Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006AP0546

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot rectificatie van Richtlijn 2002/2/EG tot wijziging van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad betreffende het verkeer van mengvoeders (COM(2006)0340 - C6-0209/2006 - 2006/0117(COD))

PB C 317E van 23.12.2006, p. 166–166 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

52006AP0546

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot rectificatie van Richtlijn 2002/2/EG tot wijziging van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad betreffende het verkeer van mengvoeders (COM(2006)0340 - C6-0209/2006 - 2006/0117(COD))

Publicatieblad Nr. 317 E van 23/12/2006 blz. 0166 - 0166


20061223

P6_TC1-COD(2005)0246

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 december 2006 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2007 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 26, 95, 133 en 135,

Gelet op Protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal betreffende de Canarische eilanden en Ceuta en Melilla, en met name op artikel 9, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [1],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [2],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie. Het is zowel voor de bedrijven als voor de douaneautoriteiten in de Gemeenschap wenselijk dat de bestaande douanewetgeving in een communautair douanewetboek (hierna "het wetboek" genoemd) wordt samengebracht. Uitgaande van het gegeven van een interne markt dient het wetboek de algemene regels en procedures te bevatten voor de toepassing van de tariefmaatregelen en de andere maatregelen van gemeenschappelijk beleid die op communautair niveau zijn vastgesteld in het kader van het goederenverkeer tussen de Gemeenschap en landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap, rekening houdend met de vereisten van dat gemeenschappelijk beleid. Dit mag geen afbreuk doen aan bijzondere bepalingen die op andere gebieden zijn of kunnen worden vastgesteld in het kader van wetgeving onder meer op het gebied van landbouw, milieu, gemeenschappelijk handelsbeleid, statistiek of eigen middelen De douanewetgeving dient beter aan te sluiten bij de bepalingen inzake de heffing van belastingen bij de invoer, zonder dat het toepassingsgebied van de geldende fiscale bepalingen wordt gewijzigd.

(2) In overeenstemming met de mededeling van de Commissie betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen, fraudebestrijding en actieplan 2004-2005 [3] is het dienstig het juridisch kader voor de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap aan te passen.

(3) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek [4] was gebaseerd op de integratie van de douaneregelingen die de lidstaten elk apart in de jaren '80 toepasten. Deze verordening is sinds haar inwerkingtreding herhaaldelijk en substantieel gewijzigd om bepaalde problemen op te lossen, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede trouw of in verband met eisen op het gebied van de veiligheid. De belangrijke juridische ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan, zowel op communautair als op internationaal niveau, zoals het aflopen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de inwerkingtreding van de Akte van Toetreding op 1 mei 2004 alsook de wijziging van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures (hierna "de Overeenkomst van Kyoto" genoemd), waartoe de Gemeenschap bij Besluit 2003/231/EG van de Raad [5] is toegetreden, maken het noodzakelijk dat het wetboek verder wordt aangepast. De tijd is nu gekomen om de douaneregelingen te stroomlijnen en rekening te houden met het feit dat aangifte en afhandeling langs elektronische weg de regel is geworden, terwijl aangifte en afhandeling op papier de uitzondering vormt. Om al deze redenen volstaat het niet langer het huidige wetboek nog verder te wijzigen, maar dient het in zijn geheel te worden herzien.

(4) De facilitering van de legale handel en de strijd tegen de fraude vereisen eenvoudige, snelle en gestandaardiseerde douaneregelingen en -procedures. Het is derhalve dienstig om, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie betreffende eenvoudige en papierloze procedures voor de douanediensten en de marktdeelnemers [6], de douanewetgeving te vereenvoudigen en het gebruik van moderne instrumenten en technologieën toe te staan, teneinde de uniforme toepassing van de douanewetgeving verder te bevorderen, waardoor mede de basis wordt gelegd voor efficiënte en eenvoudige douaneprocedures. De douaneregelingen moeten worden samengevoegd of onderling worden afgestemd en alleen de economisch verantwoorde regelingen moeten behouden blijven, teneinde het concurrentievermogen van het bedrijfsleven te vergroten.

(5) De voltooiing van de interne markt, de afbouw van obstakels voor de internationale handel en investeringen, en de grotere noodzaak om de veiligheid en de zekerheid aan de buitengrenzen van de Gemeenschap te garanderen, hebben de rol van de douane ingrijpend gewijzigd, waardoor zij centraal is komen te staan in het globaliseringsproces en zij bij het toezicht op en het beheer van het internationale handelsverkeer als katalysator voor het concurrentievermogen van landen en bedrijven fungeert. De douanewetgeving moet derhalve recht doen aan de nieuwe economische realiteit en de nieuwe rol en missie van de douane.

(6) Het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (hierna "IT" genoemd) is niet essentieel voor de facilitering van de handel, maar ook voor de effectiviteit van douanecontroles, en vermindert aldus de kosten voor het bedrijfsleven en de risico's voor de maatschappij. Daarom dient als rechtsbeginsel te worden vastgesteld dat alle douane- en handelstransacties elektronisch moeten worden afgewikkeld en dat de IT-systemen voor de douaneafhandeling in iedere lidstaat dezelfde faciliteiten moeten bieden aan bedrijven.

(7) Dit gebruik van informatie- en communicatietechnologieën moet gepaard gaan met een harmonisering van de douanecontroles die op het hele grondgebied van de Gemeenschap doeltreffend moeten zijn en niet mogen leiden tot concurrentievervalsend gedrag op de verschillende ingangs- en uitgangspunten van het grondgebied.

(8) Om de handel te vergemakkelijken en tevens te zorgen voor een passende controle van goederen die het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, dient de door bedrijven verstrekte informatie, met inachtneming van de voorschriften inzake gegevensbescherming, te worden gedeeld door de douaneautoriteiten onderling alsook met andere bij die controles betrokken instanties, zoals politie, grenswacht, veterinaire en milieuautoriteiten, zodat een bedrijf deze informatie slechts eenmaal moet verstrekken ("één loket") en de goederen door deze autoriteiten op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plaats worden gecontroleerd ("one-stop-shop").

(9) Met het oog op de facilitering van de handel dienen bepaalde bedrijven het recht te hebben zich bij de douaneautoriteiten te blijven laten vertegenwoordigen. Desalniettemin mag dit vertegenwoordigingsrecht niet worden voorbehouden door enige wetgeving van een lidstaat. Bovendien moet de vertegenwoordiger bij de douane de status van vergunninghoudend bedrijf kunnen verkrijgen.

(10) Betrouwbare bedrijven die de voorschriften in acht nemen dienen als "vergunninghoudend bedrijf" maximaal profijt te kunnen trekken van de brede toepassing van vereenvoudigingen en, rekening houdend met veiligheids- en zekerheidsaspecten, aan minder intensieve douanecontroles te worden onderworpen. Op die manier kunnen zij van de status van vergunninghoudend bedrijf "vereenvoudigde douaneaangifte" of van de status van vergunninghoudend bedrijf "veiligheid en zekerheid", los van elkaar of in combinatie, profiteren.

(11) Voor alle beschikkingen, dat wil zeggen administratieve beslissingen van de douaneautoriteiten in het kader van de douanewetgeving die voor een of meer personen rechtsgevolgen hebben, daaronder begrepen de door deze autoriteiten afgegeven bindende inlichtingen, dienen dezelfde regels te gelden. Deze beschikkingen moeten geldig zijn in de hele Gemeenschap en kunnen worden geannuleerd, gewijzigd tenzij anderszins bepaald, of ingetrokken wanneer zij niet in overeenstemming zijn met de douanewetgeving of de uitlegging daarvan.

(12) Overeenkomstig het Handvest van de grondrechten dient eenieder niet alleen het recht te hebben om beroep in te stellen tegen een beschikking van de douaneautoriteiten, maar ook het recht te hebben om te worden gehoord voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven. Een dergelijke bepaling in het wetboek moet ook betrekking hebben op navorderingen en beschikkingen op verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding.

(13) Voor de stroomlijning van douaneregelingen in een elektronische omgeving is het noodzakelijk dat douaneautoriteiten van verschillende lidstaten verantwoordelijkheden met elkaar delen. Er moet worden gegarandeerd dat in de gehele interne markt op een passend niveau effectieve, ontmoedigende en proportionele sancties worden toegepast om ernstige inbreuken op de douanevoorschriften tegen te gaan en aldus het risico van fraude en van gevaren voor de veiligheid en de zekerheid te verminderen en de financiële belangen van de Gemeenschap veilig te stellen. Dit kan alleen worden bewerkstelligd via een gemeenschappelijk communautair kader waarin de sanctiebevoegdheid wordt vastgelegd en de reikwijdte van de sancties wordt vastgesteld, met volledige inachtneming van het Handvest voor de grondrechten.

(14) Teneinde een evenwicht te bereiken tussen enerzijds de noodzaak dat de douaneautoriteiten de douanewetgeving correct toepassen en anderzijds het recht van bedrijven op een billijke behandeling, dienen de douaneautoriteiten uitgebreide controlebevoegdheden en de bedrijven een recht op beroep te verkrijgen.

(15) Teneinde risico's voor de Gemeenschap, haar burgers en handelspartners zoveel mogelijk te beperken, dient de geharmoniseerde toepassing van de douanecontroles door de lidstaten te worden gebaseerd op een gemeenschappelijk kader voor risicobeheer en een elektronisch systeem voor de tenuitvoerlegging daarvan. De vaststelling van een kader voor risicobeheer dat gemeenschappelijk is voor alle lidstaten, mag de lidstaten niet verhinderen goederen steekproefsgewijs te controleren.

(16) Het is noodzakelijk de elementen vast te stellen die ten grondslag liggen aan de toepassing van invoer- en uitvoerrechten en andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen. Het is ook dienstig duidelijke bepalingen vast te stellen voor de afgifte van bewijzen van oorsprong in de Gemeenschap, indien het handelsverkeer dit vereist.

(17) Wat de regels inzake preferentiële oorsprong betreft, is het ter bespoediging van het besluitvormingsproces in de Gemeenschap dienstig de Commissie de bevoegdheid te verlenen deze regels vast te stellen voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële maatregelen in de handel tussen het douanegebied van de Gemeenschap en Ceuta en Melilla.

(18) Het is wenselijk alle gevallen waarin een douaneschuld bij invoer ontstaat, behalve wanneer deze ontstaat na de indiening van een douaneaangifte voor het vrije verkeer of voor tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling, samen te brengen, teneinde problemen te voorkomen bij het vaststellen van de rechtsgrond op basis waarvan de douaneschuld is ontstaan. Hetzelfde geldt voor het ontstaan van een douaneschuld bij uitvoer.

(19) Aangezien de nieuwe rol van de douaneautoriteiten inhoudt dat de douanekantoren in het binnenland en aan de grenzen verantwoordelijkheden met elkaar delen en samenwerken, dient de douaneschuld in de meeste gevallen te ontstaan op de plaats waar de schuldenaar is gevestigd, omdat het voor deze plaats bevoegde douanekantoor het best kan toezien op de activiteiten van de betrokkene.

(20) In overeenstemming met de Overeenkomst van Kyoto is het tevens dienstig het aantal gevallen te verminderen waarin administratieve samenwerking tussen de lidstaten is vereist voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld is ontstaan en voor het invorderen van de rechten.

(21) De voorschriften voor de bijzondere regelingen dienen te voorzien in de mogelijkheid dat voor alle categorieën bijzondere regelingen gebruik kan worden gemaakt van één enkele doorlopende zekerheid die een reeks transacties dekt.

(22) Voor een betere bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en de lidstaten dient de zekerheid te gelden voor niet of onjuist aangegeven goederen die deel uitmaken van een zending of een aangifte waarvoor zekerheid is gesteld. Om dezelfde reden dient de borgstelling ook te gelden voor rechten die worden nagevorderd.

(23) Ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en de lidstaten en ter bestrijding van fraude, is het wenselijk te voorzien in een regeling met een trapsgewijze toepassing van de doorlopende zekerheid. Wanneer er een verhoogd risico op fraude bestaat, moet het gebruik van de doorlopende zekerheid tijdelijk kunnen worden verboden, rekening houdende met de bijzondere situatie van de bedrijven.

(24) Het is dienstig rekening te houden met de goede trouw van de betrokkene wanneer door niet-nakoming van de douanewetgeving een douaneschuld is ontstaan, en de gevolgen van onzorgvuldigheid van de schuldenaar zoveel mogelijk te beperken.

(25) Het is noodzakelijk vast te stellen op welke wijze de status van communautaire goederen wordt bepaald, in welke omstandigheden deze status verloren gaat en op welke voorwaarden deze status ongewijzigd blijft wanneer goederen het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk verlaten.

(26) Wanneer een bedrijf van tevoren de gegevens verstrekt die nodig zijn voor op risicoanalyse gebaseerde controles met betrekking tot de toelaatbaarheid van de goederen, dient als regel te gelden dat de goederen dan snel worden vrijgegeven. Belasting- en handelspolitieke controles dienen hoofdzakelijk te worden verricht door het douanekantoor dat bevoegd is voor de bedrijfsruimten van de betrokkene.

(27) De regels voor de douaneaangiften moeten worden gemoderniseerd en gestroomlijnd; er moet met name worden bepaald dat douaneaangiften in de regel elektronisch worden gedaan, en er moet worden voorzien in slechts één soort vereenvoudigde aangifte.

(28) Aangezien het volgens de Overeenkomst van Kyoto de voorkeur verdient dat de douaneaangifte wordt ingediend, geldig gemaakt en gecontroleerd voorafgaand aan de aankomst van de goederen en dat de plaats waar de aangifte wordt ingediend wordt losgekoppeld van de plaats waar de goederen zich fysiek bevinden, dient de vrijmaking te worden gecentraliseerd op de plaats waar het bedrijf is gevestigd. Een gecentraliseerde vrijmaking dient onder meer te voorzien in de mogelijkheid tot vereenvoudigde aangifte, indiening van een volledige aangifte met de vereiste bescheiden op een later tijdstip, periodieke aangifte en uitstel van betaling.

(29) Teneinde een neutraal concurrentieklimaat in de hele Gemeenschap tot stand te helpen brengen, is het passend op het niveau van de Gemeenschap regels vast te stellen met betrekking tot het vernietigen of anderszins verwijderen van goederen door de douaneautoriteiten, waarvoor voorheen nationale wetgeving was vereist.

(30) Het is dienstig om te voorzien in gemeenschappelijke en eenvoudige regels voor de bijzondere regelingen (douanevervoer, opslag, specifieke gebruik en veredeling), aangevuld met een klein aantal regels voor elke bijzondere regeling apart, zodat bedrijven gemakkelijk de juiste regeling kunnen kiezen, fouten kunnen worden vermeden en het aantal navorderingen en terugbetalingen kan worden verminderd.

(31) Het moet gemakkelijker worden om vergunningen te verlenen voor meerdere bijzondere regelingen waarbij slechts één zekerheid wordt gesteld en één douanekantoor toezicht houdt, en er moeten eenvoudige regels komen voor het ontstaan van een douaneschuld in deze gevallen. Het basisbeginsel dient te zijn dat de waarde van goederen die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst, dan wel de waarde van daaruit vervaardigde producten, wordt vastgesteld op het tijdstip dat de douaneschuld ontstaat. In economisch verantwoorde gevallen dient de waarde van goederen evenwel ook te kunnen worden vastgesteld op het tijdstip dat zij onder een bijzondere regeling werden geplaatst. Dezelfde beginselen dienen te gelden voor de gebruikelijke behandelingen.

(32) Gelet op de toegenomen veiligheidsgerelateerde maatregelen die bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek [7] in het wetboek zijn opgenomen, dient de plaatsing van goederen in een vrije zone een douaneregeling te worden en dienen de binnenkomst en de administratie van deze goederen aan douanecontroles te worden onderworpen.

(33) Voor goederen met een bijzondere bestemming dient een elementair rechtskader te worden vastgesteld voor de schorsing van de accijns overeenkomstig Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop [8], voor de BTW bij invoer overeenkomstig artikel 7, lid 3, en artikel 10, lid 3, van de zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag [9], en voor handelspolitieke maatregelen.

(34) Aangezien het voornemen tot wederuitvoer niet langer een vereiste is, dient de regeling actieve veredeling — schorsingssysteem — te worden samengevoegd met de regeling behandeling onder douanetoezicht en dient de regeling actieve veredeling — terugbetalingssysteem — te worden geschrapt. Deze ene regeling voor actieve veredeling dient ook te gelden voor vernietiging, behalve wanneer de vernietiging door de douane of onder haar toezicht geschiedt.

(35) Veiligheidsgerelateerde maatregelen ten aanzien van communautaire goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, moeten op overeenkomstige wijze gelden voor de wederuitvoer van niet-communautaire goederen. Dezelfde basisregels dienen te gelden voor alle soorten goederen, met indien nodig een mogelijkheid tot uitzondering, zoals voor goederen die uitsluitend door het douanegebied van de Gemeenschap worden doorgevoerd.

(36) Met het oog op effectieve besluitvorming en eenvormigheid is het dienstig de mechanismen te stroomlijnen voor de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen, toelichtingen, richtsnoeren en beschikkingen van de Commissie waarin zij om intrekking van een beschikking van de douaneautoriteiten verzoekt, en voor de voorbereiding van gemeenschappelijke standpunten in comités, werkgroepen en panels die krachtens of in het kader van internationale overeenkomsten met betrekking tot douanewetgeving zijn ingesteld. De beheersprocedure is het meest geschikt voor de vaststelling van uitvoeringsbepalingen en de raadplegingsprocedure is het meest geschikt voor de vaststelling van richtsnoeren en toelichtingen.

(37) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegheden [10].

(38) Het is dienstig bevoegdheid te verlenen voor de vaststelling van uitvoeringsbepalingen, met name wanneer de Gemeenschap afspraken maakt en verplichtingen op zich neemt in het kader van internationale overeenkomsten die een aanpassing van het wetboek vergen.

(39) Teneinde de douanewetgeving te vereenvoudigen en te stroomlijnen, is een aantal bepalingen die thans in autonome communautaire besluiten zijn vastgelegd, om redenen van transparantie in het wetboek opgenomen. De volgende verordeningen dienen derhalve tezamen met Verordening (EEG) nr. 2913/92 te worden ingetrokken:

- Verordening (EEG) nr. 3925/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de afschaffing van de controles en de formaliteiten die van toepassing zijn op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen [11];

- Verordening (EG) nr. 82/2001 van de Raad van 5 december 2000 betreffende de definitie van het begrip "producten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking in het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Gemeenschap en Ceuta en Melilla [12];

- Verordening (EG) nr. 1207/2001 van de Raad van 11 juni 2001 betreffende procedures ter vergemakkelijking van de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de opstelling van factuurverklaringen en formulieren EUR.2 en de afgifte van bepaalde vergunningen "toegelaten exporteur" in het kader van de bepalingen die voor het preferentiële handelsverkeer tussen de Europese Gemeenschap en sommige landen gelden [13].

(40) Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het voor de goede werking van de douane-unie als centrale pijler van de interne markt noodzakelijk en passend voorschriften en procedures vast te stellen voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag niet verder dan nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

TOEPASSINGSGEBIED VAN DE DOUANEWETGEVING, MISSIE VAN DE DOUANE EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening wordt het communautair douanewetboek vastgesteld, hierna "het wetboek" genoemd, houdende de algemene voorschriften en procedures betreffende goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.

Het wetboek is op eenvormige wijze van toepassing in het gehele douanegebied van de Gemeenschap onverminderd wetgeving op andere gebieden met betrekking tot vorengenoemd handelsverkeer.

Artikel 2

Missie van de douaneautoriteiten

De douaneautoriteiten hebben als opdracht toe te zien op het internationale handelsverkeer van de Gemeenschap en aldus bij te dragen tot open handel, de tenuitvoerlegging van de externe aspecten van de interne markt en van de gemeenschappelijke handelspolitiek en ander gemeenschappelijk beleid dat verband houdt met de handel en de veiligheid van de toeleveringsketen. Deze taken omvatten:

a) de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en haar lidstaten;

b) de bescherming van de Gemeenschap tegen oneerlijke en illegale handel en de ondersteuning van de legale handel;

c) het garanderen van de veiligheid en de zekerheid van de burgers en het milieu, in voorkomend geval in nauwe samenwerking met andere autoriteiten;

d) de handhaving van een correct evenwicht tussen douanecontrole en facilitering van de legale handel.

Artikel 3

Douanegebied

1. Het douanegebied van de Gemeenschap omvat de volgende grondgebieden, daaronder begrepen de territoriale wateren, de binnenwateren en het luchtruim:

- het grondgebied van het koninkrijk België;

- het grondgebied van de Tsjechische Republiek;

- het grondgebied van het koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de Faeröer en Groenland;

- het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, met uitzondering van het eiland Helgoland en het grondgebied van Büsingen (Verdrag van 23 november 1964 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Zwitserse Bondsstaat);

- het grondgebied van de Republiek Estland;

- het grondgebied van de Helleense Republiek;

- het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van Ceuta en Melilla;

- het grondgebied van de Franse Republiek, met uitzondering van Nieuw-Caledonië, Mayotte, Saint-Pierre en Miquelon, Wallis en Futuna, en Frans-Polynesië;

- het grondgebied van Ierland;

- het grondgebied van de Italiaanse Republiek, met uitzondering van de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, alsmede van de nationale wateren van het Meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio;

- het grondgebied van de Republiek Cyprus overeenkomstig de bepalingen van de Toetredingsakte;

- het grondgebied van de Republiek Letland;

- het grondgebied van de Republiek Litouwen;

- het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg;

- het grondgebied van de Republiek Hongarije;

- het grondgebied van de Republiek Malta;

- het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;

- het grondgebied van de Republiek Oostenrijk;

- het grondgebied van de Republiek Polen;

- het grondgebied van de Portugese Republiek;

- het grondgebied van de Republiek Slovenië;

- het grondgebied van de Slowaakse Republiek;

- het grondgebied van de Republiek Finland;

- het grondgebied van het Koninkrijk Zweden;

- het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland alsmede de Kanaaleilanden en het eiland Man.

2. De volgende grondgebieden, daaronder begrepen de territoriale wateren, de binnenwateren en het luchtruim, die buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gelegen, worden, met inachtneming van de verdragen en overeenkomsten die erop van toepassing zijn, beschouwd als deel uitmakende van het douanegebied van de Gemeenschap:

a) FRANKRIJK

Het grondgebied van Monaco als omschreven in de te Parijs op 18 mei 1963 ondertekende Douaneovereenkomst (Journal officiel de la République française van 27 september 1963, blz. 8679);

b) CYPRUS

Het grondgebied van de onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallende zones Akrotiri en Dhekelia (Sovereign Base Areas) als omschreven in het te Nicosia op 16 augustus 1960 ondertekende Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus (United Kingdom Treaty Series No 4 (1961) Cmnd. 1252).

3. Sommige bepalingen van de douanewetgeving kunnen buiten het douanegebied van de Gemeenschap van toepassing zijn in het kader van wetgeving op specifieke gebieden dan wel van internationale overeenkomsten.

Artikel 4

Definities

In dit wetboek wordt verstaan onder:

(1) douaneautoriteiten: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;

(2) douanewetgeving: het geheel van wetgeving omvattende:

a) het wetboek alsmede de op communautair niveau en in voorkomend geval op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter uitvoering daarvan,

b) het gemeenschappelijk douanetarief,

c) internationale overeenkomsten houdende douanevoorschriften, voorzover deze van toepassing zijn in de Gemeenschap;

(3) persoon: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Gemeenschapsrecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;

(4) bedrijf: de persoon die in de uitoefening van zijn beroep betrokken wordt bij activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;

(5) vertegenwoordiger bij de douane: elke persoon die gevestigd is op het grondgebied van de Unie en die aan derden diensten op douanegebied verleent;

(6) risico: de kans dat zich, wat betreft de binnenkomst, uitgang, doorvoer, overbrenging of bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Gemeenschap en landen of gebieden buiten dat gebied worden vervoerd, en in verband met de aanwezigheid van goederen die niet de status van communautaire goederen hebben, een gebeurtenis voordoet die:

a) de correcte toepassing van communautaire of nationale maatregelen in de weg staat,

b) de financiële belangen van de Gemeenschap en haar lidstaten schaadt,

c) een gevaar vormt voor de veiligheid en de zekerheid van de Gemeenschap en haar burgers, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument;

(7) douanecontroles: de handelingen die door de douaneautoriteiten worden verricht overeenkomstig de artikelen 27 tot en met 30;

(8) summiere aangifte: de aangifte die moet worden ingediend voordat goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten;

(9) douaneaangifte: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van de specifieke procedure die moet worden toegepast;

(10) aangever: de persoon die onder zijn eigen naam een summiere aangifte of een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam douaneaangifte wordt gedaan;

(11) douaneregeling: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig dit wetboek kunnen worden geplaatst:

a) in het vrije verkeer brengen,

b) bijzondere regelingen,

c) uitvoer;

(12) invoerrechten: de bij het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde douanerechten die bij de invoer van goederen verschuldigd zijn;

(13) uitvoerrechten: de bij het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde douanerechten die bij de uitvoer van goederen verschuldigd zijn;

(14) niet-communautaire goederen: andere dan de in punt 20 bedoelde goederen of goederen die de status van communautaire goederen hebben verloren;

(15) risicobeheer: het systematisch in kaart brengen van risico's en het toepassen van alle maatregelen die vereist zijn om de blootstelling aan risico's te beperken;

(16) vrijgave van goederen: de handeling waarbij de douaneautoriteiten goederen ter beschikking stellen voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de douaneregeling waaronder deze zijn geplaatst;

(17) douanetoezicht: de activiteiten van de douaneautoriteiten in het algemeen om te zorgen voor de nakoming van de douanewetgeving en van eventuele andere bepalingen die van toepassing zijn op goederen onder zulk toezicht;

(18) terugbetaling of kwijtschelding: de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten voor in het vrije verkeer gebrachte goederen, indien deze goederen in ongewijzigde staat of in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd;

(19) veredelingsproducten: onder een veredelingsregeling geplaatste goederen die zijn veredeld;

(20) in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigd persoon:

a) indien het een natuurlijk persoon betreft, eenieder die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn normale verblijfplaats heeft,

b) indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft;

(21) douanestatus: de status van goederen, zijnde communautaire of niet-communautaire goederen;

(22) communautaire goederen: goederen behorende tot een van de volgende categorieën:

a) goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap,

b) goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap en die in het vrije verkeer zijn gebracht,

c) goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld onder b), hetzij uit goederen als bedoeld onder a) en b);

(23) aanbrengen bij de douane: mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en daar beschikbaar zijn voor douanecontrole;

(24) houder van de goederen: de persoon die de eigenaar is van de goederen, een soortgelijk recht heeft om erover te beschikken, of er fysieke controle over uitoefent;

(25) houder van de regeling: de persoon die de aangifte doet, of voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, of de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en plichten van eerstgenoemde persoon zijn overgedragen;

(26) handelspolitieke maatregelen: de niet-tarifaire maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn vastgesteld in de vorm van communautaire voorschriften inzake de invoer en de uitvoer van goederen;

(27) veredeling: een van de onderstaande handelingen:

a) de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren en het aanpassen ervan aan andere goederen,

b) de verwerking van goederen,

c) de vernietiging van goederen,

d) de herstelling van goederen, met inbegrip van revisie en afstelling,

e) het gebruik van goederen die zelf niet meer in de veredelingsproducten voorkomen, maar die de vervaardiging van deze producten mogelijk maken of vergemakkelijken, ook indien zij tijdens dit proces geheel of gedeeltelijk verdwijnen (bij de productie gebruikte hulpmiddelen);

(28) opbrengst: de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder een veredelingsregeling geplaatste goederen.

HOOFDSTUK 2

RECHTEN EN PLICHTEN VAN PERSONEN IN HET KADER VAN DE DOUANEWETGEVING

Afdeling 1

Informatieverstrekking

Artikel 5

Uitwisseling en bescherming van gegevens

1. Alle vereiste uitwisselingen van gegevens, begeleidende documenten, beschikkingen en mededelingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen bedrijven en douaneautoriteiten geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door maatregelen tot vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit lid.

2. Tenzij uitdrukkelijk anderszins bepaald neemt de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van:

a) de voorschriften die het berichtenverkeer tussen de douanekantoren, als vereist voor de uitvoering van de douanewetgeving, definiëren en regelen;

b) een gemeenschappelijke gegevensset en een gemeenschappelijk formaat voor het berichtenverkeer in het kader van de douanewetgeving.

De onder b) van de eerste alinea bedoelde gegevens bevatten de informatie die nodig is voor een risicoanalyse en de juiste toepassing van douanecontroles met behulp van, indien toepasselijk, internationale normen en handelsgebruiken.

De systemen die noodzakelijk zijn voor de elektronische uitwisseling van gegevens tussen douanekantoren in overeenstemming met lid 1, dienen uiterlijk tegen 30 juni 2009 voorhanden te zijn.

Artikel 6

Gegevensbescherming

1. Alle door de douaneautoriteiten bij de uitoefening van hun taken verkregen inlichtingen die van vertrouwelijke aard zijn of die als vertrouwelijk zijn verstrekt, vallen onder het beroepsgeheim. Zij worden, behalve met het oog op douanecontroles overeenkomstig artikel 28, lid 2, door de bevoegde autoriteiten niet bekendgemaakt zonder uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de autoriteit die ze heeft verstrekt.

Deze inlichtingen mogen evenwel zonder toestemming worden bekendgemaakt wanneer de bevoegde autoriteiten daartoe overeenkomstig de geldende bepalingen, met name inzake gegevensbescherming, of in het kader van gerechtelijke procedures gehouden of gemachtigd zijn.

2. Mededeling van vertrouwelijke gegevens aan de douane en andere instanties van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap is slechts toegestaan in het kader van een internationale overeenkomst die een gelijkwaardig niveau van gegevensbescherming garandeert.

Bij de bekendmaking of de mededeling van gegevens dienen de geldende bepalingen inzake gegevensbescherming onverkort in acht te worden genomen.

Artikel 7

Uitwisseling van aanvullende informatie tussen douaneautoriteiten en bedrijven

1. Douaneautoriteiten en bedrijven kunnen informatie die niet specifiek krachtens de douanewetgeving moet worden verstrekt, uitwisselen met het oog op wederzijdse samenwerking om risico's in kaart te brengen en tegen te gaan. Deze uitwisseling kan geschieden op basis van een schriftelijke overeenkomst en kan inhouden dat de douaneautoriteiten toegang krijgen tot de computersystemen van bedrijven.

2. Alle informatie die de partijen elkaar in het kader van de in lid 1 bedoelde samenwerking verstrekken, is vertrouwelijk tenzij beide partijen anderszins besluiten.

Artikel 8

Verstrekking van inlichtingen door de douaneautoriteiten

1. Eenieder kan de douaneautoriteiten om inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving verzoeken. Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen indien het geen verband houdt met een daadwerkelijk voorgenomen invoer- of uitvoertransactie.

2. De douanediensten voeren regelmatig overleg met het bedrijfsleven en andere autoriteiten die betrokken zijn bij het internationale goederenverkeer. Zij bevorderen de transparantie door wetgeving, bestuurlijke beslissingen en aanvraagformulieren in verband met het internationale goederenverkeer gratis en, indien mogelijk, via het internet beschikbaar te maken voor bedrijven.

Artikel 9

Verstrekking van inlichtingen aan de douaneautoriteiten

1. Eenieder die direct of indirect bij het vervullen van douaneformaliteiten is betrokken, dient de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen alle nodige bescheiden en gegevens, ongeacht de dragers waarop die bescheiden en gegevens zich bevinden, te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen.

2. Onverminderd de eventuele toepassing van sancties geldt dat eenieder die een summiere aangifte of een douaneaangifte, daaronder begrepen een vereenvoudigde aangifte, indient, een mededeling doet, of een aanvraag voor een vergunning of enige andere beschikking indient, de aansprakelijkheid aanvaardt voor:

a) de juistheid van de in de aangifte, mededeling of aanvraag of in enig ander toepasselijk formulier verstrekte gegevens;

b) de echtheid van de ingediende of beschikbaar gestelde stukken;

c) in voorkomend geval, het nakomen van alle verplichtingen inzake de plaatsing van goederen onder een regeling of het verrichten van toegestane transacties.

De eerste alinea is ook van toepassing op de verstrekking van enigerlei informatie die de douaneautoriteiten verlangen.

Wanneer de aangifte of de mededeling wordt gedaan, de aanvraag wordt ingediend of de verlangde informatie wordt verstrekt door een vertegenwoordiger van de betrokkene, gelden de in de eerste alinea vastgestelde verplichtingen ook voor deze vertegenwoordiger.

Artikel 10

Gemeenschappelijk gegevenssysteem

In samenwerking met de Commissie dragen de lidstaten zorg voor de ontwikkeling, het onderhoud en het gebruik van een elektronisch systeem voor het gemeenschappelijk registreren en bijhouden van gegevens van:

a) iedere persoon die direct of indirect betrokken is bij het vervullen van douaneformaliteiten;

b) iedere vergunning voor een douaneregeling of de status van vergunninghoudend bedrijf.

De gegevens zijn toegankelijk voor de douanediensten van de lidstaten bij de uitoefening van hun taken en ook, overeenkomstig de in de derde alinea bedoelde regels, voor de bedrijven.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen met de normen voor de vorm en de inhoud van de te registreren gegevens alsook de regels voor de toegang tot die gegevens.

Afdeling 2

Vertegenwoordiging bij de douane

Artikel 11

Douanevertegenwoordiger

1. Eenieder kan zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten laten vertegenwoordigen door een douanevertegenwoordiger.

De vertegenwoordiging bij de douane kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.

2. Een douanevertegenwoordiger dient in het douanegebied van de Gemeenschap te zijn gevestigd.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen door middel van de vaststelling van de voorwaarden waarop van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde eis kan worden afgezien.

3. Het statuut van vertegenwoordiger bij de douane moet voldoen aan de volgende criteria:

- staat open voor iedereen die dit statuut aanvraagt;

- wordt beheerd door een overheidsorgaan in de betrokken lidstaat;

- wordt in alle lidstaten erkend na registratie in de lidstaat van aanvraag;

- is onderworpen aan praktische normen voor professionele vaardigheden of kwalificaties die rechtstreeks met de uitgeoefende activiteit verband houden.

Er is geen bovengrens aan het aantal douanevertegenwoordigers in de Unie.

Personen met de status van douanevertegenwoordiger of vergunninghoudend bedrijf komen in aanmerking voor alle vereenvoudigingen.

4. Onverminderd het bepaalde in lid 3, is elke persoon die een commerciële activiteit onderneemt, gerechtigd zich daarbij tot de douaneautoriteiten te richten zonder verplicht te zijn zich door een douanevertegenwoordiger te doen vertegenwoordigen.

Artikel 12

Vertegenwoordigingsbevoegdheid

1. Een douanevertegenwoordiger dient de douaneautoriteiten te verklaren dat hij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt, en aan te geven of het een directe dan wel indirecte vertegenwoordiging betreft.

De persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.

2. De douaneautoriteiten kunnen van eenieder die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, het bewijs eisen dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, tenzij deze persoon behoort tot een categorie personen die gemachtigd is voor rekening van een andere persoon te handelen.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde categorie personen.

Artikel 13

Vertegenwoordiging bij de douane en status van het vergunninghoudend bedrijf

1. Wanneer een persoon op regelmatige en commerciële grondslag als douanevertegenwoordiger optreedt, kan hem de status van "vergunninghoudend bedrijf" worden toegekend overeenkomstig artikel 14.

2. Een douanevertegenwoordiger kan optreden als fiscaal vertegenwoordiger overeenkomstig de geldende bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, hierna "BTW" genoemd, en accijnzen.

Afdeling 3

Vergunninghoudend bedrijf

Artikel 14

Aanvraag en machtiging

1. Een persoon die in het douanegebied van de Gemeenschap is gevestigd en aan de in de artikelen 15 en 16 gestelde eisen voldoet, kan om de status van vergunninghoudend bedrijf verzoeken.

Deze status wordt door de douaneautoriteiten verleend, indien nodig na overleg met andere bevoegde autoriteiten, en op regelmatige basis geëvalueerd.

2. De status van vergunninghoudend bedrijf omvat twee soorten vergunningen: die van vergunninghoudend bedrijf "vereenvoudigde douaneaangifte" en die van vergunninghoudend bedrijf "veiligheid en zekerheid".

Met de eerste vergunning kan gebruik worden gemaakt van bepaalde vereenvoudigingen conform onderhavig wetboek of de toepassingsmodaliteiten ervan. De tweede kent de houder ervan faciliteiten toe op het gebied van veiligheid en zekerheid.

Deze twee vergunningen kunnen worden gecombineerd.

3. De status van vergunninghoudend bedrijf wordt, onder voorbehoud van de artikelen 15 en 16, erkend door de douaneautoriteiten in alle lidstaten, onverminderd douanecontroles.

4. De douaneautoriteiten verlenen, op grond van de erkenning van de status van vergunninghoudend bedrijf en mits is voldaan aan de eisen voor een bepaalde vorm van bij de communautaire douanewetgeving vastgestelde vereenvoudiging, toestemming aan de betrokkene om van die vereenvoudiging gebruik te maken.

5. De status van vergunninghoudend bedrijf kan overeenkomstig de krachtens artikel 16, onder h), vastgestelde voorwaarden worden geschorst of ingetrokken.

6. Het vergunninghoudend bedrijf dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na de toekenning van die status voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud daarvan.

Artikel 15

Toekenning van de status

De criteria voor de toekenning van de status van vergunninghoudend bedrijf omvatten ten minste het volgende:

a) een passende staat van dienst op het gebied van de nakoming van douane- en belastingvereisten;

b) een deugdelijke handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt;

c) in voorkomend geval, het bewijs van financiële solvabiliteit;

d) overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, lid 2, wanneer een vergunninghoudend bedrijf in aanmerking wenst te komen voor de voorziene vereenvoudigingen overeenkomstig het wetboek of de toepassingsmodaliteiten daarvan, praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit;

e) overeenkomstig artikel 14, lid 2, wanneer een vergunninghoudend bedrijf in aanmerking wenst te komen voor de faciliteiten op het gebied van douanecontroles die verband houden met veiligheid en zekerheid: passende normen op het gebied van veiligheid en zekerheid.

Artikel 16

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan ter zake van:

a) de toekenning van de status van vergunninghoudend bedrijf;

b) de regelmaat waarmee de status van vergunninghoudend bedrijf wordt geëvalueerd;

c) de toekenning van vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigingen;

d) de vaststelling van de douaneautoriteit die bevoegd is voor de toekenning van deze status en vergunningen;

e) het soort en de omvang van de faciliteiten die kunnen worden toegekend op het gebied van douanecontroles die verband houden met veiligheid en zekerheid;

f) het overleg met en de informatieverstrekking aan andere douaneautoriteiten;

g) de voorwaarden waaronder een verzoek om machtiging tot een of meer lidstaten kan worden beperkt;

h) de voorwaarden waarop de status van vergunninghoudend bedrijf kan worden geschorst of ingetrokken;

i) de voorwaarden waarop voor bepaalde categorieën vergunninghoudende bedrijven kan worden afgezien van de eis dat het bedrijf in de Gemeenschap gevestigd is, rekening houdend met, in het bijzonder, internationale overeenkomsten.

Afdeling 4

Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving

Artikel 17

Algemene bepalingen

1. Indien een persoon de douaneautoriteiten om een beschikking verzoekt, verstrekt hij hun alle daartoe benodigde gegevens en bescheiden.

Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen.

2. Een beschikking als bedoeld in lid 1 moet uiterlijk twee maanden na de datum van ontvangst van het verzoek door de douaneautoriteiten worden gegeven en aan de aanvrager worden meegedeeld, tenzij anderszins is bepaald in de douanewetgeving.

Wanneer de douaneautoriteiten deze termijn evenwel niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van de termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking te geven.

3. Tenzij anderszins in de beschikking of de douanewetgeving is bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in artikel 25, lid 2, bedoelde gevallen zijn de gegeven beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.

4. Voordat een voor de geadresseerde ongunstige beschikking wordt gegeven, delen de douaneautoriteiten hem hun met redenen omklede bezwaren mee. De geadresseerde wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een termijn die aanvangt op de datum van toezending van de bezwaren.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde termijn.

Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de geadresseerde in de passende vorm mededeling gedaan van de met redenen omklede beschikking.

De verplichting tot mededeling van bezwaren voordat een voor de geadresseerde ongunstige beschikking wordt gegeven, geldt ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaand verzoek van de belanghebbende en met name voor de mededeling van een douaneschuld als bedoeld in artikel 72, lid 3.

In de beschikking dient melding te worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 24.

5. Onverminderd bepalingen op andere gebieden tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waarop beschikkingen geen werking hebben of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben gegeven, deze annuleren, wijzigen of intrekken wanneer zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving dan wel richtsnoeren of toelichtingen voor de uitlegging daarvan.

Artikel 18

Geldigheid van beschikkingen in de gehele Gemeenschap

Tenzij anderszins is aangevraagd of bepaald, zijn beschikkingen van de douaneautoriteiten geldig in het gehele douanegebied van de Gemeenschap.

Artikel 19

Annulering van gunstige beschikkingen

1. De douaneautoriteiten annuleren een voor de geadresseerde gunstige beschikking als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de beschikking werd gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;

b) de aanvrager wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren;

c) indien de gegevens juist en volledig waren geweest, zou de beschikking anders hebben geluid.

2. Aan de geadresseerde wordt mededeling gedaan van de annulering van de beschikking.

3. De annulering wordt van kracht op de datum waarop de oorspronkelijke beschikking van kracht werd, tenzij anderszins bepaald.

4. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, met name met betrekking tot beschikkingen aan meerdere geadresseerden.

Artikel 20

Intrekking en wijziging van gunstige beschikkingen

1. Een gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in artikel 19 bedoelde gevallen, aan een of meer aan de afgifte van de beschikking verbonden voorwaarden niet was of niet langer is voldaan.

2. Tenzij in de douanewetgeving anders is bepaald, kan een voor meerdere geadresseerden gunstige beschikking worden ingetrokken ten aanzien van slechts één geadresseerde die een op hem krachtens die beschikking rustende verplichting niet nakomt.

3. Aan de geadresseerde wordt mededeling gedaan van de intrekking of de wijziging van de beschikking.

4. De intrekking of de wijziging van de beschikking wordt van kracht op de datum waarop de mededeling van de intrekking of de wijziging door de geadresseerde is ontvangen of wordt geacht te zijn ontvangen.

In uitzonderlijke gevallen en voorzover de rechtmatige belangen van de geadresseerde zulks vereisen, kunnen de douaneautoriteiten evenwel de datum waarop de intrekking of de wijziging van kracht wordt, later doen ingaan.

5. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, met name met betrekking tot beschikkingen aan meerdere geadresseerden.

Artikel 21

Bijzondere beschikkingen

1. De douaneautoriteiten geven op verzoek beschikkingen met bindende tariefinlichtingen, hierna "BTI-beschikkingen" genoemd, of beschikkingen met bindende oorsprongsinlichtingen, hierna "BOI-beschikkingen" genoemd.

Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen indien het geen verband houdt met een daadwerkelijk voorgenomen douaneregeling.

2. BTI- of BOI-beschikkingen zijn slechts verbindend met betrekking tot de tariefindeling of de vaststelling van de oorsprong van de goederen.

Zij binden de douaneautoriteiten jegens de geadresseerde slechts ten aanzien van goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum van de beschikking.

Zij binden de geadresseerde jegens de douaneautoriteiten slechts met ingang van de datum waarop hem mededeling van de beschikking wordt gedaan of wordt geacht te zijn gedaan.

3. BTI- of BOI-beschikkingen gelden voor een periode van drie jaar vanaf de in de beschikking vermelde datum.

4. Voor de toepassing van een BTI- of BOI-beschikking in het kader van een specifieke douaneregeling dient de geadresseerde te kunnen aantonen dat:

a) in het geval van een BTI-beschikking, de aangegeven goederen in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen;

b) in het geval van een BOI-beschikking, de betrokken goederen en de omstandigheden die voor het verkrijgen van de oorsprong bepalend zijn, in elk opzicht overeenstemmen met de in de beschikking omschreven goederen en omstandigheden.

5. In afwijking van artikel 17, lid 5, en artikel 19 worden BTI- of BOI-beschikkingen geannuleerd indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager werden gegeven.

6. BTI- of BOI-beschikkingen worden ingetrokken overeenkomstig artikel 17, lid 5, en artikel 20.

Zij kunnen niet worden gewijzigd.

7. Niettegenstaande artikel 20 neemt de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van:

a) de voorwaarden en het tijdstip waarop een BTI- of BOI-beschikking haar geldigheid verliest;

b) de voorwaarden waarop en de periode tijdens welke een beschikking als bedoeld onder a) nog mag worden gebruikt in het kader van vaste en definitieve en op de beschikking gebaseerde contracten die werden gesloten voordat deze haar geldigheid verloor.

8. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van de voorwaarden waarop andere bijzondere beschikkingen worden gegeven.

Afdeling 5

Douanesancties

Artikel 22

Douanesancties

1. Iedere lidstaat stelt sancties vast voor de niet-nakoming van de communautaire douanewetgeving. Dergelijke sancties moeten effectief, proportioneel en ontmoedigend zijn.

2. Bestuurlijke sancties hebben een of beide van de volgende vormen:

a) een geldboete opgelegd door de douaneautoriteiten, met inbegrip van een schikking die in de plaats treedt van een strafrechtelijke sanctie;

b) de intrekking, schorsing of wijziging van alle vergunningen en machtigingen van de betrokken persoon.

Indien voor dezelfde feiten zowel een bestuurlijke als een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd, geschiedt de samenvoeging van deze sancties op proportionele wijze.

Afdeling 6

Beroep

Artikel 23

Strafrecht

De artikelen 24, 25 en 26 zijn niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de annulering, intrekking of wijziging van een besluit van een gerechtelijke autoriteit.

Artikel 24

Recht op beroep

1. Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die hem rechtstreeks en individueel raken.

Eenieder die de douaneautoriteiten om een beschikking heeft verzocht, doch binnen de in artikel 17, lid 2, bedoelde termijn van deze autoriteiten geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.

2. Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:

a) eerst bij de douaneautoriteiten of een andere instantie die een gerechtelijke autoriteit kan zijn dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie die daartoe door de lidstaten is aangewezen;

b) vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen een gerechtelijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.

3. Het beroep moet elektronisch of schriftelijk worden ingediend in de lidstaat waar de beschikking is gegeven of waar om de beschikking is verzocht.

Artikel 25

Schorsing van de tenuitvoerlegging

1. Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.

2. In afwijking van lid 1 wordt, ingeval de indiener van het beroep onherstelbare schade dreigt te lijden, door de douaneautoriteiten besloten tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking.

De tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking kan door de douaneautoriteiten geheel of gedeeltelijk worden geschorst wanneer zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van deze beschikking met de douanewetgeving te twijfelen.

3. Indien de aangevochten beschikking tot verschuldigdheid van invoer- of uitvoerrechten leidt, dient in geval van schorsing van deze beschikking zekerheid te worden gesteld, tenzij dit voor de schuldenaar ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea van dit lid.

Artikel 26

Beslissing op het beroep

Artikel 17 is van toepassing op beslissingen van de douaneautoriteiten op beroepen.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle aanpassing van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.

Afdeling 7

Goederencontrole

Artikel 27

Douanecontrole

1. De douaneautoriteiten kunnen alle controlemaatregelen nemen die zij nodig achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende de binnenkomst, uitgang, doorvoer, overbrenging en bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Gemeenschap en andere gebieden worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid van niet-communautaire goederen.

Deze controlemaatregelen, hierna "douanecontroles" genoemd, kunnen inhouden onderzoek van goederen, verificatie van de aangiftegegevens en van de aanwezigheid en de echtheid van elektronische of papieren documenten, onderzoek van de bedrijfsboekhouding en van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen.

Douanecontroles kunnen buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden verricht wanneer een internationale overeenkomst daarin voorziet.

2. Douanecontroles, waaronder ook steekproefcontroles, moeten gebaseerd zijn op een met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken uitgevoerde risicoanalyse, die ertoe strekt om aan de hand van op nationaal, communautair en indien beschikbaar internationaal niveau vastgestelde criteria de risico's in kaart te brengen en te evalueren alsmede de nodige maatregelen te ontwikkelen om de risico's te beperken.

In samenwerking met de Commissie dragen de lidstaten zorg voor de ontwikkeling, het onderhoud en het gebruik van een elektronisch systeem voor de tenuitvoerlegging van risicobeheer tegen uiterlijk 30 juni 2009.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van:

a) regels voor een gemeenschappelijk kader voor risicobeheer;

b) regels voor de vaststelling van gemeenschappelijke criteria en prioritaire controlegebieden;

c) regels voor de uitwisseling van informatie betreffende risico's en risicoanalyse tussen de douanediensten.

Artikel 28

Samenwerking tussen overheden

1. Wanneer dezelfde goederen worden onderworpen aan andere controles dan douanecontroles door andere bevoegde autoriteiten dan de douaneautoriteiten, worden deze controles verricht in nauwe samenwerking met de douaneautoriteiten, waar mogelijk op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip (one-stop-shop).

2. In het kader van de in deze afdeling bedoelde controlemaatregelen kunnen de douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten, wanneer dit vereist is om de risico's zoveel mogelijk te beperken, de door hen ontvangen gegevens betreffende de binnenkomst, uitgang, doorvoer, overbrenging en bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Gemeenschap en andere gebieden worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid van niet-communautaire goederen, met elkaar, met de douaneautoriteiten van andere lidstaten en met de Commissie uitwisselen.

Artikel 29

Controle achteraf

Na vrijgave van de goederen kunnen de douaneautoriteiten, om zich van de juistheid van de gegevens in de summiere aangifte of de douaneaangifte te overtuigen, overgaan tot een controle van de handelsdocumenten en -gegevens betreffende deze goederen of betreffende latere handelstransacties met deze goederen.

Deze controles kunnen worden verricht bij de aangever of zijn vertegenwoordiger, bij elke persoon die beroepshalve rechtstreeks of onrechtstreeks bij deze transacties is betrokken, en bij elke andere persoon die beroepshalve over die documenten en gegevens beschikt. De douaneautoriteiten kunnen eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen wanneer deze nog kunnen worden aangebracht.

Artikel 30

Uitzonderingen

1. Er worden geen douanecontroles verricht of douaneformaliteiten vervuld ten aanzien van:

a) de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten;

b) de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen.

2. Lid 1 is van toepassing onverminderd:

a) de veiligheidscontroles op bagage door de autoriteiten van de lidstaten, zee- of luchthavenautoriteiten of scheep- of luchtvaartmaatschappijen;

b) controles in verband met door de lidstaten vastgestelde verboden of beperkingen, mits deze verboden of beperkingen verenigbaar zijn met het Verdrag.

Afdeling 8

Bewaren van bescheiden en overige gegevens; vergoedingen en kosten

Artikel 31

Bewaren van bescheiden en overige gegevens

1. De betrokken persoon dient de in artikel 9, lid 1, bedoelde bescheiden en gegevens, ongeacht de dragers waarop deze zich bevinden, met het oog op een douanecontrole gedurende de voorgeschreven termijn en ten minste gedurende drie kalenderjaren te bewaren.

Voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in andere dan de in de derde alinea bedoelde gevallen of voor goederen die ten uitvoer zijn aangegeven, begint deze termijn aan het einde van het jaar waarin de aangifte voor het vrije verkeer of de aangifte ten uitvoer is aanvaard.

Voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel met een verlaagd invoerrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, begint deze termijn aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen is opgeheven.

Voor goederen die onder een andere douaneregeling zijn geplaatst, vangt deze termijn aan op het einde van het jaar waarin de desbetreffende douaneregeling is beëindigd.

2. Onverminderd artikel 73, lid 4, dienen, indien uit een douanecontrole van de douaneautoriteiten in verband met een douaneschuld blijkt dat de desbetreffende boeking moet worden herzien, en indien de betrokkene hiervan in kennis is gesteld, de bescheiden na afloop van de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn nog drie jaar langer te worden bewaard.

Wanneer beroep is ingediend, moeten de bescheiden worden bewaard totdat de procedure is voltooid.

Artikel 32

Vergoedingen en kosten

1. De douaneautoriteiten rekenen geen vergoeding aan voor het verrichten van douanecontroles.

De douaneautoriteiten kunnen echter wel een vergoeding aanrekenen of kosten in rekening brengen voor specifieke diensten dan wel voor het anderszins toepassen van de douanewetgeving.

2. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de tweede alinea van lid 1, meer in het bijzonder voor:

a) de aanwezigheid, op verzoek, van douanepersoneel op een andere plaats dan bij de douane;

b) analyses of deskundigenverslagen van goederen en portokosten voor het retourneren van de goederen aan de aanvrager, met name bij beschikkingen uit hoofde van artikel 21 of de verstrekking van inlichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 1;

c) het onderzoek of de monsterneming van goederen voor controledoeleinden, of de vernietiging van goederen, indien andere kosten dan die voor de inzet van douanepersoneel zijn gemaakt;

d) uitzonderlijke controlemaatregelen, wanneer de aard van de goederen of het potentiële risico zulks vereisen.

HOOFDSTUK 3

VALUTAOMREKENING, TERMIJNEN EN VEREENVOUDIGING

Artikel 33

Valutaomrekening

1. Indien om een van onderstaande redenen een valuta moet worden omgerekend, geschiedt dat tegen de wisselkoers die door de bevoegde autoriteiten is gepubliceerd of op het internet is bekendgemaakt:

a) de elementen aan de hand waarvan de douanewaarde van goederen wordt vastgesteld, zijn in een andere valuta uitgedrukt dan die van de lidstaat waar deze waarde wordt bepaald;

b) de tegenwaarde van de euro in nationale valuta is vereist voor de vaststelling van de tariefindeling van goederen, drempelbedragen en het bedrag van de invoer- of uitvoerrechten.

De wisselkoers dient de gangbare waarde van de omgerekende valuta, uitgedrukt in de valuta van de lidstaat, zo getrouw mogelijk weer te geven.

2. Indien om andere dan de in lid 1 genoemde redenen een valuta moet worden omgerekend, wordt de tegenwaarde van de euro in nationale valuta die in het kader van de douanewetgeving moet worden toegepast, eenmaal per jaar vastgesteld.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 34

Termijnen

1. Indien in de douanewetgeving een termijn, datum of vervaldag is vastgesteld, kan de termijn slechts worden verlengd en de datum of vervaldag slechts worden uitgesteld indien de desbetreffende voorschriften daarin uitdrukkelijk voorzien.

2. De in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden [14] vastgestelde voorschriften voor termijnen, datums en vervaldagen zijn van toepassing op termijnen waarin de douanewetgeving voorziet, tenzij uitdrukkelijk anderszins is bepaald.

Artikel 35

Vereenvoudiging

1. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waarop de toepassing van dit wetboek kan worden vereenvoudigd.

2. Voor communautaire goederen die worden vervoerd tussen een nationaal gebied bedoeld in artikel 3, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG, en een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap gelden vereenvoudigde procedures die vastgesteld moeten worden volgens de procedure van artikel 194, lid 3.

3. Behoudens goedkeuring door de Commissie die handelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure, kan een lidstaat vereenvoudigde procedures toepassen voor de in lid 2 bedoelde communautaire goederen die uitsluitend op zijn grondgebied worden vervoerd, en kunnen twee of meer lidstaten eveneens overeenkomen dat vereenvoudigde procedures gelden voor het vervoer van dergelijke goederen tussen deze landen.

TITEL II

ELEMENTEN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN INVOER- OF UITVOERRECHTEN EN ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN

HOOFDSTUK 1

GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF EN TARIEFINDELING VAN GOEDEREN

Artikel 36

Gemeenschappelijk douanetarief

1. De invoer- en uitvoerrechten zijn op het gemeenschappelijk douanetarief gebaseerd.

Andere maatregelen die uit hoofde van specifieke communautaire bepalingen in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld, worden, in voorkomend geval, volgens de tariefindeling van deze goederen toegepast.

2. Het gemeenschappelijk douanetarief omvat:

a) de gecombineerde nomenclatuur van goederen als vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief [15];

b) iedere andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van verdere indelingen is overgenomen en die voor de toepassing van tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen is vastgesteld;

c) de conventionele of gewone autonome invoerrechten van toepassing op goederen die onder de gecombineerde nomenclatuur vallen;

d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap heeft gesloten;

e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap unilateraal zijn vastgesteld;

f) de autonome maatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van invoerrechten is voorzien;

g) de gunstige tariefbehandeling voor bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming in het kader van de onder c) tot en met f) of onder h) bedoelde maatregelen;

h) de overige tariefmaatregelen waarin communautaire landbouw- of handelsvoorschriften of overige communautaire voorschriften voorzien.

3. Wanneer de betrokken goederen aan de in lid 2, onder d) tot en met g), vastgestelde voorwaarden voldoen, treden de in die bepalingen bedoelde maatregelen op verzoek van de aangever in de plaats van de onder c) van dat lid genoemde maatregelen. Dit verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de in de toepasselijke maatregel of het wetboek vastgestelde termijnen en voorwaarden is voldaan.

4. Indien de toepassing van de in lid 2, onder d) tot en met g), bedoelde maatregelen of de vrijstelling van de onder h) van dat lid bedoelde maatregelen tot een bepaald invoer- of uitvoervolume wordt beperkt, neemt deze toepassing of vrijstelling, in het geval van tariefcontingenten, een einde zodra het vastgestelde invoer- of uitvoervolume is bereikt.

In het geval van tariefplafonds neemt deze toepassing een einde bij een besluit van de Gemeenschap.

Artikel 37

Tariefindeling van goederen

Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief betekent "tariefindeling" van goederen het vaststellen van een van de onderverdelingen of verdere indelingen van de gecombineerde nomenclatuur waaronder die goederen moeten worden ingedeeld.

Voor de toepassing van niet-tarifaire maatregelen betekent "tariefindeling" van goederen het vaststellen van een van de onderverdelingen of verdere indelingen van de gecombineerde nomenclatuur of van enige andere nomenclatuur die bij communautair besluit is vastgesteld en waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van verdere indelingen is overgenomen, waaronder die goederen moeten worden ingedeeld.

De overeenkomstig de eerste of tweede alinea vastgestelde onderverdeling of verdere indeling wordt gebruikt voor de toepassing van de bij die onderverdeling behorende maatregelen.

HOOFDSTUK 2

OORSPRONG VAN GOEDEREN

Afdeling 1

Niet-preferentiële oorsprong

Artikel 38

Toepassingsgebied

In de artikelen 39, 40 en 41 zijn de regels vastgesteld voor de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen met het oog op de toepassing van:

a) het gemeenschappelijk douanetarief, met uitzondering van de in artikel 36, lid 2, onder d) en e), bedoelde maatregelen;

b) andere maatregelen dan tariefmaatregelen die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld;

c) andere communautaire maatregelen met betrekking tot de oorsprong van goederen.

Artikel 39

Verkrijging van de oorsprong

1. Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.

2. Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen of gebieden betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land of gebied waar de laatste ingrijpende be- of verwerking heeft plaatsgevonden.

Artikel 40

Bewijs van oorsprong

1. Indien in de douaneaangifte de oorsprong van de goederen is vermeld overeenkomstig de douanewetgeving, kunnen de douaneautoriteiten van de aangever eisen dat hij die oorsprong aantoont.

2. Indien het bewijs van oorsprong van de goederen wordt geleverd overeenkomstig de douanewetgeving of andere specifieke communautaire wetgeving, kunnen de douaneautoriteiten, in geval van gegronde twijfel, elk aanvullend bewijs eisen om zich ervan te overtuigen dat de vermelding van de oorsprong voldoet aan de regels die bij de desbetreffende communautaire voorschriften zijn vastgesteld.

3. Een document tot staving van de oorsprong kan in de Gemeenschap worden afgegeven wanneer dit voor de behoeften van het handelsverkeer nodig is.

Artikel 41

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen vast voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 39 en 40.

Afdeling 2

Preferentiële oorsprong

Artikel 42

Preferentiële oorsprong van goederen

1. Om voor de in artikel 36, lid 2, onder d) of e), bedoelde maatregelen of voor niet-tarifaire preferentiële maatregelen in aanmerking te komen, moeten goederen voldoen aan de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde regels betreffende de preferentiële oorsprong.

2. Voor goederen die in aanmerking komen voor preferentiële maatregelen in het kader van overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap heeft gesloten, worden de regels betreffende de preferentiële oorsprong bij die overeenkomsten vastgesteld.

3. Voor goederen die in aanmerking komen voor de preferentiële tariefmaatregelen die unilateraal door de Gemeenschap zijn vastgesteld ten gunste van bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap, behalve die welke in lid 5 worden genoemd, neemt de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van de regels betreffende de preferentiële oorsprong.

4. Voor goederen die in aanmerking komen voor de in Protocol nr. 2 bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal opgenomen preferentiële maatregelen die van toepassing zijn op de handel tussen het douanegebied van de Gemeenschap en Ceuta en Melilla, neemt de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de regels betreffende de preferentiële oorsprong.

5. Voor goederen die in aanmerking komen voor de preferentiële maatregelen in de preferentiële regelingen ten gunste van de met de Gemeenschap geassocieerde landen en gebieden overzee, worden de regels betreffende de preferentiële oorsprong vastgesteld overeenkomstig artikel 187 van het Verdrag.

6. Wanneer zij namens de Gemeenschap onderhandelt over de overeenkomsten bedoeld in lid 2 of een voorstel indient voor de vaststelling, met een verordening die krachtens artikel 251 of overeenkomstig artikel 187 van het Verdrag wordt goedgekeurd, van de regels bedoeld in leden 3, 4 en 5, houdt de Commissie met name rekening:

a) met de afspraken die de Gemeenschap heeft gemaakt en de verplichtingen die zij op zich heeft genomen in het kader van internationale overeenkomsten,

b) met het feit dat criteria met betrekking tot de oorsprong van producten moeten worden vastgesteld die aan de kenmerken van elk product zijn aangepast en waarmee wordt gegarandeerd dat het economische voordeel van de preferentiële maatregelen daadwerkelijk is voorbehouden voor de landen, gebieden of groepen van landen of gebieden voor wie deze maatregelen zijn overeengekomen of vastgesteld,

c) met het ontwikkelingspeil en het industrialiseringspeil van de landen, gebieden of groepen van landen of gebieden voor wie de preferentiële maatregelen zijn overeengekomen of vastgesteld,

d) met de doelstelling van regionale integratie die de basis van sommige van de preferentiële regelingen in kwestie vormt, via de vaststelling van adequate cumuleringsregels,

e) met het feit dat regels moeten worden vastgesteld die gemakkelijk te begrijpen en toe te passen zijn, die het mogelijk maken dat de operatoren van de landen, gebieden of groepen van landen of gebieden voor wie de preferentiële maatregelen zijn overeengekomen of vastgesteld, daadwerkelijk een beroep op de preferentiële maatregelen doen en die verenigbaar zijn met de doelstelling van bevordering van de handel.

Zij voorziet in adequate controlemaatregelen waarmee misbruik of omzeiling van de preferentiële maatregelen kan worden voorkomen of gestraft.

7. De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure de nodige maatregelen vast voor de tenuitvoerlegging van de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel bedoelde regels.

HOOFDSTUK 3

DOUANEWAARDE VAN GOEDEREN

Artikel 43

Toepassingsgebied

De douanewaarde van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en van niet-tarifaire maatregelen die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld, wordt overeenkomstig de artikelen 44 tot en met 47 vastgesteld.

Artikel 44

Transactiewaarde

1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, in voorkomend geval na correctie overeenkomstig volgens lid 4 genomen maatregelen, hierna "de transactiewaarde" genoemd.

De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, hetzij door de koper aan de verkoper, hetzij door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper, werkelijk zijn of moeten worden verricht. De betaling hoeft niet noodzakelijk in geld te geschieden; zij kan door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier worden verricht en zowel direct als indirect geschieden.

2. De transactiewaarde is van toepassing mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, met uitzondering van die welke

i) bij de wet of door de autoriteiten in de Gemeenschap worden opgelegd of geëist,

ii) het geografische gebied beperken waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht,

iii) de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloeden;

b) de verkoop of de prijs is niet afhankelijk van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de te waarderen goederen niet kan worden vastgesteld;

c) geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht dan wel elk later gebruik van de goederen door de koper zal de verkoper direct of indirect ten goede komen, tenzij een passende correctie overeenkomstig volgens lid 4 aangenomen maatregelen kan worden toegepast;

d) koper en verkoper hebben geen banden met elkaar of, indien dat wel het geval is, de transactiewaarde is voor douanedoeleinden aanvaardbaar overeenkomstig lid 3.

3. Voor de toepassing van lid 2, onder d), vormt de omstandigheid dat de koper en de verkoper banden met elkaar hebben, op zich geen voldoende reden om de transactiewaarde als niet-aanvaardbaar aan te merken. Indien noodzakelijk worden de omstandigheden van de verkoop onderzocht en wordt de transactiewaarde aanvaard wanneer die banden geen invloed op de prijs hebben gehad.

Indien de douaneautoriteiten, op grond van de informatie die van de aangever of uit andere bron is verkregen, redenen hebben om aan te nemen dat de banden tussen koper en verkoper de prijs hebben beïnvloed, delen zij die redenen aan de aangever mee en geven hem een redelijke mogelijkheid om te antwoorden.

4. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de elementen waarmee de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de bepaling van de douanewaarde moet worden vermeerderd of die daarvan kunnen worden uitgesloten.

Artikel 45

Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde

1. Indien de douanewaarde niet volgens artikel 44 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van dit artikel van toepassing is en dient de douanewaarde te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt.

De volgorde waarin de punten c) en d) worden toegepast, dient te worden omgekeerd indien de aangever daarom verzoekt.

2. De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is:

a) de transactiewaarde van identieke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

b) de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

c) de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Gemeenschap in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die geen banden hebben met de verkopers;

d) de berekende waarde, bestaande uit de som van:

i) de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte be- of verwerkingen;

ii) een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk is aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, naar het douanegebied van de Gemeenschap uitvoeren;

iii) de kosten of de waarde van het vervoer van de ingevoerde goederen tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, van de met dat vervoer verband houdende laad- en handlingkosten en van de verzekering van de goederen.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van alle nadere regels en voorwaarden voor de toepassing van lid 2 van dit artikel.

Artikel 46

Laatste methode voor het vaststellen van de douanewaarde

Indien de douanewaarde van ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 44 en 45 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Gemeenschap beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van:

a) de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel;

b) artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel;

c) dit hoofdstuk.

Voor de vaststelling van een douanewaarde met toepassing van de eerste alinea mag evenwel geen van de volgende elementen worden gebruikt:

a) de verkoopprijs in het douanegebied van de Gemeenschap van goederen die in dat gebied zijn voortgebracht;

b) een stelsel dat voor douanedoeleinden voorziet in de aanvaarding van de hoogste van twee in aanmerking komende waarden;

c) de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;

d) de kosten van voortbrenging, andere dan de berekende waarden die overeenkomstig artikel 45, lid 2, onder d), voor identieke of soortgelijke goederen zijn vastgesteld;

e) prijzen voor uitvoer naar een land dat niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behoort;

f) minimumdouanewaarden;

g) willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

Artikel 47

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van de regels voor de bepaling van de douanewaarde in specifieke gevallen alsmede ten aanzien van goederen waarvoor een douaneschuld ontstaat na gebruikmaking van een bijzondere regeling.

TITEL III

DOUANESCHULD EN ZEKERHEIDSTELLING

HOOFDSTUK 1

ONTSTAAN VAN DE DOUANESCHULD

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 48

Douaneschuld

Rechten bij invoer of bij uitvoer worden verschuldigd ten aanzien van specifieke goederen overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief en het te betalen bedrag vormt de douaneschuld.

Afdeling 2

Douaneschuld bij invoer

Artikel 49

In het vrije verkeer brengen, tijdelijke invoer

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer niet-communautaire goederen onder een van de volgende regelingen worden geplaatst:

a) in het vrije verkeer brengen;

b) tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten.

2. Een douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt, eveneens schuldenaar, als hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren.

Artikel 50

Bijzondere bepalingen betreffende goederen die niet van oorsprong zijn

1. Indien er een verbod geldt op de terugbetaling, kwijtschelding of vrijstelling van invoerrechten voor niet van oorsprong zijnde goederen die worden gebruikt voor de vervaardiging van producten waarvoor een bewijs van oorsprong wordt afgegeven of opgesteld in het kader van een preferentiële regeling tussen de Gemeenschap en bepaalde landen of gebieden dan wel groepen van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap, ontstaat een douaneschuld bij invoer ten aanzien van deze producten door:

a) de aanvaarding van de mededeling van wederuitvoer voor de betrokken producten die in het kader van de regeling actieve veredeling zijn verkregen; of

b) de aanvaarding van de aangifte voor de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen in geval van voorafgaande uitvoer van de betrokken veredelingsproducten.

2. Indien een douaneschuld ontstaat overeenkomstig lid 1, onder a), wordt het bedrag van de invoerrechten vastgesteld alsof het een douaneschuld betreft die is ontstaan door de aanvaarding, op dezelfde datum, van de aangifte voor het vrije verkeer van de niet van oorsprong zijnde goederen die zijn gebruikt voor de vervaardiging van de betrokken producten, ter beëindiging van de regeling actieve veredeling.

3. De leden 2 en 3 van artikel 49 zijn van toepassing. Bij niet-communautaire goederen als bedoeld in artikel 188 is de schuldenaar evenwel de persoon die de mededeling van wederuitvoer doet en, in geval van indirecte vertegenwoordiging, de persoon voor wiens rekening de mededeling wordt gedaan.

Artikel 51

Ontstaan van douaneschuld door niet-nakoming

1. In andere dan de in de artikelen 49 en 50 bedoelde gevallen ontstaat een douaneschuld bij invoer door niet-nakoming van:

a) een van de bij de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-communautaire goederen in het douanegebied van de Gemeenschap of betreffende het verkeer, de veredeling, de opslag, het gebruik of de overbrenging van goederen binnen dat douanegebied; of

b) een van de voorwaarden voor de plaatsing van niet-communautaire goederen onder een douaneregeling of voor de toekenning van een vrijstelling of van een verlaagd invoerrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen.

2. Het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, is:

a) het ogenblik waarop niet of niet langer is voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan; of

b) het ogenblik waarop de goederen onder de douaneregeling worden geplaatst of met het oog daarop worden aangegeven, wanneer achteraf blijkt dat in feite niet was voldaan aan een voorwaarde voor de plaatsing onder de regeling of de toekenning van een vrijstelling of van een verlaagd invoerrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen.

3. In de in lid 1, onder a), bedoelde gevallen is de schuldenaar:

a) eenieder die de betrokken verplichtingen diende na te komen; of

b) eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan en die handelde voor rekening van de persoon die de verplichting diende na te komen, of die deelnam aan de handeling die tot de niet-nakoming van de verplichting leidde; of

c) eenieder die de betrokken goederen heeft verworven of deze onder zich heeft gehad en die op het ogenblik waarop hij de goederen verwierf of ontving, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een de uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan.

In de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen is de schuldenaar de persoon die dient te voldoen aan de voorwaarden voor de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, voor de aangifte van goederen onder een douaneregeling, of voor de toekenning van een vrijstelling of van een verlaagd invoerrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van goederen.

Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde procedures wordt opgesteld of aan de douaneautoriteiten gegevens worden verstrekt die vereist zijn krachtens de douanewetgeving betreffende de plaatsing van goederen onder een douaneregeling, en de invoerrechten ten gevolge daarvan geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar.

Artikel 52

Aftrek van reeds betaalde rechten

1. Indien overeenkomstig artikel 51, lid 1, een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd invoerrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, wordt het bij het in het vrije verkeer brengen betaalde bedrag op het bedrag van de ontstane douaneschuld in mindering gebracht.

De eerste alinea is van overeenkomstige toepassing wanneer een douaneschuld ontstaat ten aanzien van de resten en afvallen die het resultaat zijn van de vernietiging van dergelijke goederen.

2. Indien overeenkomstig artikel 51, lid 1, een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst, wordt het onder de regeling voor de gedeeltelijke vrijstelling betaalde bedrag op het bedrag van de ontstane douaneschuld in mindering gebracht.

Afdeling 3

Douaneschuld bij uitvoer

Artikel 53

Aangifte ten uitvoer

1. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat wanneer goederen die aan uitvoerrechten zijn onderworpen, onder de regeling uitvoer worden geplaatst.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Wanneer een douaneaangifte is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de uitvoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar.

Artikel 54

Ontstaan van douaneschuld door niet-nakoming

1. In andere dan de in de artikelen 53 bedoelde gevallen en voorzover de goederen aan uitvoerrechten zijn onderworpen, ontstaat een douaneschuld bij uitvoer door niet-nakoming van:

a) een van de in de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen betreffende de uitgang, het verkeer of de overdracht van de goederen; of

b) de voorwaarden waarop de goederen het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten.

2. Het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, is:

a) het tijdstip waarop de goederen het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk verlaten zonder douaneaangifte; of

b) het tijdstip waarop de goederen een andere bestemming bereiken dan die op grond waarvan zij het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten; of

c) indien de douaneautoriteiten het onder b) bedoelde tijdstip niet kunnen bepalen, het tijdstip waarop de termijn verstrijkt waarbinnen het bewijs moest worden geleverd dat aan de voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.

3. Wanneer aan uitvoerrechten onderworpen goederen het douanegebied van de Gemeenschap zonder douaneaangifte verlaten, is schuldenaar:

a) eenieder die de betrokken verplichting diende na te komen; of

b) eenieder die heeft deelgenomen aan de handeling die tot de niet-nakoming van de verplichting leidde, en die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat geen douaneaangifte was ingediend, ofschoon een dergelijke aangifte wel had moeten worden ingediend.

4. Wanneer een douaneschuld ontstaat als gevolg van de niet-nakoming van de voorwaarden waaronder de goederen het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van uitvoerrechten mochten verlaten, is schuldenaar:

a) de aangever; of

b) in geval van indirecte vertegenwoordiging de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan.

Afdeling 4

Gemeenschappelijke bepalingen voor douaneschuld bij invoer en bij uitvoer

Artikel 55

Verboden en beperkingen

De douaneschuld bij invoer of uitvoer ontstaat ook voor goederen waarvoor enig verbod op of enige beperking van de invoer of de uitvoer geldt.

Er ontstaat evenwel geen douaneschuld bij het op onregelmatige wijze binnenbrengen in het douanegebied van de Gemeenschap van vals geld of verdovende middelen en psychotrope stoffen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng gecontroleerde economische circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden.

Voor de toepassing van sancties op inbreuken op de douanewetgeving wordt de douaneschuld toch geacht te zijn ontstaan indien de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat de douanerechten of het bestaan van een douaneschuld als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties.

Artikel 56

Meerdere schuldenaren

Indien er voor eenzelfde douaneschuld meerdere schuldenaren zijn, zijn zij elk afzonderlijk tot betaling van de volledige schuld gehouden.

De douaneschuld zal echter in eerste instantie worden geïnd bij de geregistreerde importeur of exporteur.

Indien een of meer van deze personen de douanewetgeving doelbewust hebben overtreden, worden deze personen het eerst aangesproken voor de invordering van de douaneschuld.

Artikel 57

Algemene regels voor de berekening van het bedrag van de rechten

1. Het bedrag aan in- of uitvoerrechten wordt vastgesteld op basis van de regels voor de berekening van die rechten die van toepassing waren op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan.

2. Indien het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan, niet nauwkeurig kan worden bepaald, wordt dat tijdstip geacht het tijdstip te zijn waarop de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die een douaneschuld heeft doen ontstaan.

Indien uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, evenwel blijkt dat de douaneschuld vroeger is ontstaan dan op het tijdstip waarop zij tot die vaststelling kwamen, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op het vroegste tijdstip waarop het bestaan van die situatie kan worden vastgesteld.

3. Wanneer de douanewetgeving in een gunstige tariefbehandeling, een ontheffing of een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoer- of uitvoerrechten voorziet overeenkomstig artikel 36, lid 2, onder d) tot en met g), de artikelen 136 tot en met 140, artikel 177 en de artikelen 180 tot en met 183, is die gunstige tariefbehandeling, ontheffing of vrijstelling ook van toepassing wanneer een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 51 of 54, mits de betrokkene geen fraude heeft gepleegd.

Artikel 58

Bijzondere regels voor de berekening van het bedrag van de rechten

1. Wanneer voor onder een douaneregeling geplaatste goederen in het douanegebied van de Gemeenschap kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen zijn ontstaan, worden deze kosten of de waardevermeerdering niet in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag van de invoerrechten voorzover de aangever afdoende bewijs van het bestaan van deze kosten levert.

De douanewaarde, aard en oorsprong van niet-communautaire goederen die bij de behandelingen zijn gebruikt, worden echter wel in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten.

2. Indien de tariefindeling van onder een douaneregeling geplaatste goederen wijzigt als gevolg van gebruikelijke handelingen in het douanegebied van de Gemeenschap, wordt op verzoek van de aangever de oorspronkelijke tariefindeling voor de onder deze regeling geplaatste goederen toegepast.

3. Indien een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, wordt het bedrag van die schuld op verzoek van de aangever vastgesteld op basis van de tariefindeling, douanewaarde, aard en oorsprong van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen op het tijdstip waarop de aangifte voor deze goederen is aanvaard.

Artikel 59

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van:

a) de regels voor de berekening van het bedrag aan in- of uitvoerrechten;

b) verdere bijzondere regels voor specifieke regelingen.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die niet-essentiële onderdelen van deze verordening wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van afwijkingen van de artikelen 57 en 58.

Artikel 60

Plaats waar de douaneschuld ontstaat

1. Een douaneschuld ontstaat op de plaats waar de in de artikelen 49 en 53 bedoelde douaneaangifte wordt ingediend of overeenkomstig artikel 128, lid 3, wordt geacht te zijn ingediend.

In alle andere gevallen is de plaats waar een douaneschuld ontstaat, de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.

Indien deze plaats niet kan worden bepaald, ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid.

2. Indien de goederen zich onder een niet-gezuiverde douaneregeling bevinden en de plaats niet overeenkomstig lid 1, tweede of derde alinea, binnen een bepaalde termijn kan worden vastgesteld, ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de goederen onder de betrokken regeling zijn geplaatst dan wel het douanegebied van de Gemeenschap onder deze regeling zijn binnengekomen.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde termijn.

3. Indien uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld op verschillende plaatsen kan zijn ontstaan, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar deze schuld het eerst is ontstaan.

4. Indien een douaneautoriteit vaststelt dat krachtens artikel 51, lid 1, onder a), in een andere lidstaat een douaneschuld is ontstaan voor een bedrag van minder dan 100000euro, wordt deze geacht te zijn ontstaan in de lidstaat waarin het ontstaan van die schuld is vastgesteld.

HOOFDSTUK 2

ZEKERHEIDSTELLING VOOR EEN MOGELIJKE OF BESTAANDE DOUANESCHULD

Artikel 61

Algemene bepalingen

1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op de zekerheidstelling voor zowel douaneschulden die reeds zijn ontstaan als die welke kunnen ontstaan, tenzij anders bepaald.

2. De douaneautoriteiten kunnen van de schuldenaar eisen dat hij zekerheid stelt om de betaling van een douaneschuld en van andere heffingen, met name BTW en accijnsrechten overeenkomstig de geldende BTW- en accijnsvoorschriften, te garanderen.

3. Indien de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld, dient deze te worden gesteld door de schuldenaar of door de persoon die schuldenaar kan worden.

4. De douaneautoriteiten eisen voor bepaalde goederen of een bepaalde aangifte slechts één zekerheidstelling.

De voor een bepaalde aangifte gestelde zekerheid geldt voor de douaneschuld ten aanzien van alle onder die aangifte vallende of vrijgegeven goederen, ongeacht of deze aangifte juist is.

5. De douaneautoriteiten staan toe dat zekerheid wordt gesteld door een andere persoon dan die van wie de zekerheidstelling wordt geëist.

6. Op verzoek van de in de leden 3 of 5 bedoelde persoon kunnen de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 67, leden 1 en 2, toestaan dat een doorlopende zekerheid wordt gesteld ter dekking van de douaneschuld voor twee of meer transacties, aangiften of regelingen.

7. Er wordt geen zekerheidstelling geëist van staten, regionale en plaatselijke overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke lichamen in verband met de activiteiten die zij als overheid uitoefenen.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van andere gevallen waarin geen zekerheid of slechts een beperkte zekerheid dient te worden geëist.

8. De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot zekerheidstelling wanneer het bedrag van de te stellen zekerheid niet hoger is dan de overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad van 22 mei 1995 betreffende de statistieken van het goederenverkeer van de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen [16] vastgestelde statistische drempel voor aangiften.

9. Een door de douaneautoriteiten aanvaarde of toegestane zekerheid is geldig voor het gehele douanegebied van de Gemeenschap voor de doeleinden waarvoor zij is gesteld.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit lid.

Artikel 62

Verplichte zekerheid

1. Indien zekerheidstelling verplicht is, stellen de douaneautoriteiten, behoudens de overeenkomstig lid 3 vastgestelde maatregelen, het bedrag van de zekerheid vast op een niveau dat gelijk is aan het precieze bedrag van de douaneschuld, indien dit bedrag op het tijdstip waarop de zekerheidstelling wordt geëist, nauwkeurig kan worden bepaald.

Indien het niet mogelijk is het precieze bedrag van de douaneschuld te bepalen, wordt het bedrag van de zekerheid vastgesteld op het door de douaneautoriteiten geraamde hoogste bedrag van de douaneschuld die is of kan ontstaan.

2. Onverminderd artikel 67 dient, indien een doorlopende zekerheid wordt gesteld voor douaneschulden waarvan het bedrag in de tijd varieert, deze zekerheid op een zodanig niveau te worden vastgesteld dat het bedrag van de douaneschulden steeds is gedekt.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van lid 1 van dit artikel.

Artikel 63

Facultatieve zekerheid

Indien de zekerheidstelling facultatief is, wordt zij in ieder geval door de douaneautoriteiten geëist als deze van oordeel zijn dat de betaling van een douaneschuld binnen de gestelde termijn onzeker is. Het bedrag van de zekerheid wordt door deze autoriteiten vastgesteld op een niveau dat niet hoger is als bedoeld in artikel 62.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen waarin wordt vastgesteld wanneer de zekerheidstelling facultatief is.

Artikel 64

Zekerheidstelling

1. Een zekerheid kan op een van de volgende wijzen worden gesteld:

a) door storting van contant geld of door iedere andere vorm van betaling die door de douaneautoriteiten wordt gelijkgesteld met een storting van contant geld, in euro's of in de valuta van de lidstaat waar de zekerheid wordt geëist;

b) door borgstelling;

c) door een andere vorm van zekerheid die een gelijkwaardige garantie voor de betaling van de douaneschuld biedt, zoals een verklaring van overeenstemming met een bestaand sectorieel akkoord, een notariële verklaring, een bijzonder akkoord tussen bedrijven en douaneautoriteiten, enz..

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de in de eerste alinea, onder c), van dit lid bedoelde vormen van zekerheid.

2. Een zekerheid in de vorm van een storting van contant geld of een daarmee gelijkgestelde betaling dient te worden gesteld overeenkomstig de geldende voorschriften in de lidstaat waar de zekerheidstelling wordt geëist.

Artikel 65

Keuze van zekerheidstelling

De persoon die zekerheid moet stellen heeft de keuze tussen de in artikel 64, lid 1, genoemde wijzen van zekerheidstelling.

De douaneautoriteiten kunnen echter weigeren de gekozen wijze van zekerheidstelling te aanvaarden wanneer deze onverenigbaar is met de goede werking van de desbetreffende douaneregeling.

De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de gekozen wijze van zekerheidstelling gedurende een bepaalde periode gehandhaafd blijft.

Artikel 66

Borg

1. De in artikel 64, lid 1, onder b), bedoelde borg is een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde derde. De douaneautoriteiten die de zekerheid eisen, moeten hun goedkeuring geven aan de borg, tenzij deze een bank is of een andere officieel erkende financiële instelling in de Gemeenschap.

2. De borg verbindt zich er schriftelijk toe het bedrag van de douaneschuld waarvoor zekerheid is gesteld, te betalen.

De borgstelling dekt ook, binnen de grenzen van het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, de bedragen aan in- of uitvoerrechten die verschuldigd worden bij een controle achteraf.

3. De douaneautoriteiten kunnen weigeren hun goedkeuring te geven aan de voorgestelde borg of wijze van zekerheidstelling, indien deze naar hun mening niet alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald.

Artikel 67

Doorlopende zekerheid

1. De in artikel 61, lid 6, bedoelde machtiging wordt uitsluitend verleend aan personen die de volgende voorwaarden vervullen:

a) zij zijn in de Gemeenschap gevestigd;

b) zij hebben de douane- of belastingwetten niet ernstig of herhaaldelijk overtreden;

c) zij maken geregeld gebruik van de betrokken regelingen of de douaneautoriteiten weten dat zij in staat zijn aan de uit deze regelingen voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

2. Indien een doorlopende zekerheid moet worden gesteld voor mogelijke douaneschulden, mag een bedrijf een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag stellen dan wel van zekerheidstelling worden ontheven overeenkomstig artikel 61, lid 7, mits ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) correct gebruik van de betrokken douaneregeling gedurende een bepaalde periode;

b) samenwerking met de douaneautoriteiten;

c) voor een ontheffing van zekerheidstelling: een financiële positie die zo goed is dat aan de verplichtingen kan worden voldaan.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen betreffende het verlenen van machtigingen krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel.

Artikel 68

Aanvullende bepalingen betreffende het gebruik van de zekerheid

1. Indien een douaneschuld kan ontstaan in het kader van de bijzondere regelingen, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing.

2. De krachtens artikel 67, lid 2, verleende ontheffing van zekerheidstelling geldt niet voor goederen die worden geacht een verhoogd risico met zich te brengen.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea van dit lid.

3. In bijzondere omstandigheden kan de Commissie bij wijze van uitzondering overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels het tijdelijk verbod een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag als bedoeld in artikel 67, lid 2, te gebruiken.

4. Wanneer op grote schaal blijkt te zijn gefraudeerd met goederen die door een doorlopende zekerheid werden gedekt, kan de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels het tijdelijk verbod om het gebruik van een doorlopende zekerheid tijdelijk te gebruiken.

Artikel 69

Aanvullende of vervangende zekerheid

Indien de douaneautoriteiten vaststellen dat de gestelde zekerheid niet of niet meer alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn in haar geheel zal worden voldaan, eisen zij van een van de in artikel 61, lid 3, bedoelde personen dat deze, naar eigen keuze, hetzij een aanvullende zekerheid stelt, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe vervangt.

Artikel 70

Vrijgave van de zekerheid

1. De zekerheid wordt door de douaneautoriteiten vrijgegeven wanneer de douaneschuld is tenietgegaan of niet meer kan ontstaan.

2. Indien de douaneschuld ten dele is tenietgegaan of voor een gedeelte van het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld, niet meer kan ontstaan, wordt de gestelde zekerheid op verzoek van de betrokkene dienovereenkomstig gedeeltelijk vrijgegeven, tenzij het betrokken bedrag zulks niet rechtvaardigt.

3. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aannemen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 en 2 van dit artikel.

HOOFDSTUK 3

INVORDERING EN BETALING VAN RECHTEN EN TERUGBETALING EN KWIJTSCHELDING VAN RECHTEN

Afdeling 1

Vaststelling van het bedrag van de rechten, mededeling aan de schuldenaar en boeking

Artikel 71

Vaststelling van het bedrag van de rechten

Het verschuldigde bedrag aan rechten wordt vastgesteld door de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het grondgebied waar de douaneschuld overeenkomstig artikel 60 is ontstaan of wordt geacht te zijn ontstaan, zodra zij over de nodige gegevens beschikken.

Artikel 72

Mededeling van de douaneschuld

1. Het verschuldigde bedrag aan rechten wordt meegedeeld aan de schuldenaar in de vorm die is voorgeschreven bij het nationale recht van het gebied waar de schuld is ontstaan.

De in de eerste alinea bedoelde mededeling wordt niet gedaan:

a) wanneer, in afwachting van de definitieve vaststelling van het bedrag aan rechten, een voorlopige handelspolitieke maatregel in de vorm van een recht is vastgesteld;

b) wanneer het verschuldigde bedrag aan rechten hoger is dan het bedrag dat is vastgesteld op basis van een overeenkomstig artikel 21 gegeven beschikking;

c) wanneer het oorspronkelijke besluit om het bedrag aan rechten niet mee te delen of om een lager dan het verschuldigde bedrag aan rechten mee te delen, is genomen op grond van algemene bepalingen die bij een rechterlijke uitspraak ongeldig worden verklaard;

d) wanneer de douaneautoriteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot mededeling van het bedrag aan rechten.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de tweede alinea, onder d), van dit lid.

2. Indien het verschuldigde bedrag aan rechten gelijk is aan het in de douaneaangifte vermelde bedrag, behoeft de in lid 1 bedoelde mededeling niet te worden gedaan.

In dit geval staat de vrijgave van de goederen door de douaneautoriteiten gelijk aan een mededeling van het verschuldigde bedrag aan rechten aan de schuldenaar.

3. Indien lid 2 van dit artikel niet van toepassing is, wordt aan de schuldenaar mededeling gedaan van het verschuldigde bedrag aan rechten uiterlijk veertien dagen na de datum waarop de douaneautoriteiten dit bedrag overeenkomstig artikel 17, lid 4, hebben kunnen vaststellen.

Artikel 73

Termijn voor mededeling van een douaneschuld

1. De mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar moet geschieden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.

2. Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar verlengd tot tien jaar.

3. Indien beroep wordt ingesteld krachtens artikel 24, worden de bij de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen geschorst voor de duur van de beroepsprocedure vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld.

4. Indien een douaneschuld overeenkomstig artikel 84, lid 3, opnieuw ontstaat, worden de bij de leden 1 en 2 vastgestelde termijnen geacht te zijn geschorst vanaf de dag waarop het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding overeenkomstig artikel 90 is ingediend tot de dag waarop een beschikking over de terugbetaling of de kwijtschelding is gegeven.

Artikel 74

Boeking

1. De in artikel 71 bedoelde douaneautoriteiten boeken het verschuldigde bedrag aan rechten.

De eerste alinea is niet van toepassing in de in artikel 72, lid 1, tweede alinea, bedoelde gevallen.

De douaneautoriteiten behoeven geen bedragen aan rechten te boeken waarvan overeenkomstig artikel 73 geen mededeling aan de schuldenaar meer kon worden gedaan.

2. De lidstaten stellen nadere voorschriften vast voor de boeking van de bedragen aan rechten. Deze voorschriften kunnen verschillen naargelang de douaneautoriteiten er al dan niet verzekerd van zijn dat, gezien de omstandigheden waarin de douaneschuld is ontstaan, die bedragen zullen worden betaald.

Artikel 75

Tijdstip van boeking

1. Indien door de aanvaarding van de aangifte van goederen voor een andere douaneregeling dan die van tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, of door enige andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als die aanvaarding, een douaneschuld ontstaat, boeken de douaneautoriteiten het verschuldigde bedrag aan rechten uiterlijk veertien dagen na de vrijgave van de goederen.

Niettemin kan, mits de betaling is gegarandeerd, het volledige bedrag aan rechten voor alle goederen die tijdens een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste 31 dagen ten gunste van eenzelfde persoon werden vrijgegeven, aan het einde van deze periode in één keer worden geboekt. Deze boeking dient te geschieden uiterlijk vijf dagen na afloop van de betrokken periode.

2. Indien goederen kunnen worden vrijgegeven op bepaalde voorwaarden die aan de vaststelling dan wel de inning van het bedrag aan rechten zijn verbonden, geschiedt de boeking uiterlijk veertien dagen na vaststelling van het bedrag aan rechten of de verplichting tot betaling van dat recht.

Indien de douaneschuld evenwel betrekking heeft op een voorlopige handelspolitieke maatregel in de vorm van een recht, dient het verschuldigde bedrag aan rechten te worden geboekt uiterlijk twee maanden na de dag waarop de verordening tot instelling van de definitieve handelspolitieke maatregel in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt.

3. Indien een douaneschuld ontstaat onder andere dan de in lid 1 bedoelde omstandigheden, dient het verschuldigde bedrag aan rechten te worden geboekt uiterlijk veertien dagen na de dag waarop de douaneautoriteiten in staat zijn het bedrag aan rechten te berekenen en de schuldenaar te bepalen.

4. Lid 3 is van overeenkomstige toepassing op het in te vorderen of nog in te vorderen bedrag aan rechten wanneer het verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 of wanneer een lager dan het verschuldigde bedrag is vastgesteld en geboekt.

5. De in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde termijnen voor boeking zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.

Artikel 76

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van de regels voor de boeking.

Afdeling 2

Termijn en wijzen van betaling van de rechten

Artikel 77

Algemene termijn voor betaling, toezicht op betaling

1. Elk bedrag aan rechten dat is meegedeeld overeenkomstig artikel 72, dient binnen de door de douaneautoriteiten voorgeschreven termijn door de schuldenaar te worden voldaan.

Onverminderd artikel 25, lid 2, mag deze termijn niet meer bedragen dan tien dagen vanaf de mededeling van het verschuldigde bedrag aan rechten aan de schuldenaar. In geval van boeking van alle bedragen in één keer op de voorwaarden van artikel 75, lid 1, tweede alinea, wordt de termijn zodanig vastgesteld dat de schuldenaar geen langere betalingstermijn wordt toegekend dan wanneer hij voor uitstel van betaling in aanmerking zou zijn gekomen overeenkomstig artikel 79.

Verlenging van de termijn wordt ambtshalve toegestaan wanneer vaststaat dat de belanghebbende de mededeling te laat heeft ontvangen om de voor betaling toegekende termijn in acht te kunnen nemen.

Verlenging van de termijn kan op verzoek van de schuldenaar ook worden toegestaan, wanneer het verschuldigde bedrag aan rechten is vastgesteld bij een controle achteraf als bedoeld in artikel 29. Onverminderd artikel 82, lid 1, mag de aldus toegestane verlenging van de termijn niet meer bedragen dan de tijd die de schuldenaar nodig heeft om de voor de nakoming van zijn verplichtingen noodzakelijke maatregelen te nemen.

2. Indien de schuldenaar voor een van de in de artikelen 79 tot en met 82 vastgestelde betalingsfaciliteiten in aanmerking komt, dient de betaling te geschieden binnen de in het kader van deze faciliteiten vastgestelde termijn of termijnen.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van de voorwaarden voor de schorsing van de betalingstermijn wanneer:

a) overeenkomstig artikel 90 een verzoek om kwijtschelding van de rechten wordt ingediend;

b) goederen moeten worden verbeurdverklaard, moeten worden vernietigd of aan de staat moeten worden afgestaan;

c) de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 51 en er meer dan één schuldenaar is.

Artikel 78

Betaling

1. De betaling dient in contanten te geschieden of met elk ander middel dat een soortgelijk bevrijdend karakter heeft, compensatie daaronder begrepen, zoals overeengekomen met de douaneautoriteiten.

2. De betaling kan door een andere persoon dan de schuldenaar worden verricht.

Artikel 79

Uitstel van betaling

Onverminderd artikel 85 stellen de douaneautoriteiten de belanghebbende, indien deze daarom verzoekt en zekerheid stelt, uitstel van betaling van de verschuldigde rechten toe op een van de onderstaande wijzen:

a) afzonderlijk voor elk bedrag aan rechten dat overeenkomstig artikel 75, lid 1, eerste alinea, of artikel 75, lid 4, is geboekt;

b) voor het geheel van alle bedragen aan rechten die overeenkomstig artikel 75, lid 1, eerste alinea, zijn geboekt binnen een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste 31 dagen;

c) voor het geheel van alle bedragen aan rechten die uit hoofde van artikel 75, lid 1, tweede alinea, in één keer zijn geboekt.

Artikel 80

Termijnen voor uitstel van betaling

1. De termijn waarvoor uitstel van betaling krachtens artikel 79 wordt verleend, bedraagt 30 dagen. Deze termijn wordt berekend op de bij de leden 2, 3 en 4 vastgestelde wijze.

2. Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 79, onder a), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop het verschuldigde bedrag aan rechten aan de schuldenaar is medegedeeld.

3. Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 79, onder b), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop de periode verstrijkt waarbinnen de bedragen aan rechten waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, zijn geboekt. Deze termijn wordt verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal dagen dat deze periode omvat.

4. Indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 79, onder c), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop de periode verstrijkt die is vastgesteld voor de vrijgave van de betrokken goederen. Deze termijn wordt verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal dagen dat deze periode omvat.

5. Indien de in de leden 3 en 4 bedoelde perioden uit een oneven aantal dagen bestaan, is het aantal dagen dat overeenkomstig deze leden op de termijn van 30 dagen in mindering moet worden gebracht, gelijk aan de helft van het even getal dat onmiddellijk aan het oneven getal voorafgaat.

6. Indien de in de leden 3 en 4 bedoelde perioden kalenderweken zijn, kunnen de lidstaten bepalen dat de bedragen aan rechten waarvoor uitstel van betaling werd verleend, dienen te worden betaald uiterlijk op de vrijdag van de vierde week volgende op de betrokken kalenderweek.

Indien deze perioden kalendermaanden zijn, kunnen de lidstaten bepalen dat de bedragen aan rechten waarvoor uitstel van betaling werd verleend, dienen te worden betaald uiterlijk op de zestiende dag van de maand volgende op de betrokken kalendermaand.

Artikel 81

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van de regels voor uitstel van betaling in gevallen waarin de douaneaangifte is vereenvoudigd overeenkomstig de artikelen 125 of 127.

Artikel 82

Overige betalingsfaciliteiten

1. De douaneautoriteiten kunnen de schuldenaar andere betalingsfaciliteiten dan uitstel van betaling toestaan mits zekerheid wordt gesteld.

Van deze eis tot zekerheidstelling kan evenwel worden afgezien wanneer is vastgesteld dat een dergelijke eis, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

Wanneer faciliteiten worden verleend overeenkomstig de eerste alinea, wordt over het bedrag aan rechten kredietrente in rekening gebracht. Het bedrag van deze rente dient gelijk te zijn aan het bedrag dat uit dien hoofde op de euromarkt of, in voorkomend geval, de binnenlandse markt van de valuta waarin het bedrag dient te worden voldaan, verschuldigd zou zijn.

De douaneautoriteiten kunnen ervan afzien kredietrente in rekening te brengen indien zulks, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

2. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging van lid 1.

Artikel 83

Afdwinging van betaling, achterstallen

1. Wanneer het verschuldigde bedrag aan rechten niet binnen de gestelde termijn is voldaan, verzekeren de douaneautoriteiten zich van de betaling van dat bedrag met alle middelen die hun krachtens de wetgeving van de lidstaat ter beschikking staan.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen, die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen, ter verzekering van de betaling door de borg in het kader van een bijzondere regeling.

2. Over het bedrag aan rechten wordt vertragingsrente in rekening gebracht vanaf de datum waarop de gestelde termijn afloopt tot de datum waarop dat bedrag is voldaan. Het tarief van de vertragingsrente mag niet meer dan één procentpunt hoger zijn dan het tarief van de kredietrente op de euromarkt of de betrokken binnenlandse valutamarkt. Het mag niet lager zijn dan dit laatste tarief.

3. Wanneer het bedrag van een douaneschuld is medegedeeld overeenkomstig artikel 72, lid 3, wordt behalve het bedrag aan rechten vertragingsrente in rekening gebracht vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan tot de dag waarop de schuld is medegedeeld.

Het tarief van de vertragingsrente wordt vastgesteld overeenkomstig lid 2.

4. De douaneautoriteiten kunnen ervan afzien vertragingsrente in rekening te brengen indien zulks, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van de gevallen, wat termijnen en bedragen betreft, waarin de douaneautoriteiten kunnen afzien van de heffing van vertragingsrente.

Afdeling 3

Terugbetaling en kwijtschelding van rechten

Artikel 84

Algemene bepalingen

1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

a) terugbetaling: de teruggave van invoer- of uitvoerrechten die zijn voldaan;

b) kwijtschelding: ontheffing van de verplichting tot betaling van een niet voldaan bedrag aan invoer- of uitvoerrechten.

Iedere verwijzing in deze afdeling naar invoer- of uitvoerrechten wordt geacht ook betrekking te hebben op vertragingsrente.

2. Terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.

Er wordt echter wel rente betaald wanneer een beschikking tot terugbetaling overeenkomstig artikel 85 niet binnen drie maanden vanaf de dag waarop deze beschikking werd gegeven, ten uitvoer wordt gelegd.

In dit geval wordt de rente betaald vanaf de dag waarop de termijn van drie maanden verstrijkt tot de dag van terugbetaling. Het tarief van deze rente is gelijk aan het tarief van de rente op de euromarkt of de betrokken binnenlandse valutamarkt.

3. Wanneer een douaneautoriteit ten onrechte terugbetaling of kwijtschelding heeft toegestaan, wordt de douaneschuld opnieuw verschuldigd, mits de geldigheid van de oorspronkelijke douaneschuld niet overeenkomstig artikel 73 is verjaard.

In dit geval dient alle uit hoofde van lid 2, tweede alinea, van dit artikel betaalde rente te worden terugbetaald.

Artikel 85

Terugbetaling en kwijtschelding

1. Op de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten, mits het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag een bepaald bedrag overschrijdt, om de volgende redenen:

a) te hoge heffing;

b) gebrekkige goederen;

c) vergissing van de douaneautoriteiten;

d) billijkheid.

Ook wanneer de rechten zijn betaald en de desbetreffende douaneaangifte overeenkomstig artikel 117 ongeldig wordt gemaakt, wordt tot terugbetaling van die rechten overgegaan.

2. Met inachtneming van de bevoegdheidsregels gaan de douaneautoriteiten, wanneer zij binnen de in artikel 90 bedoelde termijnen tot de vaststelling komen dat invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig de artikelen 86, 88 of 89 voor terugbetaling of kwijtschelding in aanmerking komen, op eigen initiatief tot terugbetaling of kwijtschelding over.

3. Rechten worden niet terugbetaald of kwijtgescholden wanneer de situatie die tot de vaststelling van het bedrag aan rechten heeft geleid door frauduleuze handelingen van de schuldenaar is ontstaan.

Artikel 86

Terugbetaling en kwijtschelding in geval van te hoge heffing

In- of uitvoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden indien het in de oorspronkelijke douanebeschikking vastgestelde bedrag het verschuldigde bedrag overschrijdt of aan de schuldenaar was meegedeeld in strijd met artikel 72, lid 1, onder c) of d).

Artikel 87

Gebrekkige goederen

1. Invoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden indien het vastgestelde bedrag aan rechten betrekking heeft op in het vrije verkeer gebrachte goederen die door de importeur werden geweigerd omdat zij op het tijdstip van de vrijgave gebreken vertoonden of niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij waren ingevoerd.

Goederen die vóór de vrijgave zijn beschadigd, worden gelijkgesteld met goederen die gebreken vertonen.

2. Invoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden mits de goederen niet zijn gebruikt, tenzij een begin van gebruik noodzakelijk was om de gebreken van deze goederen vast te stellen of het feit dat zij niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn.

3. De douaneautoriteiten dragen er zorg voor dat de schuldenaar de goederen opnieuw uitvoert uit het douanegebied van de Gemeenschap of ze, indien hij daarom verzoekt, onder de regeling actieve veredeling (inclusief met het oog op vernietiging), extern douanevervoer of entrepot dan wel in een vrije zone plaatst.

Artikel 88

Terugbetaling of kwijtschelding wegens vergissing van de douaneautoriteiten

In- of uitvoerrechten worden terugbetaald of kwijtgescholden wanneer het oorspronkelijk vastgestelde bedrag niet overeenstemt met het verschuldigde bedrag als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken;

b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld.

Wanneer de preferentiële status van de goederen wordt vastgesteld in het kader van de administratieve samenwerking met autoriteiten van een land of gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap, wordt de afgifte door deze autoriteiten van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet had kunnen worden ontdekt in de zin van de eerste alinea, onder a).

De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, tenzij de autoriteiten die het certificaat afgaven, kennelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

De schuldenaar wordt geacht te goeder trouw te hebben gehandeld indien hij kan aantonen dat hij in de periode van de betrokken handelstransacties het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat aan alle voorwaarden voor een preferentiële behandeling werd voldaan.

De schuldenaar kan zich evenwel niet op zijn goede trouw beroepen wanneer de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft laten weten dat er gegronde twijfel bestaat over de juiste toepassing van de preferentiële regeling door het begunstigde land of gebied.

Artikel 89

Terugbetaling en kwijtschelding om redenen van billijkheid

In andere dan de in artikel 85, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 86, 87 en 88 bedoelde gevallen wordt in- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terugbetaald of kwijtgescholden wanneer een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

Artikel 90

Procedure voor terugbetaling en kwijtschelding

1. Een schuldenaar die meent dat invoer- of uitvoerrechten in aanmerking komen voor terugbetaling of kwijtschelding krachtens artikel 85, moet bij het betrokken douanekantoor een daartoe strekkend verzoek indienen binnen de volgende termijn:

a) in geval van te hoge heffing, vergissing van de douaneautoriteiten of om redenen van billijkheid: binnen drie jaar na de datum waarop het bedrag is meegedeeld;

b) in geval van gebrekkige goederen: binnen één jaar na de datum waarop het bedrag is meegedeeld;

c) in geval van ongeldigmaking van een douaneaangifte: binnen de termijn die is vastgesteld in de regels voor ongeldigmaking.

De in de eerste alinea, onder a) en b), genoemde termijnen worden verlengd wanneer de indiener van het verzoek aantoont dat hij zijn verzoek niet tijdig heeft kunnen indienen ten gevolge van toeval of overmacht.

2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing wanneer de douaneautoriteiten op eigen initiatief overeenkomstig artikel 85, lid 2, tot terugbetaling of kwijtschelding overgaan.

3. Indien krachtens artikel 24 beroep wordt ingesteld tegen de mededeling van de douaneschuld, wordt de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel genoemde termijn geschorst voor de duur van de beroepsprocedure vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld.

4. Na ontvangst van een verzoek overeenkomstig lid 1 geven de douaneautoriteiten een beschikking waarbij terugbetaling of kwijtschelding wordt toegestaan dan wel geweigerd.

Terugbetaling of kwijtschelding kan geheel of gedeeltelijk geschieden.

Artikel 91

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze afdeling. In deze maatregelen wordt vastgesteld in welke gevallen de Commissie besluit, overeenkomstig de in artikel 194, lid 4, bedoelde procedure, of het gerechtvaardigd is tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten over te gaan.

HOOFDSTUK 4

TENIETGAAN VAN DE DOUANESCHULD

Artikel 92

Tenietgaan

1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van een douaneschuld en de niet-invordering van een dergelijke schuld in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:

a) door betaling van het bedrag van de rechten;

b) behoudens lid 4, door kwijtschelding van het bedrag van de rechten;

c) indien ten aanzien van goederen die zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van rechten voortvloeit, de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt;

d) indien goederen waarvoor invoer- of uitvoerrechten verschuldigd zijn, in beslag worden genomen of worden verbeurdverklaard;

e) indien goederen waarvoor invoer- of uitvoerrechten verschuldigd zijn, onder douanetoezicht worden vernietigd of aan de staat worden afgestaan;

f) indien de verdwijning van de goederen of de niet-nakoming van de uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichtingen het gevolg is van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van die goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht, of ingevolge instructies van de douaneautoriteiten;

g) indien de schuld is ontstaan overeenkomstig artikel 51 of 54 en aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i) het verzuim dat tot het ontstaan van de douaneschuld heeft geleid, had geen werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de aangegeven regeling en hield geen poging tot bedrog in,

ii) alle formaliteiten die nodig zijn om de situatie van de goederen te regulariseren, worden naderhand vervuld;

h) indien goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel tegen een verlaagd invoerrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, zijn uitgevoerd met de toestemming van de douaneautoriteiten;

i) indien de schuld is ontstaan overeenkomstig artikel 50 en de formaliteiten ter verkrijging van de in dat artikel bedoelde preferentiële tariefbehandeling zijn geannuleerd, of afdoende bewijs is geleverd dat de preferentiële tariefbehandeling niet is toegestaan;

j) indien, behoudens lid 5 van dit artikel, de schuld is ontstaan overeenkomstig artikel 51 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder f), worden goederen geacht onherstelbaar verloren te zijn wanneer zij voor eenieder onbruikbaar zijn geworden.

2. In geval van inbeslagneming of verbeurdverklaring als bedoeld in lid 1, onder d), wordt evenwel, voor de toepassing van sancties op inbreuken op de douanewetgeving, de douaneschuld geacht niet te zijn tenietgegaan indien de wetgeving van een lidstaat bepaalt dat douanerechten of het bestaan van een douaneschuld als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties.

3. Indien een douaneschuld is tenietgegaan ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel tegen een verlaagd invoerrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, worden de resten en afvallen van de vernietiging als niet-communautaire goederen beschouwd.

4. Indien er voor de douaneschuld meerdere schuldenaren zijn en deze schuld wordt kwijtgescholden, gaat de verplichting tot betaling van het bedrag aan rechten slechts teniet ten aanzien van de persoon of de personen aan wie kwijtschelding wordt verleend.

5. In het in lid 1, onder j), bedoelde geval gaat de verplichting tot betaling van het bedrag aan rechten niet teniet ten aanzien van de persoon die heeft getracht bedrog te plegen.

6. Indien de schuld is ontstaan overeenkomstig artikel 51, gaat de verplichting tot betaling van het bedrag aan rechten teniet ten aanzien van de persoon die in generlei wijze heeft getracht bedrog te plegen en die heeft bijgedragen tot de bestrijding van fraude, met name wanneer een gecontroleerde levering werd verricht om de identificatie van criminelen te vergemakkelijken.

7. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 tot en met 6 van dit artikel.

TITEL IV

AANKOMST VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP

HOOFDSTUK 1

HET BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED

Artikel 93

Verplichting tot indiening van een summiere aangifte ten invoer

1. Voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, wordt een summiere aangifte ten invoer gedaan, tenzij zij uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt.

Overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure neemt de Commissie maatregelen aan tot vaststelling van een gemeenschappelijke gegevensset en een gemeenschappelijk formaat voor de summiere aangifte ten invoer, die de benodigde gegevens bevatten voor de risicoanalyse en de juiste toepassing van douanecontroles, hoofdzakelijk met het oog op veiligheid en zekerheid, waarbij, indien toepasselijk, internationale normen en handelsgebruiken in acht worden genomen.

2. Tenzij anderszins is bepaald, wordt bij het bevoegde douanekantoor een summiere aangifte ten invoer ingediend of beschikbaar gemaakt voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.

3. De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen vast met betrekking tot:

a) de voorwaarden waarop ontheffing kan worden verleend van de verplichting tot indiening van een summiere aangifte ten invoer of waarop die verplichting kan worden aangepast;

b) de termijn waarbinnen de summiere aangifte ten invoer moet worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.

4. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen met betrekking tot:

a) de voorschriften voor uitzonderingen op en afwijkingen van de onder b) bedoelde termijn;

b) de vaststelling van het bevoegde douanekantoor waar de summiere aangifte ten invoer moet worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt en waar de risicoanalyse en de op risicoanalyse gebaseerde controles bij binnenkomst moeten worden verricht.

5. Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

a) bijzondere omstandigheden;

b) de toepassing van deze maatregelen op bepaalde goederenbewegingen, vervoerswijzen en bedrijven;

c) internationale overeenkomsten die in bijzondere veiligheidsregelingen voorzien.

Artikel 94

Indiening en verantwoordelijke

1. De summiere aangifte ten invoer wordt ingediend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. Er mag gebruik worden gemaakt van handels-, haven- of vervoersinformatie, mits deze de nodige gegevens voor een summiere aangifte ten invoer bevat.

De douaneautoriteiten mogen in uitzonderlijke omstandigheden summiere aangiften ten invoer op papier aanvaarden, mits zij hierbij hetzelfde niveau van risicobeheer kunnen toepassen als bij summiere aangiften ten invoer ingediend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken, en mits aan de vereisten voor de uitwisseling van zulke gegevens met andere douanekantoren kan worden voldaan.

2. De summiere aangifte ten invoer wordt ingediend door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt of die verantwoordelijk is voor het vervoer van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap.

3. Niettegenstaande de verplichtingen van de in lid 2 bedoelde persoon kan de summiere aangifte ten invoer in zijn plaats worden ingediend door een van de volgende personen:

a) de importeur of ontvanger van de goederen of een andere persoon in wiens naam of voor wiens rekening de in lid 2 bedoelde persoon handelt;

b) eenieder die in staat is de goederen bij de bevoegde douaneautoriteiten aan te brengen of te doen aanbrengen.

4. In voorkomend geval wijzen de douaneautoriteiten de persoon die de summiere aangifte ten invoer heeft ingediend, op zendingen die bijzondere veiligheidsrisico's kunnen inhouden.

5. Wanneer de summiere aangifte van invoer wordt afgegeven door een andere persoon dan de exploitant van het vervoermiddel waarmee de goederen op het douanegrondgebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, dient deze exploitant bij het bevoegde douanekantoor een bericht van aankomst in in de vorm van een manifest, vrachtbrief of laadlijst met daarop de vermeldingen die noodzakelijk zijn voor de identificatie van alle vervoerde goederen die het voorwerp moeten zijn van een summiere aangifte van binnenkomst.

Overeenkomstig de in artikel 194, lid 2 bedoelde procedure neemt de Commissie de maatregelen aan die bepalen welke vermeldingen op het bericht van aankomst moeten staan.

Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de eerste alinea van dit lid.

Artikel 95

Wijziging van summiere aangifte

Aan de persoon die de summiere aangifte ten invoer indient, wordt op diens verzoek toegestaan een of meer gegevens in de aangifte te wijzigen nadat deze werd ingediend.

Wijziging is echter niet meer mogelijk na een van de volgende gebeurtenissen:

a) de douaneautoriteiten hebben de persoon die de summiere aangifte heeft ingediend, in kennis gesteld van hun voornemen de goederen te controleren;

b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de betrokken gegevens onjuist zijn;

c) de douaneautoriteiten hebben toestemming gegeven om de goederen weg te voeren.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de tweede alinea, onder c), van dit artikel.

Artikel 96

Douaneaangifte in plaats van summiere aangifte

Het bevoegde douanekantoor kan ontheffing verlenen voor het indienen van een summiere aangifte ten invoer met betrekking tot goederen waarvoor, vóór het verstrijken van de in artikel 93, lid 3, onder b), bedoelde termijn, een douaneaangifte is ingediend. In dat geval dient de douaneaangifte ten minste de voor de summiere aangifte ten invoer benodigde gegevens te bevatten. Totdat de douaneaangifte is aanvaard overeenkomstig artikel 114, heeft zij de status van summiere aangifte ten invoer.

HOOFDSTUK 2

AANKOMST VAN GOEDEREN

Afdeling 1

Binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap

Artikel 97

Douanetoezicht

1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het ogenblik van binnenkomst en kunnen aan douanecontroles worden onderworpen. Zij zijn onderworpen aan de toepassing van verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch bezit, de tenuitvoerlegging van maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden of de bescherming van industriële en commerciële eigendom, inclusief controles op drugsprecursoren, namaakgoederen en contanten die de Gemeenschap binnenkomen.

Deze goederen blijven onder dit toezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen.

Onverminderd artikel 175 zijn communautaire goederen niet aan douanetoezicht onderworpen zodra de status ervan is vastgesteld.

Niet-communautaire goederen blijven aan douanetoezicht onderworpen totdat zij een andere douanestatus krijgen of totdat zij zijn uitgevoerd of vernietigd.

2. Eenieder die een belang heeft bij goederen onder douanetoezicht kan, met toestemming van de douaneautoriteiten, op elk tijdstip de goederen onderzoeken of daarvan monsters nemen om de tariefindeling, douanewaarde of douanestatus vast te stellen.

3. Goederen mogen pas aan het douanetoezicht worden onttrokken nadat zij door de douaneautoriteiten zijn vrijgegeven.

Artikel 98

Vervoer naar de plaats van bestemming

1. De persoon die goederen in het douanegebied van de Gemeenschap brengt, moet deze onverwijld, in voorkomend geval via de door de douaneautoriteiten aangegeven route en op de door hen vastgestelde wijze, naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats, of naar een vrije zone brengen.

Goederen die voor een vrije zone zijn bestemd, dienen rechtstreeks naar de vrije zone te worden gebracht, over zee of door de lucht of, indien over land, niet over een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap.

De goederen dienen onmiddellijk bij aankomst bij de douaneautoriteiten te worden aangebracht overeenkomstig artikel 101.

2. Eenieder die verantwoordelijk is voor het vervoer van goederen nadat deze het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen, is voor het nakomen van de in lid 1 bedoelde verplichting aansprakelijk.

3. Goederen die zich nog buiten het douanegebied van de Gemeenschap bevinden kunnen met in het douanegebied van de Gemeenschap binnengekomen goederen worden gelijkgesteld en door de douaneautoriteiten van een lidstaat aan douanecontroles worden onderworpen ingevolge een overeenkomst met een land of gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap.

4. Lid 1 laat de toepassing van bijzondere bepalingen met betrekking tot brieven, briefkaarten en drukwerk of goederen die reizigers bij zich dragen, onverlet, voorzover het douanetoezicht en de mogelijkheden tot douanecontroles hierdoor niet in het gedrang komen.

5. Lid 1 is niet van toepassing op goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt.

Artikel 99

Intracommunautair lucht- en zeevervoer

1. Artikel 98, leden 1 tot en met 4, en de artikelen 93 tot en met 96 en 100 tot en met 103 zijn niet van toepassing op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk hebben verlaten bij een vervoer over zee of door de lucht tussen twee plaatsen in dat gebied, mits dat vervoer rechtstreeks en via een lucht- of lijnvaartdienst zonder tussenstop buiten het douanegebied van de Gemeenschap plaatsvond.

2. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen nemen tot vaststelling van bijzondere voorschriften inzake lucht- en lijnvaartdiensten.

Artikel 100

Vervoer in bijzondere omstandigheden

1. Wanneer de in artikel 98, lid 1, bedoelde verplichting ten gevolge van toeval of overmacht niet kan worden nagekomen, stelt de persoon op wie deze verplichting rust of iedere andere persoon die voor zijn rekening handelt, de douaneautoriteiten hiervan onverwijld in kennis. Wanneer de goederen bij het toeval of de overmacht niet volledig zijn teloorgegaan, dienen de douaneautoriteiten tevens in kennis te worden gesteld van de precieze locatie van de goederen.

2. Wanneer een in artikel 98, lid 5, bedoeld schip of vliegtuig ten gevolge van toeval of overmacht wordt gedwongen het douanegebied van de Gemeenschap aan te doen of daar tijdelijk te verblijven zonder aan de in artikel 98, lid 1, bedoelde verplichting te kunnen voldoen, stelt de persoon die dit schip of vliegtuig in het douanegebied van de Gemeenschap heeft gebracht, of ieder ander persoon die voor zijn rekening handelt, de douaneautoriteiten hiervan onverwijld in kennis.

3. De douaneautoriteiten stellen de maatregelen vast die in acht moeten worden genomen om het douanetoezicht op de in lid 1 bedoelde goederen of op de zich in het in lid 2 bedoelde geval aan boord van een schip of vliegtuig bevindende goederen mogelijk te maken en om er in voorkomend geval voor te zorgen dat deze goederen vervolgens naar een douanekantoor of enige andere door hen aangewezen of goedgekeurde plaats worden overgebracht.

Afdeling 2

Aanbrengen, lossen en onderzoek van goederen

Artikel 101

Aanbrengen van goederen bij de douane

1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, worden bij de douane aangebracht door een van de volgende personen:

a) de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft gebracht;

b) de persoon in wiens naam of voor wiens rekening degene handelt die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft gebracht;

c) de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer van de goederen na binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.

2. Niettegenstaande de verplichtingen van de in lid 1 bedoelde persoon kunnen de goederen ook worden aangebracht door een van de volgende personen:

a) eenieder die de goederen onmiddellijk onder een douaneregeling plaatst;

b) de houder van een vergunning voor het beheer van een opslagruimte of eenieder die activiteiten uitoefent in een vrije zone.

3. De persoon die de goederen aanbrengt, verwijst naar de voor deze goederen ingediende summiere aangifte ten invoer of douaneaangifte.

4. Lid 1 doet geen afbreuk aan de toepassing van bijzondere bepalingen met betrekking tot:

a) door reizigers vervoerde goederen;

b) goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst zonder dat zij bij de douane behoeven te worden aangebracht;

c) brieven, briefkaarten, drukwerk en alle elektronische equivalenten daarvan op andere media.

Artikel 102

Lossen en onderzoek van goederen

1. Het lossen of overladen van goederen uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, mag slechts met toestemming van de douaneautoriteiten en op de door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen geschieden.

Deze toestemming is evenwel niet vereist in het geval van een dreigend gevaar dat ertoe noopt de goederen onverwijld geheel of gedeeltelijk te lossen. In dat geval worden de douaneautoriteiten onmiddellijk daarvan in kennis gesteld.

2. De douaneautoriteiten kunnen op iede ogenblik eisen dat goederen worden gelost en uitgepakt teneinde deze te onderzoeken of daarvan monsters te nemen dan wel het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, te controleren.

3. Bij de douane aangebrachte goederen mogen niet worden weggevoerd van de plaats waar zij zijn aangebracht zonder toestemming van de douaneautoriteiten.

Afdeling 3

Formaliteiten na het aanbrengen

Artikel 103

Verplichting tot plaatsing van niet-communautaire goederen onder een douaneregeling

Onverminderd de artikelen 131 en 133 dienen bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen onder een douaneregeling te worden geplaatst.

Tenzij anderszins bepaald, is de aangever vrij de douaneregeling te kiezen waaronder hij de goederen, ongeacht aard of hoeveelheid dan wel land van oorsprong, verzending of bestemming, wenst te plaatsen.

Artikel 104

Goederen die worden geacht in tijdelijke opslag te zijn geplaatst

1. Tenzij wanneer goederen onmiddellijk onder een specifieke douaneregeling worden geplaatst waarvoor een douaneaangifte is aanvaard, dan wel in een vrije zone zijn geplaatst, worden bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen geacht onder tijdelijke opslag te zijn geplaatst overeenkomstig artikel 159.

2. Onverminderd de in artikel 93, lid 2, vastgestelde verplichting en de uitzonderingen of de ontheffing waarin de bij artikel 93, lid 3, vastgestelde maatregelen voorzien, wordt, wanneer wordt geconstateerd dat bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen niet zijn gedekt door een summiere aangifte ten invoer, onmiddellijk een dergelijke aangifte ingediend door de houder van de goederen.

Afdeling 4

Goederen die onder een regeling douanevervoer zijn vervoerd

Artikel 105

Ontheffing voor goederen die onder douanevervoer aankomen

Artikel 98, met uitzondering van lid 1, eerste alinea, en de artikelen 101 tot en met 104 zijn niet van toepassing wanneer reeds onder een regeling douanevervoer geplaatste goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.

Artikel 106

Bepalingen van toepassing op niet-communautaire goederen na beëindiging van een regeling douanevervoer

De artikelen 102, 103 en 104 zijn van toepassing op de volgende goederen zodra deze bij de douane zijn aangebracht bij een douanekantoor van bestemming in het douanegebied van de Gemeenschap overeenkomstig de voorschriften inzake douanevervoer:

a) niet-communautaire goederen die onder een regeling douanevervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen;

b) niet-communautaire goederen die onder een regeling douanevervoer in dat gebied zijn vervoerd.

TITEL V

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DOUANESTATUS EN DOUANEREGELING

HOOFDSTUK 1

STATUS VAN GOEDEREN

Artikel 107

Vermoeden van communautaire status

1. Alle goederen in het douanegebied van de Gemeenschap worden geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij geen communautaire status hebben.

2. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van vaststelling van:

a) de gevallen waarin het in lid 1 van dit artikel bedoelde vermoeden niet van toepassing is;

b) de middelen waarmee de communautaire status van goederen kan worden vastgesteld.

Artikel 108

Verlies van communautaire status

In de volgende gevallen worden communautaire goederen niet-communautaire goederen:

a) wanneer zij uit het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht, voorzover de voorschriften inzake intern douanevervoer of artikel 109 niet van toepassing zijn;

b) wanneer zij onder de regeling extern douanevervoer, opslag of actieve veredeling zijn geplaatst, voorzover de douanewetgeving zulks toestaat;

c) wanneer zij onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst en vervolgens aan de staat worden afgestaan;

d) wanneer de aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave ongeldig wordt gemaakt op grond van artikel 117, lid 2, tweede alinea.

Artikel 109

Goederen die het douanegebied tijdelijk verlaten

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waarop communautaire goederen die niet onder een douaneregeling zijn geplaatst, van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en tijdelijk daarbuiten, mogen worden vervoerd, zonder wijziging van hun douanestatus.

HOOFDSTUK 2

DOUANEAANGIFTE

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 110

Aangifte van goederen, toezicht op communautaire goederen

1. Voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, met uitzondering van de regeling vrije zone, moet een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling worden gedaan.

2. De voor een douaneregeling aangegeven communautaire goederen bevinden zich onder douanetoezicht vanaf de aanvaarding van de in lid 1 bedoelde aangifte totdat zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten of aan de staat worden afgestaan of totdat de douaneaangifte overeenkomstig artikel 117 ongeldig is gemaakt.

Artikel 111

Bevoegde douanekantoren

1. Tenzij in de communautaire wetgeving anderszins is bepaald, stellen de lidstaten de plaats en de bevoegdheid van de diverse op hun grondgebied gelegen douanekantoren vast en zorgen zij ervoor dat deze redelijke openingsuren hebben.

Hierbij houden de lidstaten rekening met de aard van het verkeer en van de goederen alsook de douaneregeling waaronder deze moeten worden geplaatst, zodat het internationale goederenverkeer niet belemmerd noch verstoord wordt.

2. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de volgende bevoegde douanekantoren:

a) het douanekantoor waar de douaneaangifte moet worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt;

b) het douanekantoor waar risicoanalyse en op risicoanalyse gebaseerde invoer- en uitvoercontroles moeten worden verricht.

Artikel 112

Soorten douaneaangiften

1. De douaneaangifte wordt ingediend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

De bewijsstukken die vereist zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, kunnen eveneens op deze manier worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt.

2. In afwijking van lid 1 en voorzover hierin is voorzien, kan de douaneaangifte schriftelijk worden ingediend of middels een mondelinge aangifte of enige andere handeling waarbij goederen onder een douaneregeling kunnen worden geplaatst.

3. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 en 2 van dit artikel.

Afdeling 2

Normale aangiften

Artikel 113

Inhoud van een aangifte, bewijsstukken

1. Douaneaangiften moeten alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Aangiften met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken dienen een elektronische handtekening te bevatten of een ander middel om de authenticiteit te garanderen. Schriftelijke aangiften moeten zijn ondertekend.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de specifieke eisen waaraan douaneaangiften moeten voldoen.

2. De elektronische of schriftelijke documenten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, moeten ter beschikking van de douaneautoriteiten staan op het tijdstip waarop de aangifte wordt ingediend.

Desgevraagd kunnen de douaneautoriteiten evenwel toestaan dat deze documenten ter beschikking worden gesteld na de vrijgave van de goederen.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de eerste en tweede alinea van dit lid.

Artikel 114

Aanvaarding van een aangifte

1. Aangiften die aan de voorwaarden van artikel 113 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, mits de betrokken goederen door die douaneautoriteiten kunnen worden gecontroleerd.

2. Wanneer overeenkomstig maatregelen op grond van artikel 111, lid 2, een douaneaangifte wordt ingediend bij een ander kantoor dan het kantoor waar de goederen worden aangebracht, kan de aangifte worden aanvaard indien het kantoor waar de goederen worden aangebracht, bevestigt dat deze kunnen worden gecontroleerd.

3. De datum van aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten is, tenzij anderszins bepaald, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven en voor alle andere invoer- en uitvoerformaliteiten.

Artikel 115

Aangever

1. Een douaneaangifte kan worden gedaan door eenieder die in staat is alle bescheiden over te leggen of ter beschikking te stellen die vereist zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Deze persoon dient ook in staat te zijn de desbetreffende goederen bij het bevoegde douanekantoor aan te brengen of te doen aanbrengen.

Indien de aanvaarding van een douaneaangifte evenwel bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich brengt, moet de aangifte door deze persoon zelf of voor zijn rekening worden gedaan.

2. De aangever moet in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd.

Daarentegen is de voorwaarde van vestiging in de Gemeenschap niet vereist voor personen die:

- een aangifte van doorvoer of tijdelijke toelating doen;

- goederen incidenteel aangeven, voorzover de douaneautoriteiten het gerechtvaardigd achten.

Artikel 116

Wijziging van een aangifte

De aangever mag, op zijn verzoek, een of meer gegevens in de aangifte wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. De wijziging mag niet inhouden dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

Er wordt geen wijziging toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na een van de volgende gebeurtenissen:

a) de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de betrokken gegevens onjuist zijn;

c) de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de tweede alinea, onder c), van dit artikel.

Artikel 117

Ongeldigmaking van een aangifte

1. Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde aangifte ongeldig in de volgende gevallen:

a) indien tot hun genoegen wordt aangetoond dat de goederen onmiddellijk onder een andere douaneregeling zullen worden geplaatst;

b) indien tot hun genoegen wordt aangetoond dat ten gevolge van bijzondere omstandigheden de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

Wanneer de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

2. De aangifte kan niet ongeldig worden gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit lid.

3. De ongeldigmaking van de aangifte is niet van invloed op de toepassing van bestuurlijke of strafrechtelijke sancties.

Afdeling 3

Verificatie

Artikel 118

Verificatie van een aangifte

1. Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens kunnen de douaneautoriteiten:

a) de aangifte en alle schriftelijke of elektronische documenten die vereist zijn voor de toepassing van de bepalingen van de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, aan een onderzoek onderwerpen;

b) van de aangever eisen dat nog andere dan de onder a) bedoelde documenten worden overgelegd;

c) de goederen aan een onderzoek onderwerpen;

d) monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen.

2. De bevindingen van de douaneautoriteiten hebben in het gehele douanegebied van de Gemeenschap dezelfde bindende kracht.

Artikel 119

Onderzoek en monsterneming van goederen

1. Het vervoer van de goederen naar de plaats waar het onderzoek en de monsterneming dienen plaats te vinden, alsmede alle handelingen die voor dit onderzoek of deze monsterneming noodzakelijk zijn, worden door de aangever of onder zijn verantwoordelijkheid verricht. De hieraan verbonden kosten komen ten laste van de aangever.

2. De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen en bij de monsterneming aanwezig te zijn. Wanneer zij daartoe gegronde redenen hebben, kunnen de douaneautoriteiten van de aangever eisen dat hij bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen dan wel dat hij hun de noodzakelijke bijstand verleent om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken.

3. Mits de monsterneming overeenkomstig de voorschriften geschiedt, geeft deze geen aanleiding tot enige vergoeding door de douaneautoriteiten, maar de aan de analyse of het onderzoek verbonden kosten komen ten laste van deze.

Artikel 120

Gedeeltelijk onderzoek en monsterneming van goederen

1. Wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, of daarvan monsters worden genomen, gelden de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek, of van de analyse of het onderzoek van de monsters, voor alle goederen van deze aangifte.

De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek of aanvullende monsterneming van de goederen verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek, of van de analyse of het onderzoek van de genomen monsters, niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden. Dit verzoek wordt toegestaan mits de goederen nog niet zijn vrijgegeven of, indien zij reeds zijn vrijgegeven, de aangever aantoont dat zij in generlei wijze zijn gewijzigd.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden, wanneer een aangifte verscheidene artikelen omvat, de gegevens met betrekking tot elk artikel geacht een afzonderlijke aangifte te vormen.

Artikel 121

Resultaten van de verificatie

1. De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

2. Indien de aangifte niet wordt geverifieerd, is lid 1 van toepassing op basis van de in de aangifte vermelde gegevens.

Artikel 122

Identificatiemaatregelen

1. De douaneautoriteiten of, in voorkomend geval, de vergunninghoudende bedrijven nemen de nodige maatregelen om de goederen te kunnen identificeren wanneer deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

Deze identificatiemaatregelen hebben in het gehele douanegebied van de Gemeenschap eenzelfde bindende kracht.

2. De identificatiemiddelen die op de goederen of de vervoermiddelen zijn aangebracht, mogen alleen worden verwijderd of vernietigd door de douaneautoriteiten of door bedrijven die door deze autoriteiten daartoe zijn gemachtigd, tenzij ten gevolge van toeval of overmacht het verwijderen of vernietigen ervan voor het behoud van de goederen of de vervoermiddelen absoluut noodzakelijk is.

Afdeling 4

Vrijgave

Artikel 123

Vrijgave van de goederen

1. Onverminderd artikel 124 en wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voorzover de goederen niet onder een verbod of beperking vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard.

De eerste alinea is van toepassing wanneer een in artikel 118 bedoelde verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op deze verificatie.

2. Alle goederen waarop een aangifte betrekking heeft, worden tegelijkertijd vrijgegeven.

Voor de toepassing van de eerste alinea worden, wanneer een aangifte verscheidene artikelen omvat, de gegevens met betrekking tot elk artikel geacht een afzonderlijke aangifte te vormen.

3. Wanneer de goederen overeenkomstig de maatregelen op grond van artikel 111, lid 2, worden aangebracht bij een ander douanekantoor dan het kantoor waar de douaneaangifte is aanvaard, wisselen de betrokken kantoren de voor de vrijgave van de goederen benodigde informatie uit, onverminderd controles op het gebied van veiligheid en zekerheid.

Artikel 124

Vrijgave afhankelijk van betaling van de douaneschuld of zekerheidstelling

1. Indien de aanvaarding van een douaneaangifte een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het bedrag van de douaneschuld is betaald of indien daarvoor zekerheid is gesteld.

Onverminderd lid 2 is de eerste alinea evenwel niet van toepassing op tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten.

2. Indien de douaneautoriteiten op grond van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, eisen dat zekerheid wordt gesteld, kan de vrijgave van de goederen voor de betrokken douaneregeling slechts worden toegestaan nadat zekerheid is gesteld.

HOOFDSTUK 3

VEREENVOUDIGINGEN BETREFFENDE DE DOUANEAANGIFTE

Afdeling 1

Vereenvoudigde aangiften

Artikel 125

Vereenvoudigde aangifte

De douaneautoriteiten staan een bedrijf vrijgave van goederen op basis van een vereenvoudigde aangifte toe.

De vereenvoudigde aangifte kan gebeuren in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, op voorwaarde dat de douaneautoriteiten toegang hebben tot deze gegevens in het elektronische systeem van de aangever en dat aan de eisen voor de uitwisseling van zulke gegevens tussen de douanekantoren kan worden voldaan.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan met betrekking tot:

a) de voorwaarden waaronder de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde toestemming wordt verleend;

b) de specifieke eisen waaraan de in de eerste en tweede alinea van dit artikel bedoelde vereenvoudigde aangifte moet voldoen.

Artikel 126

Ontheffing van verplichtingen voor de aangever

Bij vrijgave van goederen overeenkomstig artikel 125 kunnen de douaneautoriteiten de aangever, onverminderd diens wettelijke verplichtingen, ontheffen van de verplichting de goederen bij de douane aan te brengen.

Artikel 127

Incidentele vereenvoudigde aangifte

Indien incidenteel wordt verzocht om een vereenvoudigde aangifte te mogen doen, kan het douanekantoor waar de aangifte wordt ingediend, dit verzoek aanvaarden zonder dat een vergunning wordt verleend.

Artikel 128

Aanvullende aangifte

1. Bij een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 125 of 127 moet de aangever die toestemming voor het indienen van een vereenvoudigde aangifte heeft gekregen, een aanvullende aangifte indienen met de verdere gegevens die vereist zijn om te komen tot een douaneaangifte voor de betrokken douaneregeling.

Voor een aangifte op grond van artikel 125 kan de aanvullende aangifte een algemeen, periodiek of samenvattend karakter hebben.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit lid.

2. De aanvullende aangifte wordt geacht samen met de in artikel 125, lid 1, bedoelde vereenvoudigde aangifte één enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 114.

Indien de vereenvoudigde aangifte wordt vervangen door inschrijving in de administratie van het bedrijf en toegang van de douaneautoriteiten tot deze gegevens, is de aangifte geldig vanaf de datum van inschrijving van de goederen in de administratie.

3. Voor de toepassing van artikel 60 wordt de plaats waar de aanvullende aangifte overeenkomstig de vergunning moet worden ingediend, geacht de plaats te zijn waar de douaneaangifte is ingediend.

Artikel 129

Toepassing van de regels voor normale aangiften

De artikelen 113 tot en met 122 zijn van overeenkomstige toepassing op vereenvoudigde en aanvullende aangiften.

Afdeling 2

Overige vereenvoudigingen

Artikel 130

Vergemakkelijking van de indeling

De douaneautoriteiten kunnen op verzoek van de aangever ermee instemmen dat een gehele zending onder één enkele of een overkoepelende tariefonderverdeling wordt aangegeven indien de zending bestaat uit goederen waarvan de tariefonderverdeling verschillend is en de opstelling van de douaneaangifte voor elk van deze goederen volgens hun tariefindeling werk en kosten zou meebrengen die in geen verhouding staan tot de desbetreffende invoer- en uitvoermaatregelen.

Indien invoer- of uitvoerrechten verschuldigd zijn, mag het te innen bedrag evenwel niet lager zijn dan het bedrag dat betaald was geweest indien alle goederen afzonderlijk waren ingedeeld.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aannemen voor de tenuitvoerlegging van de eerste en tweede alinea van dit artikel.

HOOFDSTUK 4

VERWIJDERING VAN GOEDEREN

Artikel 131

Vernietiging van goederen

Indien de omstandigheden zulks vereisen, kunnen de douaneautoriteiten de vernietiging van bij de douane aangebrachte goederen eisen. Zij dienen de houder van de goederen daarvan in kennis te stellen. De aan de vernietiging verbonden kosten komen te zijnen laste.

Artikel 132

Door te douaneautoriteiten te nemen maatregelen

1. De douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen voor de verwijdering, vernietiging daaronder begrepen, van goederen in de volgende gevallen:

a) indien de goederen op onregelmatige wijze het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen of aan het douanetoezicht zijn onttrokken;

b) indien de goederen niet kunnen worden vrijgegeven om een van de volgende redenen:

i) het onderzoek van de goederen kon niet binnen de door de douaneautoriteiten gestelde termijnen worden aangevangen of voortgezet om redenen die aan de aangever te wijten zijn,

ii) de bescheiden die vereist zijn voordat de goederen kunnen worden geplaatst onder of vrijgegeven voor de douaneregeling waarvoor zij werden aangegeven, zijn niet overgelegd,

iii) de invoer- of uitvoerrechten, naar gelang van het geval, werden niet binnen de gestelde termijn betaald of er werd binnen die termijn geen zekerheid gesteld,

iv) de goederen zijn onderworpen aan verboden of beperkingen, inclusief die welke verband houden met veiligheid en zekerheid;

c) indien de goederen na de vrijgave niet binnen een redelijke termijn zijn weggevoerd;

d) indien na de vrijgave blijkt dat de goederen niet aan de voorwaarden voor vrijgave voldeden;

e) indien de goederen aan de staat worden afgestaan.

2. Niet-communautaire goederen die aan de staat zijn afgestaan, in beslag zijn genomen of zijn verbeurdverklaard, worden geacht onder de regeling tijdelijke opslag te zijn geplaatst.

Artikel 133

Afstand van goederen

1. Niet-communautaire goederen en goederen met een bijzondere bestemming kunnen door de houder van de regeling of in voorkomend geval de houder van de goederen aan de staat worden afgestaan.

2. Het afstaan van goederen mag voor de staat geen kosten meebrengen. De aan het vernietigen of anderszins verwijderen van goederen verbonden kosten moeten worden gedragen door de houder van de regeling of in voorkomend geval de houder van de goederen.

Artikel 134

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aannemen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

TITEL VI

HET IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN EN VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN

HOOFDSTUK 1

HET IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN

Artikel 135

Toepassingsgebied en werking

1. Niet-communautaire goederen die bestemd zijn om op de markt van de Gemeenschap te worden gebracht, moeten in het vrije verkeer worden gebracht.

2. Het in het vrije verkeer brengen omvat het volgende:

a) de toepassing van handelspolitieke maatregelen voorzover deze niet in een eerder stadium moeten worden toegepast;

b) de inning van invoerrechten;

c) de inning van BTW en accijns overeenkomstig de geldende BTW- en accijnsvoorschriften;

d) de vervulling van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen.

3. Niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen.

HOOFDSTUK 2

VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN

Afdeling 1

Terugkerende goederen

Artikel 136

Toepassingsgebied en werking

1. Communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, dit douanegebied binnen drie jaar opnieuw binnenkomen en in het vrije verkeer worden gebracht, worden op verzoek van de belanghebbende van invoerrechten vrijgesteld.

2. De in lid 1 bedoelde termijn van drie jaar kan worden overschreden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden.

3. Indien de terugkerende goederen vóór hun uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer waren gebracht vrij van rechten dan wel met een verlaagd invoerrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, mag de in lid 1 bedoelde vrijstelling slechts worden verleend indien de goederen voor dezelfde bijzondere bestemming in het vrije verkeer worden gebracht.

Indien de goederen niet voor dezelfde bijzondere bestemming in het vrije verkeer worden gebracht, wordt het bedrag aan invoerrechten verminderd met het bedrag dat eventueel is geïnd op het tijdstip waarop zij voor het eerst in het vrije verkeer werden gebracht. Als dit laatste bedrag hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit het in het vrije verkeer brengen van de terugkerende goederen, wordt geen terugbetaling verleend.

4. Indien communautaire goederen hun communautaire status hebben verloren overeenkomstig artikel 108 en vervolgens in het vrije verkeer worden gebracht, zijn de leden 1, 2 en 3 van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 137

Gevallen waarin geen vrijstelling van invoerrechten wordt verleend

De in lid 136 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt niet verleend voor:

a) goederen die in het kader van de regeling passieve veredeling uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd, tenzij deze goederen zich nog bevinden in de staat waarin zij werden uitgevoerd;

b) goederen die in aanmerking kwamen voor landbouwmaatregelen in het kader waarvan zij uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit artikel.

Artikel 138

Staat van de goederen

De in artikel 136 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt slechts verleend wanneer de goederen worden wederingevoerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit artikel.

Artikel 139

Goederen die eerder onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst

1. De artikelen 136 en 138 zijn van overeenkomstige toepassing op veredelingsproducten die onder de regeling actieve veredeling waren geplaatst voordat zij uit het douanegebied van de Gemeenschap werden wederuitgevoerd.

2. Op verzoek van de aangever en mits hij de benodigde gegevens voorlegt, wordt het bedrag aan invoerrechten voor de goederen waarop lid 1 van dit artikel betrekking heeft, vastgesteld overeenkomstig artikel 58, lid 3. De datum van aanvaarding van de mededeling van wederuitvoer wordt beschouwd als de datum van het in het vrije verkeer brengen.

3. De in artikel 136 bedoelde vrijstelling van invoerrechten wordt niet verleend voor veredelingsproducten die zijn uitgevoerd overeenkomstig artikel 149, lid 2, onder b), tenzij wordt gegarandeerd dat geen invoergoederen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst.

Afdeling 2

Zeevisserij en uit zee gewonnen producten

Artikel 140

Producten van zeevisserij en andere uit zee gewonnen producten

1. Onverminderd artikel 39, lid 1, geldt een vrijstelling van invoerrechten voor het in het vrije verkeer brengen van:

a) visserijproducten en andere producten die in de territoriale zee van een land of gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap zijn gewonnen door uitsluitend in een lidstaat ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van deze lidstaat voeren;

b) producten die aan boord van fabrieksschepen die aan de onder a) genoemde voorwaarden voldoen, uit de onder a) bedoelde producten zijn verkregen.

2. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan voor de tenuitvoerlegging van lid 1 van dit artikel.

TITEL VII

BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 141

Toepassingsgebied

Goederen kunnen onder een van de volgende bijzondere regelingen worden geplaatst:

a) douanevervoer;

b) opslag;

c) bijzondere bestemming;

d) veredeling.

Artikel 142

Vergunning

1. Voor het gebruik van de regeling veredeling of bijzondere bestemming of het beheer van een opslagruimte voor tijdelijke opslag of opslag in een douane-entrepot is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist.

De voorwaarden waarop een of meer van de bijzondere regelingen mogen worden gebruikt, worden in de vergunning vastgesteld.

Bij een vergunning kunnen de douaneautoriteiten van meer dan één lidstaat zijn betrokken (grensoverschrijdende vergunning) of kan het gebruik van meer dan één bijzondere regeling worden toegestaan (geïntegreerde vergunning).

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de voorwaarden en procedures voor de toekenning van vergunningen.

2. Tenzij anders bepaald, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan:

a) personen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd, behalve voor tijdelijke invoer, in welk geval de personen buiten het douanegebied van de Gemeenschap moeten zijn gevestigd;

b) personen die de nodige waarborgen bieden voor het goede gebruik van de regeling en die, wanneer een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen, zekerheid stellen overeenkomstig artikel 61;

c) voor de regeling tijdelijke invoer of actieve veredeling, de persoon die de goederen gebruikt of laat gebruiken respectievelijk de goederen veredeld of laat veredelen.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea, onder a), b) en c), van dit lid.

3. Tenzij anders bepaald en ter aanvulling van lid 2 wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de douaneautoriteiten kunnen toezicht en controle op de regeling uitoefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften;

b) de wezenlijke belangen van communautaire producenten worden niet geschaad door een vergunning actieve of passieve veredeling of tijdelijke invoer.

De wezenlijke belangen van communautaire producenten worden geacht niet te worden geschaad als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, onder b), tenzij het tegendeel wordt bewezen.

Indien wordt aangetoond dat de wezenlijke belangen van communautaire producenten waarschijnlijk zullen worden geschaad, wordt een toets op de economische voorwaarden verricht overeenkomstig de in artikel 194, lid 4 bedoelde procedure.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen met betrekking tot de toets op de economische voorwaarden.

4. De houder van de vergunning dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.

Artikel 143

Aanvraag

De aanvraag voor een vergunning moet worden ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats waar de aanvrager zijn hoofdadministratie voor douanedoeleinden voert.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea van dit artikel.

Artikel 144

Administratie

1. Behalve voor de regeling douanevervoer voeren de houder van de vergunning, de houder van de regeling en eenieder die activiteiten uitoefent in verband met hetzij de opslag, bewerking of verwerking van de goederen, hetzij de aankoop of verkoop van de goederen in een vrije zone, een administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm.

Aan de hand van die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, met name wat betreft de identificatie, de douanestatus en het verkeer van de onder de regeling geplaatste goederen.

2. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde verplichting.

Artikel 145

Beëindiging of zuivering van een regeling

1. Behalve voor de regeling douanevervoer en onverminderd artikel 175 wordt een bijzondere regeling beëindigd of gezuiverd wanneer de onder de regeling geplaatste goederen, of de veredelingsproducten, onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Gemeenschap verlaten of aan de staat worden afgestaan.

2. Voor de regeling douanevervoer wordt de regeling beëindigd en de regelinghouder van zijn verplichtingen ontslagen wanneer de onder de regeling geplaatste goederen en de vereiste gegevens aan het douanekantoor van bestemming worden aangeboden overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling.

De douaneautoriteiten zuiveren de regeling en de verplichtingen wanneer zij op grond van een vergelijking van de gegevens van het douanekantoor van vertrek met die van het douanekantoor van bestemming kunnen vaststellen dat de regeling naar behoren is beëindigd.

Artikel 146

Overdracht van rechten en plichten

De rechten en plichten van de houder van een regeling betreffende goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, kunnen op de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden worden overgedragen aan andere personen die voldoen aan de voorwaarden van de betrokken regeling.

Artikel 147

Verkeer van goederen

Goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, kunnen tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea van dit artikel.

Artikel 148

Gebruikelijke behandelingen

Goederen die onder een regeling douane-entrepot, onder een veredelingsregeling of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.

Artikel 149

Equivalente goederen

1. Equivalente goederen zijn communautaire goederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.

Bij de regeling passieve veredeling zijn equivalente goederen niet-communautaire goederen die worden verwerkt in plaats van onder de regeling passieve veredeling geplaatste communautaire goederen.

Equivalente goederen moeten onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen nemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de derde alinea van dit lid.

2. Mits de goede werking van de regeling, met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd, kunnen de douaneautoriteiten het volgende toestaan:

a) het gebruik van equivalente goederen onder een bijzondere regeling met uitzondering van de regeling douanevervoer, tijdelijke invoer en tijdelijke opslag;

b) voor de regeling actieve veredeling, de uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de invoer van de goederen die zij vervangen;

c) voor de regeling passieve veredeling, de invoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten voorafgaand aan de uitvoer van de goederen die zij vervangen.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van de gevallen waarin de douaneautoriteiten het gebruik van equivalente goederen in het kader van tijdelijke invoer kunnen toestaan.

3. Het gebruik van equivalente goederen is niet toegestaan in samenhang met gebruikelijke behandelingen als omschreven in artikel 148 of wanneer dit zou leiden tot een onbillijk voordeel ten aanzien van de invoerrechten.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen middels de vaststelling van andere gevallen waarin geen gebruik mag worden gemaakt van equivalente goederen.

4. In het in lid 2, onder b), bedoelde geval stelt dient, indien de veredelingsproducten aan uitvoerrechten zouden zijn onderworpen indien zij niet in het kader van de regeling actieve veredeling werden uitgevoerd, de houder van de vergunning zekerheid te stellen om de betaling van deze rechten te waarborgen indien de niet-communautaire goederen niet binnen de bij artikel 178, lid 3, gestelde termijn worden ingevoerd.

Artikel 150

Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan voor de werking van de regelingen onder deze titel.

HOOFDSTUK 2

DOUANEVERVOER

Afdeling 1

Extern en intern douanevervoer

Artikel 151

Extern douanevervoer

1. Onder de regeling extern douanevervoer kunnen niet-communautaire goederen worden vervoerd tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap zonder dat zij worden onderworpen aan:

a) invoerrechten;

b) andere heffingen bij invoer overeenkomstig de geldende voorschriften;

c) handelspolitieke maatregelen, voorzover zij niet van toepassing zijn op de binnenkomst van goederen in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap.

2. De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aannemen tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waarop communautaire goederen onder de regeling extern douanevervoer moeten worden geplaatst.

3. Het in lid 1 bedoelde vervoer dient op een van de volgende wijzen te geschieden:

a) onder de in artikel 153, lid 1, bedoelde regeling extern communautair douanevervoer;

b) onder geleide van een TIR-carnet (TIR-Overeenkomst), op voorwaarde dat dit vervoer:

i) buiten het douanegebied van de Gemeenschap is begonnen of zal eindigen,

ii) geschiedt tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap via het grondgebied van een land of gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap;

c) onder geleide van een ATA-carnet (ATA-Overeenkomst/Overeenkomst van Istanboel) dat wordt gebruikt als document voor douanevervoer;

d) onder geleide van het Rijnvaartmanifest (artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte);

e) onder geleide van formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

f) onder het poststelsel overeenkomstig de voorschriften van de Wereldpostvereniging (UPU), wanneer de goederen worden vervoerd door of voor rekening van personen die rechten en verplichtingen hebben uit hoofde van die voorschriften;

g) onder geleide van de vrachtbrief CIM of van het overdrachtsformulier TR gebruikt als vervoersdocumenten.

4. De regeling extern douanevervoer doet geen afbreuk aan artikel 147.

Artikel 152

Intern douanevervoer

1. Onder de regeling intern douanevervoer kunnen, op de in de leden 2 en 3 genoemde voorwaarden, communautaire goederen worden vervoerd tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap via een buiten dat gebied gelegen grondgebied, zonder wijziging van hun douanestatus.

2. Het in lid 1 bedoelde vervoer dient op een van de volgende wijzen te geschieden:

a) onder de in artikel 153, lid 2, bedoelde regeling intern communautair douanevervoer, indien een internationale overeenkomst in deze mogelijkheid voorziet;

b) onder geleide van een TIR-carnet (TIR-Overeenkomst);

c) onder geleide van een ATA-carnet (ATA-Overeenkomst/Overeenkomst van Istanboel) dat wordt gebruikt als document voor douanevervoer;

d) onder geleide van het Rijnvaartmanifest (artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte);

e) onder geleide van formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

f) onder het poststelsel overeenkomstig de voorschriften van de Wereldpostvereniging (UPU), wanneer de goederen worden vervoerd door of voor rekening van personen die rechten en verplichtingen hebben uit hoofde van die voorschriften;

g) onder geleide van de vrachtbrief CIM of van het overdrachtsformulier TR gebruikt als vervoersdocumenten.

3. In de onder b) tot en met f) van lid 2 bedoelde gevallen behouden goederen hun communautaire status alleen als die status op bepaalde voorwaarden en op een bepaalde wijze is vastgesteld.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop die douanestatus wordt vastgesteld.

Afdeling 2

Communautair douanevervoer

Artikel 153

Toepassingsgebied

1. Onder de regeling extern communautair douanevervoer kunnen de in artikel 151, leden 1 en 2, bedoelde goederen worden vervoerd overeenkomstig dat artikel en de artikelen 154 en 155.

2. Onder de regeling intern communautair douanevervoer kunnen de in artikel 152, lid 1, bedoelde goederen worden vervoerd overeenkomstig dat artikel en artikel 154.

Artikel 154

Verplichtingen van de houder van de regeling communautair douanevervoer

1. De houder van de regeling communautair douanevervoer is verplicht:

a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen bij het douanekantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b) de douanebepalingen betreffende de regeling na te leven;

c) tenzij anders bepaald in de douanewetgeving, zekerheid te stellen voor de betaling van een douaneschuld of andere heffingen overeenkomstig de geldende voorschriften, die kunnen ontstaan in verband met goederen.

2. Een vervoerder of een ontvanger van goederen die goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, is eveneens verplicht deze binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te brengen met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

Artikel 155

Goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd via het grondgebied van een land buiten het douanegebied van de Gemeenschap

De regeling extern communautair douanevervoer is van toepassing op goederen die over een grondgebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) een internationale overeenkomst voorziet in een dergelijke mogelijkheid;

b) de doorvoer door dat grondgebied geschiedt onder geleide van één enkel in het douanegebied van de Gemeenschap opgesteld vervoersdocument.

In het onder b) van de eerste alinea bedoelde geval wordt de werking van de regeling extern communautair douanevervoer geschorst zolang de goederen zich buiten het douanegebied van de Gemeenschap bevinden.

HOOFDSTUK 3

OPSLAG

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 156

Toepassingsgebied

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk is onder opslag begrepen de regelingen tijdelijke opslag, douane-entrepot en vrije zones.

2. Onder een opslagregeling kunnen niet-communautaire goederen in het douanegebied van de Gemeenschap worden opgeslagen zonder dat zij worden onderworpen aan:

a) invoerrechten;

b) andere heffingen bij invoer overeenkomstig de geldende voorschriften;

c) handelspolitieke maatregelen, voorzover zij niet van toepassing zijn op de binnenkomst van goederen in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap.

3. Communautaire goederen kunnen onder de regeling douane-entrepot of vrije zone worden geplaatst overeenkomstig specifieke communautaire wetgeving.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aannemen tot vaststelling van andere gevallen waarin en de voorwaarden waarop communautaire goederen onder de regeling douane-entrepot of vrije zone kunnen worden geplaatst.

Artikel 157

Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning of de regeling

1. De houder van de vergunning en de houder van de regeling dienen ervoor te zorgen dat:

a) goederen onder de regeling tijdelijke opslag of douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;

b) de verplichtingen worden nagekomen die voortvloeien uit de opslag van de goederen onder de regeling tijdelijke opslag of douane-entrepot;

c) wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de vergunning voor de regeling douane-entrepot of voor het beheer van de opslagruimte zijn vastgesteld.

2. In afwijking van lid 1 kan in de vergunning voor een publiek douane-entrepot worden bepaald dat de in lid 1, onder a) of b), bedoelde verplichtingen uitsluitend bij de houder van de regeling berusten. In dat geval kunnen de douaneautoriteiten van de houder van de regeling eisen dat deze zekerheid stelt voor de betaling van een douaneschuld of andere heffingen overeenkomstig de geldende voorschriften, die kunnen ontstaan.

3. De houder van de regeling is te allen tijde verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling tijdelijke opslag of douane-entrepot.

Artikel 158

Termijn voor zuivering

Goederen kunnen gedurende een onbeperkte periode onder een regeling opslag blijven.

In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten evenwel een termijn voor de zuivering van een regeling opslag vaststellen.

Afdeling 2

Tijdelijke opslag

Artikel 159

Goederen in tijdelijke opslag

1. De volgende niet-communautaire goederen worden, nadat zij bij de douane zijn aangebracht, geacht te zijn aangegeven voor de regeling tijdelijke opslag door de houder van de goederen, tenzij zij voor een andere douaneregeling zijn aangegeven:

a) goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, met uitzondering van die welke rechtstreeks een vrije zone binnenkomen;

b) goederen die vanuit een vrije zone een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen;

c) goederen ten aanzien waarvan de regeling extern douanevervoer wordt beëindigd.

De douaneaangifte wordt geacht te zijn ingediend en door de douaneautoriteiten te zijn aanvaard op het tijdstip waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht.

2. De summiere aangifte ten invoer vormt de douaneaangifte voor de regeling tijdelijke opslag.

3. De douaneautoriteiten kunnen van de houder van de goederen eisen dat deze zekerheid stelt voor de betaling van een douaneschuld of andere heffingen, overeenkomstig de geldende voorschriften, die kunnen ontstaan.

4. Indien goederen om enigerlei reden niet voor de regeling tijdelijke opslag kunnen worden vrijgegeven, nemen de douaneautoriteiten onverwijld alle nodige maatregelen om de situatie van deze goederen te regulariseren.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea van dit lid.

Artikel 160

Manipulatie van goederen in tijdelijke opslag

1. Goederen onder de regeling tijdelijke opslag mogen uitsluitend worden opgeslagen in vergunninghoudende ruimten voor tijdelijke opslag.

2. Onverminderd artikel 97, lid 2, mogen goederen onder de regeling tijdelijke opslag geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om deze goederen in ongewijzigde staat te behouden zonder dat de presentatie of de technische kenmerken worden gewijzigd.

Afdeling 3

Douane-entrepots

Artikel 161

Opslag in douane-entrepots

1. Onder de regeling douane-entrepot kunnen niet-communautaire goederen worden opgeslagen in daartoe door de douaneautoriteiten geautoriseerde en onder hun toezicht staande ruimten, hierna "douane-entrepots" genoemd.

2. De geautoriseerde ruimten kunnen ter beschikking staan van eenieder die goederen wil bewaren (publiek douane-entrepot), dan wel van houders van een vergunning douane-entrepot (particulier douane-entrepot).

3. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, tijdelijk uit het douane-entrepot worden uitgeslagen. Voor dergelijke uitslag is, behalve in geval van overmacht, voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

Artikel 162

Communautaire goederen en veredeling

1. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat in de ruimten van het douane-entrepot:

a) communautaire goederen worden opgeslagen;

b) goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of bijzondere bestemming en op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden, worden veredeld.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen worden de goederen geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.

Afdeling 4

Vrije zones

Artikel 163

Instelling van vrije zones

1. De lidstaten kunnen in bepaalde delen van het douanegebied van de Gemeenschap die zich in dat gebied bevinden en van de rest ervan zijn afgescheiden, vrije zones instellen.

De lidstaten bepalen van elke vrije zone de geografische grenzen en stellen de in- en uitgangen ervan vast.

2. De vrije zones zijn afgesloten.

De grenzen en de in- en uitgangen van de vrije zones staan onder toezicht van de douaneautoriteiten.

3. Personen en vervoermiddelen die een vrije zone binnenkomen of verlaten, kunnen aan douanecontroles worden onderworpen.

Artikel 164

Gebouwen en activiteiten in vrije zones

1. Voor de oprichting van gebouwen in een vrije zone is voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

2. Behoudens de douanewetgeving is in een vrije zone elke industriële, handels- of dienstverlenende activiteit toegestaan. De douaneautoriteiten dienen vooraf van de uitoefening van deze activiteiten in kennis te worden gesteld.

3. De douaneautoriteiten kunnen, rekening houdend met de aard van de goederen dan wel de eisen inzake douanetoezicht of veiligheid en zekerheid, verboden of beperkingen op de in lid 2 bedoelde activiteiten instellen.

4. De douaneautoriteiten kunnen personen die niet de nodige waarborgen bieden voor de naleving van de douanevoorschriften, de uitoefening van een activiteit in een vrije zone verbieden.

Artikel 165

Andere douaneregelingen in een vrije zone

1. Niet-communautaire goederen kunnen tijdens hun verblijf in een vrije zone in het vrije verkeer worden gebracht of onder de regeling actieve veredeling of een regeling bijzondere bestemming worden geplaatst op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen worden de goederen geacht zich niet onder de regeling vrije zone te bevinden.

Artikel 166

Aanbrenging van goederen en plaatsing onder de regeling

1. In de volgende gevallen worden goederen die een vrije zone zijn binnengekomen bij de douane aangebracht en worden ten aanzien van deze goederen de voorgeschreven douaneformaliteiten vervuld:

a) indien zij rechtstreeks van buiten het douanegebied van de Gemeenschap de vrije zone zijn binnengekomen;

b) indien zij onder een douaneregeling zijn geplaatst die wordt beëindigd of gezuiverd wanneer zij onder de regeling vrije zone worden geplaatst;

c) indien zij onder de regeling vrije zone worden geplaatst om in aanmerking te komen voor een beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten;

d) indien zij in aanmerking komen voor landbouwmaatregelen in het kader waarvan zij worden uitgevoerd.

2. Goederen die in andere dan de in lid 1 genoemde omstandigheden een vrije zone binnenkomen, behoeven niet bij de douane te worden aangebracht.

3. Goederen worden geacht onder de regeling vrije zone te worden geplaatst op het tijdstip waarop zij een vrije zone binnenkomen, tenzij ze al onder een andere douaneregeling zijn geplaatst.

Artikel 167

Communautaire goederen in vrije zones

1. Communautaire goederen mogen een vrije zone binnenkomen en daar worden opgeslagen, vervoerd, gebruikt, veredeld of verbruikt. In dergelijke gevallen worden de goederen geacht zich niet onder de regeling vrije zone te bevinden.

2. Op verzoek van de belanghebbende geven de douaneautoriteiten een verklaring af betreffende de communautaire status van de volgende goederen:

a) communautaire goederen die een vrije zone binnenkomen;

b) communautaire goederen die in een vrije zone zijn veredeld;

c) goederen die in een vrije zone in het vrije verkeer zijn gebracht.

Artikel 168

Verbruik of veredeling van niet-communautaire goederen

1. Niet-communautaire goederen mogen in vrije zones niet worden verbruikt, gebruikt noch veredeld behalve in de in artikel 165 genoemde gevallen.

2. Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op leveranties en bevoorradingsproducten in de zin van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten [17], en voorzover de betrokken regeling dit toestaat, vormt lid 1 geen beletsel voor het gebruik of verbruik van goederen die, indien zij in het vrije verkeer werden gebracht of tijdelijk werden ingevoerd, niet aan de toepassing van invoerrechten of aan maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouw- of handelsbeleid zouden zijn onderworpen.

In geval van zulk gebruik of verbruik moet geen aangifte voor het vrije verkeer of voor de regeling tijdelijke invoer worden ingediend.

Een dergelijke aangifte moet wel worden ingediend als voor deze goederen een tariefcontingent of plafond geldt.

Artikel 169

Uitvoer, wederuitvoer en binnenkomst van goederen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap

Onverminderd specifieke communautaire wetgeving kunnen goederen in een vrije zone uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, of andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht.

De artikelen 97 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing op goederen die andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht.

Artikel 170

Douanestatus van goederen die opnieuw binnenkomen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap

1. Wanneer goederen vanuit een vrije zone opnieuw binnenkomen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap, kan de in artikel 167, lid 2, bedoelde verklaring worden gebruikt om de communautaire status van deze goederen aan te tonen.

2. Indien de communautaire status van goederen niet wordt aangetoond overeenkomstig lid 1 noch met behulp van enig ander erkend document, worden de goederen beschouwd als niet-communautaire goederen.

Voor de toepassing van uitvoerrechten en uitvoercertificaten of van uitvoermaatregelen in het kader van het landbouw- of handelsbeleid worden de goederen evenwel als communautaire goederen beschouwd.

HOOFDSTUK 4

BIJZONDERE BESTEMMING

Afdeling 1

Tijdelijke invoer

Artikel 171

Toepassingsgebied

1. Onder de regeling tijdelijke invoer kunnen niet-communautaire goederen in het douanegebied van de Gemeenschap worden gebruikt met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten en van accijnsrechten overeenkomstig de geldende accijnsvoorschriften, zonder dat zij aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen, voorzover deze niet van toepassing zijn op de binnenkomst van goederen in of het vertrek van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap.

Indien de goederen in aanmerking komen voor gehele vrijstelling van invoerrechten, worden zij ook van andere heffingen bij invoer vrijgesteld overeenkomstig de geldende voorschriften.

2. De regeling tijdelijke invoer mag slechts worden gebruikt mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de goederen zijn bestemd voor de wederuitvoer;

b) de goederen zijn niet bestemd om enige wijziging te ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering door gebruik;

c) de onder de regeling geplaatste goederen kunnen worden geïdentificeerd, behalve wanneer het ontbreken van identificatiemaatregelen wegens de aard van de goederen of van de te verrichten bewerkingen niet tot misbruik van de regeling kan leiden of, in het in artikel 149 bedoelde geval, de naleving van aan equivalente goederen gestelde voorwaarden kan worden gecontroleerd.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemen die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de eerste alinea, onder a), van dit lid.

Artikel 172

Termijn gedurende welke goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer mogen bevinden

1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, wederuitgevoerd of onder een volgende douaneregeling moeten zijn geplaatst. Deze termijn moet lang genoeg zijn om het doel van het toegestane gebruik te bereiken.

2. De maximale termijn gedurende welke goederen zich voor dezelfde doeleinden en onder de verantwoordelijkheid van dezelfde vergunninghouder onder de regeling tijdelijke invoer mogen bevinden, bedraagt 24 maanden, ook als de regeling werd gezuiverd door de goederen onder een volgende douaneregeling te plaatsen en ze vervolgens opnieuw onder de regeling tijdelijke invoer te plaatsen.

3. Indien in uitzonderlijke omstandigheden het doel van het toegestane gebruik niet kan worden bereikt binnen de in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen, kunnen de douaneautoriteiten deze termijnen op verzoek van de vergunninghouder verlengen.

Artikel 173

Situaties die onder de regeling tijdelijke invoer vallen

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waarop gebruik kan worden gemaakt van de regeling tijdelijke invoer en gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten kan worden verleend.

Bij de aanneming van deze maatregelen wordt rekening gehouden met internationale overeenkomsten alsook de aard en het gebruik van de goederen.

Artikel 174

Bedrag aan invoerrechten bij tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten

1. Het bedrag aan invoerrechten voor goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst, is 3 % van het bedrag aan invoerrechten dat over die goederen zou zijn geheven indien deze op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

Dit bedrag is verschuldigd per maand of maanddeel dat de goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling hebben bevonden.

2. Het bedrag aan invoerrechten mag niet hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de betrokken goederen op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

Afdeling 2

Bijzondere bestemming

Artikel 175

Douanetoezicht in het kader van de regeling bijzondere bestemming

1. Onder de regeling bijzondere bestemming kunnen goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming met vrijstelling van rechten dan wel met een verlaagd recht in het vrije verkeer worden gebracht. Zij blijven onder douanetoezicht.

2. Het douanetoezicht in het kader van de regeling bijzondere bestemming eindigt in de volgende gevallen:

a) indien de goederen zijn gebruikt voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b) indien de goederen worden uitgevoerd, vernietigd of afgestaan aan de staat;

c) indien de goederen zijn gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht, en de toepasselijke invoerrechten zijn betaald.

HOOFDSTUK 5

VEREDELING

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 176

Opbrengst

Tenzij in specifieke communautaire wetgeving een opbrengst is bepaald, stellen de douaneautoriteiten hetzij de opbrengst of de gemiddelde opbrengst van de onder de veredelingsregeling uitgevoerde handeling vast, hetzij, in voorkomend geval, de wijze waarop deze opbrengst wordt bepaald.

De opbrengst of gemiddelde opbrengst wordt vastgesteld met inachtneming van de werkelijke omstandigheden waarin de veredeling geschiedt of zal geschieden. Deze opbrengst kan in voorkomend geval later worden aangepast.

Afdeling 2

Actieve veredeling

Artikel 177

Toepassingsgebied

1. Onverminderd artikel 149 kunnen onder de regeling actieve veredeling niet-communautaire goederen in het douanegebied van de Gemeenschap worden gebruikt bij een of meer veredelingen zonder dat zij worden onderworpen aan:

a) invoerrechten;

b) andere heffingen bij invoer overeenkomstig de geldende voorschriften;

c) handelspolitieke maatregelen, voorzover zij niet van toepassing zijn op de binnenkomst van goederen in of de uitgang van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap.

2. In andere gevallen dan herstelling mag uitsluitend van de regeling actieve veredeling gebruik worden gemaakt indien, onverminderd het gebruik van hulpmiddelen bij de productie, de onder de regeling geplaatste goederen in de veredelingsproducten kunnen worden geïdentificeerd.

In het in artikel 149 bedoelde geval kan de regeling worden gebruikt voorzover de naleving van de ten aanzien van equivalente goederen gestelde eisen kan worden gecontroleerd.

3. Naast in de onder de leden 1 en 2 bedoelde gevallen is de regeling actieve veredeling ook van toepassing op:

a) goederen die moeten worden bewerkt om ze in overeenstemming te brengen met technische voorschriften voordat ze in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;

b) goederen die gebruikelijke behandelingen overeenkomstig artikel 148 moeten ondergaan.

Artikel 178

Termijn voor zuivering

1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling moeten worden geplaatst, tenzij zij worden vernietigd en er geen afval overblijft.

Deze termijn gaat in op de datum waarop de niet-communautaire goederen onder de regeling zijn geplaatst en wordt vastgesteld rekening houdende met de tijd die nodig is om de veredeling uit te voeren en de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling te plaatsen.

2. De douaneautoriteiten kunnen de overeenkomstig lid 1 vastgestelde termijn verlengen indien de vergunninghouder een met redenen omkleed verzoek daartoe indient.

In de vergunning kan worden bepaald dat termijnen die ingaan in de loop van een kalendermaand, kwartaal of semester, verstrijken op de laatste dag van een volgende kalendermaand respectievelijk van een volgend kwartaal of semester.

3. In het geval van voorafgaande uitvoer overeenkomstig artikel 149, lid 2, onder b), stellen de douaneautoriteiten de termijn vast waarbinnen de niet-communautaire goederen voor de regeling moeten worden aangegeven. Deze termijn gaat in op de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer van de veredelingsproducten die uit de betrokken equivalente goederen zijn verkregen.

Artikel 179

Tijdelijke wederuitvoer voor verdere veredeling

Met voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten kunnen de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk worden wederuitgevoerd met het oog op een aanvullende veredeling buiten het douanegebied van de Gemeenschap overeenkomstig de voor de regeling passieve veredeling vastgestelde voorwaarden.

Afdeling 3

Passieve veredeling

Artikel 180

Toepassingsgebied

1. Onder de regeling passieve veredeling kunnen communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd om deze te laten veredelen. De uit die goederen voortkomende veredelingsproducten kunnen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in het vrije verkeer worden gebracht.

2. Passieve veredeling is niet toegestaan voor de volgende communautaire goederen:

a) goederen waarvan de uitvoer een terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten tot gevolg heeft;

b) goederen die, voorafgaand aan de uitvoer, uit hoofde van hun bijzondere bestemming met vrijstelling van rechten dan wel met een verlaagd recht in het vrije verkeer zijn gebracht, zolang die bijzondere bestemming nog niet is vervuld, tenzij deze goederen herstellingen moeten ondergaan;

c) goederen waarvan de uitvoer aanleiding geeft tot de toekenning van restituties bij uitvoer;

d) goederen waarvoor wegens de uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een ander financieel voordeel dan de onder c) genoemde restituties wordt toegekend.

3. Wanneer de veredelingsproducten door de vergunninghouder voor het vrije verkeer worden aangegeven, wordt, op diens verzoek, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten als bedoeld in lid 1 verleend.

4. Wanneer de artikelen 181 en 182 niet van toepassing zijn en wanneer het gaat om ad-valoremrechten, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend op basis van de kosten van de buiten het douanegebied van de Gemeenschap verrichte veredeling.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van de regels voor deze berekening en van de regels voor de berekening van specifieke rechten.

5. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen tijdelijk uitgevoerde goederen in de vorm van veredelingsproducten opnieuw in het douanegebied van de Gemeenschap moeten worden ingevoerd en voor het vrije verkeer moeten worden aangegeven om in aanmerking te kunnen komen voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten. Zij kunnen deze termijn verlengen indien de vergunninghouder een met redenen omkleed verzoek daartoe indient.

Artikel 181

Herstelde goederen

1. Indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat de herstelling gratis werd verricht, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een fabricagefout, wordt gehele vrijstelling van invoerrechten verleend.

2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer rekening is gehouden met fabricagefouten toen de betrokken producten voor het eerst in het vrije verkeer werden gebracht.

Artikel 182

Systeem uitwisselingsverkeer

1. Onder het systeem uitwisselingsverkeer kan een ingevoerd goed, hierna vervangend product genoemd, overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 in de plaats treden van een veredelingsproduct.

2. De douaneautoriteiten staan gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer toe, indien de veredeling bestaat uit de herstelling van andere communautaire goederen dan die welke vallen onder de gemeenschappelijke landbouwmaatregelen of onder de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen van toepassing zijn.

3. De vervangende producten moeten onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de gebrekkige goederen indien deze de herstelling hadden ondergaan.

4. Indien de gebrekkige goederen voorafgaand aan de uitvoer zijn gebruikt, moeten de vervangende producten eveneens zijn gebruikt.

De douaneautoriteiten zien evenwel af van de in de eerste alinea gestelde eis indien het vervangende product gratis is geleverd, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een fabricagefout.

5. De bepalingen die van toepassing zouden zijn op de veredelingsproducten, zijn eveneens van toepassing op de vervangende producten.

Artikel 183

Voorafgaande invoer van vervangende producten

1. De douaneautoriteiten staan toe dat de vervangende producten onder de door hen vastgestelde voorwaarden worden ingevoerd voordat de gebrekkige goederen worden uitgevoerd.

Bij voorafgaande invoer van een vervangend product dient zekerheid te worden gesteld voor het bedrag aan invoerrechten dat verschuldigd zou zijn indien de gebrekkige goederen niet worden uitgevoerd overeenkomstig lid 2.

2. De gebrekkige goederen moeten worden uitgevoerd binnen twee maanden na de aanvaarding door de douaneautoriteiten van de aangifte voor het vrije verkeer van de vervangende producten.

3. Indien in uitzonderlijke omstandigheden de uitvoer van de gebrekkige goederen niet kan geschieden binnen de in lid 2 bedoelde termijn, kunnen de douaneautoriteiten op verzoek van de betrokkene deze termijn verlengen.

TITEL VIII

VERTREK VAN GOEDEREN UIT HET DOUANEGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP

HOOFDSTUK 1

GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VERLATEN

Artikel 184

Verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek

1. Voor goederen die bestemd zijn om het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, wordt bij het bevoegde douanekantoor een aangifte vóór vertrek ingediend of beschikbaar gemaakt voordat deze goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht.

De eerste alinea is evenwel niet van toepassing op goederen die uitsluitend door de territoriale wateren of het luchtruim van het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd zonder dat er een tussenstop in dit gebied wordt gemaakt.

2. Indien een douaneaangifte of een mededeling van wederuitvoer overeenkomstig artikel 188 is vereist, vormt die aangifte of mededeling de aangifte vóór vertrek.

Indien een douaneaangifte noch een mededeling van wederuitvoer is vereist, gebeurt de aangifte vóór vertrek in de vorm van de summiere aangifte van uitgang als bedoeld in artikel 189.

3. De aangifte vóór vertrek bevat ten minste de voor de summiere aangifte van uitgang benodigde gegevens.

Artikel 185

Maatregelen tot vaststelling van bepaalde bijzonderheden

De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen vast die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen met betrekking tot:

a) de gevallen waarin en de voorwaarden waarop voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, geen aangifte vóór vertrek is vereist;

b) de voorwaarden waarop ontheffing kan worden verleend van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek of die verplichting kan worden aangepast;

c) de termijn waarbinnen de aangifte vóór vertrek moet worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten;

d) uitzonderingen op en afwijkingen van de onder c) bedoelde termijn;

e) de vaststelling van het bevoegde douanekantoor waar de aangifte vóór vertrek moet worden ingediend of beschikbaar worden gemaakt en waar de risicoanalyse en de op risicoanalyse gebaseerde controles bij uitvoer en uitgang moeten worden verricht.

Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt rekening gehouden met:

a) bijzondere omstandigheden;

b) de toepassing van deze maatregelen op bepaalde goederenbewegingen, vervoerswijzen en bedrijven;

c) internationale overeenkomsten die in specifieke veiligheidsregelingen voorzien.

Artikel 186

Formaliteiten en douanetoezicht

1. Voor goederen die bestemd zijn het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, dienen uitgangsformaliteiten te worden vervuld, die naar gelang van het geval het volgende omvatten:

a) de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten of de betaling van restituties bij uitvoer;

b) de inning van uitvoerrechten;

c) de formaliteiten krachtens de geldende BTW- en accijnsvoorschriften;

d) de toepassing van verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mens, dier of plant, de bescherming van het milieu, de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch bezit, de tenuitvoerlegging van maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden of de bescherming van industriële en commerciële eigendom, inclusief controles op drugsprecursoren, namaakgoederen en contanten die de Gemeenschap verlaten.

2. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, zijn onderworpen aan douanetoezicht en kunnen worden onderworpen aan douanecontroles.

In voorkomend geval kunnen de douaneautoriteiten vaststellen langs welke route en binnen welke termijn goederen het douanegebied van de Gemeenschap moeten verlaten.

3. Goederen worden voor uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap vrijgegeven op voorwaarde dat zij dit gebied verlaten in dezelfde staat als op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte vóór vertrek.

4. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel.

HOOFDSTUK 2

UITVOER

Artikel 187

Communautaire goederen

Communautaire goederen die bestemd zijn om het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, worden onder de regeling uitvoer geplaatst.

De eerste alinea is niet van toepassing op de volgende goederen:

a) goederen die onder de regeling bijzondere bestemming of passieve veredeling zijn geplaatst;

b) goederen die onder de regeling intern douanevervoer zijn geplaatst of die het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk verlaten overeenkomstig artikel 109.

De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen aan tot vaststelling van de uitvoerformaliteiten die van toepassing zijn op goederen die onder de regeling bijzondere bestemming of passieve veredeling zijn geplaatst.

Artikel 188

Niet-communautaire goederen

1. In het geval van niet-communautaire goederen die bestemd zijn om het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, wordt bij het bevoegde douanekantoor mededeling van wederuitvoer gedaan en worden de uitgangsformaliteiten vervuld.

2. De artikelen 110 tot en met 124 zijn van overeenkomstige toepassing op de mededeling van wederuitvoer.

3. Lid 1 is niet van toepassing op de volgende goederen:

a) goederen die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst en slechts via het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd;

b) goederen die worden overgeladen in of rechtstreeks worden uitgevoerd uit een vrije zone;

c) goederen onder de regeling tijdelijke opslag die rechtstreeks worden uitgevoerd uit een vergunninghoudende ruimte voor tijdelijke opslag.

Artikel 189

Summiere aangifte van uitgang

1. Indien communautaire of niet-communautaire goederen bestemd zijn om het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten en er geen mededeling van wederuitvoer vereist is, wordt bij het bevoegde douanekantoor een summiere aangifte van uitgang ingediend overeenkomstig artikel 184.

2. De summiere aangifte van uitgang wordt ingediend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. Er mag gebruik worden gemaakt van handels-, haven- of vervoersinformatie, mits deze de benodigde gegevens voor een summiere aangifte van uitgang bevat.

De douaneautoriteiten mogen in uitzonderlijke omstandigheden summiere aangiften van uitgang op papier aanvaarden, mits zij hierbij hetzelfde niveau van risicobeheer kunnen garanderen als bij summiere aangiften van uitgang ingediend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken, en mits aan de vereisten voor de uitwisseling van zulke gegevens met andere douanekantoren kan worden voldaan.

De douaneautoriteiten mogen aanvaarden dat summiere aangiften van uitgang worden vervangen door een kennisgeving samen met een toegang tot de gegevens van de summiere aangifte in het computersysteem van het bedrijf.

3. De summiere aangifte van uitgang wordt door een van de volgende personen ingediend:

a) de persoon die de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap brengt of die verantwoordelijk is voor het vervoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap;

b) de exporteur of verzender of een andere persoon in wiens naam of voor wiens rekening de onder a) bedoelde persoon handelt;

c) eenieder die in staat is de goederen bij de bevoegde douaneautoriteiten aan te brengen of te doen aanbrengen.

4. Wanneer de summiere aangifte van uitgang wordt ingediend door een andere persoon dan de exploitant van het vervoermiddel waarmee de goederen het douanegrondgebied van de Gemeenschap verlaten, dient deze exploitant binnen de in artikel 185, eerste alinea, onder c) genoemde termijnen bij het bevoegde douanekantoor een bericht van vertrek in in de vorm van een manifest, vrachtbrief of laadlijst met daarop de vermeldingen die noodzakelijk zijn voor de identificatie van alle vervoerde goederen die het voorwerp moeten zijn van een summiere aangifte van uitgang.

Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de eerste alinea van dit lid.

Overeenkomstig de in artikel 194, lid 2 bedoelde procedure neemt de Commissie de maatregelen aan tot bepaling van:

a) de vermeldingen die in het bericht van vertrek moeten staan,

b) de voorwaarden waaronder de verplichting tot indiening van een aankondiging van vertrek het voorwerp kan zijn van een afwijking of een aanpassing,

c) de regels die van toepassing zijn op de uitzonderingen en aanpassingen die zijn toegestaan ten opzichte van de in de eerste alinea van dit lid vermelde termijn,

d) de aanwijzing van het bevoegde douanekantoor waar het bericht van vertrek moet worden ingediend of ter beschikking gesteld.

Voor de goedkeuring van deze maatregelen wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

a) bijzondere omstandigheden,

b) de toepassing van deze maatregelen op bepaalde soorten goederenstromen, vervoerswijzen of bedrijven,

c) de internationale akkoorden die in specifieke veiligheidsvoorschriften voorzien.

Artikel 190

Wijziging van de summiere aangifte van uitgang

Aan de persoon die de summiere aangifte van uitgang indient, wordt op zijn verzoek toegestaan een of meer van de gegevens in die aangifte te wijzigen nadat deze is ingediend.

Wijziging is echter niet meer mogelijk na een van de volgende handelingen:

a) de douaneautoriteiten hebben de persoon die de summiere aangifte heeft ingediend, in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de betrokken gegevens onjuist zijn;

c) de douaneautoriteiten hebben al toestemming gegeven om de goederen weg te voeren.

De Commissie kan overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aannemendie de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen middels de vaststelling van uitzonderingen op de tweede alinea, punt c) van dit artikel.

HOOFDSTUK 3

VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel 191

Tijdelijke uitvoer

1. Communautaire goederen kunnen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd en in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten bij hun wederinvoer.

2. De Commissie neemt overeenkomstig de in artikel 194, lid 3, bedoelde procedure maatregelen aan die de wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen door haar aan te vullen voor de tenuitvoerlegging van lid 1 van dit artikel.

TITEL IX

COMITÉ DOUANEWETBOEK EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

COMITÉ DOUANEWETBOEK

Artikel 192

Verdere uitvoeringsmaatregelen

Naast de in dit wetboek bedoelde uitvoeringsmaatregelen neemt de Commissie overeenkomstig de in artikel 194, lid 2, bedoelde procedure maatregelen tot vaststelling van:

a) regels en normen voor de interoperabiliteit van de douanesystemen van de lidstaten om te komen tot een betere samenwerking op basis van elektronische gegevensuitwisseling tussen de douaneautoriteiten onderling, tussen de douaneautoriteiten en de andere bevoegde autoriteiten en tussen de douaneautoriteiten en bedrijven;

b) de gevallen waarin en de voorwaarden waarop de Commissie beschikkingen kan geven waarbij aan lidstaten wordt verzocht een beschikking in te trekken of te wijzigen;

c) enige andere uitvoeringsmaatregel indien nodig, ook wanneer de Gemeenschap afspraken maakt en verplichtingen op zich neemt in het kader van internationale overeenkomsten die een aanpassing van het wetboek vergen.

Artikel 193

Toelichtingen en richtsnoeren

1. De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 194, lid 4, bedoelde procedure het volgende op:

a) toelichtingen op en bepalingen ter uitvoering van dit wetboek alsmede de in artikel 42 bedoelde regels van oorsprong;

b) richtsnoeren voor een uniforme interpretatie van de bepalingen van het wetboek en andere douanewetgeving in de Gemeenschap.

2. Deze toelichtingen en richtsnoeren worden als bijlage opgenomen in de bepalingen betreffende de toepassing van deze verordening.

Artikel 194

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Douanewetboek, hierna "het comité" genoemd.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 195

Overige aangelegenheden

Het comité kan elke kwestie in verband met het wetboek of de uitvoeringsmaatregelen van het wetboek die door de voorzitter op initiatief van de Commissie of op verzoek van een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld, in behandeling nemen, en met name:

a) ieder probleem dat voortvloeit uit de toepassing van de douanewetgeving;

b) ieder standpunt dat de Gemeenschap dient in te nemen in comités, werkgroepen en panels die zijn ingesteld bij of krachtens internationale overeenkomsten op het gebied van douanewetgeving.

HOOFDSTUK 2

SLOTBEPALINGEN

Artikel 196

Intrekking

De Verordeningen (EEG) nr. 3925/91, (EEG) nr. 2913/92, (EG) nr. 82/2001 en (EG) nr. 1207/2001 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 197

Rapportage van douanesancties

1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk … [] de overeenkomstig artikel 22 geldende nationale bepalingen mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen die van invloed zijn op deze bepalingen.

2. De lidstaten doen de Commissie aan het einde van elk kalenderjaar een verslag over de toepassing van artikel 22 toekomen, in overeenstemming met de door de Commissie vastgestelde specificaties.

Artikel 198

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …, op …

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

Voor de Raad

De Voorzitter

[1] PB C …

[2] Standpunt van het Europees Parlement van 12 december 2006.

[3] COM(2004)0544 van 9.8.2004.

[4] PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13).

[5] PB L 86 van 3.4.2003, blz. 21. Verordening gewijzigd bij Besluit 2004/485/EG (PB L 162 van 30.4.2004, blz. 113).

[6] COM(2003)0452 van 24.7.2003.

[7] PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13.

[8] PB L 76 van 23.3.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/106/EG (PB L 359 van 4.12.2004, blz. 30).

[9] PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/69/EG (PB L 221 van 12.8.2006, blz. 9).

[10] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

[11] PB L 374 van 31.12.1991, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

[12] PB L 20 van 20.1.2001, blz. 1.

[13] PB L 165 van 21.6.2001, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1617/2006 (PB L 300 van 31.10.2006, blz. 5).

[14] PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

[15] PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1758/2006 (PB L 335 van 1.12.2006, blz. 1).

[16] PB L 118 van 25.5.1995, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 476/97 (PB L 75 van 15.3.1997, blz. 1).

[17] PB L 102 van 17.4.1999, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2006 (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 52).

[] Twee maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

--------------------------------------------------

20061223

BIJLAGE

Concordantietabel 1: Nieuwe verordening > Verordening (EEG) nr. 2913/92

Nieuw artikel | Vorig(e) artikel(en) in Vo. 2913/92 | Nieuw artikel | Vo. 2913/92 |

1 | Nieuw | 47 | Nieuw |

2 | 2 | 48 | Nieuw |

3 | 3 | 49 | 201 |

4 | 1, 4 | 50 | 216 |

5 | Nieuw + 15 | 51 | 202, 203, ex 204, 206 |

6 | Nieuw | 52 | 143, lid 2, ex 144, 208 |

7 | Nieuw | 53 | 209 |

8 | 11 | 54 | 210, 211 |

9 | 14 + 199 Uitv. Wetb. | 55 | 212 |

10 | Nieuw | 56 | 213 |

11 | 5, leden 1, 2 en 3 | 57 | 121, 122, ex 144, 214 |

12 | 5, lid 4 | 58 | 112, 121, 122, 135, 136, ex 144, 178 |

13 | Nieuw | 59 | Nieuw |

14 | 5 bis, lid 1 | 60 | 215, leden 1, 2 en 4 |

15 | 5 bis, lid 2 | 61 | 189, 191 |

16 | 5 bis, lid 2 | 62 | 192, lid 1 |

17 | 6, 7, ex 10 | 63 | 190, 192, lid 2 |

18 | ex 250 | 64 | 193, 194, 197 |

19 | 8 | 65 | 196 |

20 | 9 | 66 | 195 |

21 | 12 | 67 | 94, leden 1-4 |

22 | Nieuw | 68 | 94, leden 5, 6 en 7 |

23 | 246 | 69 | 198 |

24 | 243 | 70 | 199 |

25 | 244 | 71 | 215, lid 3, 217 |

26 | 245 | 72 | 221, leden 1 en 2 |

27 | 13 | 73 | 221, leden 3 en 4 |

28 | Nieuw | 74 | 217, 220, lid 2, onder a) en c) |

29 | ex 78 | 75 | 218, 219, lid 2 & 220, lid 1 |

30 | Vo. 3925/91 | 76 | Nieuw |

31 | 16 | 77 | 222 |

32 | 11, lid 2 | 78 | 223, 231 |

33 | 18, 35 | 79 | 224, 225, 226 |

34 | 17 | 80 | 227 |

35 | 19 | 81 | 228 |

36 | 20, leden 1-5, 21 | 82 | 229, 230 |

37 | 20, lid 6 | 83 | 232, 214, lid 3 |

38 | 22 | 84 | 235, 241, 242 |

39 | 23, 24 | 85 | 237, 239, 240 |

40 | 26 | 86 | 236 |

41 | Nieuw | 87 | 238 |

42 | 27 | 88 | 220, lid 2, onder b), 236 |

43 | 28, 36 | 89 | 239 |

44 | 29, 32, 36 | 90 | Nieuw |

45 | 30, 32, lid 1, onder e), 33 | 91 | Nieuw |

46 | 31 | 92 | 150, lid 2, ex 204, 205, 206, 207, 212 bis, 233, 234 |

93 | 36 bis, 36 ter, lid 1 | 147 | 90, 103 |

94 | 36 ter, leden 1-4 | 148 | 91, lid 3, 111 |

95 | 36 ter, lid 5 | 149 | 109, 173, onder b) |

96 | 36 quater | 150 | ex 114, ex 115 |

97 | 37, 42, 58, lid 2 | 151 | 92, 97, 98, lid 3, 109, lid 4, 115, lid 2, 120, 131, 142, lid 2, 146, lid 2, 165 |

98 | 38, leden 1-4 | 152 | 91 |

99 | 38, lid 5 | 153 | 93, 163, 164 |

100 | 39 | 154 | Nieuw |

101 | 40, 41 | 155 | 95, 96 |

102 | 46, 47 | 156 | 93 |

103 | 48, 49, 58, lid 1 | 157 | 98, 166 |

104 | 50 | 158 | 101, 102 |

105 | 54 | 159 | 108, 110, 171 |

106 | 55 | 160 | 50, 51, lid 2, 53 |

107 | Ex artikel 313 Uitv. Wetb. | 161 | 51, lid 1, 52 |

108 | 83 | 162 | 99, 110 |

109 | 164 | 163 | 106 |

110 | 59 | 164 | 167, leden 1-3, 168, leden 1 en 2 |

111 | 60 | 165 | 167, lid 4, 172 |

112 | 61, ex 77 | 166 | 173 |

113 | 62, 76, lid 1, onder a), 77 | 167 | ex 169, 170 |

114 | 63, 67 | 168 | 169, ex 170 |

115 | 64 | 169 | 175 |

116 | 65 | 170 | 177, 181 |

117 | 66 | 171 | 180 |

118 | 68, ex 250 | 172 | 137, 139 |

119 | 69 | 173 | 140 |

120 | 70 | 174 | 141, 142 |

121 | 71, ex 250 | 175 | 143, leden 1 en 2 |

122 | 72, ex 250 | 176 | 82 |

123 | 73 | 177 | 119 |

124 | 74 | 178 | 130, ex 114 |

125 | 76, leden 1 en 4 | 179 | 118 |

126 | 76, lid 1, onder c) | 180 | 123 |

127 | Nieuw | 181 | 145, 146, 149, 150, 151, 153, lid 2 |

128 | 76, leden 2 en 3 | 182 | 152 |

129 | Nieuw | 183 | 154, 155, 156 |

130 | 81 | 184 | 154, lid 4, 157 |

131 | 56 | 185 | 182 bis |

132 | 57, 75, 78, lid 3 | 186 | 182 ter, ex 182 quater, 161, leden 4 en 5 |

133 | ex 182 | 187 | ex 161, 162, 183 |

134 | Nieuw | 188 | 161, leden 1 en 2 |

135 | 79 | 189 | 182, ex 182 quater |

136 | 185, lid 1 | 190 | ex 182 quater, 182 quinquies |

137 | 185, lid 2 | 191 | 182 quinquies, lid 4 |

138 | 186 | 192 | Nieuw |

139 | 187 | 193 | 184 + Vo. 918/83 |

140 | 188 | 194 | 247, 248 |

141 | 184 + Vo. 918/83 | 195 | Nieuw |

142 | 84 | 196 | 247 bis, 248 bis |

143 | 85, 86, 87, 88, 94, 95, 100, 104, 116, 117, 132, 133, 138, 147, 148 | 197 | 249 |

144 | Nieuw | 198 | 251, 252 |

145 | 105, 106, lid 3, 107, 176 | 199 | 253 |

146 | 89, 92 | — | — |

Concordantietabel 2: Vorige Verordening (EEG) nr. 2913/92 > nieuwe verordening

Vo. 2913/92 | Nieuw artikel | Vo. 2913/92 | Nieuw artikel |

Artikel 1 | 4 | Artikel 44 | Ingetrokken |

2 | 2 | 45 | Ingetrokken |

3 | 3 | 46 | 102 |

4 | 4 | 47 | 102 |

5 | 11, 12 | 48 | 103 |

5 bis | 14, 15, 16 | 49 | 103 |

6 | 17 | 50 | 104, 160 |

7 | 17 | 51 | 160, 161 |

8 | 19 | 52 | 161 |

9 | 20 | 53 | 160 |

10 | 17 | 54 | 105 |

11 | 8, 32 | 55 | 106 |

12 | 21 | 56 | 131 |

13 | 27 | 57 | 103 |

14 | 9 | 58 | 97, 103 |

15 | 5 | 59 | 110 |

16 | 31 | 60 | 111 |

17 | 34 | 61 | 112 |

18 | 33 | 62 | 113 |

19 | 35 | 63 | 114 |

20 | 36, 37 | 64 | 115 |

21 | 36 | 65 | 116 |

22 | 38 | 66 | 117 |

23 | 39 | 67 | 114 |

24 | 39 | 68 | 118 |

25 | Ingetrokken | 69 | 119 |

26 | 40 | 70 | 120 |

27 | 42 | 71 | 121 |

28 | 43 | 72 | 122 |

29 | 44 | 73 | 123 |

30 | 45 | 74 | 124 |

31 | 46 | 75 | 132 |

32 | 44, 45 | 76 | 113, 125, 126, 128 |

33 | 45 | 77 | 112, 113 |

34 | 47 | 78 | 29 |

35 | 33 | 79 | 135 |

36 | 44 | 80 | Ingetrokken |

36 bis | 93 | 81 | 130 |

36 ter | 93, 94, 95 | 82 | 176 |

36 quater | 96 | 83 | 108 |

37 | 97 | 84 | 142 |

38 | 98, 99 | 85 | 143 |

39 | 100 | 86 | 143 |

40 | 101 | 87 | 143 |

41 | 101 | 88 | 143 |

42 | 97 | 89 | 146 |

43 | Ingetrokken | 90 | 147 |

91 | 148, 152 | 141 | 174 |

92 | 146, 151 | 142 | 174, 151 |

93 | 153, 156 | 143 | 53, 175 |

94 | 67, 68, 143 | 144 | 52, 57, 58 |

95 | 143, 155 | 145 | 181 |

96 | 155 | 146 | 151, 181 |

97 | 151 | 147 | 143 |

98 | 151, 157 | 148 | 143 |

99 | 162 | 149 | 181 |

100 | 143 | 150 | 181 |

101 | 158 | 151 | 181 |

102 | 158 | 152 | 92, 182 |

103 | 147 | 153 | 181 |

104 | 143 | 154 | 183, 184 |

105 | 145 | 155 | 183 |

106 | 145, 163 | 156 | 183 |

107 | 145 | 157 | 184 |

108 | 159 | 158 | Ingetrokken |

109 | 149, 151 | 159 | Ingetrokken |

110 | 159, 162 | 160 | Ingetrokken |

111 | 148 | 161 | 186, 187, 188 |

112 | 58 | 162 | 187 |

113 | Ingetrokken | 163 | 153 |

114 | 150, 178 | 164 | 109, 153 |

115 | 150, 151 | 165 | 151 |

116 | 143 | 166 | 157 |

117 | 143 | 167 | 164, 165 |

118 | 179 | 168 | 164 |

119 | 177 | 168 bis | Ingetrokken |

120 | 151 | 169 | 167, 168 |

121 | 57, 58 | 170 | 167, 168 |

122 | 57, 58 | 171 | 159 |

123 | 180 | 172 | 165 |

124 | Ingetrokken | 173 | 149, 166 |

125 | Ingetrokken | 174 | Ingetrokken |

126 | Ingetrokken | 175 | 169 |

127 | Ingetrokken | 176 | 145 |

128 | Ingetrokken | 177 | 170 |

129 | Ingetrokken | 178 | 58 |

130 | 178 | 179 | Ingetrokken |

131 | 151 | 180 | 171 |

132 | 143 | 181 | 170 |

133 | 143 | 182 | 133, 189 |

134 | Ingetrokken | 182 bis | 185 |

135 | 58 | 182 ter | 186 |

136 | 58 | 182 quater | 186, 189, 190 |

137 | 172 | 182 quinquies | 190, 191 |

138 | 143 | 183 | 187 |

139 | 172 | 184 | 141, 193 |

140 | 173 | 185 | 136, 137 |

186 | 138 | 220 | 74, 75, 88 |

187 | 139 | 221 | 72, 73 |

188 | 140 | 222 | 77 |

189 | 61 | 223 | 78 |

190 | 63 | 224 | 79 |

191 | 61 | 225 | 79 |

192 | 62, 63 | 226 | 79 |

193 | 64 | 227 | 80 |

194 | 64 | 228 | 81 |

195 | 66 | 229 | 82 |

196 | 65 | 230 | 82 |

197 | 64 | 231 | 78 |

198 | 69 | 232 | 83 |

199 | 70 | 233 | 92 |

200 | Ingetrokken | 235 | 84 |

201 | 49 | 236 | 86, 88 |

202 | 51 | 237 | 85 |

203 | 51 | 238 | 87 |

204 | 51, 92 | 239 | 85, 89 |

205 | 92 | 240 | 85 |

206 | 51, 92 | 241 | 84 |

207 | 92 | 242 | 84 |

208 | 52 | 243 | 24 |

209 | 53 | 244 | 25 |

210 | 54 | 245 | 26 |

211 | 54 | 246 | 23 |

212 | 55 | 247 | 194 |

212 bis | 92 | 247 bis | 196 |

213 | 56 | 248 | 194 |

214 | 57, 83 | 248 bis | 196 |

215 | 60, 71 | 249 | 197 |

216 | 50 | 250 | 18, 118, 121, 122 |

217 | 74 | 251 | 198 |

218 | 75 | 252 | 198 |

219 | 75 | 253 | 199 |

Concordantietabel 3: Ingetrokken verordening > nieuwe verordening

Vorige verordening | Nieuw artikel |

(EEG) nr. 918/83 | Artikelen 141 & 193 |

(EEG) nr. 3925/91 | Artikel 30 |

(EG) nr. 82/2001 | Artikel 42 |

(EG) nr. 1207/2001 | Artikel 42 |

--------------------------------------------------

Top