Use quotation marks to search for an "exact phrase". Append an asterisk (*) to a search term to find variations of it (transp*, 32019R*). Use a question mark (?) instead of a single character in your search term to find variations of it (ca?e finds case, cane, care).
Commission Implementing Regulation (EU) 2024/404 of 30 January 2024 amending Implementing Regulation (EU) No 923/2012 as regards the updates of relevant ICAO provisions, the completion of the radio communication failure procedure and removing the supplement to the Annex to that Regulation
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/404 van de Commissie van 30 januari 2024 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 wat betreft de actualiseringen van de relevante ICAO-bepalingen, de voltooiing van de procedure voor het uitvallen van radiocommunicatie en de schrapping van het supplement op de bijlage bij die verordening
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/404 van de Commissie van 30 januari 2024 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 wat betreft de actualiseringen van de relevante ICAO-bepalingen, de voltooiing van de procedure voor het uitvallen van radiocommunicatie en de schrapping van het supplement op de bijlage bij die verordening
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/404 VAN DE COMMISSIE
van 30 januari 2024
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 wat betreft de actualiseringen van de relevante ICAO-bepalingen, de voltooiing van de procedure voor het uitvallen van radiocommunicatie en de schrapping van het supplement op de bijlage bij die verordening
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 43, lid 1, punt a), en artikel 44, lid 1, punt a),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie (2) zijn de gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures die van toepassing zijn op het algemene luchtverkeer, vastgesteld (de zogenaamde luchtverkeersregels).
(2)
Bepaalde recente ontwikkelingen binnen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) moeten tot uiting komen in de regels van de Unie. Met name de relevante delen van ICAO-amendement 45 van bijlage 2, amendementen 77, 78 en 79 van bijlage 3, amendement 92 van bijlage 10, volume II, amendement 52 van bijlage 11 bij het Verdrag van Chicago, amendementen 7A, 7B, 8 en 9 van Doc 4444 (PANS-ATM) en de amendementen van Doc 7030 (regionale aanvullende procedures, Europese (EUR) regio) moeten worden weerspiegeld in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012. Daarom moeten bepaalde definities met betrekking tot de meteorologische omstandigheden, bepaalde bepalingen met betrekking tot luchtverkeersleidingsdiensten, zoals klaringen in verband met speciale zichtvliegvoorschriften (Visual Flight Rules — VFR), te nemen maatregelen in geval van afwijking van het actuele vluchtplan, verkorte positieverslagen, verzending van weerberichten, en bepaalde eisen inzake radiotelefonie en fraseologie, zoals de vermelding van de categorie zogturbulentie, het gebruik van datalinksystemen bij communicatie over weersvermijding, de klaring op standaardroutes voor instrumentvertrek en -aankomst worden gewijzigd. Daarnaast moet een uitgebreide procedure voor storingen in de radiocommunicatie worden vastgesteld.
(3)
Wanneer wijzigingen van Verordening (EU) nr. 923/2012 gevolgen hebben voor de naleving van de normen en aanbevolen praktijken van de ICAO, moeten de lidstaten de ICAO formeel in kennis stellen van latere wijzigingen van de eerder gemelde verschillen of van nieuwe verschillen die door de wijzigingen van deze verordening zijn ontstaan, in overeenstemming met het desbetreffende besluit van de Raad tot vaststelling van de criteria en de procedure voor de vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie in de ICAO moet worden ingenomen met betrekking tot de vaststelling of wijziging van internationale normen en aanbevolen praktijken, en de kennisgeving van verschillen ten aanzien van vastgestelde internationale normen. Gezien de nieuwe, bij artikel 90, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139 ingevoerde verplichtingen van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (“het Agentschap”) om informatie te verstrekken over de conformiteit van die verordening en van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op basis daarvan zijn vastgesteld met de internationale normen en aanbevolen praktijken, is het supplement op de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 niet langer nodig.
(4)
Derhalve moeten artikel 5 en het supplement op de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 worden geschrapt en moet artikel 6 dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(5)
Om te zorgen voor samenhang met Verordening (EU) nr. 139/2014 van de Commissie (3) inzake de signalen die in alle zichtbaarheidsomstandigheden moeten worden gebruikt in het geval van radiocommunicatiestoringen tussen de eenheid voor luchtverkeersdiensten en voertuigen of voetgangers op het manoeuvreergebied van luchtvaartterreinen, moet aanhangsel 1 inzake signalen van Verordening (EU) nr. 923/2012 worden gewijzigd om de relevante bepalingen van Verordening (EU) nr. 139/2014 erin op te nemen.
(6)
Aanhangsel 6 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 bevat een aantal kleine redactionele en schrijffouten. Aanhangsel 6 moet dan ook worden gewijzigd om die fouten te corrigeren.
(7)
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(8)
Om een soepele uitvoering van de bij deze verordening ingevoerde maatregelen te waarborgen en tegelijkertijd een hoog en uniform niveau van veiligheid van de burgerluchtvaart in de Unie te handhaven, moeten de sector en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voldoende tijd krijgen om zich aan te passen aan de maatregelen die bij deze verordening worden ingevoerd, met name die welke verband houden met het nieuwe kader voor de procedure voor storingen in de radiocommunicatie en voor de standaardprocedures voor instrumentvertrek en -aankomst en de fraseologie. Deze verordening dient dan ook twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan van toepassing te worden,
(9)
Om de juistheid van de overeenkomstig aanhangsel 6 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 ingediende vliegplannen te waarborgen, moeten de bij deze uitvoeringsverordening ingevoerde correcties van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding ervan.
(10)
Het Agentschap heeft de Commissie bijgestaan overeenkomstig artikel 75, lid 2, punten b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 en heeft op 18 augustus 2023 Advies nr. 02/2023 bij de Commissie ingediend.
(11)
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde Comité voor de toepassing van gemeenschappelijke veiligheidsvoorschriften op het gebied van de burgerluchtvaart,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 wordt als volgt gewijzigd:
1)
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt 21 wordt vervangen door:
“21.
“AIRMET-informatie”: informatie uitgegeven door een luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum betreffende het optreden of verwachte optreden van specifieke meteorologische verschijnselen langs de vliegroute die van invloed kunnen zijn op een veilige vluchtuitvoering op lage hoogte, en betreffende de evolutie van die verschijnselen in de tijd en de ruimte, en die nog niet was uitgegeven in de weersverwachting voor vluchten op lage hoogte in het betrokken vluchtinformatiegebied of een deel daarvan;”;
b)
punt 89 bis wordt vervangen door:
“89 bis
“instrumentnaderingen”: een nadering en landing waarbij gebruik wordt gemaakt van instrumenten voor navigatiegeleiding, op basis van een instrumentnaderingsprocedure. Er zijn twee methoden voor het uitvoeren van instrumentnaderingen:
a)
een tweedimensionale (2D) instrumentnadering met alleen laterale navigatiegeleiding, en
b)
een driedimensionale (3D) instrumentnadering, met zowel laterale als verticale navigatiegeleiding;”;
c)
punt 119 wordt vervangen door:
“119.
“SIGMET-informatie”: informatie uitgegeven door een meteorologisch observatiecentrum betreffende het optreden of verwachte optreden van specifieke en-routeweersverschijnselen en andere atmosferische verschijnselen langs de vliegroute die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van de vluchtuitvoering, en betreffende de evolutie van die verschijnselen in de tijd en de ruimte;”;
d)
de volgende punten 148, 149, 150 en 151 worden toegevoegd:
“148.
“luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum (MWO)”: een centrum dat meteorologische omstandigheden observeert die gevolgen hebben voor vluchtuitvoeringen, en dat informatie verstrekt over (verwachte) weersverschijnselen en andere atmosferische verschijnselen tijdens de vlucht die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van vluchtuitvoeringen in het gebied waarvoor het centrum bevoegd is;
149.
“baanconditierapport (RCR)” een uitgebreid gestandaardiseerd rapport over de staat van het baanoppervlak en de gevolgen daarvan voor de opstijg- en landingsprestaties van het vliegtuig, beschreven aan de hand van de voorschriften met betrekking tot de staat van de baan;
150.
“overdraagbare ziekte”: een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een besmettelijk agens en die van mens tot mens wordt overgedragen door direct contact met een besmet persoon of door indirect contact, zoals blootstelling aan een vector, dier, fomiet, product of omgeving, of de uitwisseling van een met het besmettelijke agens besmette vloeistof;
151.
“volksgezondheid”: alle elementen in verband met de gezondheid, namelijk gezondheidstoestand, inclusief morbiditeit en beperkingen, de determinanten die een effect hebben op die gezondheidstoestand, de behoeften aan gezondheidszorg, middelen ten behoeve van de gezondheidszorg, de verstrekking van en de universele toegang tot gezondheidszorg, alsmede de uitgaven voor en de financiering van de gezondheidszorg, en de doodsoorzaken.”.
2)
Artikel 3 wordt vervangen door:
“Artikel 3
Naleving
De lidstaten zien toe op de naleving van de gemeenschappelijke regels en bepalingen die zijn uiteengezet in de bijlage bij deze verordening, onverminderd de flexibiliteitsregeling in artikel 71 van Verordening (EU) 2018/1139 en de vrijwaringsbepalingen in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004.”.
3)
Artikel 5 wordt geschrapt.
4)
Artikel 6 wordt vervangen door:
“Na de inwerkingtreding van deze verordening zet de Commissie, met de steun van Eurocontrol en het EASA, een permanent proces op:
a)
om te garanderen dat alle in het kader van het Verdrag van Chicago vastgestelde wijzigingen die relevant zijn voor het toepassingsgebied van deze verordening, worden gevolgd en geanalyseerd, en
b)
om, waar nodig, voorstellen te ontwikkelen voor wijzigingen van de bijlage bij deze verordening.”.
5)
De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2025, met uitzondering van punt 22) van de bijlage, dat van toepassing is op de datum van inwerkingtreding.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en Verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (PB L°281 van 13.10.2012, blz. 1).
(3) Verordening (EU) nr. 139/2014 van de Commissie van 12 februari 2014 tot vaststelling van eisen en administratieve procedures met betrekking tot luchtvaartterreinen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 44 van 14.2.2014, blz. 1).
BIJLAGE
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 wordt als volgt gewijzigd:
1)
SERA.3212 wordt ingevoegd:
„SERA.3212
Onzekerheid over de positie op het manoeuvreergebied op luchtvaartterreinen waar luchtverkeersdiensten worden verleend
a)
Behoudens het bepaalde in punt b) moet een piloot die twijfelt aan de positie van het luchtvaartuig op het manoeuvreergebied onmiddellijk:
1)
het luchtvaartuig stoppen, en
2)
tegelijkertijd de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten in kennis stellen van de situatie (met inbegrip van de laatste bekende positie).
b)
Wanneer een piloot twijfels heeft over de positie van het luchtvaartuig ten opzichte van het manoeuvreergebied, maar inziet dat het luchtvaartuig zich op een baan bevindt, moet de piloot onmiddellijk:
1)
de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten in kennis stellen van de situatie (met inbegrip van de laatste bekende positie);
2)
indien een geschikte taxibaan in de buurt kan worden gevonden, de start- en landingsbaan zo snel mogelijk verlaten, tenzij anders bepaald door de eenheid voor luchtverkeersdiensten; en vervolgens;
3)
het luchtvaartuig stoppen.
c)
Een bestuurder die twijfelt aan de positie van het voertuig op het manoeuvreergebied moet onmiddellijk:
1)
de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten in kennis stellen van de situatie (met inbegrip van de laatste bekende positie);
2)
tenzij de eenheid voor luchtverkeersdiensten andere instructies geeft, tegelijkertijd de landingsplaats, taxibaan of ander deel van het manoeuvreergebied verlaten en zich zo snel mogelijk op een veilige afstand begeven; en vervolgens;
3)
het voertuig stoppen.”.
2)
In SERA.5005 wordt de inleidende zin van punt b) vervangen door:
“Behalve wanneer een klaring is verkregen van een luchtverkeersleidingseenheid, mogen VFR-vluchten niet opstijgen of landen op een luchtvaartterrein in een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied en zich niet in het luchtvaartterreinverkeersgebied of het plaatselijk verkeerscircuit begeven wanneer de meegedeelde weersomstandigheden op het luchtvaartterrein in kwestie slechter zijn dan de volgende minima:”.
3)
SERA.5010 wordt als volgt gewijzigd:
a)
de inleidende zin wordt vervangen door:
“In een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied mogen bijzondere VFR-vluchten worden uitgevoerd mits een luchtverkeersleidingsklaring is verleend. Tenzij de bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor helikopters in andere, bijzondere gevallen zoals, maar niet beperkt tot politievluchten, medische hulpvluchten, opsporings- en reddingsvluchten en brandbestrijdingsvluchten, zijn de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing:”;
b)
punt c) wordt vervangen door:
“c)
een luchtverkeerleidingseenheid geeft geen bijzondere VFR-klaring aan een luchtvaartuig om op te stijgen of te landen op een luchtvaartterrein in een zone met verkeersgeleiding of om zich in het verkeerscircuit van een luchtvaartterrein in een zone met verkeersgeleiding te begeven wanneer de meegedeelde weersomstandigheden op het luchtvaartterrein in kwestie slechter zijn dan de volgende minima:
1)
het zicht op de grond bedraagt minder dan 1 500 m of, voor helikopters, minder dan 800 m;
2)
de wolkenbasis bevindt zich op minder dan 180 m (600 ft).”.
4)
SERA.8015 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt b) wordt vervangen door:
“b)
Activiteiten waarvoor klaring moet worden gevraagd
1)
Alvorens een gecontroleerde vlucht of een gedeelte van een vlucht als gecontroleerde vlucht uit te voeren, dient luchtverkeersleidingsklaring te worden verkregen. Een dergelijke klaring wordt gevraagd door een vliegplan in te dienen bij een luchtverkeersleidingseenheid.
2)
Wanneer in een vliegplan is bepaald dat het initiële deel van een vlucht ongecontroleerd zal zijn en dat het volgende deel van de vlucht onderworpen zal zijn aan een luchtverkeersleidingsdienst, moet de cockpitbemanning klaring verkrijgen van de desbetreffende luchtverkeersleidingseenheid voor binnenkomst van het gebied waarin de gecontroleerde vlucht zal beginnen.
3)
Wanneer in een vliegplan is bepaald dat het initiële deel van een vlucht zal worden onderworpen aan een luchtverkeersleidingsdienst en dat het daaropvolgende deel ongecontroleerd zal zijn, wordt het luchtvaartuig normaal gesproken geklaard tot het punt waarop de gecontroleerde vlucht eindigt.
4)
De gezagvoerder van een luchtvaartuig stelt de luchtverkeersleidingseenheid ervan in kennis als een luchtverkeersleidingsklaring niet voldoet. In dergelijke gevallen geeft de luchtverkeersleidingseenheid, indien mogelijk, een aangepaste klaring af.
5)
Telkens wanneer een luchtvaartuig een prioritaire klaring vraagt, wordt een verslag ingediend waarin de redenen voor de prioriteit worden uiteengezet, indien de desbetreffende luchtverkeersleidingseenheid daarom vraagt.
6)
Mogelijke herklaring tijdens de vlucht. Indien vóór vertrek, op basis van het bereik en mits herklaring wordt gegeven tijdens de vlucht, wordt verwacht dat een besluit wordt genomen om naar een ander luchtvaartterrein van bestemming te vliegen, worden de desbetreffende luchtverkeersleidingseenheden daarvan in kennis gesteld door informatie over de gewijzigde route (indien bekend) en de gewijzigde bestemming op te nemen in het vliegplan.
7)
Een luchtvaartuig dat op een gecontroleerd luchtvaartterrein wordt geëxploiteerd, mag niet taxiën op het landingsterrein zonder klaring van de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst en dient alle instructies van die dienst te volgen.
8)
Bij de berekening of toewijzing van een directe route die niet in het vliegplan is opgenomen en waarbij een IFR-vlucht niet langer de bekendgemaakte ATS-route of instrumentprocedure volgt, geeft een luchtverkeersleider die ATS-surveillancediensten verleent klaringen af die van die aard zijn dat de voorgeschreven obstakelvrije ruimte te allen tijde behouden blijft tot het luchtvaartuig het punt bereikt waarop de piloot opnieuw het vliegplan of een bekendgemaakte ATS-route of instrumentprocedure volgt.”;
b)
punt d), 3) en 4), wordt vervangen door:
“3)
de vliegroute:
i)
indien dit nodig wordt geacht, wordt de vliegroute in elke klaring gedetailleerd omschreven;
ii)
de uitdrukking “cleared flight planned route” wordt niet gebruikt bij het verlenen van een herklaring;
4)
het (de) vliegniveau(s) voor het geheel of een deel van de route en, voor zover vereist, niveauveranderingen;”;
c)
punt e), 5) en 6), worden toegevoegd:
“5)
Bestuurders van voertuigen die op het manoeuvreergebied rijden of voornemens zijn te rijden, moeten de veiligheidsgerelateerde delen van instructies van de luchtverkeersleider die via spraak worden doorgegeven, terugmelden, bv. instructies om een taxibaan of een start- of landingsbaan op te rijden, voor een dergelijke baan te stoppen, een baan te kruisen of op een baan handelingen uit te voeren.
6)
De luchtverkeersleider moet de terugmelding beluisteren om zeker te zijn dat de voertuigbestuurder de instructie juist heeft begrepen, en moet onmiddellijk maatregelen nemen om eventuele bij de terugmelding vastgestelde afwijkingen te corrigeren.”.
5)
SERA.8020 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt b) wordt vervangen door:
“b)
Afwijkingen van het geldende vliegplan. In het geval een gecontroleerde vlucht onopzettelijk afwijkt van zijn geldend vliegplan, moeten de volgende acties worden ondernomen:
1)
Afwijking van de koers: als het luchtvaartuig afwijkt van zijn koers, moet onmiddellijk actie worden ondernomen om het zo snel mogelijk weer op koers te brengen.
2)
Afwijking van het Mach-cijfer/de aangegeven luchtsnelheid die door de luchtverkeersleiding is toegewezen: de bevoegde eenheid voor luchtverkeersdiensten wordt onmiddellijk op de hoogte gebracht.
3)
Afwijking van het Mach-cijfer/de ware vliegsnelheid: als het aangehouden Mach-cijfer/de aangehouden ware vliegsnelheid op kruisniveau varieert van plus of min Mach 0,02 of meer, of plus of min 19 km/h (10 kt) ware luchtsnelheid of meer ten opzichte van het geldende vliegplan, wordt de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten daarvan in kennis gesteld.
4)
Wijziging in geschat tijdstip: tenzij ADS-C geactiveerd en bruikbaar is in het luchtruim waarin ADS-C-diensten worden verleend, brengt de cockpitbemanning, als het geschatte tijdstip voor het volgende toepasselijke meldingspunt, het overschrijden van de grens met het volgende vluchtinformatiegebied of het luchtvaartterrein van bestemming, ongeacht wat eerst komt, meer dan 2 minuten afwijkt van het bij de luchtverkeersdienst aangemelde tijdstip of van een ander tijdstip dat is voorgeschreven door de bevoegde autoriteit, de desbetreffende eenheid voor luchtverkeersdiensten daar zo snel mogelijk van op de hoogte.
5)
Als een ADS-C-overeenkomst is afgesloten, wordt de eenheid voor luchtverkeersdiensten automatisch via datalink in kennis gesteld wanneer zich wijzigingen voordoen die de in de ADS-C-overeenkomst vermelde drempelwaarden overschrijden.”;
b)
het volgende punt c), 3), wordt toegevoegd:
“3)
Wijziging van het Mach-cijfer/de ware luchtsnelheid: identificatie van het luchtvaartuig; aangevraagd(e) Mach-cijfer/ware luchtsnelheid.”.
6)
SERA.8025 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt a), 3), wordt geschrapt;
b)
de volgende punten b) en c) worden toegevoegd:
“b)
Met inachtneming van de vereisten in SERA.14065 voor het veranderen van de communicatie moet het positierapport de volgende elementen bevatten:
1)
identificatie van het luchtvaartuig;
2)
positie;
3)
tijdstip;
4)
snelheid, indien toegewezen door de luchtverkeersleiding, en
5)
andere elementen volgens de instructies van de ATC.
c)
De in punt b) beschreven elementen worden gerapporteerd zoals beschreven in punt A, 2, van aanhangsel 5.”.
7)
in SERA.8035 wordt punt b) vervangen door:
“b)
Indien een communicatiestoring de naleving van punt a) onmogelijk maakt, moeten de procedures voor communicatiestoringen worden gevolgd, zoals gespecificeerd in SERA.14083.”.
8)
SERA.9010 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt b), 8), wordt vervangen door:
“8)
toestand van het baanoppervlak;”;
b)
punt c), 8), wordt vervangen door:
“8)
toestand van het baanoppervlak;”;
c)
punt d), 7), wordt vervangen door:
“7)
de toestand van het oppervlak van de voor de start te gebruiken baan (banen);”.
9)
SERA.12020 wordt vervangen door:
“SERA.12020
Uitwisseling van vluchtrapporten
a)
Eenheden voor luchtverkeersdiensten moeten zo snel mogelijk speciale en niet-routinematige vluchtrapporten doorgeven aan:
1)
andere betrokken luchtvaartuigen;
2)
het bijbehorende luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum (MWO), overeenkomstig punt A, 3, van aanhangsel 5, en
3)
andere betrokken eenheden voor luchtverkeersdiensten.
b)
Wanneer eenheden voor luchtverkeersdiensten via mondelinge communicatie speciale vluchtrapporten ontvangen met betrekking tot de remwerking die niet overeenstemt met het rapport van de baantoestand, sturen zij deze onverwijld door naar de passende bevoegde luchtvaartterreinexploitant.
c)
De betrokken eenheid voor luchtverkeersdiensten bepaalt met welke frequentie en gedurende welke tijdspanne de vluchtrapporten worden doorgegeven aan luchtvaartuigen.”.
10)
De titel van deel 13 wordt vervangen door:
“
DEEL 13
SSR-transponder en ADS-B-zenders
”.
11)
SERA.13015 wordt vervangen door:
“SERA.13015
Instelling van de identificatie aan boord van het luchtvaartuig
a)
Luchtvaartuigen die zijn uitgerust met een Mode S- of ADS-B-zender met een luchtvaartuigidentificatiekenmerk, geven de in het vliegplan gespecificeerde luchtvaartuigidentificatie of, wanneer geen vliegplan is ingediend, de registratie van het luchtvaartuig door, tenzij de luchtvaartuigexploitant van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om voor vluchten zonder vliegplan een andere dan de registratie van het luchtvaartuig als luchtvaartuigidentificatie te gebruiken.
b)
Telkens wanneer op het situatiedisplay wordt vastgesteld dat de luchtvaartuigidentificatie die wordt uitgezonden door een luchtvaartuig dat is uitgerust met Mode S- of ADS-B-zender verschilt van de identificatie die van het luchtvaartuig wordt verwacht, wordt de piloot verzocht de correcte luchtvaartuigidentificatie te bevestigen en, indien nodig, opnieuw in te voeren.
c)
Wanneer het verschil blijft bestaan nadat de piloot heeft bevestigd dat de correcte luchtvaartuigidentificatie is ingesteld in de Mode S- of ADS-B-identificatiefunctie, neemt de eenheid voor luchtverkeersdiensten de volgende maatregelen:
1)
zij brengt de piloot ervan op de hoogte dat het verschil nog steeds bestaat;
2)
indien mogelijk corrigeert zij het label met de luchtvaartuigidentificatie op het situatiedisplay, en
3)
zij brengt de volgende controlepost/luchtverkeersleider en alle andere betrokken eenheden die gebruikmaken van Mode S of ADS-B voor identificatiedoeleinden ervan op de hoogte dat de door het luchtvaartuig uitgezonden identificatie verkeerd is.”.
12)
In SERA.14035 wordt punt a), 1), vervangen door:
“1)
Voor alle getallen die worden gebruikt in de uitzending van de roepnaam van een luchtvaartuig, de koers, de windrichting en -snelheid en de baan, wordt elk cijfer afzonderlijk uitgesproken.
i)
Bij de uitzending van vliegniveaus wordt elk cijfer afzonderlijk uitgesproken, behalve in het geval van vliegniveaus in volledige honderdtallen.
ii)
Bij de uitzending van de hoogtemeterinstelling wordt elk cijfer afzonderlijk uitgesproken, behalve in het geval van een instelling van 1 000 hPa, die wordt uitgezonden als “ONE THOUSAND”.
iii)
Bij de uitzending van transpondercodes wordt elk cijfer afzonderlijk uitgesproken, behalve als de transpondercode uitsluitend uit volledige duizendtallen bestaat; in dat geval wordt de informatie verzonden door het cijfer van het duizendtal uit te spreken, gevolgd door het woord “THOUSAND”.”.
13)
Aan SERA.14045 wordt het volgende punt c) toegevoegd:
“c)
De uitdrukking “TAKE-OFF” wordt alleen gebruikt in radiotelefonie wanneer een luchtvaartuig opstijgt of wanneer een klaring om op te stijgen wordt geannuleerd.”.
14)
SERA.14065 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt a) wordt vervangen door:
“a)
Tenzij anders voorgeschreven door de verlener van luchtvaartnavigatiediensten die verantwoordelijk is voor de dienstverlening en die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, moet de eerste oproep van een eenheid voor luchtverkeersdiensten na een verandering van het kanaal in de mondelinge lucht-grondcommunicatie de volgende elementen bevatten:
1)
de aanduiding van de opgeroepen ATS-eenheid;
2)
de roepnaam, onmiddellijk gevolgd door het woord “Heavy” of “Super”, naargelang het geval, overeenkomend met de zogturbulentiecategorie van het luchtvaartuig;
3)
het vliegniveau, met inbegrip van het net gepasseerde vliegniveau en het geklaarde vliegniveau, als het geklaarde niveau niet wordt aangehouden;
4)
de snelheid, indien toegewezen door de luchtverkeersleiding, en
5)
aanvullende elementen, zoals vereist door de verlener van luchtvaartnavigatiediensten die verantwoordelijk is voor de dienstverlening en die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.”;
b)
punt c), 2), wordt vervangen door:
“2)
de roepnaam, onmiddellijk gevolgd door het woord “Heavy” of “Super”, naargelang het geval, overeenkomend met de zogturbulentiecategorie van het luchtvaartuig;”.
15)
SERA.14083 wordt ingevoegd:
“SERA.14083
Procedures voor storingen van de radiocommunicatie
a)
Als een luchtvaartuig niet in staat is te voldoen aan SERA.8035, punt a), tracht de cockpitbemanning contact op te nemen op het vorige gebruikte kanaal en, indien dit niet succesvol is, op een ander kanaal dat geschikt is voor de route. Als deze pogingen mislukken, moet de cockpitbemanning trachten communicatie tot stand te brengen met:
1)
de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten;
2)
andere eenheden voor luchtverkeersdiensten, of
3)
andere luchtvaartuigen,
met gebruikmaking van alle beschikbare middelen, waaronder datalinkcommunicatie, spraakcommunicatie per satelliet en mobiele telefoons en, indien succesvol, melden dat geen contact tot stand kon worden gebracht op het toegewezen kanaal.
b)
Wanneer een verwachte communicatie van een luchtvaartuig niet is ontvangen binnen een zodanige termijn dat het vermoeden bestaat dat zich een communicatiestoring heeft voorgedaan, of op verzoek van andere eenheden voor luchtverkeersdiensten, roept de luchtverkeersleider het luchtvaartuig op op de frequenties waarop het luchtvaartuig vermoedelijk luistert, en:
1)
bepaalt de luchtverkeersleider, bij het verlenen van surveillancediensten, normaliter of de ontvanger van het luchtvaartuig al dan niet functioneert en, indien dit het geval is, gaat hij door met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten met behulp van SSR-code/ADS-B-transmissiewijzigingen of IDENT-transmissies om bevestiging van de aan het luchtvaartuig afgegeven klaringen te verkrijgen;
2)
als dit niet het geval is, moet de luchtverkeersleidingseenheid:
i)
andere eenheden voor luchtverkeersdiensten vragen om bijstand te verlenen door het luchtvaartuig op te roepen en berichten door te geven, indien nodig;
ii)
luchtvaartuigen op de route vragen om contact trachten te maken met het luchtvaartuig en berichten door te geven, indien nodig;
iii)
de luchtvaartuigexploitant zo spoedig mogelijk in kennis stellen van elke storing in de lucht-grondcommunicatie;
3)
als de in de punt 2), i) en ii), beschreven pogingen mislukken, mag niet worden overgegaan tot blinde verzending van luchtverkeersleidingsklaringen aan luchtvaartuigen, behalve op specifiek verzoek van de opsteller. Andere berichten moeten worden verzonden via blinde verzending op de frequenties waarop het luchtvaartuig geacht wordt te luisteren.
c)
Als een luchtvaartuig niet in staat is te voldoen aan SERA.8035, punt a), en de in punt a) van SERA.14083 beschreven pogingen om communicatie tot stand te brengen niet succesvol zijn, moeten de hieronder beschreven procedures voor storingen van de radiocommunicatie worden toegepast:
1)
Het luchtvaartuig moet, wanneer het deel uitmaakt van het luchtvaartterreinverkeer op een gecontroleerd luchtvaartterrein, uitkijken naar instructies die kunnen worden gegeven door middel van visuele signalen.
2)
Het luchtvaartuig moet de transponder instellen op Mode A Code 7600 en/of de ADS-B-zender instellen om het verlies van lucht-grondcommunicatie aan te geven en te voldoen aan de procedures beschreven in de punten 3), 4), 5) en 6), naargelang het geval.
3)
Een VFR-vlucht moet onder zichtweersomstandigheden blijven vliegen, op het dichtstbijzijnde geschikte luchtvaartterrein landen en de aankomst via de snelste middelen melden aan de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten.
4)
Behoudens het bepaalde in punt 5) moet een IFR-vlucht:
i)
de laatst toegewezen snelheid en het laatst toegewezen niveau, of de minimumvlieghoogte indien hoger, behouden gedurende een periode van 20 minuten volgend op:
A)
het niet-indienen van een verplicht verslag door het luchtvaartuig, of
B)
het tijdstip waarop de transponder wordt ingesteld op 7 600 en/of de passende ADS-B-nood- en/of urgentiefase wordt verzonden indien surveillancediensten worden verleend,
en vervolgens het niveau en de snelheid aanpassen overeenkomstig het ingediende vliegplan, zoals gewijzigd door berichten over vertraging en wijzigingen van het ingediende vliegplan;
ii)
wanneer hij door ATC wordt geleid of door ATC wordt gevraagd van de route af te wijken met gebruik van gebiedsnavigatie (RNAV):
A)
met een gespecificeerde limiet, doorgaan tot die limiet en vervolgens opnieuw aansluiten bij de laatst ontvangen en bevestigde route, rekening houdend met de toepasselijke minimumvlieghoogte, of
B)
zonder een gespecificeerde limiet, uiterlijk op het volgende significante punt opnieuw aansluiten bij de laatst ontvangen en bevestigde route, rekening houdend met de toepasselijke minimumvlieghoogte;
iii)
volgens de laatst ontvangen en bevestigde routeklaring verder vliegen naar het passende aangewezen navigatiehulpmiddel of de vaste positie die het bestemmingsluchtvaartterrein bedient, en, indien dit nodig is om de naleving van punt iv) hieronder te waarborgen, boven dit hulpmiddel of deze vaste positie blijven hangen tot het begin van de daling;
iv)
beginnen met de daling vanaf het navigatiehulpmiddel of de vaste positie zoals gespecificeerd in punt iii) op of zo dicht mogelijk bij het laatst ontvangen en bevestigde verwachte naderingstijdstip; of, indien er geen verwacht naderingstijdstip is ontvangen en bevestigd, op of zo dicht mogelijk bij het geschatte aankomsttijdstip;
v)
een instrumentnaderingsprocedure voltooien zoals gespecificeerd voor het aangewezen navigatiehulpmiddel of de aangewezen vaste positie, en
vi)
landen, indien mogelijk, binnen 30 minuten na het in punt iv) gespecificeerde geschatte aankomsttijdstip of, indien dat later is, het laatst bevestigde verwachte naderingstijdstip.
5)
Een IFR-vlucht die een standaardinstrumentvertrekroute of een standaardinstrumentaankomstroute volgt, moet voldoen aan de procedures voor radiocommunicatiestoringen die zijn gespecificeerd in de Standard Departure Chart — Instrument (SID) of Standard Arrival Chart — Instrument (STAR), indien beschikbaar.
6)
Als een IFR-vlucht in zichtweersomstandigheden terechtkomt en de gezagvoerder besluit te blijven vliegen onder zichtweersomstandigheden, stelt de piloot Mode A-code 7601 in, landt hij op het dichtstbijzijnde geschikte luchtvaartterrein en meldt hij de aankomst met de snelste middelen aan de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten.
d)
De verlening van luchtverkeersleidingsdiensten aan vluchten in het betrokken luchtruim is gebaseerd op de veronderstelling dat een luchtvaartuig dat een communicatiestoring ondervindt, voldoet aan punt c).
e)
Zodra bekend is dat een luchtvaartuig dat actief is in het gebied waarvoor zij verantwoordelijk is, een kennelijke storing in de radiocommunicatie ondervindt, zendt een luchtverkeersleidingseenheid informatie over de radiocommunicatiestoring door aan alle betrokken eenheden voor luchtverkeersdiensten langs de vliegroute. Het plaatselijke luchtverkeersleidingscentrum in het gebied waar het luchtvaartterrein van bestemming is gelegen, neemt maatregelen om informatie te verkrijgen over de uitwijkhaven(s) en andere relevante informatie die is gespecificeerd in het ingediende vliegplan, indien dergelijke informatie niet beschikbaar is.
f)
Wanneer een luchtverkeersleidingseenheid informatie ontvangt dat een luchtvaartuig, na een communicatiestoring, de communicatie heeft hersteld of is geland, informeert die eenheid de luchtverkeersleidingseenheid in het gebied waar het luchtvaartuig actief was op het moment dat de storing zich voordeed, alsook andere betrokken eenheden voor luchtverkeersdiensten langs de vliegroute, en verstrekt zij de nodige informatie voor de voortzetting van de luchtverkeersleiding als het luchtvaartuig zijn vlucht voortzet.
g)
De signalen die bij een storing in de communicatie worden gebruikt, moeten in overeenstemming zijn met aanhangsel 1.”.
16)
SERA.14087 wordt geschrapt.
17)
SERA.14090 wordt vervangen door:
“SERA.14090
Specifieke communicatieprocedures
a)
Bewegingen van voertuigen
De standaardzinnen voor bewegingen van voertuigen op het bewegingsgebied zijn dezelfde als die welke worden gebruikt voor bewegingen van luchtvaartuigen, met uitzondering van instructies voor taxiën; tijdens de communicatie met voertuigen wordt het woord “PROCEED” gebruikt in plaats van het woord “TAXI”.
b)
Luchtverkeersadviseringsdienst
De luchtverkeersadviseringsdienst geeft geen “klaringen” af, maar alleen “adviezen”, en het gebruikt het woord “advise” of “suggest” wanneer een actie wordt voorgesteld aan een luchtvaartuig.
c)
Aanduiding van de categorieën zware en superzware zogturbulentie
In het eerste radiotelefoniecontact tussen dergelijke luchtvaartuigen en ATS-eenheden wordt onmiddellijk na de roepnaam van het luchtvaartuig het woord “heavy” of “super” vermeld, al naargelang de categorie van de zogturbulentie van het luchtvaartuig.
d)
Procedures met betrekking tot weersomleidingen
1)
Wanneer een weersomleiding vereist is, neemt de piloot het initiatief voor communicatie met de luchtverkeersleiding via spraak of CPDLC. Een snelle reactie kan worden verkregen door:
i)
de vermelding “WEATHER DEVIATION REQUIRED”, om aan te geven dat prioriteit gewenst is op de frequentie en voor het antwoord van de luchtverkeersleiding, of
ii)
het aanvragen van een weersomleiding met behulp van een lateraal CPDLC-downlinkbericht.
2)
Indien nodig neemt de piloot het initiatief voor communicatie door gebruik te maken van de urgentieoproep “PAN PAN” (bij voorkeur drie keer uitgesproken) of door een urgent CPDLC-downlinkbericht te gebruiken.
3)
De piloot stelt de luchtverkeersleider daarvan in kennis en vraagt klaring om af te wijken van de koers of ATS-route, waarbij hij, indien mogelijk, informatie verstrekt over de omvang van de gevraagde afwijking. De cockpitbemanning gebruikt alle passende middelen (d.w.z. stem en/of CPDLC) om te communiceren tijdens een weersomleiding.
4)
De piloot brengt de luchtverkeersleider op de hoogte wanneer een weersomleiding niet langer vereist is, of wanneer een weersomleiding voltooid is en het luchtvaartuig is teruggekeerd naar zijn geklaarde route.
e)
Klaringen inzake standaard-instrumentvertrek (SID) en standaard-instrumentaankomst (STAR)
Klaringen inzake SID en/of STAR moeten, indien van toepassing, ondubbelzinnig de beperkingen aangeven.”.
18)
Het volgende punt SERA.14100 wordt toegevoegd:
“SERA.14100
Melding van vermoede overdraagbare ziekten of andere risico’s voor de volksgezondheid aan boord van een luchtvaartuig
a)
Zodra de cockpitbemanning van een en-route-luchtvaartuig een of meer vermoedelijke gevallen van een overdraagbare ziekte of een ander risico voor de volksgezondheid aan boord van het luchtvaartuig heeft vastgesteld, stelt zij de eenheid voor luchtverkeersdiensten waarmee de piloot communiceert, onverwijld in kennis van de onderstaande informatie:
1)
de identificatie van het luchtvaartuig;
2)
het luchtvaartterrein van vertrek;
3)
het luchtvaartterrein van bestemming;
4)
het verwachte tijdstip van aankomst;
5)
het aantal personen aan boord;
6)
het aantal verdachte gevallen aan boord, en
7)
de aard van het risico voor de volksgezondheid, indien bekend.
b)
Na ontvangst van informatie van een piloot over een of meer vermoedelijke gevallen van een overdraagbare ziekte of een ander volksgezondheidsrisico aan boord van het luchtvaartuig stuurt de eenheid voor luchtverkeersdiensten zo spoedig mogelijk een bericht naar de eenheid voor luchtverkeersdiensten die de bestemming/het vertrek verzorgt, tenzij er procedures bestaan om de door de staat aangewezen bevoegde autoriteit en de luchtvaartuigexploitant of zijn aangewezen vertegenwoordiger daarvan in kennis te stellen.
c)
Wanneer een eenheid voor luchtverkeersdiensten die de bestemming/het vertrek verzorgt, een melding ontvangt van een of meer vermoedelijke gevallen van een overdraagbare ziekte of een ander volksgezondheidsrisico aan boord van een luchtvaartuig, van een andere eenheid voor luchtverkeersdiensten of van een luchtvaartuig of een vliegtuigexploitant, stuurt de betrokken eenheid zo spoedig mogelijk een bericht naar de volksgezondheidsautoriteit of de door de staat aangewezen bevoegde autoriteit, alsook naar de vliegtuigexploitant of zijn aangewezen vertegenwoordiger en de exploitant van het luchtvaartterrein.”.
19)
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
a)
punt 1.2.1, a), wordt vervangen door:
“a)
een SOS-signaal (… — — — … in morsecode), verzonden via radiotelegrafie of een andere signalisatiemethode;”;
b)
punt 3.1 wordt als volgt gewijzigd:
1)
de titel van punt 3.1.1 wordt vervangen door:
“3.1.1.
Instructies voor luchtvaartuigen”;
2)
na tabel AP 1-1 wordt figuur A1-1 vervangen door:
“
Figuur A1-1”
3)
het volgende punt 3.1.3 wordt toegevoegd:
“3.1.3.
Instructies voor voertuigen op de grond of voetgangers
a)
Wanneer communicatie via een systeem van visuele signalen passend wordt geacht, of in het geval van een storing in de radiocommunicatie, hebben de hieronder gegeven signalen de betekenis die in onderstaande tabel is aangegeven.
Lichtsignaal van de plaatselijke verkeersleiding
Betekenis
Knipperend groen licht
Toestemming om het landingsgebied over te steken of zich op de taxibaan te begeven
Ononderbroken rood licht
Stop
Knipperend rood licht
Verlaat de landingszone of taxibaan en pas op voor luchtvaartuigen
Knipperend wit licht
Verlaat het manoeuvreergebied overeenkomstig de plaatselijke instructies
b)
In noodsituaties of indien de in punt a) bedoelde signalen niet in acht worden genomen, wordt het hieronder bedoelde signaal gebruikt voor start- en landingsbanen of taxibanen die zijn uitgerust met een verlichtingssysteem, met de betekenis die in onderstaande tabel is aangegeven:
Lichtsignaal van de plaatselijke verkeersleiding
Betekenis
Knipperende lichten op start- en landingsbanen of taxibanen
Verlaat de baan en kijk naar de toren voor het lichtsignaal”
20)
In aanhangsel 2 wordt punt 5.3.1 vervangen door:
“5.3.1.
Zodra bekend is dat de geplande vlucht van een middelzware of zware onbemande vrije ballon, die eerder is aangemeld overeenkomstig punt 5.1, is geannuleerd, stelt de exploitant de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten hiervan in kennis.”.
21)
Punt A van aanhangsel 5 wordt vervangen door:
“A. RAPPORTERINGSINSTRUCTIES
MODEL AIREP SPECIAL
ITEM
PARAMETER
TRANSMIT IN TELEPHONY as appropriate
—
Message-type designator
—
special air-report
[AIREP] SPECIAL
Section 1
1
Aircraft identification
(aircraft identification)
2
Position
POSITION (latitude and longitude)
OVER (significant point)
ABEAM (significant point)
(significant point) (bearing) (distance)
3
Time
(time)
4
Level
FLIGHT LEVEL (number) or (number) METRES or FEET
DESCENDING TO FLIGHT LEVEL (number) or (number) METRES or FEET
CLIMBING TO FLIGHT LEVEL (number) or (number) METRES or FEET
5
Next position and estimated time over
(position) (time)
6
Ensuring significant point
(position) NEXT
Section 2
7
Estimated time of arrival
(aerodrome) (time)
8
Endurance
ENDURANCE (hours and minutes)
Section 3
9
Phenomenon encountered or observed prompting a special air-report:
—
Moderate turbulence
TURBULENCE MODERATE
—
Severe turbulence
TURBULENCE SEVERE
—
Moderate icing
ICING MODERATE
—
Severe icing
ICING SEVERE
—
Severe mountain wave
MOUNTAIN WAVE SEVERE
—
Thunderstorms without hail
THUNDERSTORMS
—
Thunderstorms with hail
THUNDERSTORMS WITH HAIL
—
Heavy dust/sandstorm
DUSTSTORM or SANDSTORM HEAVY
—
Volcanic ash cloud
VOLCANIC ASH CLOUD
—
Pre-eruption volcanic activity or volcanic eruption
PRE-ERUPTION VOLCANIC ACTIVITY or VOLCANIC ERUPTION
Runway braking action
—
Good
GOOD
—
Good to medium
GOOD TO MEDIUM
—
Medium
MEDIUM
—
Medium to poor
MEDIUM TO POOR
—
Poor
POOR
—
Less than poor
LESS THAN POOR
1. INHOUD VAN VLUCHTRAPPORTEN
1.1.
Positierapporten en speciale vluchtrapporten
1.1.1.
Deel 1 van het in punt A uiteengezette model is verplicht voor positierapporten en speciale vluchtrapporten, maar de punten 5 en 6 mogen worden weggelaten. Deel 2 wordt alleen geheel of gedeeltelijk toegevoegd als de exploitant of degene die aangeduid is om hem te vertegenwoordigen daarom verzoekt, of als de gezagvoerder dit nodig acht. Deel 3 wordt opgenomen in speciale vluchtrapporten.
1.1.2.
Omstandigheden die aanleiding geven tot de afgifte van een speciaal vluchtrapport moeten worden geselecteerd uit de lijst in SERA.12005, punt a).
1.1.3.
In het geval van speciale vluchtrapporten die informatie over vulkanische activiteit bevatten, wordt een rapport na de vlucht opgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van het in punt B uiteengezette formulier voor de melding van vulkanische activiteit (VAR-model). Alle waargenomen elementen worden geregistreerd en op de passende plaatsen van het VAR-model aangegeven.
1.1.4.
Zo snel mogelijk nadat zich een fenomeen voordoet waarvoor een speciaal vluchtrapport moet worden opgesteld, wordt dit rapport uitgegeven.
2. GEDETAILLEERDE RAPPORTERINGSINSTRUCTIES
2.1.
De punten van een speciaal vluchtrapport worden meegedeeld in de volgorde waarin zij zijn opgenomen in het formulier AIREP SPECIAL.
—
TYPECODE VAN HET BERICHT. “SPECIAL” voor een speciaal vluchtbericht.
Deel 1
Punt 1 —
IDENTIFICATIE VAN HET LUCHTVAARTUIG. Vermeld de radiotelefonieroepnaam, zoals voorgeschreven in punt SERA.14050.
Punt 2 —
POSITIE. Vermeld de positie in breedtegraad (graden in 2 cijfers of graden en minuten in 4 cijfers, gevolgd door “Noord” of “Zuid”) en lengtegraad (graden in 3 cijfers of graden en minuten in 5 cijfers, gevolgd door “Oost” of “West”), of als een significant punt dat geïdentificeerd is door een gecodeerde aanduiding (2 tot 5 karakters), of als een significant punt gevolgd door de magnetische peiling (3 cijfers) en de afstand in zeemijl vanaf dat punt. Vermeld “ABEAM” voor het significant punt, indien van toepassing.
Punt 3 —
TIJDSTIP. Vermeld het tijdstip in uren en minuten UTC (4 cijfers), tenzij regionale luchtvaartnavigatieovereenkomsten voorschrijven dat het tijdstip moet worden vermeld in minuten na het uur (2 cijfers). Het meegedeelde tijdstip moet het werkelijke tijdstip van het luchtvaartuig op de positie zijn en niet het tijdstip van de totstandkoming of verzending van het rapport. Bij het uitgeven van een speciaal vluchtrapport moet het tijdstip altijd worden meegedeeld in uren en minuten UTC.
Punt 4 —
VLIEGNIVEAU OF HOOGTE BOVEN GEMIDDELD ZEENIVEAU. Vermeld het vliegniveau in 3 cijfers bij een standaardinstelling van de drukhoogtemeter. Vermeld de hoogte boven gemiddeld zeeniveau in meter, gevolgd door “METRES”, of in voet, gevolgd door “FEET” bij QNH. Vermeld “CLIMBING” (gevolgd door het niveau) bij klimmen of “DESCENDING” (gevolgd door het niveau) bij dalen naar een nieuw niveau na te zijn voorbijgekomen aan het significant punt.
Punt 5 —
VOLGENDE POSITIE EN GESCHAT TIJDSTIP BOVEN. Vermeld het volgende rapporteringspunt en het geschat tijdstip boven dat punt, of vermeld de geschatte positie die één uur later zal worden bereikt, volgens de geldende procedures voor het rapporteren van de positie. Gebruik de gegevensconventies van punt 2 voor het vermelden van de positie. Vermeld het geschatte tijdstip boven deze positie. Vermeld het tijdstip in uren en minuten UTC (4 cijfers), tenzij regionale luchtvaartnavigatieovereenkomsten voorschrijven dat het tijdstip moet worden vermeld in minuten na het uur (2 cijfers).
Punt 6 —
VOLGEND SIGNIFICANT PUNT. Vermeld het volgende significant punt na de “volgende positie en geschat tijdstip boven”.
Deel 2
Punt 7 —
GESCHAT TIJDSTIP VAN AANKOMST. Vermeld de naam van het luchtvaartterrein van de eerste geplande landing, gevolgd door het geschat tijdstip van aankomst op dit luchtvaartterrein in uren en minuten UTC (4 cijfers).
Punt 8 —
BRANDSTOFVOORRAAD. Vermeld “ENDURANCE”, gevolgd door de vliegtijd die de brandstofvoorraad toestaat in uren en minuten (4 cijfers).
Deel 3
Punt 9 —
FENOMEEN DAT AANLEIDING GEEFT TOT EEN SPECIAAL VLUCHTRAPPORT. Vermeld een van de volgende meegemaakte of waargenomen fenomenen:
—
matige turbulentie als “TURBULENCE MODERATE”;
hevige turbulentie als “TURBULENCE SEVERE”;
De volgende specificaties zijn van toepassing:
—
Matig — Omstandigheden waarin matige wijzigingen van de stand van het luchtvaartuig en/of hoogte boven gemiddeld zeeniveau kunnen voorkomen, maar waarin het luchtvaartuig te allen tijde onder controle blijft. Gewoonlijk kleine wijzigingen in de vliegsnelheid. Wijzigingen van 0,5 g tot 1,0 g in de stand van de versnellingsmeter in het zwaartepunt van het luchtvaartuig. Problemen bij het lopen. De inzittenden voelen de spanning van de veiligheidsgordels. Losse voorwerpen verschuiven.
—
Hevig — Omstandigheden waarin abrupte wijzigingen in de stand van het luchtvaartuig en/of altitude voorkomen; gedurende korte perioden kan de controle over het luchtvaartuig worden verloren. Gewoonlijk grote wijzigingen in de vliegsnelheid. Wijzigingen van meer dan 1,0 g in de stand van de versnellingsmeter in het zwaartepunt van het luchtvaartuig. De inzittenden worden hevig tegen de veiligheidsgordels gedrukt. Losse voorwerpen vliegen in het rond.
—
matige ijsvorming als “ICING MODERATE”;
ernstige ijsvorming als “ICING SEVERE”;
De volgende specificaties zijn van toepassing:
—
Matig — Omstandigheden waarin een wijziging van de koers en/of hoogte boven gemiddeld zeeniveau wenselijk kan worden geacht.
—
Ernstig — Omstandigheden waarin een onmiddellijke wijziging van de koers en/of hoogte boven gemiddeld zeeniveau essentieel wordt geacht.
—
zware mountainwave als “MOUNTAIN WAVE SEVERE”;
De volgende specificaties zijn van toepassing:
—
Zwaar — Omstandigheden waarin de daalstroom 3,0 m/s (600 ft/min) of meer bedraagt en/of zich hevige turbulentie voordoet.
—
onweer zonder hagel als “THUNDERSTORM”;
onweer met hagel als “THUNDERSTORM WITH HAIL”;
De volgende specificaties zijn van toepassing:
Vermeld alleen onweer dat:
—
achter nevel schuilgaat, of
—
omgeven is door wolken, of
—
wijdverspreid is, of
—
een buienlijn vormt.
—
hevige stofstorm of zandstorm als “DUSTSTORM HEAVY” of “SANDSTORM HEAVY”;
—
vulkanische aswolk als “VOLCANIC ASH CLOUD”;
—
pre-eruptieve vulkanische activiteit of vulkaanuitbarsting als “PRE-ERUPTION VOLCANIC ACTIVITY” of “VOLCANIC ERUPTION”;
De volgende specificaties zijn van toepassing:
In deze context betekent pre-eruptieve vulkanische activiteit ongewone en/of toenemende vulkanische activiteit die een voorteken kan zijn van een vulkaanuitbarsting.
—
goede remwerking als “BRAKING ACTION GOOD”;
—
goede tot gemiddelde remwerking als “BRAKING ACTION GOOD TO MEDIUM”;
—
gemiddelde remwerking als “BRAKING ACTION MEDIUM”;
—
gemiddelde tot slechte remwerking als “BRAKING ACTION MEDIUM TO POOR”;
—
slechte remwerking als “BRAKING ACTION POOR”;
—
heel slechte remwerking als “BRAKING ACTION LESS THAN POOR”.
De volgende specificaties zijn van toepassing:
Goed — De remvertraging is normaal voor de uitgeoefende wielremkracht en de richtingscontrole is normaal.
Goed tot gemiddeld — De remvertraging or richtingscontrole ligt tussen goed en gemiddeld.
Gemiddeld — De remvertraging is duidelijk beperkt voor de uitgeoefende wielremkracht, of de richtingscontrole is duidelijk beperkt.
Gemiddeld tot slecht — De remvertraging or richtingscontrole ligt tussen gemiddeld en slecht.
Slecht — De remvertraging is aanzienlijk beperkt voor de uitgeoefende wielremkracht, of de richtingscontrole is aanzienlijk beperkt.
Heel slecht — De remvertraging is minimaal tot onbestaand voor de uitgeoefende wielremkracht, of de richtingscontrole is onzeker.
2.2.
Informatie die wordt geregistreerd op het formulier voor de melding van vulkanische activiteit (VAR-model), is niet bestemd voor uitzending via radiotelefonie, maar moet bij aankomst op een luchtvaartterrein onverwijld door de exploitant of een bemanningslid worden gemeld aan de meteorologische dienst van het luchtvaartterrein. Als deze dienst niet gemakkelijk toegankelijk is, moet het ingevulde formulier overeenkomstig de lokale regelingen die zijn getroffen tussen MET- en ATS-verleners en de luchtvaartexploitant worden ingediend.
3. HET DOORSTUREN VAN MONDELING ONTVANGEN METEOROLOGISCHE INFORMATIE
Als ATS-eenheden speciale vluchtrapporten ontvangen, sturen ze deze onverwijld door naar het luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum (MWO) dat hen is toegewezen. Om te garanderen dat vluchtrapporten worden ingevoerd in geautomatiseerde systemen op de grond, worden de elementen van dergelijke rapporten verzonden volgens de hieronder gespecificeerde gegevensconventies en in de voorgeschreven volgorde.
—
GEADRESSEERDE. Vermeld het opgeroepen station en, indien nodig, of de berichten moeten worden doorgegeven.
—
TYPECODE VAN HET BERICHT. Vermeld “ARS” voor een speciaal vluchtbericht.
—
IDENTIFICATIE VAN HET LUCHTVAARTUIG. Vermeld de identificatie van het luchtvaartuig volgens de gegevensconventie die gespecificeerd is in punt 7 van het vliegplan, zonder spatie tussen de aanduiding van de exploitant en de registratie van het luchtvaartuig of de identificatie van de vlucht, indien gebruikt.
Deel 1
Punt 0 —
POSITIE. Vermeld de positie in breedtegraad (graden in 2 cijfers of graden en minuten in 4 cijfers, gevolgd, zonder spatie, door N of S) en lengtegraad (graden in 3 cijfers of graden en minuten in 5 cijfers, gevolgd, zonder spatie, door E of W), of als een significant punt dat geïdentificeerd is door een gecodeerde aanduiding (2 tot 5 karakters), of als een significant punt gevolgd door de magnetische peiling (3 cijfers) en de afstand in zeemijl (3 cijfers) vanaf dat punt. Vermeld “ABEAM” voor het significant punt, indien van toepassing.
Punt 1 —
TIJDSTIP. Vermeld het tijdstip in uren en minuten UTC (4 cijfers).
Punt 2 —
VLIEGNIVEAU OF HOOGTE BOVEN GEMIDDELD ZEENIVEAU. Vermeld “F”, gevolgd door 3 cijfers (bijv. “F310”) bij de rapportering van een vliegniveau. Vermeld de hoogte boven gemiddeld zeeniveau in meter, gevolgd door “M”, of in voet, gevolgd door “FT” bij de rapportering van een hoogte boven gemiddeld zeeniveau. Vermeld “ASC” (niveau) bij het klimmen of “DES” (niveau) bij het dalen.
Deel 3
Punt 9 —
FENOMEEN DAT AANLEIDING GEEFT TOT EEN SPECIAAL VLUCHTRAPPORT. Vermeld het fenomeen als volgt:
—
matige turbulentie als “TURB MOD”,
—
hevige turbulentie als “TURB SEV”,
—
matige ijsvorming als “ICE MOD”,
—
ernstige ijsvorming als “ICE SEV”,
—
zware mountainwave als “MTW SEV”,
—
onweer zonder hagel als TS”,
—
onweer met hagel als “TSGR”,
—
zware zandstorm als “HVY SS”,
—
zware stofstorm als “HVY DS”,
—
vulkanische aswolk als “VA CLD”,
—
pre-eruptieve vulkanische activiteit of een vulkaanuitbarsting als “VA”,
—
hagel als “GR”,
—
cumulonimbuswolken als “CB”.
VERZONDEN TIJDSTIP. Alleen vermelden als deel 3 wordt verzonden.
4. SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE DE MELDING VAN WINDSCHERING EN VULKANISCHE AS
4.1. Melding van windschering
4.1.1.
Wanneer bij waarnemingen vanuit luchtvaartuigen windschering wordt gemeld tijdens de klim- en naderingsfase van de vlucht, moet het luchtvaartuigtype worden vermeld.
4.1.2.
Wanneer in de naderings- of klimfase van de vlucht windschering werd gemeld of voorspeld, maar die omstandigheden zich niet hebben voorgedaan, dient de gezagvoerder de bevoegde eenheid voor luchtverkeersdiensten zo snel mogelijk op de hoogte te stellen tenzij de gezagvoerder heeft kunnen constateren dat een vorig luchtvaartuig de bevoegde eenheid voor luchtverkeersdiensten daarvan al op de hoogte heeft gesteld.
4.2. Melding van vulkanische activiteit na de vlucht
4.2.1.
Bij aankomst van een vlucht op een luchtvaartterrein moet de luchtvaartuigexploitant of een cockpitbemanningslid onverwijld een volledig ingevuld verslag over vulkanische activiteit bezorgen aan de meteorologische dienst van het luchtvaartterrein. Wanneer deze dienst niet eenvoudig te bereiken is voor aankomende cockpitbemanningsleden, moet het ingevulde formulier worden verwerkt overeenkomstig lokale regelingen die zijn getroffen tussen MET- en ATS-verleners en de luchtvaartexploitant.
4.2.2.
De meteorologische dienst van een luchtvaartterrein moet het ingevulde verslag over vulkanische activiteit na ontvangst onverwijld doorgeven aan het luchtvaartmeteorologisch observatiecentrum (MWO) dat verantwoordelijk is voor de meteorologische bewaking van het vluchtinformatiegebied waarin de vulkanische activiteit werd waargenomen.”.
22)
Aanhangsel 6 wordt vervangen door:
“„Aanhangsel 6
OPSTELLING VAN EEN VLUCHTPLAN
1. ICAO-modelformulier voor een vluchtplan
2. Instructies voor het invullen van het vluchtplanformulier
2.1. Algemeen
Volg nauwlettend de voorgeschreven formaten en de wijze van specificatie van de gegevens.
Begin met het invoeren van gegevens in de eerste daartoe bestemde ruimte. Indien er extra ruimte beschikbaar is, laat de ongebruikte ruimte dan leeg.
Vermeld alle tijdstippen in 4 cijfers UTC.
Vermeld geschatte verstreken tijdsduur in 4 cijfers (uren en minuten).
De gearceerde ruimte die voorafgaat aan punt 3 wordt ingevuld door ATS- en COM-diensten, tenzij de verantwoordelijkheid voor het opstellen van vluchtplanberichten is gedelegeerd.
2.2. Instructies voor het invoeren van ATS-gegevens
Vul de punten 7 tot en met 18 in en, indien de bevoegde autoriteit daarom verzoekt of dit anderszins noodzakelijk wordt geacht, punt 19, zoals hieronder aangegeven.
Punt 7: IDENTIFICATIE VAN HET LUCHTVAARTUIG
(MAXIMAAL 7 KARAKTERS)
VUL een van de volgende luchtvaartuigidentificaties in, met een maximum van 7 alfanumerieke tekens en zonder koppeltekens of symbolen:
a)
de ICAO-aanduiding voor de luchtvaartuigexploitant, gevolgd door de vluchtidentificatie (bv. KLM511, NGA213, JTR25) wanneer in radiotelefonie de door het luchtvaartuig te gebruiken roepnaam bestaat uit de ICAO-telefonieaanduiding voor de luchtvaartuigexploitant, gevolgd door de vluchtidentificatie (bv. KLM511, NIGERIA 213, JESTER 25), of
b)
de nationaliteit of het gemeenschappelijke merkteken en registratiekenteken van het luchtvaartuig (bv. EIAKO, 4XBCD, N2567GA), wanneer:
1)
in radiotelefonie de door het luchtvaartuig te gebruiken roepnaam bestaat uit alleen deze identificatie (bv. CGAJS), of voorafgegaan door de ICAO-telefonieaanduiding voor de luchtvaartuigexploitant (bv. BLIZZARD CGAJS);
2)
het luchtvaartuig is niet uitgerust met radio.
Punt 8: VLIEGVOORSCHRIFTEN EN TYPE VLUCHT (ÉÉN OF TWEE TEKENS)
Vliegvoorschriften
VUL een van de volgende letters in ter aanduiding van de categorie vliegvoorschriften waaraan de piloot voornemens is te voldoen:
I
–
indien het de bedoeling is dat de gehele vlucht wordt uitgevoerd onder IFR, of
V
–
indien het de bedoeling is dat de gehele vlucht wordt uitgevoerd onder VFR, of
Y
–
indien de vlucht aanvankelijk onder IFR wordt uitgevoerd, gevolgd door een of meer latere wijzigingen van de vliegvoorschriften, of
Z
–
indien de vlucht aanvankelijk onder VFR wordt uitgevoerd, gevolgd door een of meer latere wijzigingen van de vliegvoorschriften.
Vermeld in punt 15 het punt of de punten waarop een wijziging van de vliegvoorschriften wordt gepland.
Type vlucht
VUL een van de volgende letters in om het type vlucht aan te duiden indien de bevoegde autoriteit daarom verzoekt:
S
–
voor een geregelde luchtdienst;
N
–
voor een niet-geregelde luchtvervoersactiviteit;
G
–
voor general aviation;
M
–
voor een militaire vlucht;
X
–
voor andere dan een van de hierboven gedefinieerde categorieën.
Specificeer de status van een vlucht na de indicator STS in punt 18 of, indien nodig om andere redenen voor specifieke afhandeling door ATS aan te geven, vermeld de reden na de indicator RMK in punt 18.
Punt 9: AANTAL EN TYPE(N) LUCHTVAARTUIGEN EN ZOGTURBULENTIECATEGORIE
Aantal luchtvaartuigen (1 of 2 tekens)
VUL het aantal luchtvaartuigen in, indien er meer dan één luchtvaartuig is.
Type luchtvaartuig (2 tot 4 tekens)
VUL
de passende aanduiding in, zoals gespecificeerd in Doc 8643, Aanduidingen van luchtvaartuigtypes,
OF
indien een dergelijke aanduiding niet is toegekend, of in het geval van formatievluchten die meer dan één type omvatten, VUL ZZZZ in en SPECIFICEER in punt 18 de (nummers en) type(s) van de luchtvaartuigen voorafgegaan door TYP/
Zogturbulentiecategorie (1 teken)
VUL een schuine streep in, gevolgd door een van de volgende letters om de zogturbulentiecategorie van het luchtvaartuig aan te geven:
J
–
SUPER, om een luchtvaartuigtype aan te duiden dat als zodanig is gespecificeerd in ICAO Doc 8643, Aanduidingen van luchtvaartuigtypes, laatste uitgave;
H
–
HEAVY, om een luchtvaartuigtype met een gecertificeerde maximale startmassa van 136 000 kg of meer aan te duiden, met uitzondering van luchtvaartuigtypes die zijn opgenomen in ICAO Doc 8643 in de categorie SUPER (J);
M
–
MEDIUM, ter aanduiding van een luchtvaartuigtype met een gecertificeerde maximale startmassa van minder dan 136 000 kg maar meer dan 7 000 kg;
L
–
LIGHT, om een luchtvaartuigtype met een gecertificeerde maximale startmassa van 7 000 kg of minder aan te duiden.
Punt 10: UITRUSTING EN CAPACITEITEN
De capaciteiten omvatten de volgende elementen:
a)
de aanwezigheid van relevante bruikbare uitrusting aan boord van het luchtvaartuig;
b)
uitrusting en capaciteiten die in overeenstemming zijn met de kwalificaties van het cockpitpersoneel, en
c)
indien van toepassing, toestemming van de bevoegde autoriteit.
Apparatuur en capaciteiten voor radionavigatie, navigatie en naderingshulp
VUL één letter in, als volgt:
N
–
indien er geen COM/NAV/naderingshulpapparatuur voor de te vliegen route aan boord is of de apparatuur onbruikbaar is, of
S
–
indien er standaard-COM/NAV/naderingshulpapparatuur voor de te vliegen route aan boord is en de apparatuur bruikbaar is, en/of
VUL een of meer van de volgende letters in om aan te geven welke bruikbare COM/NAV/naderingshulpapparatuur en capaciteiten beschikbaar zijn:
A
GBAS-landingssysteem
J7
CPDLC FANS 1/A SATCOM (Iridium)
B
LPV (APV met SBAS)
K
MLS
C
Loran C
L
ILS
D
DME
M1
ATC SATVOICE (INMARSAT)
E1
FMC WPR ACARS
M2
ATC SATVOICE (MTSAT)
E2
D-FIS ACARS
M3
ATC SATVOICE (Iridium)
E3
F
PDC ACARS
ADF
O
VOR
G
GNSS. Indien een deel van de vlucht volgens plan zal worden uitgevoerd onder IFR, verwijst het naar GNSS-ontvangers die voldoen aan ICAO-bijlage 10, volume I
P1
CPDLC RCP 400
P2
CPDLC RCP 240
P3
SATVOICE RCP 400
H
HF RTF
P4-P9
Gereserveerd voor RCP
I
Traagheidsnavigatie
R
PBN-gekeurd
J1
CPDLC ATN VDL Mode 2
T
TACAN
J2
CPDLC FANS 1/A HFDL
U
UHF RTF
J3
CPDLC FANS 1/A VDL Mode A
V
VHF RTF
J4
CPDLC FANS 1/A VDL Mode 2
W
RVSM-gekeurd
J5
CPDLC FANS 1/A SATCOM (INMARSAT)
X
MNPS-gekeurd
J6
CPDLC FANS 1/A
SATCOM (MTSAT)
Y
VHF met mogelijkheid tot 8,33kHz-kanaalafstand
Z
Andere uitrusting of andere capaciteiten aan boord
Alfanumerieke tekens die hierboven niet zijn vermeld, zijn gereserveerd.
Surveillanceapparatuur en -capaciteiten
VUL
N in indien er geen surveillanceapparatuur voor de te vliegen route aan boord is of de apparatuur onbruikbaar is,
OF
VUL
een of meer van de volgende beschrijvingen in, met een maximum van 20 tekens, om de bruikbare surveillanceapparatuur en/of -capaciteiten aan boord te beschrijven:
SSR Modes A en C
A —
–
Transponder — Mode A (4 tekens — 4 096 codes)
C —
–
Transponder — Mode A (4 tekens — 4 096 codes) en Mode C
SSR Mode S
E —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van luchtvaartuigidentificatie, drukhoogte en extended-squittercapaciteit (ADS-B)
H —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van luchtvaartuigidentificatie, drukhoogte en versterkte surveillancecapaciteit
I —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van luchtvaartuigidentificatie, maar geen drukhoogtecapaciteit
L —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van luchtvaartuigidentificatie, drukhoogte, extended-squittercapaciteit (ADS-B) en versterkte surveillancecapaciteit
P —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van drukhoogte, maar geen capaciteit voor luchtvaartuigidentificatie
S —
–
Transponder — Mode S, met inbegrip van capaciteit voor drukhoogte en luchtvaartuigidentificatie
X —
–
Transponder — Mode S, zonder luchtvaartuigidentificatie en drukhoogtecapaciteit
ADS-B
B1 —
–
ADS-B met specifieke 1 090 MHz ADS-B “out”-capaciteit
B2 —
–
ADS-B met specifieke 1 090 MHz ADS-B “out”- en “in”-capaciteit
U1 —
–
ADS-B “out”-capaciteit met gebruikmaking van UAT
U2 —
–
ADS-B “out”- en “in”-capaciteit met gebruikmaking van UAT
V1 —
–
ADS-B “out”-capaciteit met gebruikmaking van VDL Mode 4
V2 —
–
ADS-B “out”- en “in”-capaciteit met gebruikmaking van VDL Mode 4
ADS-C
D1 —
–
ADS-C met FANS 1/A-capaciteit
G1 —
–
ADS-C met ATN-capaciteit
Alfanumerieke tekens die hierboven niet zijn vermeld, zijn gereserveerd.
Punt 13: LUCHTVAARTTERREIN EN TIJDSTIP VAN VERTREK (8 TEKENS)
VUL
de 4-letterige ICAO-plaatsindicator van het luchtvaartterrein van vertrek in, zoals gespecificeerd in Doc 7910, Location Indicators;
OF,
indien er geen plaatsindicator is toegekend,
VUL ZZZZ in en SPECIFICEER, in punt 18:
—
de naam en locatie van het luchtvaartterrein, voorafgegaan door DEP/, of
—
het eerste punt van de route of het markeerradiobaken, voorafgegaan door DEP/…, indien het luchtvaartuig niet van een luchtvaartterrein is vertrokken,
OF,
indien het vluchtplan wordt ontvangen van een luchtvaartuig tijdens de vlucht,
VUL
AFIL in en SPECIFICEER, in punt 18, de 4-letterige ICAO-plaatsindicator van de locatie van de ATS-eenheid waar aanvullende vluchtplangegevens kunnen worden verkregen, voorafgegaan door DEP/.
VERVOLGENS, ZONDER SPATIE,
VUL
voor een vluchtplan dat vóór vertrek wordt ingediend, het geschatte tijdstip van vertrek van de standplaats (EOBT) in,
OF,
voor een vluchtplan dat tijdens de vlucht is ontvangen van een luchtvaartuig, de werkelijke of geschatte tijd op het eerste punt van de route waarop het vluchtplan van toepassing is.
Punt 15: ROUTE
VUL
de eerste kruissnelheid in zoals in a) en het eerste kruisniveau zoals in b), zonder spatie tussen beide.
VUL VERVOLGENS,
na de pijl, de routebeschrijving zoals in c) in.
a)
Kruissnelheid (maximaal 5 tekens)
VUL
de ware vliegsnelheid in voor het eerste of het volledige kruisgedeelte van de vlucht, in termen van:
Kilometers per uur, uitgedrukt als K, gevolgd door 4 cijfers (bv. K0830), of
Knopen, uitgedrukt als N, gevolgd door 4 cijfers (bv. N0485), of
indien de bevoegde autoriteit dit voorschrijft, het werkelijke Mach-cijfer, tot op een honderdste van een Mach, uitgedrukt als M, gevolgd door 3 cijfers (bv. M082).
b)
Kruisniveau (maximaal 5 tekens)
VUL
het geplande kruisniveau in voor het eerste of het volledige gedeelte van de te vliegen route, in termen van:
Vliegniveau, uitgedrukt als F, gevolgd door 3 cijfers (bv. F085, F330), of
Standaard metriek niveau in tientallen meters, indien voorgeschreven door de bevoegde autoriteit, uitgedrukt als S, gevolgd door 4 cijfers (bv. S1130), of
Altitude in honderden voet, uitgedrukt als A, gevolgd door 3 cijfers (bv. A045, A100), of
Altitude in tientallen meters, uitgedrukt als M, gevolgd door 4 cijfers (bv. M0840), of
voor ongecontroleerde VFR-vluchten, de letters VFR.
c)
Route (met inbegrip van wijzigingen van snelheidsniveau en/of vliegvoorschriften)
Vluchten langs aangewezen ATS-routes
ALS HET
luchtvaartterrein van vertrek gelegen is op of verbonden is met de ATS-route, VUL dan de aanduiding van de eerste ATS-route in,
OF,
als het luchtvaartterrein van vertrek niet op of verbonden is met de ATS-route, de letters DCT gevolgd door het punt van aansluiting bij de eerste ATS-route, gevolgd door de aanduiding van de ATS-route.
VUL VERVOLGENS
elk punt in waarop het begin van een wijziging van de snelheid en/of het niveau is gepland, dan wel een wijziging van de ATS-route en/of een wijziging van de vliegvoorschriften is gepland,
IN ELK GEVAL GEVOLGD
door de aanduiding van het volgende ATS-routesegment, zelfs indien het hetzelfde is als het vorige;
OF
door DCT, indien de vlucht naar het volgende punt buiten een aangeduide route valt, tenzij beide punten door geografische coördinaten worden gedefinieerd.
Vluchten buiten aangeduide ATS-routes
VUL
punten in die normaliter niet meer dan 30 minuten vliegtijd of 370 km (200 NM) uit elkaar liggen, met inbegrip van elk punt waarop een verandering van snelheid of niveau, een wijziging van de koers of een wijziging van vliegvoorschriften is gepland,
OF,
op verzoek van (een) bevoegde autoriteit(en),
DEFINIEER
de koers van vluchten die voornamelijk in oost-westrichting tussen 70 °NB en 70 °ZB worden uitgevoerd, onder verwijzing naar significante punten die gevormd worden door de snijpunten van de halve of volledige breedtegraad met meridianen op een afstand van 10 graden lengtegraad. Voor vluchten in gebieden buiten deze breedtegraden wordt de koers gedefinieerd door significante punten die worden gevormd door het snijpunt van breedtegraadparallellen met lengtegraden die gewoonlijk 20° lengtegraad uit elkaar liggen. De afstand tussen significante punten mag, voor zover mogelijk, niet meer bedragen dan 1 uur vliegtijd. Indien nodig worden aanvullende significante punten vastgesteld.
Voor vluchten die voornamelijk in noord-zuidrichting worden uitgevoerd, definieer de koers aan de hand van significante punten die worden gevormd door het snijpunt van hele lengtegraden met gespecificeerde breedtegraadparallellen die 5° uit elkaar liggen.
VUL
DCT in tussen opeenvolgende punten, tenzij beide punten worden bepaald door geografische coördinaten of door de richting en de afstand.
GEBRUIK ALLEEN de conventies in (1) tot en met (5) hieronder en SCHEID elk subpunt met een spatie.
(1)
ATS-route (2 tot 7 tekens)
De gecodeerde aanduiding die is toegekend aan de route of het routesegment, in voorkomend geval met inbegrip van de gecodeerde aanduiding die is toegekend aan de standaard vertrek- of aankomstroute (bv. BCN1, Bl, R14, UB10, KODAP2A).
(2)
Significant punt (2 tot 11 tekens)
De gecodeerde aanduiding (2 tot 5 tekens) die aan het punt is toegekend (bv. LN, MAY, HADDY),
of, indien geen gecodeerde aanduiding is toegekend, een van de volgende wijzen:
—
Alleen graden (7 tekens):
2 cijfers die de breedtegraad in graden beschrijven, gevolgd door “N” (Noord) of “S” (Zuid), gevolgd door 3 cijfers die de lengtegraad in graden beschrijven, gevolgd door “E” (Oost) of “W” (West). Vul zo nodig het juiste aantal cijfers in door nullen in te voegen, bv. 46N078W.
—
Graden en minuten (11 tekens):
4 cijfers die de breedtegraad beschrijven in graden en tientallen en eenheden van minuten, gevolgd door “N” (Noord) of “S” (Zuid), gevolgd door 5 cijfers die de lengtegraad beschrijven in graden en tientallen en eenheden van minuten, gevolgd door “E” (Oost) of “W” (West). Vul zo nodig het juiste aantal cijfers in door nullen in te voegen, bv. 4620N07805W.
—
Richting en afstand tot een referentiepunt:
De identificatie van het referentiepunt, gevolgd door de richting vanaf het punt in de vorm van 3 cijfers voor magnetische graden, gevolgd door de afstand vanaf het punt in de vorm van 3 cijfers die zeemijl uitdrukken. In gebieden met een hoge breedtegraad waar door de bevoegde autoriteit is vastgesteld dat de verwijzing naar magnetische graden onpraktisch is, mogen werkelijke graden worden gebruikt. Vul zo nodig het juiste aantal cijfers aan door nullen in te voegen — bv. een punt in een richting van 180 magnetische graden op een afstand van 40 NM van VOR “DUB” moet worden uitgedrukt als DUB180040.
(3)
Verandering van snelheid of niveau (maximaal 21 tekens)
Het punt waarop het begin van een wijziging van de snelheid (5 % TAS of 0,01 Mach of meer) is gepland, exact uitgedrukt als in punt 2) hierboven, gevolgd door een schuine streep en zowel de kruissnelheid als het kruisniveau, exact uitgedrukt als in punten a) en b) hierboven, zonder spatie tussen beide, zelfs wanneer slechts één van deze waarden wordt gewijzigd.
Voorbeelden:
LN/N0284A045
MAY/N0305Fl80
HADDY/N0420F330
4602N07805W/N0500F350
46N078W/M082F330
DUB180040/N0350M0840
(4)
Verandering van vliegvoorschriften (maximaal 3 tekens)
Het punt waarop de wijziging van vluchtregels wordt gepland, exact uitgedrukt als in punt 2) of punt 3) hierboven, gevolgd door een spatie en een van de volgende:
VFR indien van IFR naar VFR
IFR indien van VFR naar IFR
Voorbeelden:
LN VFR
LN/N0284A050 IFR
(5)
Klim naar kruisniveau (maximaal 28 tekens)
De letter C gevolgd door een schuine streep; DAARNA het punt waarop de klim naar het kruisniveau volgens plan zal beginnen, exact uitgedrukt als in punt 2) hierboven, gevolgd door een schuine streep; DAARNA de snelheid die tijdens de klim naar het kruisniveau moet worden aangehouden, exact uitgedrukt als in punt a) hierboven, gevolgd door de twee niveaus die de tijdens de klim naar het kruisniveau in te nemen laag definiëren, waarbij elk niveau exact als in punt b) hierboven wordt uitgedrukt, of het niveau boven hetwelk de klim naar het kruisniveau is gepland, gevolgd door de letters PLUS, zonder spatie ertussen.
Voorbeelden:
C/48N050W/M082F290F350
C/48N050W/M082F290PLUS
C/52N050W/M220F580F620
Punt 16: BESTEMMINGSLUCHTVAARTTERREIN EN TOTALE GESCHATTE VERSTREKEN TIJD, BESTEMMINGSUITWIJKLUCHTVAARTTERREIN(EN)
Bestemmingsluchtvaartterrein en totale verstreken tijd (8 tekens)
VUL
de 4-letterige ICAO-plaatsindicator van het bestemmingsluchtvaartterrein in, zoals gespecificeerd in Doc 7910, Location Indicators,
OF,
indien er geen plaatsindicator is toegekend,
VUL ZZZZ in en SPECIFICEER in punt 18 de naam en de locatie van het luchtvaartterrein, voorafgegaan door DEST/.
VERVOLGENS, ZONDER SPATIE
VUL
de totale geschatte verstreken tijd in.
Bestemmingsuitwijkluchtvaartterrein
VUL
de 4-letterige ICAO plaatsindicator(en) in voor niet meer dan twee bestemmingsluchtvaartterreinen, zoals gespecificeerd in Doc 7910, Location Indicators, gescheiden door een spatie,
OF,
indien er geen plaatsindicator is toegewezen aan het/de bestemmingsuitwijkluchtvaartterrein(en),
VUL
ZZZZ in en SPECIFICEER in punt 18 de naam en de locatie van het bestemmingsuitwijkluchtvaartterrein, voorafgegaan door ALTN/.
Punt 18: OVERIGE INFORMATIE
Koppeltekens of schuine strepen mogen alleen worden gebruikt zoals hieronder voorgeschreven.
VUL
0 (nul) in indien er geen andere informatie is,
OF
alle andere noodzakelijke informatie in de hieronder aangegeven volgorde, in de vorm van de geschikte indicator die wordt gekozen uit de hieronder gedefinieerde indicatoren, gevolgd door een schuine streep en de te registreren informatie:
STS/
Reden voor speciale behandeling door ATS, bijvoorbeeld een opsporings- en reddingsmissie, als volgt:
ALTRV:
voor een vlucht die wordt uitgevoerd in overeenstemming met een hoogtereservering;
ATFMX:
voor een vlucht waarvoor de bevoegde autoriteit vrijstelling van ATFM-maatregelen heeft verleend;
FFR:
brandbestrijding;
FLTCK:
vluchtcontrole voor kalibratie van navigatiehulpmiddelen;
HAZMAT:
voor een vlucht met gevaarlijke materialen aan boord;
HEAD:
een vlucht met de status van staatshoofd;
HOSP:
voor een door de medische autoriteiten opgegeven medische vlucht;
HUM:
voor een vlucht in het kader van een humanitaire missie;
MARSA:
voor een vlucht waarvoor een militaire entiteit de verantwoordelijkheid voor de separatie van militaire luchtvaartuigen op zich neemt;
MEDEVAC:
voor een medische noodevacuatie waarbij mensenlevens op het spel staan;
NONRVSM:
voor een in RVSM-luchtruim geplande vlucht die niet geschikt is voor RVSM;
SAR:
voor een vlucht die betrokken is bij een opsporings- en reddingsmissie, en
STATE:
voor een vlucht voor militaire, douane- of politiediensten.
Andere redenen voor speciale behandeling door ATS moeten onder de aanduiding “RMK/” worden vermeld.
PBN/
Indicatie van RNAV- en/of RNP-capaciteiten. Vul maximaal 8 beschrijvingen in die van toepassing zijn op de vlucht, d.w.z. maximaal 16 tekens.
RNAV-SPECIFICATIES
A1
RNAV 10 (RNP 10)
C1
RNAV 2 alle toegestane sensoren
C2
RNAV 2 GNSS
B1
RNAV 5 alle toegestane sensoren
C3
RNAV 2 DME/DME
B2
RNAV 5 GNSS
C4
RNAV 2 DME/DME/IRU
B3
RNAV 5 DME/DME
B4
RNAV 5 VOR/DME
D1
RNAV 1 alle toegestane sensoren
B5
RNAV 5 INS of IRS
D2
RNAV 1 GNSS
B6
RNAV 5 LORANC
D3
RNAV 1 DME/DME
D4
RNAV 1 DME/DME/IRU
RNP-SPECIFICATIES
L1
RNP 4
S1
RNP APCH
S2
RNP APCH met BARO-VNAV
O1
Basis-RNP 1 alle toegestane sensoren
O2
Basis-RNP 1 GNSS
T1
RNP AR APCH met RF (speciale vergunning vereist)
O3
Basis-RNP 1 DME/DME
T2
RNP AR APCH zonder RF (speciale vergunning vereist)
O4
Basis-RNP 1 DME/DME/IRU
Combinaties van alfanumerieke tekens die hierboven niet zijn vermeld, zijn gereserveerd.
NAV/
Andere dan in PBN/gespecificeerde significante gegevens met betrekking tot navigatieapparatuur, zoals vereist door de bevoegde autoriteit.
Vermeld GNSS-augmentatie onder deze indicator, met een spatie tussen twee of meer augmentatiemethoden, bv. NAV/GBAS SBAS.
Vermeld EURPRNAV als het goedgekeurde P-RNAV van het luchtvaartuig uitsluitend gebaseerd is op VOR/DME voor de bepaling van de positie.
COM/
Vermeld communicatieapparatuur en -mogelijkheden die niet in punt 10, a), zijn gespecificeerd.
DAT/
Vermeld datacommunicatieapparatuur en -mogelijkheden die niet zijn gespecificeerd in punt 10, a), of “CPDLCX” om aan te geven dat vrijstelling is verleend van de eis om met CPDLC-ATN-B1 te zijn uitgerust.
SUR/
Vermeld de surveillanceapparatuur en -mogelijkheden die niet in punt 10, b), zijn vermeld. Vermeld alle RSP-specificaties die van toepassing zijn op de vlucht, met aanduiding(en) zonder spatie. Meerdere RSP-specificaties worden gescheiden door een spatie. Voorbeeld: RSP180 RSP400.
Vul EUADSBX, EUEHSX, EUELSX, of een combinatie daarvan in om aan te geven welke vrijstellingen zijn verleend van de eis om met SSR Mode S-transponders of ADS-B-zenders te zijn uitgerust.
DEP/
Naam en locatie van het luchtvaartterrein van vertrek, indien ZZZZ is ingevuld in punt 13, of de ATS-eenheid waar aanvullende vluchtplangegevens kunnen worden verkregen, indien AFIL is ingevuld in punt 13. Voor luchtvaartterreinen die niet in de desbetreffende luchtvaartgids zijn opgenomen, vermeld de locatie als volgt:
Met 4 cijfers die de breedtegraad beschrijven in graden en tientallen en eenheden van minuten, gevolgd door “N” (Noord) of “S” (Zuid), gevolgd door 5 cijfers die de lengtegraad beschrijven in graden en tientallen en eenheden van minuten, gevolgd door “E” (Oost) of “W” (West). Vul zo nodig het juiste aantal cijfers aan door nullen in te voegen, bv. 4620N07805W (11 tekens).
OF,
Richting en afstand tot het dichtstbijzijnde significante punt, als volgt:
De identificatie van het significante punt, gevolgd door de richting vanaf het punt in de vorm van 3 cijfers voor magnetische graden, gevolgd door de afstand vanaf het punt in de vorm van 3 cijfers die zeemijl (NM) uitdrukken. In gebieden met een hoge breedtegraad waar door de bevoegde autoriteit is vastgesteld dat de verwijzing naar magnetische graden onpraktisch is, mogen werkelijke graden worden gebruikt. Vul zo nodig het juiste aantal cijfers aan door nullen in te voegen — bv. een punt in een richting van 180 magnetische graden op een afstand van 40 NM van VOR “DUB” moet worden uitgedrukt als DUB180040.
OF,
Het eerste punt van de route (naam of LAT/LONG) of het markeerradiobaken, als het luchtvaartuig niet vanop een luchtvaartterrein is opgestegen.
DEST/
Naam en locatie van het bestemmingsluchtvaartterrein, als ZZZZ is ingevuld in punt 16. Vermeld voor luchtvaartterreinen die niet zijn opgenomen in de desbetreffende luchtvaartgids de locatie in LAT/LONG of de richting en afstand tot het dichtstbijzijnde significante punt, zoals beschreven onder DEP/hierboven.
DOF/
De datum van vertrek van de vlucht in een formaat van 6 tekens (YYMMDD, waarbij YY het jaar is, MM de maand en DD de dag).
REG/
De nationaliteit of het gemeenschappelijk merkteken en registratiekenteken van het luchtvaartuig, indien verschillend van de luchtvaartuigidentificatie in punt 7.
EET/
Significante punten of FIR-grensaanduidingen en geaccumuleerde geschatte verstreken tijden vanaf het opstijgen tot aan dergelijke punten of FIR-grenzen, indien voorgeschreven op basis van regionale luchtvaartnavigatieovereenkomsten of door de bevoegde autoriteit.
Voorbeelden:
EET/CAP0745 XYZ0830
EET/EINN0204
SEL/
SELCAL-code, voor luchtvaartuigen die daarmee zijn uitgerust.
TYP/
Luchtvaartuigtype(s), indien nodig zonder spatie voorafgegaan door een of meer luchtvaartuignummers en gescheiden door één spatie indien ZZZZ is ingevuld in punt 9.
Voorbeeld:
TYP/2F15 5F5 3B2
CODE/
Luchtvaartuigadres (uitgedrukt als een alfanumerieke code van 6 hexadecimale tekens), indien vereist door de bevoegde autoriteit. Voorbeeld: “F00001” is het laagste luchtvaartuigadres in het specifieke blok dat door de ICAO wordt beheerd.
DLE/
En-routevertraging of -wachten, vul het (de) significante punt(en) in op de route waar een vertraging gepland staat, gevolgd door de lengte van de vertraging in 4 cijfers die de tijd in uren en minuten (hhmm) aangeven.
Voorbeeld:
DLE/MDG0030
OPR/
ICAO-aanduiding of naam van de luchtvaartuigexploitant, indien verschillend van de luchtvaartuigidentificatie in punt 7.
ORGN/
Het 8-letterige AFTN-adres van de opsteller of andere relevante contactgegevens, in gevallen waarin de opsteller van het vluchtplan niet gemakkelijk kan worden geïdentificeerd, zoals vereist door de bevoegde autoriteit.
PER/
Gegevens over de prestaties van het luchtvaartuig, aangegeven door één letter, zoals gespecificeerd in de Procedures for Air Navigation Services — Aircraft Operations (PANS-OPS, Doc 8168), Volume I — Flight Procedures, indien voorgeschreven door de bevoegde autoriteit.
ALTN/
Naam van het (de) bestemmingsuitwijkluchtvaartterrein(en), als ZZZZ is ingevuld in punt 16. Vermeld voor luchtvaartterreinen die niet zijn opgenomen in de desbetreffende luchtvaartgids de locatie in LAT/LONG of de richting en afstand tot het dichtstbijzijnde significante punt, zoals beschreven in DEP/hierboven.
RALT/
Vierletterige ICAO-aanduiding(en) voor en-route-uitwijkluchtvaartterrein(en), zoals gespecificeerd in Doc 7910, Location Indicators, of na(a)m(en) van (het) en-route-uitwijkluchtvaartterrein(en), indien geen aanduiding is toegewezen. Vermeld voor luchtvaartterreinen die niet zijn opgenomen in de desbetreffende luchtvaartgids de locatie in LAT/LONG of de richting en afstand tot het dichtstbijzijnde significante punt, zoals beschreven in DEP/hierboven.
TALT/
Vierletterige ICAO-aanduiding(en) voor startuitwijkluchtvaartterrein, zoals gespecificeerd in Doc 7910, Location Indicators, of naam van het startuitwijkluchtvaartterrein, indien geen aanduiding is toegewezen. Vermeld voor luchtvaartterreinen die niet zijn opgenomen in de desbetreffende luchtvaartgids de locatie in LAT/LONG of de richting en afstand tot het dichtstbijzijnde significante punt, zoals beschreven in DEP/hierboven.
RIF/
De gegevens van de route naar het alternatieve bestemmingsluchtvaartterrein, gevolgd door de 4-letterige ICAO-plaatsindicator van het luchtvaartterrein. Voor de herziene route moet tijdens de vlucht opnieuw klaring worden gegeven.
Voorbeelden:
RIF/DTA HEC KLAX
RIF/ESP G94 CLA YPPH
RVR/
Vereiste minimale zichtbare baanlengte voor de vlucht, uitgedrukt in 3 cijfers.
RFP/
Vermelding van het nummer van de vervangende vluchtplannen die zijn ingediend in het formaat “Q”, gevolgd door 1 cijfer dat de herhaling van de vervanging aangeeft.
Voorbeelden:
RFP/Q2.
RMK/
Eventuele andere opmerkingen in gewone taal wanneer de bevoegde autoriteit dat verlangt of noodzakelijk acht.
Punt 19: AANVULLENDE INFORMATIE
Brandstofautonomie
Na E/
VUL een groep van 4 cijfers in die de brandstofautonomie in uren en minuten aangeeft.
Personen aan boord
Na P/
VUL het totale aantal personen aan boord in (passagiers en bemanning), indien vereist door de bevoegde autoriteit. VUL TBN in (“To Be Notified”) indien het totale aantal personen niet bekend is op het moment van indiening.
Nood- en overlevingsuitrusting
R/
(RADIO) U SCHRAPPEN indien UHF op frequentie 243,0 MHz niet beschikbaar is.
V SCHRAPPEN indien VHF op frequentie 121,5 MHz niet beschikbaar is.
E SCHRAPPEN indien er geen plaatsaanduidende noodzender (ELT) beschikbaar is.
S/(OVERLEVINGSUITRUSTING)
alle indicatoren SCHRAPPEN als er geen overlevingsuitrusting aan boord is.
P SCHRAPPEN als er geen polaire overlevingsuitrusting aan boord is.
D SCHRAPPEN als er geen woestijnoverlevingsuitrusting aan boord is.
M SCHRAPPEN als er geen maritieme overlevingsuitrusting aan boord is.
J SCHRAPPEN als er geen jungleoverlevingsuitrusting aan boord is.
J/(VESTEN)
Alle indicatoren SCHRAPPEN als er geen reddingsvesten aan boord zijn.
L SCHRAPPEN als de reddingsvesten niet met lichten zijn uitgerust.
F SCHRAPPEN als de reddingsvesten niet voorzien zijn van fluoresceïne.
U of V of beide SCHRAPPEN, zoals in R/ hierboven, om aan te geven of de vesten, indien aanwezig, over radiocapaciteit beschikken.
D/(REDDINGSBOTEN)
(AANTAL)
Aanduidingen D en C SCHRAPPEN indien er geen reddingsboten aan boord zijn, of
VUL IN hoeveel reddingsboten er aan boord zijn, en
(CAPACITEIT) — VUL de totale capaciteit, in personen, in van alle reddingsboten aan boord, en
(OVERKAPPING) — SCHRAP indicator C als de reddingsboten niet overkapt zijn, en
(KLEUR) — VUL de kleur van de reddingsboten in, indien aanwezig.
A/(KLEUR EN MERKTEKENS VAN HET LUCHTVAARTUIG)
VUL de kleur van het luchtvaartuig en de belangrijke merktekens in.
N/(OPMERKINGEN)
SCHRAP indicator N indien er geen opmerkingen zijn, of VERMELD alle andere overlevingsuitrusting aan boord en eventuele andere opmerkingen over overlevingsuitrusting.
C/(PILOOT)
VUL de naam van de gezagvoerder in.
2.3. Ingediend door
VUL
de naam in van de eenheid, het agentschap of de persoon die het vluchtplan indient.