This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32025R2547
Commission Implementing Regulation (EU) 2025/2547 of 10 December 2025 laying down rules for the application of Regulation (EU) 2023/956 of the European Parliament and the Council as regards the methods for the calculation of emissions embedded in goods
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2547 van de Commissie van 10 december 2025 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de methoden voor de berekening van ingebedde emissies in goederen
Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2547 van de Commissie van 10 december 2025 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de methoden voor de berekening van ingebedde emissies in goederen
C/2025/8151
PB L, 2025/2547, 22.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2547/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/2547 |
22.12.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/2547 VAN DE COMMISSIE
van 10 december 2025
tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de methoden voor de berekening van ingebedde emissies in goederen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (1), en met name artikel 7, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EU) 2023/956 moeten ingebedde emissies in goederen die vanaf 2026 in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd, ongeacht of deze worden bepaald op basis van werkelijke of standaardwaarden, worden berekend volgens de methoden van bijlage IV bij die verordening. Dergelijke berekeningsmethoden moeten voortbouwen op de methode die van toepassing is in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten voor installaties in de Unie (EU-ETS), zoals gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie (2). |
|
(2) |
De toepasselijke methode voor de berekening van ingebedde emissies gedurende de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2025 is vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1773 van de Commissie (3). Tijdens die overgangsperiode heeft de Commissie waardevolle ervaring opgedaan en informatie verzameld van belanghebbenden, deskundigen en rapporterende aangevers. Parallel aan het technisch overleg met de lidstaten, onder meer op deskundigenniveau, heeft de Commissie uitgebreid overleg gepleegd met relevante belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van de bedrijfstak, om input te verzamelen bij haar voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de in deze verordening vastgestelde regels. |
|
(3) |
Op basis van de tijdens de overgangsperiode opgedane ervaring moet de berekeningsmethode worden aangepast om de doeltreffendheid van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM) te waarborgen. Dergelijke aanpassingen moeten erop gericht zijn de nauwkeurigheid van de berekeningen van ingebedde emissies van goederen te verbeteren, het risico op omzeiling van de CBAM-verplichtingen te verminderen, ervoor te zorgen dat de naleving van de monitoring- en berekeningsregels naar behoren kan worden geverifieerd, en de consistentie met het EU-ETS te handhaven, en tegelijkertijd de administratieve lasten voor exploitanten, toegelaten CBAM-aangevers, bevoegde autoriteiten en de Commissie te beperken. |
|
(4) |
Om de ingebedde emissies van goederen te kwantificeren en te berekenen, moeten systeemgrenzen worden vastgesteld. De systeemgrenzen moeten worden afgestemd op die welke onder het EU-ETS vallen. |
|
(5) |
Om de specifieke ingebedde emissies van goederen te kwantificeren en te berekenen, moeten exploitanten de emissies op installatieniveau monitoren, bepalen welke van die emissies aan een productieproces moeten worden toegekend en die emissies vervolgens toekennen aan goederen die onder dat productieproces vallen. |
|
(6) |
Om de emissies op installatieniveau te bepalen die aan goederen kunnen worden toegekend, moeten productieprocessen worden gedefinieerd voor goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is. De functionele eenheid moet, als algemene regel, het aantal ton goederen zijn onder dezelfde GN-code die in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 is vermeld. Aangezien de emissies voor cement en meststoffen echter afhankelijk zijn van respectievelijk het klinkergehalte en het stikstofgehalte in de goederen, moeten de functionele eenheden het aantal ton klinker en ton stikstof in die goederen zijn. Voor sommige meststoffen is een aanvullende eenheid beschikbaar voor het meten van andere aspecten dan het gewicht van goederen, zoals vastgesteld in de bijlagen bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (4), om rekening te houden met de verschillen in de samenstelling tussen goederen van dezelfde GN-code. In die gevallen moet die aanvullende eenheid de functionele eenheid vormen. De functionele eenheden voor ijzer en staal moeten volgens de algemene regel worden bepaald, aangezien de GN-codes al differentiatie toestaan bij de berekening van ingebedde emissies. Voor aluminium en waterstof volstaat de algemene regel om een functionele eenheid te definiëren die goederen omvat die qua kwaliteit en samenstelling voldoende vergelijkbaar zijn om de definitie van een uniek productieproces voor de berekening van ingebedde emissies te rechtvaardigen. |
|
(7) |
Om afwijkingen in de berekening van de emissies van goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is, te voorkomen, moet, wanneer dergelijke goederen worden geproduceerd via verschillende productieroutes binnen een installatie, het productieproces voor dergelijke goederen niet voor elke productieroute verschillend zijn, maar alle productieroutes omvatten, wat betekent dat de emissies die kunnen worden toegekend aan goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is, het gewogen gemiddelde moeten zijn van de emissies van alle productieroutes die binnen de installatie worden gebruikt om goederen te produceren waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is. |
|
(8) |
Om de nauwkeurigheid van het emissiemonitoringproces te waarborgen, moeten specifieke monitoringregels worden vastgesteld, met inbegrip van regels die van toepassing zijn op precursoren. Die regels moeten in overeenstemming zijn met de betreffende monitoringregels van het EU-ETS. |
|
(9) |
Ter ondersteuning van de berekening en verificatie van de werkelijke ingebedde emissies overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2023/956 en de evaluatie van de CBAM-aangiften overeenkomstig artikel 19, lid 2, van die verordening, moeten exploitanten in een monitoringplan de belangrijkste methodologische criteria vaststellen die ten grondslag liggen aan de verzameling van gegevens in de installatie gedurende het jaar en aan de berekening van emissies. Om ervoor te zorgen dat het monitoringplan de elementen bevat die nodig zijn voor verificatie, moet een model met de minimumvereisten worden vastgesteld. Om een efficiënt verificatie- en evaluatieproces van CBAM-aangiften door de Commissie en de bevoegde autoriteiten te waarborgen, moeten de monitoringplannen worden ingediend in een taal die algemeen wordt gebruikt en begrepen voor de monitoring, berekening en verificatie van emissies. |
|
(10) |
Om specifieke ingebedde emissies van goederen die onder een productieproces vallen, te kwantificeren en te berekenen, moeten regels worden vastgesteld voor de toekenning van emissies van een productieproces aan goederen. |
|
(11) |
De bewijselementen die vereist zijn om toegelaten CBAM-aangevers in staat te stellen de werkelijke waarden voor elektriciteit en voor elektriciteit die wordt verbruikt in het productieproces van goederen te rapporteren overeenkomstig artikel 7, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2023/956, moeten voldoende zekerheid bieden dat aan de criteria van de punten 5 en 6 van bijlage IV bij die verordening is voldaan. |
|
(12) |
Om de geaccrediteerde verificateur in staat te stellen te controleren of aan de criteria voor het gebruik van werkelijke waarden voor indirecte emissies is voldaan, moeten de exploitant van de installatie die elektriciteit produceert en de exploitant van de installatie die die elektriciteit gebruikt om een goed te produceren, de nodige informatie opnemen in hun emissieverslagen. Aangezien van de exploitanten moet worden verlangd dat zij, om te voldoen aan de criteria van punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, aantonen dat elektriciteit waarvoor de werkelijke emissies worden gevraagd, daadwerkelijk stroomt van de installatie waar zij wordt geproduceerd naar de installatie waar die elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van goederen, en aangezien de stroom van elektriciteit voor dit doel moet worden gemeten via slimme-metersystemen in beide installaties, moeten de gegevens van de slimme-metersystemen door elke exploitant aan de respectieve verificateur worden verstrekt. |
|
(13) |
Om de geaccrediteerde verificateur in staat te stellen te controleren of aan de criteria voor het gebruik van de werkelijke waarden voor in het douanegebied van de Unie ingevoerde elektriciteit is voldaan, moeten exploitanten van installaties die elektriciteit produceren in een derde land de nodige informatie opnemen in het emissieverslag. Hiertoe moeten exploitanten, aangezien zij mogelijk geen rechtstreekse toegang hebben tot de relevante bewijselementen, mogelijk bepaalde bewijselementen ontvangen van andere personen, waaronder de toegelaten CBAM-aangever, de importeur en de transmissiesysteembeheerder, onder meer om aan te tonen dat er geen fysieke netwerkcongestie is overeenkomstig punt 5, b), van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, of om aan te tonen dat er interconnectiecapaciteit is genomineerd voor de invoer van elektriciteit overeenkomstig punt 5, d), van bijlage IV bij die verordening. |
|
(14) |
Om de berekening van ingebedde emissies voor de exploitanten eenvoudig te houden, moeten, wanneer een installatie die goederen produceert die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 en niet zijn opgenomen in bijlage II bij die verordening, tijdens een verslagperiode elektriciteit ontvangt van verschillende installaties of bronnen, de indirecte ingebedde emissies van de goederen standaard worden bepaald als het gewogen gemiddelde van de ingebedde emissies van de elektriciteit die van verschillende installaties wordt ontvangen. Om de evenredigheid met betrekking tot deze standaardmethode te waarborgen, mogen, wanneer de exploitanten kunnen aantonen dat de installatie die niet in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 vermelde goederen produceert, voor een productieproces alleen elektriciteit uit een bepaalde bron of installatie of uit een subset van bronnen of installaties heeft gebruikt, de indirecte ingebedde emissies van goederen waarop dat productieproces van toepassing is, afzonderlijk worden bepaald. |
|
(15) |
Om de verificateur in staat te stellen met redelijke zekerheid te concluderen dat het emissieverslag van de exploitant geen materiële onjuistheden bevat en om de Commissie en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de CBAM-verklaring te evalueren, risicobeoordelingen uit te voeren en praktijken van omzeiling van de in deze verordening vastgestelde regels te voorkomen, moet het emissieverslag van de exploitant informatie bevatten over de installatie en de geproduceerde goederen, met inbegrip van hun specifieke ingebedde emissies, alsook andere informatie die controles op de nauwkeurigheid van de berekening van de specifieke ingebedde emissies vergemakkelijkt. Aangezien de berekening van de aanpassing voor gratis toewijzing afhankelijk is van gegevens van de installatie, moet het emissieverslag ook informatie bevatten die relevant is voor de berekening van de aanpassing voor gratis toewijzing overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) 2023/956. Om een efficiënt verificatie- en evaluatieproces van CBAM-aangiften door de Commissie en de bevoegde autoriteiten te waarborgen, moeten de emissieverslagen van de exploitant worden ingediend in een taal die algemeen wordt gebruikt en begrepen voor de monitoring, berekening en verificatie van emissies. |
|
(16) |
Vanwege de commercieel gevoelige en persoonlijke aard van sommige gegevens die verband houden met het aantonen dat aan de criteria van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, moeten exploitanten in voorkomend geval een aangeverspecifiek addendum bij het emissieverslag van de exploitant opstellen, dat niet mag worden bekendgemaakt aan andere toegelaten CBAM-aangevers dan die waarnaar het verwijst. |
|
(17) |
Vanwege de commercieel gevoelige aard van sommige gegevenselementen in het emissieverslag van de exploitant moeten exploitanten een beknopte versie van dat verslag opstellen die in het verificatieverslag moet worden opgenomen en toegankelijk moet worden gemaakt voor toegelaten CBAM-aangevers. Wanneer exploitanten overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2023/956 in het CBAM-register zijn geregistreerd, moeten de exploitanten ervoor kunnen kiezen om aan de toegelaten CBAM-aangever alleen de beknopte versie van het emissieverslag van de exploitant en, indien van toepassing, het relevante aangeverspecifieke addendum bij het emissieverslag van de exploitant bekend te maken. |
|
(18) |
Om de naleving van de in deze verordening vastgestelde regels inzake monitoring en berekening van emissies te waarborgen, moeten exploitanten in het monitoringplan en het emissieverslag van de exploitant alle onjuistheden, non-conformiteiten en gevallen van niet-naleving corrigeren die door de verificateur in het kader van de verificatieactiviteit zijn gemeld. Na een dergelijke correctie moeten exploitanten de definitieve versie van het document aan de verificateur verstrekken. Om de volledigheid te waarborgen van de informatie die nodig is om ingebedde emissies in samengestelde goederen te berekenen en te verifiëren, moeten exploitanten, wanneer het emissieverslag van de exploitant werkelijke ingebedde emissies van precursoren bevat die niet in de installatie zijn geproduceerd, de verificateur ook het verificatieverslag van de producerende installatie verstrekken. |
|
(19) |
De standaardwaarden moeten voor elk derde land en voor elk van de goederen worden vastgesteld op basis van een methode die gebaseerd is op de meest recente en betrouwbare informatie en die rekening houdt met de beschikbaarheid van betrouwbare gegevens in derde landen. Wanneer de Commissie alternatieve betrouwbare gegevens ontvangt waaruit blijkt dat de standaardwaarden te hoog of te laag zijn, moet zij de toepasselijke standaardwaarden herzien. |
|
(20) |
Voor indirecte emissies moet de standaardwaarde worden berekend op basis van het gemiddelde van de emissiefactor van het elektriciteitsnet van het land van oorsprong. Een dergelijke berekeningsmethode is het meest geschikt om zowel koolstoflekkage te voorkomen als de milieu-integriteit van het CBAM in stand te houden, aangezien zij de inspanningen van de elektriciteitsnetten van derde landen om de economie koolstofvrij te maken zo goed mogelijk weerspiegelt en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming tegen het risico van koolstoflekkage handhaaft. Om rekening te houden met het effect van het decarbonisatiebeleid van derde landen, zoals de toename van de productie van hernieuwbare energie, alsook met de klimatologische omstandigheden op de jaarlijkse elektriciteitsvoorziening in de betrokken landen, en tegelijkertijd een buitensporige volatiliteit van de emissiefactor als gevolg van abnormale jaren te voorkomen, onder meer als gevolg van uitzonderlijke klimatologische omstandigheden of andere onvoorziene gebeurtenissen, moet de emissiefactor worden berekend op basis van het eenvoudige gemiddelde van de emissiefactor voor de meest recente periode van vijf jaar vóór de rapportage waarvoor betrouwbare gegevens beschikbaar zijn. |
|
(21) |
Voor elektriciteit die in het douanegebied van de Unie wordt ingevoerd, moet, teneinde het effect van het decarbonisatiebeleid in het derde land of de groep derde landen op de emissie-intensiteit van de elektriciteitsproductie in de betrokken landen weer te geven, en tegelijkertijd een buitensporige volatiliteit van de emissiefactor als gevolg van abnormale jaren te voorkomen, onder meer als gevolg van uitzonderlijke klimatologische omstandigheden of andere onvoorziene gebeurtenissen, de CO2-emissiefactor worden berekend op basis van het gemiddelde van de jaarlijkse CO2-emissiefactor voor de meest recente periode van vijf jaar waarvoor betrouwbare gegevens beschikbaar zijn. |
|
(22) |
Om toegelaten CBAM-aangevers in staat te stellen alternatieve standaardwaarden te gebruiken overeenkomstig bijlage IV, punten 4.2.2, 4.3 en 7, bij Verordening (EU) 2023/956, moeten de gedetailleerde voorwaarden worden vastgesteld waaraan daartoe moet worden voldaan. Om duidelijkheid te verschaffen over wanneer alternatieve standaardwaarden kunnen worden gebruikt, moeten regels worden vastgesteld over de modaliteit en het tijdschema voor het verstrekken van alternatieve officiële gegevens aan de Commissie, over de methode voor de berekening van de alternatieve standaardwaarden en over de modaliteit om de alternatieve standaardwaarden beschikbaar te stellen voor gebruik door de toegelaten CBAM-aangevers. Om de rechtszekerheid voor toegelaten CBAM-aangevers te waarborgen, moeten de alternatieve standaardwaarden formeel worden vastgesteld en beschikbaar worden gesteld. |
|
(23) |
Voor de bepaling van ingebedde emissies van goederen op basis van de werkelijke waarden, overeenkomstig Verordening (EU) 2023/956, moeten exploitanten de emissies berekenen die zich tijdens een bepaalde verslagperiode in de installatie voor de productie van deze goederen voordoen. Om het gebruik van de juiste verslagperiode waarin de goederen zijn geproduceerd, te vereenvoudigen, moet de voor een dergelijke bepaling gebruikte verslagperiode overeenkomen met een kalenderjaar. |
|
(24) |
Om de vaststelling van de verslagperiode voor goederen die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd te vereenvoudigen en om de administratieve lasten voor toegelaten CBAM-aangevers te verlichten, moet worden verondersteld dat dergelijke goederen zijn geproduceerd tijdens het kalenderjaar van invoer. Toegelaten CBAM-aangevers moeten de mogelijkheid krijgen om deze veronderstelling te weerleggen door bewijsstukken te verstrekken waaruit de werkelijke periode blijkt waarin de goederen zijn geproduceerd. Aangezien de in deze verordening vastgestelde monitoring-, berekenings- en verificatiemethode pas vanaf 2026 van toepassing wordt, kan de verslagperiode niet vóór 2026 liggen. |
|
(25) |
Voor precursoren die bij de productie van een samengesteld goed worden gebruikt, moeten de exploitanten van het samengestelde goed, met het oog op de bepaling van de ingebedde emissies op basis van de werkelijke emissies, de toepasselijke verslagperiode vaststellen waarin de precursor is geproduceerd en de overeenkomstige geverifieerde werkelijke waarden gebruiken. Om deze identificatie te vereenvoudigen en de administratieve lasten voor de exploitanten te verlichten, moet worden verondersteld dat precursoren die bij de productie van een samengesteld goed worden gebruikt, zijn geproduceerd tijdens de verslagperiode waarin dat samengestelde goed is geproduceerd. Exploitanten moeten de mogelijkheid krijgen om deze veronderstelling te weerleggen door de verificateur bewijsstukken te verstrekken waaruit de werkelijke periode blijkt waarin de precursor is geproduceerd. Aangezien de in deze verordening vastgestelde monitoring-, berekenings- en verificatiemethode pas vanaf 2026 van toepassing wordt, kan de verslagperiode niet vóór 2026 liggen. |
|
(26) |
Om de consistentie te waarborgen, moet de verslagperiode die van toepassing is op de bepaling van ingebedde emissies op basis van de werkelijke waarden, dezelfde zijn als de verslagperiode die van toepassing is op de berekening van de aanpassing voor gratis toewijzing en als de verslagperiode die van toepassing is op de bepaling van de overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2023/956 betaalde koolstofprijs. |
|
(27) |
Om de berekening van ingebedde emissies voor de exploitanten eenvoudig te houden, moeten, wanneer een installatie die samengestelde goederen produceert precursoren onder een bepaalde GN-code ontvangt die tijdens verschillende verslagperioden in een installatie zijn geproduceerd, de ingebedde emissies van de samengestelde goederen, voor het deel van de emissies dat in die precursoren is ingebed, worden bepaald als het gewogen gemiddelde van de emissies die in de precursoren onder die GN-code zijn ingebed en tijdens verschillende verslagperioden zijn geproduceerd. |
|
(28) |
Om de berekening van ingebedde emissies voor de exploitanten eenvoudig te houden, moeten, wanneer een installatie die samengestelde goederen produceert precursoren onder een bepaalde GN-code van verschillende installaties ontvangt, de ingebedde emissies van de samengestelde goederen, voor het deel van de emissies dat in die precursoren is ingebed, standaard worden bepaald als het gewogen gemiddelde van de emissies die zijn ingebed in de relevante precursoren die van de verschillende installaties zijn ontvangen. Om de evenredigheid met betrekking tot deze standaardmethode te waarborgen, mogen, wanneer de exploitanten kunnen aantonen dat de installatie die de samengestelde goederen produceert voor een bepaald productieproces alleen precursoren van een bepaalde installatie of van een subset van installaties gebruikt, de ingebedde emissies van de precursoren die in dat productieproces worden gebruikt afzonderlijk worden bepaald. |
|
(29) |
Om exploitanten flexibiliteit te bieden bij hun keuze om de werkelijke waarden of de standaardwaarden te gebruiken, moet het exploitanten worden toegestaan om, wanneer de ingebedde emissies van samengestelde goederen worden bepaald op basis van de werkelijke waarden, voor een of meer precursoren de standaardwaarden te gebruiken. In dat geval moeten exploitanten het gebruik van de werkelijke waarden voor een of meer precursoren kunnen combineren met het gebruik van de standaardwaarden voor andere precursoren. |
|
(30) |
Wanneer de Commissie deze uitvoeringshandeling herziet, moet zij een openbare raadpleging houden om de transparantie en een zinvolle deelname van alle relevante belanghebbenden te waarborgen, in overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie. |
|
(31) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het CBAM-comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALING
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities in artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2546 van de Commissie (5) en artikel 1 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/2551 van de Commissie (6).
De volgende definities zijn eveneens van toepassing:
|
(1) |
“functionele eenheid”: de referentie-eenheid die wordt gebruikt voor de berekening van ingebedde emissies in goederen; |
|
(2) |
“activiteitsniveau”: de hoeveelheid goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is en die tijdens een verslagperiode binnen de systeemgrenzen van een productieproces worden geproduceerd; |
|
(3) |
“systeemgrens”: de groep chemische of fysische processen die is opgenomen in de berekening van ingebedde emissies van goederen in dezelfde geaggregeerde categorie goederen; |
|
(4) |
“geaggregeerde categorieën goederen”: geaggregeerde categorieën goederen overeenkomstig tabel 1 onder punt 2 van bijlage I; |
|
(5) |
“verslagperiode”: de periode die overeenkomt met het kalenderjaar waarin het goed door de toegelaten CBAM-aangever is geproduceerd en die wordt gebruikt als referentie voor de bepaling van ingebedde emissies; |
|
(6) |
“productieroute”: een specifieke technologie die in een productieproces wordt gebruikt om goederen te produceren; |
|
(7) |
“precursor”: inputmateriaal voor een productieproces dat is opgenomen in de lijst van goederen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956; |
|
(8) |
“bronstroom”: een van de volgende zaken:
|
|
(9) |
“emissiebron”: een afzonderlijk aanwijsbaar deel van een installatie of proces binnen een installatie vanwaaruit de relevante broeikasgassen vrijkomen; |
|
(10) |
“berekeningsfactoren”: calorische onderwaarden, emissiefactoren, voorlopige emissiefactoren, oxidatiefactoren, conversiefactoren, koolstofgehalten of biomassafracties; |
|
(11) |
“meetsysteem”: een volledige reeks meetinstrumenten en andere apparatuur die worden gebruikt om variabelen voor de monitoring en berekening van emissies te bepalen; |
|
(12) |
“activiteitsgegevens”: de hoeveelheid brandstoffen of materialen die verbruikt of geproduceerd worden in een proces, voor zover relevant voor de rekenmethode, uitgedrukt in terajoule, massa in ton of, voor gassen, als volume in kubieke meter normaal, naargelang van het geval. |
HOOFDSTUK 2
GEBRUIK VAN WERKELIJKE WAARDEN
Artikel 2
Werkelijke waarden
Indien de ingebedde emissies worden bepaald op basis van de werkelijke emissies overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956, zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde regels van toepassing.
Artikel 3
Systeemgrenzen
1. Om specifieke ingebedde emissies van goederen te kwantificeren en te berekenen, wordt rekening gehouden met de processen binnen een installatie die plaatsvinden binnen de systeemgrenzen, gedefinieerd per geaggregeerde categorie goederen overeenkomstig bijlage I.
2. De systeemgrenzen hebben betrekking op directe emissies, indirecte emissies voor goederen die niet in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 zijn opgenomen, en de ingebedde emissies van precursoren.
Artikel 4
Productieprocessen en functionele eenheid
1. Exploitanten van een installatie identificeren binnen de systeemgrenzen van een installatie het productieproces van goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is. Bij de identificatie van het productieproces wordt ervoor gezorgd dat relevante inputs, outputs en emissies kunnen worden gemonitord overeenkomstig bijlage II en dat directe en indirecte emissies, in voorkomend geval, kunnen worden toegekend aan goederen waarop een functionele eenheid van toepassing is.
2. De geproduceerde hoeveelheden goederen in ton die onder dezelfde GN-code zijn ingedeeld, vormen de functionele eenheid, met uitzondering van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde goederen.
3. Voor elektriciteit vormt de kWh de functionele eenheid.
4. Voor meststoffen gelden de volgende functionele eenheden:
|
(a) |
voor de GN-codes 2808 00 00 , 2814 en 3105 , het aantal kilogram stikstof in de onder de respectieve GN-codes geproduceerde goederen; |
|
(b) |
voor andere dan de in punt a) vermelde GN-codes van meststoffen, de in Verordening (EEG) nr. 2658/87 vastgestelde aanvullende eenheden van de onder de respectieve GN-codes geproduceerde goederen. |
5. Voor de GN-codes 2523 10 00 , 2523 21 00 , 2523 29 00 en 2523 90 00 vormt het aantal ton klinker in de onder de respectieve GN-codes geproduceerde goederen de functionele eenheid.
6. Wanneer goederen waarop dezelfde functionele eenheid van toepassing is, volgens verschillende productieroutes binnen een installatie worden geproduceerd, wordt één productieproces gebruikt dat alle productieroutes omvat.
7. Het opsplitsen van een installatie in verschillende installaties, met als gevolg dat productieroutes die anders deel uitmaken van één productieproces, in afzonderlijke installaties worden uitgevoerd, is alleen toegestaan indien de exploitanten geldige commerciële redenen voor deze opsplitsing aantonen die verband houden met hun economische activiteit. Commerciële redenen worden als geldig beschouwd wanneer het omzeilen van Verordening (EU) 2023/956 niet hun hoofddoel of een van hun hoofddoelen is.
8. Wanneer goederen waarop verschillende functionele eenheden van toepassing zijn, volgens dezelfde processen worden geproduceerd, kunnen de exploitanten één enkel multifunctioneel productieproces vaststellen. In dat geval zijn de toekenningsregels overeenkomstig punt A.2 van bijlage III van toepassing. In de in punt A.4 van die bijlage genoemde gevallen is de bepaling van één enkel multifunctioneel productieproces verplicht.
9. Indien ten minste een deel van de voor samengestelde goederen relevante precursoren in dezelfde installatie als de samengestelde goederen wordt geproduceerd en de respectieve precursoren niet uit de installatie worden overgedragen voor verkoop of gebruik in andere installaties, vallen de productie van precursoren en samengestelde goederen onder een gezamenlijk productieproces. In dat geval worden de monitoring en berekening van ingebedde emissies van de precursoren en samengestelde goederen gezamenlijk uitgevoerd.
Artikel 5
Monitoringmethode op installatieniveau
1. De directe emissies van een productieproces worden bepaald overeenkomstig de in bijlage II, punten A en B, vastgestelde monitoringbeginselen en -methoden en aan de hand van de overeenkomstig punt B van die bijlage vastgestelde monitoringmethoden en -regels.
2. Wanneer warmtestromen betrokken zijn bij de productie van een functionele eenheid, worden de in bijlage II, punt C, vastgestelde monitoring- en berekeningsregels toegepast.
3. Voor samengestelde goederen worden de emissies van de precursoren gemonitord overeenkomstig de regels van bijlage II, punt E.
4. Indirecte emissies worden bepaald door het elektriciteitsverbruik in het desbetreffende productieproces te monitoren, overeenkomstig bijlage II, punt D.
5. Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 ontwerpen en implementeren exploitanten een monitoringplan dat ten minste de in bijlage II, punt A.5, beschreven elementen bevat.
6. Het monitoringplan wordt in het Engels ingediend.
Artikel 6
Toekenning van emissies aan goederen
De specifieke ingebedde emissies van goederen worden bepaald door directe en, in voorkomend geval, indirecte emissies van de productieprocessen toe te kennen aan de specifieke goederen overeenkomstig bijlage III.
Artikel 7
Bepaling van de verslagperiode
1. Om de werkelijke ingebedde emissies in een goed te bepalen, wordt de verslagperiode waarin het goed is geproduceerd, bepaald overeenkomstig de tweede alinea.
Wanneer een goed in de loop van het jaar 2026 is ingevoerd, is de verslagperiode het jaar 2026. Indien het goed in een ander jaar dan 2026 is ingevoerd, is de verslagperiode standaard het kalenderjaar waarin het goed is ingevoerd. Indien er echter voldoende bewijs is om het werkelijke productiemoment vast te stellen, is de verslagperiode de periode waarin het goed is geproduceerd.
2. In afwijking van lid 1 is de verslagperiode voor in het douanegebied van de Unie ingevoerde elektriciteit het jaar van invoer.
Artikel 8
Gebruik van de werkelijke waarden voor elektriciteit en indirecte emissies
1. De elementen waaruit blijkt dat aan de criteria van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, zijn opgenomen in punt D.2.4 van bijlage II bij deze verordening.
2. De elementen waaruit blijkt dat aan de criteria van punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, zijn opgenomen in punt D.4.3 van bijlage II bij deze verordening.
3. Om aan te tonen dat aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde criteria is voldaan, vermelden exploitanten in het emissieverslag van de exploitant dat is voldaan aan de criteria van punt 5, eerste alinea, punt c), van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 en, in voorkomend geval, punt 5, eerste alinea, punt b), van die bijlage met betrekking tot de directe aansluiting van de elektriciteitsproductie-installatie op het transmissiesysteem van de Unie. Exploitanten verstrekken de verificateur de in punt D.2.4 van bijlage II bij deze verordening vermelde bewijselementen ter ondersteuning van die indicatie.
4. Om aan te tonen dat aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde criteria is voldaan, geeft de exploitant in een addendum bij het emissieverslag van de exploitant dat afzonderlijk is opgesteld voor elke toegelaten CBAM-aangever die elektriciteit uit de installatie van die exploitant heeft ingevoerd en voor die elektriciteit werkelijke waarden wil gebruiken, voor elk van die toegelaten CBAM-aangevers, ook aan dat is voldaan aan de criteria van punt 5, eerste alinea, punten a) en d), van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, alsook, in voorkomend geval, punt 5, eerste alinea, punt b), van die bijlage met betrekking tot de afwezigheid van fysieke netwerkcongestie. In het addendum voor elke toegelaten CBAM-aangever vermeldt de exploitant ook de hoeveelheid door de betrokken toegelaten CBAM-aangever ingevoerde elektriciteit waarvoor aan de criteria van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, en verstrekt hij de verificateur de in punt D.2.4 van bijlage II bij deze verordening vermelde relevante bewijselementen ter ondersteuning van die indicatie.
5. Om aan te tonen dat aan de in lid 2 van dit artikel bedoelde criteria is voldaan, vermelden exploitanten in het emissieverslag van de exploitant dat aan de criteria van punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, en verstrekken zij de verificateur de in punt D.4.3 van bijlage II bij deze verordening vermelde bewijselementen ter ondersteuning van die indicatie.
6. De werkelijke ingebedde emissies van elektriciteit en de werkelijke ingebedde indirecte emissies worden berekend aan de hand van de in bijlage II, punt D, vastgestelde regels.
Artikel 9
Indirecte emissies waarbij installaties elektriciteit uit verschillende bronnen gebruiken
1. Wanneer een installatie die goederen produceert die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 en niet zijn opgenomen in bijlage II bij die verordening, tijdens een verslagperiode elektriciteit uit meerdere bronnen ontvangt en wanneer voor die goederen werkelijke emissies worden gerapporteerd, worden de ingebedde indirecte emissies van de goederen standaard bepaald. De standaardwaarde is het gemiddelde van de emissiefactoren van elke elektriciteitsbron, gewogen naar het aandeel van de totale in die installatie verbruikte elektriciteit dat de uit elke bron ontvangen elektriciteit vertegenwoordigt.
2. Wanneer exploitanten de verificateur echter voldoende bewijsmateriaal verstrekken waaruit blijkt dat de installatie die niet in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 vermelde goederen produceert, voor een bepaald productieproces slechts elektriciteit uit één bron, of uit een subset van bronnen, heeft gebruikt, worden de ingebedde indirecte emissies van goederen die via dat productieproces zijn geproduceerd, bepaald op basis van respectievelijk de emissiefactor van die ene bron of als het gemiddelde van de emissiefactoren van elk relevant deel van de subset van elektriciteitsbronnen, gewogen naar het aandeel van de totale bij de productie van dergelijke goederen verbruikte elektriciteit dat de uit elke bron ontvangen elektriciteit vertegenwoordigt.
Artikel 10
Emissieverslag van de exploitant
1. Wanneer de ingebedde emissies worden berekend op basis van de werkelijke emissies, stellen de exploitanten een emissieverslag (“emissieverslag van de exploitant”) en een samenvatting daarvan op met ten minste de informatie die is opgenomen in de modellen in de punten 1.1 en 1.2 van bijlage IV. Wanneer de ingebedde emissies van elektriciteit worden berekend op basis van de werkelijke emissies, stellen de exploitanten bovendien een aangeverspecifiek addendum op bij het emissieverslag van de exploitant met de in punt 1.1.1 van die bijlage vermelde informatie.
2. Wanneer exploitanten overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2023/956 in het CBAM-register zijn geregistreerd, zenden zij het emissieverslag van de exploitant, de samenvatting ervan en, indien van toepassing, het aangeverspecifieke addendum via het CBAM-register toe aan de verificateur.
3. Indien de exploitanten niet in het CBAM-register zijn geregistreerd, zenden zij het emissieverslag van de exploitant, de samenvatting ervan en, indien van toepassing, het aangeverspecifieke addendum op andere wijze dan via het CBAM-register toe aan de verificateur.
4. Het emissieverslag van de exploitant wordt in het Engels ingediend.
HOOFDSTUK 3
GEBRUIK VAN STANDAARDWAARDEN
Artikel 11
Standaardwaarden
1. Wanneer de ingebedde emissies in ingevoerde goederen worden bepaald op basis van de standaardwaarden overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2023/956, worden de overeenkomstig bijlage IV bij die verordening vastgestelde standaardwaarden gebruikt.
2. Indien de ingebedde emissies van samengestelde goederen worden bepaald op basis van de werkelijke waarden en de ingebedde emissies van precursoren die bij de productie van die samengestelde goederen worden gebruikt, worden bepaald op basis van de standaardwaarden overeenkomstig artikel 15, worden voor die precursoren de overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde standaardwaarden gebruikt.
3. Voor de bepaling van specifieke indirecte emissies worden de overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde standaardwaarden gebruikt, tenzij de werkelijke waarden overeenkomstig artikel 8 kunnen worden gebruikt.
4. Voor de bepaling van ingebedde directe emissies voor elektriciteit die in het douanegebied van de Unie wordt ingevoerd, worden de overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde standaardwaarden gebruikt, tenzij de werkelijke waarden overeenkomstig artikel 8 kunnen worden gebruikt.
5. De Commissie evalueert de standaardwaarden uiterlijk in december 2027.
Artikel 12
Alternatieve standaardwaarden
De toegelaten CBAM-aangever mag alternatieve standaardwaarden gebruiken overeenkomstig de punten 4.2.2, 4.3 en 7 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 indien aan de voorwaarden van punt D.2.3 of punt D.4.4 van bijlage II bij deze verordening of in bijlage V bij deze verordening is voldaan.
HOOFDSTUK 4
SPECIFIEKE REGELS DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP SAMENGESTELDE GOEDEREN
Artikel 13
Verslagperiode voor precursoren
De standaardverslagperiode voor een precursor is het jaar van productie van het samengestelde goed. Wanneer exploitanten de verificateur echter voldoende bewijsmateriaal verstrekken om het werkelijke productiemoment vast te stellen, is de verslagperiode de periode waarin de precursor is geproduceerd.
Artikel 14
Precursoren die tijdens verschillende verslagperioden of in verschillende installaties zijn geproduceerd
1. Wanneer een installatie die samengestelde goederen produceert van een andere installatie precursoren onder een bepaalde GN-code ontvangt die tijdens verschillende verslagperioden zijn geproduceerd, moeten de ingebedde emissies van de samengestelde goederen, voor het deel van de emissies dat in die precursoren onder die GN-code is ingebed, worden bepaald als het gewogen gemiddelde van de emissies die in de precursoren onder die GN-code zijn ingebed en tijdens verschillende verslagperioden zijn geproduceerd.
2. Wanneer een installatie die samengestelde goederen produceert van meerdere installaties precursoren onder een bepaalde GN-code ontvangt, moeten de ingebedde emissies van de samengestelde goederen, voor het deel van de emissies dat in die precursoren onder die GN-code is ingebed, standaard worden bepaald als het gewogen gemiddelde van de emissies die in de precursoren onder die GN-code zijn ingebed en die van de verschillende installaties zijn ontvangen.
3. Wanneer exploitanten de verificateur voldoende bewijsmateriaal verstrekken waaruit blijkt dat van de precursoren onder een bepaalde GN-code die van meerdere installaties zijn ontvangen, de installatie die de samengestelde goederen produceert voor een bepaald productieproces alleen precursoren uit één installatie of uit een subset van installaties gebruikt, worden de ingebedde emissies van die precursoren die worden gebruikt in goederen die via dat productieproces zijn geproduceerd, bepaald op basis van respectievelijk de ingebedde emissies van de precursoren die uit die ene installatie zijn verkregen, of als het gewogen gemiddelde van de emissies die zijn ingebed in de precursoren die uit die subset van installaties zijn ontvangen.
Artikel 15
Gecombineerd gebruik van werkelijke en standaardwaarden
De specifieke ingebedde emissies voor samengestelde goederen kunnen worden berekend door de werkelijke emissies te bepalen voor de productieprocessen binnen de installatie die de samengestelde goederen produceert, en de standaardwaarden voor een of meer precursoren van de samengestelde goederen.
HOOFDSTUK 5
SLOTBEPALING
Artikel 16
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 december 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/2066/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1773 van de Commissie van 17 augustus 2023 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft rapportageverplichtingen voor de toepassing van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie tijdens de overgangsperiode (PB L 228 van 15.9.2023, blz. 94, ELI: ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1773/oj).
(4) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1, ELI: ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1987/2658/oj).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2546 van de Commissie van 10 december 2025 betreffende de toepassing van de beginselen voor de verificatie van aangegeven ingebedde emissies overeenkomstig Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad (PB L, 2025/2546, 22.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2546/oj).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/2551 van de Commissie van 20 november 2025 tot aanvulling van Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad door de voorwaarden te specificeren voor het verlenen van accreditatie aan verificateurs, voor de controle van en het toezicht op geaccrediteerde verificateurs, voor de intrekking van accreditatie en voor wederzijdse erkenning en collegiale toetsing van de accreditatie-instanties (PB L, 2025/2551, 22.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2025/2551/oj).
BIJLAGE I
Definities, functionele eenheid en systeemgrenzen
1. DEFINITIES
Ten behoeve van deze bijlage en de bijlagen II tot en met VII zijn de volgende definities van toepassing:
|
(1) |
“onzekerheid”: een parameter, gerelateerd aan het resultaat van de bepaling van een grootheid, die de spreiding karakteriseert van de waarden die redelijkerwijs kunnen worden toegekend aan een bepaalde grootheid, met inbegrip van de effecten van de systematische en toevalsfactoren, uitgedrukt als een percentage, en die een betrouwbaarheidsinterval rond de gemiddelde waarde beschrijft dat 95 % van de geschatte waarden omvat, rekening houdend met de eventuele asymmetrie van de verdeling van die waarden; |
|
(2) |
“verbrandingsemissies”: de uitstoot van broeikasgassen die plaatsvindt bij de exotherme reactie van een brandstof met zuurstof; |
|
(3) |
“emissiefactor”: de gemiddelde uitstoot van een broeikasgas gerelateerd aan de activiteitsgegevens van een bronstroom, aangenomen dat sprake is van volledige oxidatie bij verbranding en volledige conversie bij alle andere chemische reacties; |
|
(4) |
“oxidatiefactor”: de verhouding tussen koolstof die als gevolg van verbranding tot CO2 is geoxideerd, en de totale hoeveelheid in de brandstof aanwezige koolstof, uitgedrukt als fractie, waarbij in de atmosfeer uitgestoten koolstofmonoxide (CO) wordt beschouwd als molair equivalente hoeveelheid kooldioxide (CO2); |
|
(5) |
“conversiefactoren”: de verhouding van koolstof die als CO2 is uitgestoten tot de totale koolstofhoeveelheid die aanwezig is in de bronstroom, voordat het uitstootproces aanvangt, uitgedrukt als fractie, waarbij in de atmosfeer uitgestoten CO wordt beschouwd als de molair equivalente hoeveelheid CO2; |
|
(6) |
“nauwkeurigheid”: de mate van overeenstemming tussen het resultaat van een meting en de echte waarde van een bepaalde grootheid of een referentiewaarde die met behulp van internationaal aanvaarde en traceerbare kalibratiematerialen en standaardmethoden empirisch is bepaald, rekening houdend met zowel toevals- als systematische factoren; |
|
(7) |
“kalibratie”: de reeks handelingen waarbij onder gespecificeerde voorwaarden het verband wordt vastgesteld tussen de waarden die worden aangegeven door een meetinstrument of meetsysteem, of de waarden belichaamd in een materiële maatstaf of een referentiemateriaal, en de overeenkomstige waarden welke een grootheid aanneemt in een referentiestandaard; |
|
(8) |
“conservatief”: gebaseerd op een nader omschreven reeks aannames die garanderen dat emissies niet worden onderschat of de productie van warmte, elektriciteit of goederen niet wordt overschat; |
|
(9) |
“biomassa”: biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (1); hieronder vallen vloeibare biomassa en biobrandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punten 32 en 33, biomassabrandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 27, en biogas zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 28, van Richtlijn (EU) 2018/2001; |
|
(10) |
“afval”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, met uitzondering van stoffen die opzettelijk zijn gewijzigd of verontreinigd om aan deze definitie te voldoen; |
|
(11) |
“residu”: een stof die niet het rechtstreekse doel van een productieproces zijnde eindproduct is; het vormt geen hoofddoel van het productieproces en het proces is niet opzettelijk gewijzigd voor het produceren ervan; |
|
(12) |
“van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen”: residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij en de bosbouw, en die geen residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking omvatten; |
|
(13) |
“wettelijke metrologische controle”: de controle die wordt uitgeoefend door een overheidsinstantie of regelgevende instantie op de meettaken die bedoeld zijn voor het gebruiksgebied van een meetinstrument, die de lidstaten hebben voorgeschreven uit overwegingen van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde, milieubescherming, belastingheffing en andere heffingen, consumentenbescherming en eerlijke handel; |
|
(14) |
“gegevensstroomactiviteiten”: activiteiten die samenhangen met de verzameling en verwerking van en de omgang met de gegevens die nodig zijn om een emissieverslag op te stellen op basis van primaire brongegevens; |
|
(15) |
“calorische onderwaarde”: de specifieke hoeveelheid energie die als warmte vrijkomt wanneer een brandstof of materiaal volledige verbranding ondergaat met zuurstof onder standaardomstandigheden, na aftrek van de verdampingswarmte van al het gevormde water; |
|
(16) |
“procesemissies”: andere broeikasgasemissies dan verbrandingsemissies die het gevolg zijn van opzettelijke en onopzettelijke reacties tussen stoffen of hun omzetting, voor een ander primair doel dan het opwekken van warmte, onder meer door de volgende processen:
|
|
(17) |
“partij”: een op representatieve wijze bemonsterde en gekarakteriseerde hoeveelheid brandstof of materiaal die hetzij in één keer, hetzij continu gedurende een bepaald tijdsverloop wordt overgebracht; |
|
(18) |
“gemengd materiaal”: materiaal dat zowel biomassa als fossiele koolstof bevat; |
|
(19) |
“voorlopige emissiefactor”: de veronderstelde totale emissiefactor van een brandstof of materiaal op basis van het koolstofgehalte van de biomassafractie en de fossiele fractie vóór vermenigvuldiging met de fossiele fractie om tot de emissiefactor te komen; |
|
(20) |
“fossiele fractie”: de verhouding van fossiele koolstof tot het totale koolstofgehalte van een brandstof of materiaal, uitgedrukt als fractie; |
|
(21) |
“biomassafractie”: de verhouding tussen koolstof afkomstig uit biomassa en het totale koolstofgehalte van een brandstof of materiaal, uitgedrukt als fractie; |
|
(22) |
“continue emissiemeting”: een reeks handelingen die ten doel heeft de waarde van een grootheid te bepalen door middel van periodieke metingen, waarbij hetzij metingen in de schoorsteen, hetzij een extractieprocedure met een nabij de schoorsteen aangebracht meetinstrument worden gebruikt; hieronder vallen niet de methoden die gebaseerd zijn op metingen van monsters die individueel aan de schoorsteen worden onttrokken; |
|
(23) |
“inherent CO2”: dat deel uitmaakt van een bronstroom; |
|
(24) |
“fossiele koolstof”: anorganische en organische koolstof die geen biomassa is; |
|
(25) |
“meetpunt”: de emissiebron waarvoor continue emissiemeetsystemen (CEMS) worden gebruikt voor de meting van de emissies, of de dwarsdoorsnede van een pijpleidingsysteem waarvoor CO2-stroom is bepaald met gebruikmaking van continue meetsystemen; |
|
(26) |
“diffuse emissies”: ongeregelde of onbedoelde emissies uit niet-gelokaliseerde bronnen of bronnen die te divers of te klein zijn om afzonderlijk gemonitord te worden; |
|
(27) |
“standaardomstandigheden”: een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101 325 Pa ter bepaling van een kubieke meter normaal (Nm3); |
|
(28) |
“proxygegevens”: jaarlijkse waarden die empirisch gestaafd zijn of afgeleid uit erkende bronnen en die een exploitant gebruikt ter vervanging van vastgestelde gegevens om volledige rapportage te waarborgen; |
|
(29) |
“meetbare warmte”: een netto warmtestroom getransporteerd door identificeerbare pijpleidingen of leidingen met gebruik van een medium voor warmteoverdracht zoals, meer bepaald, stoom, hete lucht, water, olie, vloeibaar metaal en zouten, waarvoor een warmtemeter geïnstalleerd is of kan worden; |
|
(30) |
“warmtemeter”: een thermische-energiemeter of een ander apparaat om de hoeveelheid geproduceerde thermische energie te meten en te registreren op basis van stroomvolumes en temperaturen; |
|
(31) |
“niet-meetbare warmte”: alle andere warmte dan meetbare warmte; |
|
(32) |
“afgas”: een gas dat onder standaardomstandigheden onvolledig geoxideerde koolstof bevat en dat het resultaat is van een van de in punt 16 genoemde processen; |
|
(33) |
“multifunctioneel proces”: een proces dat meerdere outputs oplevert of waarvan de outputs in meerdere productieprocessen worden verwerkt; |
|
(34) |
“bijproduct”: een van twee of meer producten die het resultaat zijn van hetzelfde productieproces; |
|
(35) |
“niet-CBAM-goed”: elk in de installatie geproduceerd goed dat niet is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956; |
|
(36) |
“gegevensverzameling”: één soort gegevens, naargelang de omstandigheden ofwel op het niveau van de installatie, ofwel het productieproces, zoals:
|
|
(37) |
“minimumeisen”: monitoringmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van de minimale inspanningen die zijn toegestaan voor het bepalen van gegevens om te resulteren in emissiegegevens die aanvaardbaar zijn voor de toepassing van Verordening (EU) 2023/956; |
|
(38) |
“aanbevolen verbeteringen”: monitoringmethoden die bewezen middelen zijn om ervoor te zorgen dat gegevens nauwkeuriger zijn of minder vatbaar voor fouten dan louter toepassing van minimumvereisten; |
|
(39) |
“controlesysteem”: de risicobeoordeling van de exploitant en de volledige reeks controleactiviteiten, met inbegrip van het continue beheer daarvan, die een exploitant overeenkomstig punt A.2 van bijlage II heeft vastgesteld, gedocumenteerd, uitgevoerd en onderhouden. |
2. TOEWIJZING VAN GN-CODES AAN GEAGGREGEERDE CATEGORIEËN GOEDEREN
Tabel 1 van dit punt definieert geaggregeerde categorieën goederen voor elke GN-code vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956. Die categorieën worden gebruikt voor het definiëren van systeemgrenzen van productieprocessen voor de goederen die zijn opgenomen in bijlage I bij die verordening.
Tabel 1
Toewijzing van GN-codes aan geaggregeerde categorieën goederen
|
GN-code |
Geaggregeerde categorie goederen |
Broeikasgas |
|
Cement |
|
|
|
2507 00 80 – andere kaolienhoudende klei |
Vuurvaste klei |
Koolstofdioxide |
|
2523 10 00 – cementklinker |
Cementklinker |
Koolstofdioxide |
|
2523 21 00 – wit portlandcement, ook indien kunstmatig gekleurd 2523 29 00 – ander portlandcement 2523 90 00 – ander hydraulisch cement |
Cement |
Koolstofdioxide |
|
2523 30 00 – aluminiumcement |
Aluminiumcement |
Koolstofdioxide |
|
Elektriciteit |
|
|
|
2716 00 00 – elektrische energie |
Elektriciteit |
Koolstofdioxide |
|
Meststoffen |
|
|
|
2808 00 00 – salpeterzuur; nitreerzuren |
Salpeterzuur |
Koolstofdioxide en distikstofoxide |
|
3102 10 – ureum, ook indien in waterige oplossing |
Ureum |
Koolstofdioxide |
|
2814 — ammoniak, watervrij of in waterige oplossing (ammonia) |
Ammoniak |
Koolstofdioxide |
|
2834 21 00 – kaliumnitraat 3102 – minerale of chemische stikstofhoudende meststoffen, met uitzondering van 3102 10 (ureum) 3105 – minerale of chemische meststoffen die twee of drie van de vruchtbaarmakende elementen stikstof, fosfor, en kalium bevatten; overige meststoffen – Met uitzondering van: 3105 60 00 – minerale of chemische meststoffen die de twee vruchtbaarmakende elementen fosfor en kalium bevatten |
Gemengde meststoffen |
Koolstofdioxide en distikstofoxide |
|
IJzer en staal |
|
|
|
2601 12 00 – ijzererts en concentraten daarvan, geagglomereerd, m.u.v. geroost ijzerkies (pyrietas) |
Gesinterd erts |
Koolstofdioxide |
|
7201 — gietijzer en spiegelijzer, in gietelingen, in blokken, of in andere primaire vormen Sommige producten onder 7205 (korrels en poeder, van ruwijzer, van spiegelijzer, van ijzer of van staal) |
Ruwijzer |
Koolstofdioxide |
|
7202 1 — ferronikkel |
FeMn |
Koolstofdioxide |
|
7202 4 — ferronikkel |
FeCr |
Koolstofdioxide |
|
7202 6 — ferronikkel |
FeNi |
Koolstofdioxide |
|
7203 — ferroproducten verkregen door het rechtstreeks reduceren van ijzererts en andere sponsachtige ferroproducten |
Sponsijzer (DRI) |
Koolstofdioxide |
|
7206 — ijzer en niet-gelegeerd staal, in ingots of in andere primaire vormen (anders dan bedoeld bij post 7203 ) 7207 — halffabricaten van ijzer of van niet-gelegeerd staal 7218 – roestvrij staal in ingots of in andere primaire vormen; halffabricaten van roestvrij staal 7224 – ander gelegeerd staal in ingots of in andere primaire vormen; halffabricaten van ander gelegeerd staal |
Ruwstaal |
Koolstofdioxide |
|
7205 — korrels en poeder, van ruwijzer, van spiegelijzer, van ijzer of van staal (indien deze niet vallen onder de categorie ruwijzer) 7208 — gewalste platte producten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van 600 mm of meer, warm gewalst, niet geplateerd noch bekleed 7209 — gewalste platte producten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van 600 mm of meer, koud gewalst, niet geplateerd noch bekleed 7210 — gewalste platte producten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van 600 mm of meer, geplateerd of bekleed 7211 — gewalste platte producten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van minder dan 600 mm, niet geplateerd of bekleed 7212 — gewalste platte producten, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een breedte van minder dan 600 mm, geplateerd of bekleed 7213 — walsdraad van ijzer of van niet-gelegeerd staal 7214 — staven van ijzer of van niet-gelegeerd staal, enkel gesmeed, warm gewalst, warm getrokken of warm geperst, ook indien na het walsen getordeerd 7215 — andere staven van ijzer of van niet-gelegeerd staal 7216 — profielen van ijzer of van niet-gelegeerd staal 7217 — draad van ijzer of van niet-gelegeerd staal 7219 — gewalste platte producten van roestvrij staal, met een breedte van 600 mm of meer 7220 — gewalste platte producten van roestvrij staal, met een breedte van minder dan 600 mm 7221 — walsdraad van roestvrij staal 7222 – andere staven en profielen van roestvrij staal; staven en profielen van roestvrij staal 7223 — draad van roestvrij staal 7225 — gewalste platte producten van ander gelegeerd staal, met een breedte van 600 mm of meer 7226 — gewalste platte producten van ander gelegeerd staal, met een breedte van minder dan 600 mm 7227 — walsdraad van ander gelegeerd staal 7228 – andere staven en profielen van ander gelegeerd staal; staven en profielen van ander gelegeerd staal; holle staven voor boringen, van gelegeerd of niet-gelegeerd staal 7229 — draad van ander gelegeerd staal 7301 – damwandprofielen van ijzer of van staal, ook indien van gaten voorzien of bestaande uit aaneengezette delen; gelaste profielen van ijzer of van staal 7302 – bestanddelen van spoorbanen van ijzer of van staal: spoorstaven (rails), contrarails en heugels voor tandradbanen, wisseltongen, puntstukken, wisselstangen en andere bestanddelen van kruisingen en wissels, dwarsliggers, lasplaten, spoorstoelen, wiggen, onderlegplaten, klemplaten, dwarsplaten en dwarsstangen en andere bestanddelen, voor het leggen, het verbinden of het bevestigen van rails 7303 — buizen, pijpen en holle profielen, van gietijzer 7304 — buizen, pijpen en holle profielen, naadloos, van ijzer (anders dan gietijzer) of van staal 7305 — andere buizen en pijpen (bv gelast, geklonken, genageld, gefelst), met een rond profiel en met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of van staal 7306 — andere buizen, pijpen en holle profielen (bv. gelast, geklonken, genageld, gefelst of met enkel tegen elkaar liggende randen), van ijzer of van staal 7307 — hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bv. verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van ijzer of van staal 7308 – constructiewerken en delen van constructiewerken (bijvoorbeeld bruggen, brugdelen, sluisdeuren, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor, drempels, luiken, balustrades), van gietijzer, van ijzer of van staal, andere dan de geprefabriceerde bouwwerken bedoeld bij post 9406 ; platen, staven, profielen, buizen en dergelijke, van gietijzer, van ijzer of van staal, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken 7309 — reservoirs, voeders, kuipen en dergelijke bergingsmiddelen, voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van ijzer of van staal, met een inhoudsruimte van meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding 7310 — reservoirs, fusten, trommels, bussen, blikken en dergelijke bergingsmiddelen, voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van ijzer of van staal, met een inhoudsruimte van niet meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding 7311 — bergingsmiddelen voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas, van ijzer of van staal 7318 — schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, schroefhaken, massieve klinknagels en klinkbouten, splitpennen en splitbouten, stelpennen en stelbouten, spieën, sluitringen (veerringen en andere verende sluitringen daaronder begrepen) en dergelijke artikelen, van ijzer of van staal 7326 — andere werken van ijzer of staal |
IJzer- of staalproducten |
Koolstofdioxide |
|
Aluminium |
|
|
|
7601 — ruw aluminium |
Ruw aluminium |
Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen |
|
7603 — poeders en schilfers van aluminium 7604 — staven en profielen van aluminium 7605 — draad van aluminium 7606 — platen, bladen en strips van aluminium, met een dikte van meer dan 0,2 mm 7607 — bladaluminium (ook indien bedrukt of op een drager van papier, van karton, van kunststof of op dergelijke dragers) met een dikte van niet meer dan 0,2 mm (de dikte van de drager niet meegerekend) 7608 — buizen en pijpen, van aluminium 7609 00 00 – hulpstukken (fittings) voor buisleidingen (bv. verbindingsstukken, ellebogen, moffen), van aluminium 7610 – Constructiewerken en delen van constructiewerken (bijvoorbeeld bruggen, brugdelen, torens, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor, drempels, luiken, balustrades), van aluminium, andere dan de geprefabriceerde bouwwerken bedoeld bij post 9406 ; platen, staven, profielen, buizen en dergelijke, van aluminium, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken 7611 00 00 – reservoirs, voeders, kuipen en dergelijke bergingsmiddelen, voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van – aluminium, met een inhoudsruimte van meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding 7612 — reservoirs, fusten, trommels, bussen, blikken en dergelijke bergingsmiddelen (buisjes en tubes daaronder begrepen), voor ongeacht welke goederen (andere dan voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas), van aluminium, met een inhoudsruimte van niet meer dan 300 l, niet voorzien van een mechanische inrichting of van een inrichting om te koelen of te warmen, ook indien inwendig bekleed of voorzien van een warmte-isolerende bekleding 7613 00 00 – bergingsmiddelen voor gecomprimeerd of voor vloeibaar gemaakt gas, van aluminium 7614 — kabels, strengen en dergelijke artikelen, van aluminium, niet geïsoleerd voor het geleiden van elektriciteit 7616 — andere werken van aluminium |
Aluminiumproducten |
Koolstofdioxide en perfluorkoolstoffen |
|
Chemische stoffen |
|
|
|
2804 10 00 — waterstof |
Waterstof |
Koolstofdioxide |
3. FUNCTIONELE EENHEID EN SYSTEEMGRENZEN
3.1. Sectoroverschrijdende regels
Specifieke ingebedde emissies worden berekend als de emissies van het productieproces en, voor samengestelde goederen, de ingebedde emissies van de precursoren voor de productie van de functionele eenheid van het goed tijdens de verslagperiode.
De systeemgrenzen worden bepaald per geaggregeerde categorie goederen en hebben betrekking op de directe emissies, de indirecte emissies uit elektriciteitsverbruik, in voorkomend geval uit hoofde van Verordening (EU) 2023/956, die worden uitgestoten door alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en de ingebedde emissies van precursoren, ongeacht of deze precursoren in de installatie worden geproduceerd of van een andere installatie worden verkregen. Naast deze algemene regels zijn de specifieke details van elke geaggregeerde categorie goederen opgenomen in de punten 3.2 tot en met 3.19. Voor CBAM-goederen die worden geproduceerd via een niet in de punten 3.2 tot en met 3.19 vermelde productieroute, gelden de in dit punt beschreven sectoroverschrijdende regels en de sectorspecifieke regels indien de productieroute een combinatie is van de in de punten 3.2 tot en met 3.19 vermelde productieroutes.
De aankoop en het onderhoud van infrastructuur en apparatuur vallen buiten de systeemgrenzen.
Wanneer het productieproces van in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 opgenomen samengestelde goederen een of meer precursoren omvat die niet in die bijlage zijn opgenomen, worden de indirecte emissies van die precursoren meegenomen in de berekening van de ingebedde emissies van de samengestelde goederen. Wanneer het productieproces van niet in die bijlage opgenomen samengestelde goederen een of meer in die bijlage opgenomen precursoren omvat, worden de indirecte emissies van deze precursoren niet meegenomen in de berekening van de ingebedde emissies van de samengestelde goederen.
3.2. Vuurvaste klei
3.2.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.2.2. Systeemgrens
Voor vuurvaste klei omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, zoals grondstofbereiding, mengen, drogen en calcinatie en rookgasreiniging; |
|
— |
CO2-emissies van de verbranding van brandstoffen en, indien relevant, van grondstoffen. |
3.3. Cementklinker
3.3.1. Bijzondere bepalingen
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen grijze en witte cementklinker.
3.3.2. Systeemgrens
Voor cementklinker houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
het branden van kalksteen en andere carbonaten in de grondstoffen, conventionele fossiele brandstoffen voor ovens, alternatieve fossiele brandstoffen voor ovens en grondstoffen, biobrandstoffen voor ovens (zoals brandstoffen uit afval), niet voor ovens gebruikte brandstoffen, niet-carbonaatkoolstof in de grondstoffen, of alternatieve grondstoffen zoals vliegas gebruikt in de grondstof in de oven en grondstoffen voor rookgasreiniging; |
|
— |
de aanvullende bepalingen van punt B.9.2 van bijlage II. |
3.4. Cement
3.4.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.4.2. Systeemgrens
Voor cement houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, indien relevant voor het drogen van materialen. |
3.5. Aluminiumcement
3.5.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.5.2. Systeemgrens
Voor aluminiumcement houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen waarbij brandstof wordt verbrand; |
|
— |
procesemissies van carbonaten in grondstoffen, indien van toepassing, en rookgasreiniging. |
3.6. Waterstof
3.6.1. Bijzondere bepalingen
Alleen de productie van zuivere waterstof of mengsels van waterstof met stikstof die bruikbaar zijn bij de productie van ammoniak, komt in aanmerking. Hieronder valt niet het verbruik van synthesegas of waterstof als precursor in raffinaderijen of organisch-chemische installaties, wanneer waterstof uitsluitend wordt gebruikt in die faciliteiten en niet wordt gebruikt voor de productie van in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 vermelde goederen.
3.6.2. Systeemgrens
3.6.2.1.
Voor deze productieroutes houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productie van waterstof en de scheiding van waterstof en koolmonoxide, en rookgasreiniging; |
|
— |
alle brandstoffen die worden gebruikt in het waterstofproductieproces, ongeacht het energetisch of niet-energetisch gebruik ervan, en brandstoffen die worden gebruikt voor andere verbrandingsprocessen, waaronder de productie van heet water of stoom. |
3.6.2.2.
Voor die productieroute houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct verband houden met de productie van waterstof; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en uit rookgasreiniging. |
3.7. Ammoniak
3.7.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.7.2. Systeemgrens
3.7.2.1.
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en uit rookgasreiniging; |
|
— |
alle brandstoffen worden gemonitord, ongeacht of ze worden gebruikt als energetische of niet-energetische input; |
|
— |
wanneer biogas wordt gebruikt, de bepalingen van punt B.3.3 van bijlage II. |
3.7.2.2.
Die productieroute is van toepassing wanneer waterstof wordt geproduceerd door vergassing van kolen, zware raffinagebrandstoffen of andere fossiele grondstoffen. Inputmaterialen kunnen biomassa omvatten, waarvoor rekening moet worden gehouden met de bepalingen van punt B.3.3 van bijlage II.
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en uit rookgasreiniging; |
|
— |
alle inputbrandstoffen moeten als één brandstofstroom worden gemonitord, ongeacht of ze worden gebruikt als energetische of niet-energetische input. |
3.8. Salpeterzuur
3.8.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.8.2. Systeemgrens
Voor salpeterzuur houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en uit rookgasreiniging; |
|
— |
alle bronnen die N2O uitstoten gedurende het productieproces, met inbegrip van onbeperkte en beperkte emissies. Eventuele N2O-emissies van de verbranding van brandstoffen zijn uitgesloten van monitoring. |
3.9. Ureum
3.9.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.9.2. Systeemgrens
Voor ureum houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, en uit rookgasreiniging; |
|
— |
wanneer CO2 wordt ontvangen van een andere installatie als procesinput, wordt de CO2 beschouwd als een emissie, indien niet al meegeteld als emissie van de installatie waar de CO2 werd geproduceerd. |
3.10. Gemengde meststoffen
3.10.1. Bijzondere bepalingen
Dit punt is van toepassing op de productie van alle soorten stikstofhoudende meststoffen, waaronder ammoniumnitraat, calciumammoniumnitraat, ammoniumsulfaat, ammoniumfosfaten, ureumammoniumnitraatoplossingen, alsmede meststoffen met stikstoffosfor (NP), stikstofkalium (NK) en stikstoffosforkalium (NPK). Dit omvat allerlei bewerkingen, zoals mengen, neutraliseren, granuleren, prillen, ongeacht of er alleen fysische menging of chemische reacties plaatsvinden.
De hoeveelheden verschillende stikstofverbindingen in het eindproduct worden geregistreerd in overeenstemming met Verordening (EU) 2019/1009 (2) ):
|
— |
gehalte aan N als ammonium (NH4 +); |
|
— |
gehalte aan N als nitraat (NO3 –); |
|
— |
gehalte aan N als ureum; |
|
— |
gehalte aan N in andere (organische) vormen. |
3.10.2. Systeemgrens
Voor gemengde meststoffen omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen, zoals drogers en voor het verwarmen van inputmaterialen, en uit rookgasreiniging. |
3.11. Gesinterd erts
3.11.1. Bijzondere bepalingen
Deze geaggregeerde categorie goederen omvat alle soorten productie van ijzerertspellets (zowel voor de verkoop van pellets als voor direct gebruik in dezelfde installatie) en sinterproductie. Voor zover GN-code 2601 12 00 van toepassing is, kunnen ook ijzerertsen die worden gebruikt als precursoren van ferrochroom (FeCr), ferromangaan (FeMn) of ferronikkel (FeNi) hieronder vallen.
3.11.2. Systeemgrens
Voor gesinterd erts omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen zoals kalksteen en andere carbonaten of koolzuurhoudende ertsen; |
|
— |
alle processen die CO2-emissies veroorzaken uit alle brandstoffen, inclusief cokes, afgassen zoals cokesovengas, hoogovengas of convertorgas; die direct of indirect verband houden met het productieproces, en materialen gebruikt voor rookgasreiniging. |
3.12. FeMn (ferromangaan), FeCr (ferrochroom) en FeNi (ferronikkel)
3.12.1. Bijzondere bepalingen
Dit proces heeft alleen betrekking op de productie van de legeringen onder de GN-codes 7202 1, 7202 4 en 7202 6. Andere ijzermaterialen met een aanzienlijk legeringsgehalte, zoals spiegelijzer, worden niet gedekt. NPI (nikkelhoudend ruwijzer) wordt meegenomen als het nikkelgehalte hoger is dan 10 %.
Wanneer afgassen of andere rookgassen zonder emissiereductie worden uitgestoten, wordt de CO in het rookgas beschouwd als het molaire equivalent van de CO2-emissies.
3.12.2. Systeemgrens
Voor FeMn, FeCr en FeNi omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken door brandstofinput, ongeacht of deze worden gebruikt voor energetisch of niet-energetisch gebruik; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesinputs, zoals kalksteen en uit rookgasreiniging. |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit het verbruik van elektroden of elektrodepasta’s; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage II. |
3.13. Ruwijzer
3.13.1. Bijzondere bepalingen
Deze categorie geaggregeerde goederen omvat zowel ongelegeerd ruwijzer uit hoogovens als gelegeerd ruwijzer (bv. spiegelijzer), ongeacht de fysieke vorm (bv. ingots, korrels). NPI (nikkelhoudend ruwijzer) wordt meegenomen als het nikkelgehalte lager is dan 10 %. In geïntegreerde staalfabrieken is vloeibaar ruwijzer dat rechtstreeks in de zuurstofconverter wordt geladen het product dat het productieproces van ruwijzer scheidt van het productieproces van ruwstaal. Wanneer de installatie geen ruwijzer verkoopt of naar andere installaties overbrengt, kan een gezamenlijk productieproces met inbegrip van ruwstaal worden vastgesteld, waarbij de regels van artikel 4 van toepassing zijn.
3.13.2. Systeemgrens
3.13.2.1.
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen en reductiemiddelen zoals cokes, cokesstof, kolen, stookolie, plastic afval, aardgas, houtafval, houtskool, alsook uit afgassen zoals cokesovengas, hoogovengas of convertorgas; |
|
— |
wanneer biogas wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met de bepalingen van punt B.3.3 van bijlage II; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen, zoals kalksteen, magnesiet en andere carbonaten, koolzuurhoudende ertsen; materialen voor rookgasreiniging; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage II. |
3.13.2.2.
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen en reductiemiddelen zoals cokes, cokesstof, kolen, stookolie, plastic afval, aardgas, houtafval, houtskool, afgassen van het proces of convertorgas; |
|
— |
wanneer biogas wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met de bepalingen van punt B.3.3 van bijlage II; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen, zoals kalksteen, magnesiet en andere carbonaten, koolzuurhoudende ertsen; materialen voor rookgasreiniging; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage II. |
3.14. Sponsijzer
3.14.1. Bijzondere bepalingen
Er is slechts één productieroute gedefinieerd, hoewel verschillende technologieën verschillende ertskwaliteiten kunnen gebruiken, waarvoor pelletisering of sinteren nodig kan zijn, en verschillende reductiemiddelen (aardgas, diverse fossiele brandstoffen of biomassa, waterstof). Daarom kunnen de precursoren gesinterd erts of waterstof relevant zijn. Als producten kunnen ijzerspons, warm gebriketteerd ijzer of andere vormen van sponsijzer relevant zijn, waaronder sponsijzer dat onmiddellijk wordt toegevoerd aan vlamboogovens of andere downstreamprocessen.
Wanneer de installatie geen sponsijzer verkoopt of naar andere installaties overbrengt, kan een gezamenlijk productieproces met inbegrip van staal worden vastgesteld, waarbij de regels van artikel 4 van toepassing zijn.
3.14.2. Systeemgrens
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen en reductiemiddelen zoals kolen, aardgas, stookolie, afgassen van het proces of convertorgas enz.; |
|
— |
wanneer biogas of andere vormen van biomassa worden gebruikt, moet rekening worden gehouden met de bepalingen van punt B.3.3 van bijlage II; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen, zoals kalksteen, magnesiet en andere carbonaten, koolzuurhoudende ertsen, materialen voor rookgasreiniging; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage III. |
3.15. Ruwstaal
3.15.1. Bijzondere bepalingen
Binnen de systeemgrens vallen alle noodzakelijke activiteiten en eenheden voor het verkrijgen van ruwstaal:
|
— |
als het proces uitgaat van vloeibaar ruwijzer, vallen de basiszuurstofomzetter, vacuümontgassing, secundaire metallurgie, argonzuurstofontkoling/vacuümzuurstofontkoling, continugieten of blokgieten, waar relevant warmwalsen of smeden, en alle noodzakelijke hulpwerkzaamheden zoals overslaan, opnieuw verwarmen en rookgasreiniging binnen de systeemgrens; |
|
— |
als bij het proces gebruik wordt gemaakt van een vlamboogoven, vallen alle relevante activiteiten en eenheden, zoals de vlamboogoven zelf, secundaire metallurgie, vacuümontgassing, argonzuurstofontkoling/vacuümzuurstofontkoling, continugieten of blokgieten, waar relevant warmwalsen of smeden, en alle noodzakelijke hulpwerkzaamheden zoals overslaan, verwarmen van grondstoffen en apparaten, opnieuw verwarmen en rookgasreiniging, binnen de systeemgrens; |
|
— |
alleen primair warmwalsen en voorbewerken door middel van smeden om de halffabricaten van de GN-codes 7207 , 7218 en 7224 te verkrijgen, vallen onder deze geaggregeerde categorie goederen; alle overige wals- en smeedprocessen vallen onder de geaggregeerde categorie goederen “ijzer- of staalproducten”. |
3.15.2. Systeemgrens
3.15.2.1.
Voor die productieroute omvat de monitoring van directe emissies:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen zoals kolen, aardgas, stookolie, afgassen zoals hoogovengas, cokesovengas of convertorgas enz.; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen, zoals kalksteen, magnesiet en andere carbonaten, koolzuurhoudende ertsen; materialen voor rookgasreiniging; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die in het proces terechtkomt via schroot, legeringen, grafiet enz. en met de koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage III. |
3.15.2.2.
Voor die productieroute houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen zoals kolen, aardgas, stookolie, als ook uit afgassen zoals hoogovengas, cokesovengas of convertorgas; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit het verbruik van elektroden en elektrodepasta’s; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit procesmaterialen, zoals kalksteen, magnesiet en andere carbonaten, koolzuurhoudende ertsen; materialen voor rookgasreiniging; |
|
— |
er wordt rekening gehouden met de koolstof die in het proces terechtkomt bv. in de vorm van schroot, legeringen, grafiet, en koolstof die achterblijft in het product of in slakken of afval, door middel van een massabalansmethode overeenkomstig punt B.3.2 van bijlage III. |
3.16. IJzer- of staalproducten
3.16.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.16.2. Systeemgrens
Voor ijzer- of staalproducten houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit de verbranding van brandstoffen en procesemissies ten gevolge van rookgasreiniging, met inbegrip van opnieuw verwarmen, hersmelten, gieten, warmwalsen, koudwalsen, smeden, nawalsen, coaten, galvaniseren, draadtrekken en beitsen, en met uitzondering van de volgende processen: plateren, snijden, lassen en afwerken van ijzer- of staalproducten. |
3.17. Ruw aluminium
3.17.1. Bijzondere bepalingen
Deze categorie geaggregeerde goederen omvat zowel ongelegeerd als gelegeerd aluminium, in een fysieke vorm die typisch is voor onbewerkte metalen, zoals ingots, platen, knuppels of korrels. In geïntegreerde aluminiumfabrieken is ook vloeibaar aluminium dat rechtstreeks wordt gebruikt voor de productie van aluminiumproducten inbegrepen.
3.17.2. Systeemgrens
3.17.2.1.
Voor die productieroute houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit het verbruik van elektroden of elektrodepasta’s; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit gebruikte brandstoffen (bv. voor het drogen en voorverwarmen van grondstoffen, verwarmen van elektrolysecellen, verwarmen waar nodig voor gieten); |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit rookgasreiniging, natriumcarbonaat of kalksteen, indien relevant; |
|
— |
perfluorkoolstofemissies veroorzaakt door anode-effecten, gemonitord in overeenstemming met punt B.7 van bijlage II. |
3.17.2.2.
Bij het secundair smelten (recyclen) van aluminium wordt aluminiumschroot als belangrijkste input gebruikt. Waar echter ruw aluminium uit andere bronnen wordt toegevoegd, wordt het behandeld als een precursor.
Voor die productieroute houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit alle brandstoffen die worden gebruikt voor het drogen en voorverwarmen van grondstoffen, die worden gebruikt in smeltovens, bij de voorbehandeling van schroot zoals het verwijderen van coating en het verwijderen van olie, en de verbranding van de gerelateerde residuen, en brandstoffen die nodig zijn voor het gieten van ingots, knuppels of platen; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit brandstoffen die worden gebruikt bij aanverwante activiteiten zoals de behandeling van slakschuim en slakwinning; |
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit rookgasreiniging, natriumcarbonaat of kalksteen, indien relevant. |
3.18. Aluminiumproducten
3.18.1. Bijzondere bepalingen
Geen.
3.18.2. Systeemgrens
Voor aluminiumproducten houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen die CO2-emissies veroorzaken uit de verbranding van brandstoffen en procesemissies uit rookgasreiniging, met uitzondering van de volgende processen: snijden, lassen en afwerken van aluminiumproducten. |
3.19. Elektriciteit
3.19.1. Bijzondere bepalingen
De emissiefactor van elektriciteit wordt bepaald overeenkomstig punt D.2 van bijlage III.
3.19.2. Systeemgrens
Voor elektriciteit houdt de monitoring van directe emissies rekening met het volgende:
|
— |
alle processen die direct of indirect verband houden met de productieprocessen en die verbrandingsemissies en procesemissies uit rookgasreiniging veroorzaken. |
(1) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj).
(2) Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1009/oj).
BIJLAGE II
Regels voor het bepalen van de gegevensverzameling van productieprocessen op installatieniveau
A. BEGINSELEN EN ALGEMENE EISEN
A.1. Algemene benadering
|
1. |
Voor de bepaling van ingebedde emissies van goederen worden de volgende activiteiten verricht:
|
|
2. |
De exploitant kan de werkelijke waarden van ingebedde emissies bepalen of gebruikmaken van de standaardwaarden die overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 beschikbaar zijn gesteld, of de werkelijke waarden en de standaardwaarden combineren. |
|
3. |
De ingebedde emissies van goederen worden berekend als het gemiddelde van de gekozen verslagperiode. |
|
4. |
Voor buiten de installatie geproduceerde precursoren die afkomstig zijn uit derde landen en gebieden die niet zijn vrijgesteld op grond van punt 1 van bijlage III bij Verordening (EU) 2023/956, worden werkelijke gegevens die zijn verkregen van de exploitant van de installatie die de precursor produceert, alleen gebruikt als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
|
5. |
Indien de exploitant niet beschikt over een verificatieverslag dat voldoet aan de voorwaarden a) en b), worden voor de precursor de toepasselijke standaardwaarden gebruikt die overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 beschikbaar zijn gesteld. |
|
6. |
Emissiegegevens over een volledige verslagperiode worden uitgedrukt in ton CO2e afgerond op een hele ton. |
|
7. |
Alle voor de emissieberekeningen gebruikte parameters worden, zowel voor het berekenen als voor het rapporteren van de emissies, zo afgerond dat zij alle significante cijfers bevatten. |
|
8. |
Specifieke directe en indirecte ingebedde emissies worden uitgedrukt in ton CO2e per ton goederen, afgerond zodat alle significante cijfers worden weergegeven, met een maximum van 5 cijfers achter de komma. |
A.2. Monitoringbeginselen
Voor de monitoring van feitelijke gegevens op installatieniveau en voor gegevensverzamelingen die nodig zijn om emissies aan goederen toe te schrijven, gelden de volgende beginselen:
|
1. |
Volledigheid: de monitoringmethode omvat alle parameters die nodig zijn om de ingebedde emissies van de in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 vermelde goederen te bepalen volgens de methoden en formules in deze bijlage. Daartoe gelden de volgende leidende beginselen:
|
|
2. |
Consistentie en vergelijkbaarheid: de monitoring en verslaglegging zijn consistent en vergelijkbaar in de tijd. Daartoe worden de geselecteerde methoden vastgelegd in een monitoringplan, zodat de methoden consistent worden gebruikt. De methode wordt alleen gewijzigd als dit objectief gerechtvaardigd is. Relevante redenen zijn onder meer:
|
|
3. |
Transparantie: monitoringgegevens, met inbegrip van aannames, referenties, activiteitsgegevens, emissiefactoren, berekeningsfactoren, gegevens over ingebedde emissies van aangekochte precursoren, meetbare warmte en elektriciteit, standaardwaarden van ingebedde emissies en alle andere gegevens die relevant zijn voor de toepassing van deze bijlage, worden op een transparante manier verkregen, vastgelegd, verzameld, geanalyseerd en gedocumenteerd, die een volgens artikel 18 van Verordening (EU) 2023/956 geaccrediteerde verificateur in staat stellen om met redelijke zekerheid vast te stellen dat de gegevens geen materiële onjuistheden bevatten. De documentatie omvat een register van alle wijzigingen in de werking van de installatie, van de toegepaste monitoringmethode en het toegepaste controlesysteem, zoals gedocumenteerd in het monitoringplan. |
|
4. |
Gedurende ten minste zes jaar na de verslagperiode wordt bij de installatie een volledige en transparante administratie bijgehouden van alle gegevens die relevant zijn voor het bepalen van ingebedde emissies van de geproduceerde goederen, met inbegrip van de nodige ondersteunende documenten. |
|
5. |
Nauwkeurigheid: in de gekozen methode wordt er zorg voor gedragen dat de bepaling van emissies noch systematisch, noch opzettelijk onnauwkeurig is. Elke bron van onnauwkeurigheden wordt geïdentificeerd en zo veel mogelijk beperkt. Er moeten gepaste inspanningen worden gedaan om te zorgen dat berekeningen en metingen van emissies met de maximaal haalbare nauwkeurigheid worden uitgevoerd.
Waar gegevenslacunes zijn opgetreden of naar verwachting onvermijdelijk zullen zijn, bestaan vervangende gegevens uit conservatieve schattingen. In de volgende gevallen worden emissiegegevens op conservatieve schattingen gebaseerd:
|
|
6. |
Integriteit van de methode: de gekozen monitoringmethodiek geeft een redelijk vertrouwen in de betrouwbaarheid van de te rapporteren emissiegegevens. Emissies moeten worden bepaald met behulp van de passende monitoringmethoden die in deze bijlage worden beschreven. De gerapporteerde emissiegegevens mogen geen beduidende materiële onjuistheden bevatten, moeten zodanig zijn dat systematische fouten bij de selectie en presentatie van informatie worden vermeden, en moeten een betrouwbare en evenwichtige beschrijving geven van de ingebedde emissies van de in een installatie geproduceerde goederen. |
|
7. |
Gegevenskwaliteit: er wordt een controlesysteem toegepast om de kwaliteit van de te rapporteren gegevens te waarborgen. |
|
8. |
Kosteneffectiviteit: bij het kiezen van een monitoringmethode worden de verbeteringen die een grotere nauwkeurigheid opleveren, afgewogen tegen de extra kosten. De monitoring en verslaglegging van de emissies zijn daarom gericht op het behalen van de hoogst mogelijke nauwkeurigheid, tenzij dat technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt. |
|
9. |
Continue verbetering: de exploitanten controleren regelmatig of het monitoringplan en de monitoringmethoden ervan kunnen worden verbeterd. Indien de verificateur aanbevelingen doet voor verbetering van het verificatieverslag, zal de exploitant overwegen deze binnen een redelijke termijn door te voeren, tenzij de verbetering tot onredelijke kosten zou leiden of technisch niet haalbaar zou zijn. |
A.3. Methoden die de best beschikbare gegevensbron vertegenwoordigen
|
1. |
Voor de bepaling van ingebedde emissies van goederen en voor onderliggende gegevensverzamelingen, zoals emissies gerelateerd aan individuele bronstromen of emissiebronnen, hoeveelheden meetbare warmte en elektriciteit, is het overkoepelende beginsel om altijd de best beschikbare gegevensbron te selecteren. Daartoe gelden de volgende leidende beginselen:
|
|
2. |
Indirecte bepalingsmethoden: indien er geen directe bepalingsmethode beschikbaar is voor een vereiste gegevensverzameling, met name in gevallen waarin de netto meetbare warmte die naar verschillende productieprocessen gaat, moet worden bepaald, kan een indirecte bepalingsmethode worden gebruikt, zoals:
Ten behoeve van punt c) moet ervoor worden gezorgd dat de correlatie voldoet aan de eisen van een goede technische praktijk en dat deze alleen wordt toegepast voor de bepaling van waarden die vallen binnen het toepassingsgebied waarvoor zij is vastgesteld. De geldigheid van dergelijke correlaties wordt ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd.
|
A.4. Specifieke bepalingen voor de indeling van installaties in productieprocessen
Voor goederen die onder de geaggregeerde categorieën goederen ruwstaal, ijzer- en staalproducten, ruw aluminium en aluminiumproducten vallen, wordt, wanneer verschillende functionele eenheden die alleen qua grootte of vorm verschillen, met dezelfde precursoren worden geproduceerd in soorten, hoeveelheden en verhoudingen, één enkel multifunctioneel productieproces voor die groep goederen vastgesteld en zijn de in punt A.2 van bijlage III vastgestelde toekenningsregels van toepassing.
Voor goederen die onder de geaggregeerde categorieën goederen meststoffen vallen, wordt, wanneer verschillende functionele eenheden met dezelfde precursoren in soorten, hoeveelheden en verhoudingen worden geproduceerd of uit dezelfde stof bestaan en slechts in concentraties verschillen, één enkel multifunctioneel productieproces voor die groep goederen vastgesteld en zijn de in punt A.2 van bijlage III vastgestelde toekenningsregels van toepassing.
A.5. Monitoringplan
Het model met de minimumelementen die in het monitoringplan moeten worden opgenomen:
|
1. |
de datum en het versienummer van het monitoringplan; |
|
2. |
een beschrijving van de installatie- en de productieprocessen die door de installatie worden uitgevoerd; |
|
3. |
een lijst van alle geproduceerde relevante goederen per GN-code en functionele eenheid en, in voorkomend geval, de specifieke samenstellingen in termen van klinkergehalte en stikstofgehalte, met inbegrip van precursoren die niet onder afzonderlijke productieprocessen overeenkomstig artikel 4 vallen; |
|
4. |
een lijst van alle CBAM-productieprocessen en -productieroutes die bij de installatie worden uitgevoerd en een lijst van geleverde goederen per productieproces; |
|
5. |
in voorkomend geval, een lijst van geproduceerde niet-CBAM-goederen per productieproces en de geproduceerde hoeveelheid; |
|
6. |
een lijst van de relevante CBAM-benchmarks die moeten worden gebruikt voor de vaststelling van de correctie voor de gratis toewijzing voor alle relevante geproduceerde goederen; |
|
7. |
de methoden voor het monitoren van gegevens per productieproces, met inbegrip van:
|
|
8. |
de methoden voor het bepalen van de berekeningsfactoren en het bemonsteringsplan voor elke bronstroom, indien van toepassing; |
|
9. |
een lijst van bronstromen en emissiebronnen en de beschrijving daarvan voor elk productieproces; |
|
10. |
een lijst van bronstromen waarvoor de standaardrekenmethode of de massabalansmethode wordt gebruikt, met inbegrip van de gedetailleerde beschrijving van de bepaling van elke relevante parameter vermeld in punt B.3.4; |
|
11. |
een lijst van emissiebronnen waarvoor een meetmethode wordt gebruikt, met inbegrip van de beschrijving van alle relevante elementen vermeld in punt B.6; |
|
12. |
een beschrijving van de monitoringmethode voor zover perfluorkoolstoffen uit de productie van primair aluminium worden gemonitord; |
|
13. |
een passend schema en een passende procesbeschrijving van de installatie, met inbegrip van de systeemgrenzen van de installaties en de verschillende productieprocessen, waaruit blijkt dat er geen sprake is van dubbeltelling of gegevenslacunes in de emissies van de installatie; |
|
14. |
de precursoren die in elk productieproces worden gebruikt en, indien zij in een andere installatie worden geproduceerd, de naam en het land van oorsprong van de leveranciers ervan; |
|
15. |
of brandstoffen waarvoor het nultarief geldt, worden gebruikt en hoe de exploitant de toepasbaarheid van het nultarief voor de brandstoffen aantoont; |
|
16. |
of meetbare warmte wordt ingevoerd uit of uitgevoerd naar andere installaties, en een identificatie van die installaties, een gedetailleerde beschrijving van de methoden om de aan de warmtestromen toegeschreven emissies voor elk productieproces te bepalen; |
|
17. |
voor indirecte emissies, of er in de installatie elektriciteit wordt geproduceerd; zo ja, of de elektriciteit wordt:
|
|
18. |
indien de indirecte emissies worden bepaald op basis van de werkelijke emissies, de informatie die nodig is om de relevante delen van de in punt D.4.3 vastgestelde bewijselementen te verstrekken; |
|
19. |
indien de ingebedde emissies van in het douanegebied van de Unie ingevoerde elektriciteit worden bepaald op basis van de werkelijke emissies, de informatie die nodig is om de in punt D.2.4 vastgestelde bewijselementen te verstrekken, met inbegrip van, indien deze informatie niet rechtstreeks beschikbaar is voor de exploitant, de wijze waarop de exploitant van plan is deze te ontvangen; |
|
20. |
of in de installatie afgassen worden geproduceerd en gebruikt, of uit andere installaties worden ingevoerd of naar andere installaties worden uitgevoerd, en een identificatie van die installaties; |
|
21. |
of CO2-afvang, -opslag en/of -gebruik overeenkomstig punt B.8.2 van toepassing is, de identiteit en contactgegevens van een verantwoordelijke persoon van de ontvangende installaties of vervoersinfrastructuur of entiteiten waarnaar deze wordt overgebracht, en de monitoringmethode overeenkomstig punt B.8.3; |
|
22. |
een controlesysteem om de gegevenskwaliteit te waarborgen, dat in voorkomend geval het volgende omvat:
|
B. MONITORING VAN DIRECTE EMISSIES OP INSTALLATIENIVEAU
B.1. Volledigheid van bronstromen en emissiebronnen
De grenzen van de installatie en de productieprocessen ervan moeten duidelijk bekend zijn bij de exploitant en worden gedefinieerd in het monitoringplan, rekening houdend met de sectorspecifieke eisen die zijn vastgesteld in punt 3 van bijlage I en punt B.9. De volgende beginselen zijn van toepassing:
|
(a) |
ten minste alle relevante emissiebronnen en bronstromen van broeikasgasemissies die direct of indirect verband houden met de productie van de in punt 2 van bijlage I vermelde goederen worden bestreken; |
|
(b) |
alle emissies van reguliere activiteiten worden opgenomen, evenals van abnormale gebeurtenissen, waaronder opstarten, stilleggen en noodsituaties, gedurende de verslagperiode; |
|
(c) |
emissies van mobiele machines voor vervoersdoeleinden zijn uitgesloten. |
B.2. Keuze voor een monitoringmethode
Een van de volgende toepasselijke methoden wordt toegepast:
|
(a) |
de op berekening gebaseerde methode (“rekenmethode”), waarbij de emissies van de bronstromen worden bepaald op basis van met behulp van meetsystemen verkregen activiteitsgegevens en aanvullende, door laboratoriumanalyses verkregen parameters of standaardwaarden. De rekenmethode kan worden geïmplementeerd volgens de standaardmethode of de massabalansmethode; |
|
(b) |
de op metingen gebaseerde methode (“meetmethode”), waarbij de emissies van emissiebronnen worden bepaald door continue meting van de concentratie van het betrokken broeikasgas in het rookgas en van het rookgasdebiet. |
Er wordt gekozen voor de monitoringmethode die de meest nauwkeurige en betrouwbare resultaten oplevert, behalve wanneer sectorspecifieke vereisten overeenkomstig punt B.9 een bepaalde methode vereisen. De toegepaste monitoringmethode kan een combinatie van methoden zijn, zodat verschillende delen van de emissies van de installatie worden gemonitord door een van de toepasselijke methoden.
De emissies van de installatie worden bepaald met:
|
|
(vergelijking 4) |
waarbij:
EmInst = de (directe) emissies van de installatie, uitgedrukt in ton CO2e;
Emcalc,i = de emissies uit bronstroom i, bepaald met behulp van een rekenmethode, uitgedrukt in ton CO2e;
Emmeas,j = de emissies uit emissiestroom j, bepaald met behulp van een meetmethode, uitgedrukt in ton Co2e.
B.3. Formules en parameters voor de rekenmethode voor CO2
B.3.1. Standaardmethode
Emissies worden voor elke bronstroom afzonderlijk als volgt berekend.
B.3.1.1.
Verbrandingsemissies worden als volgt volgens de standaardmethode berekend:
|
|
(vergelijking 5) |
waarbij:
Emi = de emissies [t CO2] veroorzaakt door brandstof i;
EFi = de emissiefactor [t CO2 / TJ] van brandstof i;
|
ADi
= de activiteitsgegevens [TJ] van brandstof i, berekend als
|
(vergelijking 6); |
FQi = de verbruikte hoeveelheid brandstof [t of m3] van brandstof i;
NCVi = de calorische onderwaarde (onderste verbrandingswaarde) [TJ/t of TJ/m3] van brandstof i;
OFi = de (dimensieloze) oxidatiefactor van brandstof i, berekend als
|
|
(vergelijking 7); |
Cash = de koolstof in as en rookgasreinigingsstof, en
Ctotal = de totale hoeveelheid koolstof in de verbrande brandstof.
De conservatieve aanname dat OF = 1 mag altijd worden gebruikt om de monitoringinspanningen te verminderen.
Op voorwaarde dat dit tot een hogere nauwkeurigheid leidt, kan de standaardmethode voor verbrandingsemissies als volgt worden aangepast:
|
(a) |
de activiteitsgegevens worden uitgedrukt als brandstofhoeveelheid (bv. in t of m3); |
|
(b) |
de EF wordt uitgedrukt in t CO2/t brandstof of t CO2/m3 brandstof, voor zover van toepassing, en |
|
(c) |
de NCV kan worden weggelaten uit de berekening. |
Als de emissiefactor van een brandstof i moet worden berekend uit de analyses van het koolstofgehalte en de NCV, wordt de volgende vergelijking gebruikt:
|
|
(vergelijking 8) |
waarbij:
CC i is het koolstofgehalte van de brandstof i.
Als de emissiefactor van een materiaal of brandstof, uitgedrukt in t CO2/t, moet worden berekend op basis van een geanalyseerd koolstofgehalte, wordt de volgende vergelijking gebruikt:
|
|
(vergelijking 9) |
waarbij:
f = de verhouding van de molaire massa’s van CO2 en C: f = 3,664 t CO2/t C.
Aangezien de emissiefactor van biomassa nul zal zijn op voorwaarde dat aan de criteria in punt B.3.3 wordt voldaan, kan hiermee als volgt rekening worden gehouden voor gemengde brandstoffen (d.w.z. brandstoffen die zowel fossiele als biomassacomponenten bevatten):
|
|
(vergelijking 10) |
waarbij:
EFpre,i = de voorlopige emissiefactor van brandstof i (d.w.z. de emissiefactor, ervan uitgaande dat de totale brandstof fossiel is), en
BFi = de (dimensieloze) biomassafactor van brandstof i.
Voor fossiele brandstoffen en wanneer de biomassafractie niet bekend is, wordt BFi vastgesteld op de conservatieve waarde nul.
B.3.1.2.
Procesemissies worden als volgt volgens de standaardmethode berekend:
|
|
(vergelijking 11) |
waarbij:
ADj = de activiteitsgegevens [t van materiaal] van materiaal j;
EFj = de emissiefactor [t CO2/t] van materiaal j, en
CFj = de (dimensieloze) conversiefactor van materiaal j.
De conservatieve aanname dat CFj = 1 mag altijd worden gebruikt om de monitoringinspanningen te verminderen.
Voor gemengde inputmaterialen voor het proces die zowel anorganische als organische vormen van koolstof bevatten, mag de exploitant kiezen:
|
— |
om een totale voorlopige emissiefactor te bepalen voor het gemengde materiaal door het totale koolstofgehalte (CCj ) te analyseren en een conversiefactor te gebruiken, evenals, indien van toepassing, een biomassafractie en calorische onderwaarde van dat totale koolstofgehalte, of |
|
— |
de organische en anorganische inhoud afzonderlijk te bepalen en deze als twee gescheiden bronstromen te behandelen. |
Rekening houdend met de beschikbare meetsystemen voor activiteitsgegevens en methoden voor het bepalen van de emissiefactor, wordt voor emissies ten gevolge van de ontleding van carbonaten voor elke bronstroom de methode gekozen die de meest nauwkeurige resultaten oplevert uit de volgende twee methoden:
|
— |
methode A (op basis van de input): de emissiefactor, conversiefactor en activiteitsgegevens worden gebaseerd op de hoeveelheid inputmateriaal voor in het proces; De standaardemissiefactoren van zuivere carbonaten zoals vastgesteld in tabel 3 in punt G moeten worden gebruikt, rekening houdend met de samenstelling van het relevante materiaal zoals bepaald in overeenstemming met punt B.5; |
|
— |
methode B (op basis van de output): de emissiefactor, conversiefactor en activiteitsgegevens worden gebaseerd op de output van het proces. De standaardemissiefactoren van metaaloxiden na decarbonisatie zoals weergegeven in tabel 4 in punt G moeten worden gebruikt, rekening houdend met de samenstelling van het relevante materiaal zoals bepaald in overeenstemming met punt B.5. |
Voor andere CO2-procesemissies dan van carbonaten, wordt methode A toegepast.
B.3.2. Massabalansmethode
De voor elke bronstroom relevante hoeveelheden CO2 worden berekend op basis van het koolstofgehalte in elk materiaal, zonder onderscheid tussen brandstoffen en procesmaterialen. Koolstof die de installatie verlaat in producten in plaats van te worden uitgestoten, wordt in aanmerking genomen door bronstromen van de output, die daarom negatieve activiteitsgegevens hebben.
De emissies die overeenkomen met elke bronstroom worden als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 12) |
waarbij:
ADk = de activiteitsgegevens [t] van materiaal k; voor outputs is ADk negatief;
f = de verhouding van de molaire massa’s van CO2 en C: f = 3,664 t CO2/t C, en
CCk = het koolstofgehalte van materiaal k (dimensieloos en positief).
Als het koolstofgehalte van een brandstof k moet worden berekend uit een emissiefactor uitgedrukt in t CO2/TJ, wordt de volgende vergelijking gebruikt:
|
|
(vergelijking 13) |
Als het koolstofgehalte van een materiaal of brandstof k moet worden berekend uit een emissiefactor uitgedrukt in t CO2/t, wordt de volgende vergelijking gebruikt:
|
|
(vergelijking 14) |
Voor gemengde brandstoffen mag de biomassafractie waarvoor het nultarief geldt, in aanmerking worden genomen, mits als volgt aan de criteria van punt B.3.3 wordt voldaan:
|
|
(vergelijking 15) |
waarbij:
CCpre,k = het voorlopige koolstofgehalte van brandstof k (d.w.z. de emissiefactor, ervan uitgaande dat de totale brandstof fossiel is), en
BFk = de (dimensieloze) biomassafractie van brandstof k waarvoor het nultarief geldt.
Voor fossiele brandstoffen of materialen en wanneer de biomassafractie niet bekend is, wordt BF vastgesteld op de conservatieve waarde nul. Wanneer biomassa wordt gebruikt als inputmateriaal of als brandstof, en de outputmaterialen koolstof bevatten, zal de totale massabalans de biomassafractie conservatief behandelen, wat betekent dat de totale massa koolstof die overeenkomt met de koolstoffracties waarvoor het nultarief geldt van de koolstof in alle relevante outputmaterialen, niet lager is dan de totale massa koolstoffracties waarvoor het nultarief geldt van de koolstof in inputmaterialen en brandstoffen, behalve als de exploitant een lagere biomassafractie in de outputmaterialen aantoont door middel van een “trace the atom”-methode (stoichiometrische methode) of door 14C-analyses.
B.3.3. Criteria voor zero-rating van biomassa-emissies
|
1. |
Wanneer biomassa wordt gebruikt als brandstof voor verbranding, moet deze voldoen aan de criteria van dit punt. Wanneer voor verbranding gebruikte biomassa niet aan deze criteria voldoet, wordt het koolstofgehalte ervan als fossiele koolstof beschouwd. |
|
2. |
De biomassa zal voldoen aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria zoals vastgesteld in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001 (1). |
|
3. |
In afwijking van punt 2 hoeft biomassa in of vervaardigd uit afvalstoffen en residuen die niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig zijn, alleen te voldoen aan de criteria van artikel 29, lid 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Dit punt is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt tot brandstoffen. |
|
4. |
De in artikel 29, lid 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalde criteria gelden niet voor elektriciteit, verwarming en koeling die worden geproduceerd uit vast stedelijk afval. |
|
5. |
De in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalde criteria gelden ongeacht de geografische herkomst van de biomassa. |
|
6. |
De naleving van de in artikel 29, leden 2 tot en met 7, en lid 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalde criteria wordt beoordeeld in overeenstemming met artikel 30 en artikel 31, lid 1, van die richtlijn. Aan de criteria kan worden geacht te zijn voldaan indien de exploitant de aankoop van een hoeveelheid biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biogas aantoont die verband houdt met de annulering van de respectieve hoeveelheid in de overeenkomstig artikel 31 bis opgezette Uniedatabank of een bewijs van duurzaamheid van een erkende vrijwillige regeling. |
B.3.4. Relevante parameters
Overeenkomstig de formules in de punten B.3.1 tot en met B.3.2 worden voor elke bronstroom de volgende parameters bepaald:
|
(a) |
Standaardmethode, verbranding:
|
|
(b) |
Standaardmethode, procesemissies:
|
|
(c) |
Massabalans:
|
B.4. Vereisten voor activiteitsgegevens
B.4.1. Continue of batchgewijze meting
Wanneer hoeveelheden brandstoffen of materialen, met inbegrip van goederen of tussenproducten, voor een verslagperiode moeten worden bepaald, kan een van de volgende methoden worden gekozen en vastgelegd in het monitoringplan:
|
(a) |
op basis van een continue meting in het proces dat het materiaal verbruikt of voortbrengt; |
|
(b) |
op basis van de som van de metingen van afzonderlijk (in batches) geleverde of geproduceerde hoeveelheden met inachtneming van relevante voorraadwijzigingen. Hierbij is het volgende van toepassing:
|
Als het technisch niet haalbaar is of leidt tot onredelijke kosten om de hoeveelheden in voorraad te bepalen door middel van directe meting, kunnen die hoeveelheden worden geschat op basis van een van de volgende gegevens:
|
(a) |
gegevens van eerdere jaren en gecorreleerd met de betreffende activiteitsniveaus gedurende de verslagperiode; |
|
(b) |
gedocumenteerde procedures en de desbetreffende gegevens in de geauditeerde jaarrekeningen voor de verslagperiode. |
Als de bepaling van de hoeveelheden producten, materialen of brandstoffen voor de volledige verslagperiode technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, kan de op een na meest passende dag als grensdatum tussen twee opeenvolgende verslagperioden worden gekozen. Het wordt dienovereenkomstig afgestemd op de vereiste verslagperiode. De afwijkingen voor elk van de producten, materialen of brandstoffen worden duidelijk vastgelegd om te worden gebruikt als de basis van een waarde die representatief is voor de verslagperiode en op consistente wijze in aanmerking genomen met betrekking tot het daaropvolgende jaar.
B.4.2. Controle van de exploitant over meetsystemen
De voorkeursmethode voor het bepalen van hoeveelheden producten, materialen of brandstoffen is dat de exploitant van de installatie gebruikmaakt van meetsystemen onder eigen controle. Meetsystemen buiten de controle van de exploitant, met name als ze onder controle staan van de leverancier van het materiaal of de brandstof, mogen worden gebruikt:
|
— |
indien de exploitant niet over een eigen meetsysteem beschikt voor de bepaling van de respectieve gegevensverzameling; |
|
— |
indien de bepaling van de gegevensverzameling met behulp van de eigen meetinstrumenten van de exploitant technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt; |
|
— |
indien de exploitant aantoont dat het meetsysteem buiten risico van de exploitant betrouwbaarder resultaten oplevert en minder gevoelig is voor risico’s of onjuistheden. |
In het geval dat meetsystemen buiten de controle van de exploitant worden gebruikt, zijn de toepasselijke gegevensbronnen de volgende:
|
— |
de hoeveelheden op facturen afgegeven door een handelspartner, op voorwaarde dat een handelstransactie tussen twee onafhankelijke handelspartners plaatsvindt; |
|
— |
de hoeveelheden die rechtstreeks van de meetsystemen worden afgelezen. |
B.4.3. Vereisten voor meetsystemen
Er moet een goed begrip zijn van de onzekerheid die gepaard gaat met het meten van hoeveelheden brandstoffen en materialen, met inbegrip van de invloed van de werkomgeving en, indien van toepassing, de onzekerheid van voorraadbepaling. Er moeten meetinstrumenten worden gekozen die de laagste beschikbare onzekerheid garanderen zonder tot onredelijke kosten te leiden en die geschikt zijn voor de omgeving waarin ze worden gebruikt, in overeenstemming met de toepasselijke technische normen en eisen. Indien beschikbaar hebben instrumenten die onderworpen zijn aan wettelijke metrologische controle de voorkeur. In dit geval mag de maximaal toelaatbare fout bij gebruik die is toegestaan door de relevante nationale wetgeving inzake wettelijke metrologische controle voor de relevante meettaak worden gebruikt als de onzekerheidswaarde.
Wanneer een meetinstrument moet worden vervangen vanwege een storing of omdat uit kalibratie blijkt dat niet meer aan de eisen wordt voldaan, moet het worden vervangen door instrumenten die voldoen aan hetzelfde of een beter onzekerheidsniveau dan het bestaande instrument.
B.4.4. Aanbevolen verbetering
Het wordt als een aanbevolen verbetering beschouwd om een meetonzekerheid te bereiken die overeenkomt met de totale emissies van de bronstroom of emissiebron, met de laagste onzekerheid voor de grootste delen van de emissies. Ter oriëntatie is voor emissies van meer dan 500 000 t CO2 per jaar de onzekerheid over de volledige rapportageperiode, rekening houdend met voorraadwijzigingen, indien van toepassing, 1,5 % of beter. Voor emissies van minder dan 10 000 t CO2 per jaar is een onzekerheid van minder dan 7,5 % aanvaardbaar.
B.5. Eisen voor berekeningsfactoren voor CO2
B.5.1. Methoden voor de bepaling van berekeningsfactoren
Voor het bepalen van de berekeningsfactoren die nodig zijn voor de rekenmethode kan gekozen worden voor een van de volgende methoden:
|
(a) |
het gebruik van standaardwaarden; |
|
(b) |
het gebruik van proxygegevens op basis van empirische correlaties tussen de relevante berekeningsfactor en andere eigenschappen die beter toegankelijk zijn voor metingen; |
|
(c) |
het gebruik van waarden op basis van laboratoriumanalyse. |
Berekeningsfactoren moeten worden bepaald in overeenstemming met de toestand waarop de activiteitsgegevens betrekking hebben, namelijk de toestand van de brandstof of het materiaal waarin de brandstof of het materiaal is gekocht of gebruikt in het proces dat emissies veroorzaakt, voordat het is gedroogd of op een andere manier is bewerkt voor laboratoriumanalyse. Indien dit tot onredelijke kosten leidt of als er een grotere nauwkeurigheid kan worden bereikt, kan bij de verslaglegging van activiteitsgegevens en berekeningsfactoren worden verwezen naar de toestand waarin de laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd.
B.5.2. Toepasselijke standaardwaarden
Type-I-standaardwaarden zijn alleen van toepassing als er geen type-II-standaardwaarde beschikbaar is voor dezelfde parameter, en voor hetzelfde materiaal of dezelfde brandstof.
Type-I-standaardwaarden zijn:
|
— |
standaardfactoren zoals bepaald in punt G; |
|
— |
standaardfactoren zoals vervat in de meest recente IPCC-richtlijnen voor broeikasgasinventarissen (2); |
|
— |
waarden gebaseerd op in het verleden uitgevoerde laboratoriumanalyses, niet ouder dan vijf jaar en representatief geacht voor de brandstof of het materiaal. |
Type-II-standaardwaarden zijn:
|
— |
standaardfactoren die door het land waar de installatie is gevestigd, worden gebruikt voor zijn meest recente nationale inventaris die hij aan het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering voorlegt; |
|
— |
waarden gepubliceerd door nationale onderzoeksinstellingen, overheidsinstanties, normalisatie-instellingen, bureaus voor de statistiek enz., met het oog op een meer uitgesplitste verslaglegging van emissies dan onder punt (a); |
|
— |
waarden die de leverancier van een brandstof of materiaal heeft gespecificeerd en gewaarborgd, als kan worden aangetoond dat het koolstofgehalte een 95 %-betrouwbaarheidsinterval van ten hoogste 1 % heeft; |
|
— |
stoichiometrische waarden voor het koolstofgehalte en gerelateerde literatuurwaarden voor de NCV van een zuivere stof; |
|
— |
waarden gebaseerd op in het verleden uitgevoerde laboratoriumanalyses niet ouder dan twee jaar en representatief geacht voor de brandstof of het materiaal. |
Om consistentie in de tijd te garanderen, worden alle gebruikte standaardwaarden vastgelegd in het monitoringplan en alleen gewijzigd als is aangetoond dat de nieuwe waarde geschikter en representatiever is voor de gebruikte brandstof of het gebruikte materiaal dan de vorige. Indien de standaardwaarden jaarlijks veranderen, wordt de gezaghebbende toepasselijke bron van die waarde vastgelegd in het monitoringplan in plaats van de waarde zelf.
B.5.3. Correlaties vaststellen voor het bepalen van proxygegevens
Een proxy voor het koolstofgehalte of de emissiefactor kan worden afgeleid uit de volgende parameters, in combinatie met een empirische correlatie die ten minste eenmaal per jaar wordt bepaald in overeenstemming met de vereisten voor laboratoriumanalyses zoals gegeven in punt B.5.4, en wel als volgt:
|
— |
dichtheidsmeting van specifieke oliën of gassen, waaronder die welke gewoonlijk worden gehanteerd in raffinaderijen of in de staalindustrie; |
|
— |
de calorische onderwaarde van specifieke soorten kolen. |
De correlatie moet voldoen aan de eisen van een goede industriële praktijk en mag alleen worden toegepast voor proxywaarden die vallen binnen het toepassingsgebied van de proxy.
B.5.4. Vereisten voor laboratoriumanalyses
Indien laboratoriumanalyses nodig zijn voor het bepalen van eigenschappen (o.a. vocht, zuiverheid, concentratie, koolstofgehalte, biomassafractie, calorische onderwaarde, dichtheid) van producten, materialen, brandstoffen of afgassen, of voor het vaststellen van correlaties tussen parameters ten behoeve van indirecte bepaling van de vereiste gegevens voldoen de analyses aan de vereisten van dit punt.
Het resultaat van een analyse wordt uitsluitend gebruikt met betrekking tot de leveringsperiode of de brandstof- of materiaalpartij waarvoor de monsters werden genomen en waarvoor zij representatief dienden te zijn. Bij het bepalen van een bepaalde parameter worden de resultaten van alle uitgevoerde analyses met betrekking tot die parameter gebruikt.
B.5.4.1.
Alle analyses, bemonstering, kalibraties en validaties ten behoeve van de bepaling van berekeningsfactoren moeten worden uitgevoerd met toepassing van op ISO-normen gebaseerde methoden. Indien dergelijke normen niet beschikbaar zijn, worden de methoden gebaseerd op toepasselijke EN-normen of nationale normen. Indien er geen toepasselijke gepubliceerde normen bestaan, worden passende ontwerpnormen, richtsnoeren voor de beste industriële praktijk of andere wetenschappelijk bewezen methoden gebruikt, die bemonsterings- en meetfouten beperken.
B.5.4.2.
De minimale frequenties voor analyses voor de desbetreffende brandstoffen en materialen genoemd in tabel 1 van dit punt wordt aangeraden voor gebruik. In de volgende gevallen kan een andere analysefrequentie worden gebruikt:
|
— |
indien tabel 1 geen toepasselijke minimale frequentie bevat; |
|
— |
indien de minimale frequentie genoemd in tabel 1 tot onredelijke kosten zou leiden; |
|
— |
indien kan worden aangetoond dat op basis van historische gegevens, waaronder analytische waarden voor de desbetreffende brandstoffen of materialen in de verslagperiode direct voorafgaand aan de huidige verslagperiode, een eventuele afwijking van de analytische waarden voor de desbetreffende brandstof of het desbetreffende materiaal niet meer dan een derde is van de onzekerheidswaarde bij het bepalen van de activiteitsgegevens van de desbetreffende brandstof of het desbetreffende materiaal. |
Indien een installatie slechts een deel van het jaar wordt geëxploiteerd, of wanneer brandstoffen of materialen worden geleverd in partijen die in meerdere verslagperioden worden verbruikt, kan een passender schema voor de analyses worden afgesproken, mits dit resulteert in een onzekerheid die vergelijkbaar is met die zoals vastgesteld in punt c) van de eerste alinea.
Tabel 1
Minimale analysefrequenties
|
Brandstof/materiaal |
Minimale analysefrequenties |
|
Aardgas |
Ten minste wekelijks |
|
Andere gassen, met name synthesegas en procesgassen zoals gemengd raffinaderijgas, cokesovengas, hoogovengas, convertorgas, olieveld- en gasbelgas |
Ten minste dagelijks — d.m.v. passende procedures op verschillende tijdstippen van de dag |
|
Stookolie (bijvoorbeeld lichte, middelzware, zware stookolie, bitumen) |
Eens per 20 000 ton brandstof en ten minste zes keer per jaar |
|
Steenkool, cokeskool, cokes, petroleumcokes, turf |
Eens per 20 000 ton brandstof/materiaal en ten minste zes keer per jaar |
|
Andere brandstoffen |
Eens per 10 000 ton brandstof en ten minste vier keer per jaar |
|
Onbehandelde vaste afvalstoffen (zuiver fossiel of gemengd biomassa/fossiel) |
Eens per 5 000 ton afvalstoffen en ten minste vier keer per jaar |
|
Vloeibare afvalstoffen, voorbehandelde vaste afvalstoffen |
Eens per 10 000 ton afvalstoffen en ten minste vier keer per jaar |
|
Carbonaatmineralen (waaronder kalksteen en dolomiet) |
Eens per 50 000 ton materiaal en ten minste vier keer per jaar |
|
Klei en schalie |
Hoeveelheden materiaal die overeenstemmen met emissies van 50 000 ton CO2 en ten minste vier keer per jaar |
|
Andere materialen (primair, tussen-, en eindproduct) |
Afhankelijk van het type materiaal en de variabiliteit, hoeveelheden materiaal die overeenstemmen met emissies van 50 000 ton CO2 en ten minste vier keer per jaar |
Monsters moeten representatief zijn voor de totale partij of periode van leveringen waarvoor ze zijn genomen. Om de representativiteit te waarborgen, moet rekening worden gehouden met de heterogeniteit van het materiaal, evenals met alle andere relevante aspecten zoals de beschikbare bemonsteringsapparatuur, mogelijke fasescheiding of lokale verdeling van deeltjesgroottes, stabiliteit van monsters enz. Aangeraden wordt de bemonsteringsmethode vast te leggen in het monitoringplan.
Het wordt als een aanbevolen verbetering beschouwd om voor elke relevante brandstof of elk relevant materiaal een specifiek bemonsteringsplan te gebruiken, volgens toepasselijke normen, met de relevante informatie over methoden voor de voorbereiding van monsters, met informatie over verantwoordelijkheden, locaties, frequenties en hoeveelheden, en methoden voor de opslag en het transport van monsters.
B.5.4.3.
Aangeraden wordt dat de laboratoria die de analyses uitvoeren voor het bepalen van de berekeningsfactoren zijn geaccrediteerd volgens ISO/IEC 17025 voor de desbetreffende analytische methoden. Niet-geaccrediteerde laboratoria mogen worden gebruikt voor het bepalen van berekeningsfactoren als er bewijs is dat toegang tot geaccrediteerde laboratoria technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, en dat het niet-geaccrediteerde laboratorium voldoende bekwaam is. Een laboratorium wordt als voldoende bekwaam beschouwd als het aan alle volgende criteria voldoet:
|
— |
het is economisch onafhankelijk van de exploitant; |
|
— |
het past de geldende normen toe voor de gevraagde analyses; |
|
— |
het heeft personeel in dienst dat bekwaam is voor het uitvoeren van de specifieke toegekende taken; |
|
— |
het beheert indien van toepassing het nemen en verwerken van monsters, met inbegrip van controle van de integriteit van monsters; |
|
— |
het voert regelmatig met passende methoden kwaliteitsborging uit van de kalibratie-, bemonsterings- en analysemethoden, onder andere door regelmatige deelname aan vakbekwaamheidsproeven, het toepassen van analytische methoden op gecertificeerd referentiemateriaal of onderlinge vergelijking met een geaccrediteerd laboratorium; |
|
— |
het beheert de uitrusting naar behoren, onder andere door het in stand houden en toepassen van procedures voor kalibratie, aanpassing, onderhoud en herstel van de uitrusting, en het bijhouden van gegevens daarvan. |
B.5.5. Aanbevolen methoden voor de bepaling van berekeningsfactoren
Het wordt als een aanbevolen verbetering beschouwd om alleen standaardwaarden toe te passen voor bronstromen die overeenkomen met kleine emissiehoeveelheden, en om laboratoriumanalyses toe te passen voor alle grote bronstromen. De volgende lijst geeft de toepasselijke methoden weer in volgorde van toenemende gegevenskwaliteit:
|
— |
type-I-standaardwaarden; |
|
— |
type-II-standaardwaarden; |
|
— |
correlaties voor het bepalen van proxygegevens; |
|
— |
analyses uitgevoerd buiten de controle van de exploitant, bv. door de leverancier van de brandstof of het materiaal, opgenomen in aankoopdocumenten, zonder verdere informatie over de toegepaste methoden; |
|
— |
analyses in niet-geaccrediteerde laboratoria, of in geaccrediteerde laboratoria, maar met vereenvoudigde bemonsteringsmethoden; |
|
— |
analyses in geaccrediteerde laboratoria, waarbij de beste praktijken inzake bemonstering worden toegepast. |
B.6. Vereisten voor een meetmethode voor CO2 en N2O
B.6.1. Algemene bepalingen
Een meetmethode vereist het gebruik van een systeem voor continue emissiemonitoring (CEMS) dat op een geschikt meetpunt is geïnstalleerd.
Voor de monitoring van N2O-emissies is het gebruik van de meetmethode verplicht. Voor CO2 wordt deze methode alleen gebruikt als er bewijs is dat hij nauwkeurigere gegevens geeft dan de rekenmethode. De onzekerheidsvereisten van meetsystemen overeenkomstig punt B.4.3 van deze bijlage zijn van toepassing.
CO dat in de atmosfeer terechtkomt, wordt behandeld als de molair equivalente hoeveelheid van CO2.
Ingeval er in een installatie meerdere emissiebronnen zijn die niet als één emissiebron kunnen worden gemeten, meet de exploitant de emissies van deze bronnen afzonderlijk en telt hij de resultaten op om te komen tot de totale emissie van het betreffende gas over de verslagperiode.
B.6.2. Methode en berekening
B.6.2.1.
De totale emissies van een emissiebron gedurende de verslagperiode worden bepaald door voor de verslagperiode de som te bepalen van alle uurwaarden van de gemeten broeikasgasconcentratie vermenigvuldigd met de uurwaarden van het rookgasdebiet, waarbij de uurwaarden gemiddelden zijn van alle individuele meetresultaten van het respectieve exploitatie-uur, met toepassing van de volgende formule:
|
|
(vergelijking 16) |
waarbij:
GHG Emtotal = de totale jaarlijkse broeikasgasemissies in ton;
GHG conchourly,i = concentratie-uurwaarden van broeikasgasemissies in g/Nm3 in het rookgasdebiet gemeten tijdens bedrijf voor een uur of een kortere referentieperiode i;
Vhourly,i = het rookgasvolume in Nm3 voor een uur of een kortere referentieperiode i, bepaald door integratie van het debiet over de referentieperiode, en
HoursOp = totaal aantal uren (of kortere referentieperioden) waarop de meetmethode wordt toegepast, met inbegrip van de uren waarvoor een vervangende waarde is bepaald overeenkomstig punt B.6.2.6.
De index i verwijst naar het afzonderlijke exploitatie-uur (of referentieperioden).
Vóór verdere verwerking worden de uurgemiddelden voor elke gemeten parameter berekend door gebruik te maken van alle gegevenspunten die voor dat specifieke uur beschikbaar zijn. Indien gegevens voor kortere referentieperioden zonder extra kosten kunnen worden gegenereerd, worden die perioden gebruikt voor de bepaling van de jaarlijkse emissies.
B.6.2.2.
De concentratie van het betreffende broeikasgas in het rookgas wordt bepaald door continue meting op een representatief punt met een van de volgende methoden:
|
— |
directe metingen van de broeikasgasconcentratie; |
|
— |
indirecte metingen: in het geval van een hoge concentratie in het rookgas kan de broeikasgasconcentratie worden berekend met behulp van een indirecte concentratiemeting, rekening houdend met de gemeten concentratiewaarden van alle andere componenten i van de gasstroom, met behulp van de volgende formule:
|
waarbij:
Conci = de concentratie van gascomponent i.
B.6.2.3.
Indien relevant kan elke CO2-hoeveelheid afkomstig uit biomassa die voldoet aan de criteria van punt B.3.3 worden afgetrokken van de totale gemeten CO2-emissies, op voorwaarde dat een van de volgende methoden wordt gebruikt voor de hoeveelheid CO2-emissies uit biomassa:
|
— |
een rekenmethode, met inbegrip van methoden aan de hand van analyses en bemonstering op basis van ISO 13833 (Emissies van stationaire bronnen — Bepaling van biogene en fossiele CO2 — Bemonstering en bepaling met radioactieve koolstof); |
|
— |
een andere methode op basis van een relevante norm, waaronder ISO 18466 (Emissies van stationaire bronnen — Bepaling van de biogene fractie van CO2 in afgas met behulp van de balansmethode); |
B.6.2.4.
In het geval van N2O-metingen worden de totale jaarlijkse N2O-emissies van alle emissiebronnen, gemeten in ton, tot op drie decimalen nauwkeurig, omgerekend in jaarlijkse CO2e-emissies, afgerond in ton, met behulp van de volgende formule en de GWP-waarden in punt G:
|
CO2e [t] = N2Oannual[t] × GWPN2O |
(vergelijking 18) |
waarbij:
N2Oannual = de totale jaarlijkse N2O-emissies, berekend in overeenstemming met punt B.6.2.1.
B.6.2.5.
Het rookgasdebiet kan met een van de volgende methoden worden bepaald:
|
— |
berekening aan de hand van een passende massabalans, rekening houdend met alle significante parameters aan de inputzijde, voor CO2-emissies met inbegrip van ten minste de input van materialen, het debiet van de luchttoevoer en het procesrendement, en aan de outputzijde, met inbegrip van ten minste de geproduceerde hoeveelheid product en de concentratie zuurstof (O2), zwaveldioxide (SO2) en stikstof (NOx); |
|
— |
bepaling door continue debietmeting op een representatief punt. |
B.6.2.6.
Als een apparaat voor de continue meting van een parameter gedurende een deel van het uur of de referentieperiode niet, of niet correct heeft gefunctioneerd, wordt het betreffende uurgemiddelde naar evenredigheid berekenend op basis van de resterende meetpunten voor dat uur of die kortere referentieperiode, mits ten minste 80 % van het maximale aantal meetpunten voor een parameter beschikbaar is.
Wanneer minder dan 80 % van het maximale aantal gegevenspunten voor een parameter beschikbaar is, worden de volgende methoden gebruikt.
In het geval van een parameter die direct wordt gemeten als concentratie, wordt een vervangende waarde gebruikt als de som van een gemiddelde concentratie en tweemaal de standaardafwijking die bij dat gemiddelde hoort, waarbij de volgende vergelijking wordt toegepast:
|
|
(vergelijking 19) |
waarbij:
σ c = de beste schatting van de standaardafwijking van de concentratie van de specifieke parameter over de gehele verslagperiode of, als specifieke omstandigheden van gegevensverlies van toepassing zijn, een geschikte periode die representatief is voor de specifieke omstandigheden.
Indien de verslagperiode als zodanig niet bruikbaar is voor het bepalen van dergelijke vervangende waarden omdat de installatie fundamentele technische veranderingen heeft ondergaan, wordt een ander voldoende representatief tijdsinterval gekozen, zo mogelijk van ten minste zes maanden, voor het bepalen van het gemiddelde en de standaardafwijking.
In het geval van een andere parameter dan de concentratie, worden vervangende waarden bepaald door middel van een geschikt massabalansmodel of een energiebalans van het proces. Dit model wordt gevalideerd aan de hand van de resterende gemeten parameters van de meetmethode en de gegevens bij regelmatige bedrijfsomstandigheden, rekening houdend met een tijdsperiode die even lang is als de lacune in de gegevens.
B.6.3. Kwaliteitseisen
Alle metingen worden verricht met toepassing van methoden gebaseerd op:
|
— |
ISO 20181:2023 Emissies van stationaire bronnen — Kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen; |
|
— |
ISO 14164:1999 Emissies van stationaire bronnen — Bepaling van het volumedebiet van gasstromen in afgaskanalen — Geautomatiseerde methode; |
|
— |
andere relevante ISO-normen, met name ISO 16911-2 (Emissies van stationaire bronnen — Handmatige en automatische bepaling van de stroomsnelheid en het debiet in afgaskanalen). |
Indien er geen toepasselijke gepubliceerde normen bestaan, worden passende ontwerpnormen, richtsnoeren voor de beste industriële praktijk of andere wetenschappelijk bewezen methoden gebruikt, die bemonsterings- en meetfouten beperken.
Alle relevante aspecten van het continue meetsysteem moeten in aanmerking worden genomen, met inbegrip van de locatie van de apparatuur, kalibratie, meting, kwaliteitsborging en kwaliteitscontrole.
Laboratoria waar metingen, kalibraties en relevante beoordelingen van de apparatuur voor continue meetsystemen worden uitgevoerd, moeten zijn geaccrediteerd volgens ISO/IEC 17025 voor de relevante analysemethoden en kalibratieactiviteiten. Indien het laboratorium niet over een dergelijke accreditatie beschikt, moet worden gezorgd voor voldoende competentie in overeenstemming met punt B.5.4.3.
B.6.4. Bevestiging van de berekeningen
CO2-emissies bepaald door middel van een meetmethode worden bevestigd door de jaarlijkse emissies van het desbetreffende broeikasgas te berekenen voor dezelfde emissiebronnen en bronstromen. Hiertoe kunnen, indien nodig, de eisen van de punten B.4 tot en met B.6 worden vereenvoudigd.
B.6.5. Minimumeisen voor continue emissiemetingen
Als minimumvereiste moet over de volledige verslagperiode een onzekerheid van 7,5 % van de broeikasgasemissies van een emissiebron worden bereikt. Voor kleine emissiebronnen of onder uitzonderlijke omstandigheden kan een onzekerheid van 10 % worden toegestaan. Het is een aanbevolen verbetering om een onzekerheid van ten minste 2,5 % te bereiken voor emissiebronnen die per verslagperiode meer dan 100 000 ton fossiel CO2e uitstoten.
B.7. Vereisten voor het bepalen van perfluorkoolstofemissies
De monitoring omvat de emissies van perfluorkoolstoffen (PFK’s) voortvloeiend uit anode-effecten, met inbegrip van diffuse PFK-emissies. Emissies die geen verband houden met anode-effecten worden bepaald op basis van schattingsmethoden in overeenstemming met de beste industriële praktijken, met name de richtlijnen van het International Aluminium Institute.
PFK-emissies worden berekend uit de emissies die meetbaar zijn in een leiding of schoorsteen (“puntbronemissies”), alsook de diffuse emissies zoals bepaald aan de hand van het opvangrendement van de leiding:
|
PFK-emissies (totaal) = PFK-emissies (leiding) / opvangrendement |
(vergelijking 20) |
Het opvangrendement wordt gemeten wanneer de installatiespecifieke emissiefactoren worden vastgesteld.
De emissies van CF4 en C2F6 die worden uitgestoten via een leiding of schoorsteen worden berekend met behulp van een van de volgende methoden:
|
— |
methode A, waarbij de anode-effectminuten per cel-dag worden geregistreerd; |
|
— |
methode B, waarbij de anode-effectoverspanning wordt geregistreerd. |
B.7.1. Rekenmethode A – hellingsmethode
Voor het bepalen van de PFK-emissies worden de volgende vergelijkingen gebruikt:
|
CF4-emissies [t] = AEM × (SEFCF4 /1 000) × PrAl |
(vergelijking 21) |
|
C2F6-emissies [t] = CF4-emissies × FC2 F6 |
(vergelijking 22) |
waarbij:
AEM = anode-effectminuten/cel-dag;
SEFCF4 = hellingsemissiefactor [(kg CF4/t geproduceerd Al)/(anode-effectminuten/cel-dag)]. Wanneer verschillende celtypen worden gebruikt, mogen verschillende SEF’s worden toegepast, naargelang van toepassing;
PrAl = de productie van primair aluminium [t] gedurende de verslagperiode, en
FC2 F6 = massafractie van C2F6 [t C2F6/t CF4].
Het aantal anode-effectminuten per cel-dag drukt de frequentie van de anode-effecten uit (aantal anode-effecten/cel-dag) vermenigvuldigd met de gemiddelde duur van de anode-effecten (aantal anode-effectminuten/voorval):
|
AEM = frequentie × gemiddelde duur |
(vergelijking 23) |
Emissiefactor: de emissiefactor voor CF4 (hellingsemissiefactor, SEFCF4 ) drukt de hoeveelheid [kg] uitgestoten CF4 per ton geproduceerd aluminium per anode-effectminuut/cel-dag uit. De emissiefactor (massafractie FC2 F6 ) voor C2F6 drukt de uitgestoten hoeveelheid [kg] C2F6 in verhouding tot de hoeveelheid [kg] CF4 uit.
Minimumeisen: de technologiespecifieke emissiefactoren van tabel 2 van dit punt worden gebruikt.
Aanbevolen verbeteringen: er worden door continue of periodieke veldmetingen vastgestelde installatiespecifieke emissiefactoren voor CF4 en C2F6 gebruikt. Voor de bepaling van die emissiefactoren worden de beste industriële praktijken toegepast, met name de meest recente richtlijnen van het International Aluminium Institute. De emissiefactor houdt ook rekening met emissies die verband houden met niet-anode-effecten. Elke emissiefactor moet worden bepaald met een maximale onzekerheid van ± 15 %. De emissiefactoren moeten ten minste elke drie jaar worden vastgesteld, of eerder als relevante wijzigingen in de installatie dat nodig maken. Onder relevante wijzigingen wordt onder meer een wijziging in de anode-effectduurverdeling of een wijziging in het controlealgoritme met gevolgen voor de mix van anode-effecttypen of de aard van de terminatieroutine van het anode-effect verstaan.
Tabel 2
Technologiespecifieke emissiefactoren gerelateerd aan activiteitsgegevens voor de hellingsmethode
|
Technologie |
Emissiefactor voor CF4 (SEFCF4 ) [(kg CF4/t Al) / (AE-minuten/cel-dag)] |
Emissiefactor voor C2F6 (FC2 F6 ) [t C2F6/t CF4] |
|
Legacy Point Feed Pre Bake (PFPB L) |
0,122 |
0,097 |
|
Modern Point Feed Pre Bake (PFPB M) |
0,104 |
0,057 |
|
Modern Point-Fed Pre Bake zonder volledig geautomatiseerde interventiestrategieën voor het anode-effect voor PFK-emissies (PFPB MW) |
— (3) |
— (3) |
|
Centre Worked Pre Bake (CWPB) |
0,143 |
0,121 |
|
Side Worked Pre Bake (SWPB) |
0,233 |
0,280 |
|
Vertical Stud Søderberg (VSS) |
0,058 |
0,086 |
|
Horizontal Stud Søderberg (HSS) |
0,165 |
0,077 |
B.7.2. Rekenmethode B – overspanningsmethode
Voor de overspanningsmethode worden de volgende vergelijkingen gebruikt:
|
CF4-emissies [t] = OVC × (AEO/CE) × PrAl × 0,001 |
(vergelijking 24) |
|
C2F6-emissies [t] = CF4-emissies × FC2 F6 |
(vergelijking 25) |
waarbij:
OVC = overspanningscoëfficiënt (“emissiefactor”), uitgedrukt in kg CF4 per ton geproduceerd aluminium per mV overspanning;
AEO = anode-effectoverspanning per cel [mV], bepaald als de integraal van (tijd × spanning boven de doelspanning) gedeeld door de tijd (duur) van de gegevensverzameling;
CE = gemiddeld stroomrendement van aluminiumproductie [%];
PrAl = jaarlijkse productie primair aluminium [t], en
FC2 F6 = massafractie van C2F6 [t C2F6/t CF4].
De term AEO/CE (anode-effectoverspanning/stroomrendement) drukt de over de tijd geïntegreerde gemiddelde anode-effectoverspanning [mV overspanning] per gemiddeld stroomrendement [%] uit.
Minimumeisen: De technologiespecifieke emissiefactoren van tabel 3 van deze bijlage moet worden gebruikt.
Aanbevolen verbeteringen: er worden door continue of periodieke veldmetingen vastgestelde installatiespecifieke emissiefactoren voor CF4 [(kg CF4/t Al) / (mV)] en C2F6 [t C2F6/t CF4] gebruikt. Voor de bepaling van die emissiefactoren worden de beste industriële praktijken toegepast, met name de meest recente richtlijnen van het International Aluminium Institute. Elke emissiefactor moet worden bepaald met een maximale onzekerheid van ±15 %. De emissiefactoren moeten ten minste elke drie jaar worden vastgesteld, of eerder als relevante wijzigingen in de installatie dat nodig maken. Onder relevante wijzigingen wordt onder meer een wijziging in de anode-effectduurverdeling of een wijziging in het controlealgoritme met gevolgen voor de mix van anode-effecttypen of de aard van de terminatieroutine van het anode-effect verstaan.
Tabel 3
Technologiespecifieke emissiefactoren gerelateerd aan de activiteitsgegevens over overspanning
|
Technologie |
Emissiefactor voor CF4 [(kg CF4/t Al) / mV] |
Emissiefactor voor C2F6 [t C2F6/t CF4] |
|
Centre Worked Pre Bake (CWPB) |
1,16 |
0,121 |
|
Side Worked Pre Bake (SWPB) |
3,65 |
0,252 |
B.7.3. Bepaling van CO2e-emissies
De CO2e-emissies worden als volgt berekend op basis van de CF4- en C2F6-emissies, waarbij gebruik wordt gemaakt van het aardopwarmingsvermogen vermeld in punt G van deze bijlage.
|
PFK-emissies [t CO2e] = CF4-emissies [t] × GWPCF4 + C2F6-emissies [t] × GWPC2 F6 |
(vergelijking 26) |
B.8. Vereisten voor de overdracht van CO2
B.8.1. CO2 in gassen (“inherent CO2 ”)
Inherent CO2 dat naar een installatie wordt overgebracht, ook als deel van aardgas, afgas (inclusief hoogovengas of cokesovengas) en als input in processen (inclusief synthesegas), wordt verrekend in de emissiefactor voor die bronstroom.
Indien overgebracht inherent CO2 wordt uitgestoten (bv. afgeblazen of afgefakkeld), wordt dit verrekend als emissies van de installatie waaruit het afkomstig is.
B.8.2. Voorwaarden voor aftrek van opgeslagen of verbruikt CO2
|
(1) |
In de volgende gevallen mag CO2 afkomstig van fossiele koolstof en afkomstig van verbranding of processen die leiden tot procesemissies, of ingevoerd uit andere installaties, ook in de vorm van inherent CO2, worden verwerkt als niet uitgestoten, op voorwaarde dat wordt voldaan aan punt 2:
|
|
(2) |
CO2 dat voor de in punt 1 vermelde doeleinden naar een andere installatie wordt overgedragen, mag alleen als niet-uitgestoten worden verwerkt voor zover er in de hele bewakingsketen naar de opslaglocatie of installatie waar het CO2wordt verbruikt, met inbegrip van eventuele vervoerders, bewijs wordt geleverd van de fractie CO2 die werkelijk is opgeslagen of verbruikt voor de productie van chemisch stabiele producten in vergelijking met de totale hoeveelheid CO2 die uit de oorspronkelijke installatie is overgedragen. Bovendien moeten exploitanten van installaties voldoen aan de in punt B.8.3 vastgestelde monitoringregels. |
B.8.3. Monitoringregels voor de overdracht van CO2
De identiteit en contactgegevens van een verantwoordelijke persoon van de ontvangende installaties of entiteiten worden duidelijk vastgelegd in het monitoringplan. De hoeveelheid CO2 die geacht wordt niet te zijn uitgestoten, wordt gerapporteerd in het emissieverslag overeenkomstig bijlage IV.
De identiteit en contactgegevens van een verantwoordelijke persoon van de installaties of entiteiten waarvandaan het CO2 wordt ontvangen, worden duidelijk vastgelegd in het monitoringplan. De ontvangen hoeveelheid CO2 wordt gerapporteerd in de mededeling overeenkomstig bijlage IV.
Voor de bepaling van de hoeveelheid CO2 die van de ene installatie naar de andere wordt overgedragen, wordt een meetmethode gebruikt.
Voor de hoeveelheid CO2 die permanent chemisch gebonden is in producten wordt een rekenmethode gebruikt, bij voorkeur met behulp van een massabalans. De toegepaste chemische reacties en alle relevante stoichiometrische factoren worden vastgelegd in het monitoringplan.
Als CO2 wordt verbruikt voor de doeleinden vermeld in punt 1 van punt B.8.2., worden de monitoringmethoden toegepast die worden vermeld in de punten 21 tot en met 23 van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie (5).
B.9. Sectorspecifieke vereisten
B.9.1. Aanvullende regels voor verbrandingseenheden
Verbrandingsemissies omvatten alle CO2-emissies afkomstig van de verbranding van koolstofhoudende brandstoffen, met inbegrip van afvalstoffen, ongeacht enige andere indeling van dergelijke emissies of brandstoffen. Indien het onduidelijk is of een materiaal als brandstof dan wel als procesinput fungeert, bv. voor het verminderen van metaalertsen, moeten de emissies van dat materiaal op dezelfde manier worden gemonitord als verbrandingsemissies. Alle stationaire verbrandingseenheden mogen worden meegerekend, met inbegrip van stook- of verwarmingsketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, (smelt)ovens, verbrandingsovens, gloeiovens, draai- of keramiekovens, droog- en bakovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders.
De monitoring omvat voorts CO2-procesemissies van rookgasreiniging, met name CO2 van kalksteen of andere carbonaten voor ontzwaveling en soortgelijke reiniging, en van ureum dat wordt gebruikt in eenheden voor verwijdering van NOx.
B.9.1.1.
Procesemissies van CO2 afkomstig van het gebruik van carbonaten voor de verwijdering van zuurgas uit het rookgas worden berekend op basis van het verbruikte carbonaat (methode A). In geval van ontzwaveling kan de berekening worden gebaseerd op de geproduceerde hoeveelheid gips (methode B). In het laatste geval is de emissiefactor de stoichiometrische verhouding van droog gips (CaSO4×2H2O) tot de CO2-emissies: 0,2558 t CO2/t gips.
B.9.1.2.
Als ureum wordt gebruikt als reductiemiddel in een eenheid om NOx te verwijderen, worden de procesemissies van CO2 van het verbruik ervan berekend volgens methode A, waarbij een emissiefactor wordt toegepast op basis van de stoichiometrische verhouding van 0,7328 t CO2/t ureum.
B.9.1.3.
Bij de berekening van emissies van fakkels worden routinematig affakkelen en operationeel affakkelen (uitschakelen, opstarten en stopzetten alsmede noodprocedures voor drukontlasting) meegenomen. Inherent CO2 in de afgefakkelde gassen moet worden meegenomen.
Als nauwkeurigere monitoring technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, moet een referentie-emissiefactor van 0,00393 t CO2/Nm3 worden gebruikt, afgeleid van de verbranding van zuiver ethaan, gebruikt als conservatieve proxy voor afgefakkelde gassen.
Het is een aanbevolen verbetering om installatiespecifieke emissiefactoren te bepalen die zijn afgeleid van een schatting van het molecuulgewicht van de fakkelstroom, met behulp van procesmodellering op basis van standaardmodellen in de industrie. Uit het relatieve aandeel van de diverse deelstromen en de overeenkomstige molecuulmassa’s wordt een gewogen jaargemiddelde voor de molecuulmassa van het afgefakkelde gas afgeleid.
Voor activiteitsgegevens is een hogere meetonzekerheid dan voor andere verbrande brandstoffen aanvaardbaar.
B.9.2. Aanvullende regels voor emissies bij de productie van cementklinker
B.9.2.1.
Indien methode A (gebaseerd op de oveninput) wordt gebruikt voor het bepalen van procesemissies, zijn de volgende speciale regels van toepassing:
|
— |
Indien cementovenstof of bypassstof het ovensysteem verlaat, worden de gerelateerde hoeveelheden grondstof niet als procesinput beschouwd. Emissies uit cementovenstof worden afzonderlijk berekend overeenkomstig punt B.9.2.3. |
|
— |
Ofwel de grondstof als geheel, ofwel de afzonderlijke inputmaterialen kunnen worden gekarakteriseerd, waarbij dubbeltellingen of omissies van teruggevoerde of bypassmaterialen moeten worden vermeden. Als activiteitsgegevens worden bepaald op basis van de geproduceerde hoeveelheid klinker, mag de hoeveelheid grondstof worden bepaald door middel van een locatiespecifieke empirische verhouding tussen grondstof en klinker. Die verhouding wordt minstens eenmaal per jaar geactualiseerd met inachtneming van richtsnoeren voor de beste industriële praktijk. |
B.9.2.2.
Indien methode B (gebaseerd op de klinkeroutput) wordt gebruikt voor het bepalen van procesemissies, zijn de volgende speciale regels van toepassing:
Activiteitsgegevens worden bepaald als de klinkerproductie [t] gedurende de verslagperiode, op een van de volgende wijzen:
|
— |
door directe weging van de klinker; |
|
— |
op basis van cementleveringen, aan de hand van de materiaalbalans rekening houdend met aan- en afvoer van klinker alsmede met wijzigingen in de klinkervoorraad, volgens de volgende formule:
– waarbij: – Clioprod = de hoeveelheid geproduceerde klinker, uitgedrukt in ton; – Cemdeliv = de hoeveelheid geleverde cement, uitgedrukt in ton; – CemSV = de schommelingen in de cementvoorraad, uitgedrukt in ton; – CCR = de klinker-cementverhouding (ton klinker per ton cement); – Clios = de hoeveelheid geleverde klinker, uitgedrukt in ton; – Cliod = de hoeveelheid verzonden klinker, uitgedrukt in ton, en – ClioSV = de schommelingen in de klinkervoorraad, uitgedrukt in ton. |
De verhouding tussen cement en klinker wordt ofwel apart voor elk van de verschillende cementproducten afgeleid op grond van laboratoriumanalyses in overeenstemming met de bepalingen van punt B.5.4, ofwel berekend op basis van het verschil tussen cementleveringen en voorraadwijzigingen en alle materialen die zijn gebruikt als toegevoegde materialen bij de cement, met inbegrip van omgeleid stof en cementovenstof.
Als minimumeis voor het bepalen van de emissiefactor wordt een standaardwaarde van 0,525 t CO2/t klinker gehanteerd.
B.9.2.3.
Procesemissies van CO2 uit omgeleid stof of cementovenstof die het ovensysteem verlaten, worden opgeteld bij de emissies, gecorrigeerd voor een verhouding gedeeltelijke gebrand cementovenstof.
Minimumeisen: er wordt een emissiefactor van 0,525 t CO2/t stof toegepast.
Aanbevolen verbeteringen: de emissiefactor (EF) wordt ten minste eenmaal per jaar bepaald, in overeenstemming met de bepalingen van punt B.5.4 en met behulp van de volgende formule:
|
|
(vergelijking 28) |
waarbij:
EFCKD = de emissiefactor van gedeeltelijk gebrand cementovenstof [t CO2/t cementovenstof (CKD)];
EFClio = de installatiespecifieke emissiefactor van klinker [t CO2/t klinker], en
d = de mate waarin het cementovenstof is gebrand (uitgestoten CO2 als % van het totaal carbonaat-CO2 in het ruwe mengsel).
B.9.3. Aanvullende regels voor emissies bij de productie van salpeterzuur
B.9.3.1.
De N2O-emissies worden bepaald aan de hand van een meetmethode. De N2O-concentraties in het rookgas van elke emissiebron worden gemeten op een representatief punt, achter de NOx/N2O-afvangapparatuur (indien rookgasreiniging wordt toegepast). Er worden technieken gebruikt waarmee de N2O-concentraties van alle emissiebronnen kunnen worden gemeten, zowel met als zonder rookgasreiniging. Alle metingen moeten worden aangepast aan droog gas, waar vereist, en consistent worden gerapporteerd.
B.9.3.2.
Voor het monitoren van het rookgasdebiet wordt de massabalansmethode van punt B.6.2.5 gebruikt, tenzij dit technisch niet haalbaar is. In dat geval kan een alternatieve methode worden gebruikt, waaronder een massabalansmethode op basis van relevante parameters zoals de ammoniakinput, of een bepaling van het debiet aan de hand van een continue emissiedebietmeting.
Het rookgasdebiet wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:
|
Vflue gas flow [Nm3/h] = Vair × (1 – O2,air) / (1 – O2,flue gas) |
(vergelijking 29) |
waarbij:
Vair = totaal debiet van de luchttoevoer in Nm3/uur onder standaardomstandigheden;
O 2,air = de volumefractie O2 in droge lucht (= 0,2095), en
O 2,flue gas = de volumefractie O2 in het rookgas.
Vair wordt berekend als de som van alle luchtstromen die de productie-eenheid voor salpeterzuur binnenkomen, met name het debiet van de primaire en secundaire luchttoevoer en het debiet van de spergastoevoer, indien van toepassing.
Alle metingen moeten worden aangepast aan droog gas en consistent worden gerapporteerd.
B.9.3.3.
Indien nodig voor de berekening van het rookgasdebiet in overeenstemming met punt B.9.3.2, worden de zuurstofconcentraties in het rookgas gemeten met toepassing van de vereisten van punt B.6.2.2. Alle metingen moeten worden aangepast aan droog gas en consistent worden gerapporteerd.
C. WARMTESTROMEN
C.1. Regels om de netto meetbare warmte te bepalen
C.1.1. Beginselen
Alle vastgestelde hoeveelheden meetbare warmte hebben steeds betrekking op de nettohoeveelheid meetbare warmte, bepaald als de warmte-inhoud (enthalpie) van de aangevoerde warmtestroom naar het warmteverbruikend proces of een externe gebruiker, min de warmte-inhoud van de retourstroom.
Met betrekking tot het rendement van het verwarmingssysteem moet rekening worden gehouden met warmteverbruikende processen die noodzakelijk zijn voor de inbedrijfstelling van de warmteproductie en -distributie, zoals ontluchting, bewerking van suppletiewater en regelmatig spuien; deze processen moeten worden verrekend in de ingebedde emissies van goederen.
Indien dezelfde warmtedrager door verschillende opeenvolgende processen wordt gebruikt en het warmteverbruik ervan op verschillende temperatuurniveaus begint, wordt de door elk warmteverbruikend proces verbruikte totale hoeveelheid warmte afzonderlijk bepaald, tenzij de processen onderdeel zijn van het algemene productieproces van dezelfde goederen. Het opnieuw verwarmen van de warmtedrager tussen elkaar opvolgende warmteverbruikende processen moet als aanvullende warmteopwekking worden beschouwd.
Indien warmte wordt verbruikt voor koeling door absorptiekoeling, wordt dat koelproces beschouwd als een warmteverbruikend proces.
C.1.2. Methoden voor het bepalen van nettohoeveelheden meetbare warmte
Bij de keuze van gegevensbronnen voor de kwantificering van energiestromen overeenkomstig artikel 4 moeten de volgende methoden voor het bepalen van de nettohoeveelheden meetbare warmte in ogenschouw worden genomen:
C.1.2.1.
Bij deze methode worden alle relevante parameters gemeten, in het bijzonder de temperatuur, de druk en de toestand van de aangevoerde en geretourneerde warmtedrager. Bij stoom wordt onder de toestand van de warmtedrager de verzadiging of de mate van oververhitting verstaan. Het (volume)debiet van het medium voor warmteoverdracht moet worden gemeten. Op basis van de gemeten waarden moeten de enthalpie en het specifieke volume van het medium voor warmteoverdracht worden bepaald met behulp van geschikte stoomtabellen of technische software.
Het massadebiet van de drager wordt als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 30) |
waarbij:
v = het specifieke volume, uitgedrukt in m3/kg.
Aangezien het massadebiet voor de aangevoerde en geretourneerde drager als gelijk wordt beschouwd, wordt het warmtedebiet aan de hand van het verschil in enthalpie tussen de aanvoerstroom en de retourstroom als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 31) |
waarbij:
hflow = de specifieke enthalpie van de aanvoerstroom, uitgedrukt in kJ/kg;
hreturn = de specifieke enthalpie van de retourstroom, uitgedrukt in kJ/kg, en
Als bij gebruik van stoom of warm water als warmtedrager het condensaat niet wordt geretourneerd of als het niet haalbaar is om de enthalpie van het geretourneerde condensaat te schatten, moet hreturn worden bepaald op basis van een temperatuur van 90 °C.
Als bekend is dat de massadebieten niet overeenstemmen, geldt het volgende:
|
— |
indien kan worden aangetoond dat er condensaat achterblijft in het product (bv. bij “life steam”-injecties), wordt de desbetreffende hoeveelheid enthalpie van het condensaat niet in mindering gebracht; |
|
— |
indien bekend is dat de warmtedrager verloren is gegaan (bv. door lekkage of afwatering), wordt een schatting van het betreffende debiet in mindering gebracht op het debiet van de aangevoerde warmtedrager. |
Voor het bepalen van het jaarlijkse netto warmtedebiet uit de bovenstaande gegevens, wordt een van de volgende methoden gebruikt, afhankelijk van de beschikbare meetapparatuur en gegevensverwerking:
|
— |
vaststellen van de jaarlijkse gemiddelde waarden voor de parameters die de jaarlijkse gemiddelde enthalpie bepalen van de aangevoerde en geretourneerde warmtedrager, en die vermenigvuldigen met het totale jaarlijkse debiet, met gebruikmaking van vergelijking 31; |
|
— |
bepalen van de uurwaarden van het warmtedebiet en die waarden optellen voor de jaarlijkse totale gebruiksperiode van het verwarmingssysteem. Afhankelijk van het systeem voor gegevensverwerking kunnen uurwaarden worden vervangen door andere tijdsintervallen, naargelang het geval. |
C.1.2.2.
De hoeveelheden netto meetbare warmte worden bepaald aan de hand van de brandstofinput en het gemeten rendement met betrekking tot de warmteopwekking en -overdracht:
|
|
(vergelijking 32) |
|
|
(vergelijking 33) |
waarbij:
Q = de hoeveelheid warmte, uitgedrukt in TJ;
ηH = het gemeten rendement van de warmteproductie en -overdracht;
EIn = de energie-input uit brandstoffen;
ADi = de jaarlijkse activiteitsgegevens (d.w.z. verbruikte hoeveelheden) van de brandstoffen i, en
NCVi = de calorische onderwaarden van de brandstoffen i.
De waarde van ηΗ wordt ofwel gemeten gedurende een redelijk lange periode, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de verschillende belastingen van de installatie, ofwel ontleend aan de documentatie van de fabrikant. Daartoe moet met behulp van een jaarlijkse belastingsfactor als volgt rekening worden gehouden met het specifieke deel van de belastingscurve:
|
|
(vergelijking 34) |
waarbij:
LF = de belastingsfactor;
EIn = de energie-input zoals bepaald met behulp van vergelijking 33 gedurende de verslagperiode, en
EMax = de maximale brandstofinput als de warmteopwekkende eenheid het hele kalenderjaar op 100 % nominale belasting had gedraaid.
Het rendement wordt gebaseerd op een situatie waarin al het condensaat wordt geretourneerd. Voor het geretourneerde condensaat wordt uitgegaan van een temperatuur van 90 °C.
C.1.2.3.
Deze methode is gelijk aan methode 3, maar hanteert een standaardrendement van 70 % (ηRef,H = 0,7) in vergelijking 32.
C.1.3. Bijzondere regels
Wanneer een installatie meetbare warmte verbruikt die wordt geproduceerd door andere exotherme chemische processen dan verbranding, zoals bij de productie van ammoniak of salpeterzuur, wordt die hoeveelheid verbruikte warmte afzonderlijk van andere meetbare warmte bepaald en wordt aan dat warmteverbruik een CO2e-emissiewaarde van nul toegekend.
D. ELEKTRICITEIT
D.1. Berekening van de emissies in verband met elektriciteit
De emissies in verband met de productie of het verbruik van elektriciteit worden berekend met behulp van de volgende formule:
|
|
(vergelijking 35) |
waarbij:
Em el = de emissies in verband met de opgewekte of verbruikte elektriciteit, uitgedrukt in t CO2;
E el = de opgewekte of verbruikte elektriciteit, uitgedrukt in MWh, en
EF el = de toegepaste emissiefactor voor elektriciteit, uitgedrukt in t CO2/MWh.
D.2. Regels ter bepaling van de emissiefactor van in het douanegebied van de Unie ingevoerde elektriciteit
Voor het bepalen van de specifieke ingebedde emissies van elektriciteit die in het douanegebied van de Unie wordt ingevoerd, zijn alleen directe emissies van toepassing, overeenkomstig punt 2 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956.
De emissiefactor voor de berekening van de specifieke ingebedde emissies van elektriciteit wordt als volgt vastgesteld:
|
— |
de specifieke standaardwaarde voor een derde land, groep van derde landen of regio in een derde land, aangezien de relevante CO2-emissiefactor als beschreven in punt D.2.1 wordt gebruikt; |
|
— |
indien er geen specifieke standaardwaarde beschikbaar is overeenkomstig punt a), wordt de CO2-emissiefactor in de EU gebruikt zoals beschreven in punt D.2.2; |
|
— |
indien een land, of een groep van derde landen, voldoende bewijs voorlegt op basis van officiële en openbare informatie om aan te tonen dat de CO2-emissiefactor in het derde land, de groep van derde landen of de regio in een derde land vanwaaruit elektriciteit wordt ingevoerd, lager is dan de waarden overeenkomstig de punten a) en b), en indien aan de voorwaarden van punt D.2.3 is voldaan, wordt de alternatieve standaardwaarde, bepaald op basis van de beschikbare en betrouwbare verstrekte gegevens, gebruikt; |
|
— |
een toegelaten CBAM-aangever mag de werkelijke ingebedde emissies toepassen in plaats van standaardwaarden voor de berekening van de ingebedde emissies van de ingevoerde elektriciteit indien, aan de hand van de in punt D.2.4 van deze bijlage beschreven bewijselementen, kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de cumulatieve criteria a) tot en met d), van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, en de berekening is gebaseerd op gegevens die overeenkomstig deze bijlage zijn bepaald door de producent van de elektriciteit, berekend met behulp van punt D.4.1 of D.4.2 van deze bijlage. |
D.2.1. CO2-emissiefactor op basis van specifieke standaardwaarden
Overeenkomstig punt 4.2.1 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 worden CO2-emissiefactoren in het derde land, de groep van derde landen of de regio in een derde land gebruikt, op basis van de beste gegevens.
D.2.2. CO2-emissiefactor van de EU
Overeenkomstig punt 4.2.2 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is de CO2-emissiefactor voor de Unie van toepassing.
D.2.3. CO2-emissiefactor op basis van alternatieve betrouwbare gegevens
Voor de toepassing van punt c) van punt D.2, mogen alternatieve standaardwaarden worden gebruikt voor elektriciteit die in een bepaald jaar uit een bepaald derde land wordt ingevoerd, indien een derde land of een groep van derde landen de Commissie uiterlijk op 30 juni van dat jaar de gegevensreeksen uit betrouwbare alternatieve officiële bronnen, met inbegrip van nationale statistieken, verstrekt waaruit blijkt dat de op basis van de vergelijkingen 36 en 37 berekende CO2-emissiefactor lager is dan de overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgelegde CO2-emissiefactor. Indien de Commissie de verstrekte alternatieve officiële bronnen betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het volgende jaar, de toepasselijke standaardwaarden. De gewijzigde standaardwaarden zijn van toepassing op elektriciteit die is ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
Wanneer een derde land of groep van derde landen de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen na 30 juni van een bepaald jaar verstrekt en de Commissie deze betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar na het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt, de toepasselijke standaardwaarden. De gewijzigde standaardwaarden zijn van toepassing op elektriciteit die is ingevoerd in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt. Indien de Commissie erin slaagt om de toepasselijke standaardwaarden te wijzigen in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt en vóór de uiterste datum voor de indiening van CBAM-aangiften overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2023/956, zijn de gewijzigde standaardwaarden van toepassing op elektriciteit die is ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
De alternatieve CO2-emissiefactor wordt berekend op basis van het gemiddelde van de jaarlijkse CO2-emissiefactoren voor de meest recente periode van vijf jaar waarvoor betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.
Daartoe worden de jaarlijkse CO2-emissiefactoren berekend op basis van de volgende vergelijking:
|
|
(vergelijking 36) |
waarbij:
Em el,y = de jaarlijkse CO2-emissiefactor voor alle fossiele brandstoftechnologieën in het gegeven jaar in het derde land, de groep derde landen of het gebied binnen een derde land dat elektriciteit naar de EU kan uitvoeren;
E el,y = de totale bruto elektriciteitsopwekking van alle fossiele brandstoftechnologieën in dat jaar; EF i = de CO2-emissiefactor voor elke fossiele technologie “i”, en
E el,i,y = de jaarlijkse bruto elektriciteitsopwekking voor elke fossiele brandstoftechnologie “i”.
De CO2-emissiefactor wordt berekend als een voortschrijdend gemiddelde van die jaren, beginnend met het lopende jaar min twee, op basis van de volgende vergelijking:
|
|
(vergelijking 37) |
waarbij:
Em el = de CO2-emissiefactor resulterend uit het voortschrijdend gemiddelde van de jaarlijkse CO2-emissiefactoren van de vijf voorgaande jaren, te rekenen vanaf het lopende jaar min twee jaar tot het lopende jaar min zes jaar;
Em el,y = de CO2-emissiefactor voor elk jaar “i”;
i = de variabele index voor de te beschouwen jaren, en
y = het lopende jaar.
Indien recentere betrouwbare gegevens beschikbaar zijn, kan het voortschrijdend gemiddelde beginnen vanaf het lopende jaar, minus één jaar, tot het lopende jaar, minus vijf jaar.
D.2.4. Bewijselementen voor het gebruik van werkelijke ingebedde emissies voor in de Unie ingevoerde elektriciteit
Overeenkomstig punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 mag een toegelaten CBAM-aangever de werkelijke ingebedde emissies toepassen in plaats van standaardwaarden voor de berekening van ingebedde emissies van een gegeven hoeveelheid ingevoerde elektriciteit als aan de cumulatieve criteria a) tot en met d) in dat punt wordt voldaan.
Om aan te tonen dat overeenkomstig punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan aan de criteria die vereist zijn om het gebruik van werkelijke emissies te rechtvaardigen, moeten de volgende bewijselementen worden ingediend.
|
— |
Voor criterium a), zoals vastgesteld in punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956:
|
|
— |
Voor criterium b), zoals vastgesteld in punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, een van de volgende criteria:
|
|
— |
Voor criterium c), zoals vastgesteld in punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956:
|
|
— |
Voor criterium d), zoals vastgesteld in punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956:
|
|
— |
Voor criterium e) van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956:
|
D.3. Regels voor het bepalen van de hoeveelheden elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van andere goederen dan elektriciteit
Voor het bepalen van ingebedde emissies geldt de meting van de hoeveelheden elektriciteit voor het werkelijke vermogen, niet voor het schijnbare vermogen (complex vermogen). Alleen de werkzame vermogenscomponent wordt gemeten, en het blindvermogen wordt buiten beschouwing gelaten.
Voor de opwekking van elektriciteit verwijst het activiteitsniveau naar de netto-elektriciteit die de systeemgrenzen van de elektriciteitscentrale of warmtekrachtkoppelingseenheid verlaat, na aftrek van intern verbruikte elektriciteit.
D.4. Regels voor het bepalen van de ingebedde indirecte emissies van elektriciteit die voor de productie van andere goederen dan elektriciteit wordt gebruikt
Emissiefactoren voor elektriciteit worden als volgt bepaald:
|
— |
op basis van de gemiddelde emissiefactor van het elektriciteitsnet van het land van oorsprong, beschikbaar gesteld overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, of |
|
— |
indien op basis van officiële en openbare informatie voldoende bewijsmateriaal wordt ingediend om aan te tonen dat de gemiddelde emissiefactor van het net van een derde land of groep van derde landen waarin elektriciteit is opgewekt, lager is dan de overeenkomstig punt a) vastgestelde waarden, wordt een alternatieve standaardwaarde vastgesteld overeenkomstig punt D.4.4. |
|
— |
de werkelijke emissiefactoren voor elektriciteit mogen worden gebruikt overeenkomstig de punten D.4.1 tot en met D.4.3. |
D.4.1. Emissiefactor van elektriciteit die is opgewekt met andere methoden dan warmtekrachtkoppeling
Indien aan de criteria voor het gebruik van werkelijke emissies voor elektriciteit of indirecte emissies, zoals vastgesteld in bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, is voldaan, wordt voor elektriciteit die wordt opgewekt door de verbranding van brandstoffen, met uitzondering van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, de emissiefactor van elektriciteit EFEl bepaald op basis van de relevante brandstofmix en worden de emissies die toe te kennen zijn aan de elektriciteitsopwekking als volgt berekend:
|
EFEl = (Σ ADi × NCVi × EFi + EmFGC) / ElprodIs |
(vergelijking 38) |
waarbij:
ADi = de jaarlijkse activiteitsgegevens (d.w.z. verbruikte hoeveelheden) van de brandstoffen i die zijn gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, uitgedrukt in ton of Nm3;
NCVi = de calorische onderwaarden van de brandstoffen i, uitgedrukt in TJ/t of TJ/Nm3;
EFi = de emissiefactoren van de brandstoffen i, uitgedrukt in t CO2/TJ;
EmFGC = de procesemissies door rookgasreiniging, uitgedrukt in t CO2, en
Elprod = de nettohoeveelheid opgewekte elektriciteit, uitgedrukt in MWh. Het kan hoeveelheden elektriciteit omvatten die zijn opgewekt uit andere bronnen dan de verbranding van brandstoffen.
Wanneer een afgas deel uitmaakt van de gebruikte brandstofmix en de emissiefactor van het afgas hoger is dan de standaardemissiefactor van aardgas vermeld in tabel 1 van punt G, wordt die standaardemissiefactor gebruikt om EFEl te berekenen in plaats van de emissiefactor van het afgas.
D.4.2. Emissiefactor van met warmtekrachtkoppeling opgewekte elektriciteit
Indien is voldaan aan de criteria voor het gebruik van werkelijke emissies voor indirecte emissies, zoals vastgesteld in bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, wordt de emissiefactor van elektriciteitsopwekking met warmtekrachtkoppeling bepaald overeenkomstig punt A.2.2 van bijlage III.
D.4.3. Bewijselementen voor het gebruik van werkelijke indirecte ingebedde emissies
Overeenkomstig punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 mag een toegelaten CBAM-aangever de werkelijke ingebedde emissies toepassen in plaats van standaardwaarden voor de berekening van ingebedde emissies als aan de vereiste criteria wordt voldaan. Indien aan de criteria is voldaan, wordt de emissiefactor bepaald overeenkomstig punt D.4.1 of D.4.2 van deze bijlage.
De volgende bewijselementen moeten worden verstrekt om aan te tonen dat is voldaan aan de criteria die vereist zijn om het gebruik van werkelijke ingebedde emissies voor indirecte emissies overeenkomstig punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 te rechtvaardigen.
|
— |
Voor het aantonen van een directe technische verbinding:
|
|
— |
Voor het aantonen van een stroomafnameovereenkomst:
|
D.4.4. Emissiefactor op basis van alternatieve betrouwbare gegevens
Voor de toepassing van punt 2 onder punt D.4, mogen alternatieve standaardwaarden worden gebruikt voor elektriciteit die wordt gebruikt bij de productie van goederen die in een bepaald jaar worden ingevoerd, indien een derde land of een groep van derde landen de Commissie uiterlijk op 30 juni van dat jaar gegevensreeksen uit betrouwbare alternatieve officiële bronnen, met inbegrip van nationale statistieken, verstrekt waaruit blijkt dat de op basis van de vergelijkingen 45 en 56 berekende gemiddelde emissie-intensiteit voor het elektriciteitsnet van het derde land over een periode van vijf jaar lager is dan de in overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgelegde emissie-intensiteit. Indien de Commissie de verstrekte alternatieve officiële bronnen betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het volgende jaar, voor dat derde land of die groep van derde landen de standaardwaarde voor elektriciteit. De gewijzigde standaardwaarde is van toepassing op elektriciteit die is gebruikt bij de productie van goederen die zijn ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
Wanneer een derde land of groep van derde landen gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen na 30 juni van een bepaald jaar verstrekt en de Commissie deze betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar na het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt, voor dat derde land of die groep van derde landen, de standaardwaarde voor elektriciteit. De gewijzigde standaardwaarde is van toepassing op elektriciteit die is gebruikt bij de productie van goederen die zijn ingevoerd in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt. Indien de Commissie erin slaagt de relevante standaardwaarden te wijzigen in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt en vóór de uiterste datum voor de indiening van CBAM-aangiften overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2023/956, zijn de gewijzigde standaardwaarden van toepassing op elektriciteit die is gebruikt bij de productie van goederen die zijn ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
De emissiefactor wordt berekend op basis van het gemiddelde van de emissiefactoren voor de meest recente periode van vijf jaar voorafgaand aan de rapportage waarvoor betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.
Voor de berekening van alternatieve standaardwaarden berekent de Commissie de jaarlijkse emissiefactoren en de respectieve bruto-elektriciteitsopwekking in het derde land of de groep van derde landen op basis van de volgende vergelijking:
|
|
(vergelijking 39) |
waarbij:
Em el,y = de jaarlijkse emissiefactor voor alle elektriciteitsbronnen in het betrokken jaar in het derde land;
E el,y = de totale bruto elektriciteitsopwekking van alle elektriciteitsbronnen in dat jaar; EF i = de emissiefactor voor elke elektriciteitsbron “i”, en
E el,i,y = de jaarlijkse bruto elektriciteitsopwekking voor elke elektriciteitsbron “i”.
De Commissie berekent de emissiefactor als een voortschrijdend gemiddelde van die jaren, beginnend met het lopende jaar min twee, op basis van de volgende vergelijking:
|
|
(vergelijking 40) |
waarbij:
Em el = de emissiefactor die voortvloeit uit het voortschrijdend gemiddelde van de emissiefactoren van de periode van vijf jaar die begint met het lopende jaar minus twee jaar;
Em el,y = de emissiefactor voor elk jaar “i”;
i = de variabele index voor de te beschouwen jaren, en
y = het lopende jaar.
Indien recentere betrouwbare gegevens beschikbaar zijn, kan het voortschrijdend gemiddelde beginnen vanaf het lopende jaar, minus één jaar, tot het lopende jaar, minus vijf jaar.
E. MONITORING VAN PRECURSOREN
De hoeveelheid van elke precursor die in elk productieproces wordt verbruikt, wordt bepaald om de totale ingebedde emissies van de overeenkomstig punt B van bijlage III geproduceerde samengestelde goederen te berekenen.
Indien de precursoren overeenkomstig artikel 4, lid 9, onder hetzelfde productieproces vallen, wordt alleen de hoeveelheid gebruikte en uit andere installaties of andere productieprocessen verkregen extra precursoren bepaald.
De gebruikte hoeveelheid en de emissie-eigenschappen worden afzonderlijk bepaald voor elk productieproces waar de precursor van afkomstig is. De methoden die worden gebruikt om de vereiste gegevens te bepalen, worden vastgelegd in het monitoringplan van de installatie, waarbij de volgende bepalingen worden toegepast:
|
(1) |
Indien de precursor binnen de installatie wordt geproduceerd, maar in een ander productieproces dan toegewezen door toepassing van artikel 4, omvatten de te bepalen gegevensverzamelingen:
|
|
(2) |
Indien de precursor uit een andere installatie wordt verkregen, omvatten de te bepalen gegevensverzamelingen:
|
|
(3) |
Voor elke hoeveelheid precursor waarvoor onvolledige of onduidelijke gegevens als bedoeld in punt 2 zijn ontvangen, worden de toepasselijke standaardwaarden gebruikt die overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 beschikbaar zijn gesteld; |
|
(4) |
Wanneer een soort precursor in verschillende productieprocessen wordt geproduceerd, worden de specifieke ingebedde emissies van die precursoren berekend als een gewogen gemiddelde van die verschillende productieprocessen. |
F. MONITORING VAN DE ACTIVITEITSNIVEAUS
Het activiteitsniveau van een productieproces wordt berekend als de totale massa van de goederen die tijdens de verslagperiode het productieproces hebben verlaten, gemeten in functionele eenheden en in ton goederen. Indien productieprocessen zodanig zijn gedefinieerd dat ook de productie van precursoren wordt meegerekend, wordt dubbeltelling vermeden door alleen de eindproducten van het productieproces te tellen.
Alleen goederen die kunnen worden verkocht of rechtstreeks in een ander productieproces kunnen worden gebruikt als precursor, worden in aanmerking genomen. Afwijkende producten, bijproducten, afval en schroot geproduceerd in een productieproces, ongeacht of ze worden teruggevoerd naar productieprocessen, geleverd aan andere installaties of verwijderd, worden niet meegerekend bij het bepalen van het activiteitsniveau. Om die reden krijgen ze nul ingebedde emissies toegekend wanneer ze een ander productieproces ingaan.
Voor het bepalen van de activiteitsniveaus gelden de meetvereisten van punt B.4.
G. STANDAARDFACTOREN GEBRUIKT BIJ DE MONITORING VAN DIRECTE EMISSIES OP INSTALLATIENIVEAU
Standaardfactoren voor de brandstofemissie gerelateerd aan calorische onderwaarden (NCV)
Tabel 1
Brandstofemissiefactoren gerelateerd aan de NCV en de massaspecifieke calorische onderwaarden van brandstoffen
|
Omschrijving brandstoftype |
Emissiefactor (t CO2/TJ) |
Calorische onderwaarde (TJ/Gg) |
Bron |
|
Ruwe olie |
73,3 |
42,3 |
IPCC 2006 GL |
|
Orimulsion |
77,0 |
27,5 |
IPCC 2006 GL |
|
Aardgascondensaten |
64,2 |
44,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Motorbenzine |
69,3 |
44,3 |
IPCC 2006 GL |
|
Kerosine (andere dan vliegtuigkerosine) |
71,9 |
43,8 |
IPCC 2006 GL |
|
Schalieolie |
73,3 |
38,1 |
IPCC 2006 GL |
|
Gasolie/dieselolie |
74,1 |
43,0 |
IPCC 2006 GL |
|
Residuale stookolie |
77,4 |
40,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Vloeibaar petroleumgas |
63,1 |
47,3 |
IPCC 2006 GL |
|
Ethaan |
61,6 |
46,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Nafta |
73,3 |
44,5 |
IPCC 2006 GL |
|
Bitumen |
80,7 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Smeermiddelen |
73,3 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Petroleumcokes |
97,5 |
32,5 |
IPCC 2006 GL |
|
Raffinagegrondstoffen |
73,3 |
43,0 |
IPCC 2006 GL |
|
Raffinaderijgas |
57,6 |
49,5 |
IPCC 2006 GL |
|
Paraffinewassen |
73,3 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
White spirit en speciale benzinesoorten |
73,3 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Andere aardolieproducten |
73,3 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Antraciet |
98,3 |
26,7 |
IPCC 2006 GL |
|
Cokeskolen |
94,6 |
28,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Andere bitumineuze kool |
94,6 |
25,8 |
IPCC 2006 GL |
|
Subbitumineuze kool |
96,1 |
18,9 |
IPCC 2006 GL |
|
Ligniet |
101,0 |
11,9 |
IPCC 2006 GL |
|
Olieschalie en oliezand |
107,0 |
8,9 |
IPCC 2006 GL |
|
Steenkoolbriketten |
97,5 |
20,7 |
IPCC 2006 GL |
|
Cokesovencokes en lignietcokes |
107,0 |
28,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Gascokes |
107,0 |
28,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Koolteer |
80,7 |
28,0 |
IPCC 2006 GL |
|
Fabrieksgas |
44,4 |
38,7 |
IPCC 2006 GL |
|
Cokesovengas |
44,4 |
38,7 |
IPCC 2006 GL |
|
Hoogovengas |
260 |
2,47 |
IPCC 2006 GL |
|
Oxystaalovengas |
182 |
7,06 |
IPCC 2006 GL |
|
Aardgas |
56,1 |
48,0 |
IPCC 2006 GL |
|
Bedrijfsafval |
143 |
N.v.t. |
IPCC 2006 GL |
|
Afvalolie |
73,3 |
40,2 |
IPCC 2006 GL |
|
Turf |
106,0 |
9,76 |
IPCC 2006 GL |
|
Afgedankte autobanden |
85,0 (6) |
n.v.t. |
World Business Council for Sustainable Development - Cement Sustainability Initiative (WBCSD CSI) |
|
Koolstofmonoxide |
155,2 (7) |
10,1 |
J. Falbe & M. Regitz, Römpp Chemie Lexikon, Stuttgart, 1995 |
|
Methaan |
54,9 (8) |
50,0 |
J. Falbe & M. Regitz, Römpp Chemie Lexikon, Stuttgart, 1995 |
Tabel 2
Brandstofemissiefactoren gerelateerd aan de NCV en de massaspecifieke calorische onderwaarden van biomassa
|
Biomassa |
Voorlopige EF [t CO2/TJ] |
NCV [GJ/t] |
Bron |
|
Hout/houtafval (luchtdroog (9)) |
112 |
15,6 |
IPCC 2006 GL |
|
Sulfietlogen (zwart residuloog) |
95,3 |
11,8 |
IPCC 2006 GL |
|
Andere primaire vaste biomassa |
100 |
11,6 |
IPCC 2006 GL |
|
Houtskool |
112 |
29,5 |
IPCC 2006 GL |
|
Biobenzine |
70,8 |
27,0 |
IPCC 2006 GL |
|
Biodiesel |
70,8 |
37,0 |
IPCC 2006 GL (10) |
|
Andere vloeibare biobrandstoffen |
79,6 |
27,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Stortgas (11) |
54,6 |
50,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Slibgas (12) |
54,6 |
50,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Ander biogas (12) |
54,6 |
50,4 |
IPCC 2006 GL |
|
Gemeentelijk afval (biomassafractie) (13) |
100 |
11,6 |
IPCC 2006 GL |
Emissiefactoren gerelateerd aan procesemissies
Tabel 3
Stoichiometrische emissiefactor voor procesemissies van de ontleding van carbonaat (methode A)
|
Carbonaat |
Emissiefactor [t CO2/t carbonaat] |
|
CaCO3 |
0,440 |
|
MgCO3 |
0,522 |
|
Na2CO3 |
0,415 |
|
BaCO3 |
0,223 |
|
Li2CO3 |
0,596 |
|
K2CO3 |
0,318 |
|
SrCO3 |
0,298 |
|
NaHCO3 |
0,524 |
|
FeCO3 |
0,380 |
|
Algemeen |
Emissiefactor = [M(CO2 )] / {Y × [M(x)] + Z × [M(CO3 2 -)]} X = metaal M(x) = molecuulgewicht van X in [g/mol] M(CO2 ) = molecuulgewicht van CO2 in [g/mol] M(CO3 2 -) = molecuulgewicht van CO3 2 - in [g/mol] Y = stoichiometrische coëfficiënt van X Z = stoichiometrische coëfficiënt van CO3 2 - |
Tabel 4
Stoichiometrische emissiefactor voor procesemissies van de ontleding van carbonaat op basis van aardalkalioxiden (methode B)
|
Oxide |
Emissiefactor [t CO2/t oxide] |
|
CaO |
0,785 |
|
MgO |
1,092 |
|
BaO |
0,287 |
|
Algemeen: XYOZ |
Emissiefactor = [M(CO2 )] / {Y × [M(x)] + Z × [M(O)]} X = alkali- of aardalkalimetaal M(x) = molecuulgewicht van X in [g/mol] M(CO2 ) = molecuulgewicht van CO2 [g/mol] M(O) = molecuulgewicht van O [g/mol] Y = stoichiometrische coëfficiënt van X = 1 (voor aardalkalimetalen) = 2 (voor alkalimetalen) Z = stoichiometrische coëfficiënt van O = 1 |
Tabel 5
Emissiefactoren voor procesemissies van andere procesmaterialen (productie van ijzer en staal, en verwerking van ferrometalen) (14)
|
Uitgangs- of eindmateriaal |
Koolstofgehalte (t C/t) |
Emissiefactor (t CO2/t) |
|
Sponsijzer (Direct Reduced Iron, DRI) |
0,0191 |
0,07 |
|
Koolstofelektroden voor vlamboogovens |
0,8188 |
3,00 |
|
Charge-koolstof voor vlamboogovens |
0,8297 |
3,04 |
|
Warm gebriketteerd ijzer |
0,0191 |
0,07 |
|
Oxystaalovengas |
0,3493 |
1,28 |
|
Petroleumcokes |
0,8706 |
3,19 |
|
Ruwijzer |
0,0409 |
0,15 |
|
IJzer/ijzerschroot |
0,0409 |
0,15 |
|
Staal/staalschroot |
0,0109 |
0,04 |
Aardopwarmingsvermogen voor andere broeikasgassen dan CO2
Tabel 6
Aardopwarmingsvermogen
|
Gas |
Aardopwarmingsvermogen |
|
N2O |
265 t CO2e/t N2O |
|
CF4 |
6 630 t CO2e/t CF4 |
|
C2F6 |
11 100 t CO2e/t C2F6 |
(1) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj).
(2) Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties (IPCC): IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen.
(3) De exploitant van de installatie moet de factor met eigen metingen bepalen. Als dit technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten leidt, worden de waarden voor de CWPB-methode gebruikt.
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/2620 van de Commissie van 30 juli 2024 tot aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften om te beoordelen of broeikasgassen permanent chemisch in een product zijn gebonden (PB L, 2024/2620, 4.10.2024, ELI: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg_del/2024/2620/oj).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/2066/oj).
(6) Deze waarde is de voorlopige emissiefactor, d.w.z. vóór toepassing van de biomassafractie, indien van toepassing.
(7) Op basis van een NCV van 10,12 TJ/t.
(8) Op basis van een NCV van 50,01 TJ/t.
(9) De gegeven emissiefactor gaat uit van een watergehalte van het hout van ongeveer 15 %. Vers hout kan een watergehalte hebben tot 50 %. Voor het bepalen van de calorische onderwaarde van volledig droog hout wordt de volgende vergelijking gebruikt:
waarbij NCVdry
= de NCV van de absolute droge stof, w het watergehalte (massafractie) en
(10) De NCV-waarde is overgenomen uit bijlage III bij Richtlijn (EU) 2018/2001.
(11) Voor stortgas, slibgas en overig biogas: de standaardwaarden verwijzen naar puur biomethaan. Om tot de juiste standaardwaarden te komen is een correctie nodig voor het methaangehalte van het gas.
(12) Op basis van een NCV van 50,01 TJ/t.
(13) De IPCC-richtlijnen geven ook waarden voor de fossiele fractie van gemeentelijk afval: EF = 91,7 t CO2/TJ; NCV= 10 GJ/t.
(14) IPCC-richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen (2006).
BIJLAGE III
Regels voor toekenning van emissies aan goederen
A. BEGINSELEN VOOR HET TOEKENNEN VAN GEGEVENS AAN PRODUCTIEPROCESSEN
A.1. Toekenning als gegevens beschikbaar zijn
De methoden voor de monitoring van gegevens per productieproces worden overeenkomstig bijlage II vastgelegd in het monitoringplan. Zij worden regelmatig herzien om, waar mogelijk, de kwaliteit van de gegevens te verbeteren, in overeenstemming met punt A van deze bijlage.
Indien verschillende meetinstrumenten van verschillende kwaliteit bijdragen tot de meetresultaten en de som van de gegevens voor het productieproces afwijkt van de gegevens die afzonderlijk voor de installatie zijn vastgesteld, wordt op onderstaande wijze, teneinde op het totaalcijfer van de installatie te komen, een uniforme “correctiefactor” toegepast:
|
RecF = DInst /Σ DPP |
(vergelijking 41) |
waarbij:
RecF = de correctiefactor;
DInst = de gegevenswaarde bepaald voor de installatie als geheel, en
DPP = de gegevenswaarden voor de verschillende productieprocessen.
De gegevens voor elk productieproces worden dan als volgt gecorrigeerd, waarbij DPP,corr de gecorrigeerde waarde van DPP is:
|
DPP,corr = DPP × RecF |
(vergelijking 42) |
Indien voor elk productieproces geen gegevens voor een specifieke gegevensreeks beschikbaar zijn, worden de inputs, outputs en overeenkomstige emissies toegekend op basis van de in punt A.2 vastgestelde regels.
A.2. Toekenning bij gebrek aan gegevens of multifunctionele processen
Bij gebrek aan gegevens als bedoeld in punt A.1 of bij multifunctionele processen wordt de toekenning gebaseerd op een relevante onderliggende fysieke relatie, die verwijst naar het verdelen van de input- en outputstromen van een multifunctioneel proces of een multifunctionele faciliteit in overeenstemming met een relevante, kwantificeerbare fysieke relatie tussen de procesinputs en de outputs van bijproducten.
Met uitzondering van de in de punten A.2.1, A.2.2 en A.2.3 van deze bijlage gespecificeerde regels worden inputs, outputs en overeenkomstige emissies toegekend op basis van de functionele eenheid van de geproduceerde afzonderlijke goederen.
Dezelfde toekenningsregel wordt gebruikt om zowel emissies als afgevangen en opgeslagen emissies aan goederen toe te kennen.
Indien voor een productieproces verschillende toekenningsregels moeten worden toegepast, moeten deze in de volgende volgorde worden toegepast:
|
(1) |
toekenning van emissies aan warmtestromen; |
|
(2) |
toekenning van emissies aan afgassen; |
|
(3) |
toekenning van de functionele eenheid of de molaire verhouding, naargelang het geval. |
A.2.1. Chemische stoffen en meststoffen
Indien een chemische stof onder de geaggregeerde categorieën goederen chemische stoffen of meststoffen wordt geproduceerd als bijproduct van een multifunctioneel proces, wordt de toekenning aan de chemische stoffen gebaseerd op de molaire verhouding.
De emissies van het productieproces worden aan waterstof toegekend op basis van molaire verhoudingen met behulp van de volgende formule:
|
|
(vergelijking 43) |
waarbij:
Em i = ofwel de directe of de indirecte emissies toegekend aan elk bijproduct i dat gedurende de verslagperiode is geproduceerd, uitgedrukt in ton CO2;
Em total = ofwel de directe of de indirecte emissies van het hele productieproces gedurende de verslagperiode, uitgedrukt in ton CO2;
m i,prod = de massa van elk bijproduct i dat gedurende de verslagperiode in de installatie is geproduceerd, uitgedrukt in ton;
M i = de molaire massa van elk bijproduct i.
Indien de molaire massa van een van de bijproducten niet bekend is, worden de emissies toegekend op basis van de massa van de bijproducten.
A.2.2. Warmtestromen en warmtekrachtkoppeling
Meetbare warmte afkomstig van andere processen dan verbranding of gedeeltelijke oxidatie van brandstoffen
Aan meetbare warmte die wordt opgewekt door andere exotherme chemische processen dan verbranding en gedeeltelijke oxidatie van brandstoffen, zoals bij de productie van ammoniak of salpeterzuur, wordt een CO2-emissie van nul toegekend.
Meetbare warmte opgewekt in de installatie anders dan door warmtekrachtkoppeling
Voor meetbare warmte die is opwekt door de verbranding van brandstoffen in de installatie, met uitzondering van door warmtekrachtkoppeling opgewekte warmte, wordt de emissiefactor van de betreffende brandstofmix bepaald en worden de aan het productieproces toe te kennen emissies als volgt berekend:
|
EmHeat = EFmix × Qconsumed / η |
(vergelijking 44) |
waarbij:
EmHeat = de warmtegerelateerde emissies van het productieproces, uitgedrukt in t CO2;
EFmix = de emissiefactor van de betreffende brandstofmix, uitgedrukt in t CO2/TJ, inclusief emissies van rookgasreiniging, indien van toepassing;
Qconsumed = de hoeveelheid meetbare warmte die tijdens het productieproces wordt verbruikt, uitgedrukt in TJ, en
η = de efficiëntie van het warmteproductieproces.
EFmix wordt als volgt berekend:
|
EFmix = (Σ ADi × NCVi × EFi + EmFGC) / (Σ ADi × NCVi) |
(vergelijking 45) |
waarbij:
ADi = de jaarlijkse activiteitsgegevens (d.w.z. verbruikte hoeveelheden) van de brandstoffen i die zijn gebruikt voor het opwekken van meetbare warmte, uitgedrukt in ton of Nm3;
NCVi = de calorische onderwaarden van de brandstoffen i, uitgedrukt in TJ/t of TJ/Nm3;
EFi = de emissiefactoren van de brandstoffen i, uitgedrukt in t CO2/TJ, en
EmFGC = de procesemissies door rookgasreiniging, uitgedrukt in t CO2.
Meetbare warmte opgewekt in de installatie door warmtekrachtkoppeling
Wanneer meetbare warmte en elektriciteit worden opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling, worden de relevante emissies die worden toegeschreven aan meetbare warmte en elektriciteit bepaald zoals vereist in dit punt. De regels met betrekking tot elektriciteit zijn ook van toepassing op de opwekking van mechanische energie, indien relevant.
De emissies van een warmtekrachtkoppelingseenheid worden als volgt bepaald:
|
|
(vergelijking 46) |
waarbij:
EmCHP = de emissies van de warmtekrachtkoppelingseenheid gedurende de verslagperiode, uitgedrukt in t CO2;
ADi = de jaarlijkse activiteitsgegevens (d.w.z. verbruikte hoeveelheden) van de brandstoffen i die zijn gebruikt voor de warmtekrachtkoppelingseenheid, uitgedrukt in ton of Nm3;
NCVi = de calorische onderwaarden van de brandstoffen i, uitgedrukt in TJ/t of TJ/Nm3;
EFi = de emissiefactoren van de brandstoffen i, uitgedrukt in t CO2/TJ, en
EmFGC = de procesemissies door rookgasreiniging, uitgedrukt in t CO2.
De energie-input naar de warmtekrachtkoppelingseenheid wordt berekend aan de hand van vergelijking 33. De betreffende gemiddelde rendementen van de opwekking van warmte en elektriciteit (of mechanische energie, indien van toepassing) gedurende de verslagperiode worden als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 47) |
|
|
(vergelijking 48) |
waarbij:
ηheat = het gemiddelde rendement van de warmteopwekking gedurende de verslagperiode (dimensieloos);
Qnet = de nettohoeveelheid warmte die gedurende de verslagperiode is opgewekt door de warmtekrachtkoppelingseenheid, uitgedrukt in TJ zoals bepaald in overeenstemming met punt C.1.2;
EIn = de energie-input uit brandstoffen, uitgedrukt in TJ;
ηel = het gemiddelde rendement van elektriciteitsopwekking gedurende de verslagperiode (dimensieloos), en
Eel = de netto elektriciteitsopwekking van de warmtekrachtkoppelingseenheid gedurende de verslagperiode, uitgedrukt in TJ.
Indien het bepalen van de rendementen ηheat en ηel technisch niet haalbaar is of tot onredelijke kosten zou leiden, worden waarden gebruikt die zijn gebaseerd op de technische documentatie (ontwerpwaarden) van de installatie. Mochten zulke waarden niet beschikbaar zijn, dan worden de conservatieve standaardwaarden ηheat = 0,55 en ηel = 0,25 gebruikt.
De toekenningsfactoren voor warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling worden als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 49) |
|
|
(vergelijking 50) |
waarbij:
FCHP,Heat = de toekenningsfactor voor warmte (dimensieloos);
FCHP,El = de toekenningsfactor voor elektriciteit (of mechanische energie, indien van toepassing) (dimensieloos);
ηref, heat = het referentierendement voor warmteopwekking in een standalone ketel (dimensieloos), en
ηref,el = het referentierendement voor elektriciteitsopwekking zonder warmtekrachtkoppeling (dimensieloos).
De toepasselijke brandstofspecifieke referentierendementen zijn vermeld in punt G van bijlage II.
De specifieke emissiefactor van de warmtekrachtkoppelinggerelateerde meetbare warmte die moet worden gebruikt voor het toekennen van warmtegerelateerde emissies aan productieprocessen wordt als volgt berekend:
|
EFCHP,Heat = EmCHP × FCHP,Heat / Qnet |
(vergelijking 51) |
waarbij:
EFCHP, heat = de emissiefactor voor de opwekking van meetbare warmte in de warmtekrachtkoppelingseenheid, uitgedrukt in t CO2/TJ, en
Qnet = de netto door de warmtekrachtkoppelingseenheid opgewekte warmte, uitgedrukt in TJ.
De emissies van warmte die uit warmtekrachtkoppeling wordt opgewekt en aan het productieproces kan worden toegekend, worden als volgt berekend:
EmHeat = EFCHP, heat × Qconsumed
waarbij:
Qconsumed = de hoeveelheid meetbare warmte die tijdens het productieproces wordt verbruikt, uitgedrukt in TJ.
De specifieke emissiefactor van de warmtekrachtkoppelinggerelateerde elektriciteit die moet worden gebruikt voor het toekennen van indirecte emissies aan productieprocessen wordt als volgt berekend:
|
EFCHP,El = EmCHP × FCHP,El / EEl,prod |
(vergelijking 52) |
waarbij:
EEl,prod de door de warmtekrachtkoppelingseenheid geproduceerde elektriciteit is.
Wanneer een afgas deel uitmaakt van de gebruikte brandstofmix en de emissiefactor van het afgas hoger is dan de standaardemissiefactor van aardgas in tabel 1 van punt G van bijlage II, wordt die standaardemissiefactor gebruikt om EFmix te berekenen in plaats van de emissiefactor van het afgas.
Meetbare warmte opgewekt buiten de installatie
Wanneer een productieproces meetbare warmte verbruikt die buiten de installatie is opgewekt, moeten de warmtegerelateerde emissies worden opgenomen onafhankelijk van de vraag of de warmte al dan niet afkomstig is van het productieproces van een in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 opgenomen goed. In dat geval worden de warmtegerelateerde emissies bepaald met behulp van een van de volgende methoden.
|
(1) |
Wanneer de warmteproducerende installatie emissiemonitoring overeenkomstig deze verordening en verificatie van de emissiebronnen en de hoeveelheden meetbare warmte die worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/2551 uitvoert, wordt de emissiefactor van meetbare warmte bepaald met behulp van de relevante vergelijkingen van eerdere punten, op basis van emissiegegevens die zijn verstrekt door de exploitant van de installatie die de meetbare warmte opwekt. |
|
(2) |
Indien de methode volgens punt 1 niet beschikbaar is, wordt een standaardwaarde gehanteerd, gebaseerd op de standaardemissiefactor van de meest gebruikte brandstof in de industriesector van het land, uitgaande van een ketelrendement van 90 %. |
Nadere regels voor het toekennen van emissies van meetbare warmte
Indien verliezen aan meetbare warmte afzonderlijk worden bepaald van de hoeveelheden die in productieprocessen worden gebruikt, worden emissies die verband houden met deze warmteverliezen proportioneel opgeteld bij de emissies van alle productieprocessen waarin meetbare warmte die in de installatie wordt geproduceerd, wordt gebruikt, om ervoor te zorgen dat 100 % van de hoeveelheid netto meetbare warmte die in de installatie wordt geproduceerd of door de installatie wordt ingevoerd of uitgevoerd, evenals de hoeveelheden die tussen productieprocessen worden overgedragen, zonder omissies of dubbeltellingen wordt toegekend aan productieprocessen.
A.2.3. Afgassen
Indien afgassen van een ander productieproces worden verbruikt in het productieproces van het goed, worden de emissies toegekend op basis van vergelijking 53.
|
|
(vergelijking 53) |
waarbij:
VWG = het volume van het ingevoerde afgas;
NCVWG = de calorische onderwaarde van het ingevoerde afgas, en
EFNG = de standaardemissiefactor van aardgas zoals vermeld in punt G van bijlage II;
Indien afgassen van het productieproces van het goed in een ander productieproces worden verbruikt, worden de emissies toegewezen volgens vergelijking 54, indien de exploitant van de installatie voldoende bewijs voor verificatie kan leveren.
|
|
(vergelijking 54) |
waarbij:
VWG,exported = de hoeveelheid afgas die uit het productieproces wordt uitgevoerd;
NCVWG = de calorische onderwaarde van het afgas;
EFNG = de standaardemissiefactor van aardgas zoals vermeld in punt G van bijlage II.
Corrη = de factor die het verschil in rendement verklaart tussen het gebruik van afgas en het gebruik van de referentiebrandstof aardgas. De standaardwaarde is Corrη = 0,667;
A.3. Berekeningsmethoden
Voor het toewijzen van de emissies van de installatie aan goederen worden de emissies, inputs en outputs toegeschreven aan productieprocessen die zijn gedefinieerd in overeenstemming met punt A.4 met behulp van vergelijking 55 voor directe emissies en vergelijking 56 voor indirecte emissies, waarbij gebruik wordt gemaakt van totaalcijfers over de gehele verslagperiode voor de parameters in de vergelijking. De toegekende directe en indirecte emissies worden vervolgens met behulp van vergelijkingen 57 en 58 omgezet in specifieke ingebedde directe en indirecte emissies van de goederen die voortkomen uit het productieproces.
|
|
(vergelijking 55) |
Waarbij AttrEm Dir op nul wordt gezet als deze na berekening een negatieve waarde heeft.
|
|
(vergelijking 56) |
|
|
(vergelijking 57) |
|
|
(vergelijking 58) |
waarbij:
|
AttrEm Dir |
= de toegekende directe emissies van het productieproces gedurende de hele verslagperiode, uitgedrukt in ton CO2e; |
||
|
AttrEm indir |
= de toegekende indirecte emissies van het productieproces gedurende de hele verslagperiode, uitgedrukt in ton CO2e; |
||
|
DirEm * |
= de direct toerekenbare emissies van het productieproces, bepaald voor de verslagperiode volgens de regels van punt B van bijlage II, en punt A van deze bijlage, en de volgende regels: meetbare warmte: Indien brandstoffen worden verbruikt voor de productie van meetbare warmte die buiten het productieproces in kwestie wordt verbruikt, of die in meer dan één productieproces wordt gebruikt (inclusief situaties met invoer van en uitvoer naar andere installaties), worden de emissies van de brandstoffen niet meegenomen in de direct toerekenbare emissies van het productieproces, maar opgeteld onder de parameter EmH,import om dubbeltelling te voorkomen. afgassen: de emissies veroorzaakt door afgassen die binnen hetzelfde productieproces worden geproduceerd en volledig worden verbruikt, zijn meegenomen in DirEm (*). De emissies van de verbranding van afgassen die uit het productieproces worden uitgevoerd, worden volledig in DirEm (*) meegenomen, ongeacht waar ze worden verbruikt. Voor de uitvoer van afgassen wordt echter de term WGcorr,export berekend. Emissies van de verbranding van afgassen ingevoerd uit andere productieprocessen worden niet meegenomen in DirEm (*). In plaats daarvan wordt de term WGcorr,import berekend; |
||
|
Em H,imp |
= de emissies die equivalent zijn aan de hoeveelheid meetbare warmte die in het productieproces wordt ingevoerd, bepaald voor de verslagperiode volgens de regels van punt A.2 van deze bijlage, en de volgende regels: emissies in verband met meetbare in het productieproces ingevoerde warmte zijn onder meer invoer van andere installaties, andere productieprocessen binnen dezelfde installatie, maar ook warmte die wordt ontvangen van een technische eenheid (bv. een centrale krachtcentrale bij de installatie of een complexer stoomnetwerk met meerdere warmteopwekkende eenheden) die warmte levert aan meer dan één productieproces. Emissies van meetbare warmte worden berekend met behulp van de volgende formule:
waarbij: EFheat = de emissiefactor voor de opwekking van meetbare warmte bepaald in overeenstemming met punt A.2 van deze bijlage, uitgedrukt in t CO2/TJ, en Qimp = de hoeveelheid netto ingevoerde warmte die tijdens het productieproces wordt verbruikt, uitgedrukt in TJ; |
||
|
Em H,exp |
= de emissies die equivalent zijn aan de hoeveelheid meetbare warmte die uit het productieproces wordt uitgevoerd, bepaald voor de verslagperiode volgens de regels van punt A.2 van deze bijlage. Voor de uitgevoerde warmte worden ofwel de emissies van de werkelijke, bekende brandstofmix gebruikt, in overeenstemming met punt A.2 van deze bijlage, ofwel — indien de werkelijke brandstofmix niet bekend is — de standaardemissiefactor van de in de landelijke en industriële sector meest gebruikte brandstof, uitgaande van een ketelrendement van 90 %. Warmte die wordt teruggewonnen uit door elektriciteit aangedreven processen en uit de productie van salpeterzuur wordt niet meegerekend; |
||
|
WG corr,imp |
= de toegekende directe emissies van een productieproces waarbij uit andere productieprocessen ingevoerde afgassen worden verbruikt, gecorrigeerd voor de verslagperiode; |
||
|
WG corr,exp |
= de emissies die equivalent zijn aan de hoeveelheid afgassen die uit het productieproces wordt uitgevoerd, bepaald voor de verslagperiode; |
||
|
Em el,prod |
= de emissies die equivalent zijn aan de hoeveelheid elektriciteit die binnen de grenzen van het productieproces wordt opgewekt, bepaald voor de verslagperiode volgens de regels van punt D van bijlage II; |
||
|
Em el,cons |
= de emissies die equivalent zijn aan de hoeveelheid elektriciteit die binnen de grenzen van het productieproces wordt verbruikt, bepaald voor de verslagperiode volgens de regels van punt D van bijlage II; |
||
|
SEE g,Dir |
= de specifieke directe ingebedde emissies van goederen g, uitgedrukt in t CO2e per functionele eenheid, geldig voor de verslagperiode; |
||
|
SEE g,Indir |
= de specifieke indirecte ingebedde emissies van goederen g, uitgedrukt in t CO2e per functionele eenheid, geldig voor de verslagperiode; |
||
|
AL g |
= het activiteitsniveau van de goederen g, d.w.z. de hoeveelheid goederen g die in de verslagperiode in die installatie is geproduceerd, bepaald in overeenstemming met punt F van bijlage II, uitgedrukt in functionele eenheden. |
B. BEREKENING VAN SPECIFIEKE INGEBEDDE EMISSIES VAN SAMENGESTELDE GOEDEREN
Overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 worden de specifieke ingebedde emissies SEE g van samengestelde goederen g als volgt berekend:
|
|
(vergelijking 59) |
|
|
(vergelijking 60) |
waarbij:
SEE g = de specifieke directe of indirecte ingebedde emissies van (samengestelde) goederen g, uitgedrukt in t CO2e per functionele eenheid;
AttrEm g = de toegekende directe of indirecte emissies van het productieproces dat goederen g oplevert, bepaald in overeenstemming met punt A.3 van deze bijlage voor de verslagperiode, uitgedrukt in t CO2e;
AL g = het activiteitsniveau van het productieproces dat goederen g oplevert voor de verslagperiode, bepaald in overeenstemming met punt F van bijlage II, uitgedrukt in functionele eenheden;
EE InpMat = de directe of indirecte ingebedde emissies van alle precursoren die gedurende de verslagperiode worden verbruikt, uitgedrukt in t CO2e;
M i = de massa van precursor i die is gebruikt in het productieproces dat gedurende de verslagperiode g heeft opgeleverd, uitgedrukt in functionele eenheden precursor i, en
SEE i = de specifieke directe of indirecte ingebedde emissies van precursor i, uitgedrukt in t CO2e per functionele eenheid precursor i.
Bij deze berekening wordt alleen rekening gehouden met precursoren die niet onder hetzelfde productieproces vallen als goederen g. Wanneer dezelfde precursor uit verschillende productieprocessen wordt verkregen, wordt de precursor van elke installatie afzonderlijk behandeld.
Indien het een precursor i van oorsprong uit de Unie of uit een van de krachtens punt 1 van bijlage III bij Verordening (EU) 2023/956 vrijgestelde landen of gebieden betreft, worden de specifieke directe of indirecte ingebedde emissies van die precursor als nul geteld.
Indien een precursor i zelf precursoren heeft, worden die precursoren eerst met dezelfde berekeningsmethode in aanmerking genomen om de ingebedde emissies van de precursor i te berekenen voordat ze worden gebruikt voor het berekenen van de ingebedde emissies van goederen g. Deze methode wordt recursief gebruikt voor alle precursoren die samengestelde goederen zijn.
De parameter Mi verwijst naar de totale massa van de precursor die nodig is om de hoeveelheid ALg te produceren. Hij omvat ook de hoeveelheden van de precursor die niet in de samengestelde goederen terechtkomen, maar tijdens het productieproces kunnen worden gemorst, afgesneden, verbrand, chemisch gewijzigd enz., en het proces verlaten als bijproducten, schroot, residuen, afval of emissies.
Om gegevens te verstrekken die onafhankelijk van het activiteitsniveau kunnen worden gebruikt, wordt het specifieke massaverbruik mi voor elke precursor i bepaald en opgenomen in de mededeling overeenkomstig bijlage IV:
|
|
(vergelijking 61) |
Daarbij kunnen de specifieke ingebedde emissies van samengestelde goederen g worden uitgedrukt als:
|
|
(vergelijking 62) |
waarbij:
ae g = de specifiek toegekende directe of indirecte emissies van het productieproces dat goederen g oplevert, uitgedrukt in t CO2e per ton g, equivalent aan specifieke ingebedde emissies zonder de ingebedde emissies van precursoren:
|
|
(vergelijking 63) |
m i = de specifieke massaconsumptie van precursor i die in het productieproces wordt gebruikt en die één functionele eenheid goederen g oplevert, uitgedrukt in functionele eenheid van precursor i per functionele eenheid goederen g (d.w.z. dimensieloos), en
SEE i = de specifieke directe of indirecte ingebedde emissies van precursor i, uitgedrukt in t CO2e per functionele eenheid precursor i.
Voor goederen waarvan de functionele eenheid ton klinkergehalte is en die op de markt zijn gebracht in verschillende samenstellingen, berekent de exploitant de specifieke ingebedde emissies van goederen volgens de gemiddelde hoeveelheid klinker in de goederen voor elke samenstelling, met toepassing van vergelijking 64.
|
SEEg(Cki ) = SEEg × CKi |
(vergelijking 64) |
waarbij:
SEEg(Cki ) = de specifieke ingebedde emissies van de goederen met klinkergehalte Cki
SEE g = de specifieke ingebedde emissies die zijn berekend in vergelijking 59 of 62
CK i = het gemiddelde klinkergehalte van goederen in een reeks samenstellingen, uitgedrukt in ton klinker per ton goederen.
Voor goederen waarvan de functionele eenheid kilo stikstofgehalte is en die op de markt zijn gebracht in verschillende samenstellingen, berekent de exploitant de specifieke ingebedde emissies van goederen volgens de gemiddelde hoeveelheid stikstof in de goederen voor elke samenstelling, met toepassing van vergelijking 65.
|
|
(vergelijking 65) |
waarbij:
SEE g = de specifieke ingebedde emissies die zijn berekend in vergelijking 59 of 62;
N i = het gemiddelde stikstofgehalte van goederen in een reeks samenstellingen, uitgedrukt in kilogram stikstof per ton goederen.
Voor goederen waarvan de functionele eenheid de aanvullende eenheid kg stikstofgehalte is en die op de markt zijn gebracht in verschillende samenstellingen, berekent de exploitant de specifieke ingebedde emissies van goederen volgens de gemiddelde hoeveelheid stikstof in de goederen voor elke samenstelling, met toepassing van vergelijking 66.
|
|
(vergelijking 66) |
waarbij:
SEE g = de specifieke ingebedde emissies die zijn berekend in vergelijking 59 of 62;
N i = het gemiddelde stikstofgehalte van goederen in een reeks samenstellingen, uitgedrukt in kg stikstof per ton goederen.
De reeks samenstellingen voor het klinkergehalte en het stikstofgehalte mag niet groter zijn dan 10 %.
Voor goederen waarvan de functionele eenheid ton klinkergehalte, kilogram stikstofgehalte of de aanvullende eenheid kg stikstofgehalte is en die op verzoek van de klant in op maat gemaakte samenstellingen in de handel worden gebracht, verstrekt de exploitant van de installatie voor elke zending een verklaring van het klinkergehalte of stikstofgehalte en met de berekening van de specifieke ingebedde emissies volgens de overeenkomstige vergelijkingen 64, 65 of 66, waarbij Cki en Ni het specifieke klinkergehalte of stikstofgehalte van de zending zijn.
C. GEHARMONISEERDE RENDEMENTSREFERENTIEWAARDEN VOOR DE GESCHEIDEN OPWEKKING VAN ELEKTRICITEIT EN WARMTE
In de onderstaande tabellen zijn de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden opwekking van elektriciteit en warmte gebaseerd op de calorische onderwaarde en standaard atmosferische ISO-omstandigheden (een omgevingstemperatuur van 15 °C, een druk van 1,013 bar en een relatieve vochtigheid van 60 %).
Tabel 1
Referentierendementsfactoren voor elektriciteitsopwekking
|
Categorie |
Soort brandstof |
Bouwjaar |
|||
|
Vóór 2012 |
2012–2015 |
Vanaf 2016 |
|||
|
Vaste stoffen |
S1 |
Steenkool, met inbegrip van antraciet, bitumineuze kool, subbitumineuze kool, cokes, halfcokes, petroleumcokes |
44,2 |
44,2 |
44,2 |
|
S2 |
Ligniet, bruinkoolbriketten, schalieolie |
41,8 |
41,8 |
41,8 |
|
|
S3 |
Turf, turfbriketten |
39,0 |
39,0 |
39,0 |
|
|
S4 |
Droge biomassa, waaronder hout, en andere vaste biomassa, waaronder houtpellets en -briketten, gedroogde houtsnippers, schoon en droog afvalhout, notendoppen en olijfpitten en andere pitten |
33,0 |
33,0 |
37,0 |
|
|
S5 |
Andere vaste biomassa, waaronder alle hout dat niet onder S4 valt, en zwart en bruin residuloog |
25,0 |
25,0 |
30,0 |
|
|
S6 |
Stedelijk en industrieel afval (niet-hernieuwbaar) en hernieuwbaar/biologisch afbreekbaar afval |
25,0 |
25,0 |
25,0 |
|
|
Vloeistoffen |
L7 |
Zware stookolie, gasolie/dieselolie, andere oliehoudende producten |
44,2 |
44,2 |
44,2 |
|
L8 |
Vloeibare biomassa, met inbegrip van biomethanol, bio-ethanol, biobutanol, biodiesel en andere vloeibare biomassa |
44,2 |
44,2 |
44,2 |
|
|
L9 |
Vloeibare afvalstoffen, met inbegrip van biologisch afbreekbaar afval en niet-hernieuwbaar afval (met inbegrip van talg, vetten en bierbostel) |
25,0 |
25,0 |
29,0 |
|
|
Gassen |
G10 |
Aardgas, LPG, LNG en biomethaan |
52,5 |
52,5 |
53,0 |
|
G11 |
Raffinaderijgassen, waterstof en synthesegas |
44,2 |
44,2 |
44,2 |
|
|
G12 |
Biogas dat ontstaat bij vergisting, stortplaatsen en afvalwaterzuivering |
42,0 |
42,0 |
42,0 |
|
|
G13 |
Cokesovengas, hoogovengas, mijngas en andere teruggewonnen gassen (met uitzondering van raffinaderijgas) |
35,0 |
35,0 |
35,0 |
|
|
Overig |
O14 |
Restwarmte (met inbegrip van uitlaatgassen van industriële processen op een hoge temperatuur, producten uit exotherme chemische reacties) |
|
|
30,0 |
Tabel 2
Referentierendementsfactoren voor warmteopwekking
|
Categorie |
Soort brandstof |
Bouwjaar |
||||||
|
Vóór 2016 |
Vanaf 2016 |
|||||||
|
Warm water |
Stoom (1) |
Direct gebruik van uitlaatgassen (2) |
Warm water |
Stoom (1) |
Direct gebruik van uitlaatgassen (2) |
|||
|
Vaste stoffen |
S1 |
Steenkool, met inbegrip van antraciet, bitumineuze kool, subbitumineuze kool, cokes, halfcokes, petroleumcokes |
88 |
83 |
80 |
88 |
83 |
80 |
|
S2 |
Ligniet, bruinkoolbriketten, schalieolie |
86 |
81 |
78 |
86 |
81 |
78 |
|
|
S3 |
Turf, turfbriketten |
86 |
81 |
78 |
86 |
81 |
78 |
|
|
S4 |
Droge biomassa, waaronder hout, en andere vaste biomassa, waaronder houtpellets en -briketten, gedroogde houtsnippers, schoon en droog afvalhout, notendoppen en olijfpitten en andere pitten |
86 |
81 |
78 |
86 |
81 |
78 |
|
|
S5 |
Andere vaste biomassa, waaronder alle hout dat niet onder S4 valt, en zwart en bruin residuloog |
80 |
75 |
72 |
80 |
75 |
72 |
|
|
S6 |
Stedelijk en industrieel afval (niet-hernieuwbaar) en hernieuwbaar/biologisch afbreekbaar afval |
80 |
75 |
72 |
80 |
75 |
72 |
|
|
Vloeistoffen |
L7 |
Zware stookolie, gasolie/dieselolie, andere oliehoudende producten |
89 |
84 |
81 |
85 |
80 |
77 |
|
L8 |
Vloeibare biomassa, met inbegrip van biomethanol, bio-ethanol, biobutanol, biodiesel en andere vloeibare biomassa |
89 |
84 |
81 |
85 |
80 |
77 |
|
|
L9 |
Vloeibare afvalstoffen, met inbegrip van biologisch afbreekbaar afval en niet-hernieuwbaar afval (met inbegrip van talg, vetten en bierbostel) |
80 |
75 |
72 |
75 |
70 |
67 |
|
|
Gassen |
G10 |
Aardgas, LPG, LNG en biomethaan |
90 |
85 |
82 |
92 |
87 |
84 |
|
G11 |
Raffinaderijgassen, waterstof en synthesegas |
89 |
84 |
81 |
90 |
85 |
82 |
|
|
G12 |
Biogas dat ontstaat bij vergisting, stortplaatsen en afvalwaterzuivering |
70 |
65 |
62 |
80 |
75 |
72 |
|
|
G13 |
Cokesovengas, hoogovengas, mijngas en andere teruggewonnen gassen (met uitzondering van raffinaderijgas) |
80 |
75 |
72 |
80 |
75 |
72 |
|
|
Overig |
O14 |
Restwarmte (met inbegrip van uitlaatgassen van industriële processen op een hoge temperatuur, producten uit exotherme chemische reacties) |
— |
— |
— |
92 |
87 |
— |
(1) Wanneer voor stoominstallaties geen rekening wordt gehouden met het retourcondensaat bij de berekening van het warmterendement van warmtekrachtkoppeling, moeten de in bovenstaande tabel getoonde stoomrendementen met 5 procentpunten worden verhoogd.
(2) De waarden voor direct gebruik van uitlaatgassen moeten worden gebruikt als de temperatuur 250 °C of hoger is.
BIJLAGE IV
Model voor het emissieverslag van de exploitant
1. ONTWERP VAN HET EMISSIEVERSLAG VAN DE EXPLOITANT
1.1. Model met de minimumelementen die in het emissieverslag van de exploitant moeten worden opgenomen in vergelijking met het beknopte emissieverslag
|
1. |
Identificatie van de exploitant en de installatie:
|
|
2. |
Samenvatting van het monitoringplan van de installatie, met ten minste de volgende informatie:
|
|
3. |
Voor indirecte emissies, of elektriciteit uit verschillende bronnen wordt verbruikt en in welke hoeveelheden. Indien de bronnen andere installaties omvatten, de naam en het land van oorsprong van de leveranciers; |
|
4. |
Voor indirecte emissies, wanneer elektriciteit in de installatie wordt geproduceerd, of de elektriciteit wordt:
|
|
5. |
of in de installatie afgassen worden geproduceerd en gebruikt, of uit andere installaties worden ingevoerd of naar andere installaties worden uitgevoerd, en een identificatie van die installaties; |
|
6. |
of CO2-overdracht van toepassing is, en de identiteit en contactgegevens van een verantwoordelijke persoon van de ontvangende installaties of vervoersinfrastructuur of entiteiten waarnaar deze wordt overgebracht. |
|
7. |
De totale hoeveelheid directe emissies van de installatie tijdens de verslagperiode; |
|
8. |
Indien van toepassing, voor nieuwe installaties, de periode (in maanden) die wordt gebruikt voor de monitoring van emissies; |
|
9. |
Indien een installatie goederen produceert die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956, maar niet in bijlage II bij die verordening, de totale hoeveelheid elektriciteit die in de installatie wordt verbruikt; |
|
10. |
Indien een installatie goederen produceert die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956, maar niet in bijlage II bij die verordening, de hoeveelheid elektriciteit die in de installatie wordt verbruikt voor de productie van die goederen; |
|
11. |
Indien een installatie goederen produceert die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956, maar niet in bijlage II bij die verordening, de identificatie van de installatie die de elektriciteit opwekt; |
|
12. |
Indien relevant, indien de installatie elektriciteit uit verschillende bronnen verbruikt, de hoeveelheid verbruikte elektriciteit per bron, het land van oorsprong van de elektriciteit per bron, de emissiefactor per bron en de emissiefactor die is berekend voor de bepaling van ingebedde indirecte emissies overeenkomstig artikel 9; |
|
13. |
De totalen van de geproduceerde goederen in de installatie en per productieproces, en de geproduceerde hoeveelheid; |
|
14. |
In voorkomend geval, de geproduceerde niet-CBAM-goederen per productieproces en de geproduceerde hoeveelheid; |
|
15. |
Voor elk van de goederen:
|
|
16. |
Totale emissies van de installatie, met inbegrip van:
|
|
17. |
Een balans van ingevoerde, geproduceerde, verbruikte en uitgevoerde meetbare warmte, afgassen en elektriciteit per productieproces. |
|
18. |
De hoeveelheid van elke soort precursor die in de installatie is geproduceerd en door die installatie is gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9; |
|
19. |
Gegevens over elke soort precursor die in de installatie is geproduceerd en in elk productieproces is gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9. |
|
20. |
De hoeveelheid van elke soort precursor die buiten de installatie is geproduceerd en door de installatie is gebruikt; |
|
21. |
De hoeveelheid van elke soort precursor die buiten de installatie is geproduceerd en in elk productieproces is gebruikt; |
|
22. |
Gegevens over elke soort precursor die door de installatie is gebruikt en waarvoor standaardwaarden zijn gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9:
|
|
23. |
Gegevens over elke soort precursor die door de installatie is gebruikt en waarvoor de werkelijke waarden zijn gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9:
|
|
24. |
Indien een installatie die samengestelde goederen produceert, van een andere installatie precursoren ontvangt die onder een bepaalde GN-code tijdens verschillende verslagperioden zijn geproduceerd, de specifieke ingebedde (directe en, indien van toepassing, indirecte ) emissies die voor die precursor moeten worden gebruikt overeenkomstig artikel 14, lid 1. |
|
25. |
Wanneer bij het productieproces van een samengesteld goed een precursor onder een bepaalde GN-code is gebruikt die uit meerdere installaties is verkregen, de specifieke ingebedde (directe en, indien van toepassing, indirecte) emissies die voor die precursor moeten worden gebruikt, en een vermelding of deze zijn bepaald met behulp van de standaardmethode van artikel 14, lid 2, of door de ingebedde emissies van de precursor die zijn verkregen uit een specifieke installatie of subset van installaties overeenkomstig artikel 14, lid 3, te berekenen. |
|
26. |
In voorkomend geval, de hoeveelheid elektriciteit die in elk productieproces wordt gebruikt; |
|
27. |
De hoeveelheid precursoren die in de installatie wordt geproduceerd en in elk productieproces wordt gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces worden geproduceerd, overeenkomstig artikel 4; |
|
28. |
Informatie over de exploitant en de installatie van oorsprong van de precursor: de naam van de exploitant; de naam van de installatie; de unieke identificatiecode van de installatie in het CBAM-register, indien van toepassing; de toepasselijke verslagperiode. |
|
29. |
informatie over hoe de toegekende directe en indirecte emissies van elk productieproces zijn berekend; |
|
30. |
het activiteitsniveau en de toegekende emissies van elk productieproces; |
|
31. |
Een lijst van alle relevante geproduceerde goederen, gemeten in de functionele eenheid voor elke GN-code, met inbegrip van precursoren die niet onder afzonderlijke productieprocessen vallen anders dan de samengestelde goederen overeenkomstig artikel 4; |
|
32. |
Informatie over de emissiefactor voor elektriciteit indien de werkelijke waarden zijn gebruikt, indien van toepassing; |
|
33. |
Informatie over de emissiefactor voor elektriciteit in de stroomafnameovereenkomst, indien van toepassing; |
|
34. |
Hoeveelheid goederen per productieroute, als hieronder:
|
|
35. |
De waarden voor de sectorspecifieke parameters die overeenkomstig punt 2 van deze bijlage voor elk goed vereist zijn. |
1.1.1. Aangeverspecifiek addendum bij het emissieverslag van de exploitant voor in het douanegebied van de Unie ingevoerde elektriciteit
Het addendum bij het emissieverslag van de exploitant dat overeenkomstig artikel 8, lid 4, voor elke toegelaten CBAM-aangever wordt opgesteld, bevat de volgende gegevens:
|
(1) |
het EORI-nummer van de toegelaten CBAM-aangever waarop het aangeverspecifieke addendum betrekking heeft; |
|
(2) |
een vermelding dat is voldaan aan de criteria voor het gebruik van de werkelijke waarden die zijn vastgesteld in punt 5, eerste alinea, punten a) en d), van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956, en, in voorkomend geval, die zijn vastgesteld in punt 5, eerste alinea, punt b), van bijlage IV bij die verordening met betrekking tot het ontbreken van fysieke netcongestie, en een bevestiging dat de desbetreffende bewijselementen die zijn vastgesteld in punt D.2.4 van bijlage II, bij de verificateur zijn ingediend; |
|
(3) |
de hoeveelheid elektriciteit die door die toegelaten CBAM-aangever is ingevoerd uit de betrokken installatie waarvoor aan de criteria van punt 5 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 is voldaan. |
1.2 Beknopt emissieverslag van de exploitant
De volgende informatie in het emissieverslag van de exploitant wordt ook opgenomen in het beknopte emissieverslag van de exploitant:
|
(1) |
Identificatie van de exploitant en de installatie:
|
|
(2) |
de te verifiëren installatie, geïdentificeerd aan de hand van de volgende gegevens:
|
|
(3) |
Een lijst van alle CBAM-productieprocessen en -productieroutes die bij de installatie worden uitgevoerd met een specificatie van goederen per productieproces. |
|
(4) |
Voor elk van de goederen:
|
|
(5) |
De totale directe emissies van de installatie tijdens de verslagperiode en de totale directe emissies per productieproces; |
|
(6) |
Indien de installatie goederen produceert die niet in bijlage II bij Verordening (EU) 2023/956 zijn opgenomen, de indirecte emissies van de installatie tijdens de verslagperiode; |
|
(7) |
Of meetbare warmte wordt ingevoerd uit of uitgevoerd naar andere installaties; |
|
(8) |
Of brandstoffen waarvoor het nultarief geldt, worden gebruikt en hoe de exploitant de toepasbaarheid van het nultarief voor de brandstoffen aantoont; |
|
(9) |
Of in de installatie afgassen worden geproduceerd en gebruikt, of uit andere installaties worden ingevoerd of naar andere installaties worden uitgevoerd; |
|
(10) |
of gebruik wordt gemaakt van CO2-afvang, en een identificatie van de installatie of vervoersinfrastructuur waarnaar deze wordt overgebracht; |
|
(11) |
Voor indirecte emissies, wanneer elektriciteit in de installatie wordt geproduceerd, of de elektriciteit wordt:
|
|
(12) |
Gegevens over elke gebruikte precursor en waarvoor standaardwaarden zijn gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9:
|
|
(13) |
Gegevens over elke gebruikte precursor en waarvoor de werkelijke waarden zijn gebruikt, met uitzondering van precursoren die in het productieproces zijn geproduceerd overeenkomstig artikel 4, lid 9:
|
|
(14) |
Indien een installatie die samengestelde goederen produceert, van een andere installatie precursoren ontvangt die onder een bepaalde GN-code tijdens verschillende verslagperioden zijn geproduceerd, de specifieke ingebedde (directe en, indien van toepassing, indirecte ) emissies die voor die precursor moeten worden gebruikt overeenkomstig artikel 14, lid 1. |
|
(15) |
Wanneer bij het productieproces van een samengesteld goed een soort precursor is gebruikt die uit meerdere installaties is verkregen, de specifieke ingebedde (directe en, indien van toepassing, indirecte) emissies die voor die precursor moeten worden gebruikt, en een vermelding of deze zijn bepaald met behulp van de standaardmethode van artikel 14 of door de ingebedde emissies van de precursor die zijn verkregen uit een specifieke installatie of subset van installaties overeenkomstig dat artikel te berekenen; |
|
(16) |
Informatie over de exploitant en de installatie van oorsprong van de precursor: de naam van de exploitant; de naam van de installatie; de unieke identificatiecode van de installatie in het CBAM-register, indien van toepassing; de toepasselijke verslagperiode. |
2. SECTORSPECIFIEKE PARAMETERS DIE IN HET EMISSIEVERSLAG MOETEN WORDEN OPGENOMEN
|
Geaggregeerde categorie goederen |
Verslagleggingsvereiste |
||||||||||||
|
Vuurvaste klei |
|
||||||||||||
|
Cementklinker |
|
||||||||||||
|
Cement |
|
||||||||||||
|
Aluminiumcement |
|
||||||||||||
|
Waterstof |
|
||||||||||||
|
Ureum |
|
||||||||||||
|
Salpeterzuur |
|
||||||||||||
|
Ammoniak |
|
||||||||||||
|
Gemengde meststoffen |
|
||||||||||||
|
Gesinterd erts |
|
||||||||||||
|
Ruwijzer |
|
||||||||||||
|
FeMn — ferromangaan |
|
||||||||||||
|
FeCr — ferrochroom |
|
||||||||||||
|
FeNi — ferronikkel |
|
||||||||||||
|
Sponsijzer |
|
||||||||||||
|
Ruwstaal |
|
||||||||||||
|
IJzer- of staalproducten |
|
||||||||||||
|
Ruw aluminium |
|
||||||||||||
|
Aluminiumproducten |
|
BIJLAGE V
Regiospecifieke aanpassingen van de standaardwaarden
Voor de toepassing van punt 7 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 kunnen alternatieve regiospecifieke aanpassingen van standaardwaarden worden gebruikt voor een goed dat in een bepaald jaar is ingevoerd, indien de toegelaten CBAM-aangever uiterlijk op 30 juni van dat jaar aan de Commissie aantoont, op basis van gegevensreeksen uit betrouwbare alternatieve officiële bronnen, met inbegrip van nationale statistieken, voor één kalenderjaar, dat alternatieve regiospecifieke aanpassingen van de standaardwaarden lager zijn dan de overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde standaardwaarden.
Indien de Commissie de verstrekte alternatieve officiële bronnen betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het volgende jaar, de toepasselijke standaardwaarden die overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 zijn vastgesteld. De gewijzigde standaardwaarden zijn van toepassing op goederen die zijn ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
Wanneer een toegelaten CBAM-aangever de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen verstrekt na 30 juni van het jaar van invoer van een goed en de Commissie deze betrouwbaar acht, wijzigt zij, indien mogelijk uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar na het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt, de toepasselijke standaardwaarden die overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 zijn vastgesteld. De gewijzigde standaardwaarden zijn van toepassing op goederen die zijn ingevoerd in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt. Indien de Commissie erin slaagt om de relevante standaardwaarden aan te passen in het jaar volgend op het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt en vóór de uiterste datum voor de indiening van CBAM-aangiften overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2023/956, zijn de gewijzigde standaardwaarden van toepassing op goederen die zijn ingevoerd in het jaar waarin de gegevensreeksen uit alternatieve officiële bronnen zijn verstrekt.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/2547/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)