Dit document is overgenomen van EUR-Lex
Document 52006DC0356
Communication from the Commission to the European Parliament and the Council on judicial training in the European Union
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de justitiële opleiding in de Europese Unie
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de justitiële opleiding in de Europese Unie
/* COM/2006/0356 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 29.06.2006 COM(2006) 356 definitief MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de justitiële opleiding in de Europese Unie MEDEDELING VAN DE CO MMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de justitiële opleiding in de Europese Unie Inleiding 1. Na de aanneming van het Verdrag van Amsterdam en in het verlengde van de daarin opgenomen nieuwe doelstelling van de totstandbrenging van een “ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid”, is de justitiële opleiding een nieuwe uitdaging voor de Unie. In de EU bestaat al sinds lang de behoefte aan een opleiding op hoog niveau voor de beoefenaars van juridische beroepen omdat de nationale rechtsstelsels een onmisbare schakel zijn voor de correcte toepassing van het Gemeenschapsrecht. Reeds altijd dienden rechters, openbare aanklagers en advocaten met deze materie vertrouwd te zijn om de Gemeenschapswetgeving correct te kunnen toepassen en de eerbiediging van de door het Verdrag erkende fundamentele vrijheden te kunnen waarborgen[1]. Met de aanneming van het Verdrag van Amsterdam is justitie, die tot dan toe slechts een middel was voor de toepassing van het Gemeenschapsrecht op het grondgebied van de Gemeenschap, echter een doel op zich geworden. De verbetering van de justitiële samenwerking is thans een te bereiken doel. Justitiële opleiding is een onmisbaar instrument om dat doel te verwezenlijken. 2. Na meerdere jaren van ontwikkeling van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is deze kwestie cruciaal geworden. Justitiële opleiding is immers steeds belangrijker omdat er steeds meer regelgeving is aangenomen die nu door de beoefenaars van juridische beroepen moet worden toegepast en voorts omdat het beginsel van wederzijdse erkenning is ontwikkeld, dat voornamelijk is gebaseerd op een hoog niveau van wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsel. 3. In het “Haags programma”[2], dat in november 2004 door de Europese Raad is aangenomen, wordt erop aangedrongen het wederzijdse vertrouwen te versterken. Dit “vergt een nadrukkelijke inspanning om het wederzijdse begrip tussen justitiële autoriteiten en verschillende rechtsstelsels te verbeteren”. In het verlengde van de Europese Raad van Laken van december 2001[3], die ertoe opriep “spoedig een Europees netwerk op te richten met het oog op de bevordering van de opleiding van magistraten, waardoor het vertrouwen tussen de personen die bij justitiële samenwerking betrokken zijn, zal toenemen”, wordt in het Haags programma gesteld dat de Unie met name moet voortbouwen op het Europees netwerk voor justitiële opleiding. Onderhavige mededeling is een reactie op het verzoek aan de Commissie “om op basis van de bestaande structuren zo spoedig mogelijk een voorstel op te stellen, voor een effectief Europees opleidingsnetwerk voor justitiële autoriteiten op zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk gebied, zulks overeenkomstig de artikelen III-269 en III-270 van het constitutioneel verdrag”; ook in het Actieplan ter uitvoering van het Haags programma[4] wordt er gewag gemaakt van de oprichting van een opleidingsnetwerk. 4. In het Haags programma wordt voorts beklemtoond dat er een nauw verband bestaat tussen het wederzijdse vertrouwen en de ontwikkeling van een “Europese justitiële cultuur”, die onder meer door opleiding moet worden versterkt. Voor de ontwikkeling van deze Europese justitiële cultuur is het nodig dat de beoefenaars van juridische beroepen het gevoel hebben tot een gemeenschappelijke rechtsruimte te behoren. Naast de verscheidenheid en rijkdom van de nationale rechtsstelsels wordt deze rechtsruimte met name gekenmerkt door gemeenschappelijke fundamentele waarden die zijn opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook door een gedeeld rechtscorpus dat ook het Gemeenschapsrecht en het recht van de Unie omvat. De ontwikkeling van het beginsel van wederzijdse erkenning, waardoor in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissingen snel en probleemloos in de andere lidstaten ten uitvoer kunnen worden gelegd, vereist de versterking van dit samenhorigheidsgevoel en draagt tegelijkertijd bij aan het consolideren van dit gevoel. In dit verband kan ook worden verwezen naar het beginsel van het rechtstreekse contact tussen de justitiële autoriteiten, dat in de meeste instrumenten inzake justitiële samenwerking is neergelegd. 5. Er bestaan vele en uiteenlopende juridische beroepen. Deze mededeling heeft vooral betrekking op de opleiding van rechters en openbare aanklagers, die onder de directe bevoegdheid van de staten vallen, maar ook op de opleiding van advocaten, hoewel die onder de bevoegdheid van beroepsorganisaties vallen. In deze mededeling wordt eerst geanalyseerd hoe de justitiële opleiding in de lidstaten is georganiseerd en hoe de Europese Unie met name via haar financieringsprogramma’s deze opleiding ondersteunt; vervolgens worden de uitgangspunten voor een toekomstige Europese strategie inzake justitiële opleiding geschetst. De justitiële opleiding in de Europese Unie Aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten 6. De stelsels inzake justitiële opleiding hangen nauw samen met de rechterlijke organisatie van de lidstaten en vertonen onderling grote verschillen. Het beslissende criterium in dit verband is de wijze waarop rechters, openbare aanklagers en advocaten worden gerekruteerd. 7. De grondigheid van de basisopleiding van rechters en soms ook van openbare aanklagers hangt af van het feit of zij onmiddellijk na hun universitaire opleiding worden gerekruteerd dan wel pas na enkele jaren beroepservaring. Voortgezette opleiding bestaat in bijna alle lidstaten maar is niet overal even ontwikkeld. 8. De nationale opleidingsstructuren weerspiegelen de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels. Afhankelijk van het systeem volgen rechters, advocaten en openbare aanklagers hetzelfde opleidingsprogramma dan wel onderscheiden opleidingsprogramma’s. Wat de rechters en openbare aanklagers betreft, wordt de justitiële opleiding naar gelang van de betrokken lidstaat georganiseerd door het ministerie van Justitie, de hoge raad van de magistratuur of van justitie, of in voorkomend geval door de diensten van de procureur-generaal van de staat wanneer er een strikte scheiding tussen de rechters en de openbare aanklagers bestaat, dan wel door gespecialiseerde instanties. In meerdere lidstaten[5] is één enkele instantie bevoegd voor de opleiding van rechters en openbare aanklagers, die wel tot onderscheiden beroepsgroepen kunnen behoren. De opleiding van advocaten wordt vaak rechtstreeks door de balies georganiseerd, eventueel in samenwerking met universiteiten. 9. Bij deze reflectie over de opleiding in Europa moet ook rekening worden gehouden met de administratieve rechters, ongeacht of zij tot dezelfde beroepsgroep behoren als de overige rechters, omdat zij een essentiële rol vervullen op gebieden zoals asiel en immigratie. In het algemeen werd rekening gehouden met alle soorten rechterlijke instanties – en dus ook met gespecialiseerde rechterlijke instanties (militaire rechters, buurtrechters of vrederechters, handelsrechters, enz.) - die gehouden kunnen zijn het Europees recht toe te passen. 10. Hoewel de Commissie op dit punt niet over volledige informatie beschikt, lijken er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen te bestaan inzake de duur van de opleidingen. Omdat de rekruteringssystemen onderling verschillen, kunnen in dit verband alleen de voortgezette opleidingen worden vergeleken. Soms hebben rechters, openbare aanklagers en advocaten geen gelijke toegang tot opleiding. Vanuit budgettair oogpunt, wordt de opleiding van rechters en openbare aanklagers bijna volledig gefinancierd met openbare middelen, terwijl de opleiding van advocaten door de balies wordt gefinancierd. 11. De Europese Unie mag zich niet mengen in de organisatie van de nationale opleidingsstelsels, die de juridische en gerechtelijke tradities van de lidstaten weerspiegelen. Toch is het voor de versterking van het wederzijdse vertrouwen nodig dat de opleidingsstelsels voldoende zijn ontwikkeld en dat daaraan voldoende middelen worden besteed. Aan rechters, advocaten en openbare aanklagers moet een kwalitatief gelijkwaardige opleiding worden verstrekt. De duur van de opleiding moet lang genoeg zijn om een hoog kwaliteitsniveau van het rechtsstelsel te waarborgen en om het mogelijk te maken in de opleidingsprogramma’s een belangrijke EU-component op te nemen. EU-financieringen mogen alleen worden gebruikt ter aanvulling van nationale financieringen en kunnen de lidstaten niet van hun verplichting ontslaan een hoogwaardige opleiding voor rechtspractici te organiseren. De Europese aspecten van de justitiële opleiding 12. De herhaaldelijk geuite politieke wil om de justitiële opleiding te versterken, heeft zich met name vertaald in financiële steun voor dergelijke opleidingen. Naast de Europese organisaties die bij justitiële opleiding zijn betrokken, hebben de nationale opleidingsinstanties een netwerk opgericht, dat ten doel heeft het wederzijdse vertrouwen te versterken. Steun van de Unie aan justitiële opleiding 13. Frankrijk heeft in november 2000 - na eerdere besprekingen op initiatief van Italië in 1991[6] - op het niveau van de Raad van ministers een wetgevingsinitiatief ingediend[7]. Op basis van deze tekst, die weliswaar niet is aangenomen, kon de Commissie de mogelijke mechanismen ter structurering van het Europees netwerk voor justitiële opleiding inventariseren[8]. Nog op basis van deze tekst heeft de Raad in juni 2003 conclusies aangenomen waarin erop wordt gewezen dat opleiding onontbeerlijk is voor een succesvolle totstandkoming van de ruimte van vrede, veiligheid en rechtvaardigheid, en waarin de lidstaten en de Commissie wordt verzocht het Europees netwerk voor justitiële opleiding te versterken. 14. Het Europees Parlement heeft naar aanleiding van het onderzoek van het initiatief van Frankrijk benadrukt dat het belangrijk is dat de rechtspractici een opleiding krijgen op het gebied van het Gemeenschapsrecht en het recht van de Unie[9]. Meer recentelijk heeft het Europees Parlement in zijn aanbeveling over de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van het strafrecht in de lidstaten[10] beklemtoond dat “scholing een sleutelrol speelt bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke justitiële cultuur en een cultuur van grondrechten in de Unie, met name via de activiteiten van het Europees netwerk voor justitiële opleiding”. 15. Naast deze politieke impulsen werd opleiding ook financieel ondersteund. Sinds 1996, het jaar waarin ten behoeve van de rechtspractici het eerste Grotius-programma[11] werd opgezet om “de wederzijdse kennis van de rechtsstelsels en gerechtelijke apparaten te stimuleren en de justitiële samenwerking (…) te vergemakkelijken”, heeft de Europese Unie via een reeks algemene en sectorale programma’s de opleiding van beoefenaars van juridische beroepen bevorderd[12]. 16. De wil van het Europees Parlement om opleiding te ondersteunen heeft zich vertaald in een proefproject om de uitwisseling tussen de justitiële autoriteiten te bevorderen. Dit programma wordt in 2006 voortgezet en werd opgenomen in de wetgevingsvoorstellen tot vaststelling van het kaderprogramma "Grondrechten en justitie"[13] voor de periode 2007-2013 (zie hieronder). In het kader van de onderdelen “Civiel recht” en “Strafrecht” van dit kaderprogramma zullen nog meer middelen voor justitiële opleiding worden uitgetrokken. 17. In 2005 zijn er in het kader van de door de Unie financieel ondersteunde opleidingsactiviteiten talrijke contacten tussen rechtspractici geweest[14]. Toch is het mogelijk dat er in het kader van de jaarlijkse oproepen tot het indienen van voorstellen soms eenmalige projecten worden gefinancierd die geen deel uitmaken van een groter geheel en waardoor langetermijnopleidingen in het gedrang kunnen komen. 18. Daarom moet het kaderprogramma “Grondrechten en justitie” het mogelijk maken meer Europese middelen voor justitiële opleiding uit te trekken en de prioriteiten van de Unie beter af te stemmen op de toekomstige opleidingen, zodat ambitieuzere en beter gecoördineerde projecten kunnen worden opgezet die voor Europa een reële toegevoegde waarde hebben. 19. Naast de financiële instrumenten kunnen de door de Unie opgezette samenwerkingsstructuren, zoals het burgerlijk justitieel netwerk alsook Eurojust en het strafrechtelijk justitieel netwerk, een belangrijke rol spelen op het gebied van opleiding door informatie te verspreiden over communautaire rechtsinstrumenten of door op lokaal niveau opleidingsactiviteiten te organiseren. Deze rol kan in de toekomst nog verder worden uitgebouwd. Opleidingsorganisaties met een Europese dimensie 20. Talrijke instituten organiseren regelmatig opleidingen voor beoefenaars van juridische beroepen. Naast de universiteiten kan in dit verband worden verwezen naar het Europees Instituut voor bestuurskunde (IEAP) te Maastricht, dat in 1992 in Luxemburg het Centre européen de la magistrature et des professions juridiques heeft opgericht. Ook de in 1992 opgerichte Academie voor Europees recht (ERA) te Trier heeft tot doel juristen en rechtspractici kennis bij te brengen over het Europees recht. De Europese Unie ondersteunt het IEAP en de ERA. 21. In 2000 hebben de nationale instituten die zijn belast met de justitiële opleiding in de lidstaten het Europees netwerk voor justitiële opleiding (REFJ) opgericht om hun onderlinge betrekkingen te versterken en hun activiteiten te coördineren. Het netwerk is een vereniging van nationale opleidingsinstituten[15], dat de volgende doeleinden heeft: ten behoeve van de leden van het gerechtelijk apparaat een opleidingsprogramma met een reële Europese dimensie ontwikkelen; samenwerken bij de analyse van de opleidingsbehoeften; ervaringen uitwisselen; gemeenschappelijke programma’s en instrumenten concipiëren. 22. Het netwerk is een nuttig instrument om de justitiële opleiding te ontwikkelen en om de activiteiten van de verschillende nationale instituten op het gebied van het EU-recht te coördineren. Het netwerk heeft in 2003 en 2005 exploitatiesubsidies uit de EU-begroting ontvangen. Ook het uitwisselingsprogramma voor magistraten 2005 wordt grotendeels door het netwerk gecoördineerd. De Commissie heeft voorgesteld om het netwerk in het raam van het kaderprogramma "Grondrechten en justitie" (specifiek programma “Strafrecht”) vanaf 2007 een jaarlijkse exploitatiesubsidie toe te kennen. Welke Europese maatregelen voor de justitiële opleiding? Doelstellingen en behoeften 23. De organisatie van de justitiële opleiding is in de eerste plaats de taak van de lidstaten, die bij hun nationale activiteiten ten volle rekening moeten houden met de Europese dimensie. De opleidingsbehoeften zijn groot. Op strafrechtelijk gebied werd er tijdens de eerste evaluatieronde over de wederzijdse rechtshulp in strafzaken met name gewezen op deze opleidingsbehoeften[16]. Ook Eurojust en het burgerlijk justitieel netwerk zijn reeds herhaaldelijk tot dezelfde conclusie gekomen. 24. In de eerste plaats moeten er op de volgende drie gebieden maatregelen worden genomen: 25. verbetering van de kennis van de door de Unie en de Gemeenschap vastgestelde rechtsinstrumenten, met name op de gebieden waarop er aan de nationale rechters specifieke bevoegdheden zijn toegekend[17]; 26. verbetering van de taalvaardigheden zodat de justitiële autoriteiten rechtstreeks met elkaar in contact kunnen treden zoals in de meeste rechtsinstrumenten is voorgeschreven; 27. verdieping van de kennis van de rechtsstelsels en gerechtelijke apparaten van de lidstaten om in het kader van de justitiële samenwerking de respectieve behoeften beter te kunnen inschatten. 28. Wat de methode betreft, moet met het oog op de correcte toepassing van de vastgestelde rechtsinstrumenten bij de opleiding vooral aandacht worden besteed aan praktische aspecten. Naast conferenties en seminars moeten er ook methoden worden ontwikkeld die een ruimere verspreiding van de resultaten van de opleidingsacties mogelijk maken. Daartoe moeten er meer opleidingen voor opleiders worden georganiseerd, met name om hen bewuster te maken van de Europese dimensie van justitie en om hen aan te sporen deze kennis te verspreiden. Het gebruik van ‘herbruikbare’ opleidingsinstrumenten die met name on line toegankelijk zijn, moet worden bevorderd. Dit geldt in het bijzonder voor de EU-instrumenten en de informatie over nationale rechtsstelsels waartoe rechtspractici toegang moeten hebben. Daarom is het wenselijk dat de nationale opleidingsorganisaties, de opleidingsorganisaties met een Europese dimensie en het REFJ en voorts ook Eurojust, het burgerlijk justitieel netwerk en het strafrechtelijk justitieel netwerk nauw samenwerken. Multidisciplinaire opleidingen, waarbij bijvoorbeeld rechters, openbare aanklagers, advocaten of politieambtenaren worden samengebracht, moeten het, onder eerbiediging van de nationale tradities, bovendien mogelijk maken standpunten met elkaar te confronteren en ervaringen uit te wisselen. 29. Rechtstreekse contacten tussen justitiële autoriteiten worden vaak bemoeilijkt door de gebrekkige talenkennis van de betrokkenen. Op dit gebied moeten er gerichte opleidingen worden georganiseerd voor met name rechtspractici die rechtstreeks bij de justitiële samenwerking zijn betrokken. 30. Uitwisselingsprogramma’s zijn een uitstekend instrument om onder eerbiediging van de nationale gevoeligheden gemeenschappelijke referenties te ontwikkelen. Zij kunnen worden aangevuld met voldoende lange stages bij het Hof van Justitie en Eurojust, op een wijze die in overleg met deze beide instanties wordt bepaald. 31. In het Haags programma wordt erop aangedrongen in de nationale opleidingsprogramma’s een Europese component te integreren. Daarbij moet er een onderscheid worden gemaakt op basis van het niveau van de basisopleiding in elke lidstaat. In het algemeen moet de basisopleiding toekomstige rechtspractici met name het gevoel bijbrengen dat zij tot dezelfde rechtsruimte behoren en dat zij dezelfde waarden delen. De voortgezette opleiding daarentegen moet de reeds ervaren rechtspractici vertrouwd maken met de rechtsinstrumenten van de Europese Unie. Voortgezette opleiding moet in de eerste plaats gericht zijn op rechtspractici die bij de justitiële samenwerking zijn betrokken, zonder uiteraard de bredere doelstelling van verspreiding van kennis uit het oog te verliezen. 32. De versterking van de Europese component van nationale opleidingen moet zorgen voor een ruimere verspreiding van de kennis over de EU-mechanismen. Daarnaast moet ook worden gezorgd voor een meer geïntegreerde opleiding, die op Europees niveau wordt geconcipieerd en georganiseerd. Het burgerlijk justitieel netwerk, Eurojust en het strafrechtelijk justitieel netwerk, alsook, indien het dit wenst, het Hof van Justitie moeten bij het concipiëren van dit soort opleidingen worden betrokken, zulks in samenwerking met het REFJ, en instituten zoals de ERA of het IEAP en academische netwerken. Naar een Europese strategie voor justitiële opleiding 33. De versterking van de justitiële opleiding impliceert dat er tussen de nationale instituten, de organisaties die op Europees niveau actief zijn en de instellingen van de Unie, met name de Commissie, nauwere betrekkingen tot stand worden gebracht. 34. In dit stadium wenst de Commissie - zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat er later nog een wetgevingsinstrument wordt aangenomen - de opleiding van rechtspractici op het gebied van het recht van de Unie en het Gemeenschapsrecht in de eerste plaats financieel te ondersteunen in het raam van het kaderprogramma "Grondrechten en justitie” voor de periode 2007-2013. 35. Bij de tenuitvoerlegging van dit kaderprogramma mogen niet dezelfde fouten worden gemaakt als bij de vorige programma's. Om ervoor te zorgen dat de financieringen voor opleiding daadwerkelijk zijn afgestemd op de werkelijke noden, en om de programmering van activiteiten op middellange en lange termijn te vergemakkelijken, zullen de belangrijkste actoren op het gebied van justitiële opleiding in de lidstaten en op Europees niveau regelmatig worden geraadpleegd met het oog op de uitstippeling van een Europese meerjarenstrategie voor opleiding, die vervolgens in de jaarprogramma’s verder zal worden uitgewerkt. 36. Naast de blijvende ondersteuning van Europese organisaties zoals het IEAP of de ERA, moet het REFJ worden versterkt om de coördinatie tussen nationale entiteiten te verbeteren en te zorgen voor sterke en stabiele betrekkingen tussen deze entiteiten. In dit verband is het belangrijk dat aan het REFJ jaarlijks een exploitatiesubsidie wordt toegekend, waarvan de daadwerkelijke uitbetaling uiteraard onderworpen is aan de in de financiële regelgeving vastgestelde voorwaarden. Het REFJ moet samen met de andere bevoegde organisaties ook worden betrokken bij het concipiëren van zuiver Europese programma’s. Het REFJ is een vereniging van instituten die zijn belast met de opleiding van rechters en – voorzover deze deel uitmaken van het gerechtelijk apparaat – van openbare aanklagers. Onder eerbiediging van de nationale tradities betreffende de scheiding tussen rechters en openbare aanklagers, moeten de openbare aanklagers aan alle door het REFJ op Europees niveau georganiseerde activiteiten kunnen deelnemen. Talrijke samenwerkingsmechanismen, met name op strafrechtelijk gebied, berusten immers op een goede samenwerking tussen de nationale openbare aanklagers onderling en tussen de openbare aanklagers en Eurojust. Ook de kwestie van de deelname van administratieve rechters en meer algemeen van gespecialiseerde rechters (bijvoorbeeld handelsrechters, arbeidsrechters, enz.) moet worden onderzocht. 37. Voorts moet ook de opleiding van andere beoefenaars van juridische beroepen, en met name van advocaten (die in het rechtsstelsel een cruciale rol spelen), worden uitgebouwd. Te hunnen behoeve kunnen er reeds maatregelen worden gefinancierd in het kader van de bestaande programma’s. Op grond van het toekomstige kaderprogramma “Grondrechten en justitie” zullen dergelijke maatregelen in de toekomst kunnen worden uitgebouwd om het evenwicht tussen de justitiële autoriteiten en de overige beoefenaars van juridische beroepen te bewaren. 38. Uit financieel oogpunt moet naar vereenvoudiging worden gestreefd om de Europese middelen beter te kunnen afstemmen op projecten voor specifieke doelgroepen (rechters, openbare aanklagers en advocaten). Met name de nationale instituten spelen daarbij een zeer belangrijke rol en hun rechtstreekse betrokkenheid moet ervoor zorgen dat de Europese component van de nationale programma’s wordt versterkt. Om de middellangetermijnplanning van activiteiten te vergemakkelijken kunnen partnerschapskaderovereenkomsten worden gesloten om de betrekkingen met geschikte instituten te stabiliseren; voor sommige grotere projecten kan sporadisch ook een aanbesteding worden uitgeschreven. 39. Tot slot moet de justitiële opleiding in een bredere internationale context worden geïntegreerd en samenwerking over de grenzen van de Unie heen mogelijk maken. Zij moet worden uitgebreid tot de Raad van Europa (het netwerk van Lissabon) en er bovendien toe bijdragen dat de justitiële samenwerking met derde landen wordt vergemakkelijkt en dat de rechtsstaat in de gehele wereld wordt uitgedragen. Conclusie 40. Zoals in het Haags programma werd beklemtoond, zal de justitiële opleiding in de komende jaren centraal staan bij de totstandbrenging van de Europese justitiële ruimte. Talrijke actoren moeten worden gemobiliseerd om daaraan mee te werken en het kaderprogramma "Grondrechten en justitie" moet daarbij een prominente rol spelen. Wat de in het Haags programma uitdrukkelijk gevraagde versterking van het Europees netwerk voor justitiële opleiding betreft, lijkt financiële ondersteuning in het huidige stadium daartoe het meest geschikte middel te zijn. Met betrekking tot de politieopleiding heeft de Unie voor een andere aanpak gekozen en een Europees orgaan, de EPA[18], opgericht. Hoewel een soortgelijke oplossing voor de justitiële opleiding momenteel niet opportuun lijkt, kan de kwestie of de Europese structuren voor justitiële opleiding een andere vorm moeten aannemen, na afloop van het kaderprogramma “Grondrechten en justitie” opnieuw worden onderzocht. 41. Door dit kaderprogramma aan te nemen en meer financiële steun toe te kennen aan justitiële opleiding kan de Unie bewijzen dat deze opleiding voor haar belangrijk is. De ontwikkeling van een Europese strategie voor justitiële opleiding, waarbij nationale en Europese actoren worden betrokken, moet het mogelijk maken de nieuwe middelen optimaal te besteden. In de huidige ontwikkelingsfase van de Europese justitiële ruimte is opleiding van rechtspractici van cruciaal belang om de bij de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid geboekte vooruitgang concreet vorm te geven en zichtbaar te maken voor de burgers van Europa. [1] Zie COM(1993) 632 def. [2] PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1. [3] SN(2001) 1200. [4] PB C 198 van 12.8.2005, blz. 1. [5] België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië; Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. [6] Doc. 9090/91 van 31 oktober 1991, JUR 107, COUR 13. [7] PB C 18 van 19.1.2001, blz. 9. [8] SEC(2002) 635. [9] Verslag van mevrouw Evelyne Gebhardt, A5-0276/2002, PB C 273 E van 14.11.2003, blz. 999. [10] P6-TA(2005)0030, PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 109. [11] Gemeenschappelijk optreden 96/636/JBZ van 28 oktober 1996 (PB L 287 van 8.11.1996). [12] Zie de programma’s STOP ( PB L 322 van 12.12.1996) en Falcone (PB L 99 van 31.3.1998) die in 2002 zijn gebundeld in het AGIS-programma ( PB L 203 van 1.8.2002); samenwerking in burgerlijke zaken (PB L 115 van 1.5.2002); het mededingingsrecht (Besluit 792/2004/EG van 21 april 2004) en sinds 2004 het Hercules-programma op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (PB L 143 van 30.4.2004). Pro memoria: Actie Robert Schuman (PB L 196 van 14.7.1998). [13] Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement tot vaststelling van een kaderprogramma met betrekking tot grondrechten en justitie voor de periode 2007-2013 (PB C 211 van 2005, blz. 6). [14] In 2005 hebben 1 000 rechters of openbare aanklagers deelgenomen aan een opleidingsactie die in het kader van het Europees netwerk voor justitiële opleiding in een andere lidstaat werd georganiseerd. [15] 23 lidstaten alsook Bulgarije en Roemenië zijn vertegenwoordigd. Er worden momenteel besprekingen gevoerd met Estland en Cyprus. Ook de ERA neemt deel en het in het kader van de Raad van Europa opgerichte netwerk van Lissabon is bij de REFJ-werkzaamheden betrokken. [16] PB C 216 van 1.8.2001, blz. 14. [17] Dit geldt voor specifieke rechtsgebieden zoals het mededingingsrecht (zie met name Verordening (EG) nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, die de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid toekent om deze artikelen toe te passen) maar in het algemeen ook voor het civiel recht en het strafrecht en meer bepaald voor de tenuitvoerlegging van het beginsel van wederzijdse erkenning. [18] Besluit 2005/681/JBZ van de Raad van 20 september 2005 tot oprichting van de Europese Politieacademie (EPA) en tot intrekking van Besluit 2000/820/JBZ (PB L 256 van 1.10.2005, blz. 63).