This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52005PC0617
Proposal for a Council Regulation fixing for 2006 the fishing opportunities and associated conditions for certain fish stocks and groups of fish stocks, applicable in Community waters and, for Community vessels, in waters where catch limitations are required
Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften
Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften
/* COM/2005/0617 def. */
Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften /* COM/2005/0617 def. */
NL Brussel, 30.11.2005 COM(2005) 617 definitief Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (door de Commissie ingediend) TOELICHTING Achtergrond van het voorstel | 110 | Motivering en doel van het voorstel De jaarlijkse verordening voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden is het belangrijkste instandhoudingsinstrument in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Deze verordening is de afgelopen jaren steeds complexer geworden als gevolg van de invoering van beperkingen van de visserij-inspanning en tijdelijke maatregelen en afwijkingen die zijn vastgesteld in respectievelijk de herstelplannen en andere verordeningen over bijvoorbeeld technische maatregelen en de beperking van de visserij-inspanning voor diepzeesoorten. Bovendien moet bij de vaststelling van sommige TAC’s voor de gemengde visserij rekening worden gehouden met de verschillende soorten die samen worden gevangen. De ICES heeft het wetenschappelijk advies over de meeste bestanden die onder de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden vallen, op 14 oktober ter beschikking gesteld. Het door de Commissie ingestelde Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) heeft vergaderd van 7 tot en met 11 november. De verslagen van beide instanties vormen de basis van dit voorstel. Uit het advies van de ICES komt eens te meer naar voren dat de toestand van een groot aantal visbestanden in de wateren van de Gemeenschap deplorabel is. Bij de exploitatie van de meeste bestanden wordt het maximale potentiële opbrengstniveau overschreden. Voor talrijke bestanden ligt de bevissingsgraad boven het voorzorgsniveau - bij een aantal van de belangrijkste bestanden, waaronder de meeste kabeljauwbestanden, zelfs in die mate dat ze een zeer groot risico lopen zich niet meer te kunnen voortplanten. Krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad dient de Commissie jaarlijks de vangst- en inspanningsbeperkingen vast te stellen die ervoor moeten zorgen dat de visserij in de Gemeenschap vanuit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt verantwoord verloopt. | 120 | Algemene achtergrond De overexploitatie die bij de visserij op een groot aantal bestanden wordt geconstateerd, is terug te voeren op verschillende factoren, waarvan overbevissing de voornaamste is. Ondanks de vangstbeperkingen die de Raad elk jaar vaststelt, blijkt vaak meer te worden gevangen dan goed is voor een duurzame opbrengst, omdat de vastgestelde vangstniveaus soms te hoog zijn om een duurzame visserij te garanderen en omdat de handhaving van deze vangstbeperkingen in een aantal gevallen te wensen overlaat. Ter ondersteuning van de vangstbeperkingen zijn de afgelopen jaren in een aantal visserijtakken inspanningsbeperkingen ingevoerd en zijn voor sommige bestanden meerjarige herstelplannen met jaarlijkse vangstbeperkingen vastgesteld die tot doel hebben om via een geleidelijke verlaging van de visserijsterfte tot een duurzame visserij te komen. Slaagt men er niet in de vangsten en de visserij-inspanningen onder controle te houden, dan zullen de visbestanden onherroepelijk verder uitgeput geraken. Een verdere uitputting van de bestanden staat haaks op het streven van de Gemeenschap om met het gemeenschappelijk visserijbeleid de communautaire visserij duurzaam te maken. | 139 | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied verlopen op 31 december 2005. | 140 | Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU De voorgestelde maatregelen zijn opgesteld overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en zijn in overeenstemming met het beleid van de Gemeenschap inzake duurzame ontwikkeling. | Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling | | Raadpleging van belanghebbende partijen | 211 | Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten Bij het opstellen van het voorstel is rekening gehouden met het overleg dat overeenkomstig de hieronder uiteengezette beginselen heeft plaatsgevonden met de reeds opgerichte adviesraden en met het Comité voor de visserij en de aquacultuur. | 212 | Samenvatting van de reacties en de manier waarop daarmee rekening is gehouden De regionale adviesraden dringen erop aan dat eventuele wijzigingen aan de jaarlijkse TAC’s en quota geleidelijk worden ingevoerd, zodat de verstoring van de economische activiteit die dergelijke maatregelen op korte termijn met zich meebrengen, tot een minimum wordt beperkt. Zoals blijkt uit de onderstaande gedetailleerde toelichting, is het voorstel in overeenstemming met het beginsel van een geleidelijke aanpassing en een beperking van het aantal veranderingen van de visserijmogelijkheden. | | Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid | 221 | Betrokken wetenschaps- en kennisgebiedenBiologie en economie in de visserijsector | 222 | Gebruikte instrumenten Raadpleging van een onafhankelijke, internationale, wetenschappelijke instantie (ICES) en organisatie van de voltallige vergadering van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV), november 2005. | 223 | Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen- Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), oktober 2005-Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) | 2244 | Samenvatting van de ingewonnen en benutte adviezen Er is gewezen op het bestaan van mogelijk ernstige risico’s met onomkeerbare gevolgen. Dat dergelijke risico’s bestaan wordt door niemand in twijfel getrokken. | 225 | Het ICES-advies wordt door het WTECV bevestigd en in sommige gevallen verder uitgewerkt. | 226 | Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek Alle rapporten van het WTECV worden, na de officiële vaststelling ervan door de Commissie, ter beschikking gesteld op de website van DG FISH. | 230 | Effectbeoordeling De maatregelen ter beperking van de vangst en de visserij-inspanningen moeten door de Raad worden vastgesteld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002. De voorgestelde maatregelen leiden, op voorwaarde dat ze ten uitvoer worden gelegd, tot een algemene daling van de vangstmogelijkheden voor de vaartuigen van de Gemeenschap. Het voorstel bevat kortetermijnbesluiten, maar moet ook worden gezien als deel van een langetermijnaanpak om de visserij-inspanningen geleidelijk terug te brengen tot een duurzaam niveau. Het voorstel zal op korte termijn leiden tot lagere TAC’s en op langere termijn tot het herstel van de overbeviste bestanden en dus ook van de vangstmogelijkheden. Op middellange en lange termijn moet de gekozen aanpak resulteren in een afname van de visserij-inspanning en dus ook van de daarmee gepaard gaande milieu-impact, in een beperking van het aantal vaartuigen en/of de gemiddelde visserij-inspanning per vaartuig en in de handhaving of toename van de aanvoer. | Juridische elementen van het voorstel | 305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregel Om de met het GVB beoogde totstandbrenging van een biologisch, economisch en sociaal duurzame visserij te verwezenlijken, wordt in dit voorstel vastgesteld welke vangst- en inspanningsbeperkingen gelden voor de visserij in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, voor de visserij in internationale wateren. | 310 | RechtsgrondslagArtikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 | 329 | SubsidiariteitsbeginselHet voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. | | Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de onderstaande reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. | 331 | Het GVB is een gemeenschappelijk beleid en moet derhalve krachtens verordeningen van de Raad ten uitvoer worden gelegd. Krachtens de betrokken verordening van de Raad worden vangstmogelijkheden aan de lidstaten toegewezen. De lidstaten mogen deze mogelijkheden zelf tussen de regio’s of de marktdeelnemers verdelen en beschikken dus over een ruime mate van vrijheid wanneer ze moeten beslissen aan de hand van welk sociaal/economisch model de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden zullen worden geëxploiteerd. | 332 | Het voorstel heeft geen nieuwe financiële gevolgen voor de lidstaten. Dit soort verordening wordt elk jaar door de Raad vastgesteld en de openbare en particuliere middelen voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening zijn reeds beschikbaar. | | Keuze van instrumenten | 341 | Voorgesteld instrument: verordening. | 342 | Andere instrumenten zouden om de onderstaande reden ongeschikt zijn. Dit is een voorstel voor het visserijbeheer, dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad jaarlijks met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en bij verordening door de Raad moet ten uitvoer worden gelegd. | Gevolgen voor de begroting | 409 | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EG-begroting. | Aanvullende informatie | 510 | Vereenvoudiging | 511 | Het voorstel voorziet in vereenvoudiging van administratieve procedures voor overheidsinstanties (EU of nationaal). | 513 | De voorschriften voor de gegevensoverdracht inzake de toepassing van het beheer van de visserij-inspanning zijn vereenvoudigd. Een aantal van die voorschriften is reeds vastgesteld in andere verordeningen (bijv. over het verzamelen van gegevens). Bovendien hoeven de lidstaten de gegevens niet meer op regelmatige basis in te dienen, maar moeten zij de gegevens verzamelen en deze op verzoek aan de Commissie overleggen. | | Evaluatie-/herzienings-/uitdovingsclausule | 532 | Het voorstel bevat een herzieningsclausule. | 570 | Het voorstel nader bekeken Zoals de vorige jaren het geval was, worden de visbestanden op basis van het instandhoudingspeil ingedeeld in categorieën. Deze aanpak is bevorderlijk voor een transparante en billijke behandeling van bestanden die zich op Gemeenschapsniveau in een vergelijkbare situatie bevinden, en voor een onpartijdige behandeling van alle lidstaten. i) Bestanden waarvoor herstelplannen gelden In de eerste categorie zijn de bestanden ingedeeld waarvoor de Raad herstelplannen heeft vastgesteld (kabeljauw en noordelijke heek). De TAC’s voor deze bestanden moeten in overeenstemming zijn met de vangstbeperkingen die in de herstelplannen zijn opgenomen. Voorts bevatten de herstelplannen aanpassingen aan de visserij-inspanning. Het belang hiervan kan nauwelijks worden overschat. De TAC’s die in de herstelplannen zijn vastgesteld, liggen hoger dan door de wetenschappers werd aanbevolen, en waren alleen aanvaardbaar voor de Commissie op voorwaarde dat de Raad een langetermijnaanpak zou goedkeuren. Indien de door de Raad goedgekeurde herstelplannen niet worden nageleefd, komt de langetermijnaanpak van het visserijbeheer op de helling te staan. Let wel: een aantal kabeljauwbestanden kan inmiddels een dergelijk laag niveau hebben bereikt (gegevens over de reële vangsten zijn schaars) dat een strikte toepassing van de herstelplannen verre van eenvoudig is. Met betrekking tot bestanden waarvoor het door de Commissie voorgestelde herstelplan nog niet door de Raad is vastgesteld (tong in de Golf van Biskaje en het Westelijk Kanaal, platvis in de Noordzee en kabeljauw in de Oostzee), zijn de in het onderhavige voorstel opgenomen TAC's in overeenstemming met de vangstbeperkingen in het betrokken herstelplan.ii) Andere bestanden die zich buiten biologisch veilige grenzen bevinden Het hierboven beschreven akkoord (goedkeuring van TAC’s die hoger liggen dan door de wetenschappers was aanbevolen in ruil voor de verbintenis een langetermijnaanpak vast te stellen, bijv. in de vorm van een verklaring van de Raad) moet worden uitgebreid tot bestanden buiten biologisch veilige grenzen indien de betrokken sector door een plotse verlaging van de TAC zou worden verstoord en de Raad een dergelijke verlaging moeilijk kan goedkeuren. Net zoals bij de herstelplannen heeft deze aanpak alleen zin indien de Raad in de komende jaren de betrokken verbintenissen ook daadwerkelijk gestand doet. Overeenkomstig de verbintenis die de Raad van ministers in december vorig jaar is aangegaan, moet de visserijsterfte van bestanden die zich buiten biologisch veilige grenzen bevinden, worden beperkt, wil men het risico dat deze bestanden biologisch instorten, milderen. Er moet evenwel op worden toegezien dat de eventuele verstoring van de economische bedrijvigheid die sterfteverlagende maatregelen met zich meebrengen, tot een minimum wordt beperkt. Krachtens het voorstel mag een TAC met ten hoogste 15 % worden verlaagd. De sector heeft dit cijfer herhaaldelijk naar voren geschoven als een redelijke grenswaarde om interjaarlijkse vangstverschillen op te vangen. Op die manier wordt een compromis bereikt tussen de door de wetenschappers bepleite beperking van de biologische risico’s en de door de visserijsector geëiste stabiliteit van de TAC’s. iii) Overbeviste bestanden Voor bestanden die ten opzichte van het duurzame opbrengstniveau worden overbevist (in tegenstelling tot bestanden die het gevaar lopen in te storten) zijn de voorgestelde TAC’s in overeenstemming met het doel de visserijsterfte niet te verhogen. In dit verband dient rekening te worden gehouden met het voor 2006 geplande debat over de reductie van de visserijsterfte overeenkomstig het uitvoeringsplan van Johannesburg, dat tot doel heeft om tegen 2015 een exploitatie op MSY-niveau te bereiken (Maximum Sustainable Yield - maximaal door de visstand te verdragen oogst). De Commissie wil met het onderhavige voorstel niet vooruitlopen op het debat over de MSY-mededeling, maar wijst erop dat de TAC's voor 2006 in geen geval tegen die doelstelling mogen indruisen.iv) In de gemengde visserij gevangen bestanden In dit voorstel tot vaststelling van de TAC's wordt rekening gehouden met het feit dat in een groot aantal visserijtakken gemengd wordt gevist. Kwetsbare soorten worden vaak samen met andere commercieel belangrijke soorten gevangen. Bij het vaststellen van de TAC’s voor samen gevangen soorten is hiermee rekening gehouden om te vermijden dat kwetsbare soorten na de volledige benutting van de desbetreffende quota worden gevangen en teruggegooid (ook wel “zwarte aanvoer” genoemd).v) Bestanden van “papieren vis” Zoals de vorige jaren wordt voorgesteld om TAC’s voor bestanden die door alle lidstaten worden onderbevist, met 20 % te verlagen.vi) Overige bestanden In het voorstel zijn vangstbeperkingen geïntegreerd die door bepaalde regionale visserijorganisaties zijn overeengekomen. In afwachting van de resultaten van het overleg in november en december zijn er nog geen TAC’s beschikbaar voor bestanden in de wateren van Groenland en voor met Noorwegen gedeelde bestanden. Deze TAC’s krijgen de vermelding pro memoria (pm).- Beheer van de visserij-inspanning (bijlage III) Inspanningsbeperkingen blijven een essentieel onderdeel van de herstelplannen. In bijlage III van dit voorstel wordt het aantal dagen dat vissersvaartuigen op zee mogen doorbrengen beperkt, rekening houdend met het gebruikte vistuig en het betrokken vangstgebied. Om de activiteiten van vaartuigen die traditioneel op kabeljauw vissen, te verlagen, zijn de meest strikte beperkingen vastgesteld voor trawlers die zijn voorzien van netten met een grote maaswijdte. Ondanks de daling van de door dergelijke vaartuigen veroorzaakte visserijsterfte bij kabeljauw is de algemene visserijsterfte van deze soort in de Noordzee slechts met 12 % gedaald omdat de soort wijd verspreid is en in meer of mindere mate met bijna alle soorten vistuig wordt gevangen. Het is zelfs niet uitgesloten dat de visserijsterfte in sommige gebieden voor sommige soorten vistuig is toegenomen. Dit kan deels worden verklaard door het feit dat eigenaren als gevolg van bijlage III-voorschriften en andere instandhoudingsmaatregelen hun vaartuigen hebben uitgerust met netten met een kleinere maaswijdte, om zo meer zeedagen te krijgen. De toename van de visserij-inspanning in die segmenten komt overeen met de gedaalde inspanning in het wijdmazige segment en heeft wellicht geleid tot een grotere teruggooi van kleine kabeljauw. Volgens een recent verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) worden in dit kleinmazige segment aanzienlijke hoeveelheden kabeljauw gevangen. Hoewel te weinig wetenschappelijke gegevens voorhanden zijn om de jaarlijkse doelstellingen van het herstelplan voor kabeljauw toe te passen (stijging van de biomassa met 30 %), is het duidelijk dat het biomassaniveau voor deze soort nog steeds erg laag is en dat de visserij-inspanning voor alle betrokken segmenten verder moet worden beperkt, wil het herstelplan een redelijke kans van slagen hebben. Het aantal zeedagen voor zuidelijke heek, langoustine en tong in het Westelijk Kanaal stemt overeen met de voor die bestanden vastgestelde herstelplannen. Tijdens de in Ispra gehouden WTECV-vergadering van september 2005 werd geconcludeerd dat het sluiten van een gebied geen goed alternatief is voor het beperken van de visserij-inspanning. In de Raadszitting van september 2005 was evenmin veel animo voor deze optie. Het bestaande systeem ter beperking van de visserij-inspanning (op basis van buitengaats doorgebrachte dagen) is tamelijk rigide. Bovendien wordt het politiek steeds moeilijker om een akkoord over een verlaging van het aantal visdagen per vaartuig te bereiken. De Commissie stelt voor dat de Raad in 2006 de vaststelling van een andere regeling voor de beperking van de visserij-inspanning in overweging neemt, die uitgaat van een maximumaantal kilowattdagen per lidstaat. - Andere aspecten die het visserijbeheer betreffen i) Beheer van de visserij-inspanning voor diepzeebestanden In december 2004 heeft de Raad vastgesteld dat de visserij-inspanning voor diepzeesoorten ten opzichte van 2003 met 10 % moest worden verlaagd. De Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) heeft evenwel een verlaging met 30 % geëist. Gezien de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en het herhaaldelijke advies van de ICES om bestanden te beschermen die vanwege hun extreem lage voortplantingsniveau uitermate kwetsbaar zijn en dringend bescherming nodig hebben, is een aanvullende verlaging met 20 % noodzakelijk. ii) Jaarbeheer van kortlevende soorten Voor bedreigde bestanden, zoals ansjovis in de Golf van Biskaje en zandspiering in de Noordzee, worden jaarbeheersystemen vastgesteld. In dergelijke gevallen wordt voor begin 2006 voorgesteld het bestand niet te bevissen. Pas als uit wetenschappelijke informatie blijkt dat de stand in die mate is toegenomen dat de soort weer commercieel kan worden bevist, wordt de visserij opengesteld op grond van een in de snelle procedure vastgestelde verordening van de Commissie.iii) Afwijkingen voor de visserij in de Middellandse Zee Aangezien het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van de visbestanden in de Middellandse Zee waarschijnlijk pas in 2006 zal worden vastgesteld, stelt de Commissie voor om de toepassing van de bestaande afwijkingen voor bepaalde visserijtakken in dat gebied te verlengen tot eind 2006. | Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [1], en met name op artikel 20, Gelet op Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota [2], Gelet op Verordening (EG) nr. 423/2004 van de Raad van 26 februari 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde kabeljauwbestanden [3], en met name op de artikelen 6 en 8, Gelet op Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand [4], en met name op artikel 5, Gezien het voorstel van de Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet de Raad, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met name van het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV), maatregelen vaststellen waarbij de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden geregeld. (2) Op grond van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet de Raad de totaal toegestane vangsten (TAC's) vaststellen per visserijtak of groep van visserijtakken. De vangstmogelijkheden moeten over de lidstaten en derde landen worden verdeeld overeenkomstig artikel 20 van genoemde verordening. (3) Voor een efficiënt beheer van deze TAC's en quota moeten bijzondere voorschriften voor de uitoefening van de betrokken visserij worden vastgesteld. (4) De beginselen van en bepaalde procedures voor het visserijbeheer moeten door de Gemeenschap worden vastgesteld om de lidstaten in staat te stellen de vaartuigen die onder hun vlag varen, te beheren. (5) In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn definities vastgesteld die relevant zijn voor de toewijzing van de vangstmogelijkheden. (6) Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 moet worden bepaald voor welke bestanden de verschillende, in die verordening bedoelde maatregelen moeten worden toegepast. (7) De Gemeenschap heeft, volgens de procedure die is vastgesteld in de overeenkomsten of protocollen inzake de visserijrelaties, overleg over de visserijrechten gepleegd met Noorwegen [5], de Faeröer [6], Groenland [7] en IJsland [8]. (8) De Gemeenschap is verdragsluitende partij bij verscheidene regionale visserijorganisaties. Die organisaties hebben voor sommige soorten vangstbeperkingen en andere instandhoudingsmaatregelen aanbevolen. Die aanbevelingen moeten dan ook door de Gemeenschap worden uitgevoerd. (9) Tijdens haar jaarlijkse vergadering in juni 2005 heeft de Interamerikaanse Commissie voor Tropische Tonijn (IATTC) vangstbeperkingen voor geelvintonijn, grootoogtonijn en gestreepte tonijn vastgesteld, evenals technische bepalingen voor de behandeling van bijvangsten. Hoewel de Gemeenschap geen lid is van de IATTC, moeten deze maatregelen toch worden uitgevoerd om te zorgen voor een duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen die onder de jurisdictie van die organisatie vallen. (10) Tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2005 heeft de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) tabellen goedgekeurd van de onderbenutting en de overbenutting van de vangstmogelijkheden van de bij de ICCAT aangesloten partijen. In dit verband heeft de ICCAT geconstateerd dat de Europese Gemeenschap in 2004 haar quota voor verschillende bestanden heeft onderbenut. (11) Om rekening te houden met de door de ICCAT in de quota van de Gemeenschap aangebrachte aanpassingen, is het noodzakelijk de uit die onderbenutting voortvloeiende vangstmogelijkheden over de lidstaten te spreiden op basis van het respectieve aandeel van elke lidstaat in de onderbenutting, zonder te raken aan de bij deze verordening voor de jaarlijkse verdeling van de TAC's bepaalde verdeelsleutel. (12) Bij het gebruik van de vangstmogelijkheden moet worden voldaan aan de communautaire wetgeving op dit gebied, en met name aan Verordening (EEG) nr. 1381/87 van de Commissie van 20 mei 1987 inzake uitvoeringsbepalingen met betrekking tot kentekens voor vissersvaartuigen en met betrekking tot documenten aan boord van die vaartuigen [9], Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten [10], Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid [11], Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap [12], Verordening (EG) nr. 1626/94 van de Raad van 27 juni 1994 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Middellandse Zee [13], Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten [14], Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren [15], Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen [16], Verordening (EEG) nr. 3880/91 van de Raad van 17 december 1991 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen [17], Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad van 29 juni 1998 tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie [18], Verordening (EG) nr. 423/2004 van de Raad van 26 februari 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor bepaalde kabeljauwbestanden [19], Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (VMS) [20], Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen [21], Verordening (EG) nr. 973/2001 van de Raad van 14 mei 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden [22], Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften [23] en Verordening (EG) nr. 2270/2004 van de Raad van 22 december 2004 tot vaststelling, voor 2005 en 2006, van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Gemeenschap voor bepaalde bestanden van diepzeevissen [24]. (13) Volgens het advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) is het noodzakelijk een tijdelijke regeling toe te passen voor het beheer van de vangstbeperkingen voor ansjovis in ICES-deelgebied VIII. (14) Volgens het advies van de ICES is het noodzakelijk een tijdelijke regeling toe te passen voor het beheer van de visserij-inspanning op zandspiering in ICES-deelgebied IV en sector IIIa Noord. (15) Gezien het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES moet de visserij-inspanning op bepaalde diepzeesoorten bij wijze van overgangsmaatregel verder worden verminderd. (16) Om de beperkingen van de visserij-inspanning op kabeljauw aan te passen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 423/2004, worden alternatieve regelingen voorgesteld teneinde de visserij-inspanning af te stemmen op de TAC, zoals bepaald in artikel 8, lid 3, van genoemde verordening. (17) Uit wetenschappelijk advies blijkt dat het bestand van de Noordzeeschol niet op duurzame wijze wordt bevist en dat er zeer veel wordt teruggegooid. Uit wetenschappelijk advies en advies van de regionale adviesraad voor de Noordzee blijkt dat de vangstmogelijkheden wat betreft de visserij-inspanning van vaartuigen die op schol vissen, moeten worden aangepast. (18) Voor de tongbestanden in het Westelijk Kanaal moet een voorlopige regeling voor het beheer van de visserij-inspanning worden toegepast. Voor de kabeljauwbestanden in het Kattegat, in de Noordzee, het Skagerrak en het Westelijke kanaal, in de Ierse Zee en het Westen van Schotland, en voor de heek- en langoustinebestanden in de ICES-sectoren VIIIc en IXa moeten de bestaande regelingen voor het beheer van de visserij-inspanning worden aangepast. (19) Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad van 29 juni 1998 tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie [25] volstaat niet om ervoor te zorgen dat de haringvangsten onder de voor die soort vastgestelde vangstbeperkingen blijven. Om het mogelijk te maken adequaat toezicht uit te oefenen op het aandeel haring in ongesorteerde vangsten en dit aandeel in mindering te brengen op de totale vangst, moeten derhalve overgangsmaatregelen worden ingevoerd. (20) Tegenwoordig worden bij de kieuwnetvisserij in de diepe wateren ten westen van Schotland en Ierland extreem lange netten gebruikt, met buitensporige uitzettijden en hoge bijvangsten tot gevolg. In netten die verloren gaan of opzettelijk worden achtergelaten en die nooit worden opgehaald, geraakt jarenlang nog vis gevangen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze praktijk zeer bedreigend is voor diepzeesoorten; derhalve moet, in afwachting van de vaststelling van meer permanente maatregelen, bij wijze van overgangsmaatregel een visserijverbod worden ingesteld. (21) Met het oog op de duurzame exploitatie van de heekbestanden en de verlaging van de bijvangsten, moeten, bij wijze van overgangsmaatregel, de meest recente ontwikkelingen op het gebied van selectief vistuig worden toegepast in sector VIII a, b, d. (22) De Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) heeft tijdens haar jaarlijkse bijeenkomst in 2005 een aanbeveling goedgekeurd ter beperking van de visserij in bepaalde gebieden om kwetsbare diepzeehabitats te beschermen. Deze aanbeveling dient door de Gemeenschap te worden uitgevoerd. (23) Ter bevordering van de instandhouding van octopus en met name om de jonge exemplaren te beschermen moet in 2006 een minimummaat worden vastgesteld voor octopus afkomstig uit de maritieme wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen in het CECAF-gebied, in afwachting van de goedkeuring van een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen [26]. (24) In november 2005 heeft de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) een aanbeveling goedgekeurd om verscheidene vaartuigen op te nemen in de lijst van vaartuigen waarvan is aangetoond dat zij illegale, niet-aangegeven of niet-gereglementeerde visvangst hebben bedreven. Deze aanbevelingen moeten worden omgezet in communautaire wetgeving. (25) De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) heeft tijdens haar algemene vergadering van 2005 twee aanbevelingen goedgekeurd over respectievelijk de exploitatie van diepzeesoorten door bepaalde visserijtakken en de instelling van een GFCM-register voor vaartuigen met een lengte van meer dan 15 meter die in het GFCM-gebied mogen vissen. Aangezien de Gemeenschap verdragsluitende partij bij de GFCM is, gelden deze aanbevelingen ook voor de Gemeenschap en dienen ze ten uitvoer te worden gelegd. (26) Met het oog op de instandhouding van de visbestanden moet in 2006 een aantal aanvullende technische en controlemaatregelen voor de visserij ten uitvoer worden gelegd. (27) Zo moeten er bepalingen worden vastgesteld inzake het gebruik van VMS-gegevens voor een efficiëntere uitvoering van het toezicht, de controle en de bewaking met betrekking tot het inspanningsbeheer. (28) Om te zorgen voor een correcte boeking van de hoeveelheden blauwe wijting die vaartuigen van derde landen in wateren van de Gemeenschap vangen, moeten de controlebepalingen voor dergelijke vaartuigen worden verscherpt. (29) Volgens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet de Raad een besluit nemen over de voorwaarden in verband met de vangstbeperkingen en/of de beperkingen van de visserij-inspanning. Wetenschappelijk advies geeft aan dat omvangrijke vangsten die de overeengekomen TAC’s overschrijden, schadelijk zijn voor een duurzame uitoefening van de visserij. Daarom moeten er voorwaarden terzake worden ingevoerd die zullen leiden tot een betere uitvoering van de overeengekomen vangstmogelijkheden. (30) De ICCAT heeft tijdens haar jaarlijkse vergadering van 2004 een aantal technische maatregelen aangenomen voor bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden in de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, en daarbij onder meer een nieuwe minimummaat voor blauwvintonijn vastgesteld, alsmede vangstbeperkingen in bepaalde gebieden en perioden ter bescherming van de grootoogtonijn, maatregelen betreffende recreatie- en sportvisserij in de Middellandse Zee, en een bemonsteringsprogramma voor de schatting van de maat van gekooide blauwvintonijn. Om bij te dragen tot de instandhouding van de visbestanden, moeten deze maatregelen in 2006 worden uitgevoerd in afwachting van de vaststelling van een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 973/2001 van 14 mei 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden [27]. (31) De Organisatie voor de visserij in het zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (SEAFO) heeft tijdens haar jaarlijkse vergadering van 2005 een maatregel goedgekeurd waarbij alle vaartuigen die in het verdragsgebied vissen op soorten die niet onder de instandhoudings- en beheersregelingen van andere bevoegde regionale visserijorganisaties vallen, met ingang van 1 januari 2006 moeten worden begeleid door aan boord verblijvende wetenschappelijke waarnemers. Deze aanbeveling is bindend voor de Gemeenschap en moet dus door haar ten uitvoer worden gelegd. (32) De Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) heeft tijdens haar 25e jaarlijkse vergadering van 15 tot en met 19 september 2003 een herstelplan goedgekeurd voor zwarte heilbot in NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO. Het plan voorziet in een verlaging van de TAC tot 2007 en in extra maatregelen om de doeltreffendheid van het plan te garanderen. Dit plan moet in 2006 worden toegepast in afwachting van de goedkeuring van een verordening van de Raad inzake meerjarige maatregelen voor het herstel van het zwarteheilbotbestand. (33) Tijdens haar 27e jaarlijkse vergadering van 19 tot en met 23 september 2005 heeft de NAFO beheersmaatregelen goedgekeurd voor enkele tot dusverre niet-gereglementeerde bestanden, namelijk roggen in sector 3LNO, roodbaars in sector 3O en witte heek in sector 3NO. Deze maatregelen moeten worden toegepast en de vangstmogelijkheden moeten over de lidstaten worden verdeeld. (34) Om te voldoen aan de internationale verplichtingen die de Gemeenschap is aangegaan als verdragsluitende partij bij het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR), waaronder de verplichting om de door de CCAMLR-commissie vastgestelde maatregelen toe te passen, moeten de door die commissie voor het seizoen 2005-2006 goedgekeurde TAC’s en de overeenkomstige periodes in acht worden genomen. (35) Tijdens haar 24e jaarlijkse vergadering van 2005 heeft de CCAMLR vangstbeperkingen vastgesteld voor bestanden die mogen worden bevist door traditionele vissers uit alle landen die zijn aangesloten bij de CCAMLR. De CCAMLR heeft ook ingestemd met de deelname van vaartuigen van de Gemeenschap aan de experimentele visserij op Dissostichus spp. in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1, 58.4.2, 58.4.3a) en 58.4.3b), en heeft voor de betrokken visserijactiviteiten vangst- en bijvangstbeperkingen vastgesteld, evenals bepaalde specifieke technische maatregelen. Deze beperkingen en technische maatregelen moeten ook worden toegepast. (36) Om het inkomen van de vissers in de Gemeenschap veilig te stellen, is het belangrijk dat deze visgronden op 1 januari 2006 worden opengesteld. Gezien de urgentie van deze kwestie moet een uitzondering worden gemaakt op de periode van zes weken, als bedoeld in punt I.3 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Toepassingsgebied en definities Artikel 1 Onderwerp Bij deze verordening worden voor het jaar 2006 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden vastgesteld, alsmede de bij de visserij in acht te nemen voorschriften. Voor bepaalde Antarctische bestanden worden echter vangstmogelijkheden en specifieke voorschriften vastgesteld voor de in bijlage IE vermelde perioden. Artikel 2 Toepassingsgebied 1. Tenzij anders bepaald, is deze verordening van toepassing op: a) vissersvaartuigen van de Gemeenschap, hierna “vaartuigen van de Gemeenschap” te noemen, en b) vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd staan in een derde land (hierna “vaartuigen van derde landen” te noemen), in wateren van de Gemeenschap (hierna “EG-wateren” te noemen). 2. In afwijking van lid 1 is deze verordening niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de betrokken lidstaat en waarvan de Commissie en de lidstaat in de wateren waarvan het onderzoek plaatsvindt, tevoren in kennis zijn gesteld. Artikel 3 Definities Voor de toepassing van deze verordening gelden naast de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgestelde definities de volgende definities: a) “totaal toegestane vangsten”: de hoeveelheden die elk jaar van elk bestand mogen worden gevangen; b) “quotum”: een vast aandeel van de aan de Gemeenschap, de lidstaten, of derde landen toegewezen TAC; c) “internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen; d) “het gereglementeerde gebied van de NAFO”: het deel van het onder het Verdrag betreffende de visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO-verdrag) vallende gebied waarover de kuststaten geen soevereiniteitsrechten of jurisdictie uitoefenen; e) het “Skagerrak”: het gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust; f) het “Kattegat”: het gebied dat in het noorden wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbij gelegen punt op de Zweedse kust, en in het zuiden door een lijn van Kaap Hasenøre naar Kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van Kaap Gilbjerg naar Kullen; g) “Golf van Cadiz”: het gebied van ICES-sector IXa ten oosten van 7°23′48″ WL. Artikel 4 Visserijzones Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van de visserijzones: a) voor de zones van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, International Council for the Exploration of the Sea): de afbakening van Verordening (EEG) nr. 3880/91. De toevoeging “EG-wateren” aan een zone betekent dat alleen de EG-wateren van die zone worden bedoeld; b) voor de zones van de CECAF (Visserijcomité voor de centraal-oostelijke Atlantische Oceaan, Fishery Committee for the Eastern Central Atlantic, of FAO-gebied 34): de afbakening van Verordening (EG) nr. 2597/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan [28]; c) voor de zones van de NAFO (Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, Northwest Atlantic Fisheries Organisation): de afbakening van Verordening (EEG) nr. 2018/93 van de Raad van 30 juni 1993 inzake de indiening van statistieken van de vangsten en de visserijactiviteit van de lidstaten die in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan vissen [29]; d) voor de zones van de CCAMLR (Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren, Convention for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources): de afbakening van Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 [30]. HOOFDSTUK II Vangstmogelijkheden en visserijvoorschriften voor vaartuigen van de Gemeenschap Artikel 5 Vangstbeperkingen en toewijzingen 1. De vangstbeperkingen voor vaartuigen van de Gemeenschap in EG-wateren of bepaalde niet-EG-wateren en de verdeling van deze vangstbeperkingen tussen de lidstaten, alsmede aanvullende voorwaarden overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 worden vastgesteld in bijlage I. 2. Vaartuigen van de Gemeenschap mogen, met inachtneming van de in bijlage I vastgestelde quota en de in de artikelen 10, 17 en 18 vastgestelde voorschriften, vissen in de wateren die onder de visserijjurisdictie vallen van de Faeröer, Groenland, IJsland en Noorwegen, en in de visserijzone rond Jan Mayen. 3. De Commissie stelt overeenkomstig de bepalingen van bijlage II de TAC voor ansjovis in zone VIII vast. 4. De Commissie stelt de vangstmogelijkheden voor lodde in de zones V en XIV (wateren van Groenland) voor de Gemeenschap vast op 7,7% van de TAC voor lodde, zodra de TAC is vastgesteld. 5. De vangstmogelijkheden voor de bestanden blauwe wijting in de zones I-XIV (EG-wateren en internationale wateren) en haring in de zones I en II (EG-wateren en internationale wateren) mogen door de Commissie worden verhoogd volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002, indien derde landen deze bestanden niet op verantwoordelijke wijze beheren. Artikel 6 Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen 1. De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig bijlage I aan de lidstaten toegewezen onverminderd: a) het ruilen van quota op grond van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002; b) nieuwe toewijzingen op grond van artikel 21, lid 4, artikel 23, lid 1, en artikel 32, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93; c) het aanvoeren van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96; d) het overdragen van hoeveelheden op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96; e) verminderingen of kortingen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 847/96. 2. In afwijking van Verordening (EG) nr. 847/96 wordt voor de overdracht van quota naar 2007 artikel 4, lid 2, van die verordening toegepast op alle bestanden waarvoor analytische TAC’s zijn vastgesteld. Artikel 7 Beperkingen van de visserij-inspanning en daaraan verbonden voorwaarden voor het beheer van bestanden 1. De in bijlage IIIa vastgestelde beperkingen van de visserij-inspanning en daaraan verbonden voorwaarden zijn van toepassing op het beheer van bepaalde bestanden in het Kattegat, het Skagerrak, deelgebied IV en ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa, VIa, VIIa en VIId. 2. De in bijlage IIIb vastgestelde beperkingen van de visserij-inspanning en daaraan verbonden voorwaarden zijn van toepassing op het beheer van het heekbestand in ICES-sectoren VIIIc en IXa, met uitzondering van de Golf van Cadiz. 3. De in bijlage IIIc vastgestelde beperkingen van de visserij-inspanning en daaraan verbonden voorwaarden zijn van toepassing op het beheer van de tongbestanden in sector VIIe. 4. Alle vaartuigen die vistuig gebruiken als omschreven in de punten 4 van respectievelijk de bijlagen IIIa, IIIb en IIIc en die vissen in gebieden als bepaald in de punten 2 van respectievelijk de bijlagen IIIa, IIIb en IIIc moeten beschikken over speciale visdocumenten die zijn afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94. 5. De in bijlage IIId vastgestelde beperkingen van de visserij-inspanning en daaraan verbonden voorwaarden zijn van toepassing op het beheer van de zandspieringbestanden in het Skagerrak, ICES-deelgebied IV en sector IIa (EG-wateren). 6. De definitieve, voor 2006 geldende visserij-inspanning voor de zandspieringvisserij in de ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa en deelgebied IV wordt door de Commissie vastgesteld volgens de regels in punt 6 van bijlage IIId. 7. De lidstaten zorgen ervoor dat de voor 2006 geldende visserij-inspanningsniveaus, gemeten in kilowattdagen buitengaats, van vaartuigen met visdocumenten voor diepzeevisserij niet meer bedragen dan 70% van de gemiddelde jaarlijkse visserij-inspanning van de vaartuigen van die lidstaat in 2003 op reizen tijdens welke er werd beschikt over visdocumenten voor diepzeevisserij en er diepzeesoorten, als opgesomd in bijlage I en punt 15 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad werden gevangen, met uitzondering van de grote zilvervis. Artikel 8 Voorwaarden voor de aanvoer van vangsten en bijvangsten 1. Vis van bestanden waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangevoerd mits: a) die vis is gevangen met vaartuigen van een lidstaat die een quotum heeft en zijn quotum niet heeft opgebruikt, of b) die vis deel uitmaakt van een aandeel van de Gemeenschap dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat niet is opgebruikt. 2. In afwijking van lid 1 mogen de volgende vissoorten aan boord worden gehouden en aangevoerd, zelfs indien de lidstaat er geen quota voor heeft of zijn quota of aandelen heeft opgebruikt: a) andere soorten dan haring en makreel, op voorwaarde dat i) die soorten samen met andere soorten gevangen zijn met netten met een maaswijdte van minder dan 32 mm overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 850/98, en ii) de vangst noch aan boord, noch bij de aanvoer is gesorteerd; of b) makreel, op voorwaarde dat i) die soort samen met horsmakreel of sardine is gevangen; ii) de vangst van die soort ten hoogste 10 % bedraagt van de totale, aan boord aanwezige hoeveelheid makreel, horsmakreel en sardine, en iii) de vangst noch aan boord, noch bij de aanvoer is gesorteerd. 3. Artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1434/98 is niet van toepassing op haring die in ICES-deelgebied IV en ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa en VIId wordt gevangen. 4. Alle aangevoerde hoeveelheden worden in mindering gebracht op het betrokken quotum of, wanneer het aandeel van de Gemeenschap niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, op het Gemeenschapsaandeel, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde vangsten. 5. Wanneer de aan een lidstaat opgelegde vangstbeperkingen voor haring in ICES-deelgebieden II (EG-wateren), IV en sectoren IIIa en VIId zijn opgebruikt, is het voor vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, in de Gemeenschap geregistreerd zijn en actief zijn in de visserijtakken waarvoor de betrokken vangstbeperkingen gelden, verboden om ongesorteerde vangsten aan te voeren die ook haring bevatten. 6. Het percentage en de bestemming van de bijvangsten worden bepaald overeenkomstig de artikelen 4 en 11 van Verordening (EG) nr. 850/98. Artikel 9 Ongesorteerde aanvoer in ICES-deelgebied IV en ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa en VIId 1. De lidstaten zien erop toe dat er een adequaat bemonsteringsprogramma bestaat voor een effectief toezicht op ongesorteerde aanvoer van soorten die zijn gevangen in ICES-deelgebied IV en ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa en VIId. 2. Ongesorteerde vangsten uit ICES-deelgebied IV en ICES-sectoren IIa (EG-wateren), IIIa en VIId mogen alleen worden aangevoerd in havens of andere aanvoerplaatsen waar een in lid 1 bedoeld bemonsteringsprogramma van kracht is. Artikel 10 Toegangsbeperkingen 1. Het is vaartuigen van de Gemeenschap verboden in het Skagerrak binnen een zone van 12 zeemijl vanaf de basislijnen van Noorwegen te vissen. Vaartuigen die de vlag van Denemarken of Zweden voeren, mogen evenwel tot 4 mijl vanaf de basislijnen van Noorwegen vissen. 2. Vaartuigen van de Gemeenschap mogen in de wateren onder jurisdictie van IJsland uitsluitend vissen in het gebied dat binnen de volgende, met rechte lijnen onderling verbonden coördinaten valt: Zuidwestelijk Gebied 1. 63° 12′ NB en 23° 05′ WL via 62° 00′ NB en 26° 00′ WL, 2. 62° 58′ NB en 22° 25′ WL, 3. 63° 06′ NB en 21° 30′ WL, 4. 63° 03′ NB en 21° 00′ WL en vervolgens180° 00′ rechtwijzend zuid; Zuidoostelijk Gebied 1. 63° 14′ NB en 10° 40′ WL, 2. 63° 14′ NB en 11° 23′ WL, 3. 63° 35′ NB en 12° 21′ WL, 4. 64° 00′ NB en 12° 30′ WL, 5. 63° 53′ NB en 13° 30′ WL, 6. 63° 36′ NB en 14° 30′ WL, 7. 63°10' NB en 17°00' WL en vervolgens 180° 00′ rechtwijzend zuid. Artikel 11 Overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied De voor vaartuigen van de Gemeenschap geldende overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied worden vastgesteld in bijlage IV. HOOFDSTUK III Vangstbeperkingen en daaraan verbonden voorwaarden voor vissersvaartuigen van derde landen Artikel 12 Overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied De voor vissersvaartuigen van derde landen geldende overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied worden vastgesteld in bijlage IV. Artikel 13 Toestemming Vissersvaartuigen die de vlag voeren van Barbados, Guyana, Japan, Zuid-Korea, Noorwegen, Suriname, Trinidad en Tobago of Venezuela, alsook vaartuigen die op de Faeröer geregistreerd staan, mogen, met inachtneming van de in bijlage I vastgestelde vangstbeperkingen en de in de artikelen 14 tot en met 16 en 19 tot en met 25 vastgestelde voorwaarden, in Gemeenschapswateren vissen. Artikel 14 Geografische beperkingen 1. Visservaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren of geregistreerd staan op de Faeröer, mogen slechts vissen in de delen van de 200-mijlszone buiten 12 zeemijl vanaf de basislijnen van de lidstaten in ICES-deelgebied IV, het Kattegat en de Atlantische Oceaan benoorden 43°00′ NB, met uitzondering van het in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde gebied. 2. Vissersvaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren, mogen in het Skagerrak vissen buiten 4 zeemijl vanaf de basislijnen van Denemarken en Zweden. 3. Vissersvaartuigen die de vlag voeren van Barbados, Guyana, Japan, Zuid-Korea, Suriname, Trinidad en Tobago of Venezuela, mogen slechts vissen in de delen van de 200-mijlszone buiten 12 zeemijl vanaf de basislijnen van het Franse departement Guyana. Artikel 15 Doorvaart door de wateren van de Gemeenschap De netten van vissersvaartuigen uit derde landen die op doorvaart door de wateren van de Gemeenschap zijn, moeten met inachtneming van de volgende voorwaarden zo zijn opgeborgen dat ze niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt: a) netten, gewichten en dergelijk tuig moeten worden losgemaakt van de borden en van de trek- of sleepkabels en trek- of sleeptouwen, b) netten die zich op of boven het dek bevinden, moeten stevig worden vastgemaakt aan de bovenbouw. Artikel 16 Voorwaarden voor de aanvoer van vangsten en bijvangsten Vis van bestanden waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangevoerd mits die vis is gevangen met vissersvaartuigen van een derde land dat een quotum heeft en zijn quotum niet heeft opgebruikt. HOOFDSTUK IV Vergunningsvoorschriften voor vaartuigen van de Gemeenschap Artikel 17 Vergunningen en vergunningsvoorwaarden 1. Onverminderd de algemene bepalingen inzake visvergunningen en speciale visdocumenten van Verordening (EG) nr. 1627/94, mogen vaartuigen van de Gemeenschap slechts in de wateren van een derde land vissen, indien zij darvoor beschikken over een vergunning die door de autoriteiten van dat derde land is uitgereikt. 2. Bij de visserij in de Noorse wateren in de Noordzee geldt lid 1 evenwel niet voor de volgende vaartuigen van de Gemeenschap: a) vaartuigen van 200 GT of minder, of b) vaartuigen die op andere soorten dan makreel vissen en waarvan de vangsten voor menselijke consumptie bestemd zijn, of c) vaartuigen die de vlag van Zweden voeren en traditioneel in het betrokken gebied vissen. 3. Het maximumaantal vergunningen en de vergunningsvoorwaarden worden vastgesteld zoals in bijlage V, deel I, is aangegeven. Vergunningsaanvragen dienen door de autoriteiten van de lidstaten aan de Commissie te worden gericht, met vermelding van de visserijtak en de naam en kenmerken van de vaartuigen van de Gemeenschap waarop de aanvragen betrekking hebben. De Commissie zendt de aanvragen door aan de autoriteiten van het betrokken derde land. 4. Indien een lidstaat quota voor de in bijlage V, deel I, genoemde visserijzones aan een andere lidstaat overdraagt (uitwisseling of “swap”) worden daarbij ook de overeenkomstige vergunningen overgedragen en wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld. Het in bijlage V, deel I, vermelde totale aantal vergunningen voor elke visserijzone mag echter niet worden overschreden. 5. De vaartuigen van de Gemeenschap houden zich aan de instandhoudings- en controlemaatregelen en alle andere voorschriften die gelden in de zone waar zij actief zijn. Artikel 18 Faeröer Vaartuigen van de Gemeenschap die een vergunning hebben om in de wateren van de Faeröer gericht te vissen op een bepaalde soort, mogen een andere soort gericht bevissen, mits zij de autoriteiten van de Faeröer tevoren in kennis stellen van deze wijziging. HOOFDSTUK V Vergunningsregelingen voor vissersvaartuigen van derde landen Artikel 19 Verplichtingen inzake visvergunningen en speciale visdocumenten 1. In afwijking van artikel 28ter van Verordening (EG) nr. 2847/93 hoeven vissersvaartuigen van minder dan 200 GT die de vlag van Noorwegen voeren, niet in het bezit te zijn van een visvergunning en een speciaal visdocument. 2. De visvergunning en het speciale visdocument dienen aan boord te zijn. Deze verplichting geldt niet voor vaartuigen die op de Faeröer of in Noorwegen geregistreerd staan. 3. Vissersvaartuigen van derde landen die op 31 december 2005 mogen vissen, mogen hun activiteiten vanaf 1 januari 2006 voortzetten totdat de lijst van vissersvaartuigen met een visvergunning aan de Commissie is voorgelegd en door haar is goedgekeurd. Artikel 20 Aanvragen om visvergunningen en speciale visdocumenten Aanvragen van de autoriteiten van derde landen aan de Commissie om visvergunningen en speciale visdocumenten dienen de volgende gegevens te bevatten: a) naam van het vaartuig; b) registratienummer; c) op het vaartuig aangebrachte identificatieletters en -nummers; d) haven van registratie; e) naam en adres van de eigenaar van het vaartuig of van de partij die het chartert; f) brutotonnage (GT) en lengte over alles; g) motorvermogen; h) oproepnummer en radiofrequentie; i) vismethode waarvan gebruik zal worden gemaakt; j) gebied waarin zal worden gevist; k) soorten waarop zal worden gevist; l) periode waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Artikel 21 Aantal visvergunningen Het aantal visvergunningen en de daaraan verbonden speciale voorwaarden worden vastgesteld zoals in bijlage V, deel II, is aangegeven. Artikel 22 Annulering en intrekking 1. Visvergunningen en speciale visdocumenten kunnen worden geannuleerd met het oog op de afgifte van nieuwe visvergunningen en speciale visdocumenten. Dergelijke annuleringen worden van kracht op de dag vóór de datum van afgifte van de nieuwe visvergunning of het nieuwe speciale visdocument door de Commissie. De nieuwe visvergunningen en speciale visdocumenten treden in werking op de dag waarop zij worden afgegeven. 2. Visvergunningen en speciale visdocumenten worden vóór de datum waarop zij aflopen geheel of gedeeltelijk ingetrokken als de in bijlage I voor het betrokken bestand vastgestelde quota zijn opgebruikt. 3. Visvergunningen en speciale visdocumenten worden ingetrokken als niet wordt voldaan aan de in deze verordening vastgestelde verplichtingen. Artikel 23 Niet-naleving 1. Voor vissersvaartuigen van derde landen die de in deze verordening vastgestelde verplichtingen niet zijn nagekomen, worden gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden geen visvergunningen of speciale visdocumenten afgegeven. 2. De Commissie stelt de autoriteiten van het betrokken derde land in kennis van de naam en de kenmerken van de vissersvaartuigen van derde landen die naar aanleiding van een overtreding van de voorschriften de volgende maand of maanden niet meer in het visserijgebied van de Gemeenschap mogen vissen. Artikel 24 Verplichtingen voor de vergunninghouder 1. Vissersvaartuigen van derde landen houden zich in de zone waar zij actief zijn aan de instandhoudings- en controlemaatregelen en andere voorschriften die daar voor vaartuigen van de Gemeenschap gelden, met name de bepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1381/87, (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94, (EG) nr. 88/98, (EG) nr. 850/98 en nr. 1434/98. 2. De in lid 1 bedoelde vissersvaartuigen van derde landen houden een logboek bij waarin de in bijlage VI, deel I, genoemde gegevens moeten worden opgenomen. 3. Vissersvaartuigen van derde landen, met uitzondering van vaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren en in ICES-sector IIIa vissen, delen de Commissie de in bijlage VII bedoelde gegevens mee overeenkomstig de in die bijlage vastgestelde voorschriften. Artikel 25 Bijzondere bepalingen betreffende het Franse departement Guyana 1. Visvergunningen voor de wateren van het Franse departement Guyana worden slechts afgegeven als de eigenaars van de vissersvaartuigen van derde landen zich ertoe verbinden om een waarnemer aan boord van hun vaartuig toe te laten als de Commissie daarom verzoekt. 2. Kapiteins van vissersvaartuigen van derde landen met een vergunning om in de wateren van het Franse departement Guyana te vissen op vinvis of tonijn, moeten na iedere visreis bij aanvoer van de vangst bij de Franse autoriteiten een aangifte indienen waarin de hoeveelheden garnaal worden opgegeven die sinds de laatste aangifte gevangen en aan boord gehouden zijn. Deze aangifte moet worden opgesteld volgens het model in bijlage V, deel III. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de aangifte. De Franse autoriteiten nemen de nodige maatregelen om de juistheid van de aangiften te controleren, met name door ze te vergelijken met het in artikel 24, lid 2, genoemde logboek. Na controle wordt de aangifte door de bevoegde ambtenaar ondertekend. De Franse autoriteiten zenden vóór het einde van iedere maand alle aangiften met betrekking tot de voorafgaande maand aan de Commissie toe. 3. Vissersvaartuigen van derde landen die vissen in de wateren van het Franse departement Guyana moeten een logboek bijhouden volgens het model in bijlage II, deel VI. Uiterlijk 30 dagen na de laatste dag van elke visreis, moet een afschrift van dat logboek aan de Commissie worden toegezonden via de Franse autoriteiten. 4. Als de Commissie gedurende 1 maand geen mededeling ontvangt over een vissersvaartuig van een derde land met een visvergunning voor de wateren van het Franse departement Guyana, wordt de visvergunning van dat vaartuig ingetrokken. HOOFDSTUK VI Bijzondere bepalingen voor de visserij door vaartuigen van de Gemeenschap in het gereglementeerde gebied van de NAFO Deel 1 Deelname van de Gemeenschap Artikel 26 Lijst van vaartuigen 1. Uitsluitend vaartuigen van de Gemeenschap van meer dan 50 GT die van de autoriteiten van hun vlaggenlidstaat een speciaal visdocument hebben ontvangen en die in het vlootregister van de NAFO ingeschreven staan, mogen met inachtneming van de voorwaarden van hun visdocument vis uit het gereglementeerde gebied van de NAFO vangen, aan boord houden, overladen en aanvoeren. 2. Iedere lidstaat stelt de Commissie ten minste 15 dagen vóór het vaartuig het gereglementeerde gebied van de NAFO binnenvaart, in computerleesbare vorm in kennis van iedere wijziging in de lijst van vaartuigen die zijn vlag voeren, in de Gemeenschap geregistreerd staan en in het gereglementeerde gebied van de NAFO mogen vissen. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het secretariaat van de NAFO. 3. De in lid 2 bedoelde informatie omvat de volgende gegevens: a) het intern nummer van het vaartuig overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand van vissersvaartuigen [31]; b) het internationale radio-oproepnummer van het vaartuig; c) in voorkomend geval de partij die het vaartuig chartert; d) het type vaartuig. 4. Voor vaartuigen die tijdelijk de vlag van een lidstaat voeren (huren van een vaartuig), verstrekken de lidstaten bovendien de volgende gegevens: a) de datum met ingang waarvan het vaartuig de vlag van de lidstaat mag voeren; b) de datum met ingang waarvan het vaartuig de toestemming van de lidstaat heeft gekregen om in het gereglementeerde gebied van de NAFO te vissen; c) de naam van de staat waar het vaartuig is geregistreerd of vroeger was geregistreerd en de datum met ingang waarvan het niet langer de vlag van die staat voert; d) de naam van het vaartuig; e) het officiële, door de bevoegde nationale autoriteiten aan het vaartuig toegekende registratienummer; f) de thuishaven van het vaartuig na de overdracht; g) de naam van de eigenaar van het vaartuig of van de partij die het chartert; h) een verklaring waaruit blijkt dat de kapitein een exemplaar van de in het gereglementeerde gebied van de NAFO geldende voorschriften heeft ontvangen; i) de belangrijkste soorten waarop met het vaartuig in het gereglementeerde gebied van de NAFO mag worden gevist; j) de deelgebieden waar het vaartuig waarschijnlijk zal vissen. Deel 2 Technische maatregelen Artikel 27 Maaswijdte van de netten 1. Bij de gerichte visserij op de in bijlage VIII vermelde bodemvissoorten mogen geen sleepnetten worden gebruikt met waar dan ook mazen van minder dan 130 mm. Bij de gerichte visserij op kortvinnige pijlinktvissen (Illex illecebrosus) mag de maaswijdte kleiner zijn, maar niet kleiner zijn dan 60 mm. Voor de gerichte visserij op roggen (Rajidae) wordt deze maaswijdte vergroot tot ten minste 280 mm in de kuil en 220 mm in alle andere delen van het sleepnet. 2. Vaartuigen die op Noordse garnaal (Pandalus borealis) vissen, moeten netten gebruiken met een maaswijdte van ten minste 40 mm. Artikel 28 Voorzieningen aan netten 1. Het is verboden om aan netten andere dan de in dit artikel vermelde voorzieningen aan te brengen, indien daarvoor de mazen van het net wordne versperd of de maaswijdte wordt verkleind. 2. Zeildoek, want of ander materiaal mag aan de onderzijde van de kuil van het net worden bevestigd om beschadiging te verminderen of te voorkomen. 3. Er mogen voorzieningen aan de bovenzijde van de kuil worden bevestigd, mits de mazen van de kuil daardoor niet worden versperd. Alleen de in bijlage IX vermelde bovennetbeschermers zijn toegestaan. 4. Vaartuigen die op Noordse garnaal (Pandalus borealis) vissen, gebruiken een sorteerrooster met een maximumafstand van 22 mm tussen de staven. Vaartuigen die vissen op Noordse garnaal in sector 3L moeten bovendien voor het bevestigen van de klossenpees kettingen van minimaal 72 cm gebruiken, zoals beschreven in bijlage X. Artikel 29 Bijvangsten 1. Er mag met vissersvaartuigen niet gericht worden gevist op soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden. Er wordt aangenomen dat er gericht op een soort wordt gevist wanneer die soort in gewicht procentueel het grootste deel van de vangst per trek uitmaakt. 2. Bijvangsten van soorten ten aanzien waarvan de Gemeenschap voor een bepaald deel van het gereglementeerde gebied van de NAFO geen quota heeft vastgesteld en die in dat deel worden gevangen bij om het even welke gerichte visserij, mogen voor elke aan boord aanwezige soort niet meer bedragen dan 2 500 kg of 10% van het gewicht van de totale vangst aan boord als dat meer is. Bijvangsten van de in bijlage ID vermelde soorten in een deel van het gereglementeerde gebied van de NAFO waar gerichte visserij op bepaalde soorten verboden is of waar een quotum “andere” volledig is opgebruikt, mogen echter niet meer bedragen dan respectievelijk 1 250 kg of 5%. 3. Als de totale in één trek gevangen hoeveelheden van soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden, groter zijn dan de in lid 2 vastgestelde grenswaarden, moet het vaartuig onmiddelijk ten minste 5 zeemijl verder varen voordat een nieuwe trek wordt gedaan. Als bij een volgende trek de totale hoeveelheden van soorten waarvoor bijvangstbeperkingen gelden, groter zijn dan de genoemde grenswaarden, moet het vissersvaartuig onmiddellijk weer ten minste 5 zeemijl verder varen ten opzichte van de plaats waar de vorige trekken zijn gedaan en mag het ten minste 48 uur lang niet naar dit gebied terugkeren. 4. Vaartuigen die vissen op Noordse garnaal (Pandalus borealis) en die in één trek een totale bijvangst hebben gedaan die in sector 3M meer dan 5 % en in sector 3L meer dan 2,5 % van het totale gewicht uitmaakt, moeten onverwijld ten minste 5 zeemijl verder varen. 5. Vangsten van garnaal worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het percentage van de bijvangst van bodemvissoorten. Artikel 30 Minimummaat van de vis 1. Vis uit het gereglementeerde gebied van de NAFO die niet de in bijlage XI vermelde minimummaat heeft, mag niet worden verwerkt of aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moet onverwijld in zee worden teruggezet. 2. Als de gevangen hoeveelheid ondermaatse vis meer bedraagt dan 10 % van de totale vangst, moet het vaartuig zich ten minste vijf zeemijl van alle posities die het tijdens de vorige trek heeft ingenomen, verwijderen alvorens verder te vissen. Als verwerkte vis van de soorten waarvoor een minimummaat is vastgesteld, kleiner is dan de betrokken in bijlage XI vastgestelde grootte, wordt ervan uitgegaan dat die verwerkte vis afkomstig is van ondermaatse vis. Deel 3 Controlemaatregelen Artikel 31 Etikettering en gescheiden opslag 1. Alle vis die in het gereglementeerde gebied van de NAFO wordt gevangen, moet zo worden geëtiketteerd dat iedere in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 104/2000 bedoelde soort en productcategorie duidelijk identificeerbaar is. Bovendien moet op de vis worden vermeld dat deze in het gereglementeerde gebied van de NAFO is gevangen. 2. Op garnaal uit sector 3L en op zwarte heilbot uit deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO moet worden vermeld dat deze in één van die gebieden gevangen is. 3. Vangsten van een bepaalde soort moeten duidelijk gescheiden van vangsten van andere soorten worden opgeslagen. Alle vangsten die in het gereglementeerde gebied van de NAFO zijn gedaan, moeten gescheiden van vangsten van buiten dit gebied worden opgeslagen. De vangsten mogen in verschillende gedeelten van het ruim worden opgeslagen, mits deze in ieder gedeelte van het ruim duidelijk van vangsten van andere soorten worden gescheiden door middel van plastic, hout, netten o.i.d. Artikel 32 Visserij- en productielogboeken en opslagplattegrond 1. Kapiteins van vissersvaartuigen moeten de artikelen 6, 8, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 naleven en bovendien in hun logboek de in bijlage XII opgesomde gegevens noteren. 2. Iedere lidstaat deelt de Commissie vóór de vijftiende dag van iedere maand in computerleesbare vorm de tijdens de voorafgaande maand aangevoerde hoeveelheden mee van de in bijlage XIII vermelde bestanden, alsmede alle overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 ontvangen gegevens. 3. Kapiteins van vaartuigen van de Gemeenschap zorgen met betrekking tot de vangst van de in bijlage IC genoemde soorten voor het bijhouden van: a) een productielogboek met de cumulatieve productie per soort die aan boord wordt gehouden, uitgedrukt in kg; b) een opslagplattegrond met de locatie van de verschillende soorten in de ruimen. 4. De in lid 3 bedoelde productielogboeken en opslagplattegronden worden dagelijks bijgewerkt met de gegevens over de vorige dag tussen 00.00 uur (UTC) en 24.00 uur (UTC) en blijven aan boord tot het vaartuig volledig is gelost. 5. Kapiteins verlenen de nodige assistentie met het oog op de controle van de in het productielogboek aangegeven hoeveelheden en de aan boord opgeslagen verwerkte producten. 6. De nauwkeurigheid van de capaciteitsplannen voor alle vaartuigen van de Gemeenschap die een visvergunning hebben gekregen om op grond van artikel 26, lid 1, te vissen, wordt om de twee jaar door de lidstaten gecertificeerd. De kapitein zorgt ervoor dat een afschrift van dat certificeringsbewijs aan boord is en op verzoek aan een inspecteur kan worden getoond. Artikel 33 Netten aan boord 1. Bij gerichte visserij op een of meer van de in bijlage VIII genoemde soorten mogen vaartuigen van de Gemeenschap geen netten aan boord hebben met een maaswijdte die kleiner is dan in artikel 27 is bepaald. 2. Vaartuigen van de Gemeenschap waarmee tijdens dezelfde visreis in andere zones dan het gereglementeerde gebied van de NAFO wordt gevist, mogen netten met een maaswijdte die kleiner is dan de in artikel 27 bepaalde grootte aan boord hebben, op voorwaarde dat deze zijn vastgesjord en opgeborgen en niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt. Deze netten moeten: a) zijn losgemaakt van de borden en van de sleepkabels en -lijnen, en b) stevig aan een deel van de bovenbouw vastgesjord zijn, indien ze zich op of boven het dek bevinden. Artikel 34 Overlading 1. Vaartuigen van de Gemeenschap mogen in het gereglementeerde gebied van de NAFO geen vangsten overladen, tenzij daarvoor vooraf toestemming is gegeven door hun bevoegde autoriteiten. 2. Vaartuigen van de Gemeenschap mogen geen vis overladen van of naar een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarvan is waargenomen of anderszins geconstateerd dat het in het gereglementeerde gebied van de NAFO heeft gevist. 3. Vaartuigen van de Gemeenschap melden elke overlading die in het gereglementeerde gebied van de NAFO plaatsvindt, aan hun bevoegde autoriteiten. Deze gegevens worden door het overladende vaartuig ten minste 24 uur vóór de overlading en door het ontvangende vaartuig uiterlijk 1 uur na de overlading meegedeeld. 4. De in lid 3 bedoelde mededeling bevat het tijdstip, de geografische positie, het totale afgeronde en in kg uitgedrukte gewicht van de geladen of geloste soorten en het oproepnummer van de bij de overlading betrokken vaartuigen. 5. Bovendien meldt het ontvangende vaartuig, naast de totale vangst aan boord en het totale aan te voeren gewicht, uiterlijk 24 uur vóór aanvoer ook nog de haven en het geschatte aanvoertijdstip. 6. De lidstaten zenden de in de leden 3 en 5 bedoelde mededelingen onverwijld toe aan de Commissie, die deze onverwijld doorzendt aan het secretariaat van de NAFO. Artikel 35 Charteren van vaartuigen van de Gemeenschap 1. Lidstaten mogen toestaan dat voor visservaartuigen die hun vlag voeren en in het gereglementeerde gebied van de NAFO mogen vissen, een charterovereenkomst wordt gesloten teneinde een deel of het geheel van de quota en/of visdagen te kunnen gebruiken die aan andere verdragsluitende partijen van de NAFO zijn toegewezen. Charterovereenkomsten voor vaartuigen die volgens de NAFO of een andere regionale visserijorganisatie aantoonbaar illegale, niet-aangegeven of niet-gereglementeerde visvangst (IUU) hebben bedreven, zijn verboden. 2. Op de dag waarop een charterovereenkomst wordt gesloten, zendt de vlaggenlidstaat de volgende gegevens aan de Commissie, die deze doorzendt aan het secretariaat van de NAFO: a) de instemming van de lidstaat met de charterovereenkomst; b) de onder de charterovereenkomst vallende soorten en de op grond van de charterovereenkomst toegewezen vangstmogelijkheden; c) looptijd van de charterovereenkomst; d) de naam van de charteraar; e) de naam van de verdragsluitende partij die het voortuig heeft gecharterd; f) de maatregelen die de lidstaat heeft getroffen om ervoor te zorgen dat de gecharterde vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren, de door de NAFO vastgestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen tijdens de charterperiode in acht nemen. 3. Wanneer de charterovereenkomst afloopt, meldt de lidstaat dat aan de Commissie, die deze informatie onverwijld doorzendt aan het secretariaat van de NAFO. 4. De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat: a) het vaartuig tijdens de charterperiode geen gebruik maakt van de aan de vlaggenlidstaat toegewezen vangstmogelijkheden; b) het vaartuig tijdens dezelfde periode niet onder meer dan één charterovereenkomst tegelijkertijd vist; c) het vaartuig de door de NAFO vastgestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen tijdens de charterperiode in acht neemt; d) het gecharterde vaartuig de gegevens over alle vangsten en bijvangsten die in het kader van de charterregeling worden gedaan, apart van de andere vangstgegevens in het visserijlogboek registreert. 5. De in lid 4, onder d), bedoelde vangsten en bijvangsten worden door de lidstaten apart van andere nationale vangstgegevens aan de Commissie meegedeeld. De Commissie zendt deze gegevens onverwijld door aan het secretariaat van de NAFO. Artikel 36 Toezicht op de visserij-inspanning 1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de visserij-inspanning van zijn vaartuigen in verhouding staat tot de vangstmogelijkheden waarover die lidstaat in het gereglementeerde gebied van de NAFO beschikt. 2. De lidstaten delen de visplannen voor hun vaartuigen die in het gereglementeerde gebied van de NAFO vissen, uiterlijk op 31 januari 2006, en daarna ten minste 30 dagen vóór het voorgenomen aanvangstijdstip van de betrokken visserijactiviteiten, aan de Commissie mee. In het visplan wordt onder andere vermeld met welke vaartuigen in de betrokken visserijtakken zal worden gevist en hoeveel visdagen die vaartuigen in het gereglementeerde gebied van de NAFO zullen doorbrengen. 3. De lidstaten brengen de Commissie op indicatieve basis op de hoogte van de voorgenomen activiteiten van de vaartuigen in andere gebieden. 4. Voorts wordt in het visplan de totale visserij-inspanning die in het gereglementeerde gebied van de NAFO zal worden geleverd, opgegeven en wordt deze afgezet tegen de vangstmogelijkheden van de lidstaat die de mededeling doet. 5. Lidstaten brengen uiterlijk op 31 december 2006 bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van hun visplan. Deze verslagen bevatten het aantal vaartuigen die daadwerkelijk bij visserij-activiteiten in het gereglementeerde gebied van de NAFO betrokken zijn, de vangstcijfers voor elk vaartuig en het totale aantal dagen die elk vaartuig in dat gebied heeft gevist. De gegevens over de activiteiten van vaartuigen die in de sectoren 3M en 3L op garnaal vissen, worden apart naar sector uitgesplitst. Deel 4 Speciale voorschriften voor het verzamelen van gegevens 1. Waar mogelijk leggen de lidstaten voor vaartuigen die in de onderstaande gebieden vissen, speciale voorschriften voor het verzamelen van gegevens ten uitvoer. Gebied Coördinaat 1 Coördinaat 2 Coördinaat 3 Coördinaat 4 | Orphan Knoll | 50.00.3047.00.30 | 51.00.3045.00.30 | 51.00.3047.00.30 | 50.00.3045.00.30 | CornerSeamounts | 35.00.0048.00.00 | 36.00.0048.00.00 | 36.00.0052.00.00 | 35.00.0052.00.00 | NewfoundlandSeamounts | 43.29.0043.20.00 | 44.00.0043.20.00 | 44.00.0046.40.00 | 43.29.0046.40.00 | New EnglandSeamounts | 35.00.0057.00.00 | 39.00.0057.00.00 | 39.00.0064.00.00 | 35.00.0064.00.00 | 2. De in lid 1 bedoelde informatie moeten voor elke trek worden verzameld en moet, voorzover mogelijk, de volgende gegevens bevatten: a) aantal soorten en het gewicht per soort; b) lengtefrequentie; c) otolieten; d) de locatie van de trek, met vermelding van de lengte- en breedtegraad; e) vistuig; f) diepte waarop wordt gevist; g) tijdstip van de dag; h) duur van de trek; i) geopend sleepnet (voor mobiel vistuig); j) waar mogelijk, andere biologische bemonsteringsgegevens, bijv. over de volwassenheid van de vis. 3. De in lid 1 bedoelde gegevens moeten zo spoedig mogelijk na elke visreis aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden gerapporteerd en vervolgens aan het secretariaat van de NAFO worden doorgezonden. Deel 5 Bijzondere bepalingen voor Noordse garnaal Artikel 37 Visserij op Noordse garnaal Iedere lidstaat meldt de Commissie dagelijks de hoeveelheden Noordse garnaal (Pandalus borealis) die in sector 3L van het gereglementeerde gebied van de NAFO zijn gevangen door vaartuigen die zijn vlag voeren en geregistreerd zijn in de Gemeenschap. Er mag uitsluitend in wateren van meer dan 200 meter diep worden gevist en nooit door meer dan één vaartuig per lidstaatquotum tegelijk. Deel 6 Bijzondere bepalingen voor een herstelplan voor zwarte heilbot Artikel 38 Verbod met betrekking tot zwarte heilbot Vaartuigen van de Gemeenschap mogen niet op zwarte heilbot vissen in NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO of in dat gebied gevangen zwarte heilbot aan boord hebben, overladen of aanvoeren, tenzij zij een door hun vlaggenlidstaat afgegeven speciaal visdocument aan boord hebben. Artikel 39 Lijst van vaartuigen 1. De lidstaten zorgen ervoor dat vaartuigen van de Gemeenschap waarvoor een speciaal in artikel 38 bedoeld visdocument moet worden afgegeven, worden opgenomen in een lijst waarin de naam en het interne nummer, als gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004, worden vermeld. De lidstaten geven het speciaal visdocument alleen af indien het vaartuig ingeschreven staat in het vlootregister van de NAFO. 2. Elke lidstaat zendt de in lid 1 bedoelde lijst en alle daaropvolgende wijzigingen in computerleesbare vorm toe aan de Commissie. 3. Wijzigingen in de in lid 1 bedoelde lijst worden ten minste vijf dagen vóór de datum waarop het aan de lijst toegevoegde vaartuig deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO binnenvaart, aan de Commissie toegezonden. De Commissie zendt deze wijzigingen onverwijld door aan het secretariaat van de NAFO. 4. Elke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om de aan hem toegewezen quota voor zwarte heilbot te verdelen onder zijn vaartuigen die op de in lid 1 bedoelde lijst staan vermeld. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening in kennis van de verdeling van de quota. Artikel 40 Mededelingen 1. De kapiteins van de in artikel 39, lid 1, bedoelde vaartuigen delen de vlaggenlidstaat het volgende mee: a) de hoeveelheden zwarte heilbot die aan boord zijn op het moment dat het vaartuig van de Gemeenschap NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO binnenvaart. Deze mededeling vindt niet vroeger dan 12 uur en niet later dan 6 uur vóór het binnenvaren van het gebied plaats; b) de wekelijkse vangsten van zwarte heilbot. Deze mededeling wordt voor de eerste maal gedaan uiterlijk aan het einde van de zevende dag nadat het vaartuig deelgebied 2 en de sectoren 3KLMNO is binnengevaren, dan wel, wanneer de visreis langer duurt dan zeven dagen, uiterlijk op maandag voor hoeveelheden die in deelgebied 2 en de sectoren 3KLMNO zijn gevangen gedurende de voorafgaande week die op zondag om middernacht is geëindigd. c) de hoeveelheden zwarte heilbot aan boord op het moment dat het vaartuig van de Gemeenschap NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO verlaat. Deze mededeling vindt niet vroeger dan 12 uur en niet later dan 6 uur vóór het verlaten van het gebied plaats, en moet vergezeld gaan van het aantal visdagen en de totale vangst in het gebied; d) de hoeveelheden zwarte heilbot die bij iedere overlading tijdens het verblijf van het vaartuig in NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO zijn geladen of gelost. Deze mededeling vindt uiterlijk 24 uur na het voltooien van de overlading plaats. 2. Na ontvangst zenden de lidstaten de in lid 1, onder a), c) en d) bedoelde mededelingen door aan de Commissie. 3. Wanneer door de vangsten van zwarte heilbot die overeenkomstig lid 2 zijn meegedeeld, naar schatting 70% van het aan de lidstaat toegewezen quotum is opgebruikt, delen de kapiteins de in lid 1, onder b), bedoelde gegevens eens in de drie dagen mee. Artikel 41 Aangewezen havens 1. Het is verboden hoeveelheden zwarte heilbot aan te voeren in andere dan de door de verdragsluitende partijen van de NAFO aangewezen havens. De aanvoer van zwarte heilbot in havens van niet-verdragsluitende partijen is verboden. 2. Elke lidstaat wijst de havens aan waar zwarte heilbot mag worden aangevoerd en stelt de desbetreffende inspectie- en bewakingsprocedures vast, met inbegrip van de voorwaarden voor de registratie en de rapportage van de bij iedere aanvoer aangelande hoeveelheden zwarte heilbot. 3. Elke lidstaat zendt de Commissie uiterlijk 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de lijst van de aangewezen havens toe en stelt haar uiterlijk 15 dagen daarna in kennis van de desbetreffende, in lid 2 bedoelde inspectie- en toezichtprocedures. De Commissie zendt deze informatie onverwijld door aan het secretariaat van de NAFO. 4. De Commissie zendt alle lidstaten onverwijld een lijst toe van de in lid 2 bedoelde aangewezen havens en van de havens die zijn aangewezen door de overige verdragsluitende partijen van de NAFO. Artikel 42 Inspectie in de haven 1. De lidstaten zien erop toe dat alle vaartuigen die een aangewezen haven aandoen om de in deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO gevangen zwarte heilbot aan te voeren en/of over te laden, in de haven worden geïnspecteerd overeenkomstig de haveninspectieregeling van de NAFO. 2. Het is verboden vangsten van in lid 1 bedoelde vaartuigen te lossen en/of over te laden voordat de inspecteurs ter plaatse zijn. 3. Alle geloste hoeveelheden worden per soort gewogen alvorens naar de koelopslag of een andere bestemming te worden vervoerd. 4. De lidstaten zenden het betrokken haveninspectieverslag uiterlijk 7 werkdagen na de datum waarop de inspectie is voltooid, toe aan de NAFO, met een kopie aan de Commissie. Artikel 43 Verbod op aanvoer of overlading voor vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen De lidstaten zien erop toe dat de aanvoer van zwarte heilbot door vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen bij de NAFO en de overlading van zwarte heilbot van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen bij de NAFO naar NAFO-vaartuigen die in het gereglementeerde gebied van de NAFO hebben gevist, verboden worden. Artikel 44 Follow-up van visserijactiviteiten De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op 31 december 2006 een verslag over de uitvoering van de in de artikelen 38 tot en met 43 bedoelde maatregelen toekomen met onder meer het totale aantal visdagen. Deel 7 Bijzondere bepalingen voor roodbaars Artikel 45 Visserij op roodbaars 1. De kapiteins van vaartuigen van de Gemeenschap die in deelgebied 2 en sectoren IF, 3K en 3M van het gereglementeerde gebied van de NAFO op roodbaars vissen, delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan hun schip de vlag voert of waar het geregistreerd is, om de andere maandag mee welke hoeveelheden roodbaars in die gebieden zijn gevangen in de periode van twee weken die de voorafgaande zondag om middernacht is geëindigd. Wanneer de som van de vangsten gelijk is aan 50% van de TAC of meer, moet deze mededeling wekelijks op maandag plaatsvinden. 2. De lidstaten melden de Commissie om de andere dinsdag vóór 12 uur 's middags, voor de periode van twee weken die de voorafgaande zondag om middernacht is geëindigd, welke hoeveelheden roodbaars zijn gevangen in deelgebied 2 en sectoren IF, 3K en 3M van het gereglementeerde gebied van de NAFO door vaartuigen die hun vlag voeren en op hun grondgebied geregistreerd zijn. Wanneer de som van de vangsten gelijk is aan 50% van de TAC of meer, moet deze mededeling wekelijks plaatsvinden. HOOFDSTUK VII Bijzondere bepalingen voor de visserij door vaartuigen van de Gemeenschap in het CCAMLR-gebied Deel 1 Beperkingen en vereisten inzake vaartuiggegevens Artikel 46 Verboden en vangstbeperkingen 1. Gerichte visserij op de in bijlage XIV vermelde soorten is verboden in de daarin aangegeven zones en perioden. 2. Voor nieuwe en experimentele visserij zijn de maximale vangsten en bijvangsten per deelgebied vastgelegd in bijlage XV. Artikel 47 Vereiste mededelingen inzake vaartuigen met een vergunning om in het CCAMLR-gebied te vissen 1. Naast de op grond van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 601/2004 vereiste gegevens, delen de lidstaten vanaf 1 augustus 2006 de Commissie over bovenbedoelde vaartuigen de volgende gegevens mee: a) IMO-nummer van het vaartuig (indien afgegeven); b) vroegere vlag (indien van toepassing); c) internationaal radio-oproepnummer; d) naam en adres van de eigenaar(s) en eventuele aandeelhouder(s) van het vaartuig, indien bekend; e) type vaartuig; f) bouwplaats en bouwjaar; g) lengte; h) kleurenfoto’s van het vaartuig, bestaande uit: i) een foto van minimaal 12x7 cm van de stuurboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte en met alle structurele kenmerken; ii) een foto van minimaal 12x7 cm van de bakboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte en met alle structurele kenmerken; iii) een foto van minimaal 12x7 cm van de achterzijde van het vaartuig, recht van achteren gefotografeerd; i) maatregelen om ervoor te zorgen dat het satellietvolgsysteem aan boord fraudebestendig functioneert. 2. Met ingang van 1 augustus 2006 delen de lidstaten, voorzover mogelijk, de Commissie voor alle vaartuigen met een vergunning om in het CCAMLR-gebied te vissen, bovendien de volgende gegevens mee: a) naam en adres van de exploitant, indien verschillend van de eigenaar(s); b) naam en nationaliteit van de kapitein en, indien van toepassing, van de vangstkapitein; c) type vismethode(n); d) boom (m); e) brutotonnage; f) communicatiemiddelen en -nummers van het vaartuig (INMARSAT A, B en C nummers); g) reguliere bemanning; h) vermogen van de hoofdmotor(en) (kW); i) totale vervoerscapaciteit (tonnen), aantal visruimen en capaciteit (m³); j) overige nuttig geachte gegevens (bijv. ijswaardigheid). Deel 2 Experimentele visserij Artikel 48 Deelname aan experimentele visserij 1. Vissersvaartuigen die de vlag van Spanje voeren en er geregistreerd staan, en die bij de CCAMLR zijn aangemeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 601/2004 mogen uitsluitend deelnemen aan de experimentele visserij met de beug op de Dissostichus spp. in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1, 58.4.2, 58.4.3a) buiten gebieden onder nationale jurisdictie, en 58.4.3b) buiten gebieden onder nationale jurisdictie. 2. In de sectoren 58.4.3a) en 58.4.3b) mag nooit meer dan één vissersvaartuig tegelijk vissen. 3. De maximale totale vangsten en bijvangsten in deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2, en de verdeling daarvan over de kleine onderzoeksvakken (Small Scale Research Units, SSRU’s) in elk gebied staan vermeld in bijlage XV. De visserijactiviteiten in een SSRU worden stopgezet zodra de gemelde vangsten het toegestane maximum hebben bereikt, waarna dit vak voor de rest van het seizoen voor de visserij gesloten wordt. 4. De visserijactiviteiten moeten plaatsvinden in een zo groot mogelijk geografisch gebied en op zoveel verschillende diepten als mogelijk om de nodige informatie te verzamelen voor het bepalen van het visserijpotentieel en om overconcentratie van vangsten en inspanningen te voorkomen. In de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 is het echter verboden om te vissen in wateren van minder dan 550 m diepte. Artikel 49 Meldingsregelingen Op vissersvaartuigen die deelnemen aan de in artikel 48 bedoelde experimentele visserij, zijn de volgende regelingen voor de melding van vangsten en inspanningen van toepassing: a) het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde stelsel van vijfdaagse meldingen van vangsten en inspanningen, met dien verstande dat de lidstaten vangsten en inspanningen uiterlijk twee werkdagen na het einde van iedere meldingsperiode meedelen aan de Commissie, waarna deze onmiddellijk moeten worden doorgezonden aan de CCAMLR. In deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 worden de gegevens meegedeeld per SSRU; b) de in artikel 13, van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde regeling van maandelijkse meldingen van gedetailleerde vangst- en inspanningsgegevens; c) met betrekking tot Dissostichus eleginoides en Dissostichus mawsoni, het totale aantal en gewicht, met inbegrip van vissen met "jellymeat"-verschijnselen. Artikel 50 Bijzondere vereisten 1. De in artikel 48 bedoelde experimentele visserij moet voldoen aan de bepalingen van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 600/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde technische maatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren [32] met betrekking tot de toepasselijke maatregelen ter beperking van de incidentele sterfte van zeevogels bij de beugvisserij. Naast die maatregelen: a) geldt bij deze visserijactiviteiten een verbod op de teruggooi van afval; b) zijn vaartuigen die deelnemen aan de experimentele visserij in de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 en die voldoen aan de CCAMLR-protocollen (A, B of C) inzake het verzwaren van de beug, niet verplicht om ’s nachts te vissen; vaartuigen die in totaal drie (3) zeevogels vangen, moeten echter weer onmiddellijk ’s nachts gaan vissen overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 601/2004; c) vaartuigen die deelnemen aan de experimentele visserij in deelgebieden 88.1 en 88.2 en in de sectoren 58.4.3a) en 58.4.3b) en die in totaal drie (3) zeevogels vangen, moeten de visserij onmiddellijk staken en mogen gedurende de rest van het seizoen 2005/2005 niet meer buiten de reguliere visserij vissen. 2. Voor vissersvaartuigen die deelnemen aan de experimentele visserij in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 gelden bovendien de volgende extra vereisten: a) het is de vaartuigen niet toegestaan het volgende op zee te lozen: i) olie, olieproducten of residuen van olie, tenzij toegestaan op grond van bijlage I bij MARPOL 73/78 (Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen); ii) afval; iii) voedselresten die niet door een rooster met een maaswijdte van maximaal 25 mm kunnen; iv) pluimvee of delen daarvan (met inbegrip van eierschalen); v) afvalwater binnen 12 zeemijlen van land of ijs of terwijl het vaartuig een snelheid van minder dan vier knopen heeft; en vi) verbrandingsresten; b) levend pluimvee en andere levende vogels mogen deelgebieden 88.1 en 88.2 niet worden binnengebracht en niet-geconsumeerd bereid gevogelte moet uit deelgebieden 88.1 en 88.2 worden verwijderd; c) de visserij op Dissostichus spp. in deelgebieden 88.1 en 88.2 is verboden binnen 10 zeemijlen van de kust van de Balleny Islands. Artikel 51 Definitie van een uitzetting 1. Voor de toepassing van dit deel wordt onder “uitzetting” het uitzetten van een of meer beuglijnen op een bepaalde visgrond verstaan. Voor de melding van vangsten en visserij-inspanningen geldt als de juiste geografische positie van een uitzetting bij de beugvisserij het middelpunt van de uitgezette beuglijn(en). 2. Een uitzetting geldt als onderzoeksuitzetting, mits: a) de afstand tussen twee onderzoeksuitzettingen ten minste 5 zeemijlen bedraagt, gemeten vanaf het geografische middelpunt van iedere onderzoeksuitzetting; b) bij iedere uitzetting minimaal 3 500 en maximaal 10 000 haken worden gebruikt; daarbij mag op dezelfde locatie ook een reeks aparte lijnen worden uitgezet; c) de uitzettijd van iedere beug ten minste zes uur bedraagt, gemeten vanaf het moment waarop het uitzetten is voltooid tot het moment waarop met het ophalen wordt begonnen. Artikel 52 Onderzoeksplannen Vissersvaartuigen die deelnemen aan de in artikel 48 bedoelde experimentele visserij, moeten een onderzoeksplan uitvoeren in alle afzonderlijke SSRU's waarin de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 zijn verdeeld. Het onderzoeksplan moet als volgt worden uitgevoerd: a) wanneer een vaartuig een SSRU voor het eerst binnenvaart, gelden de eerste tien uitzettingen, “eerste reeks” te noemen, als “onderzoeksuitzettingen”, die moeten voldoen aan de in artikel 51, lid 2, vermelde criteria; b) de volgende 10 uitzettingen of de eerste 10 ton gevangen vis, als die hoeveelheid eerder wordt behaald, worden aangeduid als de “tweede reeks”. Uitzettingen tijdens de tweede reeks kunnen naar goeddunken van de kapitein worden gevist als onderdeel van normale experimentele visserij. Indien de uitzettingen voldoen aan de vereisten van artikel 51, lid 2, mogen zij echter ook worden beschouwd als onderzoeksuitzettingen; c) na de eerste en de tweede reeks moet het vaartuig, als de kapitein in de SSRU wil blijven vissen, een “derde reeks” uitzettingen verrichten, tot er uiteindelijk tijdens de drie reeksen 20 onderzoeksuitzettingen hebben plaatsgevonden. De derde reeks uitzettingen moet plaatsvinden tijdens het zelfde verblijf in de SSRU als dat waarin de eerste en de tweede reeks hebben plaatsgevonden; d) nadat er 20 onderzoeksuitzettingen hebben plaatsgevonden, mag het vaartuig in de SSRU blijven vissen; e) in de SSRU's A, B, C, E en G van de deelgebieden 88.1 en 88.2 waar de bevisbare bodemoppervlakte kleiner is dan 15 000 km2, is het bepaalde onder b), c), en d) niet van toepassing en mag het vaartuig na 10 onderzoeksuitzettingen de visserij in de SSRU voortzetten. Artikel 53 Gegevensverzamelingsplannen 1. Vissersvaartuigen die deelnemen aan de in artikel 48 bedoelde experimentele visserij, moeten een gegevensverzamelingsplan uitvoeren in alle afzonderlijke SSRU's waarin de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en de sectoren 58.4.1 en 58.4.2 zijn verdeeld. Het gegevensverzamelingsplan moet het volgende omvatten: a) de positie en diepte van de uiteinden van iedere lijn in een uitzetting; b) de tijden waarop de beug is uitgezet, in het water is gebleven en is opgehaald; c) het aantal en de soorten vissen die aan de oppervlakte verloren zijn gegaan ; d) het aantal haken dat is aangebracht; e) het type aas; f) het percentage aas dat is aangenomen; g) het type haken, en h) de gesteldheid van zee en wolken en de maanfase ten tijde van het uitzetten van de lijnen. 2. Alle in lid 1 genoemde gegevens moeten voor iedere onderzoeksuitzetting worden verzameld; met name moeten bij iedere onderzoeksuitzetting de eerste 100 vissen worden gemeten en moet voor biologisch onderzoek een monster van ten minste 30 vissen worden genomen. Als er meer dan 100 vissen worden gevangen, moet een willekeurige steekproef van de vissen worden genomen. Artikel 54 Merkprogramma Vissersvaartuigen die deelnemen aan de in artikel 48 bedoelde experimentele visserij, moeten het volgende merkprogramma uitvoeren: a) gedurende het gehele seizoen moet per ton gevangen onverwerkte Dissostichus spp. één exemplaar worden gemerkt en vrijgelaten overeenkomstig het merkprotocol ("tagging protocol") van de CCAMLR. Het merken mag pas worden gestaakt zodra het vaartuig 500 exemplaren heeft gemerkt of wanneer de visgrond wordt verlaten en per ton gevangen onverwerkte Dissostichus spp. steeds één exemplaar is gemerkt; b) het programma moet worden gericht op exemplaren van verschillende grootte om te voldoen aan de vereiste om per ton gevangen onverwerkte vis één exemplaar te merken. Alle teruggezette exemplaren moeten worden voorzien van twee merktekens en over een zo groot mogelijk geografisch gebied gespreid worden vrijgelaten; c) alle merktekens moeten duidelijk zijn bedrukt met een uniek serienummer en een retouradres zodat de oorsprong van de merktekens kan worden bepaald ingeval een exemplaar opnieuw wordt gevangen; d) opnieuw gevangen exemplaren (d.w.z. vissen met een eerder aangebracht merkteken) mogen niet worden vrijgelaten, zelfs niet als zij na het merken slechts korte tijd in vrijheid zijn geweest; e) alle opnieuw gevangen exemplaren moeten biologisch worden beschreven (lengte, gewicht, geslacht, toestand van de gonaden) en indien mogelijk digitaal worden gefotografeerd, en hun otolieten en merktekens moeten worden verwijderd; f) alle gegevens van de merktekens en gegevens over opnieuw gevangen gemerkte exemplaren moeten in het CCAMLR-formaat elektronisch aan de CCAMLR worden gemeld uiterlijk drie maanden nadat het vaartuig de visserij in het betrokken gebied heeft beëindigd; g) alle gegevens betreffende merktekens en gegevens over opnieuw gevangen gemerkte exemplaren moeten in het CCAMLR-formaat elektronisch worden gemeld aan het betrokken regionale meldpunt overeenkomstig het merkprotocol van de CCAMLR. Artikel 55 Wetenschappelijke waarnemers Vissersvaartuigen die deelnemen aan de in artikel 48 bedoelde experimentele visserij, moeten bij alle visserijactiviteiten in het visserijseizoen ten minste twee wetenschappelijk waarnemers aan boord hebben waarvan er één is aangewezen volgens de CCAMLR-regeling voor internationale wetenschappelijke waarneming. HOOFDSTUK VIII Slotbepalingen Artikel 56 Verkoop dan voor wetenschappelijke doeleinden gevangen mariene organismen Mariene organismen die overeenkomstig artikel 2, lid 2, voor wetenschappelijke doeleinden zijn gevangen, mogen worden verkocht, opgeslagen, uitgestald of te koop aangeboden, mits: a) de in de bijlagen I tot en met III vastgestelde vangstmogelijkheden niet volledig zijn benut, of b) zij rechtstreeks worden verkocht voor andere doeleinden dan menselijke consumptie. Artikel 57 Gegevensoverdracht Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 15, lid 1, en 18, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 gegevens over de aanvoer van de hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie zenden, maken zij daartoe gebruik van de in bijlage I bij deze verordening vermelde bestandscodes. Artikel 58 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2006. Voor TAC’s voor het CCAMLR-gebied die gelden voor perioden die ingaan vóór 1 januari 2006, is artikel 46 van toepassing vanaf de begindatum van de betrokken TAC-toepassingsperioden. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, op […] Voor de Raad De Voorzitter [1] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [2] PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3. [3] PB L 70 van 9.3.2004, blz. 8. [4] PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1. [5] PB L 226 van 29.8.1980, blz. 48. [6] PB L 226 van 29.8.1980, blz. 12. [7] PB L 29 van 1.2.1985, blz. 9. [8] PB L 161 van 2.7.1993, blz. 1. [9] PB L 132 van 21.5.1987, blz. 9. [10] PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2001 (PB L 268 van 9.10.2001, blz. 23). [11] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1). [12] PB L 289 van 7.11.2001, blz. 1. [13] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 813/2004 (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 32). [14] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7. [15] PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16. [16] PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 602/2004 (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 30). [17] PB L 365 van 31.12.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 448/2005 (PB L 74 van 19.3.2005, blz. 5). [18] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 10. [19] PB L 70 van 9.3.2004, blz. 8. [20] PB L 333 van 20.12.2003, blz. 17. [21] PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3259/94 (PB L 339 van 29.12.1994, blz. 11). [22] PB L 137 van 19.5.2001, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 831/2004 (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 33). [23] PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6. [24] PB L 396 van 31.12.2004, blz. 4. [25] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 10. [26] PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1. [27] PB L 137 van 19.5.2001, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 831/2004 (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 33). [28] PB L 270 van 13.11.1995, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003. [29] PB L 186 van 28.7.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003. [30] PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16. [31] PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25. [32] PB L 97 van 1.4.2004, blz. 1. --------------------------------------------------