EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R0963

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 van de Commissie van 10 juni 2021 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429, (EU) 2016/1012 en (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de identificatie en registratie van paardachtigen en tot vaststelling van modelidentificatiedocumenten voor die dieren (Voor de EER relevante tekst)

C/2021/4078

OJ L 213, 16.6.2021, p. 3–61 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/963/oj

16.6.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 213/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/963 VAN DE COMMISSIE

van 10 juni 2021

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429, (EU) 2016/1012 en (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de identificatie en registratie van paardachtigen en tot vaststelling van modelidentificatiedocumenten voor die dieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 120, leden 1 en 2,

Gezien Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (“fokkerijverordening”) (2), en met name artikel 32, lid 2,

Gezien Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (3), en met name artikel 109, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2016/429 worden onder meer algemene voorschriften vastgesteld betreffende de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de vaststelling van een identificatie- en registratiesysteem voor gehouden landdieren, met inbegrip van paardachtigen. In die verordening is bepaald dat de lidstaten een geautomatiseerd gegevensbestand van gehouden landdieren (hierna “het geautomatiseerde gegevensbestand” genoemd) moeten opzetten en bijhouden. Het geautomatiseerde gegevensbestand moet uit hoofde van de verordening ook bepaalde minimuminformatie over paardachtigen bevatten, met name een unieke code voor de paardachtige (hierna “de unieke code” genoemd), de identificatiemethode van de paardachtige en de inrichting waar de paardachtige gewoonlijk wordt gehouden. De verordening bevat ook verplichtingen voor exploitanten die paardachtigen houden. Zij moeten ervoor zorgen dat die dieren individueel zijn geïdentificeerd door de unieke code, een correct ingevuld uniek, levenslang geldig identificatiedocument (“het unieke, levenslang geldige identificatiedocument”) en een fysiek identificatiemiddel of een andere methode die de paardachtige ondubbelzinnig verbindt met een correct ingevuld uniek, levenslang geldig identificatiedocument.

(2)

Verordening (EU) 2016/1012 voorziet in zoötechnische en genealogische voorschriften voor de handel in en de binnenkomst in de Unie van fokdieren en levende producten daarvan, met inbegrip van voorschriften betreffende het afgeven van zoötechnische certificaten die fokdieren vergezellen. In de verordening wordt met name bepaald dat in het geval van raszuivere fokpaarden en -ezels bepaalde krachtens die verordening vereiste informatie in een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor paardachtigen vervat moet zijn.

(3)

In Verordening (EU) 2019/6 zijn regels vastgesteld voor het in de handel brengen, de vervaardiging, de invoer, de uitvoer, de levering, de distributie, de geneesmiddelenbewaking, de controle en het gebruik van diergeneesmiddelen en is onder andere voorzien in specifieke regels voor de toediening van diergeneesmiddelen bij voedselproducerende dieren, met inbegrip van paardachtigen. De verordening bevat met name registratieverplichtingen voor paardachtigen en de gegevens die in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument vervat moeten zijn.

(4)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (4), die is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429, voorziet in een brede definitie van geregistreerde paardachtigen en bevat aanvullende voorschriften voor de identificatie van paardachtigen, alsook regels voor de afgifte van duplicaten en vervangende documenten. De verordening bepaalt ook dat het unieke, levenslang geldige identificatiedocument een valideringsmerkteken moet bevatten of, in het geval van geregistreerde paarden, een vergunning die een hogere gezondheidsstatus van het dier documenteert, zodat de specifieke verplaatsingsvoorwaarden die in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 van de Commissie (5) zijn vastgesteld, kunnen worden toegepast.

(5)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/577 van de Commissie (6) zijn voorschriften vastgesteld betreffende de inhoud en de vorm van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de toepassing van artikel 112, lid 4, en artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 en die vervat moeten zijn in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument. Deze gegevens geven aan of een individuele paardachtige al dan niet bestemd is voor de slacht voor menselijke consumptie of al dan niet een geneeskundige behandeling heeft ondergaan met stoffen die essentieel worden geacht voor de behandeling van paardachtigen, of die klinische toegevoegde waarde bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen en waarvoor de wachttijd voor paardachtigen zes maanden bedraagt.

(6)

In artikel 108, lid 5, punt c), van Verordening (EU) 2016/429 is bepaald dat de lidstaten, wanneer dat passend is, een andere autoriteit kunnen aanwijzen of een andere instantie of een natuurlijke persoon machtiging kunnen verlenen om de praktische toepassing van het identificatie- en registratiesysteem te waarborgen, waaronder het afgeven van identificatiedocumenten. In hoofdstuk III van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en van de Raad (7) zijn de nadere voorschriften en voorwaarden voor een dergelijke delegatie vastgesteld. Bovendien voorziet artikel 8, punt 1, van Richtlijn 90/427/EEG van de Raad (8) in verplichtingen voor organisaties en verenigingen die een stamboek bijhouden of een stamboek aanleggen om identificatiedocumenten voor geregistreerde paardachtigen af te geven. Die richtlijn wordt echter met ingang van 21 april 2021 ingetrokken bij Verordening (EU) 2016/1012. Het is derhalve onzeker in hoeverre de lidstaten de praktische toepassing van het systeem voor de identificatie van paardachtigen zullen delegeren aan stamboekverenigingen, organisaties die paarden met het oog op wedstrijden en paardenrennen beheren, of andere gemachtigde instanties. Bijgevolg moet deze verordening voorzien in een gedeeltelijke of volledige delegatie van die taken aan gemachtigde instanties en moet zij verduidelijken welke rol stamboekverenigingen en organisaties die paarden met het oog op wedstrijden en paardenrennen beheren, bij de identificatie van paardachtigen spelen.

(7)

De meeste opmerkingen in het kader van de openbare raadpleging over dit document (9) hadden betrekking op de afgifte van identificatiedocumenten door stamboekverenigingen. Een aantal lidstaten heeft soortgelijke verzoeken ingediend. Een bijzonder uitdagend probleem was de afgifte van zoötechnische certificaten voor paardachtigen die zijn ingeschreven in stamboeken die zijn opgesteld door stamboekverenigingen die in andere lidstaten dan de lidstaat van geboorte zijn erkend.

(8)

Omwille van de praktische toepassing van het systeem voor de identificatie van paardachtigen en om aan de vereisten van artikel 110, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/429 te voldoen, moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid voor stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen die paarden met het oog op wedstrijden en paardenrennen beheren, om identificatiedocumenten voor geregistreerde paardachtigen af te geven, ook al zijn die structuren geen gemachtigde instanties. In dat geval zou de afgifte van het identificatiedocument beperkt blijven tot het invullen van de vereiste informatie, het drukken en binden en het registreren van de gegevens in gegevensbestanden, terwijl de bevoegde autoriteit of de gemachtigde instantie het document aan de exploitant die de aanvraag heeft ingediend, bezorgt. Deze bepalingen mogen geen afbreuk doen aan de bestaande operationele systemen voor de afgifte en bezorging van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten door gemachtigde instanties in nauwe samenwerking met stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen die paarden met het oog op wedstrijden en paardenrennen beheren.

(9)

Unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten mogen slechts worden afgegeven als zij naar behoren zijn ingevuld met de vereiste identificatiegegevens die de krachtens het Unierecht vereiste informatie bevatten en die overeenkomstig deze verordening ook in het geautomatiseerde gegevensbestand zijn opgeslagen.

(10)

Het overeenkomstig artikel 109, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 opgezette geautomatiseerde gegevensbestand waarin overeenkomstig artikel 64 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 de informatie wordt opgeslagen, moet op verschillende beveiligingsniveaus toegankelijk zijn voor de exploitanten, verantwoordelijke dierenartsen en bevoegde autoriteiten of gemachtigde instanties in andere lidstaten. Daarnaast moet de uitwisseling van elektronische gegevens tussen de lidstaten worden aangemoedigd om paardachtigen gemakkelijker te kunnen traceren en de integriteit van de voedselketen beter te kunnen controleren. Er moeten derhalve minimumeisen voor een dergelijke gegevensuitwisseling worden vastgesteld, rekening houdend met de voorschriften van artikel 108, lid 4, punt d), van Verordening (EU) 2016/429 en de in artikel 37 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 van de Commissie (10) genoemde desbetreffende normen.

(11)

Hoewel heel wat lidstaten de voorkeur geven aan een eenvoudige vorm voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, waarin alleen de overeenkomstig artikel 65 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 en artikel 1 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/577 vereiste gegevens zijn opgenomen, zou die eenvoudige vorm niet volstaan om het unieke, levenslang geldige identificatiedocument te gebruiken als een document voor meerdere doeleinden dat paardachtigen voor fok- of sportdoeleinden vergezelt. Het is derhalve gerechtvaardigd om voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument te voorzien in een vorm die toelaat het document in overeenstemming met de minimumvoorschriften inzake dier- en volksgezondheid af te geven, alsook in een uitgebreide vorm die ook voor fok-, wedstrijd- en paardrendoeleinden geschikt is.

(12)

Uit recent onderzoek in de lidstaten is gebleken dat een eenvoudige merking van paardachtigen door middel van een injecteerbare transponder mogelijk niet volstaat om de identificatie van de paardachtigen te waarborgen, met name met het oog op de bescherming van de volksgezondheid. Een beschrijving van de paardachtige, bestaande uit een beschrijving en een getekende schets van verworven en geërfde fenotypische kenmerken, zoals witte patronen, specifieke kleuren, kruinen, littekens en, indien nodig, de vorm van de zwilwratten, is derhalve een noodzakelijk aanvullend identificatiemiddel om frauduleus slachten van paardachtigen die voorheen van de slacht voor menselijke consumptie waren uitgesloten, te voorkomen.

(13)

Om te waarborgen dat paardachtigen in hun begeleidende unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten correct zijn beschreven, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of, in voorkomend geval, de gemachtigde instanties trachten de beste praktijken toe te passen en het personeel dat belast is met de beschrijving van paardachtigen, op te leiden.

(14)

Er moet ook worden voorzien in gevallen waarin het originele en overeenkomstig deze verordening voor de hele levensduur van de paardachtige afgegeven unieke, levenslang geldige identificatiedocument verloren is gegaan, niet meer leesbaar is of onjuiste informatie bevat die niet het gevolg is van illegale praktijken. Voor een correcte documentatie van de status van de paardachtige als uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie moeten die bepalingen voor zover mogelijk uitsluiten dat iemand onrechtmatig over meer dan één uniek, levenslang geldig identificatiedocument beschikt.

(15)

Wanneer er voldoende verifieerbare informatie beschikbaar is, moet een duplicaat van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument worden afgegeven dat als zodanig gekenmerkt is en de paardachtige over het algemeen uitsluit van de slacht voor menselijke consumptie. In andere gevallen moet een vervangend uniek, levenslang geldig identificatiedocument worden afgegeven dat evenzeer als zodanig gekenmerkt is en de paardachtige uitsluit van de slacht voor menselijke consumptie en van de specifieke verplaatsingsvoorwaarden voor geregistreerde paardachtigen die in artikel 92, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 zijn vastgesteld.

(16)

Overeenkomstig artikel 67 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 moeten die procedures ook gelden voor paardachtigen die pas ter identificatie worden aangeboden nadat de termijn voor de eerste identificatie van de paardachtige is verstreken, teneinde het risico op frauduleuze verkrijging van een extra identificatiedocument dat zou kunnen worden gebruikt om een paardachtige die eerder overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de slacht voor menselijke consumptie werd uitgesloten, opnieuw in de voedselketen te brengen, tot een minimum te beperken.

(17)

Overeenkomstig artikel 66, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 moeten exploitanten ervoor zorgen dat paardachtigen te allen tijde vergezeld gaan van hun unieke, levenslang geldige identificatiedocument. Deze eis houdt in dat, ongeacht de verplaatsing van het dier, bij verandering van eigenaar van de paardachtige de vorige eigenaar het unieke, levenslang geldige identificatiedocument aan de nieuwe eigenaar overdraagt.

(18)

Hoewel paardachtigen overeenkomstig de wetgeving van de Unie altijd vergezeld moeten gaan van hun uniek, levenslang geldig identificatiedocument, moet in deze verordening worden voorzien in een afwijking van deze eis wanneer het onmogelijk of zelfs ondoenlijk is het unieke, levenslang geldige identificatiedocument gedurende het hele leven van de paardachtige te bewaren, of wanneer er geen identificatiedocument is afgegeven omdat de paardachtige, voordat het dier de vereiste maximumleeftijd voor de eerste identificatie bereikt, zal worden geslacht.

(19)

Voor dagelijkse verplaatsingen op het nationale grondgebied van de lidstaten lijken plastic kaarten of smartcards en smartphone- of tablettoepassingen die de essentiële informatie van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument bevatten, nuttige aanvullingen op het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, en moeten bepaalde regels voor het gebruik ervan in deze verordening worden vastgesteld.

(20)

Voorts is de eis dat het unieke, levenslang geldige identificatiedocument het karkas van de paardachtige vergezelt naar de inrichting die of het bedrijf dat overeenkomstig artikel 24, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (11) is erkend, in bepaalde situaties onpraktisch gebleken en moet de eis derhalve worden beperkt tot de in hoofdstuk III, punt a), iii), van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (12) beschreven situaties of in de nationale wetgeving worden geregeld.

(21)

Paardachtigen kunnen in een bepaalde fase van hun leven voor de slacht bestemde paardachtigen worden. Eenhoevigen — synoniem voor paardachtigen — worden gedefinieerd als behorend tot de groep van “als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren” in punt 1.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13), waarin specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vastgesteld.

(22)

Om te voorkomen dat transponders in de voedselketen terechtkomen, moet het deel van het vlees van paardachtigen waaruit de transponder tijdens de slacht niet kon worden verwijderd, ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard overeenkomstig artikel 45, punt m), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie (14). Om de locatie van de geïmplanteerde transponders gemakkelijker te kunnen opsporen moet de plaats van implantatie worden gestandaardiseerd en in de unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten worden vermeld.

(23)

De belangrijkste paardenfok-, wedstrijd- en paardrenorganisaties gebruiken het Universal Equine Life Number (UELN)-systeem. Het systeem is ontwikkeld op initiatief van de World Breeding Federation for Sport Horses (WBFSH), het International Stud-Book Committee (ISBC), de World Arabian Horse Organization (WAHO), de European Conference of Arabian Horse Organisations (ECAHO), de International Anglo-Arabian Confederation (CIAA), de Fédération Equestre Internationale (FEI) en de European Trotting Union (UET). Informatie over dit systeem kan worden geraadpleegd op de UELN-website (15), die door het Franse paarden- en paardrijinstituut (IFCE) wordt beheerd.

(24)

Met het UELN-systeem kan bij de eerste identificatie aan een paardachtige een unieke code als bedoeld in artikel 109, lid 1, punt d), i), van Verordening (EU) 2016/429 worden toegekend. Wanneer codes worden toegewezen aan het geautomatiseerde gegevensbestand of aan gegevensbestanden die gemachtigde instanties of stamboekverenigingen in het kader van het geautomatiseerde gegevensbestand van de lidstaten hebben opgezet, mogen de codes van die gegevensbestanden en de vorm van de geregistreerde unieke code van de individuele paardachtigen niet strijdig zijn met het bestaande UELN-systeem. Daarom moet de lijst van toegekende UELN-codes worden geraadpleegd alvorens een nieuwe code aan een gegevensbestand met identificatiegegevens van paardachtigen toe te kennen.

(25)

Door een UELN-compatibele unieke code te registreren en deze te gebruiken om de bevoegde autoriteiten of de gemachtigde instantie waaraan de taak van de afgifte van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten voor paardachtigen is gedelegeerd, te identificeren, wordt ook de terugkeer van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument na het slachten of overlijden van de paardachtige naar de bevoegde autoriteit van afgifte vergemakkelijkt. Waar mogelijk moeten de lidstaten gebruikmaken van de verbindingsorganen die zij overeenkomstig artikel 103 van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad hebben aangewezen om de uitwisseling van communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in het kader van wederzijdse bijstand te vergemakkelijken.

(26)

De Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) heeft in samenwerking met de International Horse Sports Confederation (IHSC) aanbevelingen ontwikkeld voor het veilige internationale verkeer van wedstrijdpaarden en het concept van “high-health, high performance”-paarden (HHP) (16). Hoofdstuk 4.17 van de Gezondheidscode voor landdieren (17) van de OIE bevat de aanbevelingen voor de oprichting van een subpopulatie van paarden met een hoge gezondheidsstatus, en hoofdstuk 5.12 bevat het modelpaspoort voor het internationale verkeer van wedstrijdpaarden.

(27)

Het recht van de deelname van raszuivere fokpaarden of -ezels aan internationale wedstrijden is bovendien geregeld bij internationale privaatrechtelijke overeenkomsten. Gezien de internationale dimensie van de paardensector moet de Commissie rekening houden met die overeenkomsten, zodat de mogelijkheid van deelname van die raszuivere fokpaarden en -ezels aan internationale wedstrijden behouden blijft, en zij toegang krijgen tot wedstrijden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste streepje, punt a), van Richtlijn 90/428/EEG van de Raad (18) worden georganiseerd.

(28)

In afwijking van artikel 91, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 kan de geldigheid van het voor verplaatsing naar een andere lidstaat vereiste diergezondheidscertificaat worden verlengd van tien tot dertig dagen onder de voorwaarden van artikel 92 van die verordening, mits bepaalde aanvullende gezondheidsmaatregelen worden genomen, waaronder maatregelen ter preventie van andere ziekten bij paardachtigen dan de in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (19) voor die soorten vermelde ziekten.

(29)

In sectie II, punten 1 en 2, van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004 is bepaald dat exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die een slachthuis beheren, er onder meer voor moeten zorgen dat de procedures die zij hebben ingevoerd, garanderen dat elk dier of, in voorkomend geval, elke groep dieren die op het terrein van het slachthuis wordt aanvaard, naar behoren is geïdentificeerd.

(30)

Bovendien wordt in sectie III, punten 1, 2 en 3, van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004 bepaald dat de exploitant van het slachthuis informatie over de voedselketen, waaronder details over de oorsprong, het verleden en de verzorging van dieren die bestemd zijn voor voedselproductie, moet ontvangen en controleren en daar actief van moet gebruikmaken. Overeenkomstig bijlage II, sectie III, punt 7, bij die verordening mag de bevoegde autoriteit toestaan dat bepaalde informatie over de voedselketen met betrekking tot paardachtigen gelijktijdig met de dieren naar het slachthuis wordt gestuurd, in plaats van vooraf. Het identificatiedocument waarvan als slachtdier gehouden paardachtigen vergezeld gaan, moet daarom die informatie over de voedselketen aanvullen. Overeenkomstig punt 8 van die sectie III moeten exploitanten van een levensmiddelenbedrijf de paspoorten waarvan de paardachtigen vergezeld gaan, controleren om zich ervan te vergewissen dat het dier niet van de slacht voor menselijke consumptie is uitgesloten. Als de exploitanten van een levensmiddelenbedrijf het dier voor slachting aanvaarden, moeten zij het paspoort aan de officiële dierenarts overhandigen.

(31)

In Verordening (EU) 2019/6 wordt in de definitie van voedselproducerende dieren verwezen naar de definitie in artikel 2, punt b), van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad (20). Sommige bepalingen van Verordening (EU) 2019/6, met inbegrip van de bepalingen van de artikelen 112 en 115, zijn van toepassing op diersoorten die als voedselproducerend worden beschouwd, dus ook op individuele dieren die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie, maar die behoren tot een soort die in de Unie legaal voor menselijke consumptie wordt gebruikt.

(32)

Gezien de specifieke situatie van paardachtigen die zijn geboren als dieren van een voedselproducerende soort maar die niet in alle gevallen voornamelijk voor dat doel worden gefokt en meestal niet hun leven lang worden gehouden door exploitanten van een levensmiddelenbedrijf, als gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (21), moet in een procedure worden voorzien die een naadloos verband waarborgt tussen de controles van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument om redenen van volksgezondheid en het beheer van dat uniek, levenslang geldend identificatiedocument overeenkomstig deze verordening.

(33)

Het door de lidstaten in te stellen geautomatiseerde gegevensbestand is daarom ook van groot belang om bepaalde gegevens in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument te verifiëren, voordat een besluit wordt genomen om die paardachtige te aanvaarden voor de slacht voor menselijke consumptie. Wanneer de informatie over de uitsluiting van de paardachtige van de slacht voor menselijke consumptie in de specifieke sectie van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument niet overeenkomt met de informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand, moet de informatie die leidt tot de uitsluiting van de paardachtige van de slacht voor menselijke consumptie prevaleren.

(34)

Wanneer de identiteit van een paardachtige niet met zekerheid kan worden vastgesteld, kan het nodig zijn de paardachtige van de slacht voor menselijke consumptie uit te sluiten. Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de uitsluiting van de slacht voor menselijke consumptie van een paardachtige kan worden gedocumenteerd, onafhankelijk van de toediening van een geneesmiddel overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6.

(35)

Aangezien de toediening van een geneesmiddel overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 de enige reden blijft om een paardachtige van de slacht voor menselijke consumptie uit te sluiten, behalve wanneer een dergelijke uitsluiting om administratieve redenen door de bevoegde autoriteit wordt gelast, mag het niet langer noodzakelijk zijn de exploitant van het dier te laten meeondertekenen wanneer een paardachtige overeenkomstig de wetgeving van de Unie van het slachten voor menselijke consumptie wordt uitgesloten.

(36)

Tegelijkertijd mag de toediening aan een paardachtige van diergeneesmiddelen waarvoor overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 toestemming is verleend, pas worden toegestaan nadat het dier van de slacht voor menselijke consumptie is uitgesloten na de toediening van een geneesmiddel overeenkomstig artikel 112, lid 4, van die verordening.

(37)

Overeenkomstig artikel 109, lid 2, van Verordening (EU) 2019/6 moet ook een standaardformulier worden vastgesteld voor de gegevens die nodig zijn voor de toediening van geneesmiddelen die zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 115, lid 5, van die verordening opgestelde lijst van stoffen. Momenteel is de lijst van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen, of die klinische toegevoegde waarde bieden in vergelijking met andere beschikbare behandelingsmogelijkheden voor paardachtigen en waarvoor de wachttijd voor paardachtigen zes maanden bedraagt, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1950/2006 van de Commissie (22).

(38)

De vorm van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de toepassing van artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 en die moeten worden opgenomen in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, is ook geschikt voor het registreren van een administratieve schorsing gedurende ten minste zes maanden van de geschiktheid van een voedselproducerende paardachtige voor de slacht voor menselijke consumptie, in die gevallen waarin onder strikte voorwaarden een duplicaat van een uniek, levenslang geldige identificatiedocument is afgegeven zonder het dier van de slacht voor menselijke consumptie uit te sluiten.

(39)

De regels in Richtlijn 96/22/EG van de Raad (23) zijn van toepassing op landbouwhuisdieren, met inbegrip van paardachtigen, en op wilde dieren van die soorten die op een bedrijf worden gehouden. Artikel 7 van die richtlijn laat, nog vóór de wachttijd is verstreken, het handelsverkeer toe in geregistreerde paardachtigen waaraan, als bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, voor zoötechnische doeleinden diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of ß-agonisten bevatten, mits aan de toedieningsvoorwaarden van die producten is voldaan en op het certificaat of het paspoort waarvan die dieren vergezeld gaan, de aard en de datum van de behandeling worden vermeld.

(40)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (24) worden onder meer voorwaarden vastgesteld voor de binnenkomst in de Unie van paardachtigen uit derde landen en voor het werken met die dieren na binnenkomst ervan. In deze verordening moet een dertigdagenregel worden vastgesteld voor de identificatie van paardachtigen die de Unie binnenkomen. Aangezien een aanzienlijk aantal paarden tijdelijk in de Unie wordt ingevoerd, moet de periode van dertig dagen ingaan na de voltooiing van de in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (25) vastgestelde vereiste douaneregeling voor het in het vrije verkeer brengen.

(41)

Geregistreerde paarden voor wedstrijden en paardenrennen vallen, wat de procedure voor tijdelijke toelating betreft, onder artikel 136, lid 1, punt b), artikel 139, lid 1, en artikel 141, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (26). Deze bepalingen maken het onder meer mogelijk de goederen aan te geven door middel van “elke andere handeling”, met inbegrip van de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Unie door de goederen, als bedoeld in artikel 141, lid 1, punt d), van die verordening.

(42)

Raszuivere fokpaarden en -ezels die de Unie binnenkomen voor fokdoeleinden, kunnen onder de regeling actieve veredeling als bedoeld in artikel 256 van Verordening (EU) nr. 952/2013 worden geplaatst, op grond waarvan niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie kunnen worden gebruikt bij één of meer veredelingen zonder dat zij worden onderworpen aan invoerrechten, andere heffingen en handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden. Dankzij de regeling actieve veredeling kunnen fokpaarden en de door fokkerij bekomen producten na afloop van de veredeling in het vrije verkeer worden gebracht of opnieuw worden uitgevoerd, samen met alternatieve manieren om deze regeling te zuiveren.

(43)

Wanneer een uniek, levenslang geldig identificatiedocument wordt afgegeven voor een paardachtige die vanuit een derde land in de Unie is binnengebracht en in het vrije verkeer is gebracht, moet de bevoegde autoriteit de paardachtige na binnenkomst in de Unie uitsluiten van de status van dier dat voor menselijke consumptie mag worden geslacht als het derde land van oorsprong niet is opgenomen in Besluit 2011/163/EU van de Commissie (27) of er andere redenen zijn om de verklaring inzake de volksgezondheid in punt II.1.6 van het officiële certificaat waarvan de paardachtige tot de grens vergezeld gaat, als vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403 van de Commissie (28), niet te certificeren.

(44)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 van de Commissie (29) zijn voorschriften vastgesteld betreffende de inhoud en de vorm van zoötechnische certificaten die worden afgegeven voor raszuivere fokpaarden en -ezels en die vervat moeten zijn in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument. Daarom moeten in deze verordening voorschriften worden vastgesteld voor het opnemen van informatie over raszuivere fokpaarden en -ezels in het zoötechnische certificaat dat in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument is vervat.

(45)

In Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad (30) wordt in de definitie van “geregistreerde eenhoevigen” verwezen naar Richtlijn 90/426/EEG van de Raad (31). Aangezien die term niet in Verordening (EU) 2016/429 wordt gebruikt, moet worden verduidelijkt dat deze term synoniem is voor “geregistreerde paardachtige” zoals gedefinieerd in onderhavige verordening.

(46)

Met het oog op de uniforme toepassing van de wetgeving van de Unie inzake de identificatie van paardachtigen in de lidstaten en om ervoor te zorgen dat die wetgeving duidelijk en transparant is, moeten in deze uitvoeringsverordening de in artikel 86 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde data worden vastgesteld. Aangezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van toepassing is met ingang van 21 april 2021, moet de onderhavige verordening met ingang van dezelfde datum worden toegepast. Aangezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/577 echter pas van toepassing is met ingang van 28 januari 2022, moet bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie (32) van toepassing blijven tot en met 27 januari 2022.

(47)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en het Permanent Zoötechnisch Comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL 1

ALGEMENE REGELS

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening geeft uitvoering aan de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde regels met betrekking tot gehouden paardachtigen die:

a)

in de Unie geboren zijn;

b)

in de in bijlage I bij Verordening (EU) 2017/625 opgenomen grondgebieden zijn binnengebracht en in het vrije verkeer zijn gebracht, met uitzondering van het opnieuw binnenbrengen in de Unie na tijdelijke uitvoer naar derde landen.

2.   Bij deze verordening worden algemene en specifieke regels vastgesteld voor de uniforme toepassing van het in artikel 108, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatie- en registratiesysteem voor paardachtigen en verschillende categorieën daarvan, om de efficiënte werking ervan te waarborgen, met inbegrip van:

a)

de uniforme toegang tot gegevens in en de technische specificaties en operationele regels voor de geautomatiseerde gegevensbestanden als bedoeld in artikel 109, lid 1, punt d), van Verordening (EU) 2016/429 en artikel 64 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en de termijnen, verplichtingen en procedures voor de doorgifte van gegevens door exploitanten of andere natuurlijke of rechtspersonen en voor de registratie van paardachtigen in de geautomatiseerde gegevensbestanden;

b)

de technische specificaties en procedures, modellen, ontwerpen en operationele regels voor de identificatiemiddelen en -methoden voor paardachtigen, waaronder:

i)

de termijnen voor het aanbrengen van de identificatiemiddelen en -methoden;

ii)

de verwijdering, wijziging of vervanging van de identificatiemiddelen en -methoden en de termijnen voor dergelijke handelingen;

iii)

de structuur van de identificatiecode;

c)

de technische specificaties, modellen en operationele regels voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor paardachtigen;

d)

de praktische toepassing van afwijkingen van de identificatie- en registratievoorschriften voor bepaalde voor de slacht bestemde paardachtigen en voor half in het wild gehouden paardachtigen;

e)

regels voor het gebruik van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor verplaatsingen van paardachtigen, uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 92, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 bedoelde afwijking betreffende de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat;

f)

modelformulieren die nodig zijn voor het gebruik van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor sportdoeleinden en voor het internationale verkeer van wedstrijdpaarden, zoals aanbevolen door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

g)

de identificatie van paardachtigen die uit derde landen de Unie zijn binnengekomen.

3.   In deze verordening worden de regels vastgesteld voor de modelformulieren die nodig zijn voor de toepassing van artikel 112, lid 4, en artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/577 en die in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument vervat moeten worden, alsook regels voor de documentatie van bepaalde behandelingen overeenkomstig Richtlijn 96/22/EEG.

4.   In deze verordening worden de regels vastgesteld voor de modelformulieren voor het invoeren van de in deel 2, hoofdstuk I, van bijlage V bij Verordening (EU) 2016/1012 en in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 bedoelde gegevens die in een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor raszuivere fokpaarden en -ezels vervat moeten worden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“paardachtige”: een gehouden dier dat behoort tot de soorten in het geslacht Equus (met inbegrip van paarden, ezels en zebra’s), alsook kruisingen van die soorten;

2)

“inrichting”: inrichting in de zin van artikel 4, punt 27, van Verordening (EU) 2016/429;

3)

“exploitant”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor paardachtigen, ook als dat voor beperkte duur is, met uitzondering van dierenartsen;

4)

“eigenaar”: de natuurlijke of rechtspersoon die het eigendomsrecht over de paardachtige bezit;

5)

“geregistreerde paardachtige” of “geregistreerde eenhoevige”:

a)

een raszuiver fokdier van de soorten Equus caballus of Equus asinus dat is ingeschreven of in aanmerking komt voor inschrijving in de hoofdsectie van een stamboek dat is opgesteld door een overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) 2016/1012 erkende stamboekvereniging of een in de in artikel 34 van die verordening bedoelde lijst opgenomen fokorgaan;

b)

een paardachtige van de soort Equus caballus die rechtstreeks bij een internationale vereniging of organisatie die paarden beheert met het oog op wedstrijden of paardenrennen is geregistreerd, of via een nationale federatie of filiaal daarvan (“geregistreerd paard”);

6)

“stamboek”: een stamboek in de zin van artikel 2, punt 12, van Verordening (EU) 2016/1012;

7)

“hoofdsectie”: hoofdsectie van een stamboek in de zin van artikel 2, punt 13, van Verordening (EU) 2016/1012;

8)

“stamboekvereniging”: een stamboekvereniging in de zin van artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) 2016/1012;

9)

“fokorgaan”: een fokorgaan in de zin van artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) 2016/1012;

10)

“voor de slacht bestemde paardachtigen”: gehouden paardachtigen die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis worden vervoerd;

11)

“paardachtige met een hoge gezondheidsstatus”: een paardachtige die in aanmerking komt voor verplaatsing naar andere lidstaten overeenkomstig artikel 92, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688;

12)

“bevoegde autoriteit”: de centrale veterinaire autoriteit van een lidstaat in de zin van artikel 4, punt 55, van Verordening (EU) 2016/429;

13)

“zoötechnische autoriteit”: de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) 2016/1012;

14)

“zoötechnisch certificaat”: het zoötechnische certificaat in de zin van artikel 2, punt 20, van Verordening (EU) 2016/1012 en vastgesteld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940;

15)

“merk”: elk onderscheidend, van nature aanwezig of aangebracht individueel kenmerk van een paardachtige dat zichtbaar is, of zichtbaar kan worden gemaakt, en voor identificatiedoeleinden kan worden geregistreerd;

16)

“transponder”: het elektronisch identificatiemiddel zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 23, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

17)

“unieke code”: de unieke code in de zin van artikel 2, punt 17, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

18)

“Universal Equine Life Number” (UELN): een unieke alfanumerieke code van 15 tekens waarin gegevens zijn verwerkt over de individuele paardachtige en het gegevensbestand en het land waarin dergelijke gegevens voor het eerst werden geregistreerd overeenkomstig het coderingssysteem dat wordt beheerd door het Franse paarden- en paardensportinstituut (IFCE) dat de UELN-website beheert;

19)

“smartcard”: een plastic kaartje met een ingebedde computerchip die gegevens kan opslaan en elektronisch verzenden naar een compatibel computersysteem;

20)

“verantwoordelijke dierenarts”: de in de artikelen 112 en 113 van Verordening (EU) 2019/6 bedoelde dierenarts die verantwoordelijk is voor de geneeskundige behandeling van een paardachtige en de documentatie van een dergelijke behandeling en de gevolgen daarvan voor de status van de paardachtige als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie overeenkomstig deze verordening;

21)

“geautomatiseerd gegevensbestand”: een door een lidstaat opgezet geautomatiseerd gegevensbestand voor het opslaan van gegevens in verband met gehouden paardachtigen als bedoeld in artikel 109, lid 1, aanhef en punt d), van Verordening (EU) 2016/429;

22)

“uniek, levenslang geldig identificatiedocument”: het unieke, levenslang geldige document waarmee exploitanten van paardachtigen ervoor moeten zorgen dat die dieren individueel geïdentificeerd zijn zoals bepaald in artikel 114, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2016/429;

23)

“valideringsmerkteken”: een vermelding in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met artikel 92, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 en voor het daarin genoemde doel;

24)

“vergunning”: een vermelding in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument door de nationale federatie van de Fédération Equestre Internationale (FEI) voor deelname aan ruiterwedstrijden op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau of door de voor paardenrennen bevoegde instantie voor deelname aan paardenrennen in overeenstemming met artikel 92, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 en voor het daarin genoemde doel;

25)

“gemachtigde instantie”: de gemachtigde instantie in de zin van artikel 3, punt 5), van Verordening (EU) 2017/625 die overeenkomstig artikel 108, lid 5, punt c), van Verordening (EU) 2016/429 is aangewezen om de praktische toepassing van het identificatie- en registratiesysteem voor paardachtigen te waarborgen, waaronder de afgifte en bezorging van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten voor paardachtigen. Deze instantie wordt in titel IV, hoofdstukken 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 “instantie van afgifte” genoemd.

Artikel 3

Rol van exploitanten en eigenaars

1.   De exploitant van een paardachtige die niet de eigenaar of een van de eigenaars van de paardachtige is, handelt overeenkomstig de regels van deze verordening namens en in overleg met de eigenaar of een vertegenwoordiger van de eigenaars van de paardachtige.

2.   De lidstaten en, in voorkomend geval, de gemachtigde instanties mogen eisen dat de eigenaar of een vertegenwoordiger van de eigenaars de volgende aanvragen van exploitanten bij hen indient:

a)

aanvragen voor de afgifte van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten, als bedoeld in artikel 22;

b)

aanvragen voor de afgifte van duplicaten van identificatiedocumenten, als bedoeld in artikel 25;

c)

aanvragen voor de afgifte van vervangende identificatiedocumenten, als bedoeld in artikel 26;

d)

aanvragen voor de wijziging van identificatiegegevens in bestaande unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten, als bedoeld in artikel 30.

DEEL 2

UNIFORME TOEPASSING VAN HET IDENTIFICATIESYSTEEM VOOR PAARDACHTIGEN

HOOFDSTUK I

Uniforme regels betreffende het geautomatiseerde gegevensbestand voor paardachtigen

Artikel 4

Informatie betreffende de bevoegde autoriteiten en gemachtigde instanties die unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten voor paardachtigen afgeven

1.   De lidstaten stellen een lijst op van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de gemachtigde instanties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten voor paardachtigen, houden die lijst actueel en stellen die lijst ter beschikking van de andere lidstaten en het publiek op een door de bevoegde autoriteit opgezette website.

2.   De in lid 1 bedoelde lijst:

a)

bevat de contactgegevens die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 11, 22, 27 en 28;

b)

is voldoende begrijpelijk voor non-native speakers en direct toegankelijk via de overeenkomstig lid 3 aan de Commissie verstrekte internetlink die steeds geldig is.

3.   Om de lidstaten te helpen de in lid 1 bedoelde actuele lijsten beschikbaar te stellen, zorgt de Commissie voor een website met een directe link van elke lidstaat naar de vereiste informatie op de in lid 1 bedoelde website.

Artikel 5

Toewijzing van een code aan het geautomatiseerde gegevensbestand en de gegevensbestanden van gemachtigde instanties

1.   De bevoegde autoriteit wijst een code toe aan het geautomatiseerde gegevensbestand en, in voorkomend geval, aan elk gegevensbestand dat in het kader van het geautomatiseerde gegevensbestand is opgezet door gemachtigde instanties, stamboekverenigingen of de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde organisaties en verenigingen, waarin de identificatiegegevens van paardachtigen worden geregistreerd.

2.   De in lid 1 bedoelde code is compatibel met het coderingssysteem van het UELN en bestaat uit een zescijferige code voor het geautomatiseerde gegevensbestand en elk gegevensbestand dat in het kader van het geautomatiseerde gegevensbestand is opgezet, en bestaat uit:

a)

drie cijfers voor de numerieke ISO 3166-landcode;

b)

drie alfanumerieke tekens voor het gegevensbestand.

Artikel 6

Registratie van identificatiegegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand

1.   Bij de eerste identificatie van een paardachtige registreert de bevoegde autoriteit of, indien van toepassing, de gemachtigde instantie, stamboekverenigingen en de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde organisaties en verenigingen de identificatiegegevens van de paardachtige in het geautomatiseerde gegevensbestand onder de unieke code.

2.   De in lid 1 bedoelde unieke code bestaat uit:

a)

de code die overeenkomstig artikel 5, lid 2, aan het geautomatiseerde gegevensbestand of de gegevensbestanden van gemachtigde instanties, stamboekverenigingen en de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde organisaties en verenigingen is toegekend, gevolgd door:

b)

een individueel identificatienummer van negen tekens dat aan de paardachtige is toegekend.

3.   De unieke code is de referentie voor elke toegang tot en uitwisseling van gegevens tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden en de gegevensbestanden van gemachtigde instanties, stamboekverenigingen en de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde organisaties en verenigingen.

4.   Wanneer gemachtigde instanties, stamboekverenigingen en de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde organisaties en verenigingen gegevensbestanden opzetten in het kader van het geautomatiseerde gegevensbestand, zorgen zij ervoor dat ten minste de in deel A, punten 1 tot en met 7, en deel C van sectie I en deel II van sectie II van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bedoelde gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand zijn weergegeven.

Artikel 7

Operationele regels voor de geautomatiseerde gegevensbestanden van paardachtigen en toegang tot de daarin opgenomen gegevens

1.   De lidstaten treffen passende technische en organisatorische maatregelen om ervoor te zorgen dat de geautomatiseerde gegevensbestanden blijven functioneren in geval van mogelijke storingen, en waarborgen de beveiliging, bescherming, integriteit en authenticiteit van de in de geautomatiseerde gegevensbestanden opgeslagen gegevens.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat, op hun verzoek, exploitanten van inrichtingen met betrekking tot paardachtigen die in hun inrichting worden gehouden, exploitanten van paardachtigen met betrekking tot die dieren, en exploitanten van slachthuizen met betrekking tot paardachtigen die aan hun slachthuis worden aangeboden om te worden geslacht, ten minste kosteloze read-onlytoegang hebben tot de volgende informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand over bovengenoemde paardachtigen:

a)

de unieke code, als bedoeld in artikel 6, lid 2;

b)

indien beschikbaar, de identificatiecode van het dier als bedoeld in deel 1, punt 1), of deel 2, punt 2), van bijlage I en weergegeven met het fysieke identificatiemiddel als bedoeld in punt a), b), c), e) of f), van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

c)

de status van de paardachtige als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie.

3.   De lidstaten verlenen de bevoegde autoriteiten en de gemachtigde instanties lees-schrijftoegang tot het geautomatiseerde gegevensbestand om identificatiegegevens van paardachtigen in te voeren of gegevens uit te wisselen tussen dat geautomatiseerde gegevensbestand en de door gemachtigde instanties beheerde gegevensbestanden.

4.   De lidstaten verlenen de overeenkomstig artikel 4, lid 1, in een lijst opgenomen bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of, in voorkomend geval, gemachtigde instanties in die andere lidstaten, kosteloze read-onlytoegang tot de in lid 2, punten a), b) en c), bedoelde informatie in hun geautomatiseerde gegevensbestanden voor de paardachtigen die gewoonlijk op hun grondgebied worden gehouden.

5.   In afwijking van lid 2 van dit artikel mogen de lidstaten exploitanten van paardachtigen als bedoeld in artikel 102, lid 4, van Verordening (EU) 2016/429 en verantwoordelijke dierenartsen lees-schrijftoegang verlenen tot relevante gegevensreeksen in het geautomatiseerde gegevensbestand, mits de gegevensbescherming overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt gewaarborgd.

Artikel 8

Technische voorwaarden en modaliteiten voor de uitwisseling van elektronische gegevens tussen geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten met betrekking tot paardachtigen

1.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 108, lid 4, van Verordening (EU) 2016/429 besluiten om identificatiegegevens van paardachtigen in hun geautomatiseerde gegevensbestanden rechtstreeks uit te wisselen met de overeenkomstige geautomatiseerde gegevensbestanden in andere lidstaten, worden de in artikel 64, punten a), b) en c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde gegevens als elektronische gegevens tussen de geautomatiseerde gegevensbestanden van de lidstaten uitgewisseld in het XSD-formaat (XML-schemadefinitie) dat de Commissie ter beschikking stelt en waarvoor zij zich heeft gebaseerd op de in artikel 37 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 bedoelde relevante normen.

2.   De bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de inrichting waarheen de paardachtige is verplaatst en waar de paardachtige zijn gewone verblijfplaats zal hebben, kan de bevoegde autoriteit van de inrichting van oorsprong om de in lid 1 bedoelde gegevens verzoeken en elke doorzending wordt voorzien van een tijdstempel.

Artikel 9

Termijnen voor en verplichtingen met betrekking tot de registratie van paardachtigen in het geautomatiseerde gegevensbestand

Exploitanten van paardachtigen zorgen ervoor dat de overeenkomstig artikel 64, punten b) en c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 vereiste gegevens aan de bevoegde autoriteit toekomen binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn die niet langer mag zijn dan zeven dagen vanaf de datum waarop de paardachtige overeenkomstig artikel 102, lid 1, punt b), ii), van Verordening (EU) 2016/429 is geregistreerd als zijn gewone verblijfplaats hebbende in de inrichting van de exploitant.

HOOFDSTUK II

Technische specificaties en procedures, modellen, ontwerpen en operationele regels voor de identificatiemiddelen en -methoden

Sectie 1

Technische specificaties en procedures, modellen, ontwerpen en regels voor het aanbrengen van de identificatiemiddelen en het toepassen van de identificatiemethoden

Artikel 10

Technische specificaties voor identificatiemiddelen en -methoden

1.   De lidstaten zetten een systeem op om te waarborgen dat de code die wordt weergegeven door transponders die in elektronische identificatiemiddelen, zoals injecteerbare transponders, elektronische oormerken of elektronische pootbanden, worden gebruikt voor de identificatie van paardachtigen die in de Unie zijn geboren of in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht na binnenkomst uit een derde land, uniek is.

2.   Elektronische identificatiemiddelen voldoen aan de technische specificaties van bijlage I, deel 1.

3.   Oormerken en pootbanden voldoen aan de technische specificaties van bijlage I, deel 2.

Artikel 11

Termijn voor het aanbrengen van de identificatiemiddelen

1.   Exploitanten van paardachtigen waarborgen dat injecteerbare transponders of, in overeenstemming met artikel 59, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, oormerken bij paardachtigen worden aangebracht op het moment dat het identificatieformulier voor de aanvraag van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument wordt ingevuld, of kort ervoor, binnen de in artikel 21 vastgelegde termijn voor identificatie.

2.   Exploitanten van paardachtigen die bestemd zijn om overeenkomstig artikel 43, lid 2, naar een slachthuis te worden verplaatst, zorgen ervoor dat het identificatiemiddel bij de paardachtige wordt aangebracht onmiddellijk na ontvangst van de bevoegde autoriteit van de bijbehorende documentatie in een vorm waarin die bevoegde autoriteit voorziet om aan de voorschriften inzake de informatie over de voedselketen van sectie III van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004 te voldoen.

3.   De beperkte termijn tussen het aanbrengen van de identificatiemiddelen en het invullen van het identificatieformulier voor de aanvraag van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, als bedoeld in lid 1, is niet van toepassing op de identificatie van:

a)

van paardachtigen die half in het wild leven en die overeenkomstig artikel 60 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 worden geïdentificeerd;

b)

veulens van minder dan zes maanden oud wanneer zij voor certificeringsdoeleinden met een identificatiemiddel zijn gemerkt om hun moederdier te vergezellen voor een tijdelijk verblijf in:

i)

een andere lidstaat voor een periode van minder dan dertig dagen of overeenkomstig artikel 64, punt c), iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, of

ii)

een derde land.

Artikel 12

Maatregelen om een eerdere identificatie van paardachtigen op te sporen

1.   Alvorens overeenkomstig artikel 13 het identificatiemiddel bij de paardachtige aan te brengen, zorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 13, lid 1, bedoelde dierenarts of gekwalificeerde persoon ervoor dat maatregelen worden genomen om mogelijke tekenen of merken van een eerdere identificatie van de paardachtige door middel van injecteerbare transponders of oormerken op te sporen. Die maatregelen behelzen ten minste de volgende elementen:

a)

een controle van de paardachtige op een eerder geïmplanteerde injecteerbare transponder, met gebruikmaking van een uitleesapparaat dat minstens aan de voorschriften van bijlage I, deel 1, punt 2, b), voldoet, waarbij het uitleesapparaat in direct contact met de huid van de paardachtige wordt gebracht op de plek waar een transponder overeenkomstig artikel 13, lid 2, zou zijn geïmplanteerd;

b)

eventuele klinische tekenen die erop wijzen dat een eerder geïmplanteerde transponder of een eerder aangebracht merk chirurgisch is verwijderd of gewijzigd;

c)

eventuele tekens of aanwijzingen dat er een overeenkomstig artikel 16 toegelaten alternatieve identificatiemethode op de paardachtige is toegepast.

2.   Als de in lid 1 van dit artikel vastgestelde maatregelen het bestaan van een eerder geïmplanteerde injecteerbare transponder of een oormerk of een overeenkomstig artikel 16 toegepaste alternatieve identificatiemethode aan het licht brengen, waaruit blijkt dat eerder al een volledige identificatie overeenkomstig hoofdstuk III, sectie 2, heeft plaatsgevonden, zorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie voor:

a)

de afgifte van een duplicaat van het identificatiedocument of een vervangend identificatiedocument overeenkomstig artikel 25 of artikel 26, afhankelijk van de beschikbare informatie;

b)

de passende registratie van de door de transponder of het oormerk weergegeven code of de informatie over de alternatieve methode voor de verificatie van de identiteit in de te gebruiken rubrieken voor identificatiegegevens in deel A en de getekende schets in deel B van sectie I van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

3.   Als bij een in de Unie geboren paardachtige wordt vastgesteld dat een injecteerbare transponder, een oormerk of een in lid 1, punt c), bedoelde alternatieve identificatiemethode ongedocumenteerd is verwijderd, geeft de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie overeenkomstig artikel 25 een duplicaat van het identificatiedocument of overeenkomstig artikel 26 een vervangend identificatiedocument af.

Artikel 13

Procedures en operationele regels voor de identificatiemiddelen en -methoden

1.   De identificatiemiddelen worden door een dierenarts of, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, door een bevoegde en naar behoren opgeleide en gekwalificeerde persoon aangebracht.

2.   De injecteerbare transponder wordt, na passende voorbereiding van de injectieplek, parenteraal geïmplanteerd aan de linkerkant van de hals van de paardachtige, in het midden tussen de nek en de schoft in de zone van het nekligament.

3.   Wanneer de identificatie overeenkomstig artikel 59, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 met een oormerk wordt uitgevoerd, wordt het oormerk aan de oorschelp van het linkeroor van de paardachtige bevestigd.

4.   De code die na injectie of aanbrenging door de in punt a), b), c), e) of f) van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen wordt weergegeven, wordt door of onder de verantwoordelijkheid van de in lid 1 bedoelde persoon geregistreerd in het aangewezen veld van het identificatieformulier dat vereist is om een uniek, levenslang geldig identificatiedocument aan te vragen of rechtstreeks in sectie I, deel A, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

Artikel 14

Verwijdering, wijziging of vervanging van de identificatiemiddelen en de termijnen voor dergelijke handelingen

1.   Wanneer een transponder niet langer functioneert en moet worden vervangen, wordt de paardachtige geïdentificeerd met een nieuwe transponder met een nieuwe code, in welk geval de nieuwe transpondercode aanvullend wordt geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand en, in voorkomend geval, in het gegevensbestand van de gemachtigde instantie, alsook in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument in sectie I, deel C, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

2.   Een verloren of onleesbaar oormerk dat overeenkomstig artikel 13, lid 3, werd aangebracht, wordt vervangen door een oormerk met een nieuwe code, in welk geval de nieuwe code aanvullend wordt geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand en, in voorkomend geval, in het gegevensbestand van de gemachtigde instantie, alsook in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument in sectie I, deel C, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

3.   Exploitanten zorgen ervoor dat de identificatiemiddelen die verloren zijn gegaan of niet langer correct functioneren zo spoedig mogelijk worden vervangen, en in ieder geval binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn die niet langer mag zijn dan dertig dagen vanaf de datum van vaststelling van verlies of storing en voordat de paardachtige de inrichting waar hij gewoonlijk verblijft, verlaat.

4.   In afwijking van lid 2 kan de bevoegde autoriteit, wanneer een paardachtige met nog andere identificatiemiddelen dan één enkel oormerk is geïdentificeerd, toestaan dat het oormerk dat onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, wordt vervangen door een nieuw oormerk met de identificatiecode van het dier zoals weergegeven door de andere identificatiemiddelen.

5.   Exploitanten van geregistreerde paardachtigen stellen de stamboekvereniging of de in artikel 22, lid 2 respectievelijk lid 3, bedoelde organisatie of vereniging in kennis van elke wijziging van de code die door de identificatiemiddelen wordt weergegeven.

Artikel 15

Te nemen maatregelen met betrekking tot de identificatiemiddelen in geval van slachting, doding of overlijden van paardachtigen

1.   De bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op het moment van slachting of overlijden van de paardachtige de identificatiemiddelen beschermd zijn tegen later frauduleus gebruik door ze te recupereren en te vernietigen, of door ze ter plaatse te verwijderen.

2.   Als de injecteerbare transponder niet kan worden verwijderd bij een voor menselijke consumptie geslachte paardachtige en het vlees of het gedeelte van het vlees waarin zich de transponder bevindt overeenkomstig artikel 45, punt m), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 ongeschikt voor menselijke consumptie wordt verklaard, worden de daaruit voortkomende dierlijke bijproducten verwijderd om aan de voorschriften van lid 1 van dit artikel te voldoen.

Sectie 2

Alternatieve identificatiemethoden

Artikel 16

Toelating van alternatieve identificatiemethoden

1.   Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 62 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 een geschikte alternatieve identificatiemethode heeft toegestaan voor de verificatie van de identiteit van gehouden paardachtigen die op zijn grondgebied zijn geboren, met inbegrip van onderscheidende merken die van nature aanwezig zijn of zijn aangebracht en genetische merkers, zorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie ervoor dat de nadere gegevens van deze alternatieve identificatiemethode zijn geverifieerd voordat ze in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument en het geautomatiseerde gegevensbestand worden geregistreerd.

2.   De lidstaten mogen eisen dat alternatieve methoden voor de verificatie van de identiteit die gebaseerd zijn op genetische merkers worden gebruikt als aanvulling op de identificatievoorschriften van artikel 109, lid 1, punt d), ii), van Verordening (EU) 2016/429 voor paardachtigen die in die lidstaat zijn geboren of er hun gewone verblijfplaats hebben.

3.   De lidstaten stellen informatie over hun toegelaten alternatieve identificatiemethoden als bedoeld in lid 1 van dit artikel ter beschikking van de Commissie, de andere lidstaten en het publiek op de in artikel 4, lid 1, bedoelde website.

4.   Wanneer een alternatieve identificatiemethode als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt gebruikt om paardachtigen te identificeren, worden de gegevens in het uitgebreide model van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument geregistreerd.

5.   In het geval van paardachtigen met unieke kleurmerken, zoals zebra’s, in geconsigneerde inrichtingen, kan de bevoegde autoriteit toestaan dat een volledige getekende schets door een foto van hoge kwaliteit wordt vervangen.

6.   Als een alternatieve identificatiemethode als bedoeld in lid 1 wordt toegepast, verstrekt de exploitant de middelen om toegang tot die identificatiegegevens te krijgen of draagt hij, in voorkomend geval, de kosten of accepteert hij de gevolgen van de vertragingen om de identiteit van de paardachtige te verifiëren.

HOOFDSTUK III

Technische specificaties, modellen en operationele regels voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

Sectie 1

Technische specificaties en modellen van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

Artikel 17

Minimumvoorschriften met betrekking tot het model, het ontwerp en de inhoud van unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten

1.   Het unieke, levenslang geldige identificatiedocument bestaat in de volgende modellen:

a)

een standaardmodel (standaardidentificatiedocument) dat toereikend is om de overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2016/429 en (EU) 2019/6 vereiste minimuminformatie voor de identificatie van paardachtigen te bevatten, dat bestaat uit de secties I, II en III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening en dat voldoet aan de aanvullende voorschriften van deel 2 van die bijlage;

b)

een uitgebreid model (uitgebreid identificatiedocument) dat toereikend is om de overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2016/429, (EU) 2019/6 en (EU) 2016/1012 en artikel 65, lid 2, punt d), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 vereiste minimuminformatie voor de identificatie van paardachtigen te bevatten, dat bestaat uit de secties I tot en met X van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening en dat voldoet aan de aanvullende voorschriften van deel 2 van die bijlage.

2.   Het unieke, levenslang geldige identificatiedocument wordt pas afgegeven nadat ten minste de overeenkomstig deel A, punten 1, 2 en 4 tot en met 7, en deel B, punten 12 tot en met 18, en, indien van toepassing overeenkomstig artikel 16, sectie X van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, vereiste informatie is ingevoerd.

3.   De vorm van het silhouet van de paardachtige in de getekende schets in sectie I, deel B, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, mag worden aangepast indien het document wordt afgegeven voor een andere paardachtige dan een paard.

4.   De bevoegde autoriteit mag toestaan dat in het geval van een standaardidentificatiedocument de volgende informatie alleen hoeft te worden ingevuld wanneer de paardachtige overeenkomstig artikel 39, lid 2, van de slacht voor menselijke consumptie is uitgesloten:

a)

sectie I, deel A, punt 3, a) tot en met h), van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1;

b)

sectie I, deel B, punten 12 tot en met 18, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

5.   De omtrek van zwilwratten in sectie X van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, is alleen vereist in unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten die worden afgegeven voor paardachtigen die niet met een injecteerbare transponder of oormerk zijn geïdentificeerd en die geen merktekens of slechts drie of minder kruinen hebben.

6.   De plaats waar een injecteerbare transponder wordt geïmplanteerd, wordt aangeduid op de getekende schets in sectie I, deel B, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

Artikel 18

Minimumvoorschriften met betrekking tot de technische specificaties van de unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten

1.   Het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voldoet aan de aanvullende voorschriften in bijlage II, deel 2.

2.   Wanneer in de in artikel 21, lid 4, beschreven gevallen het unieke, levenslang geldige identificatiedocument wordt afgegeven in het uitgebreide model dat bestaat uit twee delen, met name het in artikel 17, lid 1, bedoelde standaardmodel en de secties IV tot en met X die als ondeelbaar geheel in het opbergvakje van de omslag worden ingevoegd, zoals bepaald in bijlage II, deel 2, punt b), legt de in sectie IV ingevoerde unieke code het verband tussen het standaardmodel enerzijds en de secties IV tot en met X anderzijds.

Artikel 19

Registratie van de transpondercode in het identificatiedocument

1.   Wanneer een injecteerbare transponder overeenkomstig artikel 11 wordt geïmplanteerd in een paardachtige, registreert de bevoegde autoriteit of de gemachtigde instantie de volgende gegevens in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument:

a)

ten minste de laatste 15 cijfers van de code die door de transponder wordt uitgezonden en door het uitleesapparaat wordt weergegeven na de implantatie, en optioneel

i)

een zelfklevende sticker met een barcode, mits de bladzijde van het identificatiedocument vervolgens wordt verzegeld, of

ii)

een afdruk van de in punt i) bedoelde barcode met ten minste de laatste 15 cijfers van de code die door de transponder wordt uitgezonden;

b)

de handtekening van de gekwalificeerde persoon die de beschrijving in deel A en de getekende schets in deel B van sectie I van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, heeft ingevuld en die de code van de transponder na de implantatie ervan heeft uitgelezen, of van de persoon die deze informatie reproduceert met het oog op de afgifte van het identificatiedocument overeenkomstig de regels van de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekvereniging of organisatie of vereniging.

2.   Indien een paardachtige voorheen werd geïdentificeerd met een injecteerbare transponder die niet aan de huidige ISO-normen voldoet, wordt het uitleesapparaat ingevoegd in sectie I, deel A, punt 5), van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

Artikel 20

Gebruik van plastic kaarten, smartcards of digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten samen met de unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten

1.   Wanneer het unieke, levenslang geldige identificatiedocument samen met een plastic kaart of een smartcard wordt afgegeven, voldoen die kaarten aan de voorschriften van bijlage III.

2.   De lidstaten mogen het gebruik toestaan van digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten die minstens de identificatiegegevens weergeven die in het geautomatiseerde gegevensbestand zijn opgeslagen, met het oog op de identificatie van de paardachtige tijdens verplaatsingen:

a)

op hun nationale grondgebied;

b)

naar lidstaten die onder de afwijking van artikel 69 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 vallen;

c)

naar derde landen die een dergelijke identificatie hebben toegestaan.

3.   De lidstaten staan het gebruik van plastic kaarten, smartcards of digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten echter niet toe als het enige identificatiedocument wanneer de paardachtige naar een slachthuis wordt verplaatst.

Sectie 2

Operationele regels voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

Artikel 21

Termijnen voor identificatie

1.   De exploitant van een paardachtige zorgt ervoor dat een paardachtige die onder zijn verantwoordelijkheid valt, wordt geïdentificeerd binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn van ten hoogste twaalf maanden vanaf de geboortedatum van het dier en in elk geval voordat het dier de inrichting waar het is geboren, verlaat voor een periode van meer dan dertig dagen, tenzij:

a)

de in artikel 66, lid 2, punt c) of punt e), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde afwijkingen van toepassing zijn, of

b)

een dergelijke verplaatsing plaatsvindt overeenkomstig artikel 43, lid 2, of

c)

de paardachtige behoort tot een populatie paardachtigen die half in het wild leeft en de voorwaarden van artikel 60 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van toepassing zijn.

2.   In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen stamboekverenigingen die stamboeken voor raszuivere fokpaarden en -ezels hebben opgesteld, overeenkomstig de identificatievoorschriften van deel 3, punt 1, van bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1012 eisen dat de dieren worden geïdentificeerd als ongespeend veulen dat nog afhankelijk is van het moederdier.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 mag te allen tijde een nieuw uniek, levenslang geldig identificatiedocument worden afgegeven:

a)

op verzoek van of door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie indien het bestaande unieke, levenslang geldige identificatiedocument niet voldoet aan de eisen van artikel 17 of indien bepaalde identificatiegegevens in sectie I, II of III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, niet nauwkeurig door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie van afgifte zijn ingevoerd, of

b)

indien het unieke, levenslang geldige identificatiedocument dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, niet aan de voorschriften van artikel 17 kan worden aangepast.

4.   Een nieuw uniek, levenslang geldig identificatiedocument wordt in uitgebreide vorm afgegeven of het bestaande standaardidentificatiedocument wordt aangevuld tot een uitgebreid identificatiedocument door toevoeging van de secties IV tot en met X van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening, in het geval van een paardachtige die:

a)

overeenkomstig artikel 92, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 moet worden geüpgraded naar een paardachtige met een hoge gezondheidsstatus, of

b)

als raszuiver fokpaard of raszuivere fokezel in de hoofdsectie moet worden ingevoerd of als paardachtige moet worden geregistreerd in een aanvullende sectie van een stamboek dat is opgesteld door een stamboekvereniging die een overeenkomstig artikel 8 of artikel 12 van Verordening (EU) 2016/1012 goedgekeurd fokprogramma uitvoert, of

c)

moet worden geregistreerd als een geregistreerd paard als bedoeld in artikel 2, punt 5, b), overeenkomstig de regels van de respectieve vereniging of organisatie die paarden met het oog op wedstrijden of paardenrennen beheert.

5.   Voordat overeenkomstig de leden 3 en 4 een nieuw uniek, levenslang geldig identificatiedocument wordt afgegeven en aan de exploitant van de paardachtige wordt bezorgd, wordt het bestaande unieke, levenslang geldige identificatiedocument door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, door de gemachtigde instantie bijgehouden en ongeldig gemaakt, en worden de ongeldigverklaring van het bestaande identificatiedocument en de afgifte van het nieuwe unieke, levenslang geldige identificatiedocument geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand onder verwijzing naar de oorspronkelijk aan de paardachtige toegekende unieke code.

Artikel 22

Aanvragen voor identificatiedocumenten voor in de Unie geboren paardachtigen en de afgifte en bezorging van dergelijke documenten

1.   De bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie in de lidstaat waar de inrichting waar de paardachtige is geboren, zich bevindt, geeft op verzoek van de exploitant unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten af voor andere paardachtigen dan de in de leden 2 en 3 bedoelde paardachtigen.

Op verzoek van de exploitant kan de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie het standaardmodel van het in de eerste alinea bedoelde unieke, levenslang geldige identificatiedocument afgeven.

2.   Stamboekverenigingen die overeenkomstig artikel 8 of artikel 12 van Verordening (EU) 2016/1012 goedgekeurde fokprogramma’s uitvoeren in de lidstaat waar de inrichting waar de paardachtige is geboren, zich bevindt, geven op verzoek van de exploitant uitgebreide identificatiedocumenten af voor de in artikel 2, punt 5, a), bedoelde geregistreerde paardachtigen en voor paardachtigen die in een aanvullende sectie van een stamboek voor het betrokken ras moeten worden geregistreerd.

3.   Nationale federaties, filialen of autoriteiten van internationale organisaties of verenigingen die paarden beheren met het oog op wedstrijden of paardenrennen in de lidstaat waar de inrichting waar de paardachtige is geboren, zich bevindt, geven op verzoek van de exploitant uitgebreide identificatiedocumenten af voor de in artikel 2, punt 5, b), bedoelde geregistreerde paardachtigen.

4.   Tenzij beide taken, met name de afgifte en de bezorging van de uitgebreide unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten, gedelegeerd zijn aan stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen als bedoeld in respectievelijk lid 2 en lid 3, bezorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, het unieke, levenslang geldige identificatiedocument dat overeenkomstig lid 2 of lid 3 is afgegeven, aan de in lid 2 respectievelijk lid 3 bedoelde verzoekende exploitant.

5.   Voor de bezorging van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument overeenkomstig lid 4 stelt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie procedures vast voor:

a)

de veilige overdracht door de in respectievelijk lid 2 en lid 3 bedoelde stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen van

i)

het overeenkomstig lid 2 of lid 3 afgegeven unieke, levenslang geldige identificatiedocument;

ii)

de gegevens die overeenkomstig artikel 6 in het geautomatiseerde gegevensbestand moeten worden ingevoerd;

b)

de bezorging van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument aan de in respectievelijk lid 2 en lid 3 bedoelde verzoekende exploitant.

Artikel 23

Operationele regels voor het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

1.   De bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, en de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen zorgen ervoor dat de volgorde en de nummering van de secties van de identificatiedocumenten als vastgesteld in het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, ongewijzigd blijven en dat voor de secties die ruimte bieden voor meerdere vermeldingen, voldoende bladzijden in het identificatiedocument zijn opgenomen.

2.   De bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen, zijn verantwoordelijk voor het veilige beheer van de blanco en ingevulde identificatiedocumenten in hun kantoren.

3.   Wanneer een alternatieve identificatiemethode is toegestaan, voert de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekverenigingen en organisaties en verenigingen, de informatie in sectie I, deel A, punt 6 of punt 7, en, indien van toepassing, in sectie X van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, in en wordt deze informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand geregistreerd.

Artikel 24

Afwijking voor het verplaatsen of vervoeren van paardachtigen die vergezeld gaan van een tijdelijk identificatiedocument

1.   Op verzoek van de exploitant van de paardachtige geeft de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie een tijdelijk document af, dat als zodanig is gekenmerkt, overeenkomstig het model van het tijdelijke identificatiedocument in bijlage IV, op grond waarvan de paardachtigen binnen dezelfde lidstaat mogen worden verplaatst of vervoerd voor een periode van ten hoogste 45 dagen, terwijl het ingeleverde identificatiedocument, en met name de identificatiegegevens erin, door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie worden geactualiseerd.

2.   Het in lid 1 bedoelde tijdelijke identificatiedocument wordt aangevuld met een formulier dat in overeenstemming is met sectie II van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, om de in artikel 40 bedoelde gegevens in te voeren.

3.   Overeenkomstig artikel 66, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 mogen exploitanten paardachtigen die vergezeld gaan van een in lid 1 bedoeld tijdelijk document, niet naar een slachthuis vervoeren met het oog op slachting voor menselijke consumptie.

4.   Een tijdelijk document is niet vereist voor een paardachtige waarvoor identificatiegegevens beschikbaar zijn in digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten en die wordt gehouden in een lidstaat die het gebruik van digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten overeenkomstig artikel 20, lid 2, heeft toegestaan en uitgerold.

Artikel 25

Afgifte van duplicaten van identificatiedocumenten

1.   Een duplicaat van een identificatiedocument wordt afgegeven wanneer:

a)

het originele identificatiedocument is zoekgeraakt en de identiteit van de paardachtige kan worden vastgesteld, met name dankzij de door de transponder uitgezonden code of de alternatieve methode voor de verificatie van de identiteit overeenkomstig artikel 16, of

b)

de paardachtige niet binnen de in artikel 21, artikel 37 of artikel 43, lid 2, vastgestelde termijnen is geïdentificeerd.

2.   In de in lid 1 beschreven gevallen moet de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bestuurlijke gebied waar de paardachtige gewoonlijk wordt gehouden, of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, op verzoek van de exploitant:

a)

indien nodig, gelasten om bij de paardachtige een fysiek identificatiemiddel aan te brengen of het dier door middel van een toegelaten alternatieve methode voor de verificatie van de identiteit overeenkomstig artikel 16 te identificeren;

b)

de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekvereniging of organisatie of vereniging, die het verloren originele unieke, levenslang geldige identificatiedocument heeft afgegeven, verzoeken om:

i)

een duplicaat van het identificatiedocument af te geven in standaard- of uitgebreide vorm, afhankelijk van het verzoek van de exploitant;

ii)

het duplicaat over te dragen aan de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, aan de gemachtigde instantie, als bedoeld in de inleidende zin van dit lid, voor bezorging aan de exploitant;

c)

het duplicaat van het identificatiedocument dat duidelijk als zodanig is gekenmerkt registreren in het geautomatiseerde gegevensbestand, onder verwijzing naar de unieke code als geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand van de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, of de in artikel 22, respectievelijk lid 2 en lid 3, bedoelde stamboekvereniging of organisatie of vereniging die:

i)

het verloren originele unieke, levenslang geldige identificatiedocument heeft afgegeven, of

ii)

het in lid 1, punt b), bedoelde duplicaat van het identificatiedocument voor een paardachtige heeft afgegeven;

d)

indien de paardachtige niet reeds van de slacht voor menselijke consumptie is uitgesloten, de status van de paardachtige aanpassen overeenkomstig artikel 38, lid 1, punt b), ii), of lid 2, punt b), in het duplicaat van het identificatiedocument.

3.   De gegevens van het overeenkomstig lid 2 afgegeven duplicaat van het identificatiedocument worden onder verwijzing naar de unieke code in het geautomatiseerde gegevensbestand ingevoerd.

4.   Indien het verloren originele unieke, levenslang geldige identificatiedocument vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven door een instantie van afgifte die niet meer bestaat of geen opvolger heeft, wordt het duplicaat van het identificatiedocument overeenkomstig lid 2 afgegeven door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie van de lidstaat waar de paardachtige zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 26

Afgifte van vervangende identificatiedocumenten

1.   Er wordt voor een paardachtige een vervangend uniek, levenslang geldig identificatiedocument afgegeven wanneer:

a)

het originele unieke, levenslang geldige identificatiedocument verloren is gegaan, en:

i)

de identiteit van de paardachtige niet kan worden achterhaald;

ii)

er geen aanwijzingen of bewijzen zijn dat al eerder een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor de paardachtige is afgegeven, of

b)

het fysieke identificatiemiddel of het unieke, levenslang geldige identificatiedocument is verwijderd, gewijzigd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de inrichting waar de paardachtige gewoonlijk wordt gehouden.

2.   In de in lid 1 beschreven gevallen moet de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bestuurlijke gebied waar de paardachtige gewoonlijk wordt gehouden, of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, op verzoek van de exploitant of de bevoegde autoriteit:

a)

het aanbrengen bij de paardachtige van een fysiek identificatiemiddel gelasten;

b)

een nieuwe unieke code aan het dier toewijzen die overeenkomt met de gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand waarin de afgifte van dit vervangend identificatiedocument is geregistreerd;

c)

een vervangend identificatiedocument dat duidelijk als zodanig is gekenmerkt, afgeven en bezorgen in standaard- of uitgebreide vorm, afhankelijk het verzoek van de exploitant;

d)

de paardachtige verklaren als niet bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie door een passende vermelding in sectie II, deel II, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, en in het geautomatiseerde gegevensbestand.

3.   De gegevens van het overeenkomstig lid 2 afgegeven vervangend identificatiedocument worden onder verwijzing naar de unieke code in het geautomatiseerde gegevensbestand ingevoerd.

Artikel 27

Te nemen maatregelen met betrekking tot het unieke, levenslang geldige identificatiedocument in geval van slachting, doding of overlijden van paardachtigen

1.   Bij het slachten of doden van een paardachtige worden onder verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen genomen met betrekking tot het unieke, levenslang geldige identificatiedocument:

a)

het wordt gerecupereerd en beschermd tegen gebruik voor frauduleuze doeleinden;

b)

het wordt op doeltreffende wijze ongeldig gemaakt;

c)

het wordt:

i)

vernietigd in het slachthuis waar de paardachtige is geslacht, en aan de instantie van afgifte die een uniek, levenslang geldig identificatiedocument vóór de datum van toepassing van deze verordening heeft afgegeven, of aan de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, zoals vermeld in sectie I, deel A, van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, wordt, hetzij rechtstreeks, hetzij via het in artikel 28, lid 2, bedoelde contactpunt, een verklaring toegestuurd met de datum van slachting van de paardachtige en met vermelding zijn unieke code, of

ii)

na de in punt b) bedoelde ongeldigverklaring, ingeleverd bij de instantie van afgifte, in het geval van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, of bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, zoals vermeld in sectie I, deel A, van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, hetzij rechtstreeks, hetzij via het in artikel 28, lid 2, bedoelde contactpunt, samen met informatie over de datum waarop het dier is geslacht of gedood in het kader van de bestrijding van een ziekte.

2.   In alle gevallen waarbij een paardachtige, anders dan bedoeld in lid 1 van dit artikel, is gestorven of verdwenen, met inbegrip van diefstal, levert de exploitant van de paardachtige het unieke, levenslang geldige identificatiedocument uiterlijk dertig dagen na de dood of het verlies van de paardachtige in bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie zoals vermeld in sectie 1, deel A, of bijgewerkt in sectie 1, deel C, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

Artikel 28

Verplichtingen voor de lidstaten en de bevoegde autoriteiten om de overdracht van informatie na het slachten, doden, overlijden of verlies van paardachtigen te waarborgen

1.   De lidstaten stellen procedures vast om de ongeldig gemaakte unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten in te leveren bij de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie van afgifte, als bedoeld in artikel 27, lid 1, punt c), ii).

2.   De lidstaten mogen voorzien in een contactpunt dat de in artikel 27, lid 1, punt c), i), bedoelde verklaring of de in artikel 27, lid 1, punt c), ii), bedoelde identificatiedocumenten in ontvangst neemt en doet toekomen aan de respectieve instantie van afgifte, in het geval van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, of aan de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie op hun grondgebied.

Dit contactpunt mag een verbindingsorgaan zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 zijn.

3.   Wanneer zulks overeenkomstig lid 2 van dit artikel van toepassing is, worden de gegevens van het contactpunt ter beschikking gesteld van de andere lidstaten en het publiek op de overeenkomstig artikel 4, lid 1, opgezette website.

4.   De instantie van afgifte, in het geval van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, of de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie die overeenkomstig artikel 27 informatie over de dood of het verlies van een paardachtige heeft ontvangen, registreert of vervolledigt de identificatiegegevens in het ingeleverde identificatiedocument van de paardachtige in het geautomatiseerde gegevensbestand, of, in het geval van een instantie van afgifte, verzoekt de bevoegde autoriteit om die gegevens te registreren of te vervolledigen.

5.   Wanneer het huishoudelijke reglement van een bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie zulks toelaat, zorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie ervoor dat unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten op doeltreffende wijze, en voordat zij aan de eigenaar ter herinnering aan de paardachtige worden teruggezonden, ongeldig zijn gemaakt om frauduleus gebruik van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument of de daarin opgenomen informatie te voorkomen.

Sectie 3

Termijnen, verplichtingen en procedures voor de doorgifte van gegevens door exploitanten of andere natuurlijke of rechtspersonen en voor de registratie van gehouden paardachtigen in de geautomatiseerde gegevensbestanden

Artikel 29

Verplichtingen van exploitanten met betrekking tot het beheer van identificatiedocumenten om de levenslange identificatie van de paardachtige te waarborgen

1.   Exploitanten van paardachtigen zorgen ervoor dat te allen tijde minstens de volgende identificatiegegevens in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument actueel en correct zijn:

a)

de status van de paardachtige, met name of het dier in aanmerking komt om voor menselijke consumptie te worden geslacht;

b)

de leesbare transpondercode of de oormerkcode of de onderscheidende merken die als alternatieve methode zijn gebruikt;

c)

indien van toepassing, het/de overeenkomstig artikel 92, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 afgegeven valideringsmerkteken of vergunning;

d)

de informatie over het eigendomsrecht over de paardachtige, indien vereist overeenkomstig de nationale wetgeving.

2.   Als het nodig is de in de secties I, II en III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bedoelde identificatiegegevens te actualiseren, dient de exploitant van de paardachtige het identificatiedocument in bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie in de lidstaat waar de paardachtige zijn gewone verblijfplaats heeft:

a)

onmiddellijk na de gebeurtenis die van invloed op de identificatiegegevens is geweest, in het in lid 1, punt a), bedoelde geval;

b)

binnen zeven dagen na de gebeurtenis die van invloed op de identificatiegegevens van de paardachtige is geweest, in de in lid 1, punt b) of punt c) of, indien de exploitant eigenaar is, in punt d) bedoelde gevallen.

3.   De exploitant zorgt ervoor dat de informatie in de secties IV tot en met IX te allen tijde actueel en correct is overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld door de stamboekvereniging, organisatie of vereniging die het document overeenkomstig artikel 22, lid 2 of lid 3, heeft afgegeven.

4.   Niettegenstaande artikel 66, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 wordt het unieke, levenslang geldige identificatiedocument in geval van verandering van eigenaar aan de nieuwe eigenaar overhandigd.

Artikel 30

Verplichtingen met betrekking tot het beheer van identificatiedocumenten om de levenslange identificatie van de paardachtige te waarborgen

1.   De bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie:

a)

zorgt ervoor dat de identificatiegegevens in het identificatiedocument waar nodig worden geactualiseerd, waarbij voor de actualisering van sectie I, deel A of deel B, wordt gebruikgemaakt van de rubrieken in sectie I, deel C, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1;

b)

vervolledigt de vermeldingen in sectie IV van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, wanneer de nationale wetgeving de wijziging van het eigenaarschap vereist;

c)

registreert of vervolledigt de identificatiegegevens in het in artikel 29, lid 2, bedoelde ingediende identificatiedocument in het geautomatiseerde gegevensbestand;

d)

brengt de bevoegde autoriteit, gemachtigde instantie, stamboekvereniging, organisatie of vereniging die het gewijzigde document heeft afgegeven, op de hoogte van de hiervoor genoemde wijzigingen aan de identificatiegegevens in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument en het geautomatiseerde gegevensbestand.

2.   De stamboekverenigingen, organisaties en verenigingen die overeenkomstig artikel 22, lid 2 of lid 3, unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten hebben afgegeven, informeren de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie die het document overeenkomstig artikel 22, lid 4, aan de exploitant heeft bezorgd, over alle wijzigingen die zijn aangebracht in de secties I, II en III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, van elk uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat zij hebben afgegeven.

HOOFDSTUK IV

Praktische toepassing van afwijkingen van de identificatie- en registratievoorschriften voor gehouden paardachtigen

Artikel 31

Half in het wild gehouden paardachtigen

1.   Naast de voorschriften van artikel 60 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 voor de afwijkingen voor de identificatie van half in het wild gehouden paardachtigen, wordt de door de lidstaten te verstrekken informatie over de populaties paardachtigen en de gebieden waar die dieren half in het wild worden gehouden, te allen tijde geactualiseerd en gaat zij vergezeld van geografische gegevens van het gebied van de inrichting waarin deze paardachtigen worden gehouden.

2.   Wanneer half in het wild gehouden paardachtigen van de paardenpopulatie worden verwijderd om naar een slachthuis te worden vervoerd, mag de bevoegde autoriteit, in afwijking van artikel 43, lid 1, de verplaatsing naar een slachthuis in die lidstaat toestaan overeenkomstig de in artikel 43, lid 2, bedoelde afwijking, of waarborgt de bevoegde autoriteit een ononderbroken traceerbaarheid van die dieren door gelijkwaardige maatregelen te nemen.

HOOFDSTUK V

Regels voor verplaatsingen uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 92, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 bedoelde afwijking betreffende de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat

Artikel 32

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit om een in artikel 92, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 bedoeld valideringsmerkteken af te geven

1.   De bevoegde autoriteit stelt de regels en procedures vast voor de aanvraag door exploitanten van inrichtingen waar paardachtigen worden gehouden, om voor een of meer paardachtigen die gewoonlijk in die inrichting worden gehouden, een valideringsmerkteken te verkrijgen dat vereist is voor de afwijking betreffende de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 92, lid 2, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688.

2.   De bevoegde autoriteit inspecteert de inrichting of laat deze namens haar inspecteren en geeft het in lid 1 bedoelde valideringsmerkteken af voor paardachtigen die hun gewone verblijfplaats in die inrichting hebben, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de inrichting wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de toepasselijke regels betreffende identificatie, registratie en traceerbaarheid van paardachtigen en past biobeveiligingsmaatregelen toe om het risico op introductie van in de lijst voor paardachtigen in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 opgenomen ziekten tot een minimum te beperken;

b)

de inrichting wordt onderworpen aan frequente en naar behoren gedocumenteerde diergezondheidsinspecties als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EU) 2016/429;

c)

de paardachtigen die gewoonlijk en tijdelijk in de inrichting worden gehouden, worden onderworpen aan frequente en gedocumenteerde aanvullende identiteitscontroles, gezondheidscontroles en vaccinatie tegen in de lijst en niet in de lijst opgenomen ziekten, die worden uitgevoerd in het kader van de in punt b) bedoelde diergezondheidsinspecties of omdat dergelijke controles en vaccinaties vereist zijn voor hun gebruik voor fokdoeleinden of voor paardensport en paardenrennen;

d)

bij de natuurlijke dekking in de inrichting wordt steeds voldoende afstand gehouden van de andere paardachtigen die gewoonlijk of tijdelijk in die inrichting worden gehouden.

3.   Het in lid 1 bedoelde valideringsmerkteken wordt in het identificatiedocument ingevoerd overeenkomstig de instructie in sectie III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

4.   De afgifte van een in lid 1 bedoeld valideringsmerkteken wordt geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand onder verwijzing naar de unieke code van de paardachtige.

Artikel 33

Afgifte van de in artikel 92, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 bedoelde vergunning

1.   De nationale federatie van de Fédération Equestre Internationale (FEI) voor deelname aan ruiterwedstrijden op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau of de voor paardenrennen bevoegde instantie voor deelname aan paardenrennen stelt de regels en procedures vast voor de aanvraag door exploitanten van een geregistreerde paardachtige om voor die paardachtige een in artikel 92, lid 2, punt b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 bedoelde vergunning te verkrijgen.

2.   De in lid 1 bedoelde organisaties en autoriteiten geven de in dat lid bedoelde vergunning slechts af onder de volgende voorwaarden:

a)

de paardachtige is geregistreerd bij de in lid 1 bedoelde respectieve organisatie of autoriteit voor deelname aan wedstrijden of paardenrennen;

b)

de geregistreerde paardachtige is geïdentificeerd aan de hand van een uitgebreid identificatiedocument waarin gedocumenteerd is dat:

i)

de paardachtige door een dierenarts is gevaccineerd tegen paardeninfluenza en, indien van toepassing, andere ziekten zoals voorgeschreven in de regels en voorschriften van de organisaties die paarden beheren voor wedstrijden of paardenrennen, met inbegrip van die welke niet zijn opgenomen in de lijst in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882;

ii)

de paardachtige minstens tweemaal per jaar door een dierenarts is bezocht, met inbegrip van de diergeneeskundige onderzoeken voor vaccinatie en voor verplaatsing naar andere lidstaten of naar derde landen;

iii)

de paardachtige aan diergezondheidstests is onderworpen, met inbegrip van tests voor certificeringsdoeleinden met betrekking tot verplaatsingen naar derde landen.

3.   De vergunning wordt in het identificatiedocument ingevoerd overeenkomstig de instructie in sectie III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

4.   De afgifte van een vergunning wordt geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand onder verwijzing naar de unieke code van de paardachtige.

HOOFDSTUK VI

Regels voor het gebruik van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor sportdoeleinden en voor het internationale verkeer van wedstrijdpaarden

Artikel 34

Informatie over de eigenaar in sectie IV van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

1.   De informatie over de eigenaar in sectie IV van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, wordt ingevuld door:

a)

de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, wanneer de nationale wetgeving dit vereist, of

b)

de in artikel 33, lid 1, bedoelde organisaties en autoriteiten, wanneer de regels en voorschriften van die organisaties en autoriteiten dit vereisen.

2.   In afwijking van lid 1 mag de informatie over de eigenaar worden verstrekt in de vorm van een eigendomscertificaat of registratiekaart, mits deze laatste wordt geregistreerd in het geautomatiseerde gegevensbestand en betrekking heeft op:

a)

de unieke code van de paardachtige, of

b)

het nummer van het identificatiedocument, in voorkomend geval, en de transpondercode of een toegelaten alternatieve identificatiemethode.

3.   Het eigendomscertificaat of de registratiekaart, als bedoeld in lid 2, wordt bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit of organisaties en autoriteiten ingeleverd als de paardachtige is gestorven of verkocht, gestolen, geslacht of gedood werd of vermist is.

Artikel 35

Invullen van informatie over vaccinatie en gezondheidscontroles in de secties VII, VIII en IX van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

1.   Wanneer de regels en voorschriften van een in artikel 33, lid 1, bedoelde organisatie of autoriteit voor de toegang tot bepaalde ruiterwedstrijden en paardenrennen, specifieke vaccinaties en gezondheidscontroles voorschrijven:

a)

voert de behandelende dierenarts in respectievelijk sectie VII of sectie VIII van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, de gegevens van de vaccinatie tegen paardeninfluenza of andere ziekten in;

b)

voert de dierenarts die namens de bevoegde autoriteit of de in artikel 33, lid 1, bedoelde organisaties en autoriteiten die om de gezondheidscontrole verzoeken, optreedt, in sectie IX van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, de resultaten in van de gezondheidscontroles die door een dierenarts of laboratorium zijn uitgevoerd om een al dan niet in de lijst opgenomen overdraagbare ziekte op te sporen.

2.   Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 20, lid 2, het gebruik van smartcards of digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten heeft toegestaan, wordt de in lid 1, punten a) en b), bedoelde informatie ook opgenomen in die smartcards of digitale toepassingen op draagbare elektronische apparaten.

HOOFDSTUK VII

Identificatie van paardachtigen die uit derde landen de Unie zijn binnengekomen

Artikel 36

Identificatie van paardachtigen die de Unie zijn binnengekomen

In derde landen afgegeven identificatiedocumenten worden overeenkomstig deze verordening geldig geacht voor de identificatie van paardachtigen die in het vrije verkeer zijn gebracht, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

het identificatiedocument werd afgegeven:

i)

voor raszuivere fokpaarden en -ezels: door een fokorgaan in een derde land dat het zoötechnische certificaat afgeeft en dat een van de in artikel 34 van Verordening (EU) 2016/1012 opgesomde fokorganen is, of

ii)

voor geregistreerde paarden: door een nationale afdeling van een internationale vereniging of organisatie die paarden met het oog op wedstrijden of paardenrennen beheert, waarvan het hoofdkantoor zich in een derde land bevindt dat is opgenomen in de lijst voor binnenkomst in de Unie van paardachtigen, of

iii)

in alle andere gevallen: door de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong van de paardachtige;

b)

de identificatiedocumenten voldoen aan alle voorschriften van artikel 17.

Artikel 37

Aanvraag voor identificatiedocumenten voor paardachtigen die de Unie zijn binnengekomen en in het vrije verkeer zijn gebracht

1.   Exploitanten van paardachtigen die vanuit een derde land de Unie zijn binnengekomen, dienen bij de bevoegde autoriteit van de gewone verblijfplaats van de paardachtige of, in voorkomend geval, bij de gemachtigde instantie, een aanvraag in voor de afgifte van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument of voor de registratie van het bestaande identificatiedocument als bedoeld in artikel 36 van deze verordening in het geautomatiseerde gegevensbestand, uiterlijk dertig dagen na afsluiting van de douaneregeling voor het in het vrije verkeer brengen als bedoeld in artikel 201 van Verordening (EU) nr. 952/2013.

2.   Als het in lid 1 bedoelde bestaande identificatiedocument niet aan de voorschriften van artikel 17 voldoet, zorgt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, er op verzoek van de exploitant voor dat:

a)

het identificatiedocument wordt aangevuld, zodat het aan de voorschriften van artikel 17 voldoet;

b)

de identificatiegegevens van de paardachtige en de aanvullende informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand worden geregistreerd.

3.   Als het in artikel 36 bedoelde bestaande identificatiedocument niet zodanig kan worden gewijzigd dat het aan de voorschriften van artikel 17 voldoet, wordt het als ongeldig voor de identificatiedoeleinden overeenkomstig deze verordening beschouwd en wordt de paardachtige geïdentificeerd door overeenkomstig artikel 21, lid 3, een nieuw uniek, levenslang geldig identificatiedocument af te geven dat gebaseerd is op de informatie in het ingediende identificatiedocument waarmee de paardachtige de Unie is binnengekomen.

DEEL 3

DOCUMENTATIE VAN DE STATUS VAN DE PAARDACHTIGE ALS BESTEMD VOOR OF UITGESLOTEN VAN DE SLACHT VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE

Artikel 38

Uitsluiting en uitstel van de slacht van een paardachtige voor menselijke consumptie

1.   Paardachtigen worden geacht bestemd te zijn voor de slacht voor menselijke consumptie, tenzij zij onherroepelijk zijn uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie doordat de desbetreffende vermelding in sectie II, deel II, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, is ingevuld en ondertekend door:

a)

de verantwoordelijke dierenarts, voorafgaand aan een behandeling overeenkomstig artikel 39, lid 2, van deze verordening, of

b)

de bevoegde autoriteit:

i)

in het geval van de afgifte van een nieuw uniek, levenslang geldig identificatiedocument overeenkomstig artikel 21, lid 3, voor een paardachtige waarvoor de eerdere uitsluiting van de slacht voor menselijke consumptie in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument of in het geautomatiseerde gegevensbestand is geregistreerd;

ii)

in het geval van de afgifte van een duplicaat van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument overeenkomstig artikel 25 of van een vervangend uniek, levenslang geldig identificatiedocument overeenkomstig artikel 26;

iii)

in het geval van paardachtigen die de Unie zijn binnengebracht uit een derde land of gebied dat, wat paardachtigen betreft, niet in de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/163/EU is opgenomen, of waarvoor de verklaring inzake de volksgezondheid in punt II.6 van het officiële certificaat voor de binnenkomst in de Unie van niet voor de slacht bestemde paardachtigen (model “EQUI-X”), waarvan de paardachtige tot de grens vergezeld gaat, als vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403, om andere redenen niet is gecertificeerd.

2.   Het slachten van een voedselproducerende paardachtige wordt met minstens zes maanden uitgesteld:

a)

door de verantwoordelijke dierenarts voorafgaand aan een behandeling met een geneesmiddel dat een stof bevat die is opgenomen in de lijst van stoffen in Verordening (EG) nr. 1950/2006 en gedocumenteerd is in sectie II, deel III, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening;

b)

in afwijking van lid 1, punt b), ii), en bij besluit van de bevoegde autoriteit, zoals gedocumenteerd in sectie II, deel V, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening, in geval van afgifte van een duplicaat van het identificatiedocument uiterlijk dertig dagen na de datum van het aangegeven en bewezen verlies van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, indien de exploitant genoegzaam kan bewijzen dat de status van de paardachtige als bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie niet door een medische behandeling in gevaar is gebracht.

Artikel 39

Verplichting van de verantwoordelijke dierenarts met betrekking tot de documentatie in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument van de status van een paardachtige als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie

1.   Voorafgaand aan een behandeling met een diergeneesmiddel dat overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 is toegestaan, of een geneesmiddel dat overeenkomstig artikel 112, lid 4, van die verordening is toegediend, of dat een stof bevat die is opgenomen in de overeenkomstig artikel 115, lid 5, van die verordening opgestelde lijst van stoffen, verifieert de verantwoordelijke dierenarts de status van het dier als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie, zoals gedocumenteerd in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument en, indien toegang is verleend, in het geautomatiseerde gegevensbestand.

2.   Wanneer voor een indicatie betreffende een paardachtige die bestemd is om voor menselijke consumptie te worden geslacht, een geneesmiddel moet worden toegediend overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 en de exploitant in naam van de eigenaar met een dergelijke behandeling heeft ingestemd, zorgt de verantwoordelijke dierenarts ervoor dat de betrokken paardachtige vóór de behandeling onherroepelijk als niet bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie wordt verklaard, door sectie II, deel II, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening in te vullen en te ondertekenen.

3.   Wanneer voor een indicatie betreffende een paardachtige die bestemd is om voor menselijke consumptie te worden geslacht, een geneesmiddel moet worden toegediend dat een stof bevat die in de lijst van Verordening (EG) nr. 1950/2006 is opgenomen, en de exploitant in naam van de eigenaar met een dergelijke behandeling heeft ingestemd, vermeldt de verantwoordelijke dierenarts de vereiste gegevens over het geneesmiddel dat dergelijke stoffen bevat in sectie II, deel III, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening.

De verantwoordelijke dierenarts vermeldt de datum van de laatste voorgeschreven toediening van dat geneesmiddel en deelt de exploitant de datum mee waarop de vastgestelde wachttijd van zes maanden verstrijkt.

Artikel 40

Verplichting van de dierenartsen met betrekking tot de documentatie in tijdelijke documenten van de status van paardachtigen als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie

1.   Wanneer voor een indicatie betreffende een in een tijdelijk identificatiedocument geïdentificeerde paardachtige een behandeling vereist is met een diergeneesmiddel dat overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 is toegestaan, of met een geneesmiddel dat overeenkomstig artikel 112, lid 4, van die verordening is toegediend, of dat een stof bevat die is opgenomen in de in Verordening (EG) nr. 1950/2006 vastgestelde lijst van stoffen, zorgt de verantwoordelijke dierenarts vóór de toediening van het diergeneesmiddel ervoor dat:

a)

de identificatie van de paardachtige wordt geverifieerd aan de hand van de informatie in het tijdelijke identificatiedocument;

b)

wanneer toegang tot het geautomatiseerde gegevensbestand is verleend, de status als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie in het tijdelijke identificatiedocument en in het geautomatiseerde gegevensbestand wordt gecontroleerd;

c)

wanneer de paardachtige niet reeds is uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie, de vereiste informatie in het tijdelijke identificatiedocument in de in artikel 24, lid 2, bedoelde vorm wordt opgenomen om:

i)

de paardachtige definitief van de slacht voor menselijke consumptie uit te sluiten voordat overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 een geneesmiddel wordt toegediend, of

ii)

de datum van de laatste toediening van de geneesmiddelen en de essentiële stoffen in het geneesmiddel te registreren vóór toediening van een geneesmiddel dat een stof bevat die in de lijst van stoffen van Verordening (EG) nr. 1950/2006 is opgenomen.

2.   Nadat de in lid 1 van dit artikel vastgestelde maatregelen zijn uitgevoerd, zorgt de verantwoordelijke dierenarts ervoor dat:

a)

het gewijzigde tijdelijke document aan de exploitant van de paardachtige toekomt;

b)

onverwijld, en uiterlijk zeven dagen na invulling ervan, een kopie van het gewijzigde tijdelijke identificatiedocument wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit waarbij overeenkomstig artikel 61, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 het unieke, levenslang geldige identificatiedocument is ingeleverd, zodat die bevoegde autoriteit het unieke, levenslang geldige identificatiedocument kan aanpassen en de in lid 1, punt c), i) of ii), van dit artikel bedoelde informatie in het geautomatiseerde gegevensbestand kan opnemen.

3.   Lid 2, punt b), van dit artikel is niet van toepassing wanneer de verantwoordelijke dierenarts rechtstreeks toegang heeft tot het geautomatiseerde gegevensbestand om gegevens in te voeren over de uitsluiting van de paardachtige van de status van dier bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie of over het feit dat de dieren gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum van toediening van het geneesmiddel niet geslacht mogen worden.

Artikel 41

Verplichting van exploitanten van paardachtigen met betrekking tot de documentatie van de status van paardachtigen als bestemd voor of uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie

1.   Na uitvoering van de in artikel 39, lid 2, bedoelde maatregelen dient de exploitant van de paardachtige het unieke, levenslang geldige identificatiedocument in bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie of verstrekt hij de informatie online indien hij toegang tot het geautomatiseerde gegevensbestand heeft, binnen een termijn van maximaal zeven dagen na de datum van ondertekening in sectie II, deel II, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1.

2.   De lidstaten kunnen maatregelen vaststellen om ervoor te zorgen dat, in afwijking van de in artikel 29, lid 2, voor exploitanten vastgestelde voorschriften, de verantwoordelijke dierenarts:

a)

de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie op de hoogte brengt van de overeenkomstig artikel 39, lid 2, en artikel 40, lid 1, punt c), uitgevoerde maatregelen of de informatie verstrekt die nodig is om het geautomatiseerde gegevensbestand te actualiseren binnen een termijn van zeven dagen na de datum van ondertekening in sectie II, deel II, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, of

b)

de informatie over de overeenkomstig artikel 39, lid 2, en artikel 40, lid 1, punt c), uitgevoerde maatregelen rechtstreeks in het geautomatiseerde gegevensbestand invoert, indien hij overeenkomstig artikel 7, lid 5, toegang heeft.

Artikel 42

Ad-hocidentificatie van paardachtigen in geval van een medische indicatie

1.   Wanneer een medische indicatie betreffende een paardachtige die niet overeenkomstig artikel 58, 67 of 68 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 is geïdentificeerd, een behandeling vereist met een geneesmiddel dat overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 is toegediend, of dat een stof bevat die is opgenomen in de in Verordening (EG) nr. 1950/2006 vastgestelde lijst van stoffen, wordt de paardachtige geacht geïdentificeerd te zijn voor de toepassing van artikel 112, lid 4, of artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6, mits aan de voorwaarden van de leden 2 tot en met 5 van dit artikel is voldaan.

2.   De verantwoordelijke dierenarts zorgt er vóór de toediening van het in lid 1 bedoelde geneesmiddel of, in een levensbedreigende situatie, onmiddellijk na de toediening ervan voor dat:

a)

de paardachtige ter plaatse wordt geïdentificeerd door een injecteerbare transponder in de paardachtige te implanteren of een ander fysiek identificatiemiddel voor gehouden landdieren als bedoeld in punt a), b), c) of f), van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 aan te brengen, en dat het identificatieformulier wordt aangevuld met de gegevens in sectie I, delen A en B, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel I, bij deze verordening;

b)

de paardachtige definitief wordt uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie door de passende vermelding in het identificatieformulier op te nemen.

3.   In afwijking van lid 2, punt b), van dit artikel hoeft de paardachtige niet van de slacht voor menselijke consumptie te worden uitgesloten indien:

a)

het geneesmiddel dat een essentiële stof bevat die is opgenomen in de in Verordening (EG) nr. 1950/2006 vastgestelde lijst van stoffen, wordt toegediend aan een niet-geïdentificeerde paardachtige die jonger is dan twaalf maanden;

b)

de datum van de laatste toediening van het geneesmiddel dat de essentiële stof bevat die is opgenomen in de in Verordening (EG) nr. 1950/2006 vastgestelde lijst van stoffen, wordt geregistreerd in het identificatieformulier van de paardachtige.

4.   Na uitvoering van de in lid 2 van dit artikel bedoelde maatregelen en na toepassing van de behandeling, geeft de verantwoordelijke dierenarts het ingevulde en ondertekende identificatieformulier af en bezorgt hij het aan de exploitant van de paardachtige.

5.   Na overlegging van het in lid 4 bedoelde identificatieformulier en binnen zeven dagen na de invulling ervan, dient de exploitant van de paardachtige bij de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie een aanvraag in voor:

a)

de afgifte van:

i)

een uniek, levenslang geldig identificatiedocument overeenkomstig artikel 17, lid 3, indien de niet-geïdentificeerde paardachtige jonger is dan twaalf maanden, of

ii)

een duplicaat van het identificatiedocument of een vervangend identificatiedocument overeenkomstig artikel 25 of artikel 26, en

b)

de registratie van de uitsluiting van de slacht voor menselijke consumptie of het verbod op slachting gedurende minstens zes maanden, afhankelijk van de geneeskundige behandeling, in het geautomatiseerde gegevensbestand.

6.   In afwijking van lid 5 mogen de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijke dierenarts, uiterlijk zeven dagen na de datum van ondertekening van het in lid 4 bedoelde identificatieformulier:

a)

het identificatieformulier aan de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie verstrekt, of

b)

de informatie rechtstreeks in het geautomatiseerde gegevensbestand invoert, indien hij overeenkomstig artikel 7, lid 5, toegang heeft.

Artikel 43

Verplaatsen en vervoeren van als slachtdier gehouden paardachtigen

1.   Als slachtdier gehouden paardachtigen gaan tijdens de verplaatsing of het vervoer naar een slachthuis vergezeld van:

a)

het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, of

b)

het overeenkomstig artikel 38, lid 2, punt b), afgegeven duplicaat van het identificatiedocument.

2.   In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit toestemming verlenen om als slachtdier gehouden paardachtigen waarvoor geen identificatiedocument is afgegeven, rechtstreeks van de inrichting van geboorte naar een slachthuis in dezelfde lidstaat te vervoeren, mits:

a)

de voor de slacht bestemde paardachtigen jonger zijn dan twaalf maanden;

b)

er een ononderbroken traceerbaarheid is van de inrichting van geboorte tot het slachthuis;

c)

vóór het vervoer naar het slachthuis de als slachtdier gehouden paardachtigen individueel worden gemerkt met een van de in punt a), b), c), e) of f), van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen;

d)

de in sectie III van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004 vereiste informatie over de voedselketen een verwijzing bevat naar de in punt c) van dit lid vermelde individuele merking.

Artikel 44

Registratie van de toegediende medicatie in unieke, levenslang geldige identificatiedocumenten overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 96/22/EG

Sectie II, deel IV, van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening wordt gebruikt om informatie over de toediening overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 96/22/EG van een diergeneesmiddel met allyltrenbolon of β-agonisten in te voeren in het in artikel 7, lid 1, tweede alinea, van die richtlijn bedoelde geval.

DEEL 4

ZOÖTECHNISCHE CERTIFICATEN VOOR RASZUIVERE FOKPAARDEN

Artikel 45

Voorschriften voor het zoötechnische certificaat als integraal onderdeel van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor raszuivere fokpaarden

1.   De voor het invullen van de delen I en II van het zoötechnische certificaat in sectie V van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening vereiste informatie wordt verstrekt door de stamboekvereniging of het fokorgaan dat een stamboek heeft opgesteld waarin het raszuivere fokpaard is ingeschreven of waarvoor het in aanmerking komt voor inschrijving.

2.   De delen I en II van het zoötechnische certificaat als vastgesteld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 worden opgenomen in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument of een duplicaat van het identificatiedocument voor raszuivere fokpaarden en -ezels en voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

deel I van het zoötechnische certificaat als vastgesteld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 wordt sectie V van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening;

b)

deel II van het zoötechnische certificaat als vastgesteld in de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 wordt:

i)

deel van de in punt a) bedoelde sectie, in welk geval meerdere bladzijden met dat deel II moeten worden verstrekt met het oog op actualiseringen van de informatie, of

ii)

indien toegestaan door de zoötechnische autoriteit overeenkomstig artikel 32, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1012, gehecht aan het unieke, levenslang geldige identificatiedocument, in welk geval het in verband wordt gebracht met het in punt a) van dit lid bedoelde deel I door vermelding van de unieke code die overeenkomstig artikel 6 van deze verordening aan het dier is toegekend of het unieke levensnummer dat vóór de datum van toepassing van deze verordening aan het dier is toegekend.

3.   Een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat in uitgebreide vorm is afgegeven, blijft geldig als het een extra bladzijde bevat die de naam van de stamboekvereniging van afgifte, het ras en de aanvullende sectie bevat, alsook het stamboeknummer en verdere relevante informatie over een paardachtige die is geregistreerd in een aanvullende sectie van een stamboek dat door de stamboekvereniging van afgifte die haar overeenkomstig artikel 8 of artikel 12 van Verordening (EU) 2016/1012 goedgekeurde fokprogramma uitvoert, is opgesteld of bijgehouden.

De extra bladzijde is in een vorm die niet kan worden verward met sectie V van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening en heeft geen invloed op de volgorde van de secties daarin.

DEEL 5

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 46

Overgangsmaatregelen in verband met de intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262

1.   Overeenkomstig artikel 86, punten a) en c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035:

a)

blijven de in artikel 12, leden 1 en 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 vastgestelde termijnen voor de identificatie van in de Unie geboren paardachtigen van toepassing tot en met 20 april 2021;

b)

blijven de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 vastgestelde regels inzake de vorm en de inhoud van identificatiedocumenten die voor in de Unie geboren paardachtigen worden afgegeven, van toepassing tot en met 27 januari 2022.

2.   Op verzoek van de exploitant voegt de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie, sectie III van het modelidentificatiedocument voor paardachtigen in bijlage II, deel 1, bij deze verordening toe aan een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, mits aan de voorwaarden voor de afgifte van een valideringsmerkteken of vergunning is voldaan overeenkomstig artikel 92, lid 2, punt a) of b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688.

Artikel 47

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 7 juli 2021.

Bijlage II is echter van toepassing met ingang van 28 januari 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 juni 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  PB L 171 van 29.6.2016, blz. 66.

(3)  PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 115).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 140).

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/577 van de Commissie van 29 januari 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van de inhoud en de vorm van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de toepassing van artikel 112, lid 4, en artikel 115, lid 5, en die vervat moeten zijn in het unieke, levenslang geldige identificatiedocument bedoeld in artikel 8, lid 4, van die Verordening (PB L 123 van 9.4.2021, blz. 3).

(7)  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

(8)  Richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 55).

(9)  https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/11855-Laying-down-rules-on-equine-passports

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 van de Commissie van 30 september 2019 tot vaststelling van regels inzake de werking van het informatiemanagementsysteem voor officiële controles en de systeemcomponenten ervan (“de Imsoc-verordening”) (PB L 261 van 14.10.2019, blz. 37).

(11)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55).

(14)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627 van de Commissie van 15 maart 2019 tot vaststelling van eenvormige praktische regelingen voor de uitvoering van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie wat officiële controles betreft (PB L 131 van 17.5.2019, blz. 51).

(15)  http://www.ueln.net

(16)  Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), Facilitation of International Competition Horse Movement. OIE — IHSC partnership for safe international movements of competition horses.

https://www.oie.int/en/scientific-expertise/specific-information-and-recommendations/international-competition-horse-movement/

(17)  https://www.oie.int/en/standard-setting/terrestrial-code/access-online/ (editie 2019).

(18)  Richtlijn 90/428/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 60).

(19)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).

(20)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(21)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(22)  Verordening (EG) nr. 1950/2006 van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, van een lijst van stoffen die essentieel zijn voor de behandeling van paardachtigen en van stoffen die klinische meerwaarde bieden (PB L 367 van 22.12.2006, blz. 33).

(23)  Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3).

(24)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).

(25)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(26)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).

(27)  Besluit 2011/163/EU van de Commissie van 16 maart 2011 tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (PB L 70 van 17.3.2011, blz. 40).

(28)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/403 van de Commissie van 24 maart 2021 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft modellen van diergezondheidscertificaten en modellen van diergezondheids-/officiële certificaten voor de binnenkomst in de Unie en verplaatsingen tussen lidstaten van zendingen van bepaalde categorieën landdieren en levende producten daarvan, en officiële certificering van dergelijke certificaten, en tot intrekking van Besluit 2010/470/EU (PB L 113 van 31.3.2021, blz. 1).

(29)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1940 van de Commissie van 13 juli 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de inhoud en vorm van zoötechnische certificaten die worden afgegeven voor raszuivere fokpaarden en -ezels, vervat in een uniek, levenslang geldig identificatiedocument voor paardachtigen (PB L 275 van 25.10.2017, blz. 1).

(30)  Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1).

(31)  Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 42).

(32)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (PB L 59 van 3.3.2015, blz. 1).


BIJLAGE I

DEEL 1

Technische specificaties van elektronische identificatiemiddelen voor paardachtigen

1.

De elektronische identificatiemiddelen als bedoeld in punten c), e) en f) van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 (de elektronische identificatiemiddelen) die bij paardachtigen zijn aangebracht, geven het volgende weer:

a)

een driecijferige ISO-3166-compatibele landcode;

b)

een numerieke individuele diercode van twaalf cijfers.

2.

De elektronische identificatiemiddelen moeten:

a)

passieve read-onlytransponders zijn die de HDX- of FDX-B-technologie toepassen en voldoen aan de ISO-normen 11784 en 11785;

b)

uitleesbaar zijn door uitleesapparaten die voldoen aan ISO-norm 11785 en die HDX- en FDX-B-transponders kunnen uitlezen.

3.

De elektronische identificatiemiddelen moeten uitleesbaar zijn vanaf een afstand van minimaal:

a)

12 cm voor oormerken in het geval van een draagbaar uitleesapparaat;

b)

15 cm voor injecteerbare transponders in het geval van een draagbaar uitleesapparaat.

4.

De elektronische identificatiemiddelen moeten met gunstige resultaten zijn getest wat betreft:

a)

hun overeenstemming met de ISO-normen 11784 en 11785, overeenkomstig de in punt 7 van ISO-norm 24631-1 bedoelde methode;

b)

het behalen van minimumprestaties op het gebied van de in punt 3 van dit deel bedoelde uitleesafstand, overeenkomstig de in punt 7 van ISO-norm 24631-3 bedoelde procedures.

DEEL 2

Technische specificaties van identificatiemiddelen voor paardachtigen

1.

De elektronische identificatiemiddelen als bedoeld in punten a), b), c) en f) van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 voor paardachtigen:

a)

zijn niet herbruikbaar;

b)

zijn van niet-afbreekbaar materiaal;

c)

zijn niet vervalsbaar;

d)

zijn gedurende het hele leven van de paardachtigen gemakkelijk uitleesbaar;

e)

zijn zo ontworpen dat zij stevig aan de paardachtigen bevestigd blijven zonder schadelijk te zijn voor de paardachtigen;

f)

kunnen gemakkelijk uit de voedselketen worden verwijderd.

2.

De in punt 1 bedoelde identificatiemiddelen dragen de volgende onuitwisbare opschriften:

a)

een driecijferige ISO-3166-compatibele landcode;

b)

een numerieke individuele diercode van ten minste twaalf cijfers.

3.

De in punt 1 bedoelde identificatiemiddelen mogen, indien de bevoegde autoriteit daarmee instemt, andere informatie bevatten, mits de in punt 2 bedoelde opschriften zichtbaar en leesbaar blijven.

BIJLAGE II

DEEL 1

Inhoud van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument

DOCUMENT D’IDENTIFICATION DES ÉQUIDÉS

Ces instructions sont rédigées en vue d’assister l’utilisateur et n’entravent pas l’application des règles établies par le règlement d’exécution (UE) 2021/963.

I.

Le document d’identification doit comporter toutes les instructions nécessaires à son utilisation ainsi que les coordonnées de l'autorité compétente ou de l'organisme délégué en français, en anglais et dans une des langues officielles de l’État membre ou du pays tiers dans lequel l'autorité compétente ou l'organisme délégué a son siège.

II.

Le document d’identification doit contenir les renseignements suivants:

1.   Section I — Identification

L'équidé doit être identifié par l'autorité compétente ou par l'organisme délégué ou la personne physique visés à l'article 22, paragraphe 3, du règlement d'application (UE) 2021/963. Le numéro unique d’identification valable à vie doit permettre d’identifier clairement l’équidé ainsi que la base de données établie par l'autorité compétente ou l'organisme délégué qui a délivré le document d’identification et doit être compatible avec le numéro universel d'identification des équidés (UELN).

Dans la description à la partie A de la section I, notamment au point 3, l’utilisation d’abréviations doit être évitée autant que possible. Au point 5 de la partie A de la section I, un champ doit être prévu pour insérer au moins quinze chiffres du code transmis par le transpondeur.

A la partie B de la section I le signalement graphique doit être renseigné en utilisant un stylo à bille à encre rouge pour les marques et un stylo à bille à encre noire pour les épis, ou en conséquence si complété par voie électronique, en tenant compte des lignes directrices fournies par la Fédération Équestre Internationale (FEI) ou par Weatherbys.

La partie C de la section I doit être utilisée pour enregistrer toute rectification aux détails d’identification.

2.   Section II — Administration de médicaments

Les parties I et II ou la partie III de cette section doivent être dûment complétées suivant les instructions établies dans cette section.

3.   Section III — Marque de validation/Licence

Nécessaire pour les mouvements conformément à l'article 92, paragraphe 2, du règlement délégué (UE) 2020/688.

4.   Section IV — Propriétaire

Le nom du propriétaire ou de son agent ou représentant doit être mentionné si l'autorité compétente, l’organisme délégué ou l'organisation qui gère les chevaux enregistrés en vue des compétitions ou courses le requiert.

5.   Section V — Certificat zootechnique

Si l’équidé est inscrit ou enregistré et admissible à l’entrée dans un livre généalogique tenu par un organisme de sélection, le document d'identification doit indiquer le pedigree ainsi que la classe du livre généalogique dans laquelle l’équidé est inscrit conformément aux règles de l’organisme de sélection qui délivre le certificat zootechnique.

6.   Section VI — Enregistrement des contrôles d'identité

À chaque fois que les lois et règlements l'exigent, l'identité de l'équidé doit faire l'objet d'une vérification enregistrée par l'autorité compétente, au nom de l’organisme délégué ou de l'organisation qui gère les chevaux enregistrés en vue des compétitions ou courses.

7.   Sections VII et VIII — Enregistrement des vaccinations

Toutes les vaccinations doivent être enregistrées à la section VII (grippe équine seulement) et à la section VIII (toutes les autres vaccinations). Ces informations peuvent être fournies par l’apposition d’un autocollant.

8.   Section IX — Examen de laboratoire

Les résultats de tous les examens pratiqués pour déceler une maladie transmissible peuvent être consignés.

9.   Section X — Châtaignes (en option)

Cette section est nécessaire au respect du modèle de document d’identification de la Fédération Equestre Internationale (FEI).

III.

Sauf s'il est détruit sous surveillance officielle à l'abattoir, le document d'identification doit être retourné à l'autorité compétente ou à l'organisme délégué après que l'animal est mort, a dû être détruit, a été perdue ou volée ou a été abattu à des fins de contrôle de la maladie.

IDENTIFICATION DOCUMENT FOR EQUIDAE

These instructions are drawn up to assist the user and do not impede on the rules laid down in Implementing Regulation (EU) 2021/963.

I.

The identification document must contain all the instructions needed for its use and the details of the competent authority, or as appropriate the delegated body, in French, English and one of the official languages of the Member State or third country where the competent authority or delegated body has its headquarters.

II.

The identification document must contain the following information:

1.   Section I — Identification

The equine animal shall be identified by the competent authority or by the delegated body or natural person as referred to in Article 22(3) of Implementing Regulation (EU) 2021/963. The unique code shall clearly identify the equine animal and the database established by the competent autority or delegated body which issued the identification document and shall be compatible with the universal equine life number (UELN).

In the description in Part A of Section I, in particular in point 3 thereof, abbreviations must be avoided, where possible. In point 5 of Part A of Section I, the space must be provided for at least 15 digits of the transponder code.

In Part B of Section I the outline diagram shall be completed using red ball point ink for marks and black ball point ink for whorls, or accordingly if completed electronically, taking into account the guidelines provided for by the International Federation for Equestrian Sports (FEI) or the Weatherbys.

Part C of Section I must be used to record modifications to identification details.

2.   Section II — Administration of medicinal products

Parts I and II or Part III of this Section must be duly completed in accordance with the instructions set out in this Section.

3.   Section III — Validation mark/Licence

Required for movements in accordance with Article 92(2) of Delegated Regulation (EU) 2020/688.

4.   Section IV — Owner

The name of the owner or its agent or representative must be stated where required by the competent autority, delegated body or the organisation which manages registered horses for competitions or races.

5.   Section V — Zootechnical certificate

If the equine animal is entered or registered and eligible for entry in a breeding book maintained by a breed society, the identification document shall contain the pedigree and the breeding book class in which the equine animal is entered in accordance with the rules of the breed society issuing the zootechnical certificate.

6.   Section VI — Recording of identity checks

Whenever laws and regulations so require, checks conducted on the identity of the equine animal must be recorded by the competent authority, the delegated body or by the organisation which manages registered horses for competitions or races.

7.   Sections VII and VIII — Vaccination record

All vaccinations must be recorded in Section VII (equine influenza only) and in Section VIII (all other vaccinations). The information may take the form of a sticker.

8.   Section IX — Laboratory health tests

The results of all tests carried out to detect transmissible diseases may be recorded.

9.   Section X — Chestnuts (optional)

This section shall be required for compliance with the model of the identification document of the International Federation for Equestrian Sports (FEI).

III.

Except where it is destroyed under the offical supervision at the slaughterhouse, the identification document must be returned to the competent authority or delegated body after the animal has died, had to be destroyed, was lost or stolen or was slaughtered for disease control purposes.

IDENTIFICATIEDOCUMENT VOOR PAARDACHTIGEN

Deze instructies zijn bedoeld om de gebruiker te helpen onverminderd Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963.

I.

Het identificatiedocument moet alle voor het gebruik noodzakelijke instructies en de gegevens over de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de gemachtigde instantie bevatten in het Frans, het Engels en een van de officiële talen van de lidstaat of het derde land waar het hoofdkantoor van de bevoegde autoriteit of de gemachtigde instantie is gevestigd.

II.

Het identificatiedocument moet de volgende gegevens bevatten:

1.

Sectie I — Identificatie

De paardachtige moet door de bevoegde autoriteit of door de gemachtigde instantie of een natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 22, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 worden geïdentificeerd. De unieke code moet de paardachtige en het gegevensbestand van de bevoegde autoriteit of de gemachtigde instantie die het identificatiedocument heeft afgegeven, duidelijk identificeren en moet compatibel zijn met het Universal Equine Life Number (UELN).

In de beschrijving in sectie I, deel A, en vooral in punt 3 ervan, moeten afkortingen zo veel mogelijk worden vermeden. In sectie I, deel A, punt 5, moet voldoende ruimte zijn voor ten minste 15 cijfers van de transpondercode.

In sectie I, deel B, moet de getekende schets worden ingevuld met rode balpeninkt voor de kenmerken en met zwarte balpeninkt voor de kruinen, of dienovereenkomstig als de schets elektronisch wordt ingevuld, op basis van de richtlijnen van de Fédération Equestre Internationale (FEI) of Weatherbys.

In sectie I, deel C, moeten wijzigingen van de identificatiegegevens worden vermeld.

2.

Sectie II — Toediening van geneesmiddelen

De delen I en II of deel III van deze sectie moeten naar behoren worden ingevuld overeenkomstig de in deze sectie vermelde instructies.

3.

Sectie III — Valideringsmerkteken/Vergunning

Vereist voor verplaatsingen overeenkomstig artikel 92, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688.

4.

Sectie IV — Eigenaar

Wanneer de bevoegde autoriteit, de gemachtigde instantie of de organisatie die geregistreerde paarden voor wedstrijden of paardenrennen beheert zulks vereist, moet de naam van de eigenaar of zijn afgevaardigde of vertegenwoordiger worden vermeld.

5.

Sectie V — Zoötechnisch certificaat

Als de paardachtige is ingeschreven of geregistreerd en in aanmerking komt voor inschrijving in een door een stamboekvereniging bijgehouden stamboek, bevat het identificatiedocument de stamboekgegevens, evenals de klasse van het stamboek waarin de paardachtige is ingeschreven overeenkomstig de voorschriften van de stamboekvereniging die het zoötechnisch certificaat heeft afgegeven.

6.

Sectie VI — Registratie van identiteitscontroles

Wanneer de wetgeving en de voorschriften zulks vereisen, moeten identiteitscontroles bij de paardachtigen worden geregistreerd door de bevoegde autoriteit, de gemachtigde instantie of de organisatie die geregistreerde paarden voor wedstrijden en paardenrennen beheert.

7.

Secties VII en VIII — Registratie van vaccinaties

Alle vaccinaties moeten worden geregistreerd in sectie VII (uitsluitend voor paardeninfluenza) en sectie VIII (alle andere vaccinaties). De gegevens mogen in de vorm van een sticker worden weergegeven.

8.

Sectie IX — Door laboratoria verrichte gezondheidscontroles

De resultaten van alle onderzoeken naar overdraagbare ziekten moeten worden geregistreerd.

9.

Sectie X — Zwilwratten (optioneel)

Deze sectie is vereist voor de overeenstemming met het model van het identificatiedocument van de Fédération Equestre Internationale (FEI).

III.

Behalve wanneer het identificatiedocument onder officieel toezicht in het slachthuis wordt vernietigd, moet het bij de bevoegde autoriteit of de gemachtigde instantie worden ingeleverd nadat het dier is gestorven, vernietigd, vermist geraakt of gestolen, of in het kader van de bestrijding van een ziekte is geslacht.

SECTIE I

Partie A — Détails d’identification

Part A — Identification details

Deel A — Identificatiegegevens

(1)(a)

Espèce:

Species:

Soort:

(4)

Code Unique ou Numéro unique d’identification valable à vie (15 chiffres):

Unique Code or life number: (15 digits):

Unieke code of uniek levensnummer (15 cijfers):

☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Code-barres (optionnel)

Bar-Code (optional)

Streepjescode (facultatief)

(1)(b)

Sexe:

Sex:

Geslacht:

(2)(a)

Date de naissance:

Date of birth:

Geboortedatum:

(2)(b)

Lieu et pays de naissance:

Place and country of birth:

Geboorteplaats en -land:

(5)

Code du transpondeur (si disponible)

Transponder code (where available)

Transpondercode (indien beschikbaar)

☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Système de lecture (si différent de ISO 11784)

Reading system (if not ISO 11784)

Uitleessysteem (indien niet ISO 11784)

Code-barres (optionnel)

Bar-Code (optional)

Streepjescode (facultatief)

(2)(c)

Nom (optionnel):

Name (optional):

Naam (facultatief):

(3)

Signalement:

Description:

Beschrijving:

(3)(a)

Robe:

Colour:

Kleur:

(3)(b)

Tête:

Head:

Hoofd:

(6)

Méthode alternative de vérification d’identité (si applicable)/Alternative method for identity verification (if applicable)/Alternatieve methode om de identiteit te verifiëren (indien van toepassing):

(3)(c)

Ant. G:

Foreleg L:

Voorbeen links:

(3)(d)

Ant. D:

Foreleg R:

Voorbeen rechts:

(7)

Information sur toute autre méthode appropriée donnant des garanties pour vérifier l’identité de l’animal (groupe sanguin/code ADN) (optionnel)/Information on any other appropriate method providing guarantees to verify the identity of the animal (blood group/DNA code) (optional)/Informatie inzake andere toepasselijke methoden waarmee de identiteit van het dier kan worden vastgesteld (bloedgroep/DNA-code) (facultatief):

(3)(e)

Post G:

Hind leg L:

Achterbeen links:

(3)(f)

Post D:

Hind leg R:

Achterbeen rechts:

(8)

Date/Date/Datum:

(3)(g)

Corps:

Body:

Lichaam:

(9)

Lieu/Place/Plaats:

(3)(h)

Marques:

Markings:

Kenmerken:

(10)

Signature de la personne qualifiée (nom en lettres capitales)/Signature of qualified person (name in capital letters)/Handtekening van de erkende persoon (naam in hoofdletters)

Cachet de l’autorité compétente ou de l’organisme délégué/Stamp of competent authority or delegated body/Stempel van de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie

Partie B — Signalement graphique

Part B — Outline Diagram

Deel B — Getekende schets

Image 1

Signature de la personne qualifiée (nom en lettres capitales) et chachet de l’authorité compétente ou de l’organisme délégué

Signature of the qualified person (name in capital letters) and stamp of the competent authority or delegated body

Handtekening van de erkende persoon (naam in hoofdletters) en stempel van de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie

Opmerking voor de bevoegde instantie of gemachtigde instantie [niet op te nemen in het identificatiedocument]: kleine afwijkingen van deze modelschets zijn toegestaan, mits ze voor de inwerkingtreding van deze verordening al in gebruik waren.

Partie C — Castration, vérification de la description, autres modifications

Part C — Castration, verification of the description, other modifications

Deel C — Castratie, verificatie van de beschrijving, andere wijzigingen

Castration/Castration/Castratie

Identification/Identification/Identificatie

Date et lieu de la castration/Date and place of castration/Datum en plaats van de castratie

Vérification du signalement/Verification of the description/Verificatie van de beschrijving

Mentionner/Include/Vermeld:

Signature de la personne qualifiée (nom en lettres capitales)/Signature of qualified person (name in capital letters)/Handtekening van de erkende persoon (naam in hoofdletters)

Cachet de l’autorité compétente ou de l’organisme délégué/Stamp of competent authority or delegated body/Stempel van de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie

Date et lieu/Date and place/Datum en plaats

1.

Modifications/Amendments/Wijzigingen

2.

Adjonctions/Additions/Aanvullingen

Signature et cachet du vétérinaire/Signature and stamp of veterinarian/Handtekening en stempel van de dierenarts

3.

Enregistrement d'un document d'identification dans la base de données d'un autorité compétente ou d'un organisme délégué autre que celui qui a délivré le document original/Registration of an identification document in the database of a competent authorioty or delegated body other than that which issued the original document/Registratie van een identificatiedocument in het gegevensbestand van een andere bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie dan degene die het originele document heeft afgegeven

Opmerking voor de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie [niet op te nemen in het identificatiedocument]: kleine afwijkingen van dit model zijn toegestaan, mits ze voor de inwerkingtreding van deze verordening al in gebruik waren. Sectie I, deel C, mag met de hand worden ingevuld.

Code Unique/Unique Code/Unieke code:

☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

SECTIE II

Administration de médicaments

Administration of medicinal products

Registratie van toegediende geneesmiddelen

Partie/Part/Deel I

Date et lieu de délivrance de la présente section(1)/Date and place of issue of this Section(1)/Datum en plaats van afgifte van deze sectie(1): …

Autorité compétente ou organisme délégué de la présente section du document d’identification(1)/Competent authority or delegated body for this Section of the identification document(1)/Bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie voor deze sectie van het identificatiedocument(1): …

Partie/Part/Deel II

Remarque/

Note/

Opmerking

L’équidé n’est pas destiné à l’abattage pour la consommation humaine, et par conséquent, l’équidé peut recevoir des médicaments vétérinaires autorisés conformément à l’article 8, paragraphe 4, du règlement (UE) 2019/6 ou des médicaments administrés conformément à l’article 112, paragraphe 4, du ledit règlement./The equine animal is not intended for slaughter for human consumption, and may therefore undergo the administration of veterinary medicinal products authorised in accordance with Article 8(4) of Regulation (EU) 2019/6 or medicinal products administered in accordance with Article 112(4) of that Regulation./De paardachtige is niet bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie. Aan de paardachtige mogen daarom diergeneesmiddelen worden toegediend die zijn toegestaan overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6 of geneesmiddelen die worden toegediend overeenkomstig artikel 112, lid 4, van die verordening.


Déclaration/

Declaration/

Verklaring

L’animal équine décrit dans le présent document d’identification n’est pas destiné à l’abattage pour la consommation humaine/The equine animal described in this identification document is not intended for slaughter for human consumption/De in dit identificatiedocument beschreven paardachtige is niet bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie

Date et lieu/Date and place/Datum en plaats:

Vétérinaire responsable procédant conformément à l’article 112, paragraphe 4, du règlement (UE) 2019/6(2)/Veterinarian responsible acting in accordance with Article 112(4) of Regulation (EU) 2019/6(2)/Verantwoordelijke dierenarts die handelt overeenkomstig artikel 112, lid 4, van Verordening (EU) 2019/6(2):

Vétérinaire responsable/Veterinarian responsible/Verantwoordelijke dierenarts

Nom/Name/Naam(5):…

Adresse/Address/Adres(5): …

Code postal/Postal code/Postcode(5): …

Lieu/Place/Plaats(5): …

Téléphone/Telephone/Telefoonnummer(6): …

Signature/Signature/Handtekening

Autorité compétente(2) ou organisme délégué(2)/Competent authority(2) or delegated body(2)/Bevoegde autoriteit(2) of gemachtigde instantie(2)

Nom (en lettres capitales) et signature de la personne responsable(2)/Name (in capital letters) and signature of the person responsible(2)/Naam (in hoofdletters) en handtekening van de verantwoordelijke persoon(2)

Partie/Part/Deel III

Remarque/Note/Opmerking:

L’équidé est destiné à l’abattage pour la consommation humaine./The equine animal is intended for slaughter for human consumption.

/De paardachtige is bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie.

Sans préjudice du règlement (CE) n° 470/2009 ni de la directive 96/22/CE, l’équidé peut faire l’objet d’un traitement médicamenteux conformément à l’article 115, paragraphe 1, du règlement (UE) 2019/6 à condition que l’équidé ainsi traité ne soit abattu en vue de la consommation humaine qu’au terme d’un temps d’attente général de six mois suivant la date de la dernière administration de substances listées conformément à l’article 115, paragraphe 5, du ledit règlement./Without prejudice to Regulation (EC) No 470/2009 and Directive 96/22/EC, the equine animal may be subject to medicinal treatment in accordance with Article 115(1) of Regulation (EU) 2019/6 under the condition that the equine animal so treated may only be slaughtered for human consumption after the end of the general withdrawal period of six months following the date of last administration of the substances listed in accordance with Article 115(5) of that Regulation./Onverminderd Verordening (EG) nr. 470/2009 en Richtlijn 96/22/EG mag de paardachtige een medische behandeling ondergaan overeenkomstig artikel 115, lid 1, van Verordening (EU) 2019/6 op voorwaarde dat de behandelde paardachtige pas voor menselijke consumptie wordt geslacht na afloop van de algemene wachttijd van zes maanden die volgt op de dag van de laatste toediening van de stoffen die overeenkomstig artikel 115, lid 5, van die verordening in een lijst zijn opgenomen.


ENREGISTREMENT DE LA MÉDICATION/MEDICATION RECORD/REGISTRATIE VAN TOEGEDIENDE GENEESMIDDELEN

Date et lieu de la dernière administration, telle que prescrite, conformément à l'article 115, paragraphe 1, du règlement (UE) 2019/6(2)/Date and place of last administration, as prescribed, in accordance with Article 115(1) of Regulation (EU) 2019/6(2)/Datum en plaats van de laatste toediening zoals voorgeschreven overeenkomstig artikel 115, lid 1, van Verordening (EU) 2019/6(2)

Substance(s) essentielle (s) incorporée(s) dans le médicament administré conformément à l’article 115, du règlement (UE) 2019/6(2), comme mentionné dans la première colonne(2)(3)(4)/Essential substance(s) incorporated in the medicinal product administered in accordance with Article 115 of Regulation (EU) 2019/6 as mentioned in the first column(2)(3)(4)/Essentiële stof(fen) in het overeenkomstig artikel 115 van Verordening (EU) 2019/6 toegediende geneesmiddel, als vermeld in de eerste kolom(2)(3)(4)

Vétérinaire responsable administrant et/ou prescrivant l'administration d'un médicament/Veterinarian responsible administering and/or prescribing the administration of the medicinal product/Verantwoordelijke dierenarts die het geneesmiddel heeft toegediend en/of voorgeschreven

 

 

Nom/Name/Naam(5): …

Adresse/Address/Adres(5): …

Code postal/Postal code/Postcode(5): …

Lieu/Place/Plaats(5): …

Téléphone/Telephone/Telefoonnummer(6):…

Signature/Signature/Handtekening

 

 

Nom/Name/Naam(5): …

Adresse/Address/Adres(5): …

Code postal/Postal code/Postcode(5): …

Lieu/Place/Plaats(5): …

Téléphone/Telephone/Telefoonnummer(6): …

Signature/Signature/Handtekening

Partie/Part/Deel IV(7)

Remarque/Note/Opmerking:

Les échanges des équidés enregistrés auxquels ont été administrés des médicaments vétérinaires contenant du trembolone allyle ou des substances beta-agonistes aux fins indiquées à l'article 4 de la Directive 96/22/CE peuvent s'effectuer avant la fin de la période d'attente, conformément à l'article 7, paragraphe 1, de la Directive 96/22/CE./Trade in registered equidae to which veterinary medicinal products containing allyl trenbolone or beta-agonists have been administered for the purposes referred to in Article 4 of Directive 96/22/EC, may take place before the end of the withdrawal period, in accordance with Article 7(1) of Directive 96/22/EC./Het handelsverkeer in geregistreerde paardachtigen waaraan voor de in artikel 4 van Richtlijn 96/22/EG bedoelde doeleinden diergeneesmiddelen zijn toegediend die allyltrenbolon of ß-agonisten bevatten, is, nog vóór de wachttijd is verstreken, toegelaten overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Richtlijn 96/22/EG.


Date de la dernière administration conformément à l'article 4 de la Directive 96/22/CE/Date of last administration in accordance with Article 4 of Directive 96/22/EC/Datum van de laatste toediening overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 96/22/EG

Substance(s) incorporée(s) dans le médicament vétérinaire administré conformément à l'article 4 Directive 96/22/CE/Substance(s) incorporated in the veterinary medicinal product administered in accordance with Article 4 of Directive 96/22/EC/Stof(fen) in het overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 96/22/EG toegediende diergeneesmiddel

Vétérinaire responsable administrant et/ou prescrivant l'administration d'un médicament vétérinaire/Veterinarian responsible administering and/or prescribing administration of veterinary medicinal product/Verantwoordelijke dierenarts die het diergeneesmiddel heeft toegediend en/of voorgeschreven

 

 

Nom/Name/Naam(5): …

Adresse/Address/Adres(5): …

Code postal/Postal code/Postcode(5): …

Lieu/Place/Plaats(5): …

Téléphone/Telephone/Telefoonnummer(6):…

Signature/Signature/Handtekening

Partie/Part/Deel V8

Remarque/Note/Opmerking:

L’équidé est destiné à l’abattage pour la consommation humaine/The equine animal is intended for slaughter for human consumption./De paardachtige is bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie./ De paardachtige is bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie.

L'abattage de l'équidé est pour des raisons administratives retardé d'au moins six mois conformément à l'article 38, paragraphe 2(b) du règlement d’exécution (UE) 2021/963/The slaughter of the equine animal is for administrative reasons delayed for at least six months in accordance with Article 38(2)(b) of Implementing Regulation (EU) 2021/963/Het slachten van de paardachtige wordt om administratieve redenen ten minste zes maanden uitgesteld overeenkomstig artikel 38, lid 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963


Date de la suspension/Date of suspension/Datum van schorsing

Lieu/Place/Plaats

Autorité compétente(2) ou organisme délégué(2)/Competent authority(2) or delegated body(2)/Bevoegde autoriteit(2) of gemachtigde instantie(2)

Nom (en lettres capitales) et signature de la personne responsable/Name (in capital letters) and signature of the person responsible/Naam (in hoofdletters) en handtekening van de verantwoordelijke persoon

 

 

 

 

 

 

 

 

1

Information à ne fournir que si la présente section est délivrée à une autre date que la section I./Information only required if this Section is issued at a different date than Section I.

/Alleen invullen als deze sectie op een andere datum is afgegeven dan sectie I.

2

Biffer les mentions inutiles./Cross out what is not applicable./Doorhalen wat niet van toepassing is.

3

Il est indispensable de spécifier les substances en se fondant sur la liste de substances établie conformément à l’article 115, paragraphe 5, du règlement (UE) 2019/6./Specification of substances against list of substances established in accordance with Article 115(5) of Regulation (EU) 2019/6 is compulsory./De stoffen moeten worden gespecificeerd op basis van de overeenkomstig artikel 115, lid 5, van Verordening (EU) 2019/6 opgestelde lijst.

4

Les informations relatives à d’autres médicaments vétérinaires administrés conformément au règlement (UE) 2019/6 sont facultatives./Information on other veterinary medicinal products administered in accordance with Regulation (EU) 2019/6 is optional./Informatie over andere overeenkomstig Verordening (EU) 2019/6 toegediende diergeneesmiddelen is facultatief.

5

Nom, adresse, code postal et lieu (en lettres capitales)./Name, address, postal code and place (in capital letters)./Naam, adres, postcode en plaats (in hoofdletters).

6

Numéro de téléphone selon le modèle [+ code pays (code régional) numéro]./Telephone in format [+ country code (regional code) number]./Telefoonnummer volgens het model [+ landcode (netnummer) abonneenummer].

7

La partie IV doit être complétée conformément à l'article 44 du règlement d'application (UE) 2021/963/Part IV to be completed in accordance with Article 44 of Implementing Regulation (EU) 2021/963/Deel IV moet worden ingevuld overeenkomstig artikel 44 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963.

8

L’impression de cette référence n’est obligatoire que pour les duplicata de document d'identification délivrés conformément à l'article 38, paragraphe (2)(b), du règlement (UE) 2021/963./The print of this reference is only mandatory for duplicate identification documents issued in accordance with Article 38(2)(b). of Regulation (EU) 2021/963./Het afdrukken van deze verwijzing is alleen verplicht voor duplicaten van identificatiedocumenten die overeenkomstig artikel 38, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/963 worden afgegeven.

SECTIE III

Marque de validation ou Licence/Validation Mark or Licence/Valideringsmerkteken of vergunning

Code Unique/Unique Code/Unieke code:

☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

 

 

Conformément à l’article 92, paragraphe (2), du règlement délégué (UE) 2021/688/In accordance with Article 92(2) of Delegated Regulation (EU) 2020/688/Overeenkomstig artikel 92, lid 2, van Gelegeerde Verordening (EU) 2020/688

Marque de validation valable jusque à/Validation mark valid until/Valideringsmerkteken geldig tot: …

of

Licence valable jusque à/Licence valid until/Vergunning geldig tot: …

Autorité compétente ou organisme délégué/Competent authority or delegated body/Bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie

Date/Date/Datum

Lieu/Place/Plaats

Nom (en lettres capitales) et signature de la personne qualifiée/Name (in capital letters) and signature of qualified person/

Naam (in hoofdletters) en handtekening van de erkende persoon

Cachet de l’autorité compétente ou de l’organisme délégué/Stamp of competent authority or delegated body/Stempel van de bevoegde instantie of gemachtigde instantie

 

 

 

 

 

 

 

 

Opmerkingen: (niet op te nemen in het identificatiedocument)

Kleine afwijkingen van dit model zijn toegestaan.

In het geval van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat is afgegeven vóór de datum van toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963, wordt deze sectie toegevoegd zonder wijzigingen in de volgorde en nummering van de bestaande secties in het identificatiedocument.

De erkenningskaart van de Fédération Equestre Internationale (FEI) en de valideringssticker worden gelijkgesteld met een vermelding in deze sectie.

SECTIE IV

 

 

Unieke code

☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Coordonnées du propriétaire

Details of ownership

Gegevens over de eigenaar

1.

Pour les compétitions sous compétence de la Fédération équestre internationale (FEI), la nationalité du cheval doit être celle de son propriétaire.

1.

For competition purposes under the auspices of the, International Federation for Equestrian Sports (FEI) the nationality of the horse shall be that of its owner.

1.

Bij wedstrijden onder toezicht van de Fédération Equestre Internationale (FEI) is de nationaliteit van het paard gelijk aan de nationaliteit van de eigenaar.

2.

En cas de changement de propriétaire, le document d’identification doit être immédiatement déposé auprès de 1'organisation, 1'association ou le service officiel 1'ayant délivré avec le nom et l'adresse du nouveau propriétaire afin de le lui transmettre après ré-enregistrement.

2.

On change of ownership the identification document must immediately be lodged with the issuing body, organisation, association or official service, giving the name and address of the new owner, for re-registration and forwarding to the new owner.

2.

Bij verandering van eigenaar moet het identificatiedocument samen met de naam en het adres van de nieuwe eigenaar onmiddellijk worden ingediend bij de organisatie, de vereniging of de instantie die het document heeft afgegeven, zodat de nieuwe eigenaar kan worden geregistreerd en het document aan de nieuwe eigenaar kan worden toegezonden.

3.

S'il y a plus d'un propriétaire ou si le cheval appartient ä une société, le nom de la personne responsable du cheval doit être inscrit dans le document d’identification ainsi que sa nationalité. Si les propriétaires sont de nationalités différentes, ils doivent préciser la nationalité du cheval.

3.

If there is more than one owner or the horse is owned by a company, then the name of the individual responsible for the horse must be entered in the identification document together with his nationality. If the owners are of different nationalities, they have to determine the nationality of the horse.

3.

Als er meer eigenaars zijn of het paard eigendom is van een bedrijf, moeten de naam en de nationaliteit van de voor het paard verantwoordelijke persoon in het identificatiedocument worden vermeld. Als de eigenaars niet dezelfde nationaliteit hebben, moeten zij de nationaliteit van het paard bepalen.

4.

Lorsque la FEI approuve la location d'un cheval par une Fédération équestre nationale, les détails de ces transactions doivent être enregistrés par la Fédération équestre nationale intéressée.

4.

When the FEI approves the leasing of a horse by a national equestrian federation, the details of these transactions must be recorded by the national equestrian federation concerned.

4.

Als de FEI de leasing van een paard door een nationale ruitersportfederatie goedkeurt, moet de betrokken nationale ruitersportfederatie de details van de transactie registreren.


Date d'enregistrement par l'organisation, 1'association ou le service officiel

Date of registration by the organisation, association, or official service

Datum van registratie door de organisatie, vereniging of officiële instantie

Nom du propriétaire

Name of owner

Naam van de eigenaar

Adresse du propriétaire

Address of owner

Adres van de eigenaar

Nationalité du propriétaire

Nationality of owner

Nationaliteit van de eigenaar

Signature du propriétaire

Signature of owner

Handtekening van de eigenaar

Cachet de 1'organisation, association ou service officiel et signature

Organisation, association or official service stamp and signature

Stempel van de organisatie, vereniging of officiële instantie en handtekening

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opmerking: (niet op te nemen in het identificatiedocument)

Het vak voor de unieke code is niet vereist wanneer het unieke, levenslang geldige identificatiedocument wordt afgegeven als uitgebreid document bestaande uit de delen I tot en met X als een ondeelbaar geheel.

SECTIE V

Certificat zootechnique pour les échanges de reproducteurs de race pure de l'espèce équine (Equus caballus et Equus asinus), conformément à l'annexe V, partie 2, chapitre I, du règlement (UE) 2016/1012

Zootechnical certificate for trade in purebred breeding animals of the equine species (Equus caballus and Equus asinus), in accordance with Chapter I of Part 2 of Annex V to Regulation (EU) 2016/1012

Zoötechnisch certificaat voor de handel in raszuivere fokpaarden en -ezels (Equus caballus en Equus asinus), overeenkomstig deel 2, hoofdstuk I, van bijlage V bij Verordening (EU) 2016/1012

DEEL I

1.

Naam van de stamboekvereniging of de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft

(verstrek contactgegevens en, indien beschikbaar, een verwijzing naar de website)

2.

Naam van het stamboek

3.

Naam van het ras

4.

Naam en handelsnaam van het dier (1) en code van het geboorteland (2)

5.1.

Individueel identificatienummer (3)

5.2.

Uniek levensnummer (4) ☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

6.

Stamboeknummer (5)

7.

Identificatie van het dier (1)  (6)

7.1.

Transpondercode (1)

Uitleessysteem (indien niet ISO 11784) (1)

Streepjescode (1)

7.2.

Alternatieve methode om de identiteit te verifiëren (1)

☐☐☐ ☐☐☐ ☐☐☐ ☐☐☐ ☐☐☐

8.

Geboortedatum van het dier

(dd/mm/jjjj)

9.

Geboorteland van het dier

10.

Naam, adres en e-mailadres (1) van de fokker

11.

Afstamming (7)  (8)

11.1.

Vader

Stamboeknummer en sectie

11.1.1.

Grootvader van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

11.1.1.1. (1)

Overgrootvader van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.1.1.2. (1)

Overgrootmoeder van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.1.2.

Grootmoeder van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

11.1.2.1. (1)

Overgrootvader van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.1.2.2. (1)

Overgrootmoeder van vaderszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.2.

Moeder

Stamboeknummer en sectie

11.2.1.

Grootvader van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

11.2.1.1. (1)

Overgrootvader van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.2.1.2. (1)

Overgrootmoeder van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.2.2.

Grootmoeder van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

11.2.2.1. (1)

Overgrootvader van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

11.2.2.2. (1)

Overgrootmoeder van moederszijde

Stamboeknummer en sectie

 

 

 

 

12.1.

Gedaan te

(plaats van afgifte invullen)

12.2.

Gedaan op

(datum van afgifte invullen als dd/mm/jjjj)

 

12.3.

Naam en hoedanigheid van de ondertekenaar

(in hoofdletters naam en hoedanigheid invullen van de persoon (9) die door de stamboekvereniging of bevoegde autoriteit die het certificaat uitgeeft, gemachtigd is dit deel van het zoötechnisch certificaat te ondertekenen)

12.4.

Handtekening


DEEL II

1.1.

Individueel identificatienummer (10)

1.2.

Uniek levensnummer (11) ☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

2.

Identificatie van het dier (12)

2.1.

Transpondercode (13) ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Uitleessysteem (indien niet ISO 11784) (13)

Streepjescode (13)

2.2.

Alternatieve methode om de identiteit te verifiëren (12)

3.

Geslacht

4.

Klasse in de hoofdsectie van het stamboek (13)

5.

Naam, adres en e-mailadres (13) van de eigenaar (16)

4.1.

Naam van het stamboek (14)

4.2.

Klasse in de hoofdsectie (15)

6.

Extra informatie (13)  (17)  (18)

6.1.

Resultaten van het prestatieonderzoek

6.2.

Bijgewerkte resultaten van de genetische evaluatie die voor het laatst is uitgevoerd op

(datum invullen in dd/mm/jjjj)

6.3.

Genetische defecten en genetische bijzonderheden van het dier in verband met het fokprogramma

6.4.

Systeem voor de verificatie van de identiteit en resultaat (13)  (19)  (20)

6.5.

Resultaten van de afstammingscontrole (13)  (19)  (21)

7.

Inseminatie/paring (13)  (14)

7.1.

Datum (dd/mm/jjjj)

7.2.

Nummer van het dekcertificaat (24)

7.3.

Identificatie van het mannelijke donordier

7.3.1.

Individueel identificatienummer (10)

7.3.2.

Uniek levensnummer (11) ☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

7.3.3.

Systeem voor de verificatie van de identiteit en resultaat(4)(10)(11) (13)  (19)  (20)

7.3.4.

Resultaten van de afstammingscontrole (13)

8.1.

Gedaan te

(plaats van afgifte invullen)

8.2.

Gedaan op

(datum van afgifte invullen als dd/mm/jjjj)

 

8.3.

Naam en hoedanigheid van de ondertekenaar

(in hoofdletters naam en hoedanigheid invullen van de persoon (25) die door de stamboekvereniging of bevoegde autoriteit die het certificaat uitgeeft, gemachtigd is dit deel van het certificaat te ondertekenen)

8.4.

Handtekening

Opmerking voor de instantie van afgifte [niet op te nemen in het identificatiedocument]: een andere lay-out is toegestaan, mits de vereiste minimuminformatie wordt verstrekt. Voetnoten mogen niet worden afgedrukt mits naar de toegankelijke uitleg wordt verwezen.

SECTIE VI

Contrôles d'identité de l’équidé décrit dans ce document d’identification

Control of identification of the equine animal described in the identification document

Identiteitscontroles van de in het identificatiedocument beschreven paardachtige

L'identité de l'équidé doit être contrôlée chaque fois que les lois et règlements 1'exigent et il doit être certifié qu'elle est conforme à la description donnée dans la section I du document d'identification.

The identity of the equine animal must be checked each time this is required by the rules and regulations and certified that it conforms to the description given in Section I of the identification document.

De identiteit van de paardachtige moet worden gecontroleerd telkens wanneer de regels en voorschriften zulks vereisen. Er moet officieel worden verklaard dat de paardachtige beantwoordt aan de beschrijving in sectie I van het identificatiedocument.


Date (jj/mm/aaaa)

Date (dd/mm/yyyy)

Datum (dd/mm/jjjj)

Ville et pays

Place and country

Plaats en land

Motif du contrôle (concours, certificat sanitaire etc.)

Purposeof of check (event, health certificate etc.)

Reden voor de controle (wedstrijd, gezondheidscertificaat enz.)

Nom (en lettres capitales), qualité de la personne ayant vérifié l'identité et signature

Name (in capital letters), capacity of official verifying the identity and signature

Naam (in hoofdletters), functie en handtekening van de persoon die de identiteit verifieert

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SECTIE VII

Grippe équine seulement

ou

Grippe équine utilisant des vaccins combinés

Equine influenza only

Or

equine influenza using combined vaccines

Uitsluitend paardeninfluenza

Of

paardeninfluenza in gecombineerde vaccins

Enregistrement des vaccinations

Vaccination record

Vaccinatiegegevens

Toute vaccination subie par l'équidé doit être mentionnée dans le tableau ci-dessous de façon lisible et précise; cette mention doit être suivie du nom et de la signature du vétérinaire. Diseases other than equine influenza

Details of every vaccination which the equine animal has undergone must be entered clearly and in detail, and completed with the name and signature of veterinarian.

Elke vaccinatie van de paardachtige moet duidelijk en gedetailleerd worden vermeld. Elke vermelding moet vergezeld gaan van de naam en de handtekening van de dierenarts.


Date

Date

Datum

Lieu

Place

Plaats

Pays

Country

Land

Vaccin/Vaccine

Nom (en lettres capitales) et signature du vétérinaire

Name (in capital letters) and signature of veterinarian

Naam (in hoofdletters) en handtekening van de dierenarts

Nom

Name

Naam

Numéro du lot Batch number

Partijnummer

Maladie(s)

Disease(s)

Ziekte(n)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SECTIE VIII

Maladies autres que la grippe équine

Diseases other than equine influenza

Andere ziekten dan paardeninfluenza

Enregistrement des vaccinations

Vaccination record

Vaccinatiegegevens

Toute vaccination subie par l’équidé doit être portée dans le cadre ci-dessous de façon lisible et précise et complétée par le nom et la signature du vétérinaire.

Details of every vaccination which the equine animal has undergone must be entered clearly and in detail, and completed with the name and signature of veterinarian.

Elke vaccinatie van de paardachtige moet duidelijk en gedetailleerd worden vermeld. Elke vermelding moet vergezeld gaan van de naam en de handtekening van de dierenarts.


Date

Date

Datum

Lieu

Place

Plaats

Pays

Country

Land

Vaccin/Vaccine/Vaccin

Nom (en lettre capitales) et signature du vétérinaire

Name (in capital letters) and signature of veterinarian

Naam (in hoofdletters) en handtekening van de dierenarts

Nom

Name

Naam

Numéro du lot

Batch number

Partijnummer

Maladie(s)

Disease(s)

Ziekte(n)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SECTIE IX

Examen de laboratoire

Laboratory health test

Door laboratoria verrichte gezondheidscontroles

Le résultat de tout examen effectué par un vétérinaire pour une maladie transmissible ou par un laboratoire agréé par le service vétérinaire officiel du pays (“laboratoire officiel”) doit être noté clairement et en détail par le vétérinaire qui représente 1'autorité demandant l’examen.

The result of every test carried out for a transmissible disease by a veterinarian or by a laboratory authorised by the official veterinary service of the country (“official laboratory”) must be entered clearly and in detail by the veterinarian acting on behalf of the authority requesting the test.

De resultaten van alle door een dierenarts of een door de officiële veterinaire dienst van een land erkend laboratorium (“officieel laboratorium”) uitgevoerde onderzoeken naar een overdraagbare ziekte moeten duidelijk en gedetailleerd worden geregistreerd door de dierenarts die de instantie die om het onderzoek heeft verzocht, vertegenwoordigt.


Date de prélèvement

Sampling date

Bemonsteringsdatum

Maladie transmissible concernée

Transmissible disease tested for

Overdraagbare ziekte waarnaar een onderzoek is uitgevoerd

Nature de l’examen

Type of test

Type onderzoek

Résultat de l’examen

Result of test

Resultaten van het onderzoek

Laboratoire officiel ayant effectué l’examen

Official laboratory which carried out the test

Officieel laboratorium dat het onderzoek heeft uitgevoerd

Nom (en lettres capitales) et signature du vétérinaire

Name (in capital letters) and signature of veterinarian

Naam (in hoofdletters) en handtekening van de dierenarts

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SECTIE X

Châtaignes

Dessiner le contour de chaque châtaigne dans la carré correspondant: à ne remplir que pour les chevaux sans marque et avec moins de trois épis

Chestnuts

The outline of each of the four chestnut must be drawn in the appropriate square for all horses without markings and with less than three whorls.

Zwilwratten

Voor alle paarden zonder kenmerken en met minder dan drie kruinen moet elk van de vier zwilwratten worden geschetst in het passende vak.

Antérieur droit/Right Foreleg/Voorbeen rechts

Postérieur droit/Right Hindleg/Achterbeen rechts

Antérieur gauche/Left Foreleg/Voorbeen links

Postérieur gauche/Left Hindleg/Achterbeen links

DEEL 2

Bijkomende voorschriften met betrekking tot het unieke, levenslang geldige identificatiedocument voor paardachtigen

Het unieke, levenslang geldige identificatiedocument moet aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

het identificatiedocument heeft de vorm van een gedrukt paspoort van ten minste 210 × 148 mm (A5-formaat) en maximaal 250 × 200 mm;

b)

het identificatiedocument heeft een duidelijke omslag (voor- en achterzijde) die voldoende bescherming biedt, waarop het logo van de bevoegde autoriteit, gemachtigde instantie, stamboekvereniging of autoriteit voor wedstrijden of paardenrennen mag worden aangebracht en waar aan de binnenkant in een opbergvakje mag worden voorzien voor de bladzijden met de secties IV tot en met X als een ondeelbaar geheel, naargelang van het geval;

c)

ten minste de secties I, II en III zijn onscheidbaar machinaal aan elkaar gehecht om te voorkomen dat bladzijden op frauduleuze wijze worden verwijderd of vervangen. Indien de secties I, II en III als standaarddocument worden afgegeven, moet er voldoende rugwit zijn zodat ze eventueel later aan een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat in uitgebreide vorm is afgegeven, kunnen worden gebonden;

d)

wanneer serienummers worden gebruikt, zijn ten minste de secties I, II en III op bladzijden gedrukt met het serienummer van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument;

e)

ten minste elke bladzijde van de secties I, II en III is genummerd volgens het patroon “nummer van de bladzijde/totaal aantal bladzijden”;

f)

ten minste de informatie in sectie I, deel A, wordt beschermd tegen frauduleuze wijzigingen door laminatie of door het document, of minstens de essentiële delen ervan, op veiligheidspapier, zoals papier met reliëf of een watermerk, af te drukken;

g)

de algemene instructies in deel 1 moeten in het document worden afgedrukt indien het secties I tot en met X omvat. In het geval van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument dat uitsluitend uit de secties I, II en III bestaat, is het afdrukken van de in deel 1 bedoelde algemene instructies facultatief.


(1)  Niet invullen indien niet van toepassing.

(2)  Landcode invullen indien vereist overeenkomstig internationale overeenkomsten voor het ras.

(3)  Het individueel identificatienummer overeenkomstig deel 1, hoofdstuk I, punt 3, van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad, dat in artikel 114, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad als “unieke code” wordt omschreven, en overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 is geregistreerd.

(4)  Uniek levensnummer zoals omschreven in artikel 2, punt o), van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262, indien overeenkomstig die verordening toegekend.

(5)  Vereist indien dit verschilt van het individueel identificatienummer of het uniek levensnummer, toegekend overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262.

(6)  Niet vereist wanneer deel I van het zoötechnisch certificaat integraal deel uitmaakt van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument dat is afgegeven door een stamboekvereniging. Indien het unieke, levenslang geldige identificatiedocument is afgegeven overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262, moet het uniek levensnummer zoals omschreven in artikel 2, punt o), van die verordening worden vermeld.

(7)  Verdere generaties opnemen, indien nodig.

(8)  Het individueel identificatienummer overeenkomstig deel 1, hoofdstuk I, punt 3, van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1012 vermelden, dat in artikel 114, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/429 als “unieke code” wordt omschreven. Als het individueel identificatienummer niet beschikbaar is of verschilt van het nummer waaronder het dier in het stamboek is ingeschreven, het stamboeknummer invullen.

(9)  Die persoon moet de stamboekvereniging of bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 30, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2016/1012 vertegenwoordigen.

(10)  Het individueel identificatienummer overeenkomstig deel 1, hoofdstuk I, punt 3, van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1012, dat in artikel 114, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad als “unieke code” wordt omschreven, en overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963 is geregistreerd.

(11)  Uniek levensnummer zoals omschreven in artikel 2, punt o), van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262, indien overeenkomstig die verordening toegekend.

(12)  Niet vereist indien de informatie overeenstemt met informatie in deel I, punt 7, en de delen I en II een ondeelbaar geheel vormen en zijn vervat in of gehecht aan het unieke, levenslang geldige identificatiedocument. Indien het unieke, levenslang geldige identificatiedocument is afgegeven overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262, moet het uniek levensnummer zoals omschreven in artikel 2, punt o), van die verordening worden vermeld.

(13)  Niet invullen indien niet van toepassing.

(14)  Vereist indien dit verschilt ten opzichte van deel I, punt 2.

(15)  Niet vereist indien deze informatie is verstrekt in sectie V van het overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie afgegeven identificatiedocument.

(16)  Niet vereist indien actuele informatie over de eigenaar is opgenomen in andere delen van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument.

(17)  Indien nodig extra bladen toevoegen.

(18)  Indien die genetische informatie op een website beschikbaar is, kan worden volstaan met een verwijzing naar die website, indien de bevoegde autoriteit dit overeenkomstig artikel 32, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1012 heeft toegestaan.

(19)  Op basis van DNA-analyse of analyse van de bloedgroep van het dier.

(20)  Overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1012 vereist voor raszuivere fokpaarden en -ezels die voor de winning van sperma voor kunstmatige inseminatie worden gebruikt. Kan overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1012 door stamboekverenigingen worden vereist voor raszuivere fokpaarden en -ezels die voor de winning van oöcyten en embryo’s worden gebruikt. Vermeld nadere gegevens of het zaaknummer dat verwijst naar het gegevensbestand waarin de gegevens beschikbaar zijn.

(21)  Indien vereist door het fokprogramma.

(22)  Vereist voor drachtige vrouwelijke dieren. De informatie mag in een afzonderlijk document worden verstrekt.

(23)  Doorhalen indien niet van toepassing.

(24)  Indien niet van toepassing, resultaten van afstammingscontrole verstrekken in punt 7.3.4.

(25)  Die persoon moet een vertegenwoordiger zijn van de stamboekvereniging of bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 30, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2016/1012.


BIJLAGE III

DEEL 1

Informatie op plastic kaarten en smartcards

Op de plastic kaarten en smartcards moet ten minste de volgende informatie worden opgeslagen:

1.

Zichtbare informatie op de plastic kaarten of smartcards:

bevoegde autoriteit;

unieke code;

soort en geslacht;

de laatste 15 cijfers van de code die door de transponder wordt uitgezonden;

een foto van de paardachtige (facultatief).

2.

Elektronische informatie op smartcards die toegankelijk is bij gebruik van standaardsoftware:

alle verplichte informatie in secties I tot en met X van het unieke, levenslang geldige identificatiedocument;

registratie van elke wijziging van eerder ingevoerde informatie;

een foto van de paardachtige (facultatief).

DEEL 2

Fysieke kenmerken van de plastic kaarten en smartcards

De plastic kaarten en smartcards hebben de volgende fysieke kenmerken:

ze zijn in overeenstemming met ISO-norm 7810 en ISO-norm 7816-1;

het gebruikte materiaal moet beveiligd zijn tegen vervalsing;

de informatie op de voor- en achterzijde van de plastic kaart of smartcard moet leesbaar zijn met het oog, dus een tekengrootte van ten minste 5 punten hebben.


BIJLAGE IV

Model van het tijdelijke identificatiedocument waarnaar in artikel 24 wordt verwezen

Bevoegde autoriteit

TIJDELIJK DOCUMENT

(artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/963)

Naam van het land

Naam en adres van de houder/eigenaar:

Unieke code

☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ -☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Streepjescode van de unieke code (indien beschikbaar):

Naam van het dier:

 

Transpondercode/oormerk

☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Geslacht:

 

Kleur:

 

Streepjescode (facultatief)/oormerk

Geboortedatum:

 

Alternatieve methode om de identiteit te verifiëren (indien beschikbaar):

Datum en plaats van afgifte:

Naam (in hoofdletters) en functie van de ondertekenaar

Handtekening

Opmerking voor de bevoegde autoriteit of gemachtigde instantie [niet op te nemen in het identificatiedocument]: kleine afwijkingen van dit model zijn toegestaan.


Top