Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006PC0083

Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("Rome II") (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

/* COM/2006/0083 def. - COD 2003/0168 */

52006PC0083

Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("Rome II") (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2006/0083 def. - COD 2003/0168 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 21.02.2006

COM(2006) 83 definitief

2003/0168 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD

BETREFFENDE HET RECHT DAT VAN TOEPASSING IS OP NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN ("ROME II")

(door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

1. Overzicht van de Procedure

Het voorstel[1] werd door de Commissie op 22 juli 2003 goedgekeurd en dezelfde dag bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 30 juni en 1 juli 2004 zijn advies over het voorstel van de Commissie uitgebracht[2].

Op 6 juli 2005 heeft het Europees Parlement in voltallige vergadering in eerste lezing 54 amendementen aangenomen[3].

2. DOELSTELLING VAN HET GEwijzigdE VOORSTEL

Het gewijzigde voorstel past het oorspronkelijke voorstel voor een verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen aan om rekening te houden met een aantal amendementen van het Parlement en met de bevindingen van de Raad.

3. ADVIES VAN DE COMMISSIE OVER DE DOOR HET PARLEMENT GOEDGEKEURDE AMENDEMENTEN

3.1 De door de Commissie in hun geheel aanvaarde amendementen

De amendementen 2, 12, 17, 19, 22, 24, 35, 38, 39, 40, 44, 45, 48, 51, 52 en 53 zijn aanvaardbaar zoals zij door het Parlement zijn voorgesteld omdat zij een aantal verbeteringen inhouden ofwel wat de duidelijkheid van de tekst ofwel wat bepaalde detailkwesties betreft, dan wel aanvullingen inhouden die nuttig kunnen zijn bij de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke voorstel.

3.2 De door de Commissie in beginsel aanvaarde, maar anders geformuleerde amendementen

De amendementen 1, 5, 18, 20, 21, 23, 25, 28, 34, 36, 37, 46 en 49 zijn in beginsel na herformulering aanvaardbaar.

In amendement 1 wordt verwezen naar de verordening “Rome I” . In afwachting van de aanneming van deze verordening, is het echter verkieselijk te verwijzen naar het toekomstige Gemeenschapsinstrument dat het Verdrag van Rome van 1980 zal vervangen.

Amendement 5 is erop gericht te preciseren dat de niet-contractuele verbintenissen uit hoofde van risicoaansprakelijkheid en de rechts- of handelingsbekwaamheid voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen. Ook al is de Commissie het eens met deze analyse, verkiest zij alle bijzonderheden over de werkingssfeer van de verordening in één overweging onder te brengen, in dit geval overweging 5, zonder evenwel de kwesties te herhalen die reeds uitdrukkelijk worden vermeld in artikel 12 betreffende de werkingssfeer van het toepasselijke recht.

Amendement 18 heeft als doel te preciseren dat ongegronde verrijking en zaakwaarneming als niet-contractuele verbintenissen in de zin van de verordening worden aangemerkt. De Commissie is het daarmee eens. Om te vermijden dat de tekst minder soepel wordt, wil zij echter alle bijzonderheden met betrekking tot de werkingssfeer van de verordening in één overweging onderbrengen. Zij vindt vooral dat het beter is om eraan te herinneren dat de in de instrumenten “Brussel I”, “Rome II” en het verdrag van Rome van 1980 – of het Gemeenschapsinstrument dat dit verdrag zal vervangen – gebruikte juridische concepten het voorwerp moeten uitmaken van een autonome en samenhangende uitlegging door het Hof van Justitie dan om een lange – onvolledige – lijst van bijzonderheden op te nemen. Bovendien heeft dit amendement als doel de aansprakelijkheid die voortvloeit uit de uitoefening van het overheidsgezag, van de werkingssfeer uit te sluiten. De Commissie aanvaardt dit amendement wat de inhoud betreft, maar verkiest de in internationale overeenkomsten algemeen aanvaarde redactie.

Amendement 20 beoogt niet-contractuele verbintenissen die het voorwerp van een specifieke regeling uitmaken in het kader van het vennootschapsrecht of van op andere rechtspersonen, zoals verenigingen, toepasselijke specifieke bepalingen, van de werkingssfeer van de verordening uit te sluiten. De Commissie aanvaardt dit amendement wat de inhoud betreft, maar stelt een eenvoudiger redactie voor.

Amendement 21 preciseert de uitsluiting van niet-contractuele verbintenissen die ontstaan zijn in het kader van een trust. Hoewel de Commissie dit amendement aanvaardt wat de inhoud betreft, verkiest zij de in het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1985 gebruikte redactie.

Amendement 23 preciseert de uitsluiting van de overheidsaansprakelijkheid, met name wat bepaalde handelingen van publiekelijk benoemde ambtsdragers betreft. Hoewel de voorgestelde oplossing wat de inhoud betreft aanvaardbaar is voor de Commissie, vindt zij dat deze wijziging overlapt met die van amendement 18.

Amendement 25 beoogt voor bepaalde partijen die reeds een contractuele relatie hebben, de mogelijkheid in te voeren om, voordat de schade zich voordoet, te kiezen welk recht op hun niet-contractuele verbintenis van toepassing is. De Commissie kan het beginsel van een keuze ex ante aanvaarden, en is het eens met het feit dat aan die keuze strikte voorwaarden worden verbonden, om met name de zwakke partijen te beschermen. Het is echter van belang om de voorwaarden van die keuze eenvoudig en duidelijk tot uitdrukking te brengen. Bewoordingen die op juridisch vlak onvoldoende nauwkeurig zijn, zouden partijen immers tot geschillen kunnen aanzetten, wat de procedure zou verzwaren zowel wat de duur als wat de kosten betreft en wat in strijd zou zijn met de door de verordening nagestreefde doelstelling. De door de Commissie voorgestelde redactie maakt het enerzijds mogelijk de consumenten en werknemers te beschermen tegen een ondoordachte keuze en sluit anderzijds de mogelijkheid uit dat een dergelijke keuze in een toetredingscontract wordt opgenomen.

Het beginsel van de amendementen 28 en 34 , die de structuur en de titel van de afdelingen wijzigen om de algemene regel beter te onderscheiden van de bijzondere regels voor bepaalde categorieën van onrechtmatige daden, is voor de Commissie aanvaardbaar. Om rekening te houden met de bevindingen van de Raad en met de verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten, wordt in het voorstel van de Commissie een aanvullend onderscheid ingevoerd tussen de bijzondere regels die op bepaalde categorieën van onrechtmatige daden van toepassing zijn en regels die eigen zijn aan ongegronde verrijking en zaakwaarneming.

De amendementen 36 en 37 vervangen de algemene regel van artikel 9 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, dat van toepassing was op alle oneigenlijke overeenkomsten, door twee bijzondere regels, waarvan de ene op ongegronde verrijking en de andere op zaakwaarneming van toepassing is. De Commissie kan dit aanvullende onderscheid aanvaarden. In haar gewijzigde voorstel wenst zij echter ook rekening te houden met bepaalde tekstuele verbeteringen van technische aard die het resultaat zijn van de werkzaamheden van de Raad.

Amendement 46 beoogt de regel inzake de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke te verduidelijken zonder die ten gronde te wijzigen. De Commissie kan het beginsel van een gewijzigde redactie aanvaarden teneinde de begrijpelijkheid van de regel te verbeteren. Zij verkiest echter de redactie die uit de werkzaamheden van de Raad voortvloeit, die hetzelfde doel heeft.

Amendement 49 heeft als doel de gewone verblijfplaats van een thuis werkende natuurlijke persoon te preciseren. Het beginsel van een dergelijke precisering is voor de Commissie aanvaardbaar, maar zij verkiest een redactie die meer aansluit bij die uit de bevindingen van de Raad, die de rechter verzoekt om de plaats waar een activiteit werkelijk wordt verricht, te verkiezen boven het officiële adres dat louter fictief kan zijn.

3.3 De amendementen die de Commissie gedeeltelijk aanvaardt.

Amendement 3 is erop gericht overweging 7 van het oorspronkelijke voorstel aan te passen aan de wijzigingen die zijn aangebracht in amendement 26, dat betrekking heeft op de algemene regel van artikel 3. Aangezien de Commissie amendement 26 slechts gedeeltelijk kan aanvaarden, moet zij eveneens de daarmee overeenstemmende wijzigingen van de overweging verwerpen. De idee van de laatste zin van dit amendement, die de noodzaak om de bedoelingen van de partijen te respecteren, herhaalt, is opgenomen in overweging 8 van het gewijzigde voorstel van de Commissie.

Amendement 14 betreffende de veiligheidsregels en gedragsregels die gelden in het land waar het schadebrengende feit is gepleegd, heeft een dubbel doel: enerzijds wordt, door het toevoegen van de woorden “indien passend” benadrukt dat de toepassing van deze regels afhangt van de beoordelingsvrijheid van de rechter en anderzijds wordt deze mogelijkheid uitgesloten op het gebied van laster en oneerlijke concurrentie. De Commissie kan de voor de eerste zin van deze overweging voorgestelde precisering aanvaarden. Het verslag van het Europees Parlement bevat echter geen rechtvaardiging voor de uitsluiting van deze regel inzake laster en oneerlijke concurrentie. De Commissie is bijgevolg van oordeel dat er geen reden is om personen die deze twee categorieën van onrechtmatige daden plegen, de bescherming te ontnemen die deze regel hen biedt.

Amendement 26 betreffende de algemene regel van artikel 3 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie kan worden aanvaard wat de redactionele verbeteringen van lid 1 betreft, waarin bovendien de door de Commissie voorgestelde regel wordt bevestigd. De Commissie kan echter de wijzigingen van de leden 2 en 3 niet aanvaarden. Lid 2 voert een bijzondere regel in voor verkeersongevallen, die de niet-contractuele verbintenis enerzijds en het bedrag van de schadevergoeding anderzijds aan twee verschillende rechtssystemen onderwerpt. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de inspanningen van het Parlement om een rechtvaardige oplossing te zoeken voor de zeer talrijke verkeersslachtoffers, mag een dergelijke oplossing die aanzienlijk van het geldende positieve recht afwijkt, niet zonder diepgaand en voorafgaand onderzoek worden aangenomen. Daarom wordt voorgesteld om deze kwestie meer gedetailleerd te bestuderen in het kader van het uitvoeringsverslag dat het voorwerp uitmaakt van amendement 54. Wat lid 3 betreft, zou het amendement leiden tot een wezenlijke aantasting van de geest van het instrument. Er wordt weliswaar gepreciseerd dat de uitzonderingsclausule die de rechter ter beschikking heeft, “bij wijze van uitzondering” moet worden toegepast. De gekozen redactie dreigt echter een boodschap te verspreiden die ingaat tegen de door de verordening nagestreefde doelstelling van voorspelbaarheid. Het feit alleen dat dit lid niet minder dan vijf factoren opsomt waarmee rekening kan worden gehouden om de toepassing van de uitzonderingsclausule te rechtvaardigen, zou de partijen en de rechter er immers toe kunnen brengen de gegrondheid van de oplossing waartoe de toepassing van de algemene regel heeft geleid, systematisch in vraag te stellen, zelfs als deze op het eerste gezicht bevredigend lijkt. Daarom kan de Commissie dit deel van amendement 26 niet aanvaarden en behoudt zij haar oorspronkelijke benadering, waarvan de gegrondheid bovendien door de bevindingen van de Raad lijkt te worden bevestigd. De Commissie erkent echter het gewicht van bepaalde in lid 3 opgesomde factoren, met name met betrekking tot de gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de partijen, een eerder bestaande feitelijke of rechtsbetrekking of de rechtmatige verwachtingen van de partijen. Aangezien de eerste twee reeds uitdrukkelijk worden vermeld in de leden 2 en 3 van het oorspronkelijke voorstel, bevat artikel 5, lid 3, van het gewijzigde voorstel voortaan een uitdrukkelijke verwijzing naar de rechtmatige verwachtingen van de partijen.

Amendement 50, dat betrekking heeft op het mechanisme van de exceptie van openbare orde, voegt om te beginnen een nieuw lid 1 bis toe dat het begrip openbare orde van het land van de rechter beoogt te preciseren door een opsomming van standaardteksten. Hoewel de notie openbare orde in de lidstaten uiteraard gemeenschappelijke elementen bevat, bestaan er niettemin ook verschillen tussen de lidstaten. Bijgevolg kan de Commissie een dergelijke opsomming niet aanvaarden. Het voorgestelde nieuwe lid 1 ter behandelt de kwestie van de schadevergoedingen waarvan het bedrag als buitensporig wordt beschouwd, zoals bepaalde types schadevergoedingen die als voorbeeld of als straf zijn bedoeld, die reeds het voorwerp uitmaakten van een specifieke regel in artikel 24 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. Onder voorbehoud van redactionele wijzigingen, die erop gericht zijn te verduidelijken dat de schadevergoedingen die als straf zijn bedoeld, niet ipso facto buitensporig zijn, kan de Commissie aanvaarden dat deze regel wordt opgenomen in het artikel betreffende de openbare orde van het land van de rechter. Het voorgestelde nieuwe lid 1 quater wil het inroepen van de uitzonderingsclausule aan de partijen voorbehouden. Het behoort echter tot de taak van de rechter om te waken over de eerbiediging van de fundamentele waarden van het land van de rechter en deze taak mag niet worden gedelegeerd aan de partijen, temeer daar deze niet altijd worden vertegenwoordigd door een advocaat. De verordening “Brussel I” voorziet bovendien in de mogelijkheid voor de rechter om het exequatur te weigeren voor een beslissing van een andere lidstaat ingeval deze in strijd is met de openbare orde van het land van de rechter. Om deze redenen kan de Commissie het voorgesteld lid 1 quater niet aanvaarden.

Amendement 54 legt de Commissie de verplichting op om na de inwerkingtreding van de verordening een uitvoeringsverslag neer te leggen. Hoewel de Commissie het nut van een dergelijk verslag erkent, kan zij niet alle in dat amendement vastgestelde voorwaarden aanvaarden. Om te beginnen volstaat de termijn van drie jaar na het vaststellen van de verordening niet om over een voldoende aantal rechterlijke uitspraken te beschikken voor een doeltreffende beoordeling van de werking van dit instrument. Naar het voorbeeld van de verordening “Brussel I”, stelt de Commissie een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het instrument voor. Wat de inhoud van dit verslag betreft, overstijgt de kwestie van het bedrag van de door de rechtbanken toegekende schadevergoeding alsook die van het opstellen van een deontologische code voor de Europese media, ruimschoots het kader van de collisieregels. De Commissie kan evenmin aanvaarden dat deze kwesties worden behandeld in het kader van een uitvoeringsverslag over deze verordening. De Commissie is het daarentegen eens met de analyse van het Parlement betreffende de noodzaak om na te denken over een grotere homogeniteit inzake de toepassing van vreemd recht door de rechtbanken van de lidstaten. Ofschoon zij vindt dat een wetgevend initiatief op dit gebied in dit stadium voorbarig is (zie amendement 43) kan zij de idee aanvaarden om de analyse van deze kwestie in het kader van het uitvoeringsverslag te verdiepen.

3.4 De niet-overgenomen amendementen

De Commissie kan de amendementen 4, 9, 10, 15, en 16 niet aanvaarden aangezien zij samenhangen met de amendementen 26, 30, 54 (lid 3), 31 en 42 die Commissie niet heeft overgenomen.

De amendementen 6, 7, 8, 11 en 13 hebben als doel de overwegingen aan te passen aan de in de amendementen 27, 29 en 33 voorgestelde opheffing van verscheidene bijzondere regels voor bepaalde bijzondere soorten van onrechtmatige daad. Aangezien de Commissie de opheffing van deze bijzondere regels niet kan aanvaarden (zie hieronder), worden de daarmee overeenstemmende wijzigingen van de overwegingen niet overgenomen. In zijn verslag sluit het Parlement echter de mogelijkheid om bijzondere regels te behouden niet uit op voorwaarde dat die een definitie van hun werkingssfeer bevatten, met name wat oneerlijke handelspraktijken en milieuschade betreft. Daarom verwijzen de overwegingen 12, 13 en 14 van het gewijzigde voorstel voortaan naar de secundaire Gemeenschapswetgeving over deze kwesties. Bovendien is de terminologie van deze artikelen gewijzigd om deze aan te passen aan de in het afgeleide recht gebruikte terminologie. Ook al kunnen de gebruikte begrippen op die manier beter worden afgebakend door het materiële Gemeenschapsrecht, toch moet worden benadrukt dat – voor de kwalificatie van een onrechtmatige daad in de zin van het internationaal privaatrecht – deze een ruimere definitie kunnen krijgen dan in het materiële Gemeenschapsrecht.

Amendement 27 beoogt de bijzondere regel inzake aansprakelijkheid voor producten met gebreken te schrappen. Zoals voor de andere bijzondere soorten van onrechtmatige daad die concurrentieverstoringen en milieuschade zijn, vindt de Commissie echter dat de algemene regel het niet mogelijk maakt om met een redelijke zekerheid te voorspellen wel recht van toepassing zal zijn. De plaats waar de schade is ontstaan, kan immers louter toevallig aan het licht komen, vanwege de grote mobiliteit van consumptiegoederen (bv. een in Nederland geproduceerde haardroger in het bezit van een Duitse toerist die in Thailand op reis is). Bovendien moet, aangezien deze materie vaak het voorwerp uitmaakt van minnelijke schikkingen tussen verzekeraars, in het bijzonder een duidelijke en voorspelbare regel worden gevonden om deze schikkingen te vergemakkelijken. Bijgevolg kan de Commissie de voorgestelde schrapping niet aanvaarden.

Amendement 29 beoogt de bijzondere regel inzake concurrentieverstoring te schrappen. De Commissie kan dit amendement niet aanvaarden: artikel 5 van het oorspronkelijke voorstel had niet als doel een regel in te voeren die ten gronde verschillend was van de algemene regel, maar alleen de plaats waar de schade is ontstaan, te concretiseren, wat op dit gebied niet altijd gemakkelijk is. De redactie van artikel 7 van het gewijzigde voorstel is licht gewijzigd om te verduidelijken dat het louter gaat om een concretisering van de plaats waar de schade zich voordoet. Bovendien heeft de Commissie, om de eisen van het Europees Parlement inzake definities te beantwoorden, ervoor gekozen om in artikel 7 van het gewijzigde voorstel een terminologie te gebruiken die rechtstreeks geïnspireerd is op Richtlijn 2005/29 van 11 mei 2005. Daaruit volgt, a contrario , dat de niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit mededingingsverstorende handelspraktijken, die met name in het kader van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag of door soortgelijke regels van de lidstaten worden gesanctioneerd, niet onder artikel 7 vallen; deze blijven derhalve onderworpen aan de algemene regel van artikel 5. In het kader van haar groenboek “ Vorderingen tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het communautaire mededingingsrecht” , dat naar verwachting in december 2005 zal worden gepresenteerd, wil de Commissie de kwestie van het recht dat van toepassing is op burgerlijke vorderingen tot vergoeding van door mededingingsverstorende handelspraktijken veroorzaakte schade, ter discussie brengen. Naargelang van de ontvangen antwoorden, behoudt de Commissie zich de mogelijkheid voor om een andere oplossing te kiezen in het kader van de medebeslissingsprocedure.

Amendement 57 beoogt de regel die van toepassing is op de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, met name via de pers, ten gronde te wijzigen. De Commissie kan dit amendement, dat de uitgeverij teveel bevoordeeld ten opzichte van het vermoedelijke slachtoffer van laster via de pers en dat niet overeenstemt met de in de meeste lidstaten geldende oplossing, niet aanvaarden. Aangezien de teksten van de Raad en de door het Parlement in eerste lezing aangenomen tekst onverenigbaar zijn, is de Commissie van oordeel dat de meest aanvaardbare oplossing voor deze omstreden kwestie erin bestaat de persmisdrijven en daarmee gelijkgestelde misdrijven van de werkingssfeer van haar gewijzigde voorstel uit te sluiten en artikel 6 van het oorspronkelijke voorstel te schrappen. De andere inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zouden derhalve onder artikel 5 van het gewijzigde voorstel vallen.

Amendement 31 beoogt een nieuwe bijzondere regel in te voeren betreffende de schade die voortvloeit uit de uitoefening van het stakingsrecht door werknemers. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de onderliggende beleidsargumenten, kan zij dit amendement niet aanvaarden wegens het te strenge karakter van de voorgestelde regel.

Amendement 32 herhaalt dat de lidstaten, tot het moment dat de Gemeenschap een bijzondere regel vaststelt inzake verkeersongevallen, ofwel het Verdrag van Den Haag van 1971, ofwel de algemene regels van de verordening “Rome II” toepassen. Aangezien niet kan worden uitgesloten dat in het uitvoeringsverslag, dat voortaan overeenkomstig artikel 26 van het gewijzigde voorstel moet worden opgesteld, wordt bevestigd dat de algemene regels van de verordening een bevredigende oplossing vormen, kan de Commissie zich nu niet verbinden tot een toekomstig wetgevend voorstel en verwerpt zij derhalve dit amendement. Lid 2 van dit amendement herhaalt het voorstel dat reeds in amendement 26 is opgenomen en betrekking heeft op de invoering van een nieuwe bijzondere regel inzake het bepalen van het bedrag van de vergoeding van de in het kader van een verkeersongeval geleden schade, dat de Commissie niet kan aanvaarden (zie hierboven, amendement 26).

Amendement 33 beoogt de bijzondere regel inzake milieu-inbreuken te schrappen. De Commissie kan dit amendement niet aanvaarden, want de voorgestelde regel stemt overeen met het door de Gemeenschap aangenomen beginsel “de vervuiler betaalt”, dat reeds in verschillende lidstaten van kracht is. Tijdens de stemming over dit amendement in voltallige vergadering hebben de Groenen zich overigens onthouden.

Amendement 41 heeft opnieuw betrekking op de kwestie van de begroting van de schadevergoeding die in het algemeen (uitgezonderd voor verkeersongevallen) door de lex fori wordt geregeld. De Commissie kan dit amendement niet aanvaarden. Aangezien deze kwestie zeer belangrijk is voor het slachtoffer, niet alleen wat verkeersongevallen betreft, maar ook op andere gebieden, met name in het geval van lichamelijk letsel, staan de bepalingen van deze verordening immers toe een billijke oplossing te vinden die rekening houdt met de rechtmatige verwachtingen zowel van het slachtoffer als van de persoon die de schade veroorzaakt.

In de amendementen 42 en 43 wordt de kwestie van de toepassing door de rechter van vreemd recht behandeld. Het eerste amendement wil de partijen verplichten om in de dagvaarding mee te delen welk recht op hun vordering van toepassing is. Hoewel de Commissie de idee genegen is om het werk van de met een internationaal geschil geconfronteerde rechter te vergemakkelijken, zou de tenuitvoerlegging van deze regel te moeilijk kunnen zijn aangezien niet alle partijen in staat zijn het op hun situatie toepasselijke recht te kennen, met name wanneer zij niet door een advocaat worden vertegenwoordigd. Het tweede amendement beoogt de reeds in bepaalde lidstaten toepasselijke regel volgens welke de rechter ambtshalve de inhoud van het vreemde recht moet vaststellen, met eventuele medewerking van de partijen, officieel te maken. De Commissie is van oordeel dat de meerderheid van de lidstaten momenteel niet in staat is om een dergelijke regel toe te passen, doordat zij geen doeltreffende structuren hebben ingesteld om de toepassing van het vreemde recht door de rechter te vergemakkelijken, en verwerpt dit amendement. Zij meent echter dat dit een zeer interessante denkpiste is waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed in het kader van het uitvoeringsverslag van de verordening.

Amendement 47 vormt overlapt met amendement 22, dat de Commissie verkiest omwille van redactionele kwesties. Amendement 47 wordt derhalve verworpen.

4. CONCLUSIE

Overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag wijzigt de Commissie haar voorstel als hierna aangegeven.

2003/0168 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD

BETREFFENDE HET RECHT DAT VAN TOEPASSING IS OP NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN ("ROME II")

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 61, onder c),

Gezien het voorstel van de Commissie[4],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[5],

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[6],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen. Daartoe moet de Gemeenschap met name maatregelen nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken met grensoverschrijdende gevolgen, voor zover dit noodzakelijk is voor het goed functioneren van de interne markt, waarbij er onder meer naar wordt gestreefd de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels op het gebied van het conflictenrecht te bevorderen.

(2) Met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van de desbetreffende bepalingen van het Verdrag van Amsterdam heeft de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 3 december 1998 een actieplan vastgesteld, waarbij werd gepreciseerd dat de invoering van een rechtsinstrument inzake het recht dat van toepassing is op buitencontractuele verbintenissen een van de maatregelen is die moeten worden genomen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam[7].

(3) Op zijn bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999[8] heeft de Europese Raad de stelling onderschreven dat het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen van prioritair belang is voor de totstandbrenging van de Europese rechtsruimte. In het programma voor wederzijdse erkenning[9] wordt aangegeven dat maatregelen voor de harmonisatie van de collisieregels begeleidende maatregelen zijn die de toepassing van dit beginsel vergemakkelijken.

(4) De goede werking van de interne markt vereist, ter bevordering van de voorspelbaarheid van de uitslag van rechtsgedingen, de rechtszekerheid en het vrij verkeer van vonnissen, dat de in de lidstaten geldende collisieregels hetzelfde nationale recht aanwijzen, ongeacht bij welke rechter het geding aanhangig wordt gemaakt.

(5) Het toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening die het voorwerp van een autonome uitlegging door het Hof van Justitie uitmaken, moet en zodanig worden vastgesteld dat de samenhang met Verordening (EG) nr. 44/2001 [10] van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)[11], en het Verdrag van Rome van 1980 [12] , en het Gemeenschapsinstrument ter vervanging van dat verdrag, wordt verzekerd[13]. Voorts is deze verordening niet alleen van toepassing op vorderingen tot vergoeding van reeds geleden schade, maar eveneens op vorderingen die gericht zijn op het vermijden van schade die dreigt te ontstaan. Ook de verbintenissen uit hoofde van risicoaansprakelijkheid vallen onder deze verordening.

(6) Alleen eenvormige regels die worden toegepast ongeacht het recht dat zij aanwijzen, kunnen concurrentievervalsing tussen communautaire justitiabelen voorkomen.

(7) Weliswaar vormt het lex loci delicti commissi-beginsel in nagenoeg alle lidstaten de basisregel met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen, maar wanneer de elementen van de zaak verspreid zijn over meerdere lidstaten, leidt de concrete toepassing van dit principe niettemin tot verschillende oplossingen. Dit zorgt voor rechtsonzekerheid.

(7) Het streven naar samenhang in het Gemeenschapsrecht vereist dat deze verordening geen afbreuk doet aan de bepalingen in de Verdragen of in instrumenten van afgeleid recht, buiten deze verordening, die regelen welk recht van toepassing is of die een invloed hebben op het recht dat van toepassing is, zoals collisieregels op specifieke gebieden, communautaire bepalingen van bijzonder dwingend recht, en de fundamentele rechtsbeginselen van de interne markt. Uiteindelijk moet deze verordening de goede werking van de interne markt bevorderen, met name het vrije verkeer van goederen en diensten.

(8) In het belang van de wilsautonomie van de partijen moeten dezen kunnen kiezen welk recht van toepassing dient te zijn op een niet-contractuele verbintenis. Het is echter wenselijk om aan deze vrije rechtskeuze bepaalde voorwaarden te verbinden alsook om consumenten en werknemers de mogelijkheid te ontnemen het toepasselijke recht te kiezen voordat het schadebrengende feit heeft plaatsgevonden.

(9) Weliswaar vormt het lex loci delicti commissi-beginsel in nagenoeg alle lidstaten de basisregel met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen, maar wanneer de elementen van de zaak verspreid zijn over meerdere lidstaten, leidt de concrete toepassing van dit principe niettemin tot verschillende oplossingen. Dit zorgt voor rechtsonzekerheid.

(8 10) De eenvormige regel moet de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken vergroten en een billijk evenwicht garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld en die van de persoon die schade lijdt. De aanknoping met het land van de plaats waar de directe schade zich heeft voorgedaan ( lex loci delicti commissi ) zorgt voor een billijk evenwicht tussen de belangen van de persoon die de schade veroorzaakt en van de persoon die schade lijdt, en ligt tevens in de lijn van de moderne opvatting van het aansprakelijkheidsrecht en van de ontwikkeling van stelsels van schuldloze aansprakelijkheid.

(9 11) Er dient te worden voorzien in specifieke regels voor bijzondere soorten van onrechtmatige daad waarvoor op grond van de algemene regel geen billijk evenwicht kan worden bereikt tussen de in het geding zijnde belangen.

(10 12) Inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken , zoals met name gesanctioneerd in het kader van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken [14] , moet de collisieregel beantwoorden aan doelstellingen zoals een billijke verdeling van de risico's die verbonden zijn aan een moderne samenleving die wordt gekenmerkt door een hoge graad van technologisering, bescherming van de gezondheid van de consument, streven naar vernieuwing, het garanderen van niet-vervalste concurrentie en vergemakkelijking van het handelsverkeer. Aanknoping met het recht van de gewone verblijfplaats van de persoon die schade lijdt, in combinatie met een clausule inzake voorspelbaarheid, biedt in het licht van deze doelstellingen een evenwichtige oplossing.

(11 13) Inzake oneerlijke concurrentie handelspraktijken, zoals met name gesanctioneerd in het kader van Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt [15] moet kan de algemene collisieregel bescherming bieden aan concurrenten, consumenten en het publiek in het algemeen, en tevens garant staan voor het goed functioneren van de markteconomie. Door aanknoping met het recht van de markt waarop de gevolgen zich doen gevoelen, kunnen deze doelstellingen worden bereikt, behalve in bijzondere gevallen die de toepassing van andere regels rechtvaardigen. De concretisering in een specifiek artikel van de plaats van de schade als de markt waarop de gevolgen zich doen gevoelen, draagt bij tot de versterking van de rechtszekerheid.

(12) Gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa moet in de collisieregel een billijk evenwicht inzake inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten tot uiting komen. De inachtneming van de in de lidstaten geldende fundamentele beginselen op het gebied van de persvrijheid moet met een specifieke beschermende bepaling worden gegarandeerd.

(1314) Met betrekking tot milieu -inbreuken schade , zoals met name bedoeld in Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade [16] , is de oplossing die erin bestaat de persoon die schade lijdt, de keuzemogelijkheid te bieden, afdoende verantwoord in het licht van biedt artikel 174 van het Verdrag – , dat een hoog beschermingsniveau nastreeft en dat berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt – een afdoende verantwoording voor de toepassing van het beginsel van voorrang voor de persoon die schade lijdt .

(14 15) Ten aanzien van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten dient het algemeen erkende “ lex loci protectionis ”-beginsel te worden gehandhaafd. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder intellectuele-eigendomsrechten verstaan: het auteursrecht, de naburige rechten, het sui generis recht inzake de bescherming van gegevensbestanden en de industriële-eigendomsrechten.

(15 16) Er dient te worden voorzien in soortgelijke speciale regels voor de niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit voor gevallen waarin schade wordt veroorzaakt door een feit dat geen onrechtmatige daad is, zoals ongegronde verrijking of zaakwaarneming.

(16) In het belang van de wilsautonomie van de partijen moeten dezen kunnen kiezen welk recht van toepassing dient te zijn op een niet-contractuele verbintenis. Om zwakke partijen te beschermen is het wenselijk aan deze vrije rechtskeuze bepaalde voorwaarden te verbinden.

(17) Om redenen van algemeen belang is het in uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd dat de rechters van de lidstaten zich beroepen op rechtsfiguren zoals de openbare orde-exceptie en bepalingen van bijzonder dwingend recht.

(18) Het streven naar een billijk evenwicht tussen de partijen veronderstelt dat , voor zover passend, rekening wordt gehouden met de veiligheidsregels en gedragsregels die gelden in het land waar het schadebrengende feit is gepleegd, zelfs wanneer de niet-contractuele verbintenis wordt beheerst door een ander recht.

(19) Het streven naar samenhang in het gemeenschapsrecht vereist dat deze verordening geen afbreuk doet aan de bepalingen in de verdragen of in instrumenten van afgeleid recht, buiten deze verordening, die regelen welk recht van toepassing is of die een invloed hebben op het recht dat van toepassing is, zoals de collisieregels op specifieke gebieden, de communautaire bepalingen van bijzonder dwingend recht, de regels betreffende de communautaire openbare orde of de beginselen die ten grondslag liggen aan de interne markt. Voorts is het niet de bedoeling dat deze verordening de goede werking van de interne markt, en met name het vrije verkeer van goederen en diensten, belemmert, en ook de tenuitvoerlegging van deze verordening mag hier niet toe leiden.

(20 19 ) De eerbiediging van de internationale verplichtingen van de lidstaten rechtvaardigt dat deze verordening de verdragen en internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten partij zijn en die bijzondere onderwerpen bestrijken, onverlet laat. Om de doorzichtigheid van de terzake geldende regels te verbeteren zal de Commissie aan de hand van de gegevens die de lidstaten haar doorgeven, de lijst van de betrokken overeenkomsten bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie .

(21 20 ) Aangezien het doel van het voorgenomen optreden, namelijk een betere voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken - hetgeen strikt eenvormige regels vereist die zijn vastgelegd in een dwingend en rechtstreeks toepasselijk communautair rechtsinstrument -, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten, die immers geen eenvormige regels op communautair niveau kunnen uitvaardigen, en dit doel derhalve vanwege zijn gevolgen in de gehele Gemeenschap beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap conform het door artikel 5 van het Verdrag bekrachtigde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel genoemde evenredigheidsbeginsel gaat de verordening, die de rechtszekerheid vergroot zonder evenwel een harmonisatie van de materiële voorschriften van intern recht op te leggen, niet verder dan wat nodig is om het gestelde doel te bereiken.

(22 21 ) [ Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van deze verordening ./ Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming van deze verordening, die derhalve deze twee lidstaten niet bindt.]

(23 22 ) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening, die derhalve deze lidstaat niet bindt,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I - Toepassingsgebied

Artikel 1 - Materiële werkingssfeer

1. Deze verordening is, in gevallen waarin tussen het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op niet-contractuele verbintenissen op burgerlijk en handelsgebied.

Ze is niet van toepassing op fiscaal, administratief of douanegebied.

2. Uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening zijn:

a) niet-contractuele verbintenissen uit familiebetrekkingen of daarmee gelijkgestelde betrekkingen die krachtens het daarop toepasselijke recht vergelijkbare gevolgen hebben, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen;

b) niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het huwelijksvermogensrecht en het erfenisrecht of uit regelingen die krachtens het daarop toepasselijke recht vergelijkbare gevolgen hebben ;

c) niet-contractuele verbintenissen uit wisselbrieven, cheques, orderbriefjes alsmede andere verhandelbare waardepapieren, voorzover de verbintenissen uit deze andere papieren het gevolg zijn van hun verhandelbaarheid;

d) de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de schulden van een vennootschap, een vereniging of een rechtspersoon en de persoonlijke aansprakelijkheid van de met het wettelijke toezicht op de boekhoudkundige bescheiden belaste personen niet-contractuele verbintenissen, met name de aansprakelijkheid van de vennoten, de organen en de met het wettelijke toezicht op de boekhoudkundige bescheiden van een vennootschap, een vereniging of een rechtspersoon belaste personen, op voorwaarde dat deze het voorwerp uitmaken van een specifieke regeling in het kader van het vennootschapsrecht of van andere specifieke bepalingen die op deze personen van toepassing zijn ;

e) niet-contractuele verbintenissen die zijn ontstaan uit de betrekkingen tussen de oprichters, de trustees en de begunstigden van een trust die vrijwillig in het leven is geroepen en waarvan het bewijs schriftelijk wordt geleverd ;

f) niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een kernongeval.

g) niet-contractuele verbintenissen die zijn ontstaan in het kader van de overheidsaansprakelijkheid voor handelingen in de uitoefening van het overheidsgezag (“acta iure imperii”);

h) de door de media gepleegde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten;

i) het bewijs en de rechtspleging, behoudens het bepaalde in artikel 19.

3. Binnen het bestek van deze verordening wordt onder "lidstaten" verstaan: alle lidstaten behalve [het Verenigd Koninkrijk, Ierland en] Denemarken.

Artikel 2 - Universeel karakter Toepassing van het recht van een derde land

Het door deze verordening aangewezen recht is toepasselijk ongeacht of dit het recht van een lidstaat is.

Artikel 3 – Verhouding tot andere bepalingen van Gemeenschapsrecht

1. Deze verordening laat de toepassing of vaststelling van besluiten van de instellingen van de Europese Gemeenschappen onverlet:

a) die voor bijzondere gebieden regels bevatten voor de oplossing van wetsconflicten met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen, of

b) die regels vaststellen die van toepassing zijn ongeacht welk nationaal recht krachtens deze verordening de betrokken niet-contractuele verbintenis beheerst, of

c) die in de weg staan aan de toepassing van een bepaling of bepalingen van het recht van het land van de rechter of het door deze verordening aangewezen recht.

d) die regels vatstellen die moeten bijdragen aan de goede werking van de interne markt, voorzover zij niet in combinatie met het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen recht kunnen worden toegepast.

Hoofdstuk II - Uniforme regels

Afdeling 1 REGELS INZAKE NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT EEN ONRECHTMATIGE DAAD RECHTSKEUZE DOOR DE PARTIJEN

Artikel 3 – Algemene regel Artikel 4 – Rechtskeuze door de partijen

1. De partijen kunnen in een overeenkomst die wordt gesloten na het ontstaan van hun geschil, overeenkomen de niet-contractuele verbintenis te onderwerpen aan het recht dat zij kiezen. Deze keuze moet uitdrukkelijk geschieden of ondubbelzinnig uit de omstandigheden van de zaak blijken. Zij mag geen afbreuk doen aan de rechten van derden.

2. Wanneer alle partijen een handelsactiviteit uitoefenen, mag een dergelijke keuze ook worden vastgelegd in een vrijelijk overeengekomen beding voordat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

3. De rechtskeuze van de partijen laat, wanneer alle overige elementen van het geval op het tijdstip waarop de schade ontstaat, in een ander land waren gelokaliseerd dan dat waarvan het recht is gekozen, de toepassing onverlet van de bepalingen waarvan volgens het recht van eerstbedoeld land niet bij overeenkomst mag worden afgeweken (hierna “dwingende bepalingen” genoemd).

4. De keuze door de partijen van het recht van een derde land laat, wanneer alle overige elementen van het geval op het tijdstip waarop de schade ontstaat in een of meer lidstaten gelokaliseerd waren, de toepassing onverlet van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht.

AFDELING 2ALGEMENE REGEL VOOR NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT EEN ONRECHTMATIGE DAAD

Artikel 5 – Algemene regel

1. Bij gebrek aan rechtskeuze in de zin van artikel 4, is H het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis , is het recht van het land waar de schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welk(e) land(en) sprake is van indirecte gevolgen van de schade.

2. Wanneer evenwel de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en de persoon die schade lijdt, hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, wordt de niet-contractuele verbintenis beheerst door het recht van dit land.

3. Wanneer, in weerwil van de leden 1 en 2, uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de niet-contractuele verbintenis kennelijk nauwere banden met een ander land heeft, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land kan met name berusten op een reeds bestaande betrekking tussen de partijen, zoals een contract dat een nauwe band heeft met de desbetreffende niet-contractuele verbintenis. Bij de beoordeling van het bestaan van kennelijk nauwere banden met een ander land, kan met name rekening worden gehouden met de verwachtingen van de partijen wat het toepasselijke recht betreft.

AFDELING 3REGELS VOOR DE NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT BEPAALDE BIJZONDERE SOORTEN VAN ONRECHTMATIGE DAAD

ARTIKEL 4 6 - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken

Onverminderd artikel 3 5 , leden 2 en 3, is met betrekking tot een niet-contractuele verbintenis ingeval van schade of mogelijke schade die wordt veroorzaakt door een product met gebreken, het toepasselijke recht dat van het land waar de persoon die schade lijdt zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de schade ontstaat , tenzij de persoon die aansprakelijk wordt gesteld kan aantonen dat het product in dat land zonder zijn toestemming op de markt is gebracht; in dat geval is het toepasselijke recht dat van het land waar de persoon die aansprakelijk wordt gesteld zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 5 - Oneerlijke concurrentie Artikel 7 – Oneerlijke handelspraktijken

1. Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een daad van oneerlijke concurrentie handelspraktijk is het door artikel 5, lid 1, aangewezen recht van toepassing van . Het land waar de schade is ontstaan of dreigt te ontstaan is het land waar de concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen van consumenten rechtstreeks en aanzienlijk worden geschaad of dreigen te worden geschaad.

2. Indien een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, is ook artikel 3 5 , leden 2 en 3, van toepassing.

Artikel 6 - Inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijkheidsrechten

1. Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of de persoonlijkheidsrechten, is het recht van toepassing van het land van de rechter die zich erover uitspreekt, indien de toepassing van het door artikel 3 aangewezen recht strijdig zou zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van het land van de rechter inzake vrijheid van meningsuiting en van nieuwsgaring.

2. Ten aanzien van het recht van antwoord of soortgelijke maatregelen is het recht van toepassing van het land waar de omroeporganisatie of de dagbladuitgeverij haar gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 7 - Milieu-inbreuk Artikel 8 – Milieuschade

Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een milieu-inbreuk milieuschade of op schade aan personen of goederen die uit dergelijke schade voortvloeit , is het recht van toepassing dat door artikel 3 5 , lid 1, wordt aangewezen, tenzij de persoon die schade lijdt ervoor kiest zijn aanspraken te baseren op het recht van het land op welks grondgebied de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Artikel 8 9 - Inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten

1. Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, is het recht van toepassing van het land waarvoor de bescherming is gevraagd.

2. Op een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een inbreuk op een eengemaakt communautair industriële-eigendomsrecht, is de desbetreffende communautaire verordening van toepassing. Voor elke aangelegenheid die niet geregeld is door die verordening, is het recht van toepassing van de lidstaat waar inbreuk is gemaakt op dit recht.

3. In weerwil van de afdelingen 1, 2 en 4, regelt dit artikel alle niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht.

AFDELING 2 REGELS INZAKE NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT EEN FEIT DAT GEEN ONRECHTMATIGE DAAD IS

Artikel 9 – Bepaling van het toepasselijke recht

AFDELING 4BIJZONDERE REGELS VOOR NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT ONGEGRONDE VERRIJKING OF ZAAKWAARNEMING

Artikel 10 – Ongegronde verrijking

1. Wanneer een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit een feit dat geen onrechtmatige daad is die berust op een ongegronde verrijking, met inbegrip van de onverschuldigde betaling , verband houdt met een eerder bestaande betrekking tussen de partijen, zoals een contract of een onrechtmatige daad zoals bedoeld in de afdelingen 2 en 3, dat die nauw samenhangt met de niet-contractuele verbintenis, is het recht van toepassing dat deze betrekking beheerst.

2. Onverminderd het bepaalde in Wanneer het toepasselijke recht niet kan worden bepaald op basis van lid 1, is, en wanneer de partijen hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade ontstaat , waar de gebeurtenis die leidt tot de ongegronde verrijking, plaatsvindt, is op de niet-contractuele verbintenis het recht van dit land van toepassing.

3. Onverminderd het bepaalde in Wanneer het toepasselijke recht niet kan worden bepaald op basis van de leden 1 en 2, is op een niet-contractuele verbintenis die op ongegronde verrijking berust, het recht van toepassing van het land waar de gebeurtenis die leidt tot de ongegronde verrijking, zich voornamelijk heeft voorgedaan.

4. Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2, is op een niet-contractuele verbintenis die uit zaakwaarneming voortvloeit, het recht van toepassing van het land waar de belanghebbende op het ogenblik van de zaakwaarneming zijn gewone verblijfplaats had. Wanneer een niet-contractuele verbintenis die uit zaakwaarneming voortvloeit evenwel betrekking heeft op de fysieke bescherming van een persoon of op de bescherming van een bepaalde lichamelijke zaak, is het recht van toepassing van het land waar de persoon of de zaak zich op het ogenblik van de zaakwaarneming bevond.

5. In weerwil van de leden 1, 2, 3 en 4, is, wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de niet-contractuele verbintenis kennelijk nauwere banden heeft met een ander land, het recht van dit land van toepassing.

6. In weerwil van het bepaalde in dit artikel vallen alle niet-contractuele verbintenissen op het gebied van intellectuele eigendom onder de toepassing van artikel 8.

4. Wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de niet-contractuele verbintenis een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het land waarvan het recht op grond van de leden 1 tot en met 3 is aangewezen, is het recht van dat andere land van toepassing.

Artikel 1 1 – Zaakwaarneming

1. Wanneer een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit zaakwaarneming verband houdt met een eerder bestaande betrekking tussen de partijen, zoals een contract of een onrechtmatige daad zoals bedoeld in de afdelingen 2 en 3, die nauw samenhangt met de niet-contractuele verbintenis, is het recht van toepassing dat deze betrekking beheerst.

2. Wanneer het toepasselijke recht niet kan worden bepaald op basis van lid 1 en wanneer de partijen hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop het schadebrengende feit plaatsvindt, is het recht van dat land van toepassing op die niet-contractuele verbintenis.

3. Wanneer het toepasselijke recht niet kan worden bepaald op basis van de leden 1 en 2, is op een niet-contractuele verbintenis die op zaakwaarneming berust, het recht van toepassing van het land waar de handeling van de zaakwaarnemer plaatsvond.

4. Wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de niet-contractuele verbintenis een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het land waarvan het recht op grond van de leden 1 tot en met 3 is aangewezen, is het recht van dat andere land van toepassing.

AFDELING 3 GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS INZAKE NIET-CONTRACTUELE VERBINTENISSEN DIE VOORTVLOEIEN UIT EEN ONRECHTMATIGE DAAD DAN WEL UIT EEN FEIT DAT GEEN ONRECHTMATIGE DAAD IS

Artikel 10 – Rechtskeuze door de partijen

1. Behalve ten aanzien van niet-contractuele verbintenissen die onder artikel 8 vallen, kunnen de partijen in een overeenkomst die wordt gesloten na het ontstaan van hun geschil, overeenkomen de niet-contractuele verbintenis te onderwerpen aan het recht dat zij kiezen. Deze keuze moet uitdrukkelijk geschieden of ondubbelzinnig uit de omstandigheden van de zaak blijken. Zij mag geen afbreuk doen aan de rechten van derden.

2. De rechtskeuze van de partijen laat, wanneer alle overige elementen van het geval op het tijdstip waarop de schade ontstaat, in een ander land waren gelokaliseerd dan dat waarvan het recht is gekozen, de toepassing onverlet van de bepalingen waarvan volgens het recht van eerstbedoeld land niet bij overeenkomst mag worden afgeweken.

3. De keuze door de partijen van het recht van een derde land laat, wanneer alle overige elementen van het geval op het tijdstip waarop de schade ontstaat in een of meer lidstaten van de Europese Gemeenschap gelokaliseerd waren, de toepassing onverlet van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht.

AFDELING 5GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

ARTIKEL 11 12 – Werkingssfeer van het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis

Het recht dat ingevolge de artikelen 3 4 tot en met 10 11 van deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, beheerst met name:

a) de voorwaarden en de omvang van de aansprakelijkheid, met inbegrip van het bepalen van de personen die kunnen worden aangesproken voor de handelingen die zij stellen;

b) de gronden tot uitsluiting van aansprakelijkheid, alsook elke beperking en verdeling van aansprakelijkheid;

c) het bestaan en de aard van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt;

d) binnen de grenzen van de bevoegdheden waarover hij op grond van zijn procesrecht beschikt, de maatregelen die de rechter kan treffen om schade of verdere schade te voorkomen of om de schade te herstellen;

e) de begroting van de schade, voorzover daarop rechtsregels van toepassing zijn;

f) de mogelijkheid tot overdracht of overgang van het recht op schadevergoeding ; , met name door erfopvolging of cessie;

g) het bepalen van de personen die recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade;

h) de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen;

i) de diverse wijzen van tenietgaan van verbintenissen, alsmede de verjaringen en déchéances, gegrond op het verstrijken van een termijn, met inbegrip van de aanvang, de stuiting en de schorsing van de termijnen.

Artikel 12 13 – Bepalingen van bijzonder dwingend recht

21. De bepalingen van deze verordening laten de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die het geval dwingend beheersen, ongeacht welk recht op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is.

1.2. Bij de toepassing ingevolge deze verordening van het recht van een bepaald land kan uitwerking worden gegeven aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmede het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van het laatstgenoemde land toepasselijk zijn ongeacht het recht dat de niet-contractuele verbintenis beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen uitwerking moet worden gegeven, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing ervan zouden voortvloeien.

Artikel 13 14 – Veiligheidsvoorschriften en gedragsregels

Ongeacht welk recht toepasselijk is, wordt bij het bepalen van de aansprakelijkheid feitelijk en voorzover passend, rekening gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht waren op het tijdstip waarop en de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Artikel 14 15 – Rechtstreekse vordering op de verzekeraar van de aansprakelijke persoon

Het recht van de De persoon die schade lijdt, kan om een rechtstreekse vordering in te stellen instellen tegen de verzekeraar van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, wanneer in een dergelijke vordering is voorzien wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis, tenzij de persoon die schade lijdt ervoor kiest zijn aanspraken te baseren op of door het recht dat van toepassing is op het verzekeringscontract.

Artikel 15 16 – Wettelijke S s ubrogatie

1. Wanneer een persoon, de schuldeiser, op grond van een niet-contractuele verbintenis rechten heeft jegens een andere persoon, de schuldenaar, en een derde verplicht is de schuldeiser te voldoen, dan wel wanneer die derde de schuldeiser op grond van de genoemde verplichting reeds heeft voldaan, bepaalt het recht dat op deze verplichting van de derde van toepassing is, of die de rechten die de schuldeiser jegens de schuldenaar heeft overeenkomstig het recht dat hun betrekkingen beheerst, kan uitoefenen en, zo ja, in welke mate.

2. Hetzelfde geldt, wanneer eenzelfde verplichting op verschillende personen rust en één van hen de schuldeiser heeft voldaan.

Wanneer een derde, bijvoorbeeld een verzekeraar, verplicht is een schuldeiser van een niet-contractuele verbintenis te voldoen, wordt het verhaalrecht van deze derde jegens de schuldenaar van de niet-contractuele verbintenis beheerst door het recht dat van toepassing is op de voldoeningsverplichting van deze derde die bijvoorbeeld voortvloeit uit een verzekeringsovereenkomst.

Artikel 16 17- Gezamenlijke verbintenissen

Wanneer een schuldeiser rechten heeft jegens meerdere schuldenaars die hoofdelijk aansprakelijk zijn, en wanneer een van deze schuldenaars de schuldeiser reeds heeft voldaan, wordt het recht van deze schuldenaar om zich tot de andere schuldenaars te wenden, beheerst door het recht dat van toepassing is op de verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser.

Artikel 18 – Vorm

Een eenzijdige rechtshandeling met betrekking tot een niet-contractuele verbintenis is naar de vorm geldig, indien zij voldoet aan de vormvereisten van het recht dat de niet-contractuele verbintenis beheerst, of van het recht van het land waar deze rechtshandeling is verricht.

Artikel 17 19 – Bewijs

1. Het recht dat ingevolge deze verordening de niet-contractuele verbintenis beheerst, is van toepassing voorzover het ten aanzien van niet-contractuele verbintenissen wettelijke vermoedens vestigt of regels inzake de verdeling van de bewijslast omvat.

2. Rechtshandelingen kunnen worden bewezen door elk middel dat is toegelaten door het recht van het land van de rechter of door een van de in artikel 16 18 bedoelde rechtsstelsels volgens hetwelk de rechtshandeling naar de vorm geldig is, voorzover het bewijs op deze wijze kan worden geleverd voor de rechter bij wie de zaak aanhangig is.

Hoofdstuk III - Overige bepalingen

Artikel 18 - Gelijkstelling met het grondgebied van een staat

Voor de toepassing van deze verordening worden met het grondgebied van een staat gelijkgesteld :

a) de installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, aanwezig in, op of boven het buiten de territoriale grens van die staat gelegen deel van de zeebodem voor zover die staat daar op grond van het internationale recht soevereine rechten mag uitoefenen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen;

b) een zich op volle zee bevindend schip dat door of vanwege die staat teboekgesteld is of van een zeebrief of daarmee gelijk te stellen document is voorzien, dan wel bij gebreke van enige teboekstelling, zeebrief of daarmee gelijk te stellen document, toebehoort aan een onderdaan van die staat;

c) een zich in het luchtruim bevindend luchtvaartuig dat door of vanwege die staat teboekgesteld is of in het nationaliteitsregister van die staat is ingeschreven, dan wel bij gebreke van enige teboekstelling of inschrijving in het nationaliteitsregister, toebehoort aan een onderdaan van die staat.

Artikel 19 20 – Gelijkstelling met de gewone verblijfplaats

1. De belangrijkste vestiging van een vennootschap, vereniging of rechtspersoon geldt als gewone verblijfplaats. Wanneer echter het feit dat de verbintenis doet ontstaan, is gepleegd of de schade is geleden bij de exploitatie van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging, geldt deze vestiging als gewone verblijfplaats.

2. Wanneer het feit dat de verbintenis doet ontstaan, zich voordoet of de schade is ontstaan bij de uitoefening van de beroepsactiviteit van een natuurlijke persoon, geldt de belangrijkste bedrijfsvestiging als gewone verblijfplaats.

3. Voor de toepassing van artikel 6, lid 2, geldt de plaats waar de omroeporganisatie gevestigd is in de zin van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, als gewone verblijfplaats.

Artikel 20 21 – Uitsluiting van herverwijzing

Wanneer deze verordening de toepassing van het recht van een land voorschrijft, worden daaronder verstaan de rechtsregels die in dat land gelden met uitsluiting van de regels van internationaal privaatrecht.

Artikel 21 22 – Staten met meer dan één rechtssysteem

1. Indien een staat uit meer dan één territoriale eenheid bestaat en elke eenheid daarvan eigen rechtsregels inzake niet-contractuele verbintenissen bezit, wordt voor het bepalen van het overeenkomstig deze verordening toe te passen recht elke territoriale eenheid als een land beschouwd.

2. Een staat waarbinnen verschillende territoriale eenheden eigen rechtsregels inzake niet-contractuele verbintenissen bezitten, is niet verplicht deze verordening toe te passen in gevallen waarin uitsluitend rechtsregels van deze territoriale eenheden voor toepassing in aanmerking komen.

Artikel 22 23 – Openbare orde van het land van de rechter

De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht kan slechts terzijde worden gesteld, indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter. Als onverenigbaar met de openbare orde van het land van de rechter kan met name worden beschouwd, de toepassing krachtens deze verordening van recht dat zou leiden tot het toekennen van schadevergoeding die geen vergoedend karakter heeft en waarvan het bedrag buitensporig zou zijn.

Artikel 23 24 - Verhouding tot andere bepalingen van Gemeenschapsrecht internationale overeenkomsten

1. Deze verordening laat de toepassing onverlet van de bepalingen die in de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen of in de besluiten van de instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn opgenomen en: Deze verordening laat de toepassing onverlet van internationale multilaterale overeenkomsten waarbij de lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening partij zijn en waarbij op bijzondere gebieden met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen de gevallen waarin tussen het recht van verschillende landen moet worden gekozen en die overeenkomstig artikel 25 aan de Commissie worden bezorgd, worden geregeld.

- die voor bijzondere gebieden regels bevatten voor de oplossing van wetsconflicten met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen, of

- die regels vaststellen die van toepassing zijn ongeacht welk nationaal recht krachtens deze verordening de betrokken niet-contractuele verbintenis beheerst, of

- die in de weg staan aan de toepassing van een bepaling of bepalingen van het recht van het land van de rechter of het door deze verordening aangewezen recht.

2. Deze verordening laat de communautaire instrumenten onverlet die, voor bijzondere gebieden, en op het terrein dat wordt gecoördineerd door genoemde instrumenten, de levering van goederen of diensten onderwerpen aan de verplichting tot naleving van de nationale bepalingen die van toepassing zijn op het grondgebied van de lidstaat waar de dienstverrichter gevestigd is en die, op het gecoördineerde terrein, slechts onder welbepaalde voorwaarden een eventuele beperking van het vrije verkeer van diensten afkomstig uit een andere lidstaat toestaan.

Artikel 24 - Schadevergoeding die geen vergoedend karakter heeft

De toepassing van een bepaling van het door deze verordening aangewezen recht, die zou leiden tot de toekenning van een schadevergoeding die geen vergoedend karakter heeft, zoals schadevergoedingen die als voorbeeld of als straf zijn bedoeld, is strijdig met de communautaire openbare orde.

Artikel 25 – Verhouding tot bestaande internationale overeenkomsten

Deze verordening laat de toepassing onverlet van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening partij zijn en waarbij op bijzondere gebieden met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen de gevallen waarin tussen het recht van verschillende landen moet worden gekozen, worden geregeld.

2. Indien echter alle relevante elementen van het geval op het tijdstip waarop de schade ontstaat, in een of meer lidstaten waren gelokaliseerd, heeft deze verordening voorrang op de volgende overeenkomsten:

- Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg;

- Verdrag van Den Haag van 2 oktober 1973 inzake de wet welke van toepassing is op aansprakelijkheid voor producten met gebreken.

Hoofdstuk IV - Slotbepalingen

Artikel 25 - Lijst van overeenkomsten als bedoeld in artikel 24

1. De lidstaten bezorgen uiterlijk op 30 juni 2004 …. aan de Commissie de lijst van de overeenkomsten als bedoeld in artikel 25. Na die datum delen de lidstaten aan de Commissie elke opzegging van die overeenkomsten mee.

2. De Commissie maakt de in lid 1 bedoelde lijst van overeenkomsten binnen zes maanden na ontvangst van de volledige deze lijst in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend .

Artikel 26 - Uitvoeringsverslag

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening. Dit verslag gaat eventueel vergezeld van voorstellen tot wijziging van de verordening.

In haar verslag schenkt de Commissie bijzondere aandacht aan de manier waarop vreemd recht voor de rechtbanken van de verschillende lidstaten in de praktijk wordt behandeld. Desgevallend bevat het verslag aanbevelingen met betrekking tot de wenselijkheid van een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de toepassing van vreemd recht.

In het verslag wordt ook aandacht geschonken aan de vraag of er een specifieke communautaire wetgeving nodig is op het gebied van het recht dat van toepassing is op verkeersongevallen.

Artikel 27 - Inwerkingtreding en toepassing in de tijd

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005 …. .

Zij is van toepassing op niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit feiten die zich na haar inwerkingtreding hebben voorgedaan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, […]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

[1] COM(2003)427 def. - 2003/0168(COD); nog niet in het PB gepubliceerd.

[2] PB C 241 van 28.9.2004, blz. 1.

[3] A6-0211/2005.

[4] PB C van , blz. Nog niet in het PB gepubliceerd .

[5] PB C 241 van 28.9.2004 , blz. 1 .

[6] Advies van het Europees Parlement van […] (PB C van , blz. ) 6 juli 2005 .

[7] Actieplan van de Raad en de Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd, PB C 19 van 23.1.1999, blz. 1.

[8] Conclusies van het voorzitterschap van 16 oktober 1999, punten 28 tot en met 39.

[9] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1.

[10] PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

[11] PB C 12 van 16.1.2001, blz. 1.

[12] Voor de tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij de diverse toetredingsverdragen, de verklaringen en aangehechte protocollen, zie de geconsolideerde versie in PB C 27 van 26.1.1998, blz. 34.

[13] Voor de tekst van het Verdrag, zoals gewijzigd bij de diverse toetredingsverdragen, de verklaringen en aangehechte protocollen, zie de geconsolideerde versie in PB C 27 van 26.1.1998, blz. 34.

[14] PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29, zoals gewijzigd bij Richtlijn 34/1999/EG van 10 mei 1999, PB L 141 van 4.6.1999, blz. 20.

[15] PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

[16] PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

Top