lidstaten niet aan in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters mogen stellen, zoals de verplichting voor de dienstverrichter om een vestiging op het grondgebied te hebben. Amendement 293/rev4 bepaalt ook dat de Commissie, na raadpleging van de lidstaten en de sociale partners, een verslag over de toepassing van artikel 16 moet indienen, waarin zij nagaat of harmonisatiemaatregelen moeten worden voorgesteld. De Commissie aanvaardt de amendementen 152 en 293/rev4 met enigszins gewijzigde bewoordingen in lid 3 om - overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie - te verduidelijken dat de nationale eisen altijd niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig moeten zijn. Zij aanvaardt ook in gewijzigde bewoordingen amendement 45 over overweging 37, waarin wordt gezegd dat de lidstaten hun eisen wel kunnen opleggen als die absoluut noodzakelijk zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of bescherming van het milieu, en de amendementen 46-47, die de overwegingen over het voormalige oorsprongslandbeginsel schrappen. Bovendien voegt de Commissie overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad enkele overwegingen toe waarin wordt verwezen naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het recht van lidstaten om maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat dienstverrichters door misbruik profiteren van de beginselen van de interne markt (overweging 37 bis), wordt benadrukt dat dienstverrichters die een dienst in een andere lidstaat gaan verrichten, de benodigde uitrusting moeten kunnen meenemen (overweging 39 bis) en het begrip uitrusting wordt uitgelegd (overweging 39 ter). Aanvullende afwijkingen van het vrij verrichten van diensten (artikel 17) . Amendement 400 wijzigt de titel van artikel 17 en bepaalt dat de bepaling betreffende het vrije verkeer van diensten niet geldt voor diensten van algemeen economisch belang die in een andere lidstaat worden verricht, zoals postdiensten, de distributie van elektriciteit, gas en water, afvalwaterdiensten en afvalverwerking. De Commissie aanvaardt amendement 400. Bovendien verduidelijkt de Commissie op grond van de werkzaamheden van de Raad in overweging 40 bis dat de afwijking voor postdiensten zowel voor activiteiten die zijn voorbehouden aan de universeledienstverrichter als voor andere postdiensten geldt. Ook amendement 165, dat de afwijking in artikel 17, punt 12, voor het vergunningstelsel bedoeld in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap verduidelijkt, kan worden aanvaard. Ten aanzien van de activiteiten van advocaten en notarissen schrapt amendement 160 de afwijking voor aspecten die zijn geregeld bij Richtlijn 77/249/EEG van de Raad tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten en amendement 166 die voor handelingen waarvoor de wet de tussenkomst van een notaris voorschrijft. Deze amendementen worden overbodig omdat de Commissie niet instemt met een algemene uitsluiting van de activiteiten van advocaten en notarissen van de werkingssfeer van de richtlijn. De afwijkingen moeten dus behouden blijven. Amendement 161 voegt een nieuwe afwijking in voor activiteiten inzake de gerechtelijke inning van schuldvorderingen, die door de Commissie kan worden aanvaard. De reikwijdte van deze afwijking wordt door de Commissie overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad verduidelijkt in een nieuwe overweging (40 ter). De amendementen 162/404 voegen een nieuwe afwijking toe voor eisen die een activiteit voorbehouden aan een bepaald beroep , naast de afwijking voor aangelegenheden die zijn geregeld in titel II van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Deze amendementen kunnen, net als amendement 48 dat deze nieuwe afwijking in een overweging (41 quater) toelicht, in beginsel worden aanvaard, mits de formulering wordt gepreciseerd. Amendement 163 , dat de afwijking betreffende Richtlijn 2004/38/EG in verband met het vrije verkeer van personen en hun verblijfsplaats verduidelijkt, kan worden aanvaard. Amendement 164 wijzigt de formulering van de afwijking voor onderdanen van derde landen die zich in het kader van de verrichting van een dienst naar een andere lidstaat begeven in artikel 17, punt 11. De formulering van artikel 17, punt 11, moest verder worden aangepast omdat artikel 25 is geschrapt. De amendementen 50 en 51 , die de overwegingen 41 bis en 41 ter invoegen waarin de afwijking voor de detacheringsrichtlijn wordt toegelicht, worden in enigszins gewijzigde bewoordingen aanvaard. De amendementen 167 en 168 wijzigen de afwijkingen voor specifieke verboden en eisen die gerechtvaardigd zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu in artikel 17, punten 16 en 17 . De Commissie acht deze amendementen overbodig want de specifieke afwijkingen in artikel 17, punten 16 en 17, zijn niet meer nodig nu artikel 16 in algemenere zin toestaat dat de lidstaten nationale eisen opleggen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Daarom worden deze punten, en de overwegingen dienaangaande, geschrapt. Amendement 169 schrapt de afwijking betreffende het vergunningstelsel voor vergoeding van de kosten voor intramurale zorg . Aangezien dit strookt met de uitsluiting van gezondheidszorgdiensten van de werkingssfeer en het schrappen van artikel 23 betreffende de vergoeding van kosten voor gezondheidszorg, aanvaardt de Commissie amendement 169. Amendement 170 voegt in artikel 17 een afwijking toe voor alle bepalingen van het internationaal privaatrecht , met name die betreffende contractuele en niet-contractuele verbintenissen, met inbegrip van de vorm van overeenkomsten. De Commissie aanvaardt dit amendement op artikel 17, dat nodig is omdat de bepaling over het vrij verrichten van diensten mogelijk strijdig is met de toepassing van de regels van het internationaal privaatrecht. De amendementen 171, 172 en 173 schrappen de afwijkingen voor consumentenovereenkomsten, de formele geldigheid van contracten betreffende onroerende zaken en de niet-contractuele aansprakelijkheid van de dienstverrichter bij ongevallen, die nu onder de algemenere uitzondering voor alle bepalingen van het internationaal privaatrecht vallen. De Commissie aanvaardt deze amendementen, evenals de wijzigingen in de overwegingen dienaangaande ( amendementen 53 en 54 , betreffende overwegingen 45 en 46). Bovendien heeft de Commissie naar aanleiding van de werkzaamheden van de Raad enige technische verduidelijkingen aangebracht. Tijdelijke afwijkingen (artikel 18). Amendement 174 schrapt artikel 18 betreffende tijdelijke afwijkingen van het (voormalige) oorsprongslandbeginsel. De Commissie aanvaardt dit omdat gokactiviteiten van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten, artikel 17, punt 7 bis, voorziet in een nieuwe afwijking voor de toegang tot activiteiten betreffende de gerechtelijke inning van schuldvorderingen en geld- en waardetransporten in artikel 40, lid 1, zijn opgenomen. Afwijkingen in speciale gevallen (artikel 19). Amendement 175 wijzigt de titel overeenkomstig de nieuwe titel van artikel 16. Amendement 176 verwijst naar de voorwaarden waaronder in speciale gevallen afwijkingen kunnen worden toegestaan en schrapt de verplichting eerst de procedure van wederzijdse bijstand in acht te nemen alvorens deze maatregelen te nemen. De afwijkingen in speciale gevallen in verband met de volksgezondheid en de openbare orde en de uitoefening van een beroep in de gezondheidszorg zijn overbodig geworden doordat de gezondheidszorg uitgesloten is van de werkingssfeer van de richtlijn en doordat artikel 16 de lidstaten nu in algemenere zin toestaat eisen in verband met de openbare orde en de volksgezondheid te stellen. Daarom schrapt de Commissie de desbetreffende afwijkingen in speciale gevallen en beperkt zij artikel 19 tot de veiligheid van diensten. Het schrappen van de procedure van wederzijdse bijstand kan de Commissie echter niet aanvaarden, omdat de vermelding van deze procedure van wezenlijk belang is om te waarborgen dat deze afwijking niet leidt tot onnodige beperkingen op het vrij verrichten van diensten. 3.5 Rechten van de afnemers van diensten (artikelen 20 t/m 23) Verboden beperkingen/discriminatieverbod . De amendementen 177 en 55 , betreffende artikel 21 en overweging 50, bepalen dat op de afnemer van diensten geen discriminerende eisen van toepassing mogen zijn die "uitsluitend" berusten op zijn nationaliteit of woonplaats. De Commissie kan deze toevoeging aan het discriminatieverbod van artikel 21 niet aanvaarden omdat dit zou kunnen worden uitgelegd alsof discriminatie wel zou zijn toegestaan als zij tevens op andere gronden berust. Amendement 55 verduidelijkt ook overweging 50, en dit kan wel worden aanvaard. De Commissie voegt bovendien naar aanleiding van de werkzaamheden van de Raad enkele verduidelijkingen toe betreffende het in artikel 20 vermelde begrip financiële bijstand (zie overweging 48 en de nieuwe overweging 48 bis). Bijstand aan afnemers . Amendement 178 , betreffende artikel 22, verduidelijkt de informatie en het advies die de éénloketdiensten aan afnemers van diensten moeten verstrekken op een aantal punten. Bovendien schrapt dit amendement de vermelding van de contactpunten van het netwerk van Europese centra voor de consument (ECC-net) bij de verenigingen en organisaties waarvan de adresgegevens aan de afnemers moeten worden doorgegeven en waar praktische bijstand kan worden gekregen. Amendement 179 voegt een nieuw artikel 22 bis toe betreffende de mogelijkheid voor een dienstverrichter om alle procedures en formaliteiten bij éénloketten af te wikkelen. De Commissie aanvaardt amendement 178, met uitzondering van het weglaten van de vermelding van het netwerk van Europese centra voor de consument, omdat de Commissie van mening is dat deze een bijzonder actieve rol moeten spelen bij het verlenen van praktische bijstand aan consumenten. De Commissie kan amendement 179 en een nieuw artikel 22 bis niet aanvaarden aangezien de rol en de verantwoordelijkheden van de éénloketten in het hoofdstuk over administratieve vereenvoudiging al afdoende aan de orde komen. Vergoeding van in een andere lidstaat verstrekte gezondheidszorg . De amendementen 56 t/m 62 en 180/247 schrappen artikel 23, waarin de bepalingen over de vergoeding van in een andere lidstaat verstrekte gezondheidszorg zijn opgenomen, alsmede de overwegingen dienaangaande. De Commissie aanvaardt deze amendementen en zal, zoals hierboven al is aangegeven, een afzonderlijk initiatief voor gezondheidszorgdiensten nemen. 3.6 Detachering van werknemers (artikelen 24 en 25) Specifieke bepalingen betreffende de detachering van werknemers en de detachering van onderdanen van derde landen. De amendementen 181, 182/284, 63, 64, 183/249, 65 en 66 schrappen de bepalingen betreffende de opheffing van administratieve belemmeringen en de verplichtingen van de lidstaten om samen te werken ten aanzien van de detachering van werknemers en de detachering van onderdanen van derde landen. Hoewel de Commissie van mening is dat dringend aandacht moet worden besteed aan onnodige administratieve lasten voor dienstverrichters bij het verrichten van grensoverschrijdende diensten waarbij personeel wordt gedetacheerd, en betere administratieve samenwerking ter bestrijding van zwartwerken en sociale dumping belangrijk vindt, aanvaardt zij het schrappen van deze bepalingen als onderdeel van het algehele compromis. De Commissie zal de lidstaten richtsnoeren geven om onnodige administratieve lasten te voorkomen en een doeltreffender systeem voor administratieve samenwerking tot stand te brengen. 3.7 Kwaliteit van de diensten (artikelen 26 t/m 32) Informatie over dienstverrichters en hun diensten (artikel 26). De amendementen 184 en 186 verplichten dienstverrichters informatie voor afnemers systematisch via de éénloketten beschikbaar te stellen. Amendement 185 voert een verplichting in om aan de afnemers informatie over de rechtsvorm van de dienstverrichter beschikbaar te stellen. De Commissie aanvaardt amendement 185 in enigszins gewijzigde bewoordingen. De amendementen 184 en 186 kan zij echter niet aanvaarden omdat deze een onnodige last voor de dienstverrichters zouden opleveren. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering (artikel 27) . De eerste zin van amendement 187 schrapt de verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat dienstverrichters die diensten verrichten met een bijzonder gezondheids- of veiligheidsrisico, of met een bijzonder financieel risico voor de afnemer, gedekt zijn door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, en vermeldt in plaats daarvan slechts de mogelijkheid dat lidstaten een dergelijke dekking kunnen verlangen. De tweede zin specificeert dat de verzekering de risico's van dergelijke diensten ook dekt wanneer die in andere lidstaten worden verricht. De Commissie aanvaardt beide zinnen van dit amendement in enigszins gewijzigde bewoordingen. Ook amendement 67 , dat overweging 63 bis toevoegt, wordt aanvaardt, met aanpassingen in verband met wijzigingen in artikel 27, lid 1. Overweging 63 is dienovereenkomstig aangepast. De Commissie aanvaardt de amendementen 188, 189 en 190 voorzover zij nodig zijn en geen aanvullende belasting voor dienstverrichters opleveren. Bovendien verduidelijkt zij naar aanleiding van de werkzaamheden in de Raad de tekst van artikel 27 en de overwegingen dienaangaande, met name wat de werkingssfeer van dit artikel betreft, en gaat zij in op het risico dat de verzekeringsmarkt faalt door de mogelijkheid te bieden een procedure voor dergelijke situaties vast te stellen. Productgaranties (artikel 28). Amendement 191 schrapt de verplichting voor dienstverrichters om informatie over de door hen gegeven productgaranties te verstrekken. Amendement 192 schrapt de bepaling die verduidelijkt dat de productgaranties in andere communautaire besluiten onverlet worden gelaten. De Commissie kan amendement 191 niet aanvaarden omdat dienstverrichters afnemers relevante informatie over productgaranties moeten geven. Ook amendement 192 kan zij niet aanvaarden, omdat het verband met andere Gemeenschapswetgeving inzake productgaranties expliciet moet worden aangegeven. Commerciële communicatie (artikel 29) . De Commissie verduidelijkt naar aanleiding van de werkzaamheden in de Raad dat beroepsregels inzake commerciële communicatie niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig moeten zijn. Multidisciplinaire activiteiten (artikel 30) . Amendement 193 sluit (evenals amendement 210 ) multidisciplinaire activiteiten uit van de procedure van wederzijdse beoordeling. De Commissie kan de amendementen 193 en 210 niet aanvaarden omdat de verplichting om de beperkingen van multidisciplinaire activiteiten te beoordelen en daarover verslag te doen een essentiële maatregel is om de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten te vergemakkelijken. Op grond van de werkzaamheden van de Raad verduidelijkt de Commissie nader welke beperkingen gerechtvaardigd kunnen zijn; zij licht dit toe in een nieuwe overweging (64 bis). Kwaliteitsbeleid (artikel 31). Amendement 194 verduidelijkt dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie de ontwikkeling van vrijwillige Europese normen moeten aanmoedigen. De Commissie aanvaardt amendement 194, maar benadrukt op grond van de werkzaamheden van de Raad tegelijkertijd de rol van consumentenorganisaties. Geschillenbeslechting (artikel 32) . Amendement 195 verplicht dienstverrichters extra adresgegevens te verstrekken. Amendement 196 vervangt "passende" door "bevredigende". De Commissie aanvaardt de amendementen 195 en 196 en verduidelijkt tegelijkertijd op grond van de werkzaamheden van de Raad welke financiële waarborgen in de zin van dit artikel gelijkwaardig worden geacht; zij licht dit toe in een nieuwe overweging (65 bis). 3.8 Administratieve samenwerking (artikelen 34 t/m 38) Wederzijdse bijstand en toezicht. De amendementen 199 t/m 202, 68 en 69 wijzigen de structuur van het hoofdstuk over administratieve samenwerking en verduidelijken de verplichtingen van de desbetreffende lidstaten. Amendement 199 wijzigt de hoofdstuktitel. De amendementen 200 t/m 202 zijn bedoeld om de taakverdeling tussen de lidstaat van vestiging en de lidstaat waar de dienst wordt verricht te verduidelijken. De lidstaat van vestiging is in het bijzonder verantwoordelijk voor het toezicht op de op zijn grondgebied gevestigde dienstverrichters en kan niet weigeren controle- of handhavingsmaatregelen te nemen omdat de dienst in een andere lidstaat is verricht. De lidstaat van vestiging moet op verzoek van een andere lidstaat verificaties, inspecties en onderzoeken uitvoeren en informatie over op zijn grondgebied gevestigde dienstverrichters verstrekken. De lidstaat waar de dienst wordt verricht, is ten aanzien van de nationale eisen die eventueel uit hoofde van artikel 16, lid 1, (artikel 21, lid 1, in de geconsolideerde tekst van het Parlement) zijn gesteld, verantwoordelijk voor het toezicht op de activiteiten van de dienstverrichter op zijn grondgebied. In andere gevallen verricht deze lidstaat verificaties, inspecties en onderzoeken ter plaatse wanneer dit objectief gerechtvaardigd en niet discriminerend is of wanneer de lidstaat van vestiging daarom verzoekt. Amendement 69 licht toe dat een doeltreffende administratieve samenwerking noodzakelijk is om te voorkomen dat een wildgroei aan voorschriften voor dienstverrichters en een overlapping van controles op grensoverschrijdende activiteiten ontstaan en om het onmogelijk te maken dat oneerlijke marktdeelnemers het toezicht ontduiken of de geldende nationale voorschriften inzake diensten omzeilen. Amendement 68 specificeert dat een goed functionerend elektronisch informatiesysteem nodig is. De Commissie aanvaardt de amendementen 68 en 69 als zodanig en de amendementen 200 t/m 202 naar de geest. De Commissie erkent dat de taken en plichten van de lidstaat van vestiging en de lidstaat waar de dienst wordt verricht, duidelijk moeten worden aangegeven om de administratieve samenwerking doeltreffend te doen verlopen en neemt daartoe de amendementen van het Europees Parlement op in de door de Raad uitgewerkte structuur. Alarmmechanisme . Amendement 203 voorziet in een alarmmechanisme om ingeval een lidstaat kennis neemt van ernstige specifieke feiten of omstandigheden die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen kunnen veroorzaken, hiervan de Commissie en de betrokken lidstaten onverwijld in kennis te stellen. De Commissie aanvaardt amendement 203 en heeft het milieu toegevoegd als reden om van het alarmmechanisme gebruik te maken. Dit nieuwe systeem dient echter een ander doel dan het systeem van wederzijdse bijstand bij afwijkingen in speciale gevallen, en kan dan ook niet hiervoor in de plaats komen. Gegevens over de betrouwbaarheid van dienstverrichters. Amendement 197 voegt toe dat de informatie die de lidstaten op verzoek van een bevoegde instantie van een andere lidstaat moeten verstrekken, rechtstreeks van betekenis moet zijn voor de bekwaamheid van de dienstverrichter en dat het verzoek naar behoren gemotiveerd moet zijn. Amendement 198 bepaalt dat de bepalingen over verzoeken om informatie moeten voldoen aan de voorschriften betreffende de overdracht van persoonsgegevens en dat informatie die openbaar is, voor de consument toegankelijk moet zijn. De Commissie aanvaardt beide amendementen en verduidelijkt overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad dat de lidstaten in overeenstemming met hun nationale recht informatie over tuchtrechtelijke of administratieve maatregelen of strafrechtelijke sancties en over beslissingen betreffende insolventie of faillissement moeten verstrekken, dat de sancties en maatregelen alleen moeten worden meegedeeld wanneer een beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, en dat de bepalingen betreffende de betrouwbaarheid van de dienstverrichter geen afbreuk doen aan initiatieven op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (nieuwe overweging 66 septies). Flankerende maatregelen. Amendement 68 beschrijft de noodzaak van een goed functionerend elektronisch informatiesysteem om de administratieve samenwerking tussen de lidstaten te verbeteren. De Commissie aanvaardt amendement 68, verplaatst de inhoud naar een artikel en licht dit toe in een nieuwe overweging (66 octies). Bovendien voegt de Commissie overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad een extra flankerende maatregel toe betreffende de uitwisseling van met de uitvoering van de wederzijdse hulp belaste ambtenaren. 3.9 Convergentieprogramma en slotbepalingen (artikelen 39 t/m 48) Gedragscodes (artikel 39) . De amendementen 205 en 70 benadrukken het belang van de opstelling van communautaire gedragscodes, met name door beroepsorden, -organisaties en -verenigingen, en verduidelijken dat de gedragscodes een aanvulling vormen op de wettelijke eisen van de lidstaten. Amendement 71 verplaatst de beschrijving van de terreinen waarop de gedragscodes betrekking moeten hebben naar een overweging. De Commissie aanvaardt deze amendementen en voegt overeenkomstig de werkzaamheden van de Raad een nieuwe overweging (67 ter) toe, waarin het doel van de gedragscodes wordt beschreven. Aanvullende harmonisatie (artikel 40) . Amendement 206 schrapt gokactiviteiten, overeenkomstig de gewijzigde werkingssfeer, en amendement 208 schrapt andere aspecten die voor aanvullende harmonisering in aanmerking komen, zoals aspecten die bij de vaststelling van afwijkingen in speciale gevallen of bij de procedure van wederzijdse beoordeling naar voren zijn gekomen. Amendement 207 voegt beveiligingsdiensten toe aan de lijst van aspecten die voor onderzoek naar aanvullende harmonisatie in aanmerking komen. De Commissie aanvaardt de amendementen 206, 208 en 207, en specificeert dat één jaar na de datum van omzetting van de richtlijn de mogelijkheid van aanvullende harmonisatie op het gebied van beveiligingsdiensten en geld- en waardetransporten wordt onderzocht. De Commissie aanvaardt bovendien de amendementen 211 en 212 , betreffende de datum waarop de Commissie het verslag over de wederzijdse beoordeling moet indienen, en de herzieningsclausule. Ten slotte voorziet amendement 213 in een termijn van drie jaar voor de omzetting van de richtlijn in nationaal recht. Gezien de dringende noodzaak om de interne markt voor diensten verder te ontwikkelen, is de Commissie van mening dat de omzettingstermijn van twee jaar behouden moet worden. 4. GEWIJZIGD VOORSTEL Overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag wijzigt de Commissie haar voorstel als hierboven aangegeven. 2004/0001 (COD) Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende diensten op de interne markt (Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, de artikelen 55 en 71 en artikel 80, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie[1], Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[2], Gezien het advies van het Comité van de Regio's[3], Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, Overwegende hetgeen volgt: (1) De Europese Unie streeft naar steeds nauwere banden tussen de Europese staten en volkeren en naar economische en sociale vooruitgang. Volgens artikel 14, lid 2, van het Verdrag omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen, waar het vrije verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging gewaarborgd zijn. Opheffing van de belemmeringen die de ontwikkeling van het dienstenverkeer tussen de lidstaten in de weg staan, is een essentieel middel om de integratie van de Europese volkeren te versterken en een evenwichtige en duurzame economische en sociale vooruitgang te bevorderen. Bij de opheffing van dergelijke belemmeringen is het van wezenlijk belang ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van dienstenactiviteiten bijdraagt tot de uitvoering van de in artikel 2 van het Verdrag vastgelegde taak met betrekking tot het bevorderen van een harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, een duurzame en niet-inflatoire groei, een hoge graad van concurrentievermogen en convergentie van economische prestaties, een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de lidstaten. (1 bis) Een concurrerende dienstenmarkt is van vitaal belang voor de bevordering van de economische groei en de werkgelegenheid in de EU. Thans verhinderen een groot aantal belemmeringen op de interne markt vele dienstverrichtende bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, hun activiteiten over de nationale grenzen uit te breiden en ten volle profijt te trekken van de interne markt. Dit verzwakt het wereldwijde concurrentievermogen van dienstverrichters uit de Europese Unie. Een vrije markt die de lidstaten ertoe verplicht beperkingen op de grensoverschrijdende verrichting van diensten op te heffen en te zorgen voor een grotere doorzichtigheid en meer informatie ten behoeve van de consumenten, zou voor dezen betekenen dat zij een grotere keuze en betere diensten krijgen tegen lagere prijzen. (2) In het verslag van de Commissie over "De toestand van de interne markt voor diensten"[4] is de inventaris opgemaakt van een groot aantal belemmeringen die de ontwikkeling van het dienstenverkeer tussen de lidstaten verhinderen of afremmen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, die op het gebied van diensten een belangrijke positie innemen. Het verslag concludeert dat er tien jaar nadat de interne markt voltooid had moeten zijn, nog steeds een diepe kloof gaapt tussen de visie van een geïntegreerde economie voor de Europese Unie en de dagelijkse werkelijkheid voor de Europese burgers en dienstverrichters. De beschreven belemmeringen hebben negatieve gevolgen voor allerlei dienstenactiviteiten en alle stadia van de activiteit van de dienstverrichter; zij hebben veel kenmerken gemeen, met name het feit dat zij vaak het gevolg zijn van administratieve lasten, rechtsonzekerheid bij grensoverschrijdende activiteiten en een gebrek aan wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. (3) Daar diensten de motor van de economische groei zijn en in de meeste lidstaten goed zijn voor 70% van het BNP en van de werkgelegenheid, heeft deze versnippering van de interne markt negatieve gevolgen voor de gehele Europese economie, met name voor de concurrentiekracht van kleine en middelgrote ondernemingen en het verkeer van werknemers en blokkeert zij de toegang van de consumenten tot een ruimer dienstenaanbod tegen concurrerende prijzen. Onderstreept moet worden dat de dienstensector van cruciaal belang is voor met name de werkgelegenheid van vrouwen, en dat dezen daarom in sterke mate kunnen profiteren van de nieuwe kansen die de voltooiing van de interne markt voor diensten biedt. Het Europees Parlement en de Raad hebben erop gewezen dat het wegnemen van de juridische belemmeringen voor de totstandbrenging van een echte interne markt een prioriteit is voor de verwezenlijking van het doel van de Europese Raad van Lissabon om de werkgelegenheid en de sociale cohesie te verbeteren en te komen tot een duurzame economische groei om van de Europese Unie tegen 2010 de meest concurrerende, dynamische en banenscheppende kenniseconomie van de wereld te maken. De opheffing van deze belemmeringen, waarbij het hoge niveau van het Europese sociale model gewaarborgd moet blijven, is dus een fundamentele voorwaarde voor het overwinnen van de moeilijkheden die zich bij de uitvoering van de Strategie van Lissabon voordoen en voor de heropleving van de Europese economie, vooral wat de werkgelegenheid en de investeringen betreft. Het is daarom van belang een interne markt voor diensten te verwezenlijken en een evenwicht te vinden tussen openstelling van de markt en het behoud van openbare dienstverrichtingen en sociale en consumentenrechten. (4) Het is daarom noodzakelijk de belemmeringen voor de vrijheid van vestiging van dienstverrichters in de lidstaten en voor het vrije verkeer van diensten tussen lidstaten te verwijderen en de afnemers en verrichters van diensten de nodige rechtszekerheid te bieden om deze beide fundamentele vrijheden van het Verdrag daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. Aangezien de belemmeringen voor de interne dienstenmarkt niet alleen gevolgen hebben voor marktdeelnemers die zich in een andere lidstaat willen vestigen, maar ook voor hen die een dienst in een andere lidstaat verrichten zonder zich daar te vestigen, moeten dienstverrichters in staat worden gesteld hun dienstenactiviteiten op de interne markt te ontplooien door zich in een lidstaat te vestigen of door gebruik te maken van het vrije verkeer van diensten. Dienstverrichters moeten tussen deze twee vrijheden kunnen kiezen op grond van hun groeistrategie in elke lidstaat. (5) Rechtstreekse toepassing van de artikelen 43 en 49 van het Verdrag volstaat niet om deze belemmeringen op te heffen, enerzijds omdat een behandeling per geval via inbreukprocedures tegen de betrokken lidstaten zeker na de uitbreiding uiterst ingewikkeld zou zijn voor de nationale en communautaire instellingen, en anderzijds omdat vele belemmeringen pas kunnen worden opgeheven nadat nationale wettelijke regelingen, onder meer door middel van administratieve samenwerking, zijn gecoördineerd. Zoals het Europees Parlement en de Raad hebben erkend, kan een communautair besluit een echte interne dienstenmarkt tot stand brengen. (6) Deze richtlijn biedt een algemeen rechtskader voor een grote verscheidenheid van diensten en houdt daarbij rekening met de bijzondere kenmerken van de verschillende activiteiten of beroepen en hun reglementering. Dit kader stoelt op een dynamische en selectieve aanpak waarbij allereerst belemmeringen die snel kunnen worden verwijderd, uit de weg worden geruimd en waarbij voor de andere belemmeringen een aanvang wordt gemaakt met een proces van evaluatie, raadpleging en vervolgens harmonisatie met betrekking tot specifieke vraagstukken; dit proces moet leiden tot de geleidelijke en gecoördineerde modernisering van de nationale wetgeving voor diensten, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van een echte interne dienstenmarkt tegen 2010. Er dient te worden gezorgd voor een evenwichtige combinatie van maatregelen inzake doelgerichte harmonisatie, administratieve samenwerking, de bepaling over het vrij verrichten van diensten en de stimulering van de opstelling van gedragscodes over bepaalde vraagstukken. Deze coördinatie van de nationale wetgevingen moet zorgen voor een hoge mate van communautaire juridische integratie en een hoog beschermingsniveau voor de doelstellingen van algemeen belang, en met name de consumentenbescherming , hetgeen onmisbaar is voor het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten. In deze richtlijn wordt ook rekening gehouden met andere doelstellingen van algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de naleving van het arbeidsrecht. (6 bis) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk het wegnemen van de belemmeringen voor de vrijheid van vestiging van dienstverrichters in de lidstaten en het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (6 ter) De bepalingen van deze richtlijn betreffende de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten zijn alleen van toepassing voor zover de betrokken activiteiten voor concurrentie opengesteld zijn; zij verplichten de lidstaten dus niet diensten van algemeen economisch belang te liberaliseren of openbare inrichtingen die dergelijke diensten aanbieden te privatiseren, dan wel bestaande monopolies voor andere activiteiten of bepaalde distributiediensten op te heffen. (6 quater) Deze richtlijn heeft geen betrekking op eisen die de toegang van bepaalde dienstverrichters tot publieke middelen regelen. Hierbij gaat het vooral om de voorwaarden waaronder dienstverrichters recht hebben op publieke financiering, zoals specifieke contractuele voorwaarden, en met name kwaliteitsnormen waaraan zij moeten voldoen als voorwaarde voor de ontvangst van publieke middelen, bijvoorbeeld voor sociale diensten. (6 quinquies) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de maatregelen van de lidstaten om, in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving, de culturele en linguïstische verscheidenheid en de pluriformiteit van de media te beschermen of te bevorderen, alsmede de financiering ervan. (6 sexies) Deze richtlijn heeft ten doel een juridisch kader te scheppen om de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten tussen de lidstaten te waarborgen; zij harmoniseert het strafrecht niet en doet hieraan ook geen afbreuk. De richtlijn is derhalve in het algemeen niet van invloed op de regels van het strafrecht. Lidstaten mogen evenwel niet de mogelijkheid hebben de in deze richtlijn neergelegde regels te ontwijken en het vrij verrichten van diensten te beperken door strafrechtelijke bepalingen toe te passen die meer bepaald van invloed zijn op de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit. (6 septies) Het is evenzeer van belang dat deze richtlijn communautaire initiatieven op basis van artikel 137 van het Verdrag ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 136 inzake de bevordering van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden, onverlet laat. (6 octies) Deze richtlijn is niet van invloed op de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, zoals maximale werk- en minimale rustperioden, minimumaantal betaalde vakantiedagen, minimumloon en gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk, en ook niet op de relaties tussen de sociale partners, zoals het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en het recht om te staken en vakbondsacties te voeren; de richtlijn is ook niet van toepassing op de diensten van uitzendbedrijven. Evenmin is deze richtlijn van invloed op de socialeverzekeringswetgeving van de lidstaten. (6 nonies) Deze richtlijn moet zo worden geïnterpreteerd dat de uitoefening van de door de lidstaten en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende grondrechten in overeenstemming wordt gebracht met de fundamentele vrijheden die zijn neergelegd in de artikelen 43 en 49 van het Verdrag. Deze grondrechten omvatten onder meer het recht om vakbondsacties te voeren. Deze richtlijn moet zo worden geïnterpreteerd dat zij volledig uitvoering geeft aan deze grondrechten en fundamentele vrijheden. (6 decies) Deze richtlijn heeft alleen betrekking op in een lidstaat gevestigde dienstverrichters en regelt geen externe aspecten. De richtlijn heeft geen betrekking op onderhandelingen in internationale organisaties inzake de handel in diensten, met name in het kader van de GATS. [Overweging 7 geschrapt] (7 bis) Deze richtlijn is alleen van toepassing op diensten die om economische redenen worden verricht . Diensten van algemeen belang vallen niet onder de definitie in artikel 50 van het Verdrag en vallen dus ook niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Diensten van algemeen economisch belang zijn diensten die om economische redenen worden verricht en daarom binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Bepaalde diensten van algemeen economisch belang, bijvoorbeeld op vervoersgebied, worden evenwel van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten, terwijl voor sommige andere, bijvoorbeeld op het gebied van de postdiensten, wordt afgeweken van de bepaling over het vrij verrichten van diensten. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de financiering van diensten van algemeen economisch belang en is niet van toepassing op stelsels van door de lidstaten in overeenstemming met de mededingingsregels van de Gemeenschap verstrekte steun, met name op sociaal gebied. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de follow-up van het witboek van de Commissie over diensten van algemeen belang. [Overweging 8 verplaatst] (9) Financiële diensten dienen van de werkingssfeer van deze richtlijn te worden uitgesloten, omdat daarvoor specifieke communautaire wetgeving is opgesteld, die evenals deze richtlijn tot doel heeft een echte interne markt voor diensten tot stand te brengen. Deze uitsluiting heeft derhalve betrekking op alle financiële diensten, zoals bankdiensten, kredietverstrekking, verzekering en herverzekering, individuele en bedrijfspensioenen, waardepapieren, beleggingen, fondsen, betalingen en beleggingsadviezen, met inbegrip van de diensten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[5] . (10) Aangezien in 2002 een wetgevingspakket betreffende elektronische-communicatiediensten en -netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten is aangenomen, dat een regelgevingskader behelst om de toegang tot deze activiteiten binnen de interne markt te vergemakkelijken, met name door afschaffing van de meeste individuele vergunningsregelingen, moeten de vraagstukken die in dat pakket worden geregeld van de werkingssfeer van deze richtlijn worden uitgesloten. (10 bis) Uitsluitingen van de werkingssfeer die betrekking hebben op aspecten van elektronische-communicatiediensten als bedoeld in de Richtlijnen 2002/19/EG[6], 2002/20/EG[7], 2002/21/EG[8], 2002/22/EG[9] en 2002/58/EG[10] van het Europees Parlement en de Raad moeten niet alleen van toepassing zijn op zaken die specifiek in die richtlijnen aan de orde komen, maar ook op die waarvoor de lidstaten in die richtlijnen de mogelijkheid wordt gelaten bepaalde maatregelen op nationaal niveau te nemen. (10 ter) Vervoerdiensten, met inbegrip van stadsvervoer, taxi's, ambulances en havendiensten , zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn. (10 quater) De uitsluiting van de gezondheidszorg geldt voor medische en farmaceutische diensten die gezondheidswerkers aan patiënten verlenen om hun gezondheid te beoordelen, te bewaren of te herstellen, voor zover deze activiteiten in de lidstaat waar de diensten worden verricht, voorbehouden zijn aan een gereglementeerd beroep binnen de gezondheidszorg. (10 quinquies) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de terugbetaling van de kosten van gezondheidszorg die wordt verstrekt in een andere lidstaat dan die waar de ontvanger van de zorg ingezeten is. Het Hof van Justitie heeft zich hierover herhaaldelijk uitgesproken en de rechten van de patiënt erkend. Om meer rechtszekerheid en duidelijkheid te scheppen, is het van belang deze kwestie in een ander communautair besluit te behandelen, voor zover dit niet al gebeurt in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad[11] over de coördinatie van socialezekerheidsregelingen. (10 sexies) Audiovisuele diensten, wat ook de wijze van doorgifte is, met inbegrip van diensten van bioscopen, dienen eveneens van de werkingssfeer van deze richtlijn te worden uitgesloten. Deze richtlijn heeft verder geen betrekking op door de lidstaten verstrekte steun in de audiovisuele sector, die valt onder de mededingingsregels van de Gemeenschap. (10 septies) Gokactiviteiten, inclusief loterijen en weddenschappen, dienen vanwege het specifieke karakter van deze activiteiten, die voor de lidstaten aanleiding zijn tot het toepassen van maatregelen betreffende de openbare orde en de bescherming van de consument, van de werkingssfeer van deze richtlijn te worden uitgesloten. (10 octies) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 45 van het Verdrag, met name wat bepaalde activiteiten van notarissen en andere beroepsbeoefenaren in verband met hun bevoegdheid tot legalisatie en certificering betreft. (10 nonies) Deze richtlijn is niet van toepassing op sociale diensten op het gebied van huisvesting, kinderverzorging en hulp aan gezinnen en personen in nood, die worden verleend door de staat of door dienstverrichters die hiervoor een opdracht hebben gekregen van de staat - op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau -, met het doel ondersteuning te geven aan personen met bijzondere behoeften wegens hun ontoereikende gezinsinkomen, met een volledig of gedeeltelijk gebrek aan onafhankelijkheid of die gevaar lopen te worden gemarginaliseerd. Deze diensten zijn van wezenlijk belang voor de waarborging van het grondrecht op menselijke waardigheid en integriteit en een uiting van de beginselen van sociale samenhang en solidariteit en moeten door deze richtlijn onverlet worden gelaten. (10 decies) Deze richtlijn heeft geen betrekking op de financiering van sociale dienstverlening en de steunregelingen daarvoor. Zij laat de criteria en voorwaarden die lidstaten vaststellen om ervoor te zorgen dat de socialedienstverlening het algemeen belang en de sociale samenhang doeltreffend dient, onverlet. (11) Daar het Verdrag een specifieke rechtsgrondslag verschaft op belastinggebied en voor de reeds aangenomen communautaire besluiten op dat gebied, dienen belastingen van de werkingssfeer van deze richtlijn te worden uitgesloten. [Overweging 12 verplaatst] (13) Er bestaat al een uitgebreide communautaire wetgeving voor dienstenactiviteiten. Deze richtlijn bouwt voor op deze bestaande wetgeving en vult deze dus aan. Strijdigheden tussen deze richtlijn en andere communautaire besluiten worden in deze richtlijn onderkend en ondervangen, onder meer door middel van afwijkingen. Er dient evenwel een regel te worden vastgesteld voor eventueel resterende en uitzonderlijke gevallen van strijdigheid tussen een bepaling van de richtlijn en een bepaling van een ander communautair besluit. Of er sprake is van strijdigheid moet conform de Verdragsregels inzake het recht van vestiging en het vrije verkeer van diensten worden vastgesteld. Bij de opstelling van en bij onderhandelingen over dergelijke besluiten moet erop worden toegezien dat deze niet strijdig zijn met de richtlijn. (13 bis) Deze richtlijn strookt met en doet geen afbreuk aan Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[12]. Zij heeft betrekking op andere aspecten dan die met betrekking tot beroepskwalificaties zoals beroepsaansprakelijkheidsverzekering, commerciële communicatie, multidisciplinaire activiteiten en administratieve vereenvoudiging. Met betrekking tot tijdelijke grensoverschrijdende dienstverrichtingen zorgt een afwijking van de bepaling over het vrij verrichten van diensten in deze richtlijn ervoor dat geen afbreuk wordt gedaan aan titel II over de vrije dienstverrichting van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Derhalve laat de bepaling over het vrij verrichten van diensten alle maatregelen onverlet die in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, van toepassing zijn krachtens Richtlijn 2005/36/EG. (13 ter) Deze richtlijn sluit aan bij andere initiatieven van de Gemeenschap op het gebied van diensten, met name die betreffende hun veiligheid. Zij is ook in overeenstemming met andere initiatieven op het gebied van de interne markt en de consumentenbescherming, zoals Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken[13] en Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ("de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming")[14]. (14) De diensten waarop deze richtlijn betrekking heeft, betreffen zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten, waaronder zakelijke diensten zoals de diensten van managementconsultants, certificering en tests, faciliteitenbeheer, waaronder het onderhoud van kantoren, reclamediensten, de werving van personeel en diensten van handelsagenten. Het gaat bij deze diensten ook om diensten die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals juridische of fiscale bijstand, diensten in de vastgoedsector, zoals makelaarsdiensten, of de bouwsector, met inbegrip van de diensten van architecten, de handel, de organisatie van beurzen, autoverhuur en reisbureaus. Voorts vallen hieronder consumentendiensten, bijvoorbeeld op het gebied van toerisme, zoals reisleiders, vrijetijdsdiensten, sportcentra en pretparken, en , voor zover zij niet van het werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten, bejaardenhulp en andere thuiszorg. Het kan zowel gaan om diensten waarvoor de dienstverrichter en de afnemer zich in elkaars nabijheid moeten bevinden als om diensten waarvoor de dienstverrichter of de afnemer zich moet verplaatsen of die op afstand, bijvoorbeeld via internet, kunnen worden verricht. [Overweging 15 geschrapt] (16) Of bepaalde activiteiten, met name activiteiten die door de overheid worden gefinancierd of door openbare entiteiten worden verricht, een "dienst" vormen, moet volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie per geval worden beoordeeld in het licht van alle kenmerken van die activiteiten, met name de manier waarop zij in de betrokken lidstaat worden verricht, georganiseerd en gefinancierd. Het Hof heeft geoordeeld dat het wezenlijke kenmerk van een vergoeding erin bestaat dat zij een economische tegenprestatie voor de betrokken diensten vormt en heeft aldus erkend dat er geen sprake is van een vergoeding bij activiteiten die door of namens de overheid zonder economische tegenprestatie in het kader van haar taken op sociaal, cultureel, opvoedkundig en justitieel gebied worden verricht, zoals cursussen die worden gegeven in het kader van het nationale onderwijsstelsel of het beheer van socialezekerheidsstelsels, die geen economische activiteit behelzen. De betaling van een bijdrage door de afnemers, bijvoorbeeld schoolgeld of inschrijfgeld teneinde in zekere mate in de bedrijfskosten van een stelsel bij te dragen, vormt op zich nog geen vergoeding omdat de dienst hoofdzakelijk uit publieke middelen gefinancierd blijft. Deze activiteiten vallen derhalve niet onder de definitie van dienst in artikel 50 van het Verdrag en behoren dus niet tot de werkingssfeer van deze richtlijn. (16 bis) Niet-commerciële amateursportactiviteiten hebben aanzienlijk sociaal belang. Er worden vaak uitsluitend sociale of recreatieve doelstellingen mee nagestreefd. Bijgevolg mogen zij niet als economische activiteiten in de zin van het Gemeenschapsrecht worden beschouwd en vallen zij buiten de werkingssfeer van deze richtlijn. [Overweging 17 verplaatst] (18) Het begrip dienstverrichter dekt iedere natuurlijke persoon die onderdaan van een lidstaat is en iedere rechtspersoon die aldaar een dienstenactiviteit uitoefent en daarbij gebruik maakt van het recht van vrijheid van vestiging of het vrije verkeer van diensten. Het begrip dienstverrichter dekt dus niet alleen gevallen waarin de dienst in het kader van het vrije verkeer van diensten grensoverschrijdend wordt verricht, maar ook die waarin een marktdeelnemer zich in een lidstaat vestigt om er dienstenactiviteiten te ontplooien. Anderzijds omvat het begrip dienstverrichter geen bijkantoren van vennootschappen uit derde landen in een lidstaat, want de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten gelden volgens artikel 48 van het Verdrag alleen voor vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben. Het begrip afnemer omvat mede onderdanen van derde landen, voor wie al rechten gelden, die hen zijn verleend door communautaire besluiten zoals Verordening (EEG) nr. 1408/71[15], Richtlijn 2003/109/EG[16], Verordening (EG) nr. 859/2003[17] en Richtlijn 2004/38/EG[18]. Verder hebben de lidstaten de mogelijkheid het begrip afnemer uit te breiden tot andere onderdanen van derde landen die op hun grondgebied aanwezig zijn. (18 bis) De plaats van vestiging van een dienstverrichter moet worden vastgesteld overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie, die bepaalt dat het begrip vestiging de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging impliceert. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als zij het gebouw of de installatie van waaruit zij haar economische activiteit uitoefent, huurt. Voorts kan aan die eis zijn voldaan wanneer een lidstaat tijdelijke vergunningen verleent die alleen geldig zijn voor specifieke diensten. Een vestiging hoeft niet de vorm van een dochteronderneming, een bijkantoor of een agentschap te hebben, maar kan ook bestaan in een kantoor dat wordt beheerd door het eigen personeel van de dienstverrichter of door een persoon die onafhankelijk is, maar gemachtigd om op een permanente basis voor de onderneming te handelen, zoals het geval is voor een agentschap. Volgens deze definitie, op grond waarvan de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit op de plaats van vestiging van de dienstverrichter vereist is, vormt een brievenbus alleen geen vestiging. Ingeval de dienstverrichter verschillende plaatsen van vestiging heeft, is het van belang vast te stellen vanuit welke plaats van vestiging de betrokken dienst wordt verricht. Wanneer moeilijk kan worden vastgesteld vanuit welke van verschillende plaatsen van vestiging een bepaalde dienst wordt verricht, is dit de plaats waar de dienstverrichter het centrum van zijn met deze bepaalde dienst verband houdende activiteiten heeft. (18 ter) De Verdragsbepalingen betreffende de vestiging laten de marktdeelnemers vrij in de keuze van de rechtsvorm die zij voor hun activiteiten geschikt achten. Bijgevolg slaat "rechtspersonen" in de zin van het Verdrag op alle entiteiten die zijn opgericht naar of worden beheerst door het recht van een lidstaat, ongeacht hun rechtsvorm. [Overweging 19 verplaatst] (20) Het begrip vergunningstelsel duidt onder meer op de administratieve procedures voor de verlening van vergunningen, licenties, erkenningen of concessies, maar ook op de verplichting zich voor de uitoefening van de activiteit in te schrijven als beroepsbeoefenaar, zich te laten opnemen in een register, op een rol of in een databank, officieel benoemd te zijn door een instantie of een beroepskaart aan te vragen. Een vergunning hoeft niet te zijn gebaseerd op een formeel besluit, maar kan ook stilzwijgend worden verleend, doordat bijvoorbeeld niets van de bevoegde instantie wordt vernomen of de betrokkene moet wachten op een bevestiging dat zijn verklaring is ontvangen voordat hij zijn activiteit kan aanvatten of legaal kan verrichten. (20 bis) Het begrip dwingende redenen van algemeen belang, waarnaar in een aantal bepalingen van deze richtlijn wordt verwezen, is gaandeweg door het Hof van Justitie ontwikkeld in zijn rechtspraak betreffende de artikelen 43 en 49 van het Verdrag, en kan zich nog verder ontwikkelen . Dit begrip, zoals dit is erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie, omvat tenminste de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van afnemers van diensten; consumentenbescherming; bescherming van werknemers, met inbegrip van de sociale bescherming van werknemers; handhaving van het financieel evenwicht van het socialezekerheidsstelsel; voorkoming van fraude; voorkoming van oneerlijke concurrentie; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; bescherming van schuldeisers; waarborging van een deugdelijke rechtsbedeling; verkeersveiligheid; bescherming van intellectuele eigendom; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; behoud van de diversiteit van de pers en bevordering van de nationale taal; behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed; veterinair beleid. [Overweging 21 geschrapt] (21 bis) De voorschriften in verband met administratieve procedures zijn niet gericht op een harmonisatie van administratieve procedures, maar op het wegnemen van te belastende vergunningstelsels, -procedures en -formaliteiten, die de vrijheid van vestiging en de daaruit voortvloeiende oprichting van nieuwe dienstverrichtende ondernemingen hinderen. (22) De complexiteit en de lange duur van de administratieve procedures en de rechtsonzekerheid die daarvan het gevolg is, vormen vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen een fundamenteel probleem bij de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten. In navolging van bepaalde communautaire en nationale initiatieven voor modernisering en goede administratieve werkwijzen is het dan ook noodzakelijk beginselen voor administratieve vereenvoudiging vast te stellen, onder meer door de op communautair niveau gecoördineerde invoering van een éénloketsysteem , door beperking van de vergunningplicht tot gevallen waarin dit van essentieel belang is en door invoering van het beginsel dat een vergunning wordt geacht stilzwijgend te zijn verleend als de bevoegde instanties binnen een bepaalde termijn niets laten weten . Deze modernisering, die geen afbreuk doet aan de eis dat de informatie over de marktdeelnemers transparant en actueel moet zijn, moet een eind maken aan het tijdverlies, de kosten en het ontmoedigende effect die het gevolg zijn van bijvoorbeeld overbodige of onnodig ingewikkelde en moeizame procedures, het meer dan eens moeten verrichten van dezelfde procedurele handelingen, vormvoorschriften inzake de indiening van documenten, de arbitraire bevoegdheid van de bevoegde instanties, onbepaalde of buitensporig lange termijnen voordat een antwoord wordt gegeven, de beperkte geldigheidsduur van de verleende vergunning en onevenredige kosten en sancties. Het ontmoedigende effect van dergelijke praktijken is bijzonder groot voor dienstverrichters die activiteiten in andere lidstaten willen ontplooien en noopt op de uitgebreide interne markt van vijfentwintig lidstaten tot een gecoördineerde modernisering. (22 bis) Lidstaten voeren waar nodig door de Commissie vastgestelde, op communautair niveau geharmoniseerde formulieren in, die fungeren als equivalent van certificaten, getuigschriften en andere documenten in verband met de vestiging. (22 ter) Om uit te maken of procedures en formaliteiten vereenvoudigd dienen te worden, kunnen de lidstaten onder meer kijken naar de noodzaak, het aantal, de mogelijke overlappingen, de kosten, de duidelijkheid en de toegankelijkheid ervan, alsmede naar het tijdverlies en de praktische problemen die ze voor de betrokken dienstverrichter kunnen meebrengen. (23) Om de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten op de interne markt te vergemakkelijken, moet ten aanzien van administratieve vereenvoudiging een gemeenschappelijk doel voor alle lidstaten worden vastgesteld en moeten bepalingen worden vastgesteld betreffende met name éénloketvoorzieningen , het recht op informatie, elektronische procedures en de vaststelling van een kader voor vergunningstelsels. Andere maatregelen die op nationaal niveau kunnen worden genomen om dit doel te bereiken, behelzen bijvoorbeeld een vermindering van het aantal procedures en formaliteiten voor dienstenactiviteiten en een beperking tot alleen die procedures en formaliteiten die werkelijk nodig zijn om een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken en geen overlapping qua inhoud of doel van andere procedures en formaliteiten inhouden. (24) Met het oog op de administratieve vereenvoudiging mogen geen algemene vormvoorschriften worden gehanteerd, zoals de eis een origineel document, een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift of een gelegaliseerde vertaling over te leggen , behalve wanneer dat vanuit objectief oogpunt gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang, zoals de bescherming van werknemers, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu of de bescherming van de consument . Ook moet worden gewaarborgd dat met een vergunning normaliter toestemming wordt verleend voor de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op het gehele nationale grondgebied, tenzij een nieuwe vergunning voor elke vestiging, bijvoorbeeld voor elke nieuwe weidewinkel of hypermarkt, of een vergunning die zich tot een specifiek deel van het nationale grondgebied beperkt , vanuit objectief oogpunt om een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is. (25) Er dient te worden gezorgd voor éénloketvoorzieningen , zodat elke dienstverrichter bij één contactpunt alle procedures en formaliteiten kan afwikkelen. Het aantal éénloketten per lidstaat kan variëren naargelang de regionale of plaatselijke bevoegdheden of de betrokken activiteiten. Invoering van dit éénloketsysteem heeft geen invloed op de bevoegdheidsverdeling tussen de instanties in elke lidstaat. Als verscheidene instanties op regionaal of plaatselijk niveau bevoegd zijn, kan een van hen als éénloket en coördinator fungeren. Éénloketten hoeven geen overheidsinstantie te zijn; een lidstaat kan deze taak ook toewijzen aan een kamer van koophandel, een beroepsorganisatie of een particuliere instelling. Een belangrijke rol van het éénloket is het verlenen van bijstand aan dienstverrichters, hetzij als bevoegde instantie die zelf de nodige documenten kan afgeven voor de toegang tot een dienstenactiviteit, hetzij als tussenschakel tussen de dienstverrichter en de bevoegde instanties. In haar Aanbeveling van 22 april 1997 betreffende verbetering en vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat voor startende ondernemingen[19] heeft de Commissie de lidstaten al aangemoedigd om ter vereenvoudiging van de formaliteiten contactpunten op te richten. (25 bis) De vergoeding die het éénloket mag aanrekenen, moet in verhouding staan tot de kosten van de procedures en formaliteiten waarmee het zich bezighoudt. Dit belet lidstaten niet het éénloket te belasten met de inning van andere administratieve vergoedingen, zoals die van toezichthoudende organen. (25 ter) Dienstverrichters en afnemers van diensten moeten op een gemakkelijke wijze toegang hebben tot bepaalde soorten informatie. Dat geldt met name voor informatie over procedures en formaliteiten, adresgegevens van bevoegde instanties, de toegangsvoorwaarden voor openbare registers en databanken, informatie over de beschikbare beroepsmogelijkheden en adresgegevens van verenigingen en organisaties waar de dienstverrichter of afnemer praktische bijstand kan krijgen. Deze informatie moet gemakkelijk toegankelijk zijn, dat wil zeggen op een gemakkelijke wijze en zonder hindernissen beschikbaar zijn voor het publiek. De informatie moet op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden meegedeeld. (25 quater) Aan de verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat relevante informatie gemakkelijk toegankelijk is voor dienstverrichters en afnemers, kan worden voldaan door deze informatie toegankelijk te maken via een website. De verplichting voor de bevoegde instanties om dienstverrichters en afnemers te helpen, betekent niet dat zij in individuele gevallen juridisch advies moeten geven. Wel moet algemene informatie worden gegeven over de wijze waarop de eisen gewoonlijk geïnterpreteerd of toegepast worden. Iedere lidstaat kan, binnen het kader van deze richtlijn, zelf bepalen op welke wijze hij informatie aan dienstverrichters en afnemers verstrekt. Kwesties zoals de aansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie moeten door de lidstaten worden geregeld. (26) De invoering, binnen een redelijke maar korte termijn, van een elektronisch systeem voor de afwikkeling van procedures en formaliteiten is een noodzakelijke voorwaarde voor een administratieve vereenvoudiging op het gebied van diensten, die de dienstverrichters, afnemers en bevoegde instanties ten goede zal komen. Eventueel moeten de nationale wetgeving en andere regels betreffende dienstenactiviteiten worden aangepast om aan deze resultaatverplichting te voldoen. Deze verplichting belet de lidstaten niet om, naast de elektronische weg, ook andere wijzen van afwikkeling van procedures en formaliteiten beschikbaar te stellen. Het feit dat het mogelijk moet zijn de procedures en formaliteiten op afstand af te wikkelen, betekent meer bepaald dat de lidstaten erop moeten toezien dat zij ook grensoverschrijdend kunnen worden afgewikkeld. Deze resultaatverplichting geldt niet voor procedures of formaliteiten die wegens hun aard niet op afstand kunnen worden afgewikkeld. Dit laat de wetgeving van lidstaten over het gebruik van talen onverlet. (27) De toegang tot een dienstenactiviteit mag alleen van een vergunning van de bevoegde instanties afhankelijk worden gemaakt indien hun beslissing voldoet aan het discriminatieverbod en aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Dit betekent in het bijzonder dat vergunningstelsels alleen zijn toegestaan wanneer controle achteraf niet doeltreffend zou zijn wegens de onmogelijkheid de gebreken van de betrokken diensten achteraf vast te stellen en de risico’s en gevaren die zonder controle vooraf zouden bestaan. Deze bepaling van de richtlijn kan echter niet worden aangevoerd als rechtvaardiging voor vergunningstelsels die verboden zijn op grond van andere communautaire besluiten, zoals Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen[20] of Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn elektronische handel")[21]. Aan de hand van de resultaten van de wederzijdse beoordeling zal op communautair niveau kunnen worden bepaald voor welke soorten activiteiten vergunningstelsels moeten worden afgeschaft. (27 bis) Deze richtlijn belet niet dat lidstaten verstrekte vergunningen naderhand kunnen intrekken wanneer niet meer aan de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning wordt voldaan. (27 ter) Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie vormen volksgezondheid, consumentenbescherming, diergezondheid en bescherming van het stedelijk milieu dwingende redenen van algemeen belang. Dergelijke dwingende redenen kunnen een rechtvaardiging zijn voor de toepassing van vergunningstelsels en andere beperkingen op de sociale dienstverlening. Deze vergunningstelsels of beperkingen mogen evenwel niet discrimineren op grond van nationaliteit. Voorts moeten de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid altijd worden geëerbiedigd. (27 quater) De bepalingen van deze richtlijn over vergunningstelsels hebben betrekking op gevallen waarin voor de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit door marktdeelnemers een besluit van een bevoegde instantie vereist is. Dit betreft noch besluiten van bevoegde instanties over de oprichting van een openbare of particuliere entiteit voor het verrichten van een specifieke dienst, noch het aangaan van overeenkomsten door bevoegde instanties met het oog op het verrichten van een specifieke dienst, waarop de regels inzake overheidsopdrachten van toepassing zijn. (27 quinquies) Teneinde de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten te vergemakkelijken, is het belangrijk de vergunningstelsels en de rechtvaardiging ervan aan een beoordeling en rapportage te onderwerpen. Deze rapportageplicht heeft enkel betrekking op het bestaan van vergunningstelsels en niet op de criteria en voorwaarden voor het verlenen van een vergunning. (27 sexies) Met de vergunning moet de dienstverrichter normaliter toegang krijgen tot de dienstenactiviteit, of die activiteit kunnen uitoefenen, op het gehele nationale grondgebied, tenzij een territoriale beperking om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd is. Zo kan milieubescherming rechtvaardigen dat een individuele vergunning moet worden verworven voor elke installatie op het nationale grondgebied. Deze bepaling is niet van invloed op de regionale of lokale bevoegdheden voor het verlenen van vergunningen binnen een lidstaat. (27 septies) Deze richtlijn, en met name de bepalingen betreffende vergunningstelsels en de territoriale reikwijdte van een vergunning, laat de verdeling van regionale of plaatselijke bevoegdheden binnen een lidstaat, met inbegrip van regionaal en lokaal zelfbestuur en het gebruik van officiële talen, onverlet. (27 octies) De bepaling dat vergunningsvoorwaarden elkaar niet mogen overlappen, belet de lidstaten niet hun eigen voorwaarden, als vastgesteld in het vergunningstelsel, toe te passen. Zij vereist alleen dat de bevoegde instanties, wanneer zij nagaan of de aanvrager aan deze voorwaarden voldoet, rekening houden met gelijkwaardige voorwaarden waaraan de aanvrager in een andere lidstaat al heeft voldaan. De bepaling vereist niet dat vergunningsvoorwaarden worden toegepast die in het vergunningstelsel van een andere lidstaat zijn vervat. (28) Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, bijvoorbeeld bij de toekenning van analoge radiofrequenties of de exploitatie van een waterkrachtcentrale, moet een procedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of de vorige dienstverrichter enig voordeel toekennen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur van de vergunning zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt gehinderd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijving van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal. Deze bepaling belet de lidstaten niet het aantal vergunningen te beperken om andere redenen dan de schaarste van de natuurlijke hulpbronnen of de technische mogelijkheden. Op deze vergunningen zijn in elk geval de overige bepalingen van deze richtlijn inzake het vergunningstelsel van toepassing. (28 bis) In deze richtlijn wordt bepaald dat bij het uitblijven van een antwoord binnen een bepaalde termijn, de vergunning wordt geacht te zijn verleend. Met betrekking tot bepaalde activiteiten kunnen echter andere regelingen worden vastgesteld wanneer deze om dwingende redenen van algemeen belang objectief gerechtvaardigd zijn. [Overweging 29 verplaatst] (30) Om een echte interne markt voor diensten tot stand te brengen, moeten de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten die nog in de wetgevingen van bepaalde lidstaten voorkomen en die onverenigbaar zijn met de artikelen 43 en 49 van het Verdrag, worden opgeheven. Deze beperkingen zijn bijzonder schadelijk voor de interne markt voor diensten en moeten systematisch en zo snel mogelijk uit de weg worden geruimd. (31) Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is de vrijheid van vestiging met name gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling, dat niet alleen het maken van onderscheid op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook elke indirecte discriminatie op grond van andere criteria die in de praktijk tot hetzelfde resultaat kunnen leiden. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in een lidstaat, als hoofd- of als nevenactiviteit, mag niet afhankelijk worden gesteld van criteria als de plaats van vestiging, de feitelijke of juridische woonplaats of de plaats waar de dienstenactiviteit voornamelijk wordt uitgeoefend. In bepaalde gevallen kunnen dwingende redenen van algemeen belang echter een rechtvaardiging zijn voor de eis dat de dienstverrichter, dan wel een van zijn werknemers of een vertegenwoordiger, aanwezig is bij de uitoefening van zijn activiteit. Evenmin mag een lidstaat beperkingen opleggen aan de rechts- en procesbevoegdheid van vennootschappen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een andere lidstaat, waar zij hun hoofdvestiging hebben. Ook mag een lidstaat dienstverrichters met een bijzondere nationale of lokale sociaal-economische band geen voordeel toekennen, noch dienstverrichters uit hoofde van hun vestigingsplaats beperkingen opleggen wat betreft hun recht om rechten en goederen te verwerven, te gebruiken of te vervreemden, of om gebruik te maken van de verschillende vormen van krediet of huisvesting, voor zover dit recht de toegang tot of de daadwerkelijke uitoefening van zijn activiteit dient. (32) Het verbod op de hantering van economische criteria als vergunningsvoorwaarde betreft deze criteria als zodanig en niet eisen die om dwingende redenen van algemeen belang objectief gerechtvaardigd zijn, zoals de bescherming van het stedelijk milieu en doelstellingen op het gebied van het sociaal beleid en de volksgezondheid . Dit verbod heeft geen betrekking op de uitoefening van de bevoegdheden van de voor de toepassing van het mededingingsrecht bevoegde instanties. (32 bis) Met betrekking tot financiële waarborgen of verzekering is het alleen verboden te eisen dat de verlangde financiële waarborgen of verzekering worden geleverd door een in de betrokken lidstaat gevestigde financiële instelling. (32 ter) Wat de verplichte voorafgaande inschrijving in een register betreft, is het alleen verboden te eisen dat een dienstverrichter alvorens zich te mogen vestigen een bepaalde tijd in een in de betrokken lidstaat bijgehouden register ingeschreven is geweest. (33) Om de modernisering van de nationale voorschriften in het licht van de eisen van de interne markt te coördineren, is een beoordeling nodig van bepaalde niet-discriminerende eisen van de lidstaten, die door hun kenmerken de toegang tot of de uitoefening van een activiteit uit hoofde van de vrijheid van vestiging aanzienlijk kunnen beperken of verhinderen. Bij deze beoordeling wordt alleen nagegaan of deze eisen verenigbaar zijn met de reeds door het Hof van Justitie vastgestelde criteria inzake de vrijheid van vestiging. Zij heeft geen betrekking op de toepassing van het communautaire mededingingsrecht. Wanneer dergelijke eisen discriminerend zijn of niet objectief worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang of wanneer zij onevenredig zijn, moeten zij worden ingetrokken of gewijzigd. Het resultaat van deze beoordeling zal verschillen naar gelang van de aard van de activiteiten en het betrokken algemeen belang. In het bijzonder kunnen dergelijke eisen volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie volledig gerechtvaardigd zijn wanneer hiermee doelstellingen op het gebied van het sociaal beleid worden nagestreefd. (33 bis) In deze richtlijn mogen, onverminderd artikel 16 van het Verdrag, diensten alleen als diensten van algemeen economisch belang worden beschouwd wanneer zij worden verricht uit hoofde van een speciale taak van openbaar belang die door de betrokken lidstaat aan de dienstverrichter is toevertrouwd. Deze toewijzing moet zijn geschied bij een of meer besluiten, waarvan de vorm door iedere lidstaat kan worden bepaald en die een nauwkeurige specificatie van de speciale taak moeten geven. (33 ter) De in deze richtlijn opgenomen procedure van wederzijdse beoordeling laat de vrijheid van de lidstaten onverlet in hun wetgeving een hoog beschermingsniveau vast te stellen voor algemene belangen, en met name voor de doelen van het sociaal beleid. Voorts dient bij de wederzijdse beoordeling ten volle rekening te worden gehouden met het specifieke karakter van diensten van algemeen economisch belang en met de bijzondere daaraan toegewezen taken. Deze kunnen aanleiding zijn voor bepaalde beperkingen van de vrijheid van vestiging, met name indien deze beperkingen de bescherming van de volksgezondheid en doelen van het sociaal beleid beogen en zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 15, lid 3, onder a), b) en c). Het Hof van Justitie heeft bijvoorbeeld al erkend dat het, wat de verplichting betreft een bepaalde rechtsvorm te kiezen voor het verrichten van bepaalde diensten in de sociale sector, gerechtvaardigd kan zijn de dienstverrichters te verplichten geen winstoogmerk te hebben. (34) Tot de te beoordelen beperkingen behoren onder meer nationale regels die de toegang tot bepaalde activiteiten voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters om redenen die geen verband houden met de beroepskwalificaties. Tot deze beperkingen behoren ook eisen die van een dienstverrichter verlangen dat hij een bepaalde rechtsvorm heeft, met name dat hij een rechtspersoon is, dan wel een personenvennootschap, een organisatie zonder winstoogmerk of een vennootschap die uitsluitend aan natuurlijke personen toebehoort, en eisen aangaande het aandeelhouderschap van een vennootschap, met name de eis om voor bepaalde dienstenactiviteiten over een minimumkapitaal te beschikken of om een bepaalde beroepskwalificatie te hebben om kapitaal in bepaalde vennootschappen te kunnen steken of om deze te beheren. De beoordeling of vaste minimum- en/of maximumtarieven verenigbaar zijn met de vrijheid van vestiging, heeft alleen betrekking op tarieven die door bevoegde instanties specifiek voor het verrichten van bepaalde diensten zijn opgelegd, en bijvoorbeeld niet op algemene voorschriften inzake prijsbepaling zoals voor de verhuur van huizen. (34 bis) De wederzijdse beoordeling houdt in dat de lidstaten in de omzettingsperiode eerst een "screening" van hun wetgeving moeten uitvoeren, teneinde na te gaan of bovengenoemde eisen in hun rechtsstelsel aanwezig zijn, en uiterlijk aan het eind van de omzettingsperiode een verslag over de resultaten van hun screening moeten opstellen. Elk verslag zal worden voorgelegd aan alle andere lidstaten en betrokkenen. De lidstaten krijgen vervolgens zes maanden om hun opmerkingen over deze verslagen in te dienen. De Commissie zal uiterlijk op 31 december 2008 een syntheseverslag opstellen, eventueel vergezeld van voorstellen voor verdere initiatieven. Indien nodig zal de Commissie de lidstaten, in samenwerking met hen, helpen een gemeenschappelijke methode uit te werken. [Overweging 35 geschrapt] (36) De vaststelling in deze richtlijn van een aantal eisen die de lidstaten gedurende de omzettingsperiode moeten intrekken of beoordelen, staat er niet aan in de weg dat een lidstaat wegens niet-nakoming van artikel 43 of 49 van het Verdrag in gebreke kan worden gesteld. (36 bis) Deze richtlijn heeft geen betrekking op de toepassing van de artikelen 28 tot en met 30 van het Verdrag over het vrije verkeer van goederen. De beperkingen die als gevolg van de bepaling over het vrij verrichten van diensten verboden zijn, betreffen eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf. (36 ter) Wanneer een marktdeelnemer naar een andere lidstaat reist om daar een dienstenactiviteit uit te oefenen, moet onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen die onder de vrijheid van vestiging vallen en die welke wegens het tijdelijke karakter van de activiteiten onder het vrije verkeer van diensten vallen. Wat het onderscheid tussen de toepassing van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten betreft, is het volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van wezenlijk belang na te gaan of de marktdeelnemer al dan niet is gevestigd in de lidstaat waar hij de betrokken dienst verricht. Indien hij is gevestigd in de lidstaat waar hij zijn diensten verricht, valt hij onder de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging. Indien de marktdeelnemer daarentegen niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, vallen zijn activiteiten onder het vrije verkeer van diensten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het tijdelijke karakter van de activiteiten niet alleen aan de hand van de duur van de dienstverrichting worden beoordeeld, maar ook aan de hand van haar regelmatigheid, frequentie of continuïteit. Het tijdelijke karakter van de activiteit betekent in elk geval niet dat de dienstverrichter in de lidstaat van ontvangst niet een bepaalde infrastructuur, zoals een kantoor of kabinet, mag inrichten wanneer hij die infrastructuur nodig heeft om de dienst te verrichten. (37) Voor een doeltreffende uitvoering van het vrije verkeer van diensten en om ervoor te zorgen dat afnemers en dienstverrichters in de hele Gemeenschap, zonder op grenzen te moeten letten, diensten kunnen afnemen en verrichten, moet worden verduidelijkt in hoeverre de lidstaat waar de dienst wordt verricht, zijn eisen kan opleggen . Het is absoluut noodzakelijk ervoor te zorgen dat de bepaling over het vrij verrichten van diensten de lidstaat waar de dienst wordt verricht, niet belet om, in overeenstemming met de beginselen bedoeld in artikel 16, lid 1, onder a), b) en c), zijn specifieke eisen op te leggen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel voor de bescherming van de volksgezondheid of het milieu. (37 bis) Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoudt een lidstaat het recht maatregelen te nemen om te voorkomen dat dienstverrichters door misbruik profiteren van de beginselen van de interne markt. Of er sprake is van misbruik door de dienstverrichter moet per geval worden vastgesteld. [Overweging 38 geschrapt] [Overweging 39 geschrapt] (39 bis) Er moet voor worden gezorgd dat dienstverrichters die naar een andere lidstaat reizen om er een dienst te verrichte,n de uitrusting die zij daarbij nodig hebben, kunnen meenemen. Meer bepaald moeten situaties worden voorkomen waarin de dienst bij gebrek aan uitrusting niet kan worden verricht of de dienstverrichters extra onkosten hebben, bijvoorbeeld omdat zij een andere dan hun gebruikelijke uitrusting moeten huren of kopen of hun gebruikelijke werkwijze ingrijpend moeten aanpassen. (39 ter) Fysieke voorwerpen die door de dienstverrichter aan de afnemer worden geleverd of die als gevolg van de dienstverrichting deel uitmaken van een fysiek voorwerp, zoals bouwmaterialen of reserveonderdelen, of die worden verbruikt of ter plaatse worden achtergelaten, zoals brandstoffen, explosieven, vuurwerk, bestrijdingsmiddelen, vergif of geneesmiddelen, vallen niet onder het begrip uitrusting. (40) Er dient te worden bepaald dat alleen van de bepaling over het vrij verrichten van diensten kan worden afgeweken op gebieden waarvoor afwijkingen zijn voorzien. Die afwijkingen zijn nodig om rekening te houden met de mate van integratie van de interne markt of met bepaalde communautaire besluiten inzake diensten, die bepalen dat een ander recht dan dat van de lidstaat van vestiging op een dienstverrichter van toepassing is. Bij wijze van uitzondering kunnen in individuele gevallen en met inachtneming van bepaalde strikte inhoudelijke en procedurele voorwaarden maatregelen tegen een dienstverrichter worden genomen. Bovendien mogen afwijkingen die het vrije verkeer van diensten beperken, bij wijze van uitzondering alleen worden toegestaan als zij in overeenstemming zijn met de grondrechten die volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een integrerend deel zijn van de algemene rechtsbeginselen van de communautaire rechtsorde. (40 bis) De afwijking van de bepaling over het vrij verrichten van diensten voor postdiensten geldt zowel voor activiteiten die zijn voorbehouden aan de universeledienstverrichter als voor andere postdiensten. (40 ter) De afwijking van de bepaling over het vrij verrichten van diensten voor de gerechtelijke inning van schuldvorderingen en de verwijzing naar een mogelijk toekomstig harmonisatiebesluit heeft alleen betrekking op de toegang tot en de uitoefening van activiteiten die met name bestaan in het voor de rechter brengen van zaken in verband met de inning van schuldvorderingen. [Overweging 41 verplaatst] (41 bis) Deze richtlijn mag niet van invloed zijn op arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG van toepassing zijn op werknemers die zijn gedetacheerd met het oog op het verrichten van een dienst op het grondgebied van een andere lidstaat. Voor dergelijke gevallen is in Richtlijn 96/71/EG bepaald dat dienstverrichters op een aantal specifiek vermelde gebieden moeten voldoen aan de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die van toepassing zijn in de lidstaat waar de dienst wordt verricht. Deze gebieden zijn: maximale werk- en minimale rustperioden, minimumaantal betaalde vakantiedagen, minimumlonen, inclusief vergoedingen voor overwerk, de voorwaarden voor het tijdelijk plaatsen van werknemers, in het bijzonder door uitzendbedrijven, gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk, beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zwangere vrouwen of vrouwen die pas zijn bevallen en van kinderen en jongeren, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen en andere bepalingen in verband met het discriminatieverbod. Dit geldt niet alleen voor wettelijk vastgelegde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, maar ook voor die welke zijn neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten of in scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard of dit in feite zijn in de zin van Richtlijn 96/71/EG. Bovendien mag deze richtlijn lidstaten niet beletten om redenen van openbare orde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor te schrijven voor andere gebieden dan die welke specifiek zijn vermeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 96/71/EG. (41 ter) Deze richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in gevallen waarin de werknemer die voor het verrichten van een grensoverschrijdende dienst is aangesteld, is aangeworven in de lidstaat waar de dienst wordt verricht. Verder mag deze richtlijn geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaat waar de dienst wordt verricht, om te bepalen of er sprake is van een arbeidsverhouding en om het onderscheid vast te stellen tussen zelfstandigen en werknemers, met inbegrip van "schijnzelfstandigen". In dat verband is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding in de zin van artikel 39 van het Verdrag het feit dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag diensten verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt; een activiteit die wordt uitgevoerd buiten een relatie van ondergeschiktheid moet in het kader van de artikelen 43 en 49 van het Verdrag worden aangemerkt als een werkzaamheid als zelfstandige. (41 quater) De bepaling over het vrij verrichten van diensten is niet van toepassing indien in een lidstaat in overeenstemming met de communautaire wetgeving een activiteit is voorbehouden aan een bepaald beroep, bijvoorbeeld bepalingen die het geven van juridisch advies voorbehouden aan een advocaat. [Overweging 42 geschrapt] [Overweging 43 geschrapt] (44) De afwijking van de bepaling over het vrij verrichten van diensten met betrekking tot de inschrijving van voertuigen die zijn geleased in een andere lidstaat dan die waar ze worden gebruikt, vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat heeft erkend dat een lidstaat een dergelijke verplichting mag opleggen voor op zijn grondgebied gebruikte voertuigen, mits de gestelde voorwaarden evenredig zijn. Deze uitzondering betreft niet de occasionele of tijdelijke verhuur. (45) Contractuele betrekkingen tussen de dienstverrichter en de afnemer of tussen een werkgever en een werknemer vallen niet onder deze richtlijn. De vaststelling van het toepasselijke recht inzake contractuele en niet-contractuele verplichtingen van de dienstverrichter wordt geregeld volgens het internationaal privaatrecht. [Overweging 46 geschrapt] (47) De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om bij wijze van uitzondering maatregelen te nemen waarbij in specifieke gevallen en om redenen in verband met de veiligheid van de diensten, ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter van de bepaling over het vrij verrichten van diensten wordt afgeweken. Van die mogelijkheid mag alleen gebruik worden gemaakt bij ontstentenis van communautaire harmonisatie. (48) Bij de beperkingen van het vrije verkeer van diensten die tegen deze richtlijn indruisen, gaat het niet alleen om beperkingen die voortvloeien uit maatregelen jegens dienstverrichters, maar ook om allerlei belemmeringen van het gebruik van diensten door de afnemers, en met name de consumenten. Deze richtlijn noemt enkele voorbeelden van soorten beperkingen voor een afnemer die gebruik wil maken van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter. Tot deze discriminerende beperkingen behoren nationale regels op grond waarvan financiële bijstand voor de kosten van een taal- of beroepsopleiding beperkt wordt tot gevallen waarin een dergelijke opleiding wordt gegeven op het grondgebied van de betrokken lidstaat. Verder betreft dit gevallen waarin de afnemers van een dienst bij hun bevoegde instanties een vergunning moeten aanvragen of een verklaring moeten indienen om een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter te mogen afnemen. Algemene vergunningstelsels die ook van toepassing zijn op het gebruik van diensten van in de lidstaat van de afnemer gevestigde dienstverrichters, vallen hier niet onder. (48 bis) Het begrip financiële bijstand voor het gebruik van een bepaalde dienst heeft geen betrekking op stelsels van steunmaatregelen van de lidstaten, met name in de sociale of culturele sector, die vallen onder de communautaire mededingingsregels, of op algemene financiële bijstand die niet gebonden is aan het gebruik van een bepaalde dienst, zoals studiebeurzen of -leningen. (49) Overeenkomstig de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van diensten, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, is discriminatie op basis van nationaliteit of woonland of woonplaats van een afnemer verboden. Bij een dergelijke discriminatie kan het onder meer gaan om een alleen aan onderdanen van een andere lidstaat gestelde eis dat originelen, voor eensluidend gewaarmerkte afschriften, een nationaliteitsbewijs of gelegaliseerde vertalingen moeten worden ingediend om van een dienst of van bepaalde voordelen of prijzen te kunnen profiteren. Dit verbod op discriminerende eisen belet echter niet dat voordelen, en met name prijsvoordelen, aan bepaalde afnemers kunnen worden voorbehouden indien daarvoor rechtmatige, objectieve criteria zijn. (50) Hoewel het niet de bedoeling van deze richtlijn is op kunstmatige wijze de prijzen in de gehele Europese Unie te harmoniseren, met name wanneer de marktomstandigheden van land tot land verschillen, is het, om daadwerkelijk een ruimte zonder binnengrenzen tot stand te brengen, ten gevolge van het discriminatieverbod verboden dat het burgers van de Gemeenschap op grond van hun nationaliteit of woonplaats onmogelijk wordt gemaakt gebruik te maken van een dienst die technisch gezien op de markt toegankelijk is, of dat voor hen andere voorwaarden of prijzen gelden. Het voortbestaan van een dergelijke discriminatie ten aanzien van de afnemers van diensten betekent voor de Gemeenschapsburger dat er geen echte interne markt voor diensten bestaat en heeft meer in het algemeen gevolgen voor de integratie van de volkeren van Europa. Het discriminatieverbod op de interne markt houdt in dat een afnemer, en met name een consument, de toegang tot een aan het publiek aangeboden dienst niet op grond van zijn nationaliteit of woonplaats mag worden ontzegd of bemoeilijkt, wanneer dat als criterium is opgenomen in de voor het publiek toegankelijke algemene voorwaarden. Hieruit volgt niet dat er sprake is van onrechtmatige discriminatie wanneer in de algemene voorwaarden verschillende prijzen of voorwaarden voor een dienst worden opgenomen als deze gerechtvaardigd zijn op grond van objectieve criteria die per land kunnen verschillen , zoals de extra kosten die in de praktijk voortvloeien uit de afstand, de technische kenmerken van de dienstverrichting, verschillende marktvoorwaarden, zoals meer of minder vraag ten gevolge van seizoensinvloeden, verschillende vakantieperioden in de lidstaten en prijsvorming door verschillende concurrenten , of bijkomende risico's in verband met voorschriften die afwijken van die in de lidstaat van vestiging. (50 bis) Op welke wijze aan afnemers in hun lidstaat van vestiging informatie wordt verstrekt, moet binnen het kader van deze richtlijn worden vastgesteld door die lidstaat. Kwesties zoals de aansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie moeten door de lidstaten worden geregeld. [Overweging 51 geschrapt] [Overweging 52 geschrapt] [Overweging 53 geschrapt] [Overweging 54 geschrapt] [Overweging 55 geschrapt] [Overweging 56 geschrapt] [Overweging 57 geschrapt] [Overweging 58 geschrapt] [Overweging 59 geschrapt] [Overweging 60 geschrapt] [Overweging 61 geschrapt] (62) Het is dienstig te bepalen dat een van de wijzen waarop een dienstverrichter een afnemer gemakkelijk toegang kan geven tot de informatie die hij verplicht beschikbaar moet stellen, het verstrekken van zijn elektronisch adres, inclusief dat van zijn website, is. Bij de verplichting voor de dienstverrichter om bepaalde informatie te verschaffen in documenten die een gedetailleerde beschrijving van zijn diensten geven, moet het niet gaan om algemene commerciële communicatie zoals reclame, maar om documenten, met inbegrip van documenten op een website, die de aangeboden diensten in detail beschrijven. (63) Dienstverrichters wier diensten een rechtstreeks , bijzonder gezondheids- of veiligheidsrisico of financieel risico voor de afnemer of een derde met zich meebrengen, dienen in beginsel een geschikte beroepsaansprakelijkheidsverzekering te hebben of een gelijkwaardige of vergelijkbare waarborg te bieden, hetgeen met name inhoudt dat zij normaliter ook afdoende verzekerd moeten zijn voor diensten die zij in andere lidstaten dan de lidstaat van vestiging verrichten. (63 bis) De verzekering of de waarborg moet in verhouding staan tot de aard en de omvang van het risico. Dit houdt in dat dienstverrichters alleen een grensoverschrijdende dekking moeten hebben als zij daadwerkelijk diensten verrichten in andere lidstaten. De lidstaten mogen geen gedetailleerdere voorschriften voor de verzekeringsdekking geven, en bijvoorbeeld minimumdrempels voor de verzekerde som of grenzen voor de uitsluiting van de dekking vastleggen. Dienstverrichters en verzekeringsmaatschappijen moeten flexibel genoeg blijven om te onderhandelen over verzekeringspolissen die zijn toegesneden op de aard en de omvang van het risico. Het is niet nodig dat de verplichting een passende verzekering te hebben, wettelijk wordt vastgelegd. Het is voldoende dat een verzekeringsplicht deel uitmaakt van de ethische regels die worden voorgeschreven door beroepsorden. Ten slotte mogen verzekeringsmaatschappijen niet worden verplicht voor een dekking te zorgen. (64) Het algehele verbod op commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen dient te vervallen; daarbij gaat het niet om verboden betreffende de inhoud van commerciële communicatie, maar om bepalingen die algemeen en voor een bepaald beroep een of meer vormen van commerciële communicatie verbieden, bijvoorbeeld alle reclame in bepaalde media. Wat de inhoud en wijze van commerciële communicatie betreft, moeten beroepsbeoefenaren worden aangespoord om, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, op communautair niveau gedragscodes op te stellen. (64 bis) Het is nodig en in het belang van de afnemers, in het bijzonder de consumenten, erop toe te zien dat dienstverrichters multidisciplinaire diensten kunnen aanbieden en dat beperkingen dienaangaande niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en integriteit van de gereglementeerde beroepen te waarborgen. Dit doet geen afbreuk aan beperkingen of verbodsbepalingen met betrekking tot het verrichten van bepaalde activiteiten, die ertoe strekken de onafhankelijkheid te garanderen in gevallen waarin een lidstaat een dienstverrichter belast met bepaalde taken, met name op het gebied van de stadsontwikkeling. (65) Teneinde de transparantie te verbeteren en een beoordeling van de kwaliteit van de aan de afnemers aangeboden en geleverde diensten op basis van vergelijkbare criteria te bevorderen, is het belangrijk dat de informatie over de betekenis van keurmerken en andere kwaliteitsaanduidingen voor die diensten gemakkelijk toegankelijk is. Deze transparantieverplichting is vooral van belang voor sectoren als het toerisme, en met name de hotelbranche, waar veel met classificatiesystemen wordt gewerkt. Voorts moet worden onderzocht in welke mate Europese normalisatie tot een betere compatibiliteit en kwaliteit van diensten kan bijdragen. Europese normen worden opgesteld door de Europese normalisatie-instellingen: de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI). Zo nodig kan de Commissie volgens de procedures van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij[22] opdracht geven tot vaststelling van specifieke Europese normen. (65 bis) Om mogelijke problemen bij de naleving van rechterlijke beslissingen op te lossen, is het dienstig te bepalen dat lidstaten gelijkwaardige waarborgen bij in een andere lidstaat gevestigde instellingen of instanties zoals banken, verzekeraars en andere financiële-dienstverrichters erkennen. (66) De in deze richtlijn beoogde samenwerking wordt aangevuld door de ontwikkeling van een netwerk van nationale instanties voor de bescherming van de consument, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming[23]. De toepassing van deze consumentenwetgeving in grensoverschrijdende situaties, met name bij nieuwe marketing- en verkoopmethoden, en de noodzakelijke opheffing van een aantal specifieke belemmeringen voor de samenwerking op dit gebied, vereisen immers een hogere mate van samenwerking tussen de lidstaten. Het is in dit verband met name noodzakelijk dat de lidstaten een einde maken aan de illegale praktijken van op hun grondgebied gevestigde marktdeelnemers die zich richten op consumenten in een andere lidstaat. (66 bis) Administratieve samenwerking is van essentieel belang voor het naar behoren functioneren van de interne markt voor diensten. Het gebrek aan samenwerking tussen lidstaten zorgt voor een wildgroei aan voorschriften voor dienstverrichters en voor een overlapping van controles op grensoverschrijdende activiteiten, terwijl oneerlijke marktdeelnemers er gebruik van kunnen maken om toezicht te ontduiken of om de geldende nationale voorschriften inzake diensten te omzeilen. Het is daarom van wezenlijk belang te zorgen voor duidelijke, wettelijk bindende verplichtingen voor de lidstaten tot daadwerkelijke samenwerking. (66 ter) Ten behoeve van het hoofdstuk over administratieve samenwerking worden onder "toezicht" activiteiten verstaan als monitoring en feitenonderzoek, probleemoplossing, handhaving, oplegging van sancties en follow-upactiviteiten. (66 quater) In normale omstandigheden vindt wederzijdse bijstand rechtsreeks tussen de bevoegde instanties plaats. Alleen wanneer er problemen optreden, wordt van de door de lidstaten aangewezen contactpunten verlangd dit proces te vergemakkelijken, bijvoorbeeld wanneer hulp nodig is om de bevoegde instantie te vinden. (66 quinquies) Sommige verplichtingen inzake wederzijdse bijstand gelden voor alle aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen, inclusief die welke betrekking hebben op een dienstverrichter die zich in een andere lidstaat vestigt. Andere verplichtingen inzake wederzijdse bijstand gelden alleen voor de gevallen van grensoverschrijdende dienstverrichting waarop de bepaling over het vrij verrichten van diensten van toepassing is. Weer andere verplichtingen gelden voor alle gevallen van grensoverschrijdende dienstverrichting, ook op gebieden die niet onder de bepaling over het vrij verrichten van diensten vallen. Grensoverschrijdende dienstverrichting omvat mede gevallen waarin een dienst op afstand wordt verricht of waarin de afnemer naar het land van vestiging van de dienstverrichter reist om de dienst af te nemen. (66 sexies) Voor het geval dat de dienstverrichter zich tijdelijk naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van vestiging begeeft, moet worden bepaald dat beide lidstaten elkaar wederzijds bijstaan, waarbij de lidstaat waar de dienst wordt verricht, op verzoek van de lidstaat van vestiging of, als het alleen om de vaststelling van feiten gaat, op eigen initiatief, verificaties, inspecties en onderzoeken kan uitvoeren. (66 sexies bis) Lidstaten mogen niet de mogelijkheid hebben de in deze richtlijn neergelegde regels, met inbegrip van de bepaling over het vrij verrichten van diensten, te ontwijken door verificaties, inspecties en onderzoeken uit te voeren die discriminatoir of onevenredig zijn. (66 septies) De bepalingen van deze richtlijn betreffende de uitwisseling van informatie over de betrouwbaarheid van de dienstverrichter doen geen afbreuk aan initiatieven op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, met name de uitwisseling van informatie tussen wetshandhavingsautoriteiten en strafregisters in de lidstaten. (66 octies) Voor samenwerking tussen de lidstaten is een goed functionerend elektronisch informatiesysteem vereist, zodat de bevoegde instanties gemakkelijk hun relevante gesprekspartners in andere lidstaten kunnen identificeren en met hen op efficiënte wijze kunnen communiceren. (67) Er dient te worden bepaald dat de lidstaten in samenwerking met de Commissie de opstelling van communautaire gedragscodes door de betrokkenen aanmoedigen, met name om de kwaliteit van de diensten te bevorderen met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk beroep. Die gedragscodes moeten in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht, en met name met het mededingingsrecht. Zij mogen niet indruisen tegen de wettelijk bindende ethische en gedragsregels voor beroepsgroepen in de lidstaten. (67 bis) De lidstaten moeten de vaststelling van gedragscodes door met name beroepsorden, -organisaties of -verenigingen op communautair niveau aanmoedigen. Deze gedragscodes moeten, naargelang de specifieke aard van elk beroep, voorschriften voor commerciële communicatie in verband met gereglementeerde beroepen bevatten, alsmede ethische en gedragsregels voor de gereglementeerde beroepen, die met name de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en het beroepsgeheim beogen te waarborgen. Bovendien moeten de voorwaarden waaraan de activiteiten van makelaars in onroerend goed moeten voldoen, in dergelijke gedragscodes worden opgenomen. De lidstaten moeten flankerende maatregelen nemen om beroepsorden, -organisaties en -verenigingen aan te moedigen deze communautaire gedragscodes op nationaal niveau toe te passen. (67 ter) Communautaire gedragscodes hebben ten doel minimumnormen voor gedragsregels vast te stellen en dienen ter aanvulling van de wettelijke eisen van de lidstaten. Zij staan er niet aan in de weg dat lidstaten, in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, strengere maatregelen nemen of dat beroepsorden in hun nationale gedragscodes een hoger beschermingsniveau bieden. [Overweging 68 geschrapt] [Overweging 69 geschrapt] [Overweging 70 verplaatst] [Overweging 71 verplaatst] [Overweging 72 geschrapt] (73) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[24], HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Onderwerp 1. Deze richtlijn stelt algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vast, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten . 2. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de liberalisering van diensten van algemeen economisch belang die voorbehouden zijn aan openbare of particuliere entiteiten, noch op de privatisering van openbare dienstverrichtende entiteiten. 3. Deze richtlijn heeft geen betrekking op de afschaffing van dienstverrichtende monopolies, noch op steunmaatregelen van de lidstaten die onder de communautaire mededingingsvoorschriften vallen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vrijheid van de lidstaten om in overeenstemming met het Gemeenschaprecht vast te stellen wat zij als diensten van algemeen economisch belang beschouwen, hoe deze diensten, in overeenstemming met de regels inzake staatssteun, moeten worden georganiseerd en gefinancierd en aan welke bijzondere verplichtingen zij onderworpen zijn. 4. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de maatregelen die op communautair of nationaal niveau en in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn genomen ter bescherming of bevordering van culturele of linguïstische verscheidenheid of de pluriformiteit van de media. 5. Deze richtlijn laat het strafrecht van de lidstaten onverlet. 6. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het arbeidsrecht, dat wil zeggen alle wettelijke of contractuele bepalingen betreffende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, met inbegrip van de gezondheid en veiligheid op het werk en de betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, die de lidstaten in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht toepassen. Evenmin doet deze richtlijn afbreuk aan de socialeverzekeringswetgeving van de lidstaten, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1408/71[25] inzake de coördinatie van socialezekerheidsregelingen. 7. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de uitoefening van de grondrechten zoals die zijn erkend door de lidstaten en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en naleving ervan af te dwingen, en om vakbondsacties te voeren. Artikel 2 Werkingssfeer 1. Deze richtlijn is van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd. 2. Deze richtlijn is niet van toepassing op de volgende activiteiten: -a ) diensten van algemeen belang; a ) financiële diensten, zoals bankdiensten, kredietverstrekking, verzekering en herverzekering, individuele en bedrijfspensioenen, waardepapieren, beleggingen, fondsen, betalingen en beleggingsadviezen, met inbegrip van de diensten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[26] ; b) elektronische communicatiediensten en -netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, wat de aspecten betreft die zijn geregeld in de Richtlijnen 2002/19/EG[27], 2002/20/EG[28], 2002/21/EG[29], 2002/22/EG[30] en 2002/58/EG[31] van het Europees Parlement en de Raad; c) vervoerdiensten en diensten in verband met het vervoer die onder de werkingssfeer van titel V van het EG-Verdrag vallen ; c bis) havendiensten; c ter) diensten van uitzendbedrijven; c quater) diensten van de gezondheidszorg, ongeacht of zij worden verleend door gezondheidszorgfaciliteiten en onafhankelijk van de wijze waarop zij op nationaal niveau zijn georganiseerd en worden gefinancierd en van de vraag of de diensten openbaar of particulier van aard zijn; c quinquies) audiovisuele diensten, ongeacht hun wijze van productie, distributie en doorgifte, met inbegrip van radio-omroep en bioscopen; c sexies) gokactiviteiten die erin bestaan dat een geldbedrag wordt ingezet bij kansspelen, met inbegrip van loterijen, casino's en weddenschappen; c septies) activiteiten in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag, als bedoeld in artikel 45 van het Verdrag; c octies) sociale diensten op het gebied van sociale huisvesting, kinderverzorging en hulp aan gezinnen of personen in nood; c nonies) particuliere beveiligingsdiensten. 3. Deze richtlijn is niet van toepassing op belastinggebied. Artikel 3 Verband met andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht 1. Bij een conflict tussen de bepalingen van deze richtlijn en een bepaling van een andere communautair besluit dat betrekking heeft op specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op specifieke gebieden of voor specifieke beroepen heeft de bepaling van het andere communautaire besluit voorrang en is deze van toepassing op die specifieke gebieden of beroepen. Het gaat hierbij om: a) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten[32]; b) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen[33]; c) Richtlijn 89/552/EEG van de Raad inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten[34]; d) Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[35]. 2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de regels van het internationaal privaatrecht, in het bijzonder die betreffende de vaststelling van het op contractuele en niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht. Dientengevolge geldt voor de consumenten in beginsel de bescherming die hen wordt geboden door de regels inzake consumentenbescherming die zijn neergelegd in de consumentenwetgeving die in zijn lidstaat van kracht is. 3. De lidstaten passen deze richtlijn toe met inachtneming van de Verdragsregels over de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten. Artikel 4 Definities In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. "dienst": elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die normaliter wordt verricht tegen een vergoeding , zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag; 2. "dienstverrichter": iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het Verdrag, die in een lidstaat is gevestigd en een dienst aanbiedt of verricht; 3. "afnemer": iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het Verdrag die in een lidstaat is gevestigd en , al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken; 4. "lidstaat van vestiging ": de lidstaat op het grondgebied waarvan de dienstverrichter is gevestigd; 5. "vestiging": de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 43 van het Verdrag, door de dienstverrichter voor onbepaalde tijd en vanuit een duurzame infrastructuur, van waaruit daadwerkelijk diensten worden verricht; 6. "vergunningstelsel": elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formeel of stilzwijgend besluit over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit; 7. "eis": elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van hun juridische bevoegdheden hebben vastgesteld; regels vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten waarover door de sociale partners is onderhandeld, worden als zodanig niet als eisen in de zin van deze richtlijn beschouwd; 7 bis. "dwingende redenen van algemeen belang": redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; hiertoe behoren de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid; 8. "bevoegde instantie": elk orgaan dat in een lidstaat een rol vervult bij de controle op of de reglementering van dienstenactiviteiten, met name bestuurlijke instanties, beroepsorden en de beroepsverenigingen en -organisaties die in het kader van hun juridische bevoegdheden de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten collectief reglementeren; 9. geschrapt 10. geschrapt 11. "lidstaat waar de dienst wordt verricht" : de lidstaat waar de dienst wordt verleend door een dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd ; 12. geschrapt 13. "gereglementeerd beroep": een beroepsactiviteit of een geheel van beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[36] ; 14. "commerciële communicatie": elke vorm van communicatie die is bestemd voor het direct of indirect promoten van de goederen, de diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon die een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent. Het navolgende vormt als zodanig geen commerciële communicatie: a ) informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit van een onderneming, organisatie of persoon, in het bijzonder een domeinnaam of een e-mailadres; b) mededelingen over de goederen, de diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon die onafhankelijk van deze zijn samengesteld, in het bijzonder wanneer ze zonder financiële bedoelingen worden verstrekt. Hoofdstuk IIAdministratieve vereenvoudiging Artikel 5 Vereenvoudiging van de procedures 1. De lidstaten onderzoeken de procedures en formaliteiten voor de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten en zo nodig vereenvoudigen zij deze . 1 bis. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 42, lid 2, op communautair niveau geharmoniseerde formulieren opstellen. Deze zijn gelijkwaardig aan certificaten, getuigschriften en andere documenten die van een dienstverrichter worden verlangd. 2. Wanneer een lidstaat een dienstverrichter of afnemer vraagt om overlegging van een certificaat, getuigschrift of enig ander document ter staving dat aan een eis is voldaan, aanvaardt hij elk document uit een andere lidstaat dat een gelijkwaardige functie heeft of waaruit blijkt dat aan de betrokken eis is voldaan. Hij verlangt voor documenten uit een andere lidstaat niet dat een origineel, een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift of een gelegaliseerde vertaling wordt ingediend, behalve wanneer dat op grond van andere communautaire besluiten vereist is of wanneer een dergelijke eis gerechtvaardigd is door een dwingende reden van algemeen belang, zoals de openbare orde en veiligheid. De eerste alinea doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten een niet-gelegaliseerde vertaling van documenten in een van hun eigen officiële talen te verlangen. 3. Lid 2 is niet van toepassing op de documenten bedoeld in artikel 50 van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[37] , in artikel 45, lid 3, en in de artikelen 46, 49 en 50 van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten[38], in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven[39], in Richtlijn 68/151/EEG van de Raad[40], zoals gewijzigd bij Richtlijn 2003/58/EG van het Europees Parlement en de Raad[41], met betrekking tot de openbaarmakingsvereisten voor bepaalde soorten ondernemingen of in de Elfde Richtlijn 89/666/EEG van de Raad betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen[42]. Artikel 6 Eénloketten 1. De lidstaten zien erop toe dat een dienstverrichter uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de volgende procedures en formaliteiten overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en van hoofdstuk II bis kan afwikkelen bij centrale contactpunten, " éénloketten " genoemd: a ) alle procedures en formaliteiten die nodig zijn voor de toegang tot zijn dienstenactiviteiten, met name verklaringen, kennisgevingen en vergunningaanvragen bij de bevoegde instanties, met inbegrip van aanvragen tot inschrijving in een register, op een rol, in een databank of bij een beroepsorde of beroepsvereniging; b) de vergunningaanvragen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn dienstenactiviteiten. 2. De invoering van éénloketten doet geen afbreuk aan de verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de verschillende instanties binnen een nationaal systeem. Artikel 7 Recht op informatie 1. De lidstaten zien erop toe dat de volgende informatie voor dienstverrichters en afnemers gemakkelijk bij een éénloket toegankelijk is: a ) de eisen die voor de op hun grondgebied gevestigde dienstverrichters gelden, met name de eisen inzake de procedures en formaliteiten om toegang te krijgen tot dienstenactiviteiten en deze uit te oefenen; b) de adresgegevens van de bevoegde instanties, waaronder die welke bevoegd zijn op het gebied van de uitoefening van dienstenactiviteiten, zodat rechtstreeks contact met hen kan worden opgenomen; c) de middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot openbare registers en databanken met gegevens over dienstverrichters en diensten; d) de rechtsmiddelen die algemeen voorhanden zijn bij geschillen tussen de bevoegde instanties en de dienstverrichter of afnemer, tussen een dienstverrichter en een afnemer of tussen dienstverrichters onderling; e) de adresgegevens van de verenigingen of organisaties, niet zijnde bevoegde instanties, waarbij dienstverrichters of afnemers praktische bijstand kunnen krijgen. 2. De lidstaten zien erop toe dat dienstverrichters en afnemers desgewenst van de bevoegde instanties bijstand kunnen krijgen, die erin bestaat dat informatie wordt verstrekt over de wijze waarop de in lid 1, onder a), bedoelde eisen doorgaans worden uitgelegd en toegepast. Waar nodig omvat deze bijstand een gids met eenvoudige, stapsgewijze informatie. De informatie wordt verstrekt in gewone en begrijpelijke taal. 3. De lidstaten zien erop toe dat de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie en bijstand duidelijk en ondubbelzinnig worden verstrekt, dat zij gemakkelijk van op afstand en elektronisch toegankelijk zijn en dat de informatie actueel is. 4. De lidstaten zien erop toe dat de éénloketten en de bevoegde instanties zo snel mogelijk op elk verzoek om de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie of bijstand reageren en dat zij, wanneer het verzoek op een vergissing berust of ongegrond is, de aanvrager daarvan onverwijld in kennis stellen. 5. De lidstaten leggen de leden 1 tot en met 4 uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn ten uitvoer. 6. De lidstaten en de Commissie stellen flankerende maatregelen vast teneinde éénloketten aan te moedigen de in dit artikel bedoelde informatie in andere talen van de Gemeenschap toegankelijk te maken, voor zover dit verenigbaar is met hun wetgeving inzake het taalgebruik . 7. De verplichting voor de bevoegde instanties om dienstverrichters en afnemers bij te staan, impliceert niet dat deze instanties in afzonderlijke gevallen juridisch advies moeten verstrekken, maar heeft alleen betrekking op algemene informatie over de manier waarop de eisen normaliter worden geïnterpreteerd of toegepast. Artikel 8 Elektronische procedures 1. De lidstaten zien erop toe dat alle procedures en formaliteiten in verband met de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn eenvoudig, op afstand en elektronisch bij het betrokken éénloket en de bevoegde instanties kunnen worden afgewikkeld. 2. Lid 1 is niet van toepassing op de inspectie van de plaats waar de dienst wordt verricht of van de door de dienstverrichter gebruikte uitrusting of op de fysieke controle van de capaciteiten van de dienstverrichter. 3. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 42, lid 2, gedetailleerde uitvoeringsbepalingen voor lid 1 vast, teneinde de interoperabiliteit van de informatiesystemen en het gebruik van elektronische procedures tussen lidstaten te vergemakkelijken. Hoofdstuk II bis Vrijheid van vestiging van dienstverrichters AFDELING 1 VERGUNNINGEN Artikel 9 Vergunningstelsels 1. De lidstaten stellen de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunning, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: a ) het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter; b) een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang; c) het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn. 2. In het in artikel 41 bedoelde verslag beschrijven de lidstaten hun vergunningstelsels en geven zij aan waarom deze met lid 1 verenigbaar zijn . 3. Deze afdeling is niet van toepassing op elementen van vergunningstelsels die geharmoniseerd zijn krachtens andere communautaire besluiten. Artikel 10 Vergunningsvoorwaarden 1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige of discretionaire wijze uitoefenen. 2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn : a ) niet-discriminerend; b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredig met die reden van algemeen belang; d) precies en ondubbelzinnig; e) objectief; f) vooraf bekendgemaakt; f bis) transparant en toegankelijk. 3. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De in artikel 33 bedoelde contactpunten en de dienstverrichter staan de bevoegde instantie bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken. Voor de beoordeling van het gelijkwaardige of in wezen vergelijkbare karakter van de voorwaarden wordt gekeken naar hun effect en naar de doeltreffendheid van hun handhaving, alsmede naar hun doel en oogmerk. 4. De vergunning moet de dienstverrichter op het gehele nationale grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit geven, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren, tenzij een afzonderlijke vergunning voor elke vestiging of een beperking van de vergunning tot een bepaald gedeelte van het grondgebied om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd is. 5. De vergunning wordt verleend zodra na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan. 6. Elke weigering of andere reactie van de bevoegde instanties, waaronder ook de weigering of intrekking van een vergunning, moet met redenen omkleed zijn, met name wat de bepalingen van dit artikel betreft, en moet voor de rechter kunnen worden aangevochten. 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toewijzing van de bevoegdheden, op lokaal of regionaal niveau, van de instanties die in de betrokken lidstaat vergunningen verlenen. Artikel 11 Vergunningsduur 1. Een aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft geen beperkte geldigheidsduur, tenzij a ) de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden ; b) het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang ; of c) een beperkte duur gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang. 2. Lid 1 heeft niet betrekking op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen. 3. De lidstaten verplichten een dienstverrichter ertoe het in artikel 6 bedoelde éénloket in kennis te stellen van de volgende wijzigingen : - de oprichting van dochterondernemingen waarvan de activiteiten onder het vergunningstelsel vallen, - wijzigingen in zijn situatie waardoor hij niet meer aan de vergunningsvoorwaarden voldoet. 4. Dit artikel laat de mogelijkheid van lidstaten om vergunningen in te trekken onverlet, met name wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. Artikel 12 Selectie uit diverse gegadigden 1. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, maken de lidstaten een selectie uit de gegadigden volgens een procedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure. 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt de vergunning voor een gepaste, maar beperkte duur verleend en wordt zij niet automatisch verlengd; evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter van wie de vergunning is afgelopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben. 3. Onverminderd lid 1 en de artikelen 9 en 10 mogen lidstaten bij de vaststelling van regels voor de selectieprocedure rekening houden met overwegingen die betrekking hebben op de volksgezondheid, de doelstellingen van het sociaal beleid, de gezondheid en de veiligheid van werknemers of zelfstandigen, de bescherming van het milieu, het behoud van cultureel erfgoed en andere dwingende redenen van algemeen belang, mits die overwegingen niet in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht. Artikel 13 Vergunningsprocedures 1. De vergunningsprocedures en -formaliteiten moeten duidelijk zijn, vooraf openbaar worden gemaakt en de aanvragers de garantie bieden dat hun aanvraag objectief en onpartijdig wordt behandeld. 2. De vergunningsprocedures en -formaliteiten mogen geen ontmoedigend effect hebben en de dienstverrichting niet onnodig bemoeilijken of vertragen. Zij moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en de eventuele kosten voor de aanvragers in verband met hun aanvraag moeten evenredig zijn met de kosten van de vergunningsprocedure en mogen de kosten van de procedure niet overschrijden . 3. De vergunningsprocedures en -formaliteiten moeten de aanvragers de garantie bieden dat hun aanvraag zo snel mogelijk en in elk geval binnen een redelijke, vooraf bekend gemaakte termijn wordt behandeld. Deze termijn gaat pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. 4. Bij het uitblijven van een antwoord binnen de in lid 3 bedoelde termijn wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Voor een aantal specifieke activiteiten kan evenwel een andere regeling worden vastgesteld, wanneer dat gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang. 5. De ontvangst van elke vergunningsaanvraag wordt onverwijld bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: a ) de in lid 3 bedoelde antwoordtermijn; b) de beschikbare rechtsmiddelen; c) de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning wordt geacht te zijn verleend. 6. Wanneer een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager onverwijld meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in lid 3 bedoelde redelijke antwoordtermijn . 7. Wanneer een aanvraag wordt geweigerd omdat deze niet aan de vereiste procedures of formaliteiten voldoet, wordt de betrokkene onverwijld van de weigering op de hoogte gesteld. AFDELING 2 VERBODEN OF AAN EEN BEOORDELING ONDERWORPEN EISEN Artikel 14 Verboden eisen De lidstaten stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen: 1. discriminerende eisen die direct of indirect verband houden met de nationaliteit of, voor ondernemingen, met de vestigingsplaats, waaronder met name: a ) nationaliteitseisen voor de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de dienstverrichter; b) de eis dat de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan hun woonplaats hebben op hun grondgebied; 2. een verbod op vestiging in meer dan een lidstaat of op inschrijving in registers of bij beroepsorden of -verenigingen in meer dan een lidstaat; 3. beperkingen van de vrijheid van de dienstverrichter om tussen een hoofd- of een nevenvestiging te kiezen, met name de verplichting dat de hoofdvestiging van de dienstverrichter zich op hun grondgebied moet bevinden, of beperkingen van de vrijheid om voor vestiging als agentschap, bijkantoor of dochteronderneming te kiezen; 4. wederkerigheidsvoorwaarden ten aanzien van de lidstaat waar de dienstverrichter al een vestiging heeft, behalve in het geval dat dergelijke voorwaarden in een communautair besluit op energiegebied zijn vastgelegd; 5. de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of feitelijke economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van de economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang; 6. de directe of indirecte betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers, ook binnen raadgevende organen, bij de verlening van vergunningen of bij andere besluiten van de bevoegde instanties, met uitzondering van beroepsorden en van beroepsverenigingen en -organisaties die in de hoedanigheid van bevoegde instantie optreden; dit verbod heeft geen betrekking op de raadpleging van organisaties zoals kamers van koophandel of sociale partners over andere aangelegenheden dan individuele vergunningsaanvragen; 7. een verplichting tot het stellen van of deelnemen in een financiële waarborg of het afsluiten van een verzekering bij een op hun grondgebied gevestigde dienstverrichter of instelling. Dit staat er niet aan in de weg dat de lidstaten financiële garanties of een verzekering als zodanig kunnen verlangen noch dat eisen inzake de deelname in een collectief waarborgfonds worden gesteld, bijvoorbeeld voor leden van een beroepsorde of -organisatie; 8. een verplichting al gedurende een bepaalde periode ingeschreven te staan in de registers die op hun grondgebied worden bijgehouden of de activiteit al gedurende bepaalde tijd op hun grondgebied te hebben uitgeoefend. Artikel 15 Aan evaluatie onderworpen eisen 1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen: a ) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; b) eisen die van de dienstverrichter verlangen dat hij een bepaalde rechtsvorm heeft; c) eisen aangaande het aandeelhouderschap van een vennootschap; d) eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [43] of die in andere communautaire besluiten zijn behandeld, die de toegang tot de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters; e) een verbod om op het grondgebied van dezelfde staat meer dan één vestiging te hebben; f) eisen betreffende een minimumaantal werknemers; g) vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden; h) geschrapt i) geschrapt j) een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten. 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a ) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, het geregistreerde kantooradres; b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredigheid: de eisen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. 4. De regels in de leden 1, 2 en 3 zijn alleen op wetgeving op het gebied van diensten van algemeen economisch belang van toepassing voor zover de toepassing van die regels de vervulling, in feite of in rechte, van de aan de desbetreffende ondernemingen toevertrouwde bijzondere taak niet belemmert. 5. In het in artikel 41 bedoelde verslag over de wederzijdse beoordeling vermelden de lidstaten: a ) de eisen die zij willen handhaven en de redenen waarom deze eisen volgens hen voldoen aan de voorwaarden van de leden 3 en 4; b) de eisen die zijn ingetrokken of versoepeld. 6. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn stellen de lidstaten geen nieuwe eisen van het in lid 2 bedoelde type, tenzij deze aan de voorwaarden van lid 3 voldoen en de behoefte aan die eisen uit nieuwe omstandigheden voortvloeit. 7. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in lid 5 bedoelde eisen bevatten, alsmede van de redenen voor die eisen. De Commissie deelt die bepalingen aan de andere lidstaten mede. Die kennisgeving belet de lidstaten niet de betrokken bepalingen vast te stellen. Binnen drie maanden na de datum van kennisgeving onderzoekt de Commissie of deze nieuwe eisen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en stelt zij eventueel een beschikking vast waarin zij de betrokken lidstaat verzoekt van vaststelling van de eisen af te zien of deze in te trekken. Hoofdstuk III Vrij verkeer van diensten AFDELING 1 VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN EN AFWIJKINGEN IN VERBAND HIERMEE Artikel 16 Vrij verrichten van diensten 1. De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn. De lidstaat waar de dienst wordt verricht, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied. De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen: a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor rechtspersonen, de lidstaat waar zij gevestigd zijn; b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; c) evenredigheid: de eisen zijn aangepast aan het bereiken van het beoogde doel en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken. 2. De lidstaten stellen geen beperkingen aan het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter door de volgende eisen te stellen: a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging op hun grondgebied te hebben; b) een verplichting voor de dienstverrichter bij hun bevoegde instanties een vergunning aan te vragen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging op hun grondgebied, behalve wanneer deze richtlijn of een ander communautair besluit daarin voorziet; c) een verbod voor de dienstverrichter op hun grondgebied een bepaalde infrastructuur, zoals een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten; d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt; e) een verplichting voor de dienstverrichter om speciaal voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door hun bevoegde instanties afgegeven identiteitsdocument te bezitten; f) eisen, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen; g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten zoals bedoeld in artikel 20. 3. De lidstaat waarnaar de dienstverrichter zich begeeft, wordt niet eraan gehinderd om, in overeenstemming met lid 1, eisen aan het verrichten van een dienstenactiviteit te stellen als deze gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Ook wordt die lidstaat niet eraan gehinderd om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn voorschriften inzake de arbeidsvoorwaarden toe te passen, waaronder die welke zijn neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten. 4. Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn doet de Commissie, na raadpleging van de lidstaten en de sociale partners op communautair niveau, het Europees Parlement en de Raad een verslag over de toepassing van dit artikel toekomen, waarin zij nagaat of het nodig is harmonisatiemaatregelen met betrekking tot de onder deze richtlijn vallende dienstenactiviteiten voor te stellen. Artikel 17 Aanvullende afwijkingen van het vrij verrichten van diensten Artikel 16 is niet van toepassing op: 1. Diensten van algemeen economisch belang die in een andere lidstaat worden verricht, onder meer: a ) in de postsector, diensten die onder Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad[44] vallen; b) in de elektriciteitssector, diensten die onder Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad[45] vallen; c) in de gassector, diensten die onder Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad[46] vallen; d) watervoorziening en -distributie en afvalwaterdiensten; e) afvalverwerking. 2. geschrapt 3. geschrapt 4. geschrapt 5. aangelegenheden die zijn geregeld bij Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten [47]; 6. aangelegenheden die zijn geregeld bij Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [48]; 7. aangelegenheden die zijn geregeld bij Richtlijn 77/249/EEG van de Raad tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten [49]; 7 bis. de gerechtelijke inning van schuldvorderingen; 8. aangelegenheden die zijn geregeld in titel II van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [50], alsmede eisen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, die een activiteit voorbehouden aan een bepaald beroep; 9. aangelegenheden die zijn geregeld in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad[51] inzake de coördinatie van socialezekerheidsregelingen ; 10. ten aanzien van administratieve formaliteiten inzake het vrije verkeer van personen en hun woonplaats, aangelegenheden die zijn geregeld in de bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven[52] waarin de administratieve formaliteiten zijn vastgesteld waaraan de begunstigden moeten voldoen bij de bevoegde instanties van de lidstaat waar de dienst wordt verricht ; 11. ten aanzien van onderdanen van derde landen die zich in het kader van een dienstverrichting naar een andere lidstaat begeven, de mogelijkheid voor lidstaten van onderdanen van derde landen op wie de regeling inzake wederzijdse erkenning van artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen niet van toepassing is, te verplichten in het bezit te zijn van een visum of een verblijfsvergunning, of de mogelijkheid onderdanen van derde landen te verplichten zich bij of na hun binnenkomst in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, te melden bij de bevoegde instanties; 12. het vergunningstelsel bedoeld in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap [53]; 13. auteursrechten, naburige rechten, de rechten bedoeld in Richtlijn 87/54/EEG van de Raad[54] en Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad[55] en industriële-eigendomsrechten; 14. handelingen waarvoor de wet de tussenkomst van een notaris voorschrijft; 15. aangelegenheden die zijn geregeld bij Richtlijn …/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de wettelijke accountantscontrole van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG[56] en 83/349/EEG[57] van de Raad; 16. geschrapt 17. geschrapt 18. geschrapt 19. de inschrijving van voertuigen die in een andere lidstaat zijn geleased; 20. bepalingen betreffende contractuele en niet-contractuele verbintenissen, met inbegrip van de vorm van overeenkomsten, voortvloeiend uit de regels van het internationaal privaatrecht. [Artikel 18 geschrapt] Artikel 19 Afwijkingen in speciale gevallen 1. In afwijking van artikel 16 en alleen bij wijze van uitzondering kan een lidstaat tegen een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter maatregelen nemen betreffende de veiligheid van diensten. [a), b) en c) geschrapt] 2. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen alleen worden genomen wanneer de in artikel 37 bedoelde procedure van wederzijdse bijstand in acht wordt genomen en aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: a ) de nationale bepalingen uit hoofde waarvan de maatregel wordt genomen, vallen niet onder een communautaire harmonisatiemaatregel op het in lid 1 bedoelde gebied; b) de maatregelen bieden de afnemer meer bescherming dan de maatregel die de lidstaat van vestiging overeenkomstig zijn nationale bepalingen zou nemen; c) de lidstaat van vestiging heeft geen maatregelen genomen of heeft maatregelen genomen die ontoereikend zijn in vergelijking met de in artikel 37, lid 2, bedoelde maatregelen; d) de maatregelen zijn evenredig. 3. De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan de in communautaire besluiten vastgestelde bepalingen die het vrije verkeer van diensten waarborgen of afwijkingen daarop toestaan. AFDELING 2 RECHTEN VAN DE AFNEMERS VAN DIENSTEN Artikel 20 Verboden beperkingen De lidstaten leggen een afnemer geen eisen op die het gebruik van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter beperken, en met name niet: a ) een verplichting bij hun bevoegde instanties een vergunning aan te vragen of een verklaring af te leggen; b) beperkingen op het verkrijgen van financiële bijstand omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat is gevestigd of wegens de plaats waar de dienst wordt verricht; c) eisen waardoor de afnemer discriminerende of onevenredige tarieven moet betalen voor de uitrusting die hij nodig heeft om een vanuit een andere lidstaat verrichte dienst op afstand te ontvangen. Artikel 21 Discriminatieverbod 1. De lidstaten zien erop toe dat op de afnemer geen discriminerende eisen op grond van zijn nationaliteit of woonplaats van toepassing zijn. 2. De lidstaten zien erop toe dat de algemene toegangsvoorwaarden voor een dienst, die door de dienstverrichter toegankelijk voor het publiek worden gemaakt, geen discriminerende bepalingen in verband met de nationaliteit of woonplaats van de afnemer bevatten, zonder evenwel de mogelijkheid uit te sluiten om verschillende toegangsvoorwaarden te stellen wanneer die verschillen rechtstreeks door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. Artikel 22 Bijstand aan afnemers 1. De lidstaten zien erop toe dat afnemers via de éénloketten toegang hebben tot: a ) informatie over de in andere lidstaten geldende eisen inzake de toegang tot en de uitoefening van dienstenactiviteiten, en met name die inzake consumentenbescherming; b) algemene informatie over de beschikbare rechtsmiddelen bij geschillen tussen een dienstverrichter en een afnemer; c) de adresgegevens van verenigingen of organisaties, met inbegrip van die van de contactpunten van het netwerk van Europese centra voor de consument (ECC-net) , waar dienstverrichters en afnemers praktische bijstand kunnen krijgen. In voorkomend geval omvat het advies van de bevoegde instanties een eenvoudige gids met stapsgewijze uitleg. De informatie en bijstand moeten op duidelijke en eenduidige wijze worden aangeboden, gemakkelijk van op afstand toegankelijk zijn, onder meer langs elektronische weg, en worden bijgewerkt. 2. De lidstaten kunnen de in lid 1 bedoelde taak toevertrouwen aan de éénloketten of aan een andere organisatie, zoals de contactpunten van het netwerk van Europese centra voor de consument (ECC-net) , consumentenverenigingen of de Euro-infocentra. Uiterlijk op de in artikel 45 vermelde datum delen de lidstaten de namen en adresgegevens van de aangewezen organisaties aan de Commissie mede. De Commissie geeft deze informatie aan alle lidstaten door. 3. Om de in lid 1 bedoelde informatie te kunnen verstrekken, richt de door de afnemer aangesproken relevante organisatie zich tot de relevante organisatie van de betrokken lidstaat. Deze verstrekt de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk. De lidstaten zien erop toe dat de organisaties elkaar wederzijds bijstaan en alles in het werk stellen om doeltreffend samen te werken. 4. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 42, lid 2, maatregelen tot uitvoering van de leden 1, 2 en 3 vast; zij specificeert daarbij de technische mechanismen voor de uitwisseling van informatie tussen de organisaties uit de verschillende lidstaten en met name die inzake de interoperabiliteit van de informatiesystemen. [Artikel 23 geschrapt] [Artikel 24 geschrapt] [Artikel 25 geschrapt] Hoofdstuk IV Kwaliteit van de diensten Artikel 26 Informatie over dienstverrichters en hun diensten 1. De lidstaten zien erop toe dat de dienstverrichter de afnemer de volgende gegevens ter beschikking stelt: a) zijn naam, rechtspositie en rechtsvorm, het geografisch adres waar hij is gevestigd, zijn adresgegevens zodat de afnemers hem snel kunnen bereiken en rechtstreeks met hem kunnen communiceren, eventueel langs elektronische weg; b) wanneer de dienstverrichter in een handelsregister of in een vergelijkbaar openbaar register is ingeschreven, de naam van dat register en het nummer waaronder hij is ingeschreven, of gelijkwaardige gegevens uit dat register die ter identificatie dienen; c) wanneer voor de activiteit een vergunningstelsel geldt, de adresgegevens van de bevoegde instantie of van het éénloket; d) wanneer de dienstverrichter een btw-plichtige activiteit uitoefent, het nummer bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad[58]; e) voor gereglementeerde beroepen: elke beroepsorde of vergelijkbare organisatie waarbij de dienstverrichter is ingeschreven, alsmede de beroepstitel en de lidstaat waar die is verleend; f) in voorkomend geval, de algemene voorwaarden en bepalingen die de dienstverrichter hanteert; g) de contractbepalingen betreffende het op het contract toepasselijke recht en/of de bevoegde rechter. 2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie, naar keuze van de dienstverrichter: a ) op eigen initiatief door de dienstverrichter wordt verstrekt; b) voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk is op de plaats waar de dienst wordt verricht of het contract wordt gesloten; c) voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk is op een door de dienstverrichter meegedeeld elektronisch adres; d) is opgenomen in door de dienstverrichter aan de afnemer verstrekte informatiedocumenten waarin zijn diensten in detail worden beschreven. 3. De lidstaten zien erop toe dat de dienstverrichter de afnemer op diens verzoek de volgende aanvullende informatie verstrekken: a ) de belangrijkste kenmerken van de dienst; b) de prijs van de dienst of, indien de precieze prijs niet kan worden gegeven, de manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming; [c) geschrapt] d) voor gereglementeerde beroepen, een verwijzing naar de in de lidstaat van vestiging geldende beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen. 4. De lidstaten zien erop toe dat de informatie die de dienstverrichter krachtens dit hoofdstuk moet verstrekken, helder, ondubbelzinnig en tijdig voor de sluiting van het contract of, indien er geen schriftelijk contract is, voor de verrichting van de dienst wordt meegedeeld of beschikbaar wordt gesteld. 5. De in dit hoofdstuk bedoelde informatie-eisen gelden in aanvulling op de eisen die al in het Gemeenschapsrecht zijn vervat en beletten de lidstaten niet op hun grondgebied gevestigde dienstverrichters aanvullende informatie-eisen op te leggen. 6. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 42, lid 2, de inhoud van de in de leden 1 en 3 van dit artikel bedoelde informatie met het oog op de bijzondere kenmerken van bepaalde activiteiten nader omschrijven en de praktische toepassingsbepalingen voor lid 2 vastleggen. Artikel 27 Beroepsaansprakelijkheidsverzekering en waarborgen 1. De lidstaten kunnen erop toezien dat dienstverrichters wier diensten een rechtstreeks , bijzonder risico behelzen voor de gezondheid of de veiligheid van de afnemer of een derde , of voor de financiële veiligheid van de afnemer, een op de aard en omvang van het risico afgestemde beroepsaansprakelijkheidsverzekering sluiten, dan wel een gelijkwaardige of met betrekking tot het doel in wezen vergelijkbare waarborg of soortgelijke voorziening bieden. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering of de andere waarborg moet de risico's van dergelijke diensten wanneer deze in andere lidstaten worden verricht, op dezelfde wijze dekken als wanneer ze worden verricht in de lidstaat waar de dienstverrichter is gevestigd. 2. De lidstaten zien erop toe dat dienstverrichters een afnemer op diens verzoek informatie over de in lid 1 bedoelde verzekering of waarborgen verstrekken, met name de adresgegevens van de verzekeraar of de borg en de geografische dekking. 3. Wanneer een dienstverrichter zich op het grondgebied van een lidstaat vestigt, verlangt deze van hem geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering of waarborg indien de dienstverrichter in een andere lidstaat waar hij een vestiging heeft, al gedekt is door een waarborg die gelijkwaardig is of die, met betrekking tot het doel en de dekking die hij biedt wat het verzekerde risico, de verzekerde som, de maximale waarborg en de mogelijke uitzonderingen van de dekking betreft , in wezen vergelijkbaar is. Indien de waarborg slechts ten dele gelijkwaardig is, kan de lidstaat voor de nog niet gedekte elementen een aanvullende waarborg eisen. Wanneer een lidstaat van op zijn grondgebied gevestigde dienstverleners verlangt dat zij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering sluiten of een andere waarborg stellen, neemt deze lidstaat als bewijs hiervoor genoegen met een attest betreffende zo'n verzekerde dekking dat is afgegeven door een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeraar. 4. De leden 1, 2 en 3 laten de regelingen inzake beroepsverzekeringen of waarborgen in andere communautaire besluiten onverlet . 5. In het kader van de uitvoering van lid 1 kan de Commissie volgens de procedure van artikel 42, lid 2, een lijst van diensten met de in lid 1 bedoelde kenmerken opstellen, alsmede gemeenschappelijke criteria vaststellen aan de hand waarvan kan worden bepaald of de in dat lid bedoelde verzekering of waarborgen met het oog op de aard en omvang van het risico geschikt zijn. Tevens kan zij volgens de procedure van artikel 42, lid 2, een procedure vaststellen waardoor, bij gebleken falen van de verzekeringsmarkt om een passende verzekering te bieden en onder speciale voorwaarden, waaronder kennisgeving aan de Commissie, de lidstaten de mogelijkheid krijgen de verplichtingen van dit artikel voor een beperkte termijn te vervangen door een informatie-eis. 6. In dit artikel wordt verstaan onder: - "rechtstreeks, bijzonder risico": een risico dat rechtstreeks voortvloeit uit de verrichting van de dienst; - "gezondheid en veiligheid": met betrekking tot de afnemer of een derde, het voorkómen van overlijden of een ernstig letsel; - "financiële veiligheid": met betrekking tot de afnemer, het voorkómen van aanzienlijke verliezen aan geld of aan waarde van goederen; - "beroepsaansprakelijkheidsverzekering": een door een dienstverrichter gesloten verzekering voor de potentiële aansprakelijkheid jegens afnemers en, in voorkomend geval, jegens derden, voortvloeiend uit de verrichting van de dienst. Artikel 28 Productgaranties 1. De lidstaten zien erop toe dat dienstverrichters een afnemer op diens verzoek informatie verstrekken over het bestaan of ontbreken van een garantie op de verrichte dienst, over de inhoud van die garantie en over de essentiële elementen voor de honorering ervan, met name hoe lang en waar zij geldt. 2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie is opgenomen in elk informatiedocument van de dienstverrichter waarin zijn diensten in detail worden beschreven. 3 . De leden 1 en 2 laten de regelingen inzake productgaranties in andere communautaire besluiten onverlet. Artikel 29 Commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen 1. De lidstaten trekken elk algeheel verbod op commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen in. 2. De lidstaten zien erop toe dat de commerciële communicatie van gereglementeerde beroepen conform het Gemeenschapsrecht in overeenstemming is met de beroepsregels betreffende met name de onafhankelijkheid, waardigheid en integriteit van de beoefenaren van het beroep in kwestie en hun beroepsgeheim op een wijze die strookt met de specifieke aard van elk beroep. Beroepsregels inzake commerciële communicatie moeten niet-discriminerend, om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd en evenredig zijn. Artikel 30 Multidisciplinaire activiteiten 1. De lidstaten zien erop toe dat op dienstverrichters geen eisen van toepassing zijn die hen ertoe verplichten uitsluitend een bepaalde specifieke activiteit uit te oefenen of die het gezamenlijk of in partnerschap uitoefenen van verschillende activiteiten beperken. Dergelijke eisen kunnen echter wel aan de volgende dienstverrichters worden opgelegd: a ) beoefenaren van gereglementeerde beroepen, voor zover dergelijke eisen gerechtvaardigd zijn om naleving van de beroeps- en gedragsregels, die naar gelang van de specifieke kenmerken van elk beroep verschillen, te waarborgen, en voor zover zij nodig zijn om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen ; b) dienstverrichters wier diensten bestaan uit certificering, accreditatie, technische controle, tests of proeven, voor zover dergelijke eisen gerechtvaardigd zijn om hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen. 2. Wanneer multidisciplinaire activiteiten tussen de in lid 1, onder a) en b), bedoelde dienstverrichters zijn toegestaan, zien de lidstaten erop toe dat: a ) belangenconflicten en onverenigbaarheden tussen bepaalde activiteiten worden voorkomen; b) de voor bepaalde activiteiten vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid gewaarborgd zijn; c) de beroeps- en gedragsregels voor verschillende activiteiten onderling verenigbaar zijn, met name wat het beroepsgeheim betreft. 3. De lidstaten zien erop toe dat dienstverrichters de afnemer op diens verzoek informatie verstrekken over hun multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen en over de maatregelen die zij ter voorkoming van belangenconflicten hebben genomen. Deze informatie moet zijn opgenomen in elk informatiedocument waarin dienstverrichter hun diensten in detail beschrijven. 4. In het in artikel 41 bedoelde verslag vermelden de lidstaten aan welke dienstverrichters eisen als bedoeld in lid 1 zijn gesteld, wat deze eisen inhouden en waarom ze volgens hen gerechtvaardigd zijn. Artikel 31 Kwaliteitsbeleid 1. De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie flankerende maatregelen om dienstverrichters aan te moedigen vrijwillig de kwaliteit van dienstverrichtingen te waarborgen, met name door: a ) hun activiteiten te laten certificeren of beoordelen door onafhankelijke organisaties; b) hun eigen kwaliteitshandvest op te stellen of de door beroepsorden op communautair niveau opgestelde kwaliteitshandvesten of keurmerken te onderschrijven. 2. De lidstaten zien erop toe dat afnemers en dienstverrichters gemakkelijk toegang hebben tot informatie over de betekenis van bepaalde keurmerken en over de criteria voor de toekenning van keurmerken en andere kwaliteitsaanduidingen voor diensten. 3. De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie flankerende maatregelen om beroepsorden, kamers van koophandel en consumentenorganisaties in de lidstaten aan te moedigen op communautair niveau samen te werken om de kwaliteit van dienstverrichtingen te verbeteren, met name door het gemakkelijker te maken de bekwaamheden van dienstverrichters te beoordelen. 4. De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie flankerende maatregelen om de ontwikkeling van onafhankelijke beoordelingen , vooral door consumentenorganisaties, van de kwaliteit en gebreken van diensten aan te moedigen, met name door de ontwikkeling van vergelijkende proeven of tests op communautair niveau en de verspreiding van de resultaten ervan. 5. De lidstaten moedigen in samenwerking met de Commissie de ontwikkeling van vrijwillige Europese normen aan, teneinde de compatibiliteit tussen de diensten van dienstverrichters uit verschillende lidstaten, de informatie aan de afnemer en de kwaliteit van dienstverrichtingen te verbeteren. Artikel 32 Geschillenbeslechting 1. De lidstaten treffen de nodige algemene maatregelen om ervoor te zorgen dat dienstverrichters adresgegevens verstrekken, met name een postadres, faxnummer of e-mailadres en een telefoonnummer , waar alle afnemers, ook die uit andere lidstaten, een klacht kunnen indienen of informatie over de verrichte dienst kunnen vragen. Dienstverrichters verstrekken hun wettelijke adres indien dit niet hun gebruikelijke correspondentieadres is. 2. De lidstaten treffen de nodige algemene maatregelen om ervoor te zorgen dat dienstverrichters onverwijld reageren op de in lid 1 bedoelde klachten en alles in het werk stellen om bevredigende oplossingen te vinden. 3. De lidstaten treffen de nodige algemene maatregelen om dienstverrichters te verplichten aan te tonen dat zij aan de in deze richtlijn vastgestelde informatieverplichtingen voldoen en dat de verstrekte informatie juist is. 4. Wanneer voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing een financiële waarborg vereist is, erkennen de lidstaten gelijkwaardige bij een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeraar gestelde waarborgen. Die kredietinstellingen moeten in een lidstaat erkend zijn overeenkomstig Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en de uitoefening van de activiteiten van kredietinstellingen [59] , en die verzekeraars overeenkomstig Richtlijn 73/239/EEG van de Raad betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan [60] dan wel Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende levensverzekering [61] . 5. De lidstaten treffen de nodige algemene maatregelen om ervoor te zorgen dat dienstverrichters die gebonden zijn aan een gedragscode of die lid zijn van een handelsvereniging of beroepsorde die voorziet in een regeling voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting, de afnemer hiervan op de hoogte stellen, dit vermelden in elk document waarin hun diensten in detail worden beschreven en aangeven hoe toegang kan worden verkregen tot gedetailleerde informatie over de kenmerken en toepassingsvoorwaarden van deze regeling. Hoofdstuk VAdministratieve samenwerking Artikel 33Wederzijdse bijstand - Algemene verplichtingen 1. De lidstaten verlenen elkaar wederzijdse bijstand en stellen alles in het werk om doeltreffend samen te werken bij het toezicht op dienstverrichters en hun diensten. 2. Ten behoeve van dit hoofdstuk wijzen de lidstaten een of meer contactpunten aan, waarvan zij de adresgegevens aan de andere lidstaten en de Commissie meedelen. De Commissie publiceert de lijst van contactpunten en werkt deze regelmatig bij. 3. Verzoeken om informatie en verzoeken tot het verrichten van verificaties, inspecties en onderzoeken uit hoofde van dit hoofdstuk worden naar behoren gemotiveerd, met name door vermelding van de reden voor het verzoek. De uitgewisselde informatie wordt alleen gebruikt voor de aangelegenheid waarvoor erom verzocht is. 4. Wanneer de lidstaten van de bevoegde instanties uit een andere lidstaat een verzoek om bijstand ontvangen, zien zij erop toe dat op hun grondgebied gevestigde dienstverrichters hun bevoegde instanties alle informatie verstrekken die deze nodig hebben om, met inachtneming van hun nationale wetgeving, toezicht op hun activiteiten uit te oefenen. 5. Wanneer inwilliging van een verzoek om informatie of tot het verrichten van verificaties, inspecties en onderzoeken problemen oplevert, brengt de aangezochte lidstaat de verzoekende lidstaat daarvan snel in kennis, teneinde een oplossing voor het probleem te vinden. 6. De lidstaten verstrekken de informatie waarom door andere lidstaten of door de Commissie is gevraagd, onverwijld langs elektronische weg. 7. De lidstaten zien erop toe dat de registers waarin de dienstverrichters zijn ingeschreven en die door de bevoegde instanties op hun grondgebied kunnen worden geraadpleegd, onder dezelfde voorwaarden ook toegankelijk zijn voor de overeenkomstige bevoegde instanties van de andere lidstaten. 8. De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over gevallen waarin andere lidstaten hun verplichtingen inzake wederzijdse bijstand niet nakomen. Zo nodig neemt de Commissie passende maatregelen, zoals de procedure van artikel 226 van het Verdrag, om ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaten hun verplichtingen inzake wederzijdse bijstand nakomen. De Commissie informeert de lidstaten op gezette tijden over de werking van de bepalingen betreffende wederzijdse bijstand. Artikel 33 bis Wederzijdse bijstand - algemene verplichtingen van de lidstaat van vestiging 1. Ten aanzien van dienstverrichters die diensten in een andere lidstaat verrichten, verstrekt de lidstaat van vestiging op verzoek van een andere lidstaat informatie over op zijn grondgebied gevestigde dienstverrichters; met name bevestigt hij dat een dienstverrichter op zijn grondgebied is gevestigd en deze, voor zover hem bekend, zijn activiteiten niet op onrechtmatige wijze verricht . 2. De lidstaat van vestiging voert de door een andere lidstaat gevraagde verificaties, inspecties en onderzoeken uit en stelt die lidstaat in kennis van de resultaten en van de eventueel genomen maatregelen. De bevoegde instanties handelen daarbij binnen de grenzen van de bevoegdheden die zij in hun lidstaat hebben. Zij kunnen zelf bepalen wat in ieder specifiek geval de meest geschikte maatregelen zijn om aan het verzoek van een andere lidstaat te voldoen. 3. Zodra de lidstaat van vestiging daadwerkelijk kennis heeft gekregen van gedragingen of specifieke handelingen van een op zijn grondgebied gevestigde dienstverrichter die diensten verricht in andere lidstaten , die, voor zover hem bekend, een ernstig risico voor de gezondheid of veiligheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengen, stelt hij alle andere lidstaten en de Commissie onverwijld daarvan in kennis. Artikel 34 Toezicht door de lidstaat van vestiging wanneer de dienstverrichter zich tijdelijk naar een andere lidstaat begeeft 1. Ten aanzien van gevallen die niet onder artikel 35, lid 1, vallen, ziet de lidstaat van vestiging erop toe dat op de naleving van zijn eisen toezicht wordt uitgeoefend in overeenstemming met de in zijn nationale wetgeving vastgestelde controlebevoegdheden, in het bijzonder door controlemaatregelen op de plaats van vestiging van de dienstverrichter. 2. De lidstaat van vestiging ziet niet af van controle- of handhavingsmaatregelen op zijn grondgebied om reden dat de dienst in een andere lidstaat is verricht of daar schade heeft veroorzaakt. 3. De in lid 1 bedoelde verplichting brengt niet met zich mee dat de lidstaat van vestiging verplicht is daadwerkelijk verificaties en controles te verrichten op het grondgebied van de lidstaat waar de dienst wordt verricht. Die verificaties en controles worden, op verzoek van de instanties van de lidstaat van vestiging, in overeenstemming met artikel 35 verricht door de instanties van de lidstaat waar de dienstverrichter tijdelijk actief is. Artikel 35 Toezicht door de lidstaat waar de dienst wordt verricht bij een tijdelijke verplaatsing van de dienstverrichter 1. Ten aanzien van nationale eisen die eventueel uit hoofde van artikel 16 of 17 zijn gesteld, is de lidstaat waar de dienst wordt verricht, verantwoordelijk voor het toezicht op de activiteiten van de dienstverrichter op zijn grondgebied. In overeenstemming met het Gemeenschapsrecht: – neemt de lidstaat waar de dienst wordt verricht, alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat dienstverrichters zich aan die eisen in verband met de toegang tot en de uitvoering van een dienstenactiviteit houden; – voert die lidstaat de verificaties, inspecties en onderzoeken uit die nodig zijn om toezicht op de verrichte dienst uit te oefenen. 2. Wanneer een dienstverrichter zich tijdelijk naar een andere lidstaat begeeft om er een dienst te verrichten zonder er gevestigd te zijn, nemen de bevoegde instanties van die lidstaat ten aanzien van de niet in lid 1 bedoelde eisen , overeenkomstig de leden 3 en 4 , deel aan het toezicht op de dienstverrichter. 3. Op verzoek van de lidstaat van vestiging voeren de bevoegde instanties van de lidstaat waar de dienst wordt verricht in voorkomend geval verificaties, inspecties en onderzoeken uit, die nodig zijn om een doeltreffend toezicht door de lidstaat van vestiging te waarborgen . De bevoegde instanties handelen daarbij binnen de grenzen van de bevoegdheden die zij in hun lidstaat hebben. Zij kunnen zelf bepalen wat in ieder specifiek geval de meest geschikte maatregelen zijn om aan het verzoek van de lidstaat van vestiging te voldoen. 4. De bevoegde instanties van de lidstaat waar de dienst wordt verricht, kunnen op eigen initiatief verificaties, inspecties en onderzoeken ter plaatse verrichten, mits deze niet discrimineren en niet plaatsvinden omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat gevestigd is en ze evenredig zijn . [a), b) en c) geschrapt] Artikel 36 Alarmmechanisme 1. Wanneer een lidstaat kennis neemt van ernstige specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot de dienstenactiviteit, die op zijn grondgebied of in andere lidstaten ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken, stelt hij de lidstaat van vestiging, de andere betrokken lidstaten en de Commissie hiervan onverwijld in kennis. 2. De Commissie bevordert de functionering van een Europees netwerk van instanties van de lidstaten met het oog op de tenuitvoerlegging van lid 1 en neemt hieraan deel. 3. Volgens de procedure van artikel 42, lid 2, stelt de Commissie gedetailleerde regels inzake het beheer van het in lid 2 bedoelde netwerk vast en zorgt zij voor een regelmatige bijwerking van deze regels. Artikel 36 bis Gegevens over de betrouwbaarheid van dienstverrichters 1. De lidstaten verstrekken op verzoek van een bevoegde instantie van een andere lidstaat overeenkomstig hun nationale recht informatie over tuchtrechtelijke of administratieve maatregelen of strafrechtelijke sancties en over beslissingen betreffende insolventie of faillissement waarbij sprake is van frauduleuze praktijken, die door hun bevoegde instanties ten aanzien van een dienstverrichter zijn genomen en die rechtstreeks van betekenis zijn voor de bekwaamheid of de professionele betrouwbaarheid van de dienstverrichter. De lidstaat die de informatie verschaft, stelt de dienstverrichter daarvan in kennis. Een verzoek als bedoeld in de eerste alinea dient naar behoren gemotiveerd te zijn, met name ten aanzien van de redenen voor het verzoek om informatie. 2. De in lid 1 bedoelde sancties en maatregelen worden alleen meegedeeld wanneer de beslissing daartoe in kracht van gewijsde is gegaan. Met betrekking tot andere in lid 1 bedoelde beslissingen vermeldt de lidstaat die de informatie verstrekt of het gaat om een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel of beroep tegen de beslissing is ingesteld; in dat geval geeft de lidstaat in kwestie een indicatie van de datum waarop een beslissing over het beroep wordt verwacht. Bovendien geeft die lidstaat aan op grond van welke nationale bepalingen de dienstverrichter is veroordeeld of hem een sanctie is opgelegd. 3. Bij toepassing van de leden 1 en 2 worden de voorschriften over de overdracht van persoonsgegevens en de rechten van personen die in de betrokken lidstaten schuldig zijn bevonden of aan wie een sanctie is opgelegd, ook indien dit is gebeurd door een beroepsorde , in acht genomen. Ter zake dienende informatie die openbaar is, moet voor de consument gemakkelijk toegankelijk zijn. Artikel 36 ter Flankerende maatregelen 1. De Commissie zet, in samenwerking met de lidstaten, een elektronisch systeem op voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten. 2. De lidstaten nemen, met hulp van de Commissie, flankerende maatregelen om de uitwisseling van met de uitvoering van de wederzijdse bijstand belaste ambtenaren en hun opleiding, inclusief taal- en computeropleidingen, te vergemakkelijken. 3. De Commissie gaat na of een meerjarenprogramma dient te worden opgezet om dergelijke opleidingen en uitwisselingen van ambtenaren te organiseren. Artikel 37 Wederzijdse bijstand bij afwijkingen in specifieke gevallen 1. Wanneer een lidstaat voornemens is een maatregel als bedoeld in artikel 19 te nemen, is, onverminderd gerechtelijke procedures , waaronder inleidende procedures en handelingen die worden uitgevoerd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek , de procedure van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel van toepassing. 2. De in lid 1 bedoelde lidstaat vraagt de lidstaat van vestiging maatregelen tegen de betrokken dienstverrichter te nemen en verstrekt die lidstaat alle relevante informatie over de betrokken dienst en de omstandigheden terzake. De lidstaat van vestiging gaat onverwijld na of de dienstverrichter zijn activiteiten legaal uitoefent en of de aan het verzoek ten gronde liggende feiten juist zijn. Hij deelt de verzoekende lidstaat onverwijld de genomen of beoogde maatregelen mede, dan wel, in voorkomend geval, de redenen waarom hij geen maatregelen neemt. 3. Na de in lid 2, tweede alinea, bedoelde mededeling van de lidstaat van vestiging stelt de verzoekende lidstaat de Commissie en de lidstaat van vestiging in kennis van zijn voornemen maatregelen te nemen en geeft daarbij aan: a ) waarom de door de lidstaat van vestiging genomen of beoogde maatregelen naar zijn oordeel ontoereikend zijn; b) waarom de door hem beoogde maatregelen naar zijn oordeel aan de in artikel 19 bedoelde voorwaarden voldoen. 4. De maatregelen kunnen niet eerder dan vijftien werkdagen na de in lid 3 bedoelde kennisgeving worden genomen. 5. Onverminderd de bevoegdheid van de verzoekende lidstaat om na het verstrijken van de in lid 4 bedoelde termijn de betrokken maatregelen te nemen, gaat de Commissie onverwijld na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat de maatregelen niet verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht, stelt zij een beschikking vast waarin de betrokken lidstaat wordt verzocht van de beoogde maatregelen af te zien of de maatregelen in kwestie onmiddellijk te beëindigen. 6. In spoedeisende gevallen kan de lidstaat die voornemens is een maatregel te nemen, van de leden 2, 3 en 4 afwijken. De Commissie en de lidstaat van vestiging worden in dat geval onverwijld van de maatregelen in kennis gesteld, met opgave van de redenen waarom er volgens de lidstaat sprake is van een spoedeisend karakter. Artikel 38 Uitvoeringsmaatregelen De Commissie neemt volgens de procedure van artikel 42, lid 2, de nodige maatregelen tot uitvoering van dit hoofdstuk; zij stelt de in de artikelen 33 en 37 bedoelde termijnen en de praktische regels voor de elektronische uitwisseling van informatie tussen de lidstaten vast, en met name de bepalingen inzake de interoperabiliteit van de informatiesystemen. Hoofdstuk VI Convergentieprogramma Artikel 39 1. De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie flankerende maatregelen om de opstelling , met name door beroepsorden, -organisaties en -verenigingen, van communautaire gedragscodes die gericht zijn op de vergemakkelijking van het verrichten van diensten of de vestiging van een dienstverrichter in een andere lidstaat , met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, aan te moedigen . 2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde gedragscodes langs elektronische weg van op afstand toegankelijk zijn. 3. De lidstaten zien erop toe dat dienstverrichters op verzoek van de afnemer en in elk informatiedocument waarin hun diensten in detail worden beschreven, aangeven welke gedragscodes op hen van toepassing zijn, alsmede het elektronische adres waar en de talen waarin deze codes kunnen worden geraadpleegd. 4. geschrapt Artikel 40 Aanvullende harmonisatie De Commissie onderzoekt uiterlijk één jaar na de datum van omzetting van deze richtlijn de mogelijkheid om voorstellen voor harmonisatiebesluiten over de volgende aspecten in te dienen: a ) geschrapt b) geschrapt c) de toegang tot activiteiten betreffende de gerechtelijke inning van schuldvorderingen; d) particuliere beveiligingsdiensten en geld- en waardetransporten. 2. geschrapt Artikel 41 Wederzijdse beoordeling 1. Uiterlijk op [omzettingsdatum] dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in met de in de volgende bepalingen bedoelde informatie: a ) artikel 9, lid 2, over vergunningstelsels; b) artikel 15, lid 4, over aan evaluatie onderworpen eisen; c) artikel 30, lid 4, over multidisciplinaire activiteiten. 2. De Commissie stuurt de in lid 1 bedoelde verslagen naar de lidstaten, die binnen zes maanden hun opmerkingen over elk van de verslagen indienen. Binnen dezelfde termijn raadpleegt de Commissie de betrokkenen over de verslagen. 3. De Commissie legt de verslagen en de opmerkingen van de lidstaten voor aan het in artikel 42, lid 1, bedoelde comité, dat opmerkingen kan maken. 4. In het licht van de in de leden 2 en 3 bedoelde opmerkingen dient de Commissie uiterlijk op … *[één jaar na de in artikel 45, lid 1, genoemde datum] een samenvattend verslag bij het Europees Parlement en de Raad in, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor aanvullende initiatieven. Artikel 42Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG[62] van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. 3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast. Artikel 43 Herzieningsclausule In aansluiting op het in artikel 41, lid 4, bedoelde samenvattende verslag dient de Commissie om de drie jaar bij het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid verslag in over de toepassing van deze richtlijn, en met name van de artikelen 2 en 16 , in voorkomend geval vergezeld van wijzigingsvoorstellen. Artikel 44Wijziging van Richtlijn 98/27/EG Aan de bijlage bij Richtlijn 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad [63] wordt het volgende punt toegevoegd: "13. Richtlijn …./../EG van het Europees Parlement en de Raad van ….. betreffende diensten op de interne markt (PB L […] van […] blz. […])". Hoofdstuk VII Slotbepalingen Artikel 45 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...* (2 jaar) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 46 Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 47 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter AANVULLEND FINANCIEEL MEMORANDUM Beleidsgebied(en): Interne markt Activiteit(en): Interne markt voor goederen en diensten | BENAMING VAN DE ACTIE: GEWIJZIGD VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPESE PARLEMENT EN DE RAAD BETREFFENDE DIENSTEN OP DE INTERNE MARKT | In januari 2004 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende diensten op de interne markt aangenomen[64]. Daarbij was een financieel memorandum gevoegd. Op 16 februari 2006 heeft het Europees Parlement in eerste lezing een verslag over dit voorstel aangenomen. De Commissie komt nu met een gewijzigd voorstel. Dit is grotendeels gebaseerd op de eerste lezing in het Europees Parlement, maar er wordt ook rekening gehouden met de discussies die tot op heden in de Raad zijn gevoerd. Het gewijzigde voorstel bevat ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie een aantal wijzigingen waarvoor de Commissie middelen nodig heeft en die dus budgettaire gevolgen hebben. In het gewijzigde voorstel wordt voorzien in het opzetten van een elektronisch systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over de interne markt. Hiermee wordt beoogd de bevoegde instanties een praktisch systeem te bieden waarmee zij gemakkelijker kunnen voldoen aan hun verplichtingen tot administratieve samenwerking uit hoofde van het gewijzigde voorstel, doordat zij hun gesprekspartners in andere lidstaten gemakkelijk kunnen identificeren en efficiënt met hen kunnen communiceren. De wettelijke verplichting tot administratieve samenwerking wordt dus onderbouwd met een mechanisme dat de mogelijkheid biedt in de praktijk doeltreffend te werken. Dit brengt voor de Commissie kosten met zich mee: voor de ontwikkeling van het systeem en voor het beheer van de databank. Het gewijzigde voorstel omvat ook een alarmmechanisme. Dit houdt in dat wanneer een lidstaat kennis neemt van ernstige specifieke handelingen of omstandigheden die op zijn grondgebied of in andere lidstaten ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken, hij de lidstaat van vestiging, de andere betrokken lidstaten en de Commissie hiervan onverwijld in kennis moet stellen. De Commissie moet in het kader van de uitvoering van dit alarmmechanisme de functionering van een Europees netwerk van instanties van de lidstaten bevorderen en hieraan deelnemen. Daarnaast moet zij volgens de comitéprocedure van artikel 42, lid 2, gedetailleerde regels inzake het beheer vaststellen en deze regelmatig bijwerken. De bevordering en de functionering zullen voor de Commissie met name leiden tot personeelskosten. Het gewijzigde voorstel voorziet in een evaluatie door de Commissie van de noodzaak een meerjarenprogramma voor opleidingen en uitwisselingen van ambtenaren op te zetten. De Commissie zal kosten moeten maken om deze evaluatie uit te voeren. Hieronder worden ramingen gegeven van de totale kosten voor de Commissie. Het is een bijwerking van het financiële memorandum bij het oorspronkelijke voorstel van de Commissie in verband met de veranderingen in het gewijzigde voorstel. Deze betreffen zowel de hierboven opgevoerde veranderingen als twee oorspronkelijk voorziene studies die nu niet meer worden uitgevoerd. Delen van de kosten van het elektronische informatiesysteem worden al gefinancierd in het kader van het IDABC-programma, zodat hieronder alleen de extra kosten worden opgevoerd. Verder was het artikel 42-comité al in het oorspronkelijke voorstel voorzien. 1. BEGROTINGSONDERDEEL + OMSCHRIJVING 12 02 01 Tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt 12 01 04 01 Tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt - Uitgaven voor administratief beheer 2. ALGEMENE CIJFERS 2.1. Totale toewijzing voor de actie (beleidsuitgaven): 0,900 miljoen euro aan vastleggingskredieten, die in de financiële programmering al worden gedekt door de huidige toewijzing voor het internemarktbeleid. 2.2. Duur: 2006 - 2011 2.3. Meerjarenraming van de uitgaven a ) Overzicht van de vastleggingskredieten en betalingskredieten (financiering uit de begroting) (zie punt 3.1.1) mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 en vlg. jaren | Totaal | Verbintenissen | 0,200 | Betalingen | 0,100 | 0,100 | b) Technische en administratieve bijstand en ondersteuningsuitgaven (zie punt 3.1.2) Verbintenissen | 0,250 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | Betalingen | 0,250 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | Subtotaal a+b | Verbintenissen | 0,200 | 0,250 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | Betalingen | 0,100 | 0,350 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | c) Financiële gevolgen van het personeel en andere administratieve uitgaven (zie de punten 4.2 en 4.3) Vastleggingen/ betalingen | 0,016 | 1,085 | 1,069 | 0,064 | 0,064 | TOTAAL a+b+c | Verbintenissen | 0,016 | 1,285 | 1,319 | 0,314 | 0,164 | 0,100 | Betalingen | 0,016 | 1,185 | 1,419 | 0,314 | 0,164 | 0,100 | 3. FINANCIËLE GEVOLGEN 3.1. Totale financiële gevolgen voor de beleidsuitgaven (voor de gehele programmeringsperiode) 3.1.1. Financiering Vastleggingen, mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) Uitsplitsing | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 en volgende jaren | Totaal | Actie 1 | 0,200 | Actie 2 | enz. | TOTAAL | 0,200 | 3.1.2. Technische en administratieve bijstand, ondersteuningsuitgaven en IT-uitgaven (vastleggingskredieten) | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 en volgende jaren | Totaal | 1) Technische en administratieve bijstand | a) Bureaus voor technische bijstand | b) Andere technische en administratieve bijstand: - intern: - extern: waarvan voor het opzetten en onderhouden van geautomatiseerde beheerssystemen: | 0,250 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | Subtotaal 1 | 2) Ondersteuningsuitgaven | a) Studies | b) Vergaderingen van deskundigen | c) Informatie en publicaties | Subtotaal 2 | TOTAAL | 0,250 | 0,250 | 0,100 | 0,100 | 3.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in de beleidsuitgaven (voor de hele programmeringsperiode) Vastleggingen, mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) Uitsplitsing | Soort producties (projecten, dossiers) | Aantal producties (totaal voor 2004-2010) | Gemiddelde kosten per eenheid | Totale kosten (totaal voor 2004-2010) | Actie 1 - Maatregel 1 (ontwikkeling en controle van economische indicatoren) | Studie | 1 | 0,200 | 0,200 | TOTALE KOSTEN | 0,200 | 0,200 | 4. GEVOLGEN VOOR DE PERSONELE MIDDELEN EN DE HUISHOUDELIJKE UITGAVEN Het personeel en de huishoudelijke middelen worden gedekt door de toewijzing die het beherende DG in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedures heeft gekregen. 4.1. Gevolgen voor de personele middelen Soort ambten | Personeel voor het beheer van de actie | Totaal | Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien | Vast | Tijdelijk | Ambtenaren of tijdelijke personeelsleden | A B C | 6,5 2,5 | 0,5 | 6,5 3,0 | Omdat de richtlijn allerlei dienstenactiviteiten omvat, is specifieke kennis over tal van sectoren nodig (handel, gereglementeerde beroepen, bouwnijverheid, certificering, ambachten enz.) en ook over specifieke vraagstukken als administratieve vereenvoudigingen. | Ander personeel | 1 gedetacheerd nationaal expert | 1 | Totaal | 10 | 0,5 | 10,5 | 4.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) Aard van de posten | Bedrag | Wijze van berekening * | Ambtenaren Tijdelijke functionarissen | 0,972 0,054 | 9* 0,108 0,5* 0,108 | Ander personeel (vermeld begrotingsonderdeel) | 0,043 | 1* 0,043 | Totaal | 1,069 | De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende twaalf maanden. 4.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) Begrotingsonderdeel (nr. en omschrijving) | Bedrag in euro’s | Berekeningswijze | Totale toewijzing (Titel A7) 12 01 02 11 01 -- Dienstreizen 12 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen 12 01 02 11 03 – Comités (raadgevend comité) 12 01 02 11 04 -- Studies en adviezen Overige uitgaven (aangeven welke) | 0,064 0,016 | 96 deskundigen*650 24 deskundigen* 650 | Informatiesystemen | Overige administratieve uitgaven (aangeven welke) | Totaal | 0,080 | De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende twaalf maanden. mln euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig) I. Totaal per jaar (4.2 + 4.3) II. Duur van de actie III. Totale kosten van de actie (I x II) | 1,149 2 jaar 2,298* | * De personeelskosten kunnen zich tot meer dan twee jaar uitstrekken afhankelijk van de resultaten van de onderhandelingen en het naar aanleiding daarvan vastgestelde werkprogramma. [1] COM(2004) 2 van 13.1.2004. [2] PB C 221 van 8.9.2005, blz. 113. [3] PB C 43 van 18.2.2005, blz. 18. [4] COM(2002) 441. [5] PB L 126 van 2605.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/69/EG van de Commissie (PB L 125 van 28.4.2004, blz. 44). [6] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7. [7] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21. [8] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33. [9] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51. [10] PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37. [11] PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 647/2005 (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 1). [12] PB L 255 van 30. 9.2005, blz. 22. [13] PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22. [14] PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1. [15] Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2). [16] Richtl3[pic]n 2003/ Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44). [17] Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 1). [18] Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77). [19] PB L 145 van 5.6.1997, blz. 29. [20] PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12. [21] PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1. [22] PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20.7.1998 (PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18). [23] PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1. [24] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. [25] PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 647/2005 (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 1). [26] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/69/EG van de Commissie (PB L 125 van 28.4.2004, blz. 44). [27] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7. [28] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21. [29] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33. [30] PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51. [31] PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37. [32] PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1. [33] PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 647/2005 (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 1). [34] PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG (PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60). [35] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [36] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [37] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [38] PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114. [39] PB L 77 van 14.3.1998, blz. 36. [40] PB L 65 van 14.3.1968, blz. 8. [41] PB L 221 van 4.9.2003, blz. 13. [42] PB L 395 van 30.12.1989, blz. 36. [43] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [44] PB L 15 van 21.1.1998, blz. 14. [45] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37. [46] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57. [47] PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1. [48] PB L 281 van 28.11.1995, blz. 1. [49] PB L 78 van 26.3.1977, blz. 17. [50] PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22. [51] PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 647/2005 (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 1). [52] PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77. [53] PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie (PB L 349 van 31.12.2001, blz. 1). [54] PB L 24 van 27.1.1987, blz. 36. [55] PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20. [56] PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. [57] PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. [58] PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. [59] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. [60] PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3. [61] PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1. [62] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. [63] PB L 166 van 11.6.1998, blz. 51. [64] Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt - COM(2004) 2 van 13.1.2004.