Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022R1172

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties

C/2022/2789

PB L 183 van 8.7.2022, pp. 12–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 01/01/2023

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1172/oj

8.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/12


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1172 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2022

tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (1), en met name artikel 74, artikel 85, lid 7, en artikel 105,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2021/2116 bevat de basisregels voor onder meer het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (“geïntegreerd systeem”) en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties. Met het oog op een soepele werking van het nieuwe rechtskader moeten bepaalde voorschriften worden vastgesteld ter aanvulling van de bepalingen van die verordening op de betrokken gebieden.

(2)

De regels voor het geïntegreerd systeem en voor de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties moeten zorgen voor een efficiënt controlesysteem voor de regels die de lidstaten en de begunstigden in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) moeten toepassen, en moeten daarom in één gedelegeerde handeling worden vastgelegd. Deze nieuwe regels moeten in de plaats komen van de desbetreffende bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie (2).

(3)

Met name zijn er voorschriften nodig ter aanvulling van bepaalde niet-essentiële onderdelen van Verordening (EU) 2021/2116 met betrekking tot de werking van het in artikel 65 van die verordening bedoelde geïntegreerd systeem, alsmede voorschriften voor de in artikel 68, lid 3, artikel 69, lid 6, en artikel 70, lid 2, van die verordening bedoelde kwaliteitsbeoordelingen, voorschriften voor het in artikel 68 van die verordening bedoelde identificatiesysteem voor landbouwpercelen en nadere voorschriften voor de in artikel 85 van die verordening bedoelde toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties.

(4)

Het identificatiesysteem voor landbouwpercelen moet waardevolle, uitgebreide en betrouwbare informatie opleveren die voor de verslaglegging over beleidsprestaties van belang is, tot een efficiënte uitvoering van de areaalgebonden interventies bijdraagt en begunstigden helpt bij het indienen van een correcte steunaanvraag. Met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen zijn er regels nodig ter verduidelijking van de door de lidstaten te volgen technische vereisten en van de wijze waarop de beschikbare informatie moet worden gestructureerd en bijgewerkt.

(5)

Om de lidstaten in staat te stellen mogelijke zwakke punten in het geïntegreerd systeem proactief te achterhalen en zo nodig passende corrigerende actie te ondernemen, zijn er voorschriften nodig voor de jaarlijkse kwaliteitsbeoordeling van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen, van het geospatiale aanvraagsysteem en van het areaalmonitoringsysteem. Uit de ervaring die is opgedaan met de kwaliteitsbeoordeling van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen uit hoofde van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014, is gebleken dat de opstelling van technische richtsnoeren door de Commissie in dit verband bijzonder nuttig is. Dergelijke technische richtsnoeren bieden de lidstaten een handvat om een aangepaste methodiek voor hun beoordelingen toe te passen. Gezien het belang van de kwaliteitsbeoordelingen voor een goed werkend geïntegreerd systeem dat betrouwbare en verifieerbare gegevens voor de jaarlijkse prestatieverslaglegging verschaft, moet de Commissie de lidstaten op soortgelijke wijze bijstaan bij het uitvoeren van de kwaliteitsbeoordelingen waarin Verordening (EU) 2021/2116 voorziet.

(6)

Bij de kwaliteitsbeoordelingen moet worden nagegaan of het geïntegreerd systeem aan zijn doel beantwoordt, namelijk het leveren van betrouwbare, uitgebreide informatie die van belang is voor de jaarlijkse prestatierapportage, zoals vereist op grond van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2021/2116, en met name het correcte aantal hectaren voor de outputindicatoren en het correcte percentage arealen voor de resultaatindicatoren van areaalgebonden interventies. Daarvoor is het nodig dat de resultaten van de kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem en het geospatiale aanvraagsysteem worden gecombineerd om te voorkomen dat dit effect wordt overschat wanneer bij arealen zowel foute metingen zijn gedaan als onjuiste besluiten over de subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn genomen. Daartoe moet de verificatie van het opgegeven areaal bij de kwaliteitsbeoordeling van het geospatiale aanvraagsysteem worden gebaseerd op dezelfde steekproef van percelen als die voor de kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem.

(7)

Daarnaast moet de kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem ervoor zorgen dat de resultaten van alle lidstaten onderling vergelijkbaar zijn, ongeacht de mogelijkheid om een volledig operationeel areaalmonitoringsysteem pas later in te voeren. Deze kwaliteitsbeoordeling moet derhalve alle areaalgebonden interventies en de desbetreffende subsidiabiliteitsvoorwaarden omvatten, ongeacht of de lidstaat besluit om pas vanaf 1 januari 2024 over een volledig operationeel areaalmonitoringsysteem te beschikken, als bedoeld in artikel 70, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2116. De kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem moet op het niveau van zowel de interventies als de subsidiabiliteitsvoorwaarden diagnostische informatie opleveren op basis waarvan de lidstaten waar nodig passende corrigerende actie moeten ondernemen.

(8)

Duidelijkheidshalve en met het oog op de vaststelling van een geharmoniseerde grondslag voor de berekening en toepassing van administratieve conditionaliteitssancties zijn er gemeenschappelijke definities en algemene beginselen inzake niet-naleving nodig.

(9)

Verordening (EU) 2021/2116 bepaalt dat bij de vaststelling van administratieve conditionaliteitssancties het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen. Verlagingen en uitsluitingen moeten derhalve worden gedifferentieerd naargelang van de ernst van de niet-naleving en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van de begunstigde van alle betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van die verordening in geval van opzettelijke niet-naleving. Om begunstigden rechtszekerheid te bieden, moet een termijn voor de toepassing van administratieve sancties worden ingevoerd.

(10)

Artikel 85, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2116 bepaalt dat de administratieve conditionaliteitssanctie moet worden berekend op basis van de betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen of betalingsclaims die zijn of worden ingediend in het kalenderjaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Om het verband tussen de gedraging van de landbouwer en de sanctie, alsmede een gelijke behandeling van landbouwers te waarborgen, moet derhalve worden bepaald dat wanneer dezelfde niet-naleving gedurende meerdere kalenderjaren ononderbroken plaatsvindt, een administratieve sanctie moet worden toegepast en berekend voor elk kalenderjaar waarvoor de niet-naleving kan worden geconstateerd.

(11)

Om te waarborgen dat de administratieve sancties doeltreffend toegepast en in rekening gebracht kunnen worden, moet worden bepaald dat wanneer de sanctie in het kalenderjaar van de bevinding hoger is dan het totale bedrag van de aan de begunstigde toegekende of toe te kennen betalingen of wanneer de begunstigde geen steunaanvraag indient, de sanctie toegepast of in rekening gebracht moet worden door middel van invordering.

(12)

Op grond van artikel 85, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2116 mogen, ongeacht of een niet-naleving via het areaalmonitoringsysteem of met andere middelen wordt ontdekt, geen administratieve sancties worden opgelegd wanneer de niet-opzettelijke niet-naleving geen of slechts onbeduidende gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis. Vanwege het geringe belang van niet-nalevingen die geen of slechts onbeduidende gevolgen hebben voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis, en om de administratieve druk te verminderen, mogen dergelijke niet-nalevingen niet in aanmerking worden genomen wanneer wordt bepaald of er sprake is van een zich herhalende of aanhoudende niet-naleving.

(13)

Op grond van artikel 85, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2116 kan een lidstaat die gevallen van niet-naleving door middel van het areaalmonitoringsysteem opspoort, besluiten een lager verlagingspercentage toe te passen. Er moet een minimumverlagingspercentage worden vastgesteld.

(14)

Er zijn regels nodig voor de berekening van administratieve sancties bij meerdere niet-nalevingen in hetzelfde kalenderjaar.

(15)

Met het oog op een soepele overgang van de regelingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt het passend geacht overgangsbepalingen voor de toepassing van artikel 104, lid 1, tweede alinea, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116 vast te leggen ter voorkoming van buitensporige administratieve kosten en lasten in verband met conditionaliteits- en randvoorwaardencontroles die worden toegepast op begunstigden die areaalgebonden betalingen ontvangen in het kader van zowel een strategisch GLB-plan uit hoofde van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (4) als een plattelandsontwikkelingsprogramma dat tot en met 31 december 2025 wordt uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5). Daartoe moeten areaalgebonden controles op de naleving van de conditionaliteit worden geacht ook betrekking te hebben op de in artikel 96 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde controles op de naleving van de randvoorwaarden. De reden daarvoor is dat bij areaalgebonden betalingen de conditionaliteitsregels wat betreft zowel verplichtingen als sancties over het algemeen strenger zijn dan de randvoorwaarden. Daarom mag worden aangenomen dat de randvoorwaarden zijn nageleefd indien de begunstigde voldoet aan de conditionaliteitsverplichtingen. Echter, indien bij de conditionaliteitscontroles niet-nalevingen aan het licht komen, mag de lidstaat er niet meer van uitgaan dat de randvoorwaarden zijn nageleefd, en moet hij bijgevolg de in artikel 96 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde controles verrichten en in dat verband de regels voor de berekening en toepassing van administratieve sancties overeenkomstig die verordening volgen.

(16)

Omwille van de duidelijkheid en rechtszekerheid moet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 worden ingetrokken. Die verordening blijft echter van toepassing op steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen die vóór 1 januari 2023 zijn ingediend, op betalingsaanvragen die verband houden met bijstandsmaatregelen die in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden uitgevoerd, en op het controlesysteem en de administratieve sancties in het kader van de randvoorwaarden.

(17)

Gelet op artikel 104, lid 1, tweede alinea, en artikel 106 van Verordening (EU) 2021/2116 moet deze verordening van toepassing zijn op interventies die vanaf 1 januari 2023 in het kader van Verordening (EU) 2021/2115 plaatsvinden.

(18)

Tot slot is de Commissie, gelet op punt 31 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, van mening dat er een wezenlijk verband bestaat tussen de bevoegdheidsdelegaties van Verordening (EU) 2021/2116 wat betreft de regels voor het geïntegreerd systeem en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties en dat die bevoegdheidsdelegaties met elkaar verbonden zijn. Daarom moeten die regels in een en dezelfde gedelegeerde handeling worden vastgelegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening bevat bepalingen ter aanvulling van een aantal niet-essentiële onderdelen van Verordening (EU) 2021/2116 op de volgende gebieden:

a)

de kwaliteitsbeoordeling van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen als bedoeld in artikel 68, lid 3, van het geospatiale aanvraagsysteem als bedoeld in artikel 69, lid 6, en van het areaalmonitoringsysteem als bedoeld in artikel 70, lid 2, van die verordening;

b)

het in artikel 68 van die verordening bedoelde identificatiesysteem voor landbouwpercelen;

c)

de in artikel 85 van die verordening bedoelde toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties.

HOOFDSTUK II

GEÏNTEGREERD SYSTEEM

Artikel 2

Identificatiesysteem voor landbouwpercelen

1.   Het in artikel 68 van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde identificatiesysteem voor landbouwpercelen werkt op het niveau van referentiepercelen en bevat informatie die de uitwisseling van gegevens met de in artikel 69 van die verordening bedoelde geospatiale steunaanvraag en het in artikel 70 van die verordening bedoelde areaalmonitoringsysteem mogelijk maakt.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder “referentieperceel” verstaan een geografisch begrensd areaal met een in het identificatiesysteem voor landbouwpercelen geregistreerde unieke identificatie als bedoeld in artikel 68 van Verordening (EU) 2021/2116. Een referentieperceel bevat een eenheid grond bestaande uit landbouwareaal als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2115. In voorkomend geval bevat een referentieperceel ook niet-landbouwareaal dat door de lidstaten geacht wordt in aanmerking te komen voor steun in het kader van de in artikel 65, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde areaalgebonden interventies.

3.   De referentiepercelen dienen als basisinstrument voor begunstigden die een geospatiale aanvraag in het kader van de in artikel 65, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde areaalgebonden interventies indienen.

4.   De lidstaten begrenzen de referentiepercelen op zodanige wijze dat elk perceel in de tijd stabiel en meetbaar is en de unieke en eenduidige lokalisatie mogelijk maakt van alle afzonderlijke jaarlijks aangegeven landbouwpercelen en eenheden grond bestaande uit niet-landbouwareaal die door de lidstaten geacht worden in aanmerking te komen voor steun in het kader van de in artikel 65, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde areaalgebonden interventies.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie voor alle referentiepercelen in het identificatiesysteem ten minste om de drie jaar wordt bijgewerkt. Daarnaast houden de lidstaten elk jaar rekening met alle informatie uit de geospatiale aanvraag, het areaalmonitoringsysteem of andere betrouwbare bronnen.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat het identificatiesysteem voor landbouwpercelen de informatie bevat die nodig is om gegevens te extraheren die van belang zijn voor een correcte verslaglegging over de indicatoren als bedoeld in artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2021/2116.

7.   In het identificatiesysteem moeten de lidstaten voor elk referentieperceel ten minste:

a)

een subsidiabel maximumareaal bepalen voor de areaalgebonden interventies in het kader van het geïntegreerd systeem. Om het subsidiabele maximumareaal te bepalen, brengen de lidstaten niet-subsidiabele elementen waar mogelijk door afbakening in mindering op het perceel. De lidstaten stellen vooraf de criteria en procedures op die worden gevolgd om de subsidiabele en niet-subsidiabele gedeelten van het perceel te beoordelen, te kwantificeren en in voorkomend geval af te bakenen. Bij de bepaling van het subsidiabele maximumareaal kunnen de lidstaten een redelijke marge voor een correcte kwantificering vaststellen teneinde rekening te houden met de omtrek en conditie van het perceel;

b)

het in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde landbouwareaal aangeven. In voorkomend geval zorgen de lidstaten ervoor dat bij landbouwareaal tussen bouwland, blijvende teelten en blijvend grasland, als omschreven overeenkomstig artikel 4, lid 3, van die verordening, een onderscheid wordt gemaakt door afbakening, ook ingeval ze agrobosbouwsystemen op dat areaal vormen;

c)

alle relevante informatie registreren met betrekking tot blijvend grasland met geïsoleerde niet-subsidiabele elementen wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 4, punt b), derde alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 besluiten om voor het bepalen van de subsidiabele oppervlakte vaste verlagingscoëfficiënten toe te passen;

d)

kenmerken en/of verbintenissen opnemen die voor de subsidiabiliteit bij areaalgebonden interventies en voor conditionaliteitsvereisten van belang zijn en stabiel in de tijd zijn. Deze informatie wordt geregistreerd als attributen of lagen in het identificatiesysteem voor landbouwpercelen, waarbij ten minste het volgende wordt aangegeven:

i)

in voorkomend geval, de ligging van veengrond of wetland overeenkomstig GLMC-norm 2 van bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115;

ii)

het type en de ligging van landschapselementen op het perceel die van belang zijn voor de conditionaliteit of interventies als bedoeld in artikel 65, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2021/2116;

e)

in voorkomend geval, de ligging en de omvang bepalen van de landschapskenmerken in het kader van GLMC-norm 8 van bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115 die van belang zijn voor het minimumpercentage landbouwareaal dat bestemd is voor niet-productieve gebieden of elementen;

f)

bepalen of percelen gelegen zijn in gebieden met in artikel 71 van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde natuurlijke beperkingen of andere gebiedsspecifieke beperkingen of dat gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten, als bedoeld in artikel 72 van die verordening, van toepassing zijn;

g)

bepalen of percelen gelegen zijn in Natura 2000-gebieden of in gebieden die onder Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) vallen, of gelegen zijn op landbouwgrond waarvoor op grond van artikel 37, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 een vergunning voor de katoenproductie is verleend, op arealen die deel uitmaken van de gangbare plaatselijke praktijken als bedoeld in artikel 4, lid 3, punt c), tweede alinea, punt i), van die verordening, op arealen met als ecologisch kwetsbaar aangewezen blijvend grasland uit hoofde van GLMC-norm 9 van bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115 of in zones die onder Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (7) of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) vallen.

8.   Voor bosbouwgerelateerde interventies die in het kader van de artikelen 70 en 72 van Verordening (EU) 2021/2115 worden gesteund, kunnen de lidstaten adequate alternatieve systemen voor de unieke identificatie van de subsidiabele grond vaststellen wanneer die grond bedekt is met bos.

9.   Het geografisch informatiesysteem werkt op basis van een nationaal systeem voor verwijzing door middel van coördinaten als omschreven in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van de landbouwpercelen in de gehele betrokken lidstaat mogelijk maakt. Wanneer uiteenlopende coördinatenreferentiesystemen worden gebruikt, sluiten deze elkaar uit en is binnen elk systeem de consistentie gewaarborgd tussen informatie-elementen die naar dezelfde locatie verwijzen.

Artikel 3

Kwaliteitsbeoordeling van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen

1.   De lidstaten voeren de in artikel 68, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde kwaliteitsbeoordeling jaarlijks uit met het oog op de basisinkomenssteun voor duurzaamheid. Deze kwaliteitsbeoordeling heeft betrekking op de volgende elementen:

a)

de juiste kwantificering van het subsidiabele maximumareaal;

b)

het aandeel en de verdeling van de referentiepercelen met een subsidiabel maximumareaal waarin niet-subsidiabele arealen zijn meegerekend of waarin geen landbouwareaal is meegerekend;

c)

de aanwezigheid van referentiepercelen met ernstige onvolkomenheden;

d)

de correcte indeling van landbouwareaal als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt in elk referentieperceel;

e)

de verhouding areaalaangiften per referentieperceel;

f)

de categorisatie van referentiepercelen hetzij met een subsidiabel maximumareaal waarin niet-subsidiabele arealen zijn meegerekend of waarin geen landbouwareaal is meegerekend, hetzij met ernstige onvolkomenheden;

g)

het percentage referentiepercelen die in de loop van de cyclus van regelmatige bijwerking zijn gewijzigd.

De lidstaten zorgen er ook voor dat alle verzoeken om bijwerking van het identificatiesysteem voor landbouwpercelen zodanig worden uitgevoerd dat kan worden nagegaan of deze voortvloeien uit het areaalmonitoringsysteem, een actie van de begunstigde of uit een andere bron.

2.   De lidstaten verrichten de in lid 1 bedoelde beoordeling aan de hand van een steekproef van referentiepercelen. Zij maken gebruik van gegevens aan de hand waarvan de feitelijke situatie kan worden beoordeeld.

3.   Ingeval bij de kwaliteitsbeoordeling tekortkomingen aan het licht komen, stellen de betrokken lidstaten adequate corrigerende acties voor.

Artikel 4

Kwaliteitsbeoordeling van het geospatiale aanvraagsysteem

1.   De in artikel 69, lid 6, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde jaarlijkse kwaliteitsbeoordeling heeft betrekking op de betrouwbaarheid van de informatie in de geospatiale aanvraag en op de juistheid van de informatie die voor de verslaglegging over de in artikel 7 van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde indicatoren is gebruikt. Met name heeft de kwaliteitsbeoordeling betrekking op de volledigheid en juistheid van de vooraf ingevulde informatie in de geospatiale aanvraag, op de volledigheid en juistheid van de alerts die tijdens het aanvraagproces aan de begunstigden worden gegeven, en op de traceerbaarheid van alle wijzigingen in de geospatiale aanvragen na de indiening ervan.

2.   Bij de kwaliteitsbeoordeling wordt met name:

a)

nagegaan of de informatie aan de hand waarvan de lidstaat de geospatiale aanvraag vooraf heeft ingevuld, volledig, juist en actueel was;

b)

door de lidstaat nagegaan of het door de begunstigde in het kader van een areaalgebonden interventie aangegeven areaal correct was bepaald met betrekking tot de toepasselijke subsidiabiliteitsvoorwaarden;

c)

nagegaan of, voor zover mogelijk, alle subsidiabiliteitsvoorwaarden voor interventies en, in voorkomend geval, conditionaliteitsvereisten in aanmerking zijn genomen bij het geven van alerts door de lidstaat aan begunstigden tijdens het aanvraagproces;

d)

nagegaan of alle wijzigingen in de geospatiale aanvraag na de indiening ervan op zodanige wijze door de lidstaat zijn geregistreerd dat kan worden nagegaan of deze voortvloeien uit een waarschuwing van het areaalmonitoringsysteem, een actie van de begunstigde of uit een andere bron.

3.   De kwaliteitsbeoordeling in het kader van lid 2, punten a), c) en d), wordt verricht door middel van IT-toetsing en heruitvoering van het aanvraagproces op een representatieve steekproef van steunaanvragen.

4.   Voor de in lid 2, punt b), bedoelde verificatie wordt de kwaliteitsbeoordeling verricht door middel van bezoeken ter plaatse of analysen van beelden van hetzelfde kalenderjaar en van ten minste dezelfde kwaliteit als die welke vereist is voor de in artikel 68, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde kwaliteitsbeoordeling. Die verificatie wordt verricht door meting van het met betrekking tot een interventie aangegeven areaal bij de steekproef die is geselecteerd voor de in artikel 5 van de onderhavige verordening bedoelde kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle areaalgebonden interventies die onder het geïntegreerd systeem vallen, in de in de leden 3 en 4 bedoelde steekproeven worden opgenomen en in het kwaliteitsbeoordelingsproces worden geverifieerd.

6.   Ingeval bij de kwaliteitsbeoordeling tekortkomingen aan het licht komen, stellen de betrokken lidstaten adequate corrigerende acties voor.

Artikel 5

Kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem

1.   De in artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde jaarlijkse kwaliteitsbeoordeling heeft betrekking op de betrouwbaarheid van de uitvoering van het areaalmonitoringsysteem, levert diagnostische informatie over de bronnen van onjuiste besluiten op het niveau van interventies en subsidiabiliteitsvoorwaarden op en heeft met name betrekking op de vraag of de informatie die voor de verslaglegging over de in artikel 7 van Verordening (EU) 2021/2115 bedoelde indicatoren is geleverd, juist is.

2.   De kwaliteitsbeoordeling wordt verricht door middel van bezoeken ter plaatse of analysen van beelden van hetzelfde kalenderjaar en, in voorkomend geval, van ten minste dezelfde kwaliteit als die welke vereist is voor de in artikel 68, lid 3, van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde kwaliteitsbeoordeling. Bezoeken ter plaatse mogen op elk moment van het jaar plaatsvinden en bestrijken, voor zover mogelijk, tijdens eenzelfde bezoek alle subsidiabiliteitsvoorwaarden die voor een bepaalde begunstigde van belang zijn. De beelden die de lidstaten voor de kwaliteitsbeoordeling gebruiken, moeten sluitende en betrouwbare resultaten kunnen opleveren met betrekking tot de feitelijke situatie op het terrein. Lidstaten die voor de waarneming, tracering en beoordeling van landbouwactiviteiten gegeotagde foto’s gebruiken als gegevens die ten minste gelijkwaardig zijn aan gegevens van Sentinel-satellieten van het Copernicus-programma, kunnen de kwaliteit van de besluiten op basis van gegeotagde foto’s beoordelen door middel van niet-geautomatiseerde analysen van de gegeotagde foto’s, mits ze sluitende en betrouwbare resultaten opleveren.

3.   Op interventieniveau omvat de kwaliteitsbeoordeling de volgende elementen:

a)

kwantificering van fouten als gevolg van onjuiste besluiten over subsidiabiliteitsvoorwaarden voor onder een areaalgebonden interventie vallende percelen, ongeacht of het desbetreffende besluit al dan niet uit het areaalmonitoringsysteem voortvloeit. Het resultaat wordt uitgedrukt in hectaren;

b)

kwantificering van het aantal percelen waarbij door middel van het areaalmonitoringsysteem een niet-naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden is ontdekt, en van het aantal percelen dat na de uiterste datum voor wijzigingen in steunaanvragen niet aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoet.

4.   In de uiterlijk op 15 februari 2025 en 15 februari 2027 in te dienen verslagen wordt ook nagegaan of alle subsidiabiliteitsvoorwaarden voor areaalgebonden interventies die monitorbaar worden geacht, in respectievelijk 2024 en 2026 aan het areaalmonitoringsysteem waren onderworpen. Na beoordeling van de resultaten van deze verslagen kunnen corrigerende acties nodig zijn.

5.   De kwaliteit wordt beoordeeld door alle subsidiabiliteitsvoorwaarden voor alle interventies in het kader waarvan aanvragen zijn ingediend, te controleren aan de hand van een representatieve steekproef van percelen.

6.   Ter vereenvoudiging en gezien het feit dat de steekproef voor de kwaliteitsbeoordeling van het areaalmonitoringsysteem voldoende zekerheid biedt dat per interventie aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden is voldaan, kunnen de lidstaten besluiten om met de in de artikelen 4 en 5 van deze verordening bedoelde kwaliteitsbeoordelingen rekening te houden met betrekking tot de verplichting om een in artikel 72 van Verordening (EU) 2021/2116 bedoeld controlesysteem op te zetten.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle areaalgebonden interventies die onder het geïntegreerd systeem vallen, in de steekproef van percelen worden opgenomen en in het kwaliteitsbeoordelingsproces worden geverifieerd, ongeacht de mogelijkheid om het areaalmonitoringsysteem overeenkomstig artikel 70, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2116 geleidelijk op te zetten.

8.   Ingeval bij de in lid 3, punten a) en b), bedoelde kwantificeringen tekortkomingen aan het licht komen, stellen de betrokken lidstaten adequate corrigerende acties voor.

9.   In het kader van corrigerende acties voor niet-gemonitorde of niet sluitend gemonitorde subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn ook bezoeken ter plaatse mogelijk. Ingeval naar aanleiding van de resultaten van de kwaliteitsbeoordeling voor het betrokken kalenderjaar corrigerende acties nodig zijn, kan het nodig zijn om in het kwaliteitsbeoordelingsverslag van het eropvolgende jaar aanvullende informatie over de te verhelpen tekortkomingen op te nemen.

HOOFDSTUK III

TOEPASSING EN BEREKENING VAN ADMINISTRATIEVE CONDITIONALITEITSSANCTIES

Artikel 6

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de definities in titel IV, hoofdstuk IV, van Verordening (EU) 2021/2116 van toepassing.

Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

a)

“niet-naleving”: niet-inachtneming van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen uit hoofde van Uniewetgeving als bedoeld in artikel 12, lid 4, van Verordening (EU) 2021/2115, of van de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond die door de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van die verordening zijn vastgesteld;

b)

“normen”: alle normen die door de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2021/2115 zijn vastgesteld;

c)

“jaar van de bevinding”: het kalenderjaar waarin de administratieve controle of controle ter plaatse is verricht;

d)

“conditionaliteitsgebieden”: elk van de drie in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2115 genoemde gebieden.

Artikel 7

Algemene beginselen van niet-nalevingen

1.   Wanneer wordt bepaald of er sprake is van een herhaling van een niet-naleving, wordt rekening gehouden met overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 geconstateerde niet-nalevingen van de randvoorwaarden.

2.   Bij de bepaling van de “omvang” van een niet-naleving wordt er met name rekening mee gehouden of de niet-naleving verstrekkende gevolgen heeft dan wel of de gevolgen tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijven.

3.   De “ernst” van een niet-naleving is met name afhankelijk van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm.

4.   Of een niet-naleving een “permanent” karakter draagt, is met name afhankelijk van de lengte van de periode waarin de effecten blijven bestaan, of van de mogelijkheden om die effecten met redelijke middelen te beëindigen.

5.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden niet-nalevingen geacht te zijn “geconstateerd” indien deze zijn vastgesteld bij controles van welke aard ook overeenkomstig Verordening (EU) 2021/2116 of nadat ze op een andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit of, in voorkomend geval, het betaalorgaan zijn gebracht.

Artikel 8

Algemene beginselen van administratieve sancties

1.   De administratieve sanctie waarin artikel 84, lid 1, van Verordening (EU) 2021/2116 voorziet, wordt alleen opgelegd indien een niet-naleving wordt ontdekt binnen drie opeenvolgende kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

2.   Wanneer dezelfde niet-naleving gedurende meerdere kalenderjaren ononderbroken plaatsvindt, wordt een administratieve sanctie toegepast voor elk kalenderjaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden. De administratieve sancties worden berekend op basis van de betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen of betalingsclaims die zijn of worden ingediend in de kalenderjaren van de niet-naleving.

3.   Wanneer in het kalenderjaar van de bevinding de begunstigde geen steunaanvraag indient of de administratieve sanctie hoger is dan het totale bedrag van de aan de begunstigde toegekende of toe te kennen betalingen met betrekking tot steunaanvragen die de begunstigde in de loop van het kalenderjaar van de bevinding heeft ingediend of zal indienen, wordt de administratieve sanctie overeenkomstig artikel 30 van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/128 van de Commissie (10) ingevorderd.

Artikel 9

Verlagingspercentages in geval van niet-opzettelijke niet-naleving

1.   Bij geconstateerde niet-opzettelijke niet-nalevingen kan het betaalorgaan op basis van de door de bevoegde controleautoriteit geleverde beoordeling van de niet-naleving en rekening houdend met de criteria van artikel 85, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 besluiten het in artikel 85, lid 2, van die verordening vermelde percentage te verlagen tot maximaal 1 %.

2.   Wanneer een geconstateerde niet-opzettelijke niet-naleving ernstige gevolgen voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis heeft of een rechtstreeks gevaar voor de volks- of diergezondheid vormt, kan het betaalorgaan op basis van de door de bevoegde controleautoriteit geleverde beoordeling van de niet-naleving, waarin rekening wordt gehouden met de criteria van artikel 85, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116, besluiten het in artikel 85, lid 5, van die verordening vermelde percentage te verhogen tot maximaal 10 %.

3.   Wanneer een geconstateerde niet-opzettelijke niet-naleving van dezelfde eis of norm binnen drie opeenvolgende kalenderjaren aanhoudt, is het in artikel 85, lid 6, eerste alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 vermelde verlagingspercentage alleen van toepassing wanneer de begunstigde in kennis is gesteld van de eerdere geconstateerde niet-naleving. Wanneer dezelfde niet-naleving zonder gegronde reden van de begunstigde voortduurt, wordt deze aangemerkt als een geval van opzettelijke niet-naleving.

4.   Wanneer een geconstateerde niet-naleving geen of slechts onbeduidende gevolgen voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis heeft en geen administratieve sanctie overeenkomstig artikel 85, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 wordt opgelegd, wordt de niet-naleving niet in aanmerking genomen wanneer wordt bepaald of er sprake is van een herhaling of aanhouden van een niet-naleving.

5.   Wanneer een lidstaat het in artikel 66, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2021/2116 bedoelde areaalmonitoringsysteem toepast om gevallen van niet-naleving op te sporen, kan de bij geconstateerde niet-opzettelijke niet-nalevingen op te leggen verlaging lager uitvallen dan de verlaging waarin lid 1 van het onderhavige artikel voorziet, maar bedraagt deze ten minste 0,5 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van die verordening.

Artikel 10

Verlagingspercentages in geval van opzettelijke niet-naleving

De procentuele verlaging bij een geconstateerde opzettelijke niet-naleving bedraagt ten minste 15 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116. Op basis van de beoordeling van de niet-naleving die de bevoegde controleautoriteit heeft geleverd, en rekening houdend met de criteria van artikel 85, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan het betaalorgaan besluiten om het percentage te verhogen tot maximaal 100 %.

Artikel 11

Berekening van verlagingen bij meerdere niet-nalevingen in hetzelfde kalenderjaar

1.   Wanneer een geconstateerde niet-naleving van een norm ook een niet-naleving van een eis vormt, wordt de niet-naleving als één niet-naleving aangemerkt. Voor de berekening van de verlagingen wordt de niet-naleving als deel van het conditionaliteitsgebied van de eis beschouwd.

2.   Wanneer in hetzelfde kalenderjaar meer dan één zich niet herhalende niet-opzettelijke niet-naleving is geconstateerd, wordt de procedure voor de vaststelling van de verlaging afzonderlijk op elke niet-naleving toegepast en worden de daaruit voortvloeiende percentages bij elkaar opgeteld. De totale verlaging mag echter niet meer bedragen dan:

a)

5 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116, wanneer geen van de niet-nalevingen ernstige gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis of een rechtstreeks gevaar voor de volks of diergezondheid vormt, of

b)

10 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116, wanneer ten minste één niet-naleving ernstige gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis of een rechtstreeks gevaar voor de volks of diergezondheid vormt.

3.   Wanneer in hetzelfde kalenderjaar meer dan één zich herhalende niet-opzettelijke niet-naleving is geconstateerd, wordt de procedure voor de vaststelling van de verlaging afzonderlijk op elke niet-naleving toegepast en worden de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages bij elkaar opgeteld. De verlaging mag echter niet meer bedragen dan 20 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116.

4.   Wanneer in hetzelfde kalenderjaar meer dan één opzettelijke niet-naleving is geconstateerd, wordt de procedure voor de vaststelling van de verlaging afzonderlijk op elke niet-naleving toegepast en worden de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages bij elkaar opgeteld. De verlaging mag echter niet meer bedragen dan 100 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116.

5.   Wanneer in hetzelfde kalenderjaar meerdere gevallen van niet-opzettelijke, zich herhalende en opzettelijke niet-naleving hebben plaatsgevonden, worden de daaruit voortvloeiende verlagingspercentages, in voorkomend geval na toepassing van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel, bij elkaar opgeteld. De verlaging mag echter niet meer bedragen dan 100 % van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116.

HOOFDSTUK IV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 104, lid 1, tweede alinea, punt a), iv), van Verordening (EU) 2021/2116 worden controles op de naleving van de conditionaliteitsregels als bedoeld in artikel 83 van die verordening, verricht voor arealen waarvoor op grond van de artikelen 28, 29 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bijstand wordt verleend in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma’s die tot en met 31 december 2025 krachtens die verordening worden uitgevoerd, wanneer de betrokken begunstigde ook areaalgebonden betalingen in het kader van het strategisch GLB-plan uit hoofde van Verordening (EU) 2021/2115 ontvangt.

De in de eerste alinea bedoelde conditionaliteitscontroles worden geacht betrekking te hebben op de in artikel 96 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde controles op de naleving van de randvoorwaarden, tenzij daarbij niet-nalevingen van de conditionaliteitsregels aan het licht komen. Indien niet aan de conditionaliteitsregels is voldaan, verricht de lidstaat overeenkomstig dat artikel controles op de areaalgebonden maatregelen van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s en past hij, wanneer onregelmatigheden worden ontdekt, de regels voor de berekening en toepassing van administratieve sancties toe waarin Verordening (EU) nr. 1306/2013 voorziet.

Artikel 13

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 wordt met ingang van 1 januari 2023 ingetrokken.

Zij blijft evenwel van toepassing op:

a)

vóór 1 januari 2023 ingediende steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen;

b)

betalingsaanvragen die verband houden met bijstandsmaatregelen die in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden uitgevoerd;

c)

het controlesysteem en de administratieve sancties in het kader van de randvoorwaarden.

Artikel 14

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB L 181 van 20.6.2014, blz. 48).

(3)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(4)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(7)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(8)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(9)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/128 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, controles, zekerheden en transparantie (PB L 20 van 31.1.2022, blz. 131).


Top