This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52000PC0856
Proposal for a Council Decision concluding the consultation procedure opened with Haiti under Article 96 of the ACP-EC Partnership Agreement
Voorstel voor een besluit van de Raad houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou
Voorstel voor een besluit van de Raad houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou
/* COM/2000/0856 def. */
Voorstel voor een besluit van de Raad houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou /* COM/2000/0856 def. */
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou (door de Commissie ingediend) TOELICHTING Na herhaaldelijk te zijn uitgesteld, werden er tenslotte Parlementsverkiezingen gehouden op 21 mei (eerste ronde) en op 9 juli (tweede ronde), met als doel de verkiezing van 19 senatoren, 83 parlementsleden, 133 burgemeesters en 7.124 vertegenwoordigers in de plaatselijke vergaderingen. De organisatie van Amerikaanse staten (OAS), die van de internationale gemeenschap de opdracht had gekregen om als waarneemster te fungeren bij deze verkiezingen, heeft weliswaar geconstateerd dat veel mensen daaraan deelgenomen hadden en dat een en ander op de dag van de eerste ronde kalm was verlopen, maar toch ook vastgesteld dat er zich verschillende onregelmatigheden en gevallen van fraude hadden voorgedaan en dat er voor de benoemingen op de senatorposten een onwettige berekeningsmethode was gehanteerd. De huidige crisis heeft zich nu juist hoofdzakelijk daarop toegespitst, met de weigering van de voorlopige verkiezingsraad (Conseil Electoral Provisoire) om de methode van berekening voor de benoemingen op de senatorposten zoals aanbevolen in de kieswet en de grondwet toe te passen, ondanks de verschillende stappen die de OAS en de internationale gemeenschap als geheel daartoe hebben ondernomen. Volgens de OAS hadden tien senatorposten, die reeds na de eerste ronde waren toegewezen, het onderwerp moeten uitmaken van een tweede ronde. De partij die van deze operatie profiteert is de Lafamni Lavallas-partij van de voormalige President Aristide, die daarmee een overweldigende meerderheid in de Senaat verkrijgt (18 van de 19 op het spel staande zetels). Deze weigering van de Haïtiaanse overheid om de berekeningsmethode in het geding te brengen, evenals andere in het OAS-verslag beschreven elementen, zoals de gevallen van fraude en intimidatie, de vlucht van de voorzitter van de CEP en het ontslag van twee van de leden van die raad, doen twijfel rijzen aan de geloofwaardigheid en de wettigheid van het verkiezingsproces. In een verklaring van 12 juli 2000 legde de EU de nadruk op die elementen en vestigde zij de aandacht van de Haïtiaanse regering op het risico dat zij zich gedwongen zou zien om haar beleid ten aanzien van Haïti - in het bijzonder op het gebied van samenwerking - te herzien, wanneer er niets wordt gedaan om verbetering te brengen in deze situatie. Bij gebrek aan een reactie heeft de Raad van de Europese Unie op 2 augustus 2000 besloten de regering van Haïti uit te nodigen om overleg te plegen krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou, teneinde de toestand grondig te onderzoeken en van Haïti te vernemen hoe dit land voornemens is om zich aan de essentiële elementen van artikel 9 van die overeenkomst te houden, en meer in het bijzonder aan die met betrekking tot de democratische beginselen en de rechtsstaat. Dat overleg had op 26 september 2000 te Brussel plaats. In zijn voorlopige conclusies heeft de Europese Unie nota genomen van het standpunt van de Haïtiaanse overheid, maar verklaarde zij te betreuren dat deze laatste geen rekening had gehouden met haar op- en aanmerkingen en ongerustheid over de legitimiteit van het verkiezingsproces. De Unie stelt vast dat de essentiële elementen, zoals omschreven in artikel 9 van de Partnerschapsovereenkomst, niet worden nageleefd. Derhalve zal zij nagaan, welke maatregelen er in het kader van die partnerschapsovereenkomst en in het bijzonder van de ontwikkelingssamenwerking dienen te worden getroffen, ook al ziet zij in dat dit land in een ernstige sociale en economische toestand verkeert en dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat deze maatregelen niet in het nadeel van de Haïtiaanse bevolking uitvallen. In de voorlopige conclusies staat ook nader aangegeven dat de Europese Unie de ontwikkeling van het democratische proces op Haïti van nabij zal blijven volgen, teneinde te kunnen beoordelen hoe de toestand zich daar ontwikkelt, en wel op basis van o.a. de organisatie van de komende presidentsverkiezingen. Naar aanleiding van dit overleg en gezien de mislukking van de laatste verzoeningsopdracht van de OAS, stelt de Commissie voor om, krachtens de in artikel 96, lid 2, alinea c, van de Overeenkomst van Cotonou bedoelde passende maatregelen, het samenwerkingsbeleid als volgt te herzien : i. Annulering van de tweede tranche van het 8e EOF voor een bedrag van 44,4 miljoen euro. Krachtens het 8e EOF kwam Haïti in aanmerking voor een toewijzing van 148 miljoen euro in totaal. In april 1997 werd dit land in kennis gesteld van de toewijzing van een eerste tranche van 103,6 miljoen euro. Gezien de vorderingen die er met de vastleggingen ten laste van die eerste tranche waren gemaakt, was de toestemming van het EOF-Comité voor de toekenning van de tweede tranche, voor een bedrag van 44,4 miljoen euro, in januari 2000 via een gunstig advies verkregen. Desalniettemin was die toestemming afhankelijk gesteld van de toepassing van een geloofwaardig en eerlijk verkiezingsproces. Gezien de ongunstige ontwikkeling van dat proces en van de politieke toestand over het geheel genomen, heeft het voor ontwikkelingszaken verantwoordelijke Commissielid in maart 2000 besloten om vooralsnog van de kennisgeving van deze laatste tranche af te zien. ii. Opschorting van de in het kader van het 8e EOF verleende vormen van directe begrotingssteun, en ook van de steun via de begrotingslijn "voedselveiligheid". iii. Omleiding van het overschot van de eerste tranche van het 8e EOF naar projecten die rechtstreeks ten goede komen aan de Haïtiaanse bevolking die de civiele samenleving en de particuliere sector versterken en die het democratiseringsproces en een versterking van de rechtsstaat steunen. iv. Voorbereiding van de programmering 9e EOF door de delegatie van de Europese Commissie op Haïti, die zo nodig de Haïtiaanse regering hierover zal raadplegen. Behalve wanneer de Raad op voorstel van de Commissie tot het tegendeel besluit, heeft de kennisgeving van de toekenning van de middelen niet plaats tijdens de geldigheidsduur van dit besluit. Met uitzondering van de annulering van de tweede tranche van het 8e EOF, verstrijken deze maatregelen op 31 december 2001. Binnen een termijn van zes maanden zullen de Commissie en de Raad tezamen een herbeoordeling van de situatie maken, aan de hand waarvan de bovenvermelde maatregelen kunnen worden aangepast en de Commissie zonodig nieuwe voorstellen bij de Raad zal indienen. CONCLUSIE Gezien het voorgaande en overeenkomstig de artikelen 9 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou, zoals vervroegd van toepassing verklaard bij Besluit 1/2000 van de Raad van ministers ACS-EG, stelt de Commissie de Raad voor om het met Haïti aangeknoopte overleg af te sluiten en het bijgaande besluit goed te keuren. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD houdende afsluiting van de overlegprocedure met Haïti in het kader van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou DE RAAD DE EUROPESE UNIE, Gelet het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op de Overeenkomst van Cotonou ACS-EG, zoals vervroegd van toepassing verklaard bij Besluit 1/2000 van de Raad van ministers ACS-EG, Gelet op het intern akkoord inzake de maatregelen die moeten worden genomen en de procedures die moeten worden gevolgd voor de toepassing van de Partnerschapsovereenkomst ACS-EG, zoals voorlopig van toepassing verklaard bij het Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 18/09/2000, inzonderheid artikel 3, Gezien het voorstel van de Commissie, Overwegende hetgeen volgt : (1) De essentiële elementen van de Overeenkomst van Cotonou ACS-EG, zoals bedoeld in artikel 9 daarvan, zijn geschonden wegens de niet-naleving van de kieswet. (2) Overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou ACS-EG, is er op 26 september 2000 overleg gepleegd met de ACS-landen en Haïti; bij die gelegenheid heeft de Haïtiaanse overheid haar standpunt doen gelden. (3) De eerbiediging van de democratische beginselen is op Haïti nog niet in ere hersteld, BESLUIT : Artikel 1 Het overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou met Haïti gepleegde overleg is beëindigd. Artikel 2 De in de ontwerp-brief in bijlage dezes nader aangegeven maatregelen worden goedgekeurd als zijnde passende maatregelen zoals bedoeld in artikel 96, lid 2, alinea c, van de overeenkomst van Cotonou ACS-EG. Met uitzondering van de annulering van de tweede tranche van het 8e EOF, verstrijken deze maatregelen op 31 december 2001. Artikel 3 Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt aangenomen. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE Ontwerp-brief Excellentie, De Europese Unie hecht veel belang aan de bepalingen van artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou. De democratische beginselen en de rechtsstaat, waarop het partnerschap ACS-EU berust, zijn essentiële elementen van die overeenkomst en dus ook de grondslag van onze betrekkingen. Derhalve heeft de Europese Unie de ontwikkeling van het verkiezingsproces op Haïti van nabij gevolgd en is zij bezorgd over de onregelmatigheden die in het waarnemingsverslag van de OAS aan de kaak werden gesteld en in het bijzonder over het feit dat men zich niet aan de verkiezingswet heeft gehouden voor de benoemingen op de senatorposten na de eerste ronde. Daarom heeft de Europese Unie op 12 juli 2000 verklaard ongerust te zijn over de ontwikkeling van het verkiezingsproces en de aandacht gevestigd op de gevolgen die dat voor de samenwerking met Haïti zou kunnen hebben, indien dit land daarmee geen rekening houdt. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad van de Europese Unie op 2 augustus 2000 besloten om de overheid van Haïti en van de ACS-landen ertoe uit te nodigen om overleg te plegen, ten einde de situatie grondig te onderzoeken en na te gaan hoe daarin verbetering kan worden gebracht. Dat overleg had op 26 september te Brussel plaats. Bij die gelegenheid werden allerlei fundamentele vraagstukken aangeroerd, terwijl de Haïtiaanse overheid, in de persoon van haar vertegenwoordiger, Zijne Excellentie Fritz Longchamps, minister van buitenlandse zaken, haar standpunt en haar analyse van de situatie heeft uiteengezet. Toch heeft deze gedachtenwisseling het niet mogelijk gemaakt om vooruitgang te boeken met het vinden van een bevredigende oplossing voor de door de Unie opgeworpen vraagstukken. Derhalve heeft deze laatste voorlopige conclusies getrokken, waarin zij betreurde dat er geen rekening was gehouden met h aar bezorgdheid en verklaarde dat er zou worden nagegaan of er passende maategelen, zoals omschreven in de partnerschapsovereenkomst, konden worden getroffen. In die conclusies verklaart de Unie zich eveneens bewust te zijn van de ernstige sociale en economische toestand waarin dit land verkeert en van het belang om de Haïtiaanse bevolking niet te benadelen. Bij gebrek aan nieuwe elementen en gezien de recente mislukking van de OAS-opdracht onder leiding van Zijne Excellentie L. Einaudi, adjunct-secretaris-generaal, heeft de Raad van de Europese Unie besloten om het overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou aangeknoopte overleg af te sluiten, in dezelfde zin als de voorlopige conclusies van 26 september. De Raad van de Europese Unie heeft dus besloten om, als passende maatregelen zoals bedoeld in artikel 96, lid 2, alinea c), de volgende maatregelen te treffen : i. Annulering van de tweede tranche van het NIP 8e EOF, voor een bedrag van 44,4 miljoen euro. ii. Opschorting van de directe begrotingssteun. Dit betreft hoofdzakelijk de programma's voor structurele aanpassing en veiligstelling van de voedselvoorziening. iii. Omleiding van het overschot van de eerste tranche van het NIP 8e EOF naar projecten die rechtstreeks in het voordeel zijn van de Haïtiaanse bevolking, die de civiele samenleving en de particuliere sector versterken en die eventueel het democratiseringsproces en de versterking van rechtsstaat steunen. iv. Voorbereiding van de programmering 9e EOF door de delegatie van de Europese Commissie op Haïti, die de Haïtiaanse regering zo nodig zal raadplegen. Behalve wanneer de Raad op voorstel van de Commissie tot het tegendeel besluit, heeft de kennisgeving van de toekenning van de middelen niet plaats tijdens de geldigheidsduur van dit besluit. Met uitzondering van de annulering van de tweede tranche van het 8e EOF, verstrijken deze maatregelen op 31 december 2001. De Europese Unie wil hiermee laten blijken dat zij de Haïtiaanse bevolking niet wil benadelen, maar het toch niet eens is met het feit dat dit land zich niet aan de fundamentele democratische beginselen houdt. De Europese Unie zal het verdere verloop van het democratiseringsproces van nabij volgen en in het bijzonder de voor het einde van dit jaar geplande presidentsverkiezingen. Zij herhaalt bereid te zijn om kracht bij te zetten aan de politieke dialoog en om bij te dragen tot het democratiseringsproces. In dat kader is zij bereid haar besluit, in geval van een positieve ontwikkeling, te herzien, maar zij behoudt zich het recht voor om extra maatregelen te treffen, wanneer er geen verbetering valt te constateren. Voor de Commissie Voor de Raad