This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52000PC0796
Amended proposal for a Decision of the European Parliament and of the Council establishing a programme of Community action to encourage cooperation between Member States to combat social exclusion (presented by the Commission pursuant to Article 250 (2) of the EC Treaty)
Gewijzigd voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen Lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend)
Gewijzigd voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen Lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend)
/* COM/2000/0796 def. - COD 2000/0157 */
PB C 96E van 27.3.2001, pp. 229–241
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Gewijzigd voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen Lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2000/0796 def. - COD 2000/0157 */
Publicatieblad Nr. 096 E van 27/03/2001 blz. 0229 - 0241
Gewijzigd voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen Lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) MEMORIE VAN TOELICHTING I. INLEIDING De Commissie heeft op 16 juni 2000 een voorstel goedgekeurd voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting (2001-2005). Artikel 137, lid 2, tweede en derde alinea, van het VEG vormt de rechtsgrondslag voor het besluit. Het Comité van de Regio's heeft zijn advies op 23 oktober 2000 goedgekeurd, en het Economisch en Sociaal Comité op 19 oktober 2000. Na goedkeuring door het Europees Parlement van zijn advies op 16 november 2000 heeft de Commissie nu haar oorspronkelijke voorstel gewijzigd overeenkomstig artikel 250 van het VEG. II. AMENDEMENTEN De koppeling aan de conclusies van de Europese Raad van Lissabon inzake de bestrijding van sociale uitsluiting is versterkt. Er is meer nadruk gelegd op verbetering van de indicatoren en de beoordelingscriteria, en op de ontwikkeling van vergelijkbare parameters ter ondersteuning van de samenwerking tussen lidstaten in de context van de open coördinatiemethode (twaalfde considerans; artikel 3 en 4, bijlage). In aansluiting op de conclusies van Lissabon zijn waar mogelijk meer verwijzingen naar armoede in de tekst verwerkt (zesde en negende considerans; artikel 2, 3, 5, en bijlage). De rol van het Comité voor Sociale Bescherming is onderstreept, met name in de achttiende overweging en in artikel 8, en ook wordt voorgesteld dat in het jaarlijkse samenvattende voorjaarsverslag van de Commissie aan de Europese Raad een overzicht van de vorderingen in het kader van het programma wordt gegeven (artikel 11). De verwijzing naar artikel 2 van het EG-Verdrag is breder geformuleerd (eerste overweging) en de 22ste overweging is redactioneel verbeterd. Er zijn specifieke verwijzingen opgenomen naar het herziene Sociale Handvest van de Raad van Europa (derde considerans), naar de Aanbevelingen van de Raad nr. 92/441/EEG en 92/442/EEG, en naar de conclusies van de Raad van 17 december 1999 (vierde considerans). De betrokkenheid van alle relevante actoren op alle niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees) en het belang van de ervaringen in de veld, en van de door armoede en sociale uitsluiting getroffen personen zelf, is benadrukt, terwijl duidelijk wordt gesteld dat het communautaire actieprogramma vooral gericht zal zijn op transnationale samenwerking en alleen op EU-niveau networking zal ondersteunen (vijftiende considerans, artikel 3 en bijlage). De bepalingen betreffende samenhang en complementariteit met andere communautaire beleidsmaatregelen, instrumenten en acties zijn versterkt (zeventiende considerans en artikel 9). In de bepalingen betreffende de rol van het Comité van het programma wordt nu verwezen naar artikel 274 (zestiende considerans en artikel 7). In de bijlage wordt specifiek de aandacht gevestigd op: - Onder het onderdeel analyse: op de vele dimensies van sociale uitsluiting, op zowel de territoriale dimensie als de verscheidenheid van met sociale uitsluiting bedreigde groepen, en - zoals reeds aangegeven - op het belang van het verwerken van ervaringen in het veld. - Onder het onderdeel uitwisselingen: op de mogelijkheid dat het programma de uitwisseling van medewerkers tussen nationale waarnemingscentra/observatieposten of vergelijkbare erkende organen kan ondersteunen, en op bezoeken in het veld en de uitwisseling van personeel. - Onder het onderdeel participatie en networking: op raadpleging van alle relevante actoren bij de voorbereiding van de EU-Rondetafelconferentie en op de mogelijkheid om in bijzondere gevallen tot 90% van de kosten van Europese netwerken te financieren, indien de financiële situatie van die netwerken dat rechtvaardigt. 2000/0157 (COD) Gewijzigd voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen Lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, Gelet op het voorstel van de Commissie [1], [1] PB C Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2], [2] PB C Gezien het advies van het Comité van de Regio's [3], [3] PB C Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [4], [4] PB C Overwegende hetgeen volgt: (1) Ingevolge artikel 2 van het Verdrag heeft de Gemeenschap onder andere tot taak een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming en de verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan in de gehele Gemeenschap te bevorderen. (2) Ingevolge artikel 136 van het Verdrag stellen de Gemeenschap en de lidstaten zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Sociale Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, onder andere ten doel uitsluiting te bestrijden. (3) Ook dient rekening te worden gehouden met het herziene Sociale Handvest van de Raad van Europa (1996) en in het bijzonder met artikel 30 daarvan, betreffende "het recht op bescherming tegen armoede en uitsluiting". (4) In Aanbeveling nr. 92/441/EEG van 24 juni 1992 beveelt de Raad de lidstaten aan "het fundamentele recht van personen te erkennen op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden"; in Aanbeveling nr. 92/442/EEG van 27 juli 1992 beveelt de Raad de lidstaten aan een inkomenspeil te garanderen dat een menswaardig leven mogelijk maakt; in de conclusies van 17 december 1999 onderschrijft de Raad het bevorderen van sociale insluiting als een van de doelstellingen van het moderniseren en verbeteren van de sociale bescherming. (5) Het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hebben er alle op aangedrongen dat de Gemeenschap een grotere bijdrage levert aan de inspanningen in de lidstaten om sociale uitsluiting te voorkomen en te bestrijden. (6) In de Mededeling van de Commissie van 1 maart 2000, "Bouwen aan een solidair Europa" [5] werden de uitdaging van armoede en sociale uitsluiting en het bestaande beleid in reactie daarop in de lidstaten en op het niveau van de Gemeenschap beschreven, en werd op basis daarvan voorgesteld om een nieuwe impuls te geven aan de EU-samenwerking op dit terrein. [5] COM (2000) 79 def. (7) De Europese Raad van Lissabon op 23 en 24 maart 2000 heeft de bevordering van solidariteit en sociale insluiting aangemerkt als een intrinsiek onderdeel van de algemene strategie van de Unie voor het verwezenlijken van haar strategische doel voor de komende tien jaar, namelijk de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie in de wereld te worden, in staat tot duurzame economische groei, met meer en betere banen en hechtere sociale samenhang. (8) De Europese Raad van Lissabon erkende verder dat de nieuwe op kennis gebaseerde samenleving enerzijds mogelijkheden biedt om sociale uitsluiting terug te dringen, door het creëren van de economische voorwaarden voor grotere welvaart door meer groei en meer werkgelegenheid, en door nieuwe manieren te bieden om actief aan het maatschappelijk leven deel te nemen, maar anderzijds ook het risico met zich brengt dat de kloof tussen degenen die toegang hebben tot de nieuwe kennis en degenen die buitengesloten zijn steeds groter wordt, en dat het beleid erop gericht dient te zijn dit risico te vermijden en het nieuwe potentieel te maximaliseren. (9) De Europese Raad van Lissabon heeft verklaard dat het aantal mensen dat in de EU onder de armoedegrens leeft en sociaal is uitgesloten, onaanvaardbaar hoog is, en dat er stappen moeten worden gezet om armoede uit te roeien, door adequate, door de Raad overeen te komen doelen te stellen. (10) De Europese Raad kwam verder overeen dat het beleid ter bestrijding van sociale uitsluiting gebaseerd dient te zijn op een open coördinatiemethode die nationale actieplannen en een samenwerkingsinitiatief van de Commissie combineert. (11) Dit initiatief van de Commissie bestaat uit een voorstel voor een meerjarig actieprogramma ter aanmoediging van de samenwerking tussen lidstaten en dient gericht te zijn op verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en van beste praktijken, en evaluatie van ervaringen met het oog op doelmatiger en efficiënter beleid ter bestrijding van uitsluiting. (12) Het opstellen van geharmoniseerde overzichten en studies en het vaststellen van gemeenschappelijke kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren zal een basis bieden voor de ontwikkeling van de open coördinatiemethode. (13) Voor de bestrijding van sociale uitsluiting is het vereist dat de toegang tot hoogwaardig werk en tot middelen, rechten, goederen en diensten voor iedereen vergemakkelijkt wordt. (14) Maatregelen ter bestrijding van sociale uitsluiting dienen erop gericht te zijn iedereen in staat te stellen om in haar of zijn eigen levensonderhoud te voorzien (door middel van betaald werk of anderszins) en zich in de maatschappij te integreren. (15) Veel niet-gouvernmentele organisaties op verschillende niveaus (lokaal, regionaal; nationaal en Europees) hebben ervaring en deskundigheid op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting, en treden ook op als de pleitbezorgers van mensen die met sociale uitsluiting bedreigd worden; ook lokale en regionale autoriteiten bezitten ervaring en kennis op dit terrein; niet-gouvernementele organisaties en lokale en regionale autoriteiten kunnen dus een belangrijke bijdrage leveren tot een beter begrip van de verschillende vormen en effecten van sociale uitsluiting, en helpen te verzekeren dat bij het ontwerpen, de tenuitvoerlegging en de follow-up van het programma rekening wordt gehouden met de ervaring van mensen die sociale uitsluiting zelf hebben ondervonden. (16) Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de procedures voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [6] dienen maatregelen voor de tenuitvoerlegging van dit Besluit volgens de in artikel 3 van eerstgenoemd Besluit aangegeven raadplegingsprocedure te worden vastgesteld onverminderd de bevoegdheden die de Commissie uit hoofde van artikel 274 van het Verdrag zijn verleend. [6] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (17) Om de toegevoegde waarde van de communautaire actie te verhogen, is het noodzakelijk dat de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, op alle niveaus de samenhang en de complementariteit van de in het kader van dit Besluit ondernomen acties met alle andere relevante communautaire beleidsmaatregelen, instrumenten en acties verzekert, in het bijzonder met die van de Europese Structuurfondsen. (18) Het Comité voor Sociale Bescherming, dat is opgericht bij een Besluit van de Raad van 29 juni 2000 [7] om de samenwerking tussen de lidstaten op het terrein van het beleid inzake sociale bescherming te versterken, draagt bij tot de ontwikkeling en monitoring van acties ter modernisering en verbetering van sociale bescherming en ter bevordering van sociale integratie, overeenkomstig de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 en de conclusies van de Europese Raad van Feira van 19 en 20 juni 2000. [7] Besluit van de Raad 2000/436/EG van 29 juni 2000, PB L 172 van 12.7.2000. (19) De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-Overeenkomst) voorziet in meer samenwerking op sociaal terrein tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten enerzijds en de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die aan de EER deelnemen (EVA/EER) anderzijds, en het programma dient ook voor deelname opengesteld te worden voor de kandidaatlanden van Midden- en Oost-Europa, overeenkomstig de in de Europa-Overeenkomsten, de toegevoegde protocollen daarbij en de besluiten van de betreffende Associatieraden vastgelegde voorwaarden, en voor Cyprus en Malta, te financieren door aanvullende kredieten volgens met deze landen overeen te komen procedures, en voor Turkije, te financieren door aanvullende begrotingsmiddelen volgens met dat land overeen te komen procedures. (20) Een financieel referentiebedrag, in de zin van artikel 33 van de Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 6 mei 1999, is in dit Besluit opgenomen. (21) Dit referentiebedrag is verenigbaar met het huidige financiële kader. (22) De genderproblematiek strekt zich uit over veel terreinen en is van grote invloed op zowel de oorzaken als de gevolgen van armoede en uitsluiting. Bovendien behoren, op grond van de artikelen 2 en 3 van het Verdrag, de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het uit de weg ruimen van ongelijkheid tot de taken van de Gemeenschap en moeten bij alle activiteiten doelstelling zijn. (23) Het is van essentieel belang dat de uitvoering van het programma gecontroleerd en geëvalueerd wordt om te verzekeren dat de doelstellingen ervan verwezenlijkt worden; (24) Gelet op de in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en op het feit dat de doelstellingen van de voorgestelde actie door de lidstaten niet voldoende verwezenlijkt kunnen worden, gezien onder andere de noodzaak van multilaterale partnerschappen, transnationale uitwisseling van informatie en verspreiding van goede praktijken in de gehele Gemeenschap, kunnen deze doelstellingen beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Het Besluit gaat niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. BESLUITEN: Artikel 1 Vaststelling van het programma Bij dit besluit wordt een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten met het oog op de bestrijding van sociale uitsluiting, hierna genoemd "dit programma", vastgesteld, dat zal worden uitgevoerd in de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005. Artikel 2 Beginselen 1. Dit programma zal worden uitgevoerd op basis van een open methode van coördinatie tussen lidstaten, die bedoeld is om een krachtige impuls te geven aan de uitroeiing van armoede en sociale uitsluiting, door het bepalen van passende doelstellingen op communautair niveau en het uitvoeren van nationale actieplannen. 2. Het programma en de nationale actieplannen zullen bijdragen tot een beter begrip van het verschijnsel sociale uitsluiting, tot het mainstreamen van de bestrijding van uitsluiting in het beleid en de maatregelen van de lidstaten en van de Gemeenschap, en de ontwikkeling van prioritaire acties waartoe de lidstaten besluiten overeenkomstig hun bijzondere situatie. 3. Bij de ontwikkeling, de uitvoering en de follow-up van de activiteiten in het kader van het programma wordt rekening gehouden met de ervaringen in de lidstaten op alle relevante niveaus en met die van mensen die blootstaan aan armoede en sociale uitsluiting, en van sociale partners, niet-gouvernmentele en vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke actoren die betrokken zijn bij de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Artikel 3 Doelstellingen Het programma ondersteunt samenwerking die de Unie en de lidstaten in staat stelt de doelmatigheid en de efficiëntie van het beleid inzake de bestrijding van sociale uitsluiting te verbeteren door: - het verbeteren van het inzicht in het verschijnsel sociale uitsluiting en armoede; - het organiseren van uitwisselingen over beleid en van elkaar leren op basis van vergelijkbare parameters en in de context van de nationale actieplannen; en - het ontwikkelen van het vermogen van actoren om armoede en sociale uitsluiting effectief aan te pakken, met name door networking op EU-niveau en door het bevorderen van een dialoog met alle betrokken partijen ("stakeholders"). Artikel 4 Acties van de Gemeenschap 1. Met het oog op het verwezenlijken van de in artikel 3 aangegeven doelstellingen kunnen de volgende acties worden uitgevoerd in een transnationaal kader: - analyse van kenmerken, oorzaken, processen en trends met betrekking tot sociale uitsluiting, met inbegrip van het verzamelen van vergelijkbare statistieken, het vaststellen van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, de ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden en thematische studies; - beleidssamenwerking en uitwisseling van informatie en best praktijken op basis van de ontwikkeling van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, evaluatiecriteria en benchmarks en door regelmatige monitoring, evaluatie en "peer reviews"; - bevordering van dialoog tussen de verschillende "stakeholders" en ondersteuning van relevante netwerken op Europees niveau van niet-gouvernmentele organisaties die actief zijn in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. 2. De regelingen voor de tenuitvoerlegging van de in lid 1 beschreven acties van de Gemeenschap worden in de bijlage uiteengezet. Artikel 5 Uitvoering 1. De Commissie: - draagt zorg voor de uitvoering van de onder dit programma vallende communautaire acties; - wisselt regelmatig van gedachten met de vertegenwoordigers van niet-gouvernmentele organisaties en de sociale partners op Europees niveau over de opzet, de uitvoering en de follow-up van het programma, en over gerelateerd beleid. De Commissie stelt het in artikel 7 bedoelde Comité op de hoogte van de standpunten van deze gesprekspartners; - bevordert een actief partnerschap en dialoog tussen alle bij het programma betrokken partners, om een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting aan te moedigen. 2. De Commissie neemt in samenwerking met de lidstaten de nodige stappen om: - de actieve betrokkenheid bij het programma van alle betrokken partijen te bevorderen; - de resultaten van de acties die in het kader van dit programma zijn ondernomen, te verspreiden; - en te zorgen voor de nodige informatie, publiciteit en follow-up met betrekking tot de door dit programma ondersteunde acties. Artikel 6 Financiering 1. Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van dit programma voor het in artikel 1 genoemde tijdvak wordt vastgesteld op 70 miljoen EUR. 2. De jaarlijkse kredieten worden door de Begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten. Artikel 7 Comité 1. Onverminderd de ingevolge artikel 274 van het Verdrag aan haar verleende bevoegdheden wordt de Commissie bijgestaan door een Raadgevend Comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door eenvertegenwoordiger van de Commissie (hierna te noemen "het Comité"). 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de raadgevingsprocedure zoals vastgelegd in artikel 3 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van toepassing, in verband met artikel 7, lid 3, en artikel 9. 3. De vertegenwoordiger van de Commissie raadpleegt het Comité met name over: - de algemene richtsnoeren voor de uitvoering van het programma; - de jaarlijkse begrotingen en de verdeling van de financiering over maatregelen; - het jaarlijkse werkplan voor de uitvoering van de acties van het programma, en de voorstellen van de Commissie betreffende selectiecriteria voor financiële ondersteuning; Teneinde de samenhang en de complementariteit van dit programma met andere maatregelen als bedoeld in artikel 9 te verzekeren, informeert de Commissie het Comité regelmatig over andere acties van de Gemeenschap die bijdragen tot de bestrijding van sociale uitsluiting. Waar nodig zal de Commissie zorg dragen voor regelmatige en gestructureerde samenwerking tussen dit Comité en de comités van toezicht voor andere relevante beleidsmaatregelen, instrumenten en acties. Artikel 8 De Commissie draagt zorg voor de nodige contacten en samenwerking met het Comité voor Sociale Bescherming in het kader van de in dit Besluit bedoelde activiteiten. Artikel 9 Samenhang en complementariteit 1. In samenwerking met de lidstaten zorgt de Commissie voor de algehele samenhang met andere communautaire beleidsmaatregelen, instrumenten en acties, met name door passende mechanismen in te voeren voor het coördineren van de activiteiten van dit programma met relevante activiteiten met betrekking tot onderzoek, werkgelegenheid, economisch, industrieel en ondernemingsbeleid, non-discriminatie, immigratie, gelijke kansen voor vrouwen en mannen, sociale bescherming, onderwijs, opleiding en jeugdbeleid, gezondheid, en op het terrein van de externe betrekkingen van de Gemeenschap. 2. De lidstaten doen al het mogelijke om de samenhang en complementariteit tussen activiteiten in het kader van dit programma en de activiteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau te verzekeren. 3. De Commissie en de lidstaten verzekeren de samenhang en complementariteit tussen activiteiten in het kader van dit programma en de actie van de Gemeenschap in het kader van de Structuurfondsen, met name het communautaire initiatief EQUAL. Artikel 10 Deelneming van de EVA/EER-landen, de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE), Cyprus, Malta en Turkije Dit programma staat open voor deelneming van: - de EVA/EER-landen, overeenkomstig de voorwaarden in de EER-Overeenkomst; - de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Europaovereenkomsten, in de aanvullende protocollen daarbij en in de besluiten van de onderscheiden associatieraden; - Cyprus, Malta en Turkije, op basis van aanvullende kredieten overeenkomstig met die landen overeen te komen procedures. Artikel 11 Toezicht en evaluatie 1. In samenwerking met de lidstaten houdt de Commissie regelmatig toezicht op het programma, overeenkomstig de in artikel 7 aangegeven procedure. 2. De Commissie geeft een overzicht van de in het kader van het programma geboekte vooruitgang in haar jaarlijkse samenvattende voorjaarsverslag aan de Europese Raad. 3. Het programma wordt halverwege de looptijd en nogmaals aan het einde daarvan door de Commissie, bijgestaan door onafhankelijke deskundigen, geëvalueerd. Deze evaluatie is bedoeld om de relevantie en de doeltreffendheid van de uitgevoerde acties te toetsen aan de in artikel 3 genoemde doelstellingen. De evaluatie heeft ook betrekking op het effect van het programma als geheel en op de complementariteit tussen de in het kader van dit programma uitgevoerde acties en die uit hoofde van andere relevante communautaire beleidsmaatregelen, instrumenten en acties. 4. De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2006 een eindverslag over de uitvoering van dit programma voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Artikel 12 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitster De voorzitter BIJLAGE Indicaties voor de tenuitvoerlegging van het programma 1. Onderdelen van de acties Met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde doelstellingen en de tenuitvoerlegging van de in artikel 4 genoemde acties kunnen de volgende maatregelen in een transnationaal kader uitgevoerd worden: Onderdeel 1: Analyse van de kenmerken, processen, oorzaken en trends van sociale uitsluiting Het belang van dit onderdeel vloeit voort uit de beslissing van de Europese Raad van Lissabon om actieplannen en een nieuwe open coördinatiemethode te ontwikkelen ter bestrijding van sociale uitsluiting. Dit vergt dat geschikte kwantiatieve en kwalitatieve indicatoren en benchmarks moeten worden vastgesteld die het mogelijk maken periodieke monitoring, evaluaties en "peer reviews" te bevorderen. Daartoe zijn speciale samewerkingsinspanningen nodig om de statistieken, methodologieën en inzichten inzake sociale uitsluiting, en de beleidsmaatregelen die uitsluiting kunnen helpen voorkomen en bestrijden, te verbeteren. Er wordt voorgesteld een bijzondere inspanning te leveren op statistisch terrein, in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek. Het is van belang dat er rekening wordt gehouden met de ervaringen in het veld van mensen die armoede en sociale uitsluiting ondervinden, en dat gebruik wordt gemaakt van alle relevante bronnen van informatie over armoede en sociale uitsluiting, ook van niet-gouvernementele organisaties. Bij het analyseren van armoede en sociale uitsluiting zal bijzondere aandacht worden besteed aan de verschillende dimensies daarvan, en aan de verscheidenheid van situaties van sociale groepen, met inbegrip van armoede bij kinderen, en van gebieden waar een bijzonder risico van sociale uitsluiting bestaat. Om dit te bevorderen, kunnen de volgende maatregelen worden ondersteund: 1.1 Studies en bijeenkomsten in verband met de ontwikkeling van gemeenschappelijke methodologieën om armoede en sociale uitsluiting, de omvang, kenmerken, processen en trends ervan te meten en beter te begrijpen, en in verband met het vaststellen van indicatoren ; 1.2 De verzameling en verspreiding van vergelijkbare statistische gegevens in de lidstaten en op communautair niveau. Deze maatregel dient de samenwerking tussen nationale bureaus voor de statistiek en de Commissie te ondersteunen en de statistische bronnen op communautair niveau en de bijdrage daarvan aan de analyse van armoede en maatschappelijke uitsluiting te verbeteren; 1.3 De ontwikkeling van thematische studies die een bijdrage kunnen leveren aan het begrip van sociale uitsluiting om gemeenschappelijke kwesties in verband met beleidsontwikkelingen in de lidstaten, waaronder nieuwe kwesties in verband met de kennissamenleving, te kunnen aanpakken. Onderdeel 2 : Beleidssamenwerking en uitwisseling van informatie en beste praktijken Teneinde de beleidssamenwerking en het gezamenlijk leerproces in het kader van het nationale actieplan te bevorderen, kunnen de volgende transnationale activiteiten worden ondersteund: 2.1 Acties voor transnationale uitwisseling die de overdracht van informatie en goede praktijken en de verwezenlijking van "peer reviews" in de context van de nationale actieplannen beogen door middel van beleidsbijeenkomsten/workshops/seminars die zijn gewijd aan benchmarks of aan beleid en praktijken, of andere vormen van uitwisseling zoals de gezamenlijke ontwikkeling van strategieën, de gezamenlijke verspreiding van informatie, bezoeken in het veld en uitwisselingen van medewerkers, enz. Dergelijke activiteiten moeten worden georganiseerd op initiatief van Europese organisaties van lidstaten en/of andere sleutelactoren en de lidstaten dienen er actief bij te zijn betrokken. In het kader van dit onderdeel kunnen ook transnationale uitwisselingen tussen nationale waarnemingscentra/observatieposten of vergelijkbare organen worden ondersteund. 2.2 Deskundig onderzoek en specifieke studies met betrekking tot de formulering van indicatoren en benchmarks, ook in verband met de kennissamenleving. 2.3 Een jaarverslag van de EU over sociale uitsluiting waarin de stand van zaken wordt beschreven betreffende de diverse nationale actieplannen en de op Europees niveau uitgevoerde acties op de voornaamste beleidsterreinen en de gebieden waar de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in het middelpunt staan. Rekening houdend met het feit dat maatschappelijke uitsluiting een veelzijdig verschijnsel is, dient bijzondere aandacht uit te gaan naar relevante beleidsontwikkelingen betreffende sociale zekerheid, werkgelegenheid, onderwijs en scholing, gezondheidszorg en huisvestingsbeleid. Onderdeel 3: Participatie van de diverse betrokken partijen en steun voor netwerken op EU-niveau Om overheden, de sociale partners en maatschappelijke organisaties actief te betrekken kunnen de volgende maatregelen worden ondersteund: 3.1 kernfinanciering voor in aanmerking komende Europese netwerken die betrokken zijn bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. 3.2 een jaarlijkse EU-rondetafelconferentie over sociale integratie die in nauwe samenwerking met het voorzitterschap van de EU zou kunnen worden georganiseerd; bij de voorbereiding dienen alle relevante actoren te worden geraadpleegd. 2. Algemene overwegingen Bij het programma zal rekening worden gehouden met de resultaten van voorbereidende acties en activiteiten in het kader van communautair beleid en communautaire instrumenten en acties. Bij de formulering, uitvoering, follow-up en evaluatie van de werkzaamheden in verband met het programma zal rekening worden gehouden met de ervaring van mensen die gebukt gaan onder armoede en sociale uitsluiting, en van de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en andere actoren in de samenleving die een rol spelen bij de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. In alle werkzaamheden van het programma zal aandacht uitgaan naar het beginsel van de integratie van de genderdimensie. De werkzaamheden van het programma kunnen op basis van een jaarlijkse beoordeling in overeenstemming met de in artikel 7 vastgelegde procedure worden gewijzigd of aangevuld. De uitvoering van het programma kan technische en administratieve bijstand vereisen, tot wederzijds voordeel van de Commissie en de begunstigden, en/of ondersteunende uitgaven. 3. Methode voor het indienen van aanvragen voor ondersteuning Onderdeel 1: Dit onderdeel zal hoofdzakelijk worden uitgevoerd door middel van aanbestedingen. Voor de samenwerking met nationale bureaus voor de statistiek gelden de EUROSTAT-procedures. Onderdeel 2: Actie 2.1 zal voornamelijk plaatsvinden op basis van jaarlijkse uitnodigingen tot het indienen van voorstellen (een aantal beleidsbijeenkomsten/seminars zouden rechtstreeks door de Commissie georganiseerd kunnen worden). Bij de voorstellen dienen actoren uit minstens 4 lidstaten betrokken te zijn. De voorstellen kunnen bij de Commissie worden ingediend door Europese organisaties en lidstaten (of organisaties waarbij de lidstaten betrokken zijn). Voor de acties 2.2 en 2.3 zullen specifieke aanbestedingen noodzakelijk zijn. Onderdeel 3: In het kader van actie 3.1 kan steun worden verleend aan Europese netwerken die voldoen aan de door de Commissie in overleg met het comité conform artikel 7 vastgelegde criteria. Actie 3.2 kan worden gesteund via verzoeken om subsidies van lidstaten. 4. Uitvoering van de acties De uit te voeren acties kunnen worden gefinancierd door middel van dienstencontracten in aansluiting op aanbestedingen of door middel van bijdragen voor medefinanciering met andere financieringsbronnen. In het laatstgenoemde geval mag de financiële steun van de Commissie in het algemeen niet meer bedragen dan 80% van de uitgaven die door de begunstigde werkelijk zijn gedaan. Financiering van algemene werkingskosten voor Europese netwerken in het kader van onderdeel 3.1 kan echter in bijzondere gevallen tot 90% van de kosten bedragen, indien de financiële situatie van die netwerken dat rechtvaardigt. Bij de uitvoering van het programma kan de Commissie om extra middelen verzoeken, zoals de inschakeling van deskundigen. Over deze benodigde middelen zal worden beslist in de context van de voortdurende beoordeling van de toewijzing van middelen door de Commissie. Bij de uitvoering van het programma kan de Commissie een beroep doen op technische en/of administratieve bijstand tot wederzijds profijt van de Commissie en begunstigden in verband met afbakening, voorbereiding, beheer, toezicht, audit en controle. De Commissie kan ook initiatieven ontplooien op het terrein van informatie, publicatie en verspreiding. Voorts kan zij evaluatiestudies verrichten en seminars, colloquia of andere bijeenkomsten van deskundigen organiseren. De Commissie zal jaarlijkse werkplannen opstellen waarin de prioriteiten en te ondernemen initiatieven worden aangegeven. Voorts zal zij de bij de selectie en financiering van acties in het kader van dit programma te hanteren regelingen en criteria omschrijven. Hierbij zal zij het in artikel 7 vermelde comité om advies vragen. Bij de uit te voeren acties zal het beginsel van de gegevensbescherming nauwgezet in acht worden genomen. FINANCIEEL MEMORANDUM 1. BENAMING VAN DE MAATREGEL Communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting. 2. BEGROTINGSMIDDELEN - B3-4105 voorbereidende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van sociale uitsluiting - B3-4105A - A0-70 bestaande middelen 3. RECHTSGRONDSLAG Artikel 137, lid 2, tweede en derde alinea van het Verdrag tot oprichting van de EG. Voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en van de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting. 4. OMSCHRIJVING VAN DE MAATREGEL 4.1. Algemene doelstelling Het programma zal de samenwerking ondersteunen die de Unie en de lidstaten in staat zal stellen om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun beleid ter bestrijding van sociale uitsluiting te verbeteren door: - het inzicht in sociale uitsluiting en armoede te verbeteren; - uitwisselingen betreffende het gevoerde beleid te organiseren en een gezamenlijk leerproces te verwezenlijken op basis van vergelijkbare parameters en in het kader van de nationale actieplannen; - het vermogen van de actoren om armoede en sociale uitsluiting doeltreffend aan te pakken te ontwikkelen, met name door middel van netwerken op EU-niveau en door een dialoog met de stakeholders te bevorderen; 4.2. Looptijd en regelingen voor verlenging van 1 januari 2001 t/m 31 december 2005. 5. INDELING VAN DE UITGAVEN OF ONTVANGSTEN 5.1. Niet-verplichte uitgaven 5.2. Gesplitste kredieten 5.3. Aard van de ontvangsten: geen 6. AARD VAN DE UITGAVEN OF ONTVANGSTEN 6.1. Contracten voor studies en de levering van diensten, vergaderingen van deskundigen, de organisatie van conferenties en seminars, alsook voor op basis van een initiatief van de Commissie overeengekomen uitgaven voor publicaties en verspreiding. 6.2. Subsidies over het algemeen minder dan 80% van de totale in aanmerking komende kosten, ter dekking van kosten die strikt verband houden met transnationale samenwerking en de uitwisseling van ervaringen (onderdelen 2.1, 3.2); in uitzonderlijke gevallen en wanneer hun financiële situatie dat rechtvaardigt, kunnen subsidies ter dekking van de algemene werkingskosten van organisaties op Europees niveau maximaal 90% bedragen (onderdeel 3.1). 7. FINANCIËLE GEVOLGEN De berekening is gebaseerd op eerdere ervaringen en in het bijzonder op de kosten van werkzaamheden die in voorafgaande jaren in het kader van de bovengenoemde begrotingslijnen gesteund werden. De kostenverdeling is indicatief en dekt alleen de maatregelen die rechtstreeks aan de begrotingsonderdelen worden toegewezen. Gedurende het eerste jaar zal bijzondere aandacht uitgaan naar de inventarisatie van eerdere voorbereidende acties met het oog op kapitalisatie en het vermijden van dubbel werk en het treffen van de meest geschikte regelingen voor nauwe samenwerking met in aanmerking komende betrokken partijen. De jaarlijkse begroting van het programma zal geleidelijk stijgen van 11 MEUR(jaar 1) tot 13 MEUR (jaar 2) tot 15,5 MEUR (jaar 3 en 4) om vervolgens te dalen tot 15 MEUR (jaar 5). 7.1 Berekeningsmethode van de totale kosten van de maatregel (relatie tussen afzonderlijke en totale kosten) M EUROS Jaar 1 Onderdeel 1 - Analyse van de sociale uitsluiting Actie 1.1: ontwikkeling van gemeenschappelijke methodologieën Hieronder vallen studies en daarmee verband houdende bijeenkomsten met onafhankelijke en overheidsdeskundigen ter bespreking van de voortgang en de voorstellen. De studies zullen worden uitgevoerd door middel van aanbestedingen. (4-6 projecten met gemiddelde kosten van EUR 100-200.000/jaar) 0,7 MEUR Kosten van bijeenkomsten (4-6 met 40-60 deelnemers) 0,2 MEUR Subtotaal actie 1.1 0,9 MEUR Actie 1.2 : Verzameling en verspreiding van vergelijkbare statistische gegevens Voor de twee onder 1.2 geplande maatregelen, waarvoor meer dan 60% van het budget van onderdeel 1 is bestemd, zullen de EUROSTAT- procedures van toepassing zijn: - steun aan samenwerking tussen nationale bureaus voor de statistiek en de Commissie, met een jaarlijkse subsidie van EUR 500/700 000 voor vergaderingen, bijdragen van deskundigen, in-service opleidingen, koppeling van databanken, enz. 0,5 MEUR - cofinanciering van het panel van huishoudens van de Europese Gemeenschap (ECHP) en de benutting ervan en steun aan de verbetering van andere enquêtes ten behoeve van de analyse van armoede en sociale uitsluiting (b.v. aanpassing van vragenlijsten, steekproeven, specifieke modules, enz.) 2 MEUR Subtotaal actie 1.2 2,5 MEUR Actie 1.3: Thematische studies Actie 1.3 zal worden uitgevoerd op basis van aanbestedingen met een geraamde begroting voor jaar 1 voor 4 projecten (gemiddeld EUR 150 000/jaar) 0,6 MEUR Onder B3-4105A gefinancierde inventarisatie- of verkenningsstudies zullen een looptijd van 6-12 maanden hebben 0,2 MEUR Subtotaal actie 1.3 0,8 MEUR Studies die onder 1.1 en 1.3 vallen zullen transnationaal van opzet zijn en een looptijd hebben van 2-3 jaar op basis van opeenvolgende jaarlijkse contracten, met uitzondering van onder B3-4105A gefinancierde inventarisatie- of verkenningsstudies, die een looptijd van 6-12 maanden zullen hebben. GLOBAAL TOTAAL ONDERDEEL 1 (JAAR 1) 4,2 MEUR Onderdeel 2 - Beleidssamenwerking en uitwisseling van goede praktijken Actie 2.1: Actie voor transnationale uitwisseling Deze actie zal voornamelijk plaatsvinden op basis van jaarlijkse uitnodigingen tot het indienen van voorstellen door Europese organisaties en lidstaten (of organisaties, waarbij de lidstaten actief zijn betrokken). De geraamde begroting gaat uit van 20-30 maatregelen van omstreeks EUR 100-150 000 (jaar 1; het aantal maatregelen zal worden uitgebreid tot 30-40 in de daaropvolgende jaren. De geplande initiatieven betreffen b.v. transnationale beleidsbijeenkomsten/seminars, evenementen of andere vormen van uitwisseling waarbij minstens 4 lidstaten zijn betrokken, met inbegrip van uitwisselingen tussen nationale waarnemingscentra/observatieposten of vergelijkbare erkende organen) 3,1 MEUR Subtotaal actie 2.1 3.1 MEUR Actie 2.2: Deskundig onderzoek en specifieke studies Deze actie zal worden uitgevoerd op basis van jaarlijkse aanbestedingen. De geraamde begroting voor deze actie gaat uit van de geraamde kosten van een groep onafhankelijke deskundigen (0,400) en een gemiddelde van 5-8 specifieke studies van 50. - 100.000 EUR. De kosten van de externe evaluatie zijn meegerekend in het totale bedrag van dit onderdeel (jaar 1 PM). 0,7 MEUR Subtotaal actie 2.2 0,7 MEUR Actie 2.3: Jaarverslag sociale uitsluiting Voorts dienen er aanbestedingen te worden gehouden of moet er gebruik gemaakt worden van standaardcontracten voor de levering van diensten. Bij actie 2.3 is ongeveer EUR 150 000 bestemd voor voorbereidende vergaderingen met de lidstaten en in aanmerking komende betrokkenen 0,3 MEUR Het restant zal gebruikt worden voor de uitbesteding van redactionele, vertaal- en verspreidingswerkzaamheden en ter dekking van de kosten van aanvullende publicaties of communicatie-activiteiten in verband met de bevindingen van het programma. B3-4105A 0,2 MEUR Subtotaal actie 2.3 0,5 MEUR GLOBAAL TOTAAL ONDERDEEL 2 (JAAR 1) 4,3 MEUR Onderdeel 3 - Participatie van de betrokken partijen en netwerken op EU-niveau actie 3.1: Kernfinanciering voor EU-netwerken De steun zal een beperkt aantal netwerken/forums op EU-niveau van NGO's ten goede komen die ervaring hebben met de bestrijding van sociale uitsluiting en opkomen voor de belangen van mensen die gebukt gaan onder sociale uitsluiting. De criteria aan de hand waarvan de te ondersteunen organisaties zullen worden uitgekozen, zullen in overleg met het programmacomité worden vastgesteld. De jaarlijkse subsidies zouden kunnen variëren van EUR 0.5 tot 0.8 miljoen op basis van door de Commissie goedgekeurde gedetailleerde werkplannen en begrotingen. 2,3 MEUR actie 3.2: De jaarlijkse Rondetafelconferentie over sociale uitsluiting zal gebaseerd zijn op het jaarverslag over sociale uitsluiting en er zal aan worden deelgenomen door vertegenwoordigers van alle belangrijke betrokken partijen. Er is een jaarlijkse subsidie van +/- EUR 200.000 beschikbaar voor het Voorzitterschap van de EU dat tezamen met de Commissie verantwoordelijk is voor de organisatie van deze bijeenkomst. 0,2 MEUR GLOBAAL TOTAAL ONDERDEEL 3 (JAAR 1) 2,5 MEUR 7.2 Uitsplitsing van de kosten Vastleggingskredieten in miljoen euro (tegen de huidige prijzen) SAMENVATTING >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJZONDERHEDEN >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.3 Technische en administratieve bijstand en ondersteunende uitgaven (B3-4105A) Vastleggingskredieten in miljoen euro (tegen huidige prijzen) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.4 Schema van vastleggings- en betalingskredieten miljoen EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> 8. Maatregelen ter bestrijding van fraude Alle gefinancierde maatregelen worden door de verantwoordelijke diensten onderworpen aan een evaluatie (ex ante, in itinere en ex post) wat betreft de inhoud en kosteneffectiviteit. Op de aanvraagformulieren zal gevraagd worden naar de identiteit en de aard van potentiële begunstigden, zodat vooraf hun betrouwbaarheid kan worden beoordeeld. Fraudebestrijdingsmaatregelen (controles, verslagen) worden opgenomen in de overeenkomsten of contracten tussen de Commissie en de begunstigden. Voordat de tussentijdse betalingen of slotbetaling worden verricht, zal de Commissie de verslagen controleren en er zich van overtuigen dat het werk naar behoren is uitgevoerd. In het bijzonder zal worden gewaakt tegen dubbele financiering. Voorts kunnen door de Commissie of de Rekenkamer controles worden uitgevoerd op grond van documenten of ter plaatse. 9. Elementen van de kosten-batenanalyse Gezien de beperkte financiële middelen zullen bij de in verband met deze maatregelen te bevorderen initiatieven de beginselen van de kosten-batenanalyse worden toegepast alsook een strenge selectie van werkzaamheden om een aanzienlijk multiplicatoreffect en toegevoegde waarde te bereiken. Aangezien de hoofddoelstelling van het programma het stimuleren van samenwerking van de lidstaten bij de bestrijding van sociale uitsluiting is, waarbij een open coördinatiemethode wordt gehanteerd, zullen alle activiteiten erop gericht zijn om de lidstaten actief te betrekken bij de uitvoering van het programma en om het beleid ter bestrijding van sociale uitsluiting te verbeteren. De activiteiten en resultaten van deze samenwerking - in de vorm van indicatoren, statistische gegevens, studies, methodologieën, publicaties, bijeenkomsten of andere vormen van uitwisseling - zullen derhalve in het kader van het programma gesteund worden, afhankelijk van hun betekenis en uitvoerbaarheid voor een op meer integratie gerichte beleidsvorming op terreinen en/of in verband met kwesties die als prioriteiten zijn opgenomen in nationale actieplannen ter bestrijding van de sociale uitsluiting. 9.1. Specifieke doelstellingen: De preventie en bestrijding van de sociale uitsluiting is allereerst de verantwoordelijkheid van de lidstaten en hun nationale, regionale en lokale overheden. Overeenkomstig artikel 137 van het Verdrag kan de Gemeenschap een bijdrage leveren aan hun inspanningen. In zijn conclusies kwam de Europese Raad van Lissabon overeen de sociale integratie te bevorderen in het kader van een open coördinatiemethode. Hiertoe heeft de Europese Raad de Commissie verzocht in juni 2000 een initiatief in te dienen voor samenwerking op dit gebied, dat in combinatie met nationale actieplannen uitgevoerd moet worden. Op basis van de door de lidstaten vast te stellen actieplannen zal het programma gericht zijn op transnationale samenwerking als middel om begrip en praktijk te verbeteren en zal het met medewerking van de lidstaten monitoring, evaluatie en peer review als gezamenlijke leerprocessen bevorderen. Het globale doel van het programma is de aanmoediging van samenwerking die de Unie en haar lidstaten in staat zouden stellen een beslissende rol te spelen bij de uitbanning van armoede en sociale uitsluiting, gemeten aan de door de Raad overeengekomen doelstellingen. Met het oog op de verbetering van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en de acties van de Gemeenschap en de lidstaten zijn er drie subdoelstellingen afgebakend die overeenstemmen met drie belangrijke terreinen voor actie in het programma: - verbetering van het inzicht in sociale uitsluiting en armoede (met een bijzondere inspanning voor het verbeteren van statistieken en indicatoren); - het organiseren van uitwisselingen over actueel beleid en een gezamenlijk leerproces op basis van vergelijkbare parameters en in het kader van de nationale actieplannen; - ontwikkeling van het vermogen van de actoren om armoede en sociale uitsluiting doeltreffend aan te pakken, met name door middel van netwerken op EU-niveau, en een dialoog met alle "stakeholders" te bevorderen. Het programma moet werken met een doelgroep van actoren die kunnen zorgen voor een kruisbestuiving van expertise en die de ontwikkeling van beleid en praktijken in de lidstaten kunnen beïnvloeden. De strategie bestaat er derhalve in transnationale samenwerking met en tussen deze actoren te bevorderen rond een aantal thema's. Voorbeelden van actoren uit de doelgroep waarmee kan worden samengewerkt, zijn beleidsmakers van nationale, regionale of plaatselijke overheden, niet-gouvernementele organisaties, de sociale partners, onderzoeksinstituten, de media, opiniemakers en sociale dienstverleners. 9.2. Motivering van de maatregel Door artikel 137 van het Verdrag van Amsterdam is de mogelijkheid geschapen tot initiatieven van de Unie om samenwerking ter bestrijding van de sociale uitsluiting te bevorderen. In de periode 1998-2000 hebben voorbereidende initiatieven en overleg op Europees niveau van de voornaamste betrokken partijen bevestigd dat samenwerking op Europees niveau op dit terrein toegevoegde waarde zal opleveren: (i) als deze samenwerking ertoe bijdraagt de uitgangspunten van een geïntegreerde benadering, partnerschap, participatie en de integratie van de bestrijding van uitsluiting in alle hiertoe in aanmerking komende beleidsterreinen te bevorderen; ii) als de samenwerking de belangrijkste betrokkenen in de lidstaten op alle niveaus in staat stelt zich in te zetten voor een beperkt aantal beleidsgerichte samenwerkingsinitiatieven van hoge kwaliteit die beogen het begrip en de evaluatie van armoede en sociale uitsluiting te verbeteren en transnationale uitwisseling en innovatie te stimuleren met het doel de sociale uitsluiting te bestrijden. Om deze doelstellingen te verwezenlijken bestaat het programma uit drie onderdelen die elkaar wederzijds aanvullen en de volgende werkzaamheden omvatten: Bij het eerste onderdeel zal de analyse van kenmerken, processen, oorzaken en trends van de sociale uitsluiting centraal staan. In dit verband is de hulp die lidstaten geboden kan worden bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke methodologieën een belangrijk hulpmiddel (1.1). Deze methodologieën zijn noodzakelijk indien de lidstaten de uitdagingen en trends op dit gebied gezamenlijk willen beoordelen en bespreken en tot gemeenschappelijke inzichten, diagnoses en vergelijkbare gegevens willen komen. Voorts zijn deze methodologieën van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van op meer integratie gerichte benaderingen, indicatoren en criteria op belangrijke terreinen zoals werkgelegenheid, sociale zekerheid, onderwijs en scholing, gezondheidszorg, huisvesting, enz., waaraan het programma een bijdrage zal leveren door middel van beleidsgerichte thematische studies (1.3). Voor samenwerking van de lidstaten in het kader van de open coördinatiemethode zullen ook veelomvattender en beter vergelijkbare statistische gegevens en indicatoren benodigd zijn. Voorbereidende werkzaamheden waaraan de afgelopen 2 jaar werd deelgenomen door vertegenwoordigers van bureaus voor de statistiek van de lidstaten en EUROSTAT hebben aangetoond dat betere statistische gegevens nodig zijn en dat het voortbouwen op en beter funderen van bestaande gegevensbronnen in de lidstaten en op communautair niveau een kosteneffectieve benadering is. In het programma wordt deze benadering gehanteerd door het stimuleren van specifieke samenwerking in verband met sociale uitsluiting van nationale bureaus voor de statistiek en EUROSTAT en door het investeren in een betere benutting van belangrijke communautaire gegevensbronnen, zoals het ECHP (1.2). Het tweede onderdeel is bedoeld om beleidssamenwerking en de uitwisseling van optimale benaderingen tussen lidstaten te bevorderen. Dit onderdeel introduceert op communautair niveau drie strategische instrumenten, waardoor lidstaten in de gelegenheid worden gesteld een transparante en productieve benchmarking van acties en ontwikkelingen uit te voeren in de context van hun nationale actieplannen ter bestrijding van sociale uitsluiting, te weten de vergelijking en uitwisseling van optimale praktijken, het volgen van de voortgang en de evaluatie van het effect en het organiseren van peer reviews. Een eerste hulpmiddel is transnationale uitwisseling. Dit hulpmiddel is van vitaal belang om de lidstaten en andere belangrijke betrokken partijen in staat te stellen bijeen te komen, te discussiëren, informatie in een transnationaal kader uit te wisselen en kennis en informatie te verspreiden die op andere wijze voortvloeien uit activiteiten in verband met nationale actieplannen (2.1). Een tweede hulpmiddel bestaat uit de ondersteuning van transnationaal deskundig onderzoek en transnationale studies naar kwesties die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nationale actieplannen (en derhalve met kwesties die ook aan de orde komen bij de transnationale uitwisseling in 2.1 en de jaarlijkse beoordeling in 2.3). (2.2) Een derde hulpmiddel schept de mogelijkheid om een een jaarlijkse beoordeling en evaluatie op te stellen betreffende de stand van zaken van de actieplannen en betreffende de geboekte voortgang bij het voldoen aan de doelstellingen op EU-niveau inzake het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting (2.3). Dit zal ook, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Lissabon, een bijdrage leveren aan de voorbereiding van de bijzondere Europese Raad die jaarlijks in het voorjaar gehouden wordt. Als deze drie hulpmiddelen gekoppeld worden aan de beleidssamenwerking in het kader van de nationale actieplannen en de open coördinatiemethode zal dat ertoe leiden dat de steun van het programma een beperkt aantal gecoördineerde acties van hoge kwaliteit ten goede komt. Het derde onderdeel is de bevordering van de participatie van de diverse betrokken partijen ("stakeholders") en de ondersteuning van netwerken op EU-niveau. Dit onderdeel omvat steun voor een beperkt aantal belangrijke EU-netwerken van NGO's die actief zijn op het terrein van de sociale uitsluiting en armoede (3.1). De dialoog met de maatschappelijke organisaties is een essentieel aspect van het proces om alle actoren te mobiliseren voor de strijd tegen de sociale uitsluiting. Het programma bevat daarom voorstellen om deze dialoog te ondersteunen via EU-coördinatienetwerken die hebben aangetoond een zeer breed scala van NGO's in contact met elkaar te kunnen brengen en zich als verdedigers van mensen die gebukt gaan onder uitsluiting te kunnen inzetten. Het verdient de voorkeur een bijdrage te leveren aan de lopende kosten van een beperkt aantal organisaties op basis van duidelijke afspraken en werkprogramma's in plaats van aan een groot aantal instanties en groepen die alleen maar opkomen voor hun eigen belangen. Een met veel publiciteit gepaard gaande rondetafelconferentie over sociale uitsluiting (3.2), die eenmaal jaarlijks georganiseerd zal worden - als aanloop tot de bijzondere jaarlijkse Europese Raad in het voorjaar of als follow-up ervan - is de laatste maatregel in het kader van dit onderdeel. Hierdoor zouden ieder jaar de vertegenwoordigers van de belangrijkste betrokken partijen in de lidstaten en op communautair niveau in de gelegenheid worden gesteld om bijeen te komen en een sleutelthema/-vraagstuk in verband met de sociale uitsluiting te bespreken. De organisatie van de conferentie in samenwerking met het voorzitterschap, en de voorbereiding ervan in overleg met alle relevante betrokken partijen heeft tot doel om op politiek terrein op de voorgrond te treden en daar effect teweeg te brengen en zal ertoe bijdragen het evenement in de context van de open coördinatiemethode te plaatsen. Door middel van de jaarlijkse beoordeling van de sociale uitsluiting zouden thema's/vraagstukken in kaart gebracht kunnen worden die in politiek opzicht prioriteit hebben. 9.3. Monitoring en evaluatie van de maatregel De opzet van het programma is gericht op het faciliteren en ondersteunen van doelmatiger en efficiënter beleidsinitiatieven van de lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting in de context van nationale actieplannen en een open coördinatiemethode. Monitoring en evaluatie zijn derhalve zodanig geïntegreerd in de werkzaamheden van het programma dat er maximaal profijt van kan worden getrokken. Aangezien het programma is bedoeld om invloed uit te oefenen op het beleid door de verbetering van het begrip en de afbakening/verspreiding van goede benaderingen, zal in het bijzonder worden overwogen hoe de resultaten van transnationale uitwisseling en studies in de beleidsontwikkeling zullen worden geïntegreerd. Monitoring en evaluatie van het programma zijn een permanente taak. Met name zullen de doeltreffendheid, doelmatigheid, betekenis en het nut van het programma onder de loep worden genomen. De monitoring en evaluatie zullen worden afgestemd op de verschillende acties en onderdelen en kwaliteitscontrole, gegevensverzameling, het afleggen van verantwoording en verslaglegging omvatten. De gegevensverzameling van de in het kader van het programma uitgevoerde werkzaamheden zullen deel uitmaken van deze continue taak en alle promotoren van deze werkzaamheden zijn verplicht over hun werk en de resultaten ervan verslag uit te brengen. Het programmacomité zal geregeld door de diensten van de Commissie opgestelde voortgangsverslagen ontvangen. Hierdoor zullen afzonderlijke maatregelen en onderdelen beter kunnen worden afgestemd of zal naar gelang van de behoeften/ontwikkelingen het programma kunnen worden aangepast. Voorts zal het programma worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie (uiterlijk 30 juni 2004) en een eindevaluatie (uiterlijk 30 september 2006). Beide evaluaties zullen worden verricht met behulp van externe beoordelaars en er zal een bijzondere stuurgroep ingesteld worden. De resultaten zullen worden opgenomen in een uitvoeringsverslag voor uiterlijk 31 december 2006, dat bedoeld is voor de andere communautaire instellingen. De controle en evaluatie met inbegrip van de gegevensverzameling zullen worden gefinancierd uit de begroting van het programma en - met inachtneming van de aanbevelingen van SEM 2000 betreffende monitoring en evaluatie - wordt voorgesteld een indicatief bedrag van 0.5 miljoen EUR voor evaluatie en 0.35 miljoen EUR voor controle te reserveren. Externe evaluatieteams zullen op basis van een aanbesteding geselecteerd worden. Met de evaluatiewerkzaamheden zal m.i.v. jaar 1 worden begonnen. De bijbehorende kosten zijn opgenomen onder onderdeel 2.2. 10. Administratieve uitgaven (Afdeling III, Deel A van de begroting) De mobilisatie van de noodzakelijke administratieve en personele middelen zal gedekt worden door middelen die reeds aan de verantwoordelijke dienst zijn toegewezen. 10.1 Gevolgen voor het aantal ambten >RUIMTE VOOR DE TABEL> Bijzonderheden in de bijlage 10.2 Globale financiële gevolgen van aanvullende personeelsleden EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> 10.3 Stijging van andere administratieve uitgaven als gevolg van de maatregel EUR >RUIMTE VOOR DE TABEL> De gegeven bedragen moeten overeenstemmen met de totale uitgaven als gevolg van de maatregel wanneer de duur ervan vooraf is vastgelegd of met de uitgaven voor 12 maanden wanneer de duur ervan onbepaald is. Uitgaven onder titel A7 in punt 10.3 hierboven dienen te worden gedekt binnen de globale enveloppe van DG EMPL. BIJLAGE 1 Bijlage bij het financieel memorandum: gevolgen voor het aantal ambten >RUIMTE VOOR DE TABEL>