Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000PC0639

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/25/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen

/* COM/2000/0639 def. - COD 2000/0262 */

PB C 62E van 27.2.2001, pp. 139–151 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000PC0639

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/25/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen /* COM/2000/0639 def. - COD 2000/0262 */

Publicatieblad Nr. 062 E van 27/02/2001 blz. 0139 - 0151


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 94/25/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen

(door de Commissie ingediend)

INHOUDSOPGAVE

TOELICHTING

1. Inleiding

2. Motivering van het voorstel

2.1. Achtergrond

2.2. Economische, wetenschappelijke en technische onderbouwing van het voorstel

2.3. Doelstellingen van de voorgestelde richtlijn

3. Noodzaak van actie op Gemeenschapsniveau - Subsidiariteit

3.1. Wat zijn de doelstellingen van de voorgestelde maatregel met betrekking tot de communautaire verplichtingen-

3.2. Is de voorgestelde maatregel een bevoegdheid die alleen op communautair niveau geldt, of een die met de lidstaten wordt gedeeld-

3.3. Wat is de communautaire dimensie van het probleem, en hoe is het tot op heden opgelost-

3.4. Wat is de meest doeltreffende oplossing indien men de middelen van de lidstaten en die van de Gemeenschap met elkaar vergelijkt-

3.5. Welke toegevoegde waarde heeft de voorgestelde maatregel voor de Gemeenschap-

3.5.1. Voordelen voor producenten van pleziervaartuigmotoren en de botenbouw

3.5.2. Milieuvoordelen

3.6. Kosten van de voorgestelde richtlijn

3.7. Kosteneffectiviteit (uitlaatemissies)

3.8. Welke middelen staan de Gemeenschap ter beschikking-

4. Vergelijking van de voorgestelde richtlijn met andere wetgeving over pleziervaartuigen

5. Resultaten van de raadpleging van partners

6. Keuze en motivering van de rechtsgrond

7. Opmerkingen bij de afzonderlijke artikelen van het voorstel

7.1. Artikel 1 van de gewijzigde richtlijn (werkingssfeer)

7.2. Artikel 4 van de gewijzigde richtlijn (vrij verkeer van producten)

7.3. Nieuw artikel 6a (regelgevend comité)

7.4. Artikel 7 van de gewijzigde richtlijn (vrijwaringsclausule)

7.5. Artikel 8 van de gewijzigde richtlijn (overeenstemmingsbeoordeling)

7.5.1. Overeenstemmingsbeoordeling met betrekking tot uitlaatemissies

7.5.2. Overeenstemmingsbeoordeling met betrekking tot geluidsemissies

7.6. Artikel 10 van de gewijzigde richtlijn (CE-markering)

7.7. Bijlage I van de gewijzigde richtlijn (Essentiële eisen)

7.7.1. Uitlaatemissiegrenswaarden

7.7.2. Geluidsemissiemeting

7.8. Bijlage VI van de gewijzigde richtlijn (Interne fabricagecontrole plus proeven: module A bis)

7.9. Bijlagen VIII, X, XIII, XIV en XV van de gewijzigde richtlijn

7.10. Nieuwe bijlage XVI van de voorgestelde richtlijn (Productkwaliteitsborging van uitlaatemissies)

7.11. Nieuwe bijlage XVII van de voorgestelde richtlijn (Beoordeling van de overeenstemming van de uitlaatemissies van een productie)

7.12. Nieuw artikel 2 (duurzaamheid)

7.13. Nieuw artikel 3 (omzetting in nationaal recht)

7.14. Nieuwe artikelen 4 en 5 (inwerkingtreding, gericht tot de lidstaten)

VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN

BIJLAGE

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER

TOELICHTING

1. Inleiding

Richtlijn 94/25/EG, een richtlijn gebaseerd op de nieuwe aanpak over het ontwerp en de bouw van pleziervaartuigen, trad na een overgangsperiode van vier jaar in juni 1998 volledig in werking.

Met de voorgestelde wijziging op deze richtlijn wordt de opneming beoogd van geharmoniseerde bepalingen inzake uitlaat- en geluidsemissies van motoren bestemd voor installatie aan boord pleziervaartuigen.

In de voorgestelde richtlijn worden grenswaarden vastgesteld voor:

- uitlaatemissies van koolmonoxide, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en verontreinigende vaste deeltjes, met uiteenlopende, van het nominale motorvermogen afhankelijke grenswaarden voor motoren met tweetaktvonkontsteking, viertaktvonkontsteking en compressieontsteking;

- geluidsemissies voor de boot-motorcombinatie, afhankelijk van het nominale vermogen en het type motor en de montage ervan (bvb. binnenboordmotor, hekmotor, buitenboordmotor, waterscooters, enkelvoudige of meervoudige motorinstallaties).

De volgende gebeurtenissen hebben de Commissie ertoe bewogen invoeging van milieuaspecten in Richtlijn 94/25/EG te overwegen:

- de goedkeuring van de Bodenmeerscheepvaartverordening (Bodensee-Schifffahrtsordnung). Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, de drie landen aan het Bodenmeer, reguleren op internationale basis alles wat het meer betreft. Eind jaren tachtig werd een begin gemaakt met de regelgeving voor de uitlaat- en geluidsemissies van motoren van pleziervaartuigen. Deze regelgeving werd in 1992 voltooid, waarna de eerste fase ervan in 1993, en de tweede fase in 1996 in werking trad;

- de kennisgeving door de Zweedse regering van haar voornemen om nationale wetgeving betreffende uitlaat- en geluidsemissies van motoren van pleziervaartuigen (1996) in te voeren. Van de voorgestelde wetgeving, die aanvankelijk per 1 januari 1999 van kracht had moeten worden, wordt nu afgezien om de ontwikkeling van geharmoniseerde EU-wetgeving af te wachten;

- de kennisgeving door de Duitse deelstaat Brandenburg in 1997 van wetsvoorstellen voor uitlaat- en geluidsemissiegrenswaarden.

Andere lidstaten hebben van soortgelijke voornemens blijk gegeven.

Het bij de Commissie aangemelde Zweedse emissievoorstel leidde tot officiële opmerkingen en gedetailleerde standpunten van de lidstaten. Meestal werd daarin in algemene zin ingestemd met uitlaat- en geluidsemissiegrenswaarden voor pleziervaartuigen en hun motoren. Tegelijkertijd gaven het bedrijfsleven en de lidstaten uitdrukkelijk blijk van hun zorg dat toepassing van de voorstellen op nationaal niveau het vrije handelsverkeer zou kunnen belemmeren.

Om versplintering van de interne markt door verschillende nationale emissiewetten te voorkomen, hebben lidstaten, het bedrijfsleven, gebruikers en vertegenwoordigers van internationale bedrijfsorganisaties de Commissie verzocht maatregelen ter harmonisering in de hele EU van emissiegrenswaarden te nemen en zo een eerlijke en levensvatbare handelsbasis voor de verkoop van scheepsmotoren in Europa te waarborgen.

2. Motivering van het voorstel

2.1. Achtergrond

Milieu- en industriebeleid zijn beide belangrijk om een duurzame ontwikkeling te bereiken. De toenemende interactie ertussen is bevorderlijk voor het milieu, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid.

Om het milieu- en het industriebeleid elkaar zoveel mogelijk te laten aanvullen en ondersteunen, dienen alle voordelen en lasten van de diverse beleidsinstrumenten te worden geïnventariseerd en binnen een systematisch raamwerk voor beleidsbeoordeling te worden afgewogen. Op deze overweging wordt ingespeeld met artikel 174 van het Verdrag, waarin staat dat de Gemeenschap bij de bepaling van het milieubeleid rekening moet houden met de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden of niet-optreden, alsmede met de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel. Verder impliceren de artikelen 2 en 6 van het Verdrag dat bij het creëren van de omstandigheden die voor het concurrentievermogen van de industrie van de Gemeenschap nodig zijn (artikel 157 van het Verdrag), milieu-, economische en sociale overwegingen mede in aanmerking moeten worden genomen.

De aanzet tot het proces van integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in andere beleidsterreinen van de Gemeenschap werd gegeven op de Europese Raad van Cardiff (juni 1998), waar alle relevante formaties van de Raad werd verzocht integratiestrategieën te ontwikkelen. Hierop voortbouwend verleende de Raad Industrie op 9 november 1999 zijn goedkeuring aan het verslag "Integratie van duurzame ontwikkeling van het industriebeleid van de Europese Unie", dat vervolgens aan de Europese Raad van Helsinki werd voorgelegd. In dit verslag wordt beperking tot een minimum van vervuiling, afval, gezondheidsrisico's die met het milieu te maken hebben, en andere problemen, tot een van de belangrijkste doelstellingen van duurzame industriële ontwikkeling gemaakt.

2.2. Economische, wetenschappelijke en technische onderbouwing van het voorstel

De markt voor de pleziervaartuigenindustrie in Europa:

Volgens statistieken over 1997 van de ICOMIA (International Council of Marine Industries Association) wordt van alle pleziervaartuigen ter wereld 33 % in de Europese Unie geproduceerd (tegen 47 % in de VS). Met de niet-EU-lidstaten erbij gerekend bedraagt de algehele Europese productie 36 % van de wereldproductie.

Aantal vaartuigen en verkoop van vaartuigen in Europa

Volgens een schatting van de ICOMIA bedroeg het totale aantal vaartuigen in de EU- en EER-landen, met inbegrip van Zwitserland, in 1998:

Zeilboten: // 821 506

Motorboten: // 3 628 000

Opblaasbare boten: // 170 000

(voor zover niet bij motorboten inbegrepen)

Waterscooters: // 10 700

Totaal: // 4 619 506

Dit komt neer op een gemiddelde van ongeveer één boot per 70 Europeanen. Zoals uit de tabel blijkt, zijn de meeste pleziervaartuigen in Europa motorboten.

Aandeel van waterscooters in de pleziervaartuigenmarkt

In 1998 werden in Europa 11 000 buitenboord- en hekmotoren met een vermogen vergelijkbaar met dat van waterscooters verkocht, naast een slechts iets kleiner aantal waterscooters. Behalve in de Scandinavische lidstaten overtreft de verkoop van waterscooters in de EU die van vaartuigen met buitenboord- en hekmotoren in dezelfde vermogensklasse. De waterscootersector levert een aanzienlijke bijdrage aan de pleziervaartuigindustrie als geheel.

Jaaromzet voor EU-activiteiten met betrekking tot waterscooters - 1998

(Geschatte bedragen, in euro's en excl. BTW)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Bron: ICOMIA)

Hieronder wordt een uitsplitsing van motoren naar type en in Europa verkochte aantallen gegeven. Buitenboordmotoren worden het meest verkocht, gevolgd door binnenboordmotoren met compressieontsteking. Binnenboordmotoren met vonkontsteking hebben maar een zeer beperkt marktaandeel.

Motorenverkoop in Europa in 1998 (eenheden)

Buitenboordmotoren // 196 700

Binnenboordmotoren met compressie ontsteking // 26 000

Binnenboordmotoren met vonkontsteking // 4 916

Waterscooters // 10 700

(Bron: ICOMIA)

Uitlaatemissies en de relevante bestanddelen ervan

Bij vonkontstekingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moet eerst de emissie van koolwaterstoffen en stikstofoxiden worden onderzocht, omdat deze stoffen ozonvormend zijn. Op de langere termijn moeten ook de emissies van vaste deeltjes, in het bijzonder door tweetaktmotoren, en wellicht die van specifieke giftige koolwaterstoffen worden bestudeerd. Deze laatste twee categorieën vervuilende stoffen komen in het huidige wijzigingsvoorstel op het punt van vonkontstekingmotoren niet aan de orde. Wellicht gebeurt dat wél in een toekomstige wijziging. Om concrete voorstellen te kunnen doen en deze te kunnen onderbouwen, is namelijk eerst verder wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk.

Statistieken over uitlaatemissies zijn tot op heden altijd sterk op het wegverkeer en op stationaire bronnen gericht geweest. Om die reden is er een zeker tekort aan betrouwbare gegevens over de algehele emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines. Bij het voorbereiden van Richtlijn 97/68/EG ter beheersing van uitlaatemissies van niet voor de weg bestemde interneverbrandingsmotoren heeft de Commissie (DG Milieu) een onderzoek opgezet over de emissies en het relatieve belang van verschillende categorieën van niet voor de weg bestemde motoren. De in dit onderzoek gehanteerde gegevens dateren van begin jaren negentig.

Relevante bestanddelen van uitlaatgassen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Bron: Europese Commissie, DG ENV)

Sinds de voltooiing van dit onderzoek heeft de tenuitvoerlegging van de eerste fase van Richtlijn 97/68/EG tot een vermindering van de emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines met dieselmotoren geleid.

De emissie van gasvormige vervuilende stoffen van lichte voor de weg bestemde voertuigen is door de invoering van driewegkatalysatortechnologie in het begin van de jaren negentig aanzienlijk afgenomen. De normen zijn stapsgewijs strenger gemaakt, zodat de uitlaatemissie van een modern licht voertuig tegenwoordig minder dan 10 % bedraagt van die van een voertuig eind jaren tachtig. Een zelfde ontwikkeling heeft zich bij zware vrachtwagens voorgedaan, zij het in mindere mate dan bij lichte voertuigen.

Milieubehoeften

Sommige resultaten van het Auto/olie II-programma betreffende de wegvervoerssector zijn tevens van belang voor de beoordeling van toekomstige emissienormen voor niet voor de weg bestemde machines. Dit programma was bedoeld om tot kosteneffectieve strategieën te komen om aan de verschillende luchtkwaliteitsnormen en aan de normen van andere programma's tegen luchtvervuiling in de EU te voldoen.

Op basis van het zogeheten referentiescenario wordt voorspeld dat er voor het jaar 2010 aanzienlijke verminderingen van alle "gewone" vervuilende stoffen zullen optreden. Deze verminderingen, die voor het jaar 2020 zelfs nog omvangrijker zullen zijn, zullen tot een sterk verbeterde luchtkwaliteit leiden, zij het misschien niet altijd in voldoende mate om aan de bovengenoemde luchtkwaliteitsdoelstellingen te voldoen.

Met name op het punt van het regionale ozongehalte in de troposfeer is erop gewezen dat de Gemeenschap ondanks de te verwachten verbeteringen in de ozongehaltes haar doelstelling geen overschrijdingen op regioschaal van kritieke niveaus meer te laten plaatsvinden, niet zal halen. De voornaamste resterende uitdagingen ten aanzien van de luchtkwaliteit betreffen het overbruggen van de kloof tussen de emissievoorspellingen van het referentiescenario van het Auto/olie II-programma en de voorgestelde nationale emissiemaxima voor stikstofoxiden en koolwaterstoffen. Voor een aantal lidstaten worden voor 2010 overschrijdingen gemeld van de nationale grenswaarden voor emissies van koolwaterstoffen, een van de voornaamste vervuilende stoffen die door kleine vonkontstekingsmotoren worden voortgebracht.

Een andere vervuiling waaraan in het Auto/olie II-programma speciale aandacht wordt besteed, betreft zwevende deeltjes. In dit geval staat de relatie tussen oorzaak en gevolg nog niet vast, al is wel duidelijk dat het aantal kleine deeltjes en de samenstelling ervan mogelijk van groter belang zijn dan eerst werd gedacht. Bij motoren met vonkontsteking, en dan met name tweetaktmotoren, zal dit type vervuiling derhalve in de toekomst een rol van belang gaan spelen.

Uitlaatemissies van pleziervaartuigen

Uitlaatgassen van pleziervaartuigen vervuilen zowel de lucht als het water.

In vergelijking met de totale uitstoot van de 11 voornaamste emissiebronnen zijn de emissies van pleziervaartuigen zeer gering [1], namelijk voor koolmonoxide 0,34 %, voor koolwaterstoffen 0,5 % en voor stikstofoxiden 0,1 % van de totale uitstoot van de voornaamste emissiebronnen. Deze globale cijfers zijn echter misleidend. Pleziervaartuigen worden over het algemeen bij mooi weer en voornamelijk in het weekeinde gebruikt. Om het effect van pleziervaartuigen op het milieu te beoordelen, is het met name van belang te weten hoe ze worden gebruikt, hoeveel gemotoriseerde vaartuigen er zijn en hoe gevoelig het water in kwestie is. Met name tijdens zonnige zomerweekeinden kan de hoeveelheid emissies in een gebied voor pleziervaartuigen niet worden genegeerd. Voorts is de zomer de gevoeligste periode voor amfibieën, omdat deze zich dan voortplanten. Bij onderzoeken in opdracht van de Duitse bondsstaat Baden-Württemberg en in Zweden is vastgesteld dat de toxiciteit van uitlaatgassen van tweetaktbenzinemotoren een bedreiging vormen voor waterorganismen. Ter illustratie van het effect van een enkele motor op het milieu kan men de uitstoot van een tweetaktvonkontstekingsmotor van 20 kW vergelijken met die van een personenauto: de eerste stoot in 5 uur meer ozonvormende stoffen (koolwaterstoffen en stikstofoxiden) uit dan de gemiddelde personenauto die aan de EU-grenswaarden van 1996 (Richtlijn 91/441/EG) voldoet, in één jaar (15 000 km).

[1] CORINAIR 1994, definitieve versie van 10 april 1997.

Categorisering van motoren

Uitlaatemissies van pleziervaartuigen zijn voornamelijk afhankelijk van het type en het nominale vermogen van de motor.

In bijgaand voorstel worden de volgende drie groepen onderscheiden:

* tweetaktmotoren met vonkontsteking,

* viertaktmotoren met vonkontsteking,

* compressieontstekingsmotoren.

Deze drie motortypen hebben volledig uiteenlopende emissieprofielen. Bovendien hebben hun verschillende vaartoepassingen ook nog eens verschillende operationele profielen tot gevolg, reden waarom ieder motortype is onderverdeeld in klassen naar nominaal vermogen.

Tweetaktmotoren met vonkontsteking

Dergelijke motoren worden gewoonlijk gebruikt als buitenboordmotoren met een vermogen tussen 1,5 en 200 kW. De voordelen van dit type motor zijn de gunstige verhouding tussen het gewicht van de motor en het afgegeven vermogen, en de lage prijs.

Tweetaktbenzinemotoren worden gekenmerkt door hoge emissies van onverbrande koolwaterstoffen door hoog spoelverlies: gewoonlijk wordt tussen 25 % en 40 % van de verbruikte brandstof als onverbrande koolwaterstof uitgestoten. Voorts lopen ongecontroleerde motoren meestal op zeer brandstofrijke mengsels, omdat op die manier het gemakkelijkst thermische betrouwbaarheid wordt bereikt. Dit leidt tot een hoge emissie van koolmonoxide en een verdere toename van de emissie van koolwaterstoffen. Een verder probleem van tweetaktmotoren is hun olie-emissie vanwege het suppletiesmeringsprincipe: de brandstof wordt gemengd met olie, die maar één keer wordt gebruikt en vervolgens, al dan niet verbrand, wordt uitgestoten. Anderzijds kent dit type motoren een lage stikstofoxidenemissie, deels vanwege het gebruikte brandstofrijke mengsel, maar voornamelijk vanwege de hoge mate van interne hercirculatie van uitlaatgassen die aan het tweetaktproces inherent is.

Viertaktmotoren met vonkontsteking

Dit type motoren wordt als buitenboord- en als binnenboordmotor gebruikt. Ze zijn duurder en zwaarder dan tweetaktmotoren met hetzelfde nominale vermogen, maar veroorzaken ook minder trillingen dan deze laatste.

Buitenboordmotoren hebben meestal een nominaal vermogen tussen 2 en 75 kW, al zijn er ook buitenboordmotoren van 200 kW op de markt. Binnenboordmotoren worden gebruikt in vermogenscategorieën tot 400 kW.

Viertaktmotoren zijn veel zuiniger met brandstof en hebben een lagere uitstoot van koolwaterstoffen en koolmonoxide dan tweetaktmotoren. De emissie van koolwaterstoffen bedraagt bij viertaktmotoren zelfs maar 5-10 % van die van tweetaktmotoren.

Compressieontstekingsmotoren

Compressieontstekingsmotoren worden gewoonlijk gebruikt als binnenboordmotor in vermogencategorieën van 5 tot 500 kW. Compressieontsteking wordt gebruikt in binnenboord- en hekmotoren.

Vanwege de hoge verbrandingstemperatuur zijn stikstofoxiden (NOx) de emissiecomponenten die de meeste zorgen baren. De emissie van koolmonoxide en koolwaterstoffen bij compressieontstekingsmotoren is lager dan bij vonkontstekingsmotoren. Omdat het verbrandingsproces bij een compressieontstekingsmotor complexer is, komen daarbij meer vaste deeltjes (roet) vrij dan bij een vonkontstekingsmotor.

Geluidsemissies

Veel Europeanen beschouwen omgevingslawaai door verkeer, industrie en recreatie als hun belangrijkste plaatselijke milieuprobleem. Naar schatting 20 % van de mensen in West-Europa gaat gebukt onder geluidsniveaus die door wetenschappers en gezondheidsdeskundigen als onaanvaardbaar worden beschouwd: de meeste mensen raken dan geïrriteerd, kampen met ernstige slaapstoornissen, terwijl er ook schadelijke effecten op hart en bloedvaten, alsmede psychische en fysiologische gevolgen kunnen optreden. Uit het toenemende aantal klachten uit het publiek over geluidshinder blijkt dat burgers zich hierover steeds meer zorgen maken. Zo bleek bijvoorbeeld uit de Eurobarometer-milieuenquête van 1995 dat bij de klachten over de plaatselijke leefomgeving geluidshinder de vijfde plaats innam (na verkeersoverlast, luchtvervuiling, landschapsvervuiling en afval), maar het enige probleem was waarover het aantal klachten vanuit het publiek sinds 1992 was toegenomen.

Algemene hinder

Een ernstig gevolg van omgevingslawaai is dat het mensen eenvoudigweg stoort en ergert. De ergernis wordt niet alleen veroorzaakt door een verstoorde slaap en storing van de communicatie, maar ook door minder welomschreven gevoelens van gestoord worden tijdens allerhande activiteiten en in periodes van rust. Recreatiegebieden met een laag geluidsniveau zijn dan ook een belangrijke maar zeldzame natuurlijke hulpbron en moeten daarom beschermd worden. Omdat motorboten vaak worden gebruikt in recreatiegebieden, waar rust en stilte belangrijk zijn, zorgen ze al snel voor geluidshinder. Ook de gevoelige fauna in anders ongerepte gebieden kan door lawaai verstoord worden.

Geluidsemissies van waterscooters

Waterscooters brengen bij sommige manoeuvres een hoog geluid voort en bij andere een wisselend, pulserend geluidsniveau. Beide soorten geluid worden door veel mensen irritant en vervelend gevonden. In het wild levende dieren kunnen er vaak nog slechter tegen. Het probleem wordt nog verergerd door de snelheid van waterscooters en het feit dat met waterscooters tegen de golven op of van de golven af wordt gesprongen, waardoor ze afwisselend in en boven het water zijn. Hierdoor veranderen het geluid en de sterkte ervan voortdurend, wat voor het menselijk gehoor veel meer ongerief zorgt dan een gelijkblijvend geluidsniveau.

Het effect van geluidsemissies van waterscooters op in het wild levende dieren

In een informatieblad van de afdeling natuurbeschermingsbeleid van de Amerikaanse National Parks and Conservation Association (NPCA) is gezegd dat met name waterscooters in het wild levende dieren storen vanwege hun hoge snelheid, hun onvoorspelbare bewegingen en het buitensporige lawaai dat ze maken. Door hun bescheiden afmetingen en hun wendbaarheid kunnen waterscooters binnendringen in afgelegen gebieden en gebieden met ondiep water, waar vaak vissen en in het wild levende dieren paren en broeden.

Het Woods Hole Oceanographic Institute heeft op de San Juan-eilanden (Washington State) een onderzoek met controlegroep uitgevoerd over waterscooters. Men beschrijft hoe vogels en zoogdieren die zich op het wateroppervlak ophouden, door het feit dat waterscooters geen laagfrequent, ver dragend geluid produceren, het naderende gevaar van de scooter pas opmerken wanneer deze al bijna over hen heen vaart. Dit zorgt onder de dieren voor veel paniek en vormt een onnodige verstoring van hun rust. Vogels worden ook opgeschrikt door het hoogfrequente geluid dat waterscooters boven en onder water voortbrengen. Wetenschappers in New Jersey (VS) hebben waargenomen hoe waterscooters broedende visarenden en sternen van hun nesten verjoegen, zodat roofdieren er vrij spel hadden.

2.3. Doelstellingen van de voorgestelde richtlijn

Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd:

- bij te dragen aan een soepele werking van de interne markt;

- geharmoniseerde Gemeenschapswetgeving ter regulering van uitlaat- en geluidsemissies van pleziervaartuigmotoren te bevorderen en een versnippering van de markt en mogelijke handelsbelemmeringen te voorkomen;

- door vermindering van de uitlaat- en geluidsemissies van benzine- en dieselmotoren voor pleziervaartuigen en waterscooters de menselijke gezondheid, het welzijn van de burgers alsook het milieu te beschermen.

3. Noodzaak van actie op Gemeenschapsniveau - Subsidiariteit

3.1. Wat zijn de doelstellingen van de voorgestelde maatregel met betrekking tot de communautaire verplichtingen-

Met de voorgestelde wijziging wordt beoogd het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap te waarborgen en de gezondheid en het welzijn van de burgers alsook het milieu te beschermen. Verschillen in de nationale wetgevingen tot beheersing van uitlaat- en geluidsemissies van pleziervaartuigen kunnen tot handelsbelemmeringen leiden en een inbreuk vormen op het vrije verkeer van goederen, dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Commissie ressorteert.

Om de doelstelling van vrij verkeer te bereiken moet een aantal essentiële eisen en een verzameling eisen op het gebied van de overeenstemmingsbeoordeling worden vastgesteld.

Voorts kan door middel van Gemeenschapswetgeving een geharmoniseerde aanpak op EU-niveau betreffende de essentiële eisen voor de bouw van waterscooters worden gewaarborgd.

3.2. Is de voorgestelde maatregel een bevoegdheid die alleen op communautair niveau geldt, of een die met de lidstaten wordt gedeeld-

Het gaat hier om een bevoegdheid die met de lidstaten wordt gedeeld.

3.3. Wat is de communautaire dimensie van het probleem, en hoe is het tot op heden opgelost-

De uitlaatemissiecijfers van pleziervaartuigen in de EU in 1998 (uitgangscijfers) en die van na de volledige invoering van de voorgestelde emissiewetgeving voor tweetakt- en viertaktmotoren met vonkontsteking en voor motoren met compressieontsteking zijn als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Bron: ICOMIA)

Inmiddels zijn op nationaal niveau de volgende wetgevingsinitiatieven inzake uitlaat- en geluidsemissies in gang gezet of afgekondigd:

- fase 1 van de Bodenmeerverordening, die op 1 januari 1993 in werking trad,

- fase 2 van de Bodenmeerverordening, die op 1 januari 1996 in werking trad,

- de verordening van de deelstaat Brandenburg, die in 1997 bij de Commissie werd aangemeld in voege zal treden in januari 2003,

- de Zweedse verordening, die in 1996 bij de Commissie werd aangemeld en met het oog op de invoering van Gemeenschapswetgeving is uitgesteld.

3.4. Wat is de meest doeltreffende oplossing indien men de middelen van de lidstaten en die van de Gemeenschap met elkaar vergelijkt-

Alleen een richtlijn ter harmonisering van uitlaat- en geluidsemissie-eisen kan voor een soepele werking van de interne markt zorgen en bijdragen aan een vermindering van uitlaat- en geluidsemissies, die het milieu en de volksgezondheid schade toebrengen.

3.5. Welke toegevoegde waarde heeft de voorgestelde maatregel voor de Gemeenschap-

3.5.1. Voordelen voor producenten van pleziervaartuigmotoren en de botenbouw

Fabrikanten zijn het eens geworden over de noodzaak van "schone motoren" en wettelijk bindende, in de hele EU geldende regelgeving op het gebied van pleziervaartuigemissies. Zij hebben lange tijd gepleit voor harmonisatie van emissiegrenswaarden door middel van een communautaire richtlijn, omdat de pleziervaartuigmotorindustrie relatief te klein is om voor iedere, per lidstaat verschillende, emissienorm andere motoren te bouwen.

De bedrijfstak haalde het voorbeeld van de Bodenmeerverordening aan. Toen de daarin vastgestelde grenswaarden van kracht werden, liep de omzet van de botenbouwindustrie rond het Bodenmeer met 60 % terug. Dit zou opnieuw kunnen gebeuren als er op nationaal niveau wetgeving wordt aangenomen.

3.5.2. Milieuvoordelen

Iedere vermindering van de uitstoot door pleziervaartuigen komt de natuur en de recreatie ten goede. De percentages waarmee de uitlaatemissies van koolmonoxide, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en vaste deeltjes zullen verminderen, zijn boven in punt 3.3 gegeven. De totale vermindering ervan voor alle emissies van pleziervaartuigen ziet er grafisch als volgt uit:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

3.6. Kosten van de voorgestelde richtlijn

De invoering van uitlaat- en geluidsemissievoorschriften brengt kosten met zich mee vanwege de nieuwe grenswaarden, de invoeringstermijn en de te volgen procedures ter beoordeling van de overeenstemming.

Fabrikanten van buitenboordmotoren hebben gemiddeld 24 motorfamilies in hun aanbod. Deze lopen in vermogen uiteen van 1,5 tot 220 kW, waarmee de hele markt voor recreatieve en commerciële vaartuigen wordt bestreken. Fabrikanten van waterscooters hebben drie motorfamilies in hun programma. Het zijn voornamelijk tweetaktmotoren die moeten worden vervangen, en momenteel worden vervangen, door viertaktmodellen volgens een nieuw ontwerp of tweetaktmodellen met rechtstreekse inspuiting. Fabrikanten van tweetaktmotoren die op viertaktmodellen willen overschakelen, moeten eerst in nieuwe machines investeren, aangezien viertaktmotoren heel anders worden gebouwd dan tweetaktmotoren. Voor de omschakeling van de productie van tweetaktmotoren volgens de oude techniek naar tweetaktmotoren met directe inspuiting moeten ter vervanging van het oude enkelvoudige carburatorsysteem computergestuurde systemen voor de toevoer van brandstof en lucht onder hoge druk worden gemaakt gecombineerd met krukas-cilinderconstructies volgens een nieuw ontwerp. Gemiddeld kost de omschakeling van één motorfamilie naar motoren met geringe emissie EUR 10 miljoen per bedrijf. De omschakeling van alle motorfamilies in het aanbod kost een bedrijf daarom gemiddeld EUR 240 miljoen (24 x 10 miljoen) voor buitenboordmotoren en EUR 30 miljoen (3 x 10 miljoen) voor waterscooters.

Verder wijst het bedrijfsleven erop dat het onwaarschijnlijk is dat fabrieken de prijs per eenheid meer dan 2 à 3 % zouden verhogen, uit vrees anders de markt te verliezen.

De prijs van een buitenboordmotor voor een pleziervaartuig varieert op de vrije markt tegenwoordig uiteen van EUR 1 662 voor een kleine viertaktmotor tot EUR 15 609 voor een zware tweetaktmotor. Volgens berekeningen van het IMEC leidt de invoering van nieuwe technologische ontwerpeisen in de industrie voor plezierbootmotoren tot een gemiddelde prijsverhoging per eenheid van 13,3 % tot 30,6 % van de detailhandelsprijs. De verhoging wordt door de fabrikant echter over 10 jaar of meer uitgesmeerd. Bovendien zorgt het lagere brandstofverbruik van de nieuwe motoren voor lagere gebruikskosten voor de consument. Volgens het IMEC gaan brandstof- en olieverbruikscijfers waarschijnlijk tot 30 % omlaag, indien van een E5-belastingstestcyclus wordt uitgegaan.

In de tabel over de kosten en baten voor buitenboordmotoren en waterscooters in punt 3.7 (hieronder) wordt de brandstofbesparing in euro's getoond. De brandstofbesparingen zijn berekend over de nuttige levensduur van de motor (10 jaar of 350 uur voor buitenboordmotoren).

Voorts denkt de bedrijfstak dat de verhoging van de eenheidskostprijs van compressieontstekingsmotoren tot 1 à 5 % van de detailhandelsprijs beperkt kan blijven. Men voorziet zelfs dat de meeste fabrikanten, om de markt niet te bederven, hun adviesprijzen met ten hoogste 2 à 3 % per jaar zullen verhogen. Bij deze voorspellingen is al rekening gehouden met de kosten voor de beoordeling van overeenstemming voor de nieuwe uitlaat- en geluidsemissievoorschriften.

Volgens schattingen van de bedrijfstak kunnen de kosten voor de overeenstemmingsbeoordeling voor gasemissies per model motor oplopen tot ongeveer vijfduizend euro. Met ten hoogste 24 modellen in productie kunnen de totale kosten voor de grotere bedrijven dus oplopen tot EUR 120 000. De werkelijke kosten zullen echter waarschijnlijk veel lager zijn en in ieder geval over meerdere jaren worden gespreid.

Overeenstemmingsbeoordeling is voor geluidsemissies per model waarschijnlijk iets duurder dan voor uitlaatemissies. De maximumkosten per model bedragen naar schatting EUR 15 000 voor buitenboordmotoren en waterscooters en EUR 20 000 voor binnenboord- en hekmotoren.

3.7. Kosteneffectiviteit (uitlaatemissies)

Op basis van gegevens van het IMEC is gepoogd een schatting te maken van de kosten en de kostenbatenverhouding per motor. In de tabel hieronder staan in het kort de resultaten voor buitenboordmotoren en waterscooters (d.w.z. voor 85 % van de Europese markt). Kostenbatenverhoudingen voor buitenboordmotoren en waterscooters worden berekend voor koolwaterstoffen en stikstofoxiden, omdat hiermee vergelijkingen kunnen worden gemaakt met de effecten van andere regelgeving inzake uitlaatemissies (bvb. schattingen voor koolwaterstoffen emissies van motorrijwielen):

Berekening van kosten en baten voor buitenboordmotoren en waterscooters - gebaseerd op huidige detailhandelsprijzen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Bron: ICOMIA)

Berekening van kosten en baten voor dieselmotoren - gebaseerd op huidige detailhandelsprijzen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron: ICOMIA

De kostenbatenverhouding loopt uiteen van EUR 381 tot EUR 1 494,90 per ton voor buitenboordmotoren, van EUR 1 313,70 tot EUR 1 477,90 per ton voor waterscooters en van EUR 2 246 tot EUR 8 116 per ton voor (diesel-)motoren met compressieontsteking. Deze resultaten kunnen worden vergeleken met de geschatte marginale kosten voor de vermindering van koolwaterstoffenemissies van stationaire bronnen. Uit onderzoek van het IIASA naar kosteneffectieve beheersing van verzuring en ozon op leefniveau [2] blijkt dat deze marginale kosten voor de verschillende landen uiteenlopen van EUR 550 tot EUR 10 000 per ton.

[2] "Cost-effective Control of Acidification and Ground-Level Ozone", onderzoek in opdracht van de Commissie, DG Milieu. De verslagen die het IIASA over dit onderzoek aan de Commissie heeft uitgebracht, kunnen allemaal op internet worden geraadpleegd via http://www.iiasa.ac.at/~rains.

3.8. Welke middelen staan de Gemeenschap ter beschikking-

Een richtlijn is het geëigende middel om een soepele werking van de interne markt, het vrije verkeer van producten en een hoog niveau ter bescherming van het milieu te waarborgen.

4. Vergelijking van de voorgestelde richtlijn met andere wetgeving over pleziervaartuigen

EPA-wetgeving in de VS

In de Verenigde Staten bestaat vergelijkbare wetgeving over uitlaatemissies van buitenboordmotoren met grenswaarden als die in het voorstel. De EPA (Environmental Protection Agency) werkt momenteel aan wetgeving inzake voor pleziervaartuigen bestemde binnenboord- en hekmotoren (benzine en diesel). De raadplegingsprocedure over het EPA-wetsvoorstel gaat naar verwachting eind 2000 van start. De grenswaarden zijn nog niet bekend. Dit geval wordt bilateraal in het kader van de TABD besproken teneinde tot harmonisering van de wetgeving van de EU en die van VS te komen.

Scheepvaartverordening van Brandenburg

De grenswaarden voor uitlaatemissies van de scheepvaartverordening van Brandenburg vallen binnen de grenswaarden van de voorgestelde richtlijn. De desbetreffende geluidsemissiegrenswaarden komen overeen met die welke door de Commissie voor motoren tot 40kW worden voorgesteld. Voor grotere motoren wordt momenteel echter geen hogere grenswaarde voorgesteld.

Zweedse wetgeving inzake pleziervaartuigen

De grenswaarden in de Zweedse pleziervaartuigenwetgeving vallen binnen de uitlaat- en geluidsemissiegrenswaarden van de voorgestelde richtlijn.

Fase II van de Bodenmeerscheepvaartverordening

De uitlaatgrenswaarden voor motoren met compressieontsteking komen overeen met de grenswaarden in de voorgestelde richtlijn. Voor viertakt- en tweetaktmotoren met vonkontsteking zijn de grenswaarden van fase II van de Bodenmeerscheepvaartverordening lager. De geluidsemissiegrenswaarden komen overeen met die van de voorgestelde richtlijn.

5. Resultaten van de raadpleging van partners

In de verschillende fasen van de voorbereiding van dit voorstel zijn alle belanghebbende partijen, d.w.z. de lidstaten, de lidstaten van de EER, het bedrijfsleven, gebruikers en de CEN, geraadpleegd. Het voorstel is uitgebreid besproken op vergaderingen en is onlangs verspreid voor schriftelijke opmerkingen. De meeste suggesties, opmerkingen en bijdragen zijn in de tekst verwerkt.

6. Keuze en motivering van de rechtsgrond

De rechtgrond van de voorgestelde richtlijn is artikel 95 van het Verdrag, en wel om de volgende redenen:

- Met de invoering van technische normen met betrekking tot uitlaat- en geluidsemissies van motoren bestemd voor pleziervaartuigen en waterscooters wordt de goede werking van de interne markt gewaarborgd en wordt voorkomen dat er technische handelsbelemmeringen worden geschapen.

- Harmonisering op communautair niveau van de eisen die aan uitlaat- en geluidsemissieprestaties worden gesteld, is noodzakelijk om versplintering van de markt te voorkomen. Het ontbreken van in de hele Gemeenschap geldende wetgeving kan leiden tot nationale wetgeving, die op haar beurt een verhoging van de productiekosten met zich mee kan brengen doordat fabrikanten met verschillende eisen rekening moeten houden.

7. Opmerkingen bij de afzonderlijke artikelen van het voorstel

7.1. Artikel 1 van de gewijzigde richtlijn (werkingssfeer)

Artikel 1 van richtlijn 94/25/EG wordt vervangen door een nieuw artikel, waarin:

- alle onder de voorgestelde richtlijn vallende producten, met inbegrip van waterscooters, worden gedefinieerd, met een onderverdeling in drie groepen naar resp. ontwerp- en bouw-, uitlaatemissie- en geluidsemissievoorschriften,

- wordt gespecificeerd op welke producten de voorgestelde richtlijn niet van toepassing is, met een zelfde onderverdeling in drie groepen,

- de definities van de producten die onder de richtlijn vallen, worden vastgelegd, en

- de fabrikant en zijn gemachtigde worden gedefinieerd, teneinde hun rol in de richtlijn te verduidelijken.

7.2. Artikel 4 van de gewijzigde richtlijn (vrij verkeer van producten)

Aan de oorspronkelijke tekst van artikel 4 wordt een nieuw lid 3, punt a), toegevoegd teneinde het vrije verkeer van binnenboord- en hekmotoren te waarborgen wanneer deze motoren van een verklaring van de fabrikant of zijn gemachtigde vergezeld gaan dat het product zal voldoen aan de voorschriften van de voorgestelde richtlijn inzake uitlaatemissies.

De onderliggende gedachte hierbij is dat binnenboord- en hekmotoren pas naar behoren kunnen werken wanneer zij in een boot zijn geplaatst.

Deze bepaling sluit aan op een soortgelijke bepaling in de machinerichtlijn (98/37/EG), waarin staat dat machines die niet zelfstandig kunnen werken en die bedoeld zijn om te worden ingebouwd in, dan wel te worden samengebouwd met, andere machines, niet van de CE-markering hoeven te zijn voorzien.

Bovendien is erop gewezen dat fabrikanten van binnenboord- en hekmotoren soortgelijke en soms dezelfde motoren bouwen voor constructies die zowel onder de machinerichtlijn als onder de voorgestelde richtlijn vallen, en dat zij tijdens de fabricage niet met zekerheid kunnen zeggen in wat voor een constructie (een machine of een vaartuig) de motoren uiteindelijk zullen worden ingebouwd.

7.3. Nieuw artikel 6a (regelgevend comité)

Zoals vastgelegd in dit nieuwe artikel van de gewijzigde richtlijn, is de Commissie, bijgestaan door een regelgevend comité, bevoegd om in de voorschriften van bijlage I, deel B, punt 2, op het punt van de verwijzing naar de grenswaarden voor uitlaatemissies, belastingscycli en voor de uitlaatemissieproeven te gebruiken brandstoffen, en in die van bijlage I, deel C, punt 1 op het punt van geluidsemissiegrenswaarden iedere wijziging aan te brengen die in het licht van de technologische vooruitgang noodzakelijk is. De mogelijkheid om de richtlijn te wijzigen is beperkt tot het deel van bijlage I waarin alleen technische kwesties, die de doelstelling van dit voorstel niet aantasten, aan de orde komen. Voor alle andere wijzigingen van de voorgestelde richtlijn is een formele wijzigingsprocedure vereist.

7.4. Artikel 7 van de gewijzigde richtlijn (vrijwaringsclausule)

Artikel 7, lid 1, van Richtlijn 94/25/EG wordt vervangen door een nieuw lid om het feit tot uitdrukking te brengen dat binnenboord- en hekmotoren van een verklaring van overeenstemming van de fabrikant, als bedoeld in bijlage XV, vergezeld moeten gaan.

7.5. Artikel 8 van de gewijzigde richtlijn (overeenstemmingsbeoordeling)

Artikel 8 van Richtlijn 94/25/EG wordt vervangen door een nieuw artikel, waarin:

- het krachtens het modulenbesluit 93/465/EG beschikbare aantal modules wordt uitgebreid, teneinde de fabrikanten van vaartuigen een zo ruim mogelijke keus te bieden als de ontwerp- en bouwvoorschriften van de voorgestelde richtlijn toelaten,

- het aantal met het oog op de uitlaat- en geluidsemissievoorschriften toe te passen modules wordt vastgesteld, met inachtneming van de geschiktheid van de modules voor het typeproduct, de aard van de risico's in kwestie en de omvang ervan,

- de modules voor de certificering van overeenstemming van waterscooters met de essentiële eisen inzake ontwerp en bouw worden vastgesteld, en

- een nadere omschrijving wordt gegeven van de verplichtingen van de persoon die de producten bij ontstentenis van de fabrikant of diens gemachtigde op de markt brengt.

7.5.1. Overeenstemmingsbeoordeling met betrekking tot uitlaatemissies

De motorfabrikant of zijn gemachtigde is de persoon die voor overeenstemming met de voorschriften inzake uitlaatemissies verantwoordelijk is. De voorgestelde procedures ter beoordeling van overeenstemming die beginnen met het EG-typeonderzoek (module B) aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C), sluiten aan op andere communautaire emissiewetgeving.

Een aantal lidstaten en het bedrijfsleven hebben verzocht om opneming van de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis). Om echter een aanpak te waarborgen die goed op de andere relevante communautaire maatregelen ter regulering van uitlaatemissies (Richtlijn 97/68/EG) aansluit, is aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Alleen voor compressieontstekingsmotoren met typegoedkeuring volgens de bovengenoemde richtlijn die aan de emissiegrenswaarden van fase II voldoen, wordt een uitzondering gemaakt. De procedure ter beoordeling van overeenstemming die voor deze motoren wordt voorgesteld is interne fabricagecontrole (module A). De reden voor deze uitzondering is dat een aantal van de motoren die onder het voorstel vallen overeenkomen met die welke onder Richtlijn 97/68/EG vallen en dat de fase II-vereisten in deze richtlijn strenger zijn dan in de emissievoorschriften in de voorgestelde richtlijn. Men kan er gevoeglijk van uitgaan dat bij een motorfabrikant die voor de desbetreffende motoren typegoedkeuring heeft verkregen, geen tussenkomst door een derde partij meer nodig is om te certificeren dat de motoren aan de voorschriften in de voorgestelde richtlijn voldoen.

7.5.2. Overeenstemmingsbeoordeling met betrekking tot geluidsemissies

Wat het gedeelte over geluidsemissies van de voorgestelde richtlijn betreft, gelden de volgende voorschriften:

- voor vaartuigen met buitenboordmotor en waterscooters moet de fabrikant van de waterscooter of motor of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verklaren dat het geluidsniveau aan de bepalingen van de voorgestelde richtlijn voldoet;

- voor vaartuigen met hek- of binnenboordmotor is de fabrikant van het vaartuig of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde ervoor verantwoordelijk dat de grenswaarden niet worden overschreden en dient hij te verklaren dat het geluidsniveau aan de bepalingen van de voorgestelde richtlijn voldoet.

De gedachte achter de verantwoordelijkheid van de vaartuigfabrikant voor de certificering van vaartuigen met hek- of binnenboordmotor is dat de geluidsemissiekenmerken van een binnenboordmotor vooral door het ontwerp en de vervaardiging van het motoromhulsel en het uitlaatsysteem in de hand kunnen worden gehouden. Dit kan worden bereikt door een goede afdichting en isolatie van de motorruimte, een uitlaat onder water en/of andere kenmerken van het vaartuig.

Het begrip 'referentievaartuig'

Om de kosten van de overeenstemmingsbeoordeling met name voor het MKB binnen de perken te houden, heeft het bedrijfsleven als alternatief voor module A bis (interne fabricagecontrole plus proeven) een procedure met referentievaartuigen voorgesteld. Het argument hiervoor is dat de vaartuig- en motorfabrikant bij de bouw en uiteindelijke certificering van de vaartuig/motorcombinatie nauw met elkaar moeten samenwerken om de geluidsniveaus binnen de grenswaarden te houden. Om hen daarin bij te staan en te voorkomen dat botenbouwers iedere combinatie van vaartuig- en motormodellen apart moeten testen, heeft het bedrijfsleven het begrip 'referentievaartuig' ontwikkeld, waarmee fabrikanten van vaartuigen door middel van zelfcertificering (module A) kunnen verklaren dat aan de geluidsemissievoorschriften wordt voldaan.

Eerst moet een lijst van referentievaartuigen worden opgesteld door ongeacht welke normale productiecombinatie van een vaartuig met een motor aan een volledige passeergeluidsproef (conform ISO 14509) te onderwerpen. Indien het geluidsniveau van deze combinatie daarbij aan de in de richtlijn vastgestelde eisen die voor de grootte van de motor ervan gelden, voldoet en de aangemelde instantie geheel akkoord gaat, kan het vaartuig van de CE-markering worden voorzien en aan de lijst van referentievaartuigen worden toegevoegd. Er zal centraal een hoofdlijst van referentievaartuigen worden bijgehouden, waarvan de details voor raadpleging door alle vaartuig- en motorfabrikanten, groot of klein, beschikbaar zullen zijn.

Vervolgens kunnen vaartuigfabrikanten die tot zelfcertificering van hun productiecombinaties van vaartuig en motor willen overgaan, uit de hoofdlijst een referentievaartuig kiezen dat het meest op de te certificeren combinatie lijkt. Daarna voeren ze een gedetailleerde vergelijking tussen de twee combinaties uit. Indien de verschillen verwaarloosbaar klein zijn en binnen de vastgestelde toleranties vallen of niet van belang zijn, mag ervan worden uitgegaan dat de twee vaartuigen soortgelijke geluidsniveaus voortbrengen, en mag de fabrikant het vaartuig overeenkomstig module A certificeren. Indien de verschillen buiten de vastgestelde toleranties vallen of anderszins te groot zijn, moet een nieuw referentievaartuig worden uitgekozen en de vergelijkingsprocedure worden herhaald, of moet de productiecombinatie van vaartuig en boot met een derde partij aan een volledige passeergeluidsproef worden onderworpen.

De bij de vergelijking van een productievaartuig met een bepaald referentievaartuig te onderzoeken gegevens of parameters zullen in een geharmoniseerde norm duidelijk uiteen worden gezet.

7.6. Artikel 10 van de gewijzigde richtlijn (CE-markering)

Artikel 10, leden 1, 2 en 3, wordt vervangen door nieuwe tekst, die aan de eisen van de voorgestelde richtlijn is aangepast:

- de producten die onder de voorgestelde richtlijn van een CE-markering moeten worden voorzien, worden opgesomd volgens de voorschriften (ontwerp en bouw, uitlaatemissies en geluidsemissies) toegepast op ieder type product;

- de voorgestelde richtlijn sluit het aanbrengen van de CE-markering op binnenboord en hekmotoren uit.

7.7. Bijlage I van de gewijzigde richtlijn (Essentiële eisen)

Bijlage I van de tekst uit 1994 wordt aangevuld met eisen voor uitlaat- en geluidsemissies. De nieuwe tekst bestaat uit drie delen, betreffende het ontwerpen en bouwen, uitlaatemissies en geluidsemissies. Deel A komt overeen met bijlage I van de tekst uit 1994.

Verschillende lidstaten en de groep van aangemelde instanties hebben erop gewezen dat de huidige tekst van Richtlijn 94/25/EG onduidelijkheid kan scheppen over hetgeen op het "plaatje van de bouwer" moet worden vermeld (bijlage I, punt 2.2) en over de "aanbevolen maximale belasting" van een vaartuig (bijlage I, punt 3.6). Gesteld is dat het gewicht van de brandstof- en watertanks terecht in de definitie van de aanbevolen maximale belasting wordt opgenomen, maar dat dit niet op het plaatje van de bouwer moet worden vermeld, aangezien deze informatie overbodig is en tot verwarring en mogelijk tot gevaar voor overbelasting kan leiden.

Daarom is bijlage I, deel A, zodanig gewijzigd dat in de op het plaatje vermelde aanbevolen maximale belasting het gewicht van de brandstof- en watertanks (indien vol) niet wordt meegerekend.

7.7.1. Uitlaatemissiegrenswaarden

Voor de uitlaatemissiegrenswaarden geldt de volgende formule:

L = A + //

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

waarin: // * L = grenswaarde;

* PN = nominaal vermogen van de motor;

* A, B, n zijn constanten.

Uit een studie naar uitlaatemissies [3] blijkt dat de relatieve emissie van kleine motoren groter is dan die van grote motoren. In deze formule beschrijft de term A een basisniveau dat geldt voor motoren met een groot vermogen en beschrijft de term B / P

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

[3] TNO Industrial Research, augustus 1991.

een "toegift" voor kleinere motoren. De huidige productie lijkt in overeenstemming met deze formule. In toekomstige wetgeving kan de tweede term van de formule zo worden gekozen dat de "toegift" voor kleine motoren geleidelijk wordt verlaagd.

Aangezien tweetaktbenzinemotoren, viertaktbenzinemotoren en dieselmotoren ieder een eigen specifiek emissiepatroon hebben, moeten in een wetgeving die aan alle drie even strenge eisen stelt, voor deze categorieën verschillende grenswaarden worden vastgelegd. Met inachtneming van technologische beperkingen en om ervoor te zorgen dat op doeltreffende wijze aan de milieu- en gezondheidsdoelstellingen kan worden voldaan, worden voor de verschillende typen motoren verschillende emissiegrenswaarden voorgesteld.

Een belangrijke overweging is dat wetgeving op het gebied van motoren van vaartuigen helemaal nieuw is. De ervaringen op andere gebieden leren dat in een dergelijk geval alle betrokken partijen (fabrikanten, wetgever, certificerende instantie) tijd nodig hebben om zich aan de nieuwe situatie aan te passen. Er moet ervaring worden opgedaan met de meetprocedure, die weliswaar op bestaande procedures op verwante gebieden kan worden geënt, maar die in deze vorm voor iedereen nieuw is en waarschijnlijk "kinderziekten" zal vertonen.

De testmethode ISO 8178 moet worden toegepast.

Belastingscycli

Andere regelgevende instanties hebben de E3-testcyclus al gekozen voor emissieproeven voor motoren met compressieontsteking. De IMO-protocollen voor NOx-emissies van compressieontstekingsmotoren met een vermogen van meer dan 130 kW die zijn geïnstalleerd op zeeschepen, schrijven het gebruik van de E3-cyclus voor. Aangezien de motortechnologische ontwerpen voor koopvaardij- en pleziervaart vergelijkbaar zijn, stelt het gebruik van hetzij de E3- of de E5-belastingstestcyclus fabrikanten in staat gemeenschappelijke testprotocollen te gebruiken. Hiermee wordt aan de eisen van diverse regelgevingen voldaan en wordt vermeden dat verschillende testcycli moeten worden uitgevoerd om dit te bewijzen.

7.7.2. Geluidsemissiemeting

De geluidsemissiegrenswaarden worden gemeten in

LpASmax = maximaal geluidsdrukniveau in dB, zoals gedefinieerd in ISO 14509.

De geluidsproeven moeten volgens ISO 14509 worden uitgevoerd. Dit is een methode die het geluidsdrukniveau meet van een vaartuig dat een microfoon op een afstand van precies 25 m passeert met maximale snelheid of met 70 km/u wanneer de maximale snelheid meer bedraagt.

Achtergrond

Vooruitlopend op de toepassing van diverse nationale geluidsemissieregelingen voor gemotoriseerde pleziervaartuigen/motoren, voerde het ICOMIA Marine Environment Committee (IMEC) in 1992 in Maaseik (België) het eerste internationale geluidsemissieonderzoek uit. Bij deze geluidsproeven lag de nadruk op buitenboordmotoren, die een aandeel van 77 % in de Europese markt voor motoren voor pleziervaartuigen hebben. Al snel werd duidelijk dat nadere geluidsproeven nodig waren om gegevens te verkrijgen over de geluidsemissie van de overige motoren op de markt (binnenboordmotoren, hekmotoren en waterscooters). In 1994, 1998 en 1999 werden vervolgproeven uitgevoerd.

Het onderzoeksprogramma was gericht op het ontwikkelen van methoden om geluidsniveaus te meten die nauwkeurige en herhaalbare resultaten opleveren. Tevens zijn deze testmethoden toegepast om de stand van de techniek wat het geluidsniveau van passerende gemotoriseerde pleziervaartuigen betreft, vast te stellen. Bovendien werden speciale sleepproeven uitgevoerd om ondergrenzen van het geluidsniveau van passerende gemotoriseerde pleziervaartuigen vast te stellen. Bij deze in Maaseik en op Lake X uitgevoerde reeks sleepproeven bleek het rompgeluid (zonder draaiende motor) van vaartuigen tot 5,5 m meer dan 72 dB(A) te bedragen bij een snelheid van 70 km/u, de maximale testsnelheid volgens ISO 14509.

IMEC achtte de bij de proeven in Maaseik verkregen resultaten zeer nuttig omdat hiermee de stand van de in kleine pleziervaartuigen/motoren verwerkte techniek kon worden vastgesteld. De proeven leverden echter ook veel nieuwe vragen op. Daarom werd een tweede reeks geluidsproeven uitgevoerd, waarbij de nadruk lag op het concept "standaardvaartuig" voor het testen van typen buitenboordmotoren en op een herziene methode om het geluidsniveau van pleziervaartuigen te meten.

De tweede reeks geluidsproeven vond in 1994 plaats op Lake X, gelegen in midden-Florida (VS). Deze proeven hadden als voornaamste doelstellingen het concept "standaardvaartuig" te onderzoeken, een nieuwe ISO-procedure voor geluidsmeting voor pleziervaartuigen te ontwikkelen ter vervanging van ISO 2922 en de stand van de techniek op het gebied van de beheersing van het geluid van gemotoriseerde pleziervaartuigen nader te onderzoeken.

Uit de op Lake X uitgevoerde geluidsproeven bleek dat het concept "standaardvaartuig" een betrouwbare en nauwkeurige methode is om te beoordelen of buitenboordmotoren aan wettelijke geluidsgrenswaarden voldoen en om deze te certificeren. Geluidsproeven die werden uitgevoerd op buitenboordmotoren van hetzelfde model als in Maaseik was getest, leverde een uitstekende correlatie (97 %) op met de in Maaseik uitgevoerde proeven. Hiermee werd bewezen dat de controle van de testparameters met de in Maaseik en op Lake X toegepaste herziene testprocedure, nauwkeurige en herhaalbare resultaten oplevert als deze in combinatie met "standaardvaartuigen" wordt gebruikt. Deze herziene testprocedure vormt de grondslag van de nieuwe meetnorm ISO 14509.

Op Lake X werden ook sleepproeven met een boot met groot vermogen uitgevoerd, waarmee het bereik van de sleepproefgegevens werd uitgebreid tot grotere speedboten bij een snelheid van meer dan 60 km/u. De resultaten van deze proeven toonden duidelijk aan dat rompgeluid gerelateerd is aan de omvang van de romp en de snelheid, waarbij de gemeten geluidsniveaus (zonder draaiende motor) bij voor een speedboot normale snelheden tot 72 dB(A) kunnen bedragen. Bijgevolg werd het standpunt ingenomen dat bij de grenswaarde van het geluidsniveau rekening moet worden gehouden met een gelijke bijdrage van de motor en de romp in het totale geluidsniveau van een passerend vaartuig, dat overeenkomt met 75 dB(A) op een afstand van 25 meter bij meting volgens ISO-norm 14509.

Toepassing van ISO 14509

ISO 2922 was oorspronkelijk bedoeld voor koopvaardijschepen en hun uitrusting; bij toepassing van deze norm op pleziervaartuigen bleken vele operationele parameters niet te zijn gespecificeerd. Bij de proeven op Lake X bleek dat wanneer slechts één van de niet in ISO 2922 gespecificeerde testparameters werd gewijzigd, het geluidsniveau van een passerend vaartuig met maar liefst 12 dB(A) veranderde. Als zeer strikte geluidsgrenswaarden gelden, is het dan ook essentieel dat de meetnorm zeer nauwkeurige voorschriften voor de testparameters en -voorwaarden bevat.

Ondanks klachten over de nauwkeurige voorwaarden van de nieuwe norm ISO 14509, zijn er toch nog variabelen die het gemeten geluidsniveau kunnen beïnvloeden als deze nieuwe norm wordt toegepast. Terwijl ISO 2922 bijvoorbeeld variaties in de windsnelheid tot 36 km/u toestaat, schrijft ISO 14509 een maximale windsnelheid van 18 km/u voor. Om het effect van de windsnelheid en de wateromstandigheden aan te tonen werd op twee achtereenvolgende dagen een proef uitgevoerd met een boot met een 7,4 kW (10 pk) buitenboordmotor. De eerste dag bedroeg de windsnelheid 5 km/u en werd een geluidsniveau van 67,2 dB(A) gemeten. De tweede dag leidden ruwere wateromstandigheden door een windsnelheid van 16 km/u tot een geluidsniveau van 69,2 dB(A), een toename van 2 dB(A).

De door ISO 14509 voorgeschreven testvoorwaarden doen zich op veel plaatsen in Europa zelden voor, waardoor het moeilijk is een proef met een passerend vaartuig uit te voeren. Nu is echter aangetoond dat strikte eisen aan het geluidsniveau van pleziervaartuigen een strikte beheersing van de testomgeving vereisen, zoals beschreven in ISO 14509.

Meermotorige inrichtingen

Erkend wordt dat grotere vaartuigen met een of meer motoren doorgaans meer geluid produceren. Daarom is de grenswaarde voor twee- en meermotorige eenheden met 3 dB verhoogd.

7.8. Bijlage VI van de gewijzigde richtlijn (Interne fabricagecontrole plus proeven: module A bis)

Bijlage VI van de tekst uit 1994 wordt aangevuld met proeven om te beoordelen of motoren aan de geluidsemissie-eisen van de voorgestelde richtlijn voldoen. De nieuwe tekst bestaat uit twee delen: deel A betreft het ontwerp en de bouw en deel B betreft geluidsemissies.

Deel A is bijlage VI van de tekst uit 1994. Lidstaten, de bedrijfstak, aangemelde instanties en gebruikers hebben gewezen op de anomalie dat module A bis vereist dat het nummer van de aangemelde instantie op het plaatje van de bouwer wordt vermeld, wanneer deze instantie niet bij het fabricageproces betrokken is. Daarom is de laatste zin van de laatste alinea van de tekst uit 1994, die vereist dat het identificatienummer van de aangemelde instantie op het plaatje van de bouwer wordt aangebracht, in de gewijzigde richtlijn geschrapt.

7.9. Bijlagen VIII, X, XIII, XIV en XV van de gewijzigde richtlijn

Deze bijlagen zijn aangepast aan de eisen van de voorgestelde richtlijn en omvatten:

- procedures voor de beoordeling van de overeenstemming met gebruikmaking van de modules C (Overeenstemming met het type voor uitlaatemissies) en F (Productgoedkeuring voor uitlaatemissies), en

- bepalingen betreffende de technische documentatie die de fabrikant moet verstrekken, de minimumcriteria waarmee lidstaten rekening moeten houden bij de aanmelding van keuringsinstanties en de door de fabrikant opgestelde schriftelijke verklaring van overeenstemming.

7.10. Nieuwe bijlage XVI van de voorgestelde richtlijn (Productkwaliteitsborging van uitlaatemissies)

Deze bijlage beschrijft de procedure voor de beoordeling van de overeenstemming met gebruikmaking van module E (Productkwaliteitsborging) met betrekking tot uitlaatemissie-eisen.

7.11. Nieuwe bijlage XVII van de voorgestelde richtlijn (Beoordeling van de overeenstemming van de uitlaatemissies van een productie)

Deze bijlage bevat een statistische rekenmethode om de overeenstemming van een motorfamilie met de uitlaatemissie-eisen van de voorgestelde richtlijn te controleren.

7.12. Nieuw artikel 2 (duurzaamheid)

In dit artikel wordt van de Commissie verlangd dat zij aan de Raad en het Europees Parlement verslag uitbrengt over methoden om overeenstemming van in gebruik zijnde vaartuigen te testen.

7.13. Nieuw artikel 3 (omzetting in nationaal recht)

Voor zowel compressieontstekings- (diesel-) als viertaktmotoren kan vermindering van de emissies snel worden bereikt, omdat de technologie daarvoor reeds wordt ontwikkeld en motorfabrikanten voor de laatste technische ontwikkelingen naar de auto-industrie kunnen kijken. Dit geldt echter niet voor tweetaktmotoren, het "minst schone" type motor. Volgens het bedrijfsleven kunnen de huidige tweetaktmotoren op zijn vroegst in 2005 allemaal door gemoderniseerde tweetaktmotoren zijn vervangen en zal met de ontwikkeling van deze nieuwe motoren een aanzienlijke onderzoeksinspanning en veel tijd en geld zijn gemoeid.

Daarom wordt voor tweetaktmotoren de datum waarop de maatregelen moeten zijn uitgevoerd, uitgesteld, teneinde lidstaten in de gelegenheid te stellen toereikende programma's goed te keuren en tegelijkertijd fabrikanten van vaartuigmotoren de nodige tijd te gunnen voor het ontwikkelen en produceren van betrouwbare motoren volgens de nieuwe technologie.

7.14. Nieuwe artikelen 4 en 5 (inwerkingtreding, gericht tot de lidstaten)

Deze artikelen bevatten standaardbepalingen.

2000/0262 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 94/25/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie [4],

[4] PB C

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [5],

[5] PB C

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [6],

[6] Advies van het Europees Parlement van , gemeenschappelijk standpunt van de Raad van en Beschikking/Besluit ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Door ontwikkelingen sedert de goedkeuring van Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen [7] zijn wijzigingen op deze richtlijn noodzakelijk geworden.

[7] PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.

(2) Waterscooters vallen niet onder deze richtlijn, terwijl een aantal lidstaten sinds de goedkeuring ervan wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met technische voorschriften voor deze vaartuigen hebben ingevoerd.

(3) De aandrijfmotoren van pleziervaartuigen en waterscooters brengen uitlaatemissies van koolmonoxide (CO), koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxiden (NOx) alsook geluidsemissies voort die zowel de menselijke gezondheid als het milieu aantasten.

(4) De geluids- en uitlaatemissies van deze pleziervaartuigen vallen evenmin onder die richtlijn.

(5) Met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling moeten de eisen inzake milieubescherming nu in de verschillende activiteiten van de Gemeenschap worden geïntegreerd. Dergelijke bepalingen, die reeds in de Resolutie van de Raad van 3 december 1992 betreffende het verband tussen het concurrentievermogen van de industrie en de bescherming van het milieu [8] aan de orde waren, werden opnieuw aangehaald in de conclusies van de Raad Industrie van 29 april 1999.

[8] PB C 331 van 16.12.1992, blz. 5.

(6) In een aantal lidstaten zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter beperking van geluids- en uitlaatemissies van kracht teneinde de menselijke gezondheid, het milieu en, waar van toepassing, de gezondheid van huisdieren te beschermen. Deze bepalingen zijn onderling verschillend, waardoor ze waarschijnlijk het vrije verkeer van dergelijke producten aantasten en handelsbelemmeringen binnen de Gemeenschap opwerpen.

(7) In het kader van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften [9], zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG [10], hebben de lidstaten kennis gegeven van nationale ontwerp-wetgeving ter vermindering van geluids- en uitlaatemissies van plezier vaartuig motoren. Deze technische bepalingen worden, net als de reeds van kracht zijnde nationale bepalingen, geacht waarschijnlijk het vrije verkeer van deze producten aan te tasten of belemmeringen op te werpen voor een goede werking van de interne markt. Daarom moet een bindend communautair instrument worden opgesteld.

[9] PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

[10] PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18.

(8) Harmonisering van nationale wetgevingen is de enige manier om deze handelsbelemmeringen op te heffen en oneerlijke concurrentie die in de interne markt wordt aangetroffen, uit te bannen. De doelstelling geluids- en uitlaatemissies te beperken kan niet op bevredigende wijze door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt. Met de maatregelen van deze richtlijn worden alleen de essentiële eisen voor het vrije verkeer van alle eronder vallende typen motoren vastgelegd.

(9) Deze maatregelen zijn in overeenstemming met de principes voor de uitvoering van de nieuwe aanpak zoals uiteengezet in de Resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie [11], en met het principe dat naar geharmoniseerde Europese normen wordt verwezen.

[11] PB C 136 van 4.6.1985, blz. 1.

(10) De emissiebepalingen in deze richtlijn moeten gelden voor alle motoren, ongeacht of het binnenboord-, buitenboord- of hekmotoren betreft, en voor waterscooters, teneinde de menselijke gezondheid en het milieu optimaal te beschermen. Wat gasvormige emissies betreft, vallen hieronder ook motoren die ingrijpende wijzigingen ondergaan. Geheel of gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen met een binnenboord- of hekmotor, of een van deze typen vaartuigen waarvan de motor ingrijpende wijzigingen ondergaat, dienen eveneens aan de bepaligen inzake geluidsemissies te voldoen.

(11) Overeenstemming met de essentiële eisen met betrekking tot de emissies van de motoren in kwestie is voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu van fundamenteel belang. Er moeten maximum niveaus voor uitlaatemissies worden vastgelegd voor koolmonoxide (CO), koolwaterstoffen (HC), stikstofoxiden (NOx) en vervuilende stoffen in de vorm van vaste deeltjes. De maximum niveaus voor geluidsemissies moeten worden opgesplitst naar het vermogen van deze motoren en het aantal motoren per vaartuig. Deze maatregelen sluiten aan op alle andere maatregelen ter vermindering van motoremissies met het oog op de bescherming van mens en milieu.

(12) Op pleziervaartuigen moeten altijd de gegevens aanwezig zijn waaruit blijkt dat de geluids- en uitlaatemissies met de eisen in overeenstemming zijn.

(13) Aan de hand van geharmoniseerde Europese normen, met name die voor niveaumetingen en testmethoden, kan overeenstemming met de essentiële eisen gemakkelijker worden aangetoond. Dit geldt ook voor de emissies van pleziervaartuigen waarop deze richtlijn betrekking heeft.

(14) Gezien de aard van de risico's moeten er ter waarborging van het noodzakelijke beschermingsniveau procedures ter beoordeling van overeenstemmings worden goedgekeurd. De fabrikant of zijn gemachtigde dient ervoor te zorgen dat de producten waarop deze richtlijn betrekking heeft, bij het in de handel brengen of in gebruik nemen aan de desbetreffende essentiële eisen met betrekking tot waterscooters dan wel pleziervaartuigen voldoen. Er dienen toereikende procedures te worden vastgelegd die een keuze tussen even stringente procedures bieden. Deze procedures moeten voldoen aan Besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de procedures ter beoordeling van overeenstemming en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming [12], die voor gebruik in richtlijnen inzake technische harmonisatie zijn bedoeld.

[12] PB L 220 van 30.8.1993, blz. 23.

(15) Wat uitlaatemissies betreft, moeten alle typen motoren, met inbegrip van waterscooters en andere soortgelijke motorvaartuigen, door de fabrikant of zijn gemachtigde in de Gemeenschap van de CE-markering zijn voorzien, behalve binnenboord- en hekmotoren, die van een certificaat van overeenstemming van de fabrikant vergezeld dienen te gaan. Voor geluidsemissies geeft de CE-markering aangebracht op het vaartuig voor alle typen motoren, behalve buitenboordmotoren, overeenstemming met de relevante essentiële eisen aan.

(16) Richtlijn 94/25/EG moet ook worden gewijzigd om aan de behoefte van fabrikanten aan een ruimere keuze aan procedures inzake certifiering tegemoet te komen.

(17) Ten behoeve van de rechtszekerheid en ter waarborging van een veilig gebruik van pleziervaartuigen moet de essentiële eis inzake de op het plaatje van de bouwer aan te brengen aanbevolen maximale belasting worden verduidelijkt.

(18) Ter vergemakkelijking van de toepassing van maatregelen betreffende de doeltreffende werking van wetgeving wordt de procedure voor nauwe samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten in het kader van een comité gehandhaafd en versterkt.

(19) Voor een doeltreffende werking van wetgeving is een mechanisme vereist om met het oog op de technologische vooruitgang de technische bepalingen betreffende de ontwikkeling van uitlaat- en geluidsemissiegrenswaarden en van uitlaatbelastingscycli en testbrandstoffen te kunnen wijzigen; een overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [13] in het leven geroepen regelgevend comité moet de Commissie adviseren over de te nemen maatregelen.

[13] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 94/25/EG wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Toepassingsgebied en definities

1. Deze richtlijn is van toepassing:

a) wat ontwerp en bouw betreft, op:

i) pleziervaartuigen en gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen,

ii) waterscooters, en

iii) losse en gemonteerde onderdelen als bedoeld in bijlage II;

b) wat uitlaatemissies betreft, op:

i) aandrijfmotoren voor pleziervaartuigen en waterscooters, en

ii) op of in deze vaartuigen gemonteerde aandrijfmotoren die een "ingrijpende wijziging" ondergaan;

c) wat geluidsemissies betreft, op:

i) pleziervaartuigen en gedeeltelijke afgebouwde pleziervaartuigen met hek- of binnenboordmotoren,

ii) pleziervaartuigen met hek- of binnenboordmotor die een "ingrijpende verbouwing" ondergaan,

iii) waterscooters, en

iv) voor montage op pleziervaartuigen bestemde buitenboordmotoren.

2. Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen:

a) wat lid 1, onder a), betreft:

i) wedstrijdboten, met inbegrip van wedstrijdroeiboten en boten voor roei-instructie die als zodanig door de fabrikant zijn bestempeld,

ii) kano's en kajaks, gondels en waterfietsen,

iii) zeilplanken,

iv) surfplanken, met inbegrip van surfplanken met motor,

v) originelen en individuele replica's van vóór 1950 ontworpen historische vaartuigen, die hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en die als zodanig door de fabrikant zijn bestempeld,

vi) experimentele vaartuigen, voor zover zij niet nadien op de communautaire markt worden gebracht,

vii) voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen, voor zover zij nadien gedurende een periode van vijf jaar niet op de communautaire markt worden gebracht,

viii) onverminderd lid 3, onder a), vaartuigen die specifiek bestemd zijn om te worden bemand en passagiers te vervoeren voor commerciële doeleinden, met name de vaartuigen als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen [14], ongeacht het aantal passagiers,

[14] PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1, richtlijn zoals gewijzigd bij de toetredingsakten van Oostenrijk, Finland en Zweden.

ix) duikboten,

x) luchtkussenvoertuigen, en

xi) draagvleugelboten;

b) wat lid 1, onder b), betreft:

i) aandrijfmotoren die zijn gemonteerd, of specifiek zijn bestemd voor montage, op de volgende vaartuigen:

- vaartuigen die uitsluitend voor wedstrijden zijn bedoeld en als zodanig door de fabrikant zijn bestempeld,

- experimentele vaartuigen, voor zover zij niet nadien op de communautaire markt worden gebracht,

- onverminderd lid 3, onder a), vaartuigen die specifiek bestemd zijn om te worden bemand en passagiers te vervoeren voor commerciële doeleinden, met name de vaartuigen als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, ongeacht het aantal passagiers,

- duikboten,

- luchtkussenvoertuigen, en

- draagvleugelboten;

(ii) originelen en individuele replica's van historische aandrijfmotoren die op een ontwerp van vóór 1960 zijn gebaseerd, niet in serie worden geproduceerd en worden gemonteerd op de in lid 2, onder a), punt v), gedefinieerde vaartuigen.

c) wat lid 1, onder c), betreft:

alle onder b) van dit lid genoemde vaartuigen.

3. In deze richtlijn gelden de volgende definities:

a) "pleziervaartuig": ieder voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig, ongeacht het type of de wijze van voortstuwing, met een romplengte van 2,5 tot 24 m, gemeten volgens de geharmoniseerde norm. Het feit dat hetzelfde vaartuig kan worden gebruikt voor de verhuur of voor pleziervaartcursussen belet niet dat het onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, wanneer het voor recreatiedoeleinden in de handel wordt gebracht;

b) "waterscooter": een vaartuig met een lengte van minder dan 4 m met een inwendige-verbrandingsmotor, primair aangedreven door een waterstraalpomp en ontworpen om door een of meerdere personen zittend, staand of knielend op, in plaats van in de romp te worden bediend;

c) "aandrijfmotor": iedere voor aandrijving gebruikte inwendige-verbrandingsmotor met vonk- of compressieontsteking, met inbegrip van tweetakt- en viertaktbinnenboordmotoren, -hekmotoren en -buitenboordmotoren;

d) "ingrijpende wijziging van de motor": een dusdanige wijziging van een motor dat

- de motor de in bijlage I, deel B, uiteengezette emissiegrens waarden zou kunnen overschrijden, met uitzondering van de routinematige vervanging van motoronderdelen die de emissiekenmerken niet veranderen; of dat

- het nominaal vermogen van de motor met meer dan 10 % toeneemt;

e) "ingrijpende verbouwing van een vaartuig": een verbouwing van een bestaand vaartuig waarbij

- de wijze van voortstuwing van het vaartuig wordt veranderd,

- sprake is van een ingrijpende wijziging van de motor of van vervanging van de aandrijfmotor door een motor van een ander type of een andere grootte,

- het vaartuig zozeer wordt veranderd dat het als een nieuw vaartuig wordt beschouwd;

f) "wijze van voortstuwing": de mechanische methode waarmee het vaartuig wordt aangedreven, met name scheepsschroeven of mechanische aandrijvingssystemen met waterstraal;

g) "motorfamilie": de door de fabrikant bepaalde klasse van motoren waarvan op grond van hun ontwerp wordt verwacht dat zij dezelfde kenmerken voor uitlaatemissies hebben, en die aan de voorschriften voor uitlaatemissies in deze richtlijn voldoen;

h) "fabrikant": iedere natuurlijke of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en vervaardigt, of die een dergelijk product laat ontwerpen en/of vervaardigen met de bedoeling het onder zijn eigen naam in de handel te brengen;

i) "gemachtigde": iedere in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon met een schriftelijke volmacht van de fabrikant om namens deze laatste op te treden wat diens uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen betreft."

2. In artikel 4 wordt de volgende alinea 3 bis ingevoegd:

"3 bis. Lidstaten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen van binnenboord- en hekaandrijfmotoren niet verbieden, beperken of verhinderen indien de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde in overeenstemming met bijlage XV, punt 3, verklaart dat de motor aan de voorschriften voor uitlaatemissies van deze richtlijn zal voldoen indien hij volgens de bijgeleverde instructies van de fabrikant in een pleziervaartuig of waterscooter wordt gemonteerd."

3. Het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:

"Regelgevend comité

Artikel 6 bis

1. In het licht van de ontwikkeling van de technologische kennis en van nieuw wetenschappelijk bewijs noodzakelijke wijzigingen op de voorschriften van bijlage I, deel B, punt 2, inzake uitlaatemissie grenswaarden, belastingscycli en referentiebrandstoffen, en bijlage I, deel C, punt 1, inzake geluidsemissie grenswaarden moeten worden goedgekeurd door de Commissie, daarin bijgestaan door het krachtens artikel 6, lid 3, in het leven geroepen Permanent Comité, dat in overeenstemming met de procedure waarnaar in artikel 6 bis, lid 2, wordt verwezen, als regelgevend comité optreedt.

2. Waar naar deze bepaling wordt verwezen, is de in artikel 5 van Besluit 1999/468/EG vastgelegde raad plegings procedure van toepassing, in overeenstemming met artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn bedraagt drie maanden."

4. Artikel 7, lid 1, wordt vervangen door het volgende:

"1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat producten die onder het toepassingsgebied van artikel 1 vallen en van de in bijlage IV bedoelde CE-markering zijn voorzien, bij juiste constructie, montage, correct onderhoud en gebruik overeenkomstig hun gebruiksdoel gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen, eigendom of het milieu, neemt hij alle dienstige voorlopige maatregelen om deze uit de handel te nemen of om het in de handel brengen of het in bedrijf stellen ervan te verbieden dan wel te beperken."

5. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

"Artikel 8

1. Alvorens in artikel 1, lid 1, bedoelde producten in productie te nemen of in de handel te brengen, volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde procedures.

In afwezigheid van de fabrikant en zijn gemachtigde kan iedere in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechts persoon die het product onder zijn eigen naam in de handel brengt, de verantwoordelijkheid voor de overeenstemming van het product met deze richtlijn op zich nemen.

2. Met betrekking tot ontwerp en bouw van in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde producten volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de volgende procedures voor de categorieën vaartuigontwerpen A, B, C en D als bedoeld in bijlage I, deel A, punt 1:

a) voor de ontwerpcategorieën A en B:

i) voor vaartuigen met een romplengte van minder dan 12 m: de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of EG-typeonderzoek (module B) als beschreven in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D of G of H,

ii) voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot 24 m: het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + F, of G of H;

b) voor ontwerpcategorie C:

i) voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 12 m:

- indien conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I, deel A: de interne fabricagecontrole (module A) als bedoeld in bijlage V, of de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + F, of G of H,

- indien niet conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I, deel A: de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + F, of G of H;

ii) voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot 24 m: het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, gevolgd door de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + F, of G, of H;

c) voor ontwerpcategorie D:

voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 24 m: de interne fabricagecontrole (module A) als bedoeld in bijlage V, of de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, of B + F, of G of H;

d) voor waterscooters:

het EG-typeonderzoek (module B) als bedoeld in bijlage VII, gevolgd door de procedure van overeenstemming met het type (module C) als bedoeld in bijlage VIII, dan wel een van de volgende modules: B + D, B + E, B + F, of G of H;

e) voor in bijlage II bedoelde onderdelen, een van de volgende modules: B + C, B + D, B + F, of G of H;

3. Met betrekking tot uitlaatemissies

a) volgt de motorfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bij in artikel 1, lid 1, onder b), bedoelde producten het in bijlage VII bedoelde EG-typeonderzoek (module B), gevolgd door de in bijlage VIII bedoelde procedure van overeenstemming met het type (module C), dan wel een van de volgende modules: B + D, B + E, B + F, of G of H;

b) volgt de motorfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor compressieonstekingsmotoren met typegoedkeuring volgens Richtlijn 97/68/EG die aan de in punt 4.2.3 van bijlage I van die richtlijn genoemde fase II voldoen, de in bijlage V bedoelde interne fabricagecontrole (module A).

4. Met betrekking tot geluidsemissies:

a) volgt de vaartuigfabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor in artikel 1, lid 1, onder c), punten (i) en (ii), bedoelde producten de volgende procedures:

i) indien proeven worden uitgevoerd met gebruikmaking van de geharmoniseerde norm voor geluidsmeting: ofwel de interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of eenheidskeuring (module G) als bedoeld in bijlage XI, of volledige kwaliteitsborging (module H) als bedoeld in bijlage XII;

ii) indien voor de beoordeling in overeenstemming met punt i) gecertificeerde referentievaartuiggegevens worden gebruikt: ofwel de interne fabricagecontrole (module A) als bedoeld in bijlage V, of interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI, of eenheidskeuring (module G) als bedoeld in bijlage XI, of volledige kwaliteitsborging (module H) als bedoeld in bijlage XII.

b) volgt de fabrikant van waterscooters/motoren of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor in artikel 1, lid 1, onder c), punten iii) en iv), bedoelde producten de volgende procedures: interne fabricagecontrole plus proeven (module A bis) als bedoeld in bijlage VI of module G of H."

6. Artikel 10, leden 1, 2 en 3, wordt vervangen door het volgende:

"1. Op de volgende producten moet bij het in de handel brengen de CE-markering van overeenstemming zijn aangebracht:

(a) pleziervaartuigen, waterscooters en onderdelen als bedoeld in bijlage II, die worden geacht te voldoen aan de in bijlage I uiteengezette essentiële eisen;

(b) buitenboordmotoren die worden geacht te voldoen aan de in bijlage I, deel B en C, uiteengezette essentiële eisen.

2. De CE-markering van overeenstemming, als weergegeven in bijlage IV, moet zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht op het vaartuig en de waterscooter overeenkomstig bijlage I, deel A, punt 2.2, op onderdelen als bedoeld in bijlage II en/of op de verpakking ervan, en op buitenboord- en waterscootermotoren overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 1.1.

De CE-markering moet vergezeld gaan van het identificatienummer van de aangemelde instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de in de bijlagen IX, X, XI, XII en XVI bedoelde procedures.

3. Het is verboden op pleziervaartuigen, waterscooters en aandrijfmotoren merktekens of opschriften aan te brengen die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de CE-markering. Andere merktekens mogen op het pleziervaartuig en de onderdelen als bedoeld in bijlage II en/of op de verpakking ervan worden aangebracht, op voorwaarde dat daardoor de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet worden verminderd."

7. Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig deel A van de bijlage van deze richtlijn.

8. Bijlage VI wordt vervangen door de tekst in deel B van de bijlage van deze richtlijn.

9. In bijlage VIII wordt het volgende nieuwe punt 4 toegevoegd:

"4. Een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie verricht met willekeurige tussenpozen productcontroles of laat deze verrichten om te beoordelen of het product met de uitlaatemissie-eisen van deze richtlijn in overeenstemming is. Als het kwaliteitsniveau onvoldoende blijkt te zijn of als het nodig lijkt de juistheid van de door de fabrikant opgegeven gegevens te controleren, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Uit de serie wordt een motor genomen waarop de in bijlage I, deel B, beschreven proef wordt uitgevoerd. Testmotoren moeten geheel of gedeeltelijk zijn ingelopen, volgens de specificaties van de fabrikant. Als de specifieke uitlaatemissies van de uit de serie genomen motor hoger zijn dan de in bijlage I, deel B, vermelde grenswaarden, kan de fabrikant verzoeken metingen uit te voeren op een steekproef van motoren uit de serie, met inbegrip van de oorspronkelijk uit de serie genomen motor. Deze steekproef moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XVII beschreven statistische methode."

10. In bijlage X, punt 5.3, wordt een nieuwe alinea toegevoegd:

"Voor de beoordeling van de overeenstemming met de uitlaatemissie-eisen moet de in bijlage XVII beschreven procedure worden toegepast."

11. Bijlage XIII wordt vervangen door de tekst in deel C van de bijlage van deze richtlijn.

12. De eerste zin van punt 1 in bijlage XIV wordt vervangen door het volgende:

"1. De instantie, de directeur ervan en het met de keuring belaste personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur zijn van de in artikel 1 genoemde producten die zij keuren, noch de gemachtigde van een der genoemde personen."

13. Bijlage XV wordt vervangen overeenkomstig deel D van de bijlage van deze richtlijn.

14. Bijlage XVI wordt toegevoegd overeenkomstig deel E van de bijlage van deze richtlijn.

15. Bijlage XVII wordt toegevoegd overeenkomstig deel F van de bijlage van deze richtlijn.

Artikel 2

Twee jaar na de tenuitvoerlegging van deze richtlijn door de lidstaten brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van een systeem om de overeenstemming van in gebruik zijnde vaartuigen te testen.

Artikel 3

1. De lidstaten dragen zorg voor aanneming en bekendmaking van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om uiterlijk in juni 2003 aan de voorschriften ervan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten passen deze bepalingen toe vanaf december 2003.

2. De lidstaten staan het in de handel brengen en in bedrijf stellen toe van producten die voldoen aan de voorschriften die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn op hun grondgebied van kracht zijn, en wel als volgt:

- tot december 2004 voor de producten als bedoeld onder artikel 1, lid 1, onder a),

- tot december 2004 voor compressieontstekingsmotoren en viertaktmotoren met vonkontsteking, en

- tot december 2005 voor tweetaktmotoren met vonkontsteking.

3. Wanneer de lidstaten de in het eerste lid bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. Hoe deze verwijzing moet plaatsvinden, wordt door de lidstaten vastgesteld.

4. De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

BIJLAGE

A - BIJLAGE I WORDT ALS VOLGT GEWIJZIGD:

1. De titel wordt vervangen door:

"BIJLAGE I: ESSENTIËLE EISEN

OPMERKING VOORAF

In deze bijlage worden onder "vaartuigen" pleziervaartuigen en waterscooters verstaan.

A. ESSENTIËLE VEILIGHEIDSEISEN VOOR HET ONTWERPEN EN BOUWEN VAN VAARTUIGEN."

2. De alinea onder punt 2, "Algemene eisen", wordt vervangen door:

"De in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde producten moeten aan de essentiële eisen beantwoorden voor zover deze erop van toepassing zijn."

3. In punt 2.2, "Plaatje van de bouwer", vierde streepje, wordt aan het einde van de zin toegevoegd:

"... waarbij het gewicht van de brandstof- en watertanks (indien vol) niet wordt meegerekend."

4. In punt 3.6, "Door de fabrikant aanbevolen maximale belasting", wordt de volgende zinsnede geschrapt:

"... en die op het plaatje van de bouwer vermeld moet worden ...".

5. Onder punt 5, "Eisen met betrekking tot de inrichting", wordt een nieuw punt toegevoegd:

"5.1.5 Waterscooters zonder bestuurder. Waterscooters moeten zijn uitgerust met een inrichting die de motor uitschakelt of een automatische schakelaar die de scooter met beperkte snelheid circulair voorwaarts laat bewegen wanneer de bestuurder afstapt of in het water valt."

6. De nieuwe delen B en C worden als volgt aan deze bijlage toegevoegd:

"B. ESSENTIËLE EISEN VOOR DE UITLAATEMISSIES VAN AANDRIJFMOTOREN

Aandrijfmotoren moeten aan de volgende essentiële eisen voor uitlaatemissies voldoen.

1. IDENTIFICATIE VAN DE MOTOR

1.1 Op iedere motor moet de volgende informatie duidelijk zijn vermeld:- handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant;

- motortype en, indien van toepassing, motorfamilie;

- een uniek identificatienummer;

- CE-markering, indien vereist volgens artikel 10.

1.2 Deze merktekens moeten voldoende duurzaam zijn voor de normale levensduur van de motor en moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. Als een etiket of plaatje wordt gebruikt, moet dit voldoende duurzaam voor de normale levensduur van de motor worden bevestigd en mogen de etiketten of plaatjes niet verwijderd kunnen worden zonder ze te vernietigen of beschadigen.

1.3 De merktekens moeten worden aangebracht op een onderdeel van de motor dat voor de normale werking nodig is en normaliter tijdens de levensduur van de motor niet wordt vervangen.

1.4 De merktekens moeten op zodanige plaats worden aangebracht dat zij voor de gemiddelde persoon gemakkelijk leesbaar zijn nadat de motor en alle voor de werking noodzakelijke onderdelen zijn gemonteerd.

2. EISEN VOOR UITLAATEMISSIES

Aandrijfmotoren moeten zodanig worden ontworpen, gebouwd en gemonteerd dat de emissies bij een juiste installatie en bij normaal gebruik niet boven de grenswaarden in de volgende tabel uitkomen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

-waarin A, B en n constanten zijn overeenkomstig de tabel, PN het nominale vermogen in kW is en de uitlaatemissies worden gemeten volgens de geharmoniseerde norm.

Voor motoren met een vermogen van meer dan 130 kW mag de belastingscyclus E3 (IMO) of E5 (pleziervaartuigen) worden gebruikt.

Bij de emissieproeven moeten de in Richtlijn 98/69/EG gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt (bijlage XI, tabellen 2 en 3)

3. DUURZAAMHEID

Indien de door de fabrikant van de motor te verstrekken installatie- en onderhoudshandleiding wordt nageleefd, moet de motor bij normaal gebruik en in normale gebruiksomstandigheden gedurende de normale levenscyclus aan de hierboven vermelde grenswaarden blijven voldoen.

De fabrikant moet deze informatie verkrijgen door van tevoren duurzaamheidsproeven op basis van een normale werking uit te voeren en door de vermoeidheid van de onderdelen te berekenen, zodat hij de noodzakelijke onderhoudsinstructies kan opstellen en deze kan verstrekken bij alle nieuwe, voor het eerst in de handel gebrachte motoren.

Onder normale levenscyclus voor motoren wordt verstaan:

- voor binnenboord- en hekmotoren: 480 uur of, indien dit eerder het geval is, 10 jaar;

- voor waterscootermotoren: 350 uur of, indien dit eerder het geval is, 5 jaar;

- voor buitenboordmotoren: 350 uur of, indien dit eerder het geval is, 10 jaar.

4. HANDLEIDING

Elke motor moet voorzien zijn van een handleiding in de overeenkomstig het Verdrag door de lidstaat waar de motor in de handel wordt gebracht bepaalde taal (talen) van de Gemeenschap. De volgende gegevens moeten in deze handleiding zijn vermeld:

- installatie- en onderhoudsinstructies die nodig zijn voor een goede werking van de motor teneinde aan de eisen van punt 3 (Duurzaamheid) te voldoen;

- het vermogen van de motor gemeten volgens de geharmoniseerde norm.

C. ESSENTIËLE EISEN VOOR GELUIDSEMISSIES

Pleziervaartuigen met binnenboord- of hekmotor, waterscooters en buitenboordmotoren moeten aan de volgende essentiële eisen voor geluidsemissies voldoen.

1. GELUIDSEMISSIENIVEAUS

1.1 Pleziervaartuigen met binnenboord- of hekmotor, waterscooters en buitenboordmotoren moeten zo worden ontworpen, gebouwd en gemonteerd dat de geluidsemissies, gemeten door middel van proeven die zijn gedefinieerd in de geharmoniseerde normen, niet hoger zijn dan de grenswaarden in de volgende tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

-waarin PN = nominaal vermogen van de motor in kW bij nominaal toerental en LpASmax = maximaal geluidsdrukniveau in dB.

Voor twee- en meermotorige eenheden mag de grenswaarde met 3 dB worden verhoogd.

1.2 Als alternatief voor geluidsmetingen worden pleziervaartuigen met een binnenboord- of hekmotor geacht in overeenstemming met deze geluidseisen te zijn als hun belangrijkste ontwerpkenmerken overeenkomen of, binnen in de geharmoniseerde norm vastgelegde grenzen, vergelijkbaar zijn met die van een gecertificeerd referentievaartuig.

1.3 Onder "gecertificeerd referentievaartuig" wordt verstaan een specifieke combinatie van een romp en een binnenboord- of hekmotor die in overeenstemming met de geluidseisen is bevonden volgens metingen overeenkomstig punt 1.1 en waarvan alle relevante ontwerpkenmerken en de metingen van het geluidsniveau vervolgens zijn opgenomen in de gepubliceerde lijst van gecertificeerde referentievaartuigen.

2. HANDLEIDING

De in bijlage I, deel A, punt 2.5, bedoelde handleiding voor pleziervaartuigen met binnenboord- of hekmotor en voor waterscooters moet de noodzakelijke informatie bevatten om het vaartuig en de uitlaatinrichting in zodanige conditie te houden dat, voor zover praktisch mogelijk, bij normaal gebruik de gespecificeerde geluidsgrenswaarden niet worden overschreden.

De in bijlage I, deel B, punt 4, bedoelde handleiding voor buitenboordmotoren moet de noodzakelijke instructies bevatten om de buitenboordmotor in zodanige conditie te houden dat, voor zover praktisch mogelijk, bij normaal gebruik de gespecificeerde geluidsgrenswaarden niet worden overschreden."

--------------------

B - BIJLAGE VI WORDT VERVANGEN DOOR:

"BIJLAGE VI: INTERNE FABRICAGECONTROLE PLUS PROEVEN (module A bis, optie 1)

Deze module komt overeen met module A als opgenomen in bijlage V, aangevuld met de volgende bepalingen:

A. Ontwerp en bouw

Door de fabrikant of voor zijn rekening worden op een of meer vaartuigen die representatief zijn voor de productie van de fabrikant een of meer van de volgende proeven, daarmee gelijkstaande berekeningen of controles uitgevoerd:

- stabiliteitsproef volgens punt 3.2 van de essentiële eisen;

- beproeving van het drijfvermogen als omschreven in punt 3.3 van de essentiële eisen.

Voor beide geldt, dat de proeven, berekeningen of controles moeten worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie.

B. Geluidsemissies

Pleziervaartuigen met binnenboord- of hekmotor en motorscooters:

De in bijlage I, deel C, gespecificeerde geluidsemissieproeven moeten door de fabrikant of voor zijn rekening, onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie, worden uitgevoerd op een of meer vaartuigen die representatief zijn voor de productie van de fabrikant.

Buitenboordmotoren:

De in bijlage I, deel C, gespecificeerde geluidsemissieproeven moeten door de fabrikant of voor zijn rekening, onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie, worden uitgevoerd op een of meer motoren van iedere motorfamilie die representatief zijn voor de productie van de fabrikant.

Als meer dan een motor van een motorfamilie wordt getest, moet de in bijlage XVII beschreven statistische methode worden toegepast om de conformiteit van de steekproef te waarborgen."

--------------------

C - BIJLAGE XIII WORDT VERVANGEN DOOR:

"BIJLAGE XIII: DOOR DE FABRIKANT GELEVERDE TECHNISCHE DOCUMENTATIE

De in de bijlagen V, VII, VIII, IX en XI bedoelde technische documentatie moet de middelen aangeven die door de fabrikant zijn gebruikt om te garanderen dat de onderdelen of vaartuigen aan de desbetreffende essentiële eisen voldoen of alle relevante gegevens terzake bevatten.

De technische documentatie moet inzicht geven in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het product en mogelijk maken te beoordelen of aan de eisen van de richtlijn is voldaan.

De technische documentatie omvat, voorzover dat voor de beoordeling noodzakelijk is:

- een algemene beschrijving van het product;

- ontwerp- en fabricagetekeningen, alsook schema's van delen, onderdelen, leidingen enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en schema's en van de werking van het product;

- een lijst van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de essentiële eisen van de richtlijn te voldoen ingeval de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet zijn toegepast;

- uitkomsten van voor het ontwerp uitgevoerde berekeningen, onderzoeken enz.;

- testrapporten of berekeningen, met name betreffende de stabiliteit volgens punt 3.2 van de essentiële eisen en het drijfvermogen volgens punt 3.3 van de essentiële eisen (bijlage I, deel A);

- rapporten van de uitlaatemissieproeven volgens punt 2 van de essentiële eisen (bijlage I, deel B);

- rapporten van de geluidsemissieproeven of referentievaartuiggegevens volgens punt 1 van de essentiële eisen (bijlage I, deel C)."

--------------------

D - BIJLAGE XV WORDT VERVANGEN DOOR:

"BIJLAGE XV: SCHRIFTELIJKE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING

1. De schriftelijke verklaring van overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn vergezelt altijd:

- het pleziervaartuig of de waterscooter en moet bij de handleiding (bijlage I, deel A, punt 2.5) worden gevoegd;

- de onderdelen als bedoeld in bijlage II;

- aandrijfmotoren, en moet bij de handleiding (bijlage I, deel B, onder 4) worden gevoegd.

2. De schriftelijke verklaring van overeenstemming bevat de volgende gegevens [15]:

[15] En moet in de in bijlage I, deel A, punt 2.5, bedoelde taal/talen zijn gesteld.

- naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde [16];

[16] Bedrijfsnaam, volledig adres; in het geval van een gemachtigde worden eveneens de bedrijfsnaam en het adres van de fabrikant opgegeven.

- beschrijving van het in punt 1 gedefinieerde product [17];

[17] Beschrijving van het merk, type en serienummer (in voorkomend geval).

- verwijzing naar de toegepaste relevante geharmoniseerde normen of naar de specificaties waarop de verklaring van overeenstemming betrekking heeft;

- in voorkomend geval, verwijzing naar de door een aangemelde instantie afgegeven verklaring van EG-typeonderzoek;

- in voorkomend geval, naam en adres van de aangemelde instantie;

- identiteit van de ondertekenaar die bevoegd is namens de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde te tekenen.

3. Voor binnenboord- en hekmotoren moet de verklaring van overeenstemming behalve de in punt 2 vermelde informatie ook een verklaring van de fabrikant bevatten dat de motor, als deze volgens de instructies van de fabrikant in een pleziervaartuig wordt geïnstalleerd, voldoet aan de uitlaatemissie-eisen van deze richtlijn en dat de motor niet in bedrijf mag worden gesteld voordat het desbetreffende pleziervaartuig in overeenstemming met de relevante bepaling van de richtlijn is verklaard."

--------------------

E - BIJLAGE XVI WORDT AAN RICHTLIJN 94/25/EG TOEGEVOEGD:

"BIJLAGE XVI: PRODUCTKWALITEITSBORGING (MODULE E) - UITLAATEMISSIES

1. Deze module beschrijft de procedure volgens welke de motorfabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en aan de eisen van de toepasselijke richtlijnen voldoen. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder product de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op. De CE-markering gaat vergezeld van het identificatiesymbool van de aangemelde instantie die is belast met het in punt 4 beschreven toezicht.

2. De fabrikant past een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor eindproductcontrole en -beproeving toe, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan toezicht, als omschreven in punt 4.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient voor de betrokken producten bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag omvat:

- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie producten;

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- in voorkomend geval, de technische documentatie over het goedgekeurde type en een kopie van de verklaring van EG-typeonderzoek.

3.2. In het kader van het kwaliteitssysteem moet ieder product worden onderzocht en moeten passende proeven overeenkomstig de in artikel 5 bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven worden uitgevoerd om de overeenstemming van het product met de relevante eisen van deze richtlijn te controleren. Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde maatregelen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem moet ervoor zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -dossiers door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.

Zij moet met name een behoorlijke beschrijving bevatten van:

- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;

- de onderzoeken en proeven die na de fabricage worden uitgevoerd;

- de middelen om controle uit te oefenen op de effectieve werking van het kwaliteitssysteem;

- kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, testgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen.

Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast.

Ten minste één lid van het beoordelingsteam moet als beoordelaar ervaring hebben met de desbetreffende technologie. De beoordelingsprocedure omvat een controlebezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en dit systeem op passende en doeltreffende wijze te onderhouden.

De fabrikant of zijn gemachtigde brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- de technische documentatie;

- de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, testgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.

4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een controleverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigd bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voorzover van toepassing, een testrapport.

5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, derde streepje, bedoelde documentatie;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;

- de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

6. Iedere aangemelde instantie geeft relevante informatie over de afgifte en intrekking van de goedkeuring van het kwaliteitssysteem aan de andere aangemelde instanties door."

--------------------

F - BIJLAGE XVII WORDT AAN RICHTLIJN 94/25/EG TOEGEVOEGD:

"BIJLAGE XVII: BEOORDELING VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE UITLAATEMISSIES VAN EEN PRODUCTIE

1. Om de overeenstemming van een motorfamilie te controleren, wordt een steekproef uit de serie motoren genomen. De fabrikant beslist, in overleg met de aangemelde instantie, over de omvang (n) van de steekproef.

2. Het rekenkundig gemiddelde X van de steekproefresultaten wordt voor ieder gereglementeerd bestanddeel van de uitlaat- en geluidsemissie berekend. De productie van de serie wordt geacht aan de eisen te voldoen (goedkeuring) als aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:

// X + k . S <= L

// S is de standaardafwijking, waarvoor geldt:

// S = ( (x - X) / (n - 1)

// X = het rekenkundig gemiddelde van de resultaten;

// x = de individuele resultaten van de steekproef;

// L = de desbetreffende grenswaarde;

// n = het aantal motoren in de steekproef;

// k = statistische factor die van n afhangt, zie tabel.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER

EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

TITEL VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen.

REFERENTIENUMMER VAN HET DOCUMENT:

1. Voorstel

Het specifieke doel van de maatregel is de voltooiing van de interne markt op het gebied van pleziervaartuigen. Hiertoe moeten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarop Richtlijn 94/25/EG nog niet van toepassing is, worden geharmoniseerd.

Met dit op artikel 95 van het EU-Verdrag gebaseerde voorstel voor een richtlijn wordt Richtlijn 94/25/EG betreffende pleziervaartuigen gewijzigd. Dit voorstel voor een nieuwe-aanpakrichtlijn legt alleen essentiële eisen voor de betrokken producten vast en beoogt de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

a) opname van essentiële eisen voor de beperking van de geluids- en uitlaatemissies van de motoren van deze vaartuigen en van waterscooters en opname van de eisen voor het ontwerp en de bouw van waterscooters.

Hiermee worden de volgende doelstellingen beoogd:

- bescherming van de gezondheid van gebruikers en derden;

- het opheffen van de bestaande belemmeringen, die het gevolg zijn van de uiteenlopende regelgevingen, en het voorkomen van nieuwe belemmeringen;

- bijdragen aan de milieubescherming door beperking van de geluids- en uitlaatemissies van de motoren van pleziervaartuigen (inclusief waterscooters) tot een technisch aanvaardbaar niveau;

- het scheppen van een gunstig kader met homogene concurrentievoorwaarden dat de industrie in staat stelt te profiteren van de interne markt en, bijgevolg, bij te dragen aan de verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie;

b) wijziging van bepaalde bestaande bepalingen van de bovengenoemde richtlijn, met name met betrekking tot de procedures voor de overeenstemmingsbeoordeling.

2. Effect op het bedrijfsleven

2.1. Fabrikanten van motoren voor vaartuigen

a) Kenmerken van de betrokken bedrijven

De bedrijfstak die motoren voor vaartuigen produceert, telt een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen en enkele grote ondernemingen. In totaal betreft het in de Europese Unie 87 eenheden die werk bieden aan 13 320 mensen (gemiddeld 150 werknemers per onderneming). Van deze ondernemingen behoren er 67 tot het MKB; zij bieden werk aan 2 620 mensen (gemiddeld 40 werknemers per onderneming). De productie van deze ondernemingen beperkt zich niet uitsluitend tot motoren voor pleziervaartuigen in de zin van Richtlijn 94/25/EG. Doorgaans worden ook motoren geproduceerd voor diverse andere activiteiten, met name voor landbouw- en vervoerstoepassingen. Heel vaak worden de geproduceerde motoren pas later geschikt gemaakt voor de voortstuwing van vaartuigen, waaronder pleziervaartuigen. Daarom is het marktaandeel van motoren die uitsluitend voor pleziervaartuigen zijn bestemd, moeilijk te beoordelen.

(Bron: ICOMIA-verslag 1997)

b) Geografische spreiding van de bedrijven en van de markt

De bedrijfstak die pleziervaartuigen produceert is in alle lidstaten, met uitzondering van Luxemburg, vertegenwoordigd en telt in totaal 90 502 werknemers en 14 373 productie-eenheden. De bedrijven zijn in enkele lidstaten geconcentreerd. De meeste ondernemingen zijn te vinden in Frankrijk (3 000), gevolgd door Nederland (1 525), Duitsland (2 500), het Verenigd Koninkrijk (3 000), Spanje (1 310) en Italië (700).

In vijf lidstaten (Finland, Griekenland, Ierland, Luxemburg en Portugal) zijn geen ondernemingen gevestigd die motoren voor pleziervaartuigen produceren. Deze bedrijfstak is vooral in Italië geconcentreerd (40 ondernemingen), gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (20 ondernemingen), Duitsland (10 ondernemingen) en Frankrijk (3 ondernemingen).

Veel van deze ondernemingen (voor pleziervaartuigen en/of motoren) houden zich echter uitsluitend bezig met de invoer en distributie en/of assemblage van deze producten.

(Bron: ICOMIA e.a.)

c) In welke regio's bevinden deze ondernemingen zich-

De bedrijfstak die motoren voor pleziervaartuigen produceert, is in diverse regio's van de in punt 2.1, onder b, genoemde lidstaten gevestigd. Het is onmogelijk alle regio's op te noemen waar deze bedrijfstak is geconcentreerd.

De drie grootste ondernemingen van het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd in de graafschappen Lancashire, Dorset en Gloucestershire, die van Frankrijk in de Gironde, die van Italië in Lombardije en Emilia e Romagna en die van Nederland in Overijssel en Zuid-Holland.

Deze regio's ontvangen geen structurele steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

2.2. Fabrikanten van waterscooters

De productie van waterscooters is sterk in opkomst. De wereldmarkt is in handen van drie grote ondernemingen, Bombardier, Kawasaki en Yamaha, die samen een marktaandeel van meer dan 95 % hebben.

De groei van deze markt is vooral het gevolg van de uitbreiding van het aantal typen waterscooters, waardoor ook de gebruiksmogelijkheden zijn toegenomen. In 1998 werden in de EU en in de landen van de EER 10 789 waterscooters verkocht. De lidstaten met de hoogste verkoopcijfers waren Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Portugal, de Scandinavische landen en Italië. In verhouding tot het aantal inwoners werden de meeste waterscooters in Portugal en Frankrijk verkocht. Er is geen informatie voorhanden over het aantal werknemers en het aantal (kleine en middelgrote) ondernemingen in deze bedrijfstak.

3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen-

Zoals in punt 1 is vermeld, worden met dit voorstel enkele bestaande bepalingen (betreffende de fabricage van pleziervaartuigen en waterscooters) gewijzigd en worden nieuwe bepalingen (betreffende de emissies van motoren van pleziervaartuigen en waterscooters) toegevoegd.

Wat de fabricage van pleziervaartuigen en waterscooters betreft, biedt het voorstel fabrikanten meer mogelijkheden bij de keuze van certificeringsprocedures voor deze vaartuigen. Hierdoor kunnen fabrikanten naar eigen goeddunken gebruikmaken van diverse beschikbare technieken om hun producten te beoordelen of te laten beoordelen.

Wat de beperking van emissies betreft, bevat het voorstel:

- essentiële eisen ter bescherming van het milieu en van de gezondheid van gebruikers en derden, die gelden voor de motoren van pleziervaartuigen en waterscooters die in de Europese Unie in de handel worden gebracht. Voor de toepassing van deze bepalingen zijn verschillende termijnen vastgesteld (naar gelang van de moeilijkheden waarmee de toepassing gepaard gaat). Deze eisen krijgen concreter vorm in geharmoniseerde normen die door de Europese normalisatie-instellingen CEN/CENELEC worden opgesteld en waarvan de toepassing op vrijwillige basis geschiedt;

- op de betrokken risico's toegesneden procedures voor de beoordeling van de overeenstemming van deze producten (emissiegrenswaarden voor motoren). Uitlaatemissies kunnen door een derde partij worden gecontroleerd. Om herhaling van proeven te voorkomen, is voor de controle van geluidsemissies de mogelijkheid geschapen gebruik te maken van een referentievaartuig. Als de fabrikant hiervan gebruikmaakt, vindt de overeenstemmingsbeoordeling onder zijn verantwoordelijkheid plaats, zonder betrokkenheid van een derde partij.

4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben:

a) voor de werkgelegenheid-

De twee voornaamste wijzigingen van Richtlijn 94/25/EG (uitbreiding van het toepassingsgebied tot waterscooters en emissies) hebben geen specifieke gevolgen voor de werkgelegenheid. Het betreft essentiële eisen voor de fabricage van waterscooters en grenswaarden voor de emissies van motoren.

Voor de fabricage van waterscooters zijn de bestaande eisen van toepassing op deze nieuwe producten, die net als pleziervaartuigen aan de desbetreffende geharmoniseerde normen moeten voldoen, en houden geen ingrijpende verandering in. Het vaststellen van grenswaarden voor emissies is ingrijpender, aangezien bij de fabricage nieuwe technologieën moeten worden gebruikt.

Dit leidt in principe niet tot nieuwe taken (en dus extra werkgelegenheid). De werkgelegenheid kan wel groeien als gevolg van een toegenomen vraag door de marktontwikkeling of door een groter vertrouwen van gebruikers in de nieuwe producten.

b) voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven-

In principe leidt het voorstel niet direct tot de oprichting van nieuwe ondernemingen. Er zal echter wel moeten worden geïnvesteerd in de nieuwe technologieën die nodig zijn om aan de vastgestelde emissiegrenswaarden te voldoen. De beschikbare informatie wijst erop dat de fabrikanten al bezig zijn hun fabricagetechnieken aan de eisen van de richtlijn aan te passen; de veranderingen zijn dus al in gang gezet. De overgangsperioden leiden er bovendien toe dat de aanpassing aan de nieuwe bepalingen gefaseerd plaatsvindt, zonder grote negatieve gevolgen.

c) voor het concurrentievermogen van de bedrijven-

De aanpassing aan de nieuwe eisen, voorzover nog nodig gezien de bovengenoemde vrijwillige aanpassing, en de toepassing van de kwaliteitsbeginselen (grenswaarden en overeenstemmingsbeoordeling) leiden in eerste instantie tot extra kosten.

Als deze aanpassingen echter gefaseerd worden uitgevoerd binnen een passend tijdsbestek, zullen de ondernemingen na verloop van tijd profiteren van de toegenomen efficiëntie.

De kostprijs van een geharmoniseerde regelgeving is lager dan die van de bestaande of eventueel te creëren verschillende regelgevingen. Een Europese markt brengt bovendien schaalvoordelen met zich mee. Deze voordelen worden in het algemeen aan alle harmoniseringsmaatregelen toegeschreven (zie COM(96) 520 "Impact en doeltreffendheid van de interne markt"), en worden ook genoemd in de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999.

Ondernemingen moeten weliswaar het hoofd bieden aan een sterkere concurrentie van binnen en buiten de Gemeenschap, maar de bovengenoemde effecten van het voorstel zullen de internationale concurrentiekracht van Europese ondernemingen vergroten.

Als de communautaire wetgeving is goedgekeurd, kan de Gemeenschap deze gebruiken in de internationale onderhandelingen over uitbreiding van de met de VS en Canada gesloten Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning (OWE) betreffende de bepalingen van Richtlijn 94/25/EG en hiermee de voorwaarden waaronder de Europese industrie toegang heeft tot derde landen, verbeteren.

5. Maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen

Het voorstel bevat specifieke maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen, met name om rekening te houden met hun behoefte aan flexibele procedures, waarbij bureaucratie zo veel mogelijk wordt vermeden.

Het uitgangspunt dat de richtlijn zich beperkt tot essentiële eisen die worden uitgewerkt in vrijwillige geharmoniseerde normen, biedt reeds de nodige flexibiliteit voor de tenuitvoerlegging. De beschikbaarstelling van deze geharmoniseerde normen maakt het, met name voor het MKB, eenvoudiger de bepalingen van de richtlijn na te leven.

Bovendien biedt het voorstel meer keuzemogelijkheden voor certificeringsprocedures voor de fabricage van pleziervaartuigen en waterscooters, terwijl voor de controle van geluidsemissies een systeem wordt voorgesteld dat gebruikmaakt van een referentievaartuig. Met dit systeem kunnen fabrikanten de procedure ter beoordeling van overeenstemming van motoren voor pleziervaartuigen onder eigen verantwoordelijkheid en zonder betrokkenheid van een derde partij uitvoeren.

Het is tevens de bedoeling de Europese federaties die het MKB vertegenwoordigen, met name het BEUC, nauw bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn te betrekken en via de Info Centres praktische informatie te verspreiden die voor het MKB van belang kan zijn.

6. Geraadpleegde sociale partners en hun standpunt

De Commissie heeft vanaf de eerste werkzaamheden in 1997 door middel van diverse werkdocumenten de desbetreffende bedrijfstakken bij dit voorstel betrokken. Er zijn vier overlegbijeenkomsten gehouden om deze werkdocumenten te onderzoeken. Bovendien heeft schriftelijke raadpleging plaatsgevonden, met name over de laatste versie.

De volgende federaties en organisaties zijn geraadpleegd:

a) fabrikanten:

- ICOMIA (International Council of Marine Industry Associations),

- IMEC (ICOMIA Marine Environment Committee),

- EUROMOT (European Association of Internal Combustion Engine Manufacturers);

b) gebruikers:

- EBA (Europese vereniging voor pleziervaart);

c) overige:

- CEN (Europese commissie voor normalisatie),

- RSG (Recreational craft Sectoral Group).

Bovendien hebben verscheidene nationale federaties hun mening over het voorstel gegeven.

De betrokken partijen hebben de noodzaak erkend de bestaande bepalingen in een richtlijn te harmoniseren en hebben na discussie ingestemd met de beginselen van het voorstel, met name met de invoering van een vereenvoudigd systeem waarmee de fabrikant de geluidsemissies kan certificeren (door middel van een referentievaartuig).

Top