EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019L2034

Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (Voor de EER relevante tekst)

PE/79/2019/REV/1

OJ L 314, 5.12.2019, p. 64–114 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/2034/oj

5.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 314/64


RICHTLIJN (EU) 2019/2034 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 27 november 2019

betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Robuust prudentieel toezicht maakt integraal deel uit van het regelgevingsklimaat waarin financiële instellingen binnen de Unie diensten verrichten. Beleggingsondernemingen vallen, samen met kredietinstellingen, onder Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) wat hun prudentiële behandeling en prudentieel toezicht betreft, terwijl regels voor de verlening van hun vergunningen en de andere vereisten op het gebied van organisatie en bedrijfsvoering in Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn opgenomen.

(2)

De krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU vigerende prudentiële regelingen zijn voornamelijk gebaseerd op het overnemen van de door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) voor grote bankengroepen vastgelegde internationale reguleringsnormen en ondervangen slechts gedeeltelijk de specifieke risico's die verbonden zijn aan de verschillende activiteiten van een groot aantal van de beleggingsondernemingen. Daarom moeten de specifieke kwetsbaarheden en risico's die inherent zijn aan die beleggingsondernemingen, worden geadresseerd door middel van doeltreffende, gepaste en proportionele prudentiële regelingen op Unieniveau die helpen voorzien in een gelijk speelveld in de hele Unie, die een doeltreffend prudentieel toezicht garanderen waarbij de nalevingskosten beheersbaar blijven, en die zorgen voor voldoende kapitaal voor de risico's van beleggingsondernemingen.

(3)

Deugdelijk prudentieel toezicht moet waarborgen dat beleggingsondernemingen ordelijk en in het belang van hun cliënten worden beheerd. Het moet rekening houden met de mogelijkheid dat beleggingsondernemingen en hun cliënten buitensporige risico's aangaan, en met de mate waarin beleggingsondernemingen risico's nemen en inhouden. Ook moet bij dat prudentiële toezicht worden getracht te voorkomen dat een disproportionele regeldruk wordt opgelegd aan beleggingsondernemingen. Tegelijk moet dit prudentiële toezicht het mogelijk maken een evenwicht te vinden tussen het waarborgen van de veiligheid en soliditeit van beleggingsondernemingen en het voorkomen van buitensporige kosten die de levensvatbaarheid van hun bedrijfsactiviteiten zouden kunnen ondermijnen.

(4)

Veel van de vereisten die voortvloeien uit het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn ontworpen om de meest gangbare risico's aan te pakken waarmee kredietinstellingen te maken hebben. Bijgevolg zijn de bestaande vereisten grotendeels zodanig geijkt dat de kredietverleningsmogelijkheden van kredietinstellingen doorheen conjunctuurcycli worden veiliggesteld en dat depositohouders en belastingbetalers worden beschermd tegen eventuele faillissementen, en zijn ze niet afgestemd op alle verschillende risicoprofielen van beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen hebben geen grote portefeuilles particuliere leningen en bedrijfsleningen, en trekken geen deposito's aan. De kans dat hun faillissement kwalijke gevolgen heeft voor de algemene financiële stabiliteit, is kleiner dan bij kredietinstellingen, maar niettemin vormen beleggingsondernemingen een risico dat door middel van een robuust kader moet worden beheerst. De risico's die de meeste beleggingsondernemingen lopen en inhouden, verschillen dus aanzienlijk van de risico's die kredietinstellingen lopen en inhouden, en dergelijke verschillen moeten duidelijk tot uiting komen in het prudentiële kader van de Unie.

(5)

Verschillen tussen lidstaten in de toepassing van het bestaande prudentiële kader vormen een bedreiging voor het gelijke speelveld voor beleggingsondernemingen in de Unie en belemmeren de toegang van beleggers tot nieuwe kansen en betere manieren om hun risico's te beheren. Die verschillen vloeien voort uit de algemene complexiteit van de toepassing van het kader op verschillende beleggingsondernemingen, afhankelijk van de diensten die zij verrichten, waarbij bepaalde nationale autoriteiten die toepassing in hun nationale wetgeving of in de praktijk aanpassen of stroomlijnen. Aangezien het bestaande prudentiële kader niet ingaat op alle risico's die sommige soorten beleggingsondernemingen lopen en inhouden, zijn in sommige lidstaten hoge kapitaalopslagen toegepast op bepaalde beleggingsondernemingen. Om een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de gehele Unie te verzekeren, moeten eenvormige voorschriften voor het aanpakken van die risico's worden vastgesteld.

(6)

Voor beleggingsondernemingen die, gezien hun omvang en hun verwevenheid met andere financiële en economische spelers, niet systeemrelevant zijn, is er dan ook een specifieke prudentiële regeling nodig. Systeemrelevante beleggingsondernemingen moeten daarentegen onder het bestaande prudentiële kader van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU blijven vallen. Die beleggingsondernemingen zijn een subgroep van de beleggingsondernemingen waarop het in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde kader thans van toepassing is, en genieten geen bijzondere vrijstelling van hun belangrijkste vereisten. De grootste en meest verweven beleggingsondernemingen hebben bedrijfsmodellen en risicoprofielen die vergelijkbaar zijn met die van significante kredietinstellingen. Zij verrichten “bankachtige” diensten en gaan op grote schaal risico's aan. Voorts zijn systeemrelevante beleggingsondernemingen dusdanig groot, en hebben zij dusdanige bedrijfsmodellen en risicoprofielen, dat zij een even grote bedreiging vormen voor de stabiele en ordelijke werking van financiële markten als grote kredietinstellingen. Daarom moeten die beleggingsondernemingen onderworpen blijven aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU.

(7)

Het is mogelijk dat beleggingsondernemingen die voor eigen rekening handelen, die financiële instrumenten overnemen of op grote schaal financiële instrumenten plaatsen met plaatsingsgarantie, of die clearingleden bij centrale tegenpartijen zijn, bedrijfsmodellen en risicoprofielen hebben die vergelijkbaar zijn met die van kredietinstellingen. Gezien hun omvang en activiteiten is het mogelijk dat zulke beleggingsondernemingen risico's voor de financiële stabiliteit opleveren die vergelijkbaar zijn met die van kredietinstellingen. De bevoegde autoriteiten moeten hen kunnen verplichten onderworpen te blijven aan dezelfde prudentiële behandeling als kredietinstellingen die onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen en aan het prudentiële toezicht uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU.

(8)

In sommige lidstaten zijn de autoriteiten die voor het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen bevoegd zijn, misschien niet dezelfde als de autoriteiten die met het toezicht op marktgedrag zijn belast. Daarom moet een mechanisme voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen die autoriteiten worden gecreëerd met het oog op een geharmoniseerd prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen in de hele Unie dat snel en efficiënt functioneert.

(9)

Een beleggingsonderneming kan transacties verrichten via een clearinglid in een andere lidstaat. Indien zij dat doet, moet een mechanisme voorhanden zijn om informatie uit te wisselen tussen de betrokken bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten. Een dergelijk mechanisme moet de uitwisseling van informatie mogelijk maken tussen de voor het prudentiële toezicht op de beleggingsonderneming bevoegde autoriteit en hetzij de autoriteit die toezicht houdt op het clearinglid, hetzij de autoriteit die toezicht houdt op de centrale tegenpartij, over het model en de parameters die worden gebruikt voor de berekening van de margevereisten van de beleggingsonderneming, indien een dergelijke berekeningsmethode wordt gebruikt als grondslag voor de eigenvermogensvereisten van de beleggingsonderneming.

(10)

Om de harmonisering van toezichtsnormen en ‐praktijken binnen de Unie te bevorderen, moet de bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA), in nauwe samenwerking met de bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (8) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA), primair bevoegd blijven voor de coördinatie en convergentie van toezichtspraktijken op het gebied van prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS).

(11)

Het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming moet worden gebaseerd op de diensten en activiteiten waarvoor die beleggingsonderneming een vergunning heeft om ze aan te bieden en te verrichten overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU. De mogelijkheid die Richtlijn 2013/36/EU aan de lidstaten bood om in specifieke omstandigheden het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal te verlagen, gecombineerd met de situatie van ongelijkmatige toepassing van die richtlijn, hebben geleid tot een situatie waarin de vereiste bedragen aan aanvangskapitaal sterk uiteenlopen binnen de Unie. Om een eind te maken aan die versnippering, moet het vereiste bedrag aan aanvangskapitaal worden geharmoniseerd voor alle beleggingsondernemingen in de Unie. Ter beperking van de belemmeringen voor markttoetreding die thans bestaan voor multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's) en georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's), moet het aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen die een MTF of OTF exploiteren, worden vastgelegd op het in deze richtlijn bedoelde niveau. Indien het een beleggingsonderneming die een vergunning voor de exploitatie van een OTF heeft, is toegestaan ook voor eigen rekening te handelen onder de voorwaarden van artikel 20 van Richtlijn 2014/65/EU, moet haar aanvangskapitaal worden vastgelegd op het in deze richtlijn bedoelde niveau.

(12)

Hoewel beleggingsondernemingen niet langer onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 575/2013 of Richtlijn 2013/36/EU mogen vallen, moeten bepaalde concepten die in het kader van die wetgevingshandelingen worden gebruikt, hun inmiddels gangbare betekenis behouden. Om de coherente interpretatie van die concepten, wanneer deze in rechtshandelingen van de Unie worden gebruikt, mogelijk te maken en te vergemakkelijken, moeten verwijzingen in dergelijke handelingen naar het aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen, de toezichtsbevoegdheden van bevoegde autoriteiten voor beleggingsondernemingen, het interne beoordelingsproces inzake kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen, het toetsings- en evaluatieproces van bevoegde autoriteiten voor beleggingsondernemingen, en de voor beleggingsondernemingen geldende governance- en beloningsbepalingen, worden uitgelegd als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze richtlijn.

(13)

De goede werking van de interne markt vereist dat de verantwoordelijkheid voor het prudentiële toezicht op een beleggingsonderneming, met name wat de solvabiliteit en financiële soliditeit ervan betreft, bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst berust. Om ook in andere lidstaten waar beleggingsondernemingen diensten verrichten of een bijkantoor hebben, tot een doeltreffend toezicht te komen, moet worden gezorgd voor nauwe samenwerking en uitwisseling van informatie met de bevoegde autoriteiten van die lidstaten.

(14)

Voor informatie- en toezichtsdoeleinden, en met name om de stabiliteit van het financiële stelsel te verzekeren, moeten de bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst, per geval, controles ter plaatse kunnen uitvoeren, inspecties kunnen uitvoeren van de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied, en informatie over de activiteiten van die bijkantoren informatie kunnen verlangen. Toezichtsmaatregelen voor die bijkantoren moeten evenwel de verantwoordelijkheid blijven van de lidstaat van herkomst.

(15)

Om bedrijfsgevoelige informatie te beschermen, moeten de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun toezichtstaken en de uitwisseling van vertrouwelijke informatie gebonden zijn door regels inzake beroepsgeheim.

(16)

Om het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen aan te scherpen en de bescherming van de cliënten van beleggingsondernemingen te versterken, moeten auditors hun controle onpartijdig verrichten en de bevoegde autoriteiten terstond in kennis stellen van de feiten die de financiële positie van een beleggingsonderneming of haar administratieve en boekhoudkundige organisatie ernstig kunnen aantasten.

(17)

Voor de toepassing van deze richtlijn moeten persoonsgegevens worden verwerkt met inachtneming van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9) en Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (10). Met name indien op grond van deze richtlijn persoonsgegevens mogen worden uitgewisseld met derde landen, moeten de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679 en hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/1725 van toepassing zijn.

(18)

Om de naleving van de in deze richtlijn en in Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (11) neergelegde verplichtingen te waarborgen, moeten lidstaten voorzien in administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Opdat administratieve sancties een afschrikkend effect hebben, moeten zij worden bekendgemaakt, behalve in bepaalde welomschreven omstandigheden. Cliënten en beleggers moeten toegang hebben tot informatie over administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die beleggingsondernemingen zijn opgelegd, zodat zij met kennis van zaken kunnen beslissen over hun beleggingsopties.

(19)

Om inbreuken op bepalingen van nationaal recht tot omzetting van deze richtlijn en op Verordening (EU) 2019/2033 te kunnen opsporen, moeten lidstaten over de nodige onderzoeksbevoegdheden beschikken en moeten zij doeltreffende en snelle mechanismen opzetten om mogelijke of daadwerkelijke inbreuken te melden.

(20)

Beleggingsondernemingen die niet als klein en niet-verweven worden beschouwd, moeten over intern kapitaal beschikken dat qua omvang, kwaliteit en verdeling toereikend is om de specifieke risico's te dekken waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden. De bevoegde autoriteiten moeten ervoor zorgen dat beleggingsondernemingen over geschikte strategieën en processen beschikken om de toereikendheid van hun interne kapitaal te beoordelen en te handhaven. De bevoegde autoriteiten moeten, in voorkomend geval, ook kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen kunnen vragen soortgelijke vereisten toe te passen.

(21)

Bevoegdheden inzake toetsing en evaluatie door de toezichthouder moeten een belangrijk regelgevingsinstrument blijven waarmee de bevoegde autoriteiten kwalitatieve elementen kunnen beoordelen, zoals interne governance en controles, risicobeheerprocessen en ‐procedures en, waar nodig, aanvullende vereisten kunnen stellen, met name met betrekking tot eigen vermogen en liquiditeit, in het bijzonder voor beleggingsondernemingen die niet als klein en niet-verweven worden beschouwd maar, indien de bevoegde autoriteit dat gerechtvaardigd en gepast acht, ook voor kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen.

(22)

Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid is vastgelegd in artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Beleggingsondernemingen moeten dat beginsel consequent toepassen. Om de beloning af te stemmen op het risicoprofiel van beleggingsondernemingen en om een gelijk speelveld te garanderen, moeten voor beleggingsondernemingen duidelijke beginselen gelden inzake corporate-governanceregelingen en beloningsregels die genderneutraal zijn en die rekening houden met de verschillen tussen kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen moeten evenwel van die regels worden vrijgesteld omdat de bepalingen inzake beloning en corporate governance van Richtlijn 2014/65/EU ruim genoeg zijn voor dergelijke beleggingsondernemingen.

(23)

Evenzo is uit het verslag van de Commissie van 28 juli 2016 over de beoordeling van de beloningsregels uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 gebleken dat de in Richtlijn 2013/36/EU neergelegde vereisten inzake uitstel en uitbetaling in financiële instrumenten niet geschikt zijn voor kleine en niet-complexe beleggingsondernemingen of voor personeelsleden met een beperkt variabele beloning. Heldere, coherente en geharmoniseerde criteria om te bepalen welke beleggingsondernemingen en personen van die vereisten kunnen worden vrijgesteld, zijn noodzakelijk om voor convergentie in het toezicht te zorgen en een gelijk speelveld te garanderen. Gezien de belangrijke rol die grootverdieners spelen bij het oriënteren van de activiteiten en de langetermijnprestaties van beleggingsondernemingen, moet doeltreffend toezicht worden gewaarborgd op de beloningspraktijken en ‐trends ten aanzien van grootverdieners. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten de beloning van grootverdieners kunnen monitoren.

(24)

Ook is het gepast beleggingsondernemingen een zekere speelruimte te laten in de manier waarop zij andere betaalmiddelen dan contant geld aanwenden om variabele beloningen te betalen, mits die instrumenten in die zin doeltreffend zijn dat zij de belangen van personeelsleden afstemmen op de belangen van diverse belanghebbenden, zoals aandeelhouders en schuldeisers, en bijdragen tot het afstemmen van de variabele beloning op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

(25)

De inkomsten van beleggingsondernemingen in de vorm van vergoedingen, provisies en andere inkomsten met betrekking tot het verrichten van verschillende beleggingsdiensten, zijn uiterst volatiel. De variabele beloningscomponent beperken tot een deel van de vaste beloningscomponent zou het vermogen van de beleggingsonderneming aantasten om beloningen te verlagen in tijden van verminderde inkomsten en zou tot een verhoging van de vastekostenbasis van de beleggingsonderneming kunnen leiden, hetgeen dan weer risico's kan doen ontstaan voor het vermogen van de beleggingsonderneming om stand te houden bij neerwaartse conjunctuurcycli of verminderde inkomsten. Om die risico's te vermijden, mag aan niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen geen eenvormige maximumratio tussen de variabele en de vaste onderdelen van de beloning worden opgelegd. In plaats daarvan moeten die beleggingsondernemingen zelf passende ratio's vastleggen. Deze richtlijn mag de lidstaten echter niet beletten maatregelen in het nationale recht in te voeren die bedoeld zijn om beleggingsondernemingen strengere vereisten op te leggen inzake de maximumratio tussen de variabele en de vaste onderdelen van de beloning. Bovendien mag deze richtlijn de lidstaten er niet van weerhouden een dergelijke maximumratio op te leggen aan alle of bepaalde soorten beleggingsondernemingen.

(26)

Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten om met betrekking tot beloning een strengere benadering te volgen ten aanzien van beleggingsondernemingen die buitengewone financiële overheidssteun genieten.

(27)

In de lidstaten komen verschillende governancestructuren voor. Meestal wordt een monistische of een dualistische bestuursstructuur gehanteerd. De in deze richtlijn vastgelegde definities beogen alle bestaande modellen te omvatten, zonder een bepaalde structuur te bepleiten. Zij zijn alleen bedoeld om regelgeving te kunnen vaststellen die bepaalde resultaten moet opleveren, ongeacht het nationale vennootschapsrecht dat in elke lidstaat op instellingen van toepassing is. De definities moeten daarom de algemene bevoegdheidsverdeling overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht onverlet laten.

(28)

Een leidinggevend orgaan moet worden opgevat als een orgaan dat zowel een uitvoerende als een toezichthoudende functie heeft. De bevoegdheid en de structuur van leidinggevende organen verschillen van lidstaat tot lidstaat. In lidstaten met een monistische bestuursstructuur pleegt een enkel leidinggevend orgaan (de raad van bestuur) zowel bestuurstaken als toezichtstaken uit te oefenen. In lidstaten met een dualistische bestuursstructuur wordt de toezichtsfunctie uitgeoefend door een afzonderlijk toezichthoudend orgaan dat geen uitvoerende taken heeft, en worden de uitvoerende taken uitgeoefend door een afzonderlijk leidinggevend orgaan dat verantwoordelijk is voor en rekenschap moet afleggen over het dagelijkse bestuur van de onderneming. In die structuur worden afzonderlijke taken toegewezen aan verschillende entiteiten binnen het leidinggevende orgaan.

(29)

In reactie op de toenemende algemene vraag naar fiscale transparantie en ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen bij beleggingsondernemingen, moet van beleggingsondernemingen, tenzij zij als klein en niet-verweven kunnen worden aangemerkt, worden verlangd dat zij bepaalde informatie jaarlijks openbaar maken, onder meer informatie over geboekte winst, betaalde belastingen en ontvangen overheidssubsidies.

(30)

Om risico's op het niveau van uitsluitend uit beleggingsondernemingen bestaande groepen aan te pakken, moet de door Verordening (EU) 2019/2033 voorgeschreven methode voor prudentiële consolidatie in het geval van die groepen gepaard gaan met een toetsing aan een groepskapitaalcriterium voor eenvoudigere groepsstructuren. Het bepalen van de groepstoezichthouder moet in beide gevallen wel zijn gebaseerd op dezelfde beginselen die krachtens Richtlijn 2013/36/EU gelden voor het toezicht op geconsolideerde basis. Met het oog op een goede samenwerking moeten de kernelementen van coördinatiemaatregelen, en met name de informatievereisten in noodsituaties of samenwerkings- en coördinatieregelingen, gelijklopen met de kernelementen van de coördinatie die in het kader van het single rulebook voor kredietinstellingen geldt.

(31)

De Commissie moet bij de Raad aanbevelingen kunnen indienen met het oog op het onderhandelen over overeenkomsten tussen de Unie en derde landen voor de praktische uitoefening van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium voor beleggingsondernemingen waarvan de moederondernemingen in derde landen zijn gevestigd, en voor in derde landen opererende beleggingsondernemingen waarvan de moederondernemingen in de Unie zijn gevestigd. Bovendien moeten de lidstaten en EBA ook samenwerkingsregelingen met derde landen kunnen treffen met het oog op de uitoefening van hun toezichtstaken.

(32)

Ter wille van de rechtszekerheid en ter voorkoming van overlappingen tussen het bestaande prudentiële kader dat voor zowel kredietinstellingen als beleggingsondernemingen geldt, en deze richtlijn, moeten Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU worden gewijzigd om beleggingsondernemingen uit het toepassingsgebied van die handelingen te lichten. Beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een bankgroep, moeten evenwel blijven vallen onder de voor de bankgroep geldende bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU, zoals de regels inzake prudentiële consolidatie die zijn vervat in de artikelen 11 tot en met 24 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de bepalingen inzake de intermediaire EU-moederonderneming als bedoeld in artikel 21 ter van Richtlijn 2013/36/EU.

(33)

Er moet worden bepaald welke maatregelen ondernemingen moeten nemen om na te gaan of zij onder de definitie van “kredietinstelling” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vallen, en derhalve een vergunning als kredietinstelling moeten aanvragen. Omdat bepaalde beleggingsondernemingen de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde activiteiten reeds verrichten, moet ook worden verduidelijkt of de voor die activiteiten verleende vergunningen blijven gelden. De bevoegde autoriteiten moeten er met name absoluut voor zorgen dat de overgang van het huidige kader naar het nieuwe voldoende regelgevingszekerheid biedt aan beleggingsondernemingen.

(34)

Opdat het toezicht effect sorteert, is het belangrijk dat ondernemingen die aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, een vergunning als kredietinstelling aanvragen. Derhalve moeten de bevoegde autoriteiten sancties kunnen opleggen aan ondernemingen welke die vergunning niet aanvragen.

(35)

De wijziging van de definitie van “kredietinstelling” in Verordening (EU) nr. 575/2013 door Verordening (EU) 2019/2033 kan, zodra deze laatste van kracht wordt, beleggingsondernemingen omvatten die al actief zijn op basis van een overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU verleende vergunning. Die ondernemingen moeten verder op grond van hun vergunning als beleggingsonderneming kunnen blijven opereren totdat hun een vergunning als kredietinstelling is verleend. Uiterlijk wanneer het gemiddelde van hun totale maandelijkse activa gelijk is aan of groter is dan een van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven drempels over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, moeten die beleggingsondernemingen een aanvraag voor een vergunning als kredietinstelling indienen. Indien een beleggingsonderneming een van de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 haalt vanaf het tijdstip dat deze richtlijn in werking treedt, moet het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa worden berekend aan de hand van de twaalf opeenvolgende maanden die aan dat tijdstip voorafgaan. Die beleggingsondernemingen moeten binnen één jaar en één dag na de inwerkingtreding van deze richtlijn een vergunning als kredietinstelling aanvragen.

(36)

De wijziging van de definitie van “kredietinstelling” in Verordening (EU) nr. 575/2013 door Verordening (EU) 2019/2033 kan ook van invloed zijn op ondernemingen die al een vergunning als beleggingsonderneming hebben aangevraagd op grond van Richtlijn 2014/65/EU en waarvoor de aanvraag nog in behandeling is. Die aanvragen moeten worden overgedragen aan de op grond van Richtlijn 2013/36/EU bevoegde autoriteiten en moeten worden behandeld volgens de in die richtlijn vastgestelde bepalingen inzake vergunningverlening indien de beoogde totale activa van de onderneming gelijk zijn aan of groter zijn dan een van de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(37)

Voor de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen moeten ook alle vereisten gelden inzake toegang tot de activiteit van kredietinstellingen die in titel III van Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld, met inbegrip van de bepalingen betreffende de intrekking van de vergunning overeenkomstig artikel 18 van die richtlijn. Artikel 18 van die richtlijn moet evenwel worden gewijzigd zodat de bevoegde autoriteiten ook de aan een kredietinstelling verleende vergunning kunnen intrekken indien die kredietinstelling haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en over een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa heeft die de drempels van artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), onderschrijden.

(38)

Overeenkomstig artikel 39 van Richtlijn 2014/65/EU zijn ondernemingen uit derde landen die in de Unie financiële diensten verrichten, onderworpen aan nationale regelingen waarbij kan worden geëist dat een bijkantoor in een lidstaat wordt opgericht. Ter facilitering van de regelmatige monitoring en beoordeling van activiteiten die ondernemingen uit derde landen via bijkantoren in de Unie verrichten, moeten de bevoegde autoriteiten worden geïnformeerd over de schaal en de omvang van de diensten en activiteiten die via bijkantoren op hun grondgebied worden verricht.

(39)

Specifieke kruisverwijzingen in de Richtlijnen 2009/65/EG (12), 2011/61/EU (13) en 2014/59/EU (14) van het Europees Parlement en de Raad naar de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU die vanaf de datum van toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 niet langer gelden voor beleggingsondernemingen, gelden als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033.

(40)

EBA heeft, in samenwerking met ESMA, op basis van een grondige achtergrondanalyse, gegevensverzameling en raadpleging een verslag uitgebracht over een prudentiële regeling op maat voor alle niet-systeemrelevante beleggingsondernemingen, dat als basis dient voor het herziene prudentiële kader voor beleggingsondernemingen.

(41)

Teneinde de geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn te waarborgen, moet EBA ontwerpen voor technische reguleringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de criteria om bepaalde beleggingsondernemingen aan Verordening (EU) nr. 575/2013 te onderwerpen, tot nadere bepaling welke informatie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst in het kader van het toezicht moeten uitwisselen, tot bepaling van de wijze waarop beleggingsondernemingen de omvang van hun activiteiten ten behoeve van interne governancevereisten moeten beoordelen en, in het bijzonder, ter beoordeling of zij kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen zijn. De technische reguleringsnormen moeten ook de categorieën personeelsleden bepalen wier beroepswerkzaamheden een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van beleggingsondernemingen voor de toepassing van de beloningsbepalingen, en bepalen welke aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten als variabele beloning kunnen worden aangemerkt. Ten slotte moeten de technische reguleringsnormen de elementen specificeren voor het beoordelen van specifieke liquiditeitsrisico’s, de toepassing van aanvullende eigenvermogensvereisten door bevoegde autoriteiten, en het functioneren van de colleges van toezichthouders. De Commissie dient deze richtlijn aan te vullen door de door EBA ontwikkelde technische reguleringsnormen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De Commissie en EBA moeten ervoor zorgen dat die technische reguleringsnormen door alle betrokken beleggingsondernemingen kunnen worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, omvang en complexiteit van die beleggingsondernemingen en hun activiteiten.

(42)

Aan de Commissie moet tevens de bevoegdheid worden toegekend om door EBA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen inzake uitwisseling van informatie tussen en openbaarmakingsvereisten van bevoegde autoriteiten en door ESMA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(43)

Teneinde de eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen en rekening te houden met ontwikkelingen op financiële markten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen door verduidelijking van de in deze richtlijn vastgestelde definities, de interne kapitaal- en risicobeoordelingen van beleggingsondernemingen en de toetsings- en evaluatiebevoegdheden van de bevoegde autoriteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (15). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(44)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het opzetten van een effectief en evenredig prudentieel kader dat waarborgt dat beleggingsondernemingen met een vergunning om binnen de Unie te opereren, actief zijn op een solide financiële basis en worden beheerd op ordelijke wijze, onder meer in het belang van hun cliënten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(45)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (16) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

a)

het aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen;

b)

de toezichtsbevoegdheden en ‐instrumenten voor het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen door de bevoegde autoriteiten;

c)

het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen door de bevoegde autoriteiten conform de in Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde regels;

d)

de openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend en die onder toezicht staan op grond van Richtlijn 2014/65/EU.

2.   In afwijking van lid 1 zijn de titels IV en V van deze richtlijn niet van toepassing op de in artikel 1, leden 2 en 5, van Verordening (EU) 2019/2033 bedoelde beleggingsondernemingen, die overeenkomstig de tweede alinea van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2019/2033 onder toezicht staan met betrekking tot de naleving van de prudentiële vereisten op grond van de titels VII en VIII van Richtlijn 2013/36/EU.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

“nevendiensten verrichtende onderneming”: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of uit een andere soortgelijke activiteit die ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een of meer beleggingsondernemingen;

2)

“vergunning”: een vergunning die overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2014/65/EU aan een beleggingsonderneming is verleend;

3)

“bijkantoor”: een bijkantoor in de zin van artikel 4, lid 1, punt 30, van Richtlijn 2014/65/EU;

4)

“nauwe banden”: nauwe banden in de zin van artikel 4, lid 1, punt 35, van Richtlijn 2014/65/EU;

5)

“bevoegde autoriteit”: een overheidsinstantie of ‐orgaan van een lidstaat die respectievelijk dat bij nationaal recht officieel erkend en gemachtigd is om toezicht te houden op beleggingsondernemingen overeenkomstig deze richtlijn, in het kader van het toezichtsstelsel dat in die lidstaat van kracht is;

6)

“grondstoffen- en emissierechtenhandelaar”: een grondstoffen- en emissierechtenhandelaar in de zin van artikel 4, lid 1, punt 150, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

7)

“zeggenschap”: de betrekking tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (17) of in de standaarden voor jaarrekeningen waaraan een beleggingsonderneming op grond van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (18) is onderworpen, of een soortgelijke betrekking tussen een natuurlijke persoon of rechtspersoon en een onderneming;

8)

“naleving van het groepskapitaalcriterium”: naleving, door een moederonderneming in een beleggingsondernemingsgroep, van de vereisten van artikel 8 van Verordening (EU) 2019/2033;

9)

“kredietinstelling”: een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

10)

“derivaten”: derivaten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 29, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (19);

11)

“financiële instelling”: een financiële instelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van Verordening (EU) 2019/2033;

12)

“genderneutraal beloningsbeleid”: genderneutraal beloningsbeleid in de zin van artikel 3, lid 1, punt 65, van Richtlijn 2013/36/EU, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad (20);

13)

“groep”: een groep in de zin van artikel 2, punt 11, van Richtlijn 2013/34/EU;

14)

“geconsolideerde situatie”: een geconsolideerde situatie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 11, van Verordening (EU) 2019/2033;

15)

“groepstoezichthouder”: een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door EU-moederbeleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen die onder zeggenschap staan van EU-moederbeleggingsholdings of gemengde financiële EU-moederholdings;

16)

“lidstaat van herkomst”: een lidstaat van herkomst in de zin van artikel 4, lid 1, punt 55, onder a), van Richtlijn 2014/65/EU;

17)

“lidstaat van ontvangst”: een lidstaat van ontvangst in de zin van artikel 4, lid 1, punt 56, van Richtlijn 2014/65/EU;

18)

“aanvangskapitaal”: het met het oog op het verkrijgen van een vergunning als beleggingsonderneming vereiste kapitaal, waarvan het bedrag en het type nader is bepaald in de artikelen 9 en 11;

19)

“beleggingsonderneming”: een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU;

20)

“beleggingsondernemingsgroep”: een beleggingsondernemingsgroep in de zin van artikel 4, lid 1, punt 25, van Verordening (EU) 22019/2033;

21)

“beleggingsholding”: een beleggingsholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 23, van Verordening (EU) 2019/2033;

22)

“beleggingsdiensten en –activiteiten”: beleggingsdiensten en ‐activiteiten in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2014/65/EU;

23)

“leidinggevend orgaan”: een leidinggevend orgaan in de zin van artikel 4, lid 1, punt 36, van Richtlijn 2014/65/EU;

24)

“leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie”: het leidinggevende orgaan handelend in zijn functie van het toezien op en monitoren van de bestuurlijke besluitvorming;

25)

“gemengde financiële holding”: een gemengde financiële holding in de zin van artikel 2, punt 15, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (21);

26)

“gemengde holding”: een moederonderneming die geen financiële holding, beleggingsholding, kredietinstelling, beleggingsonderneming of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;

27)

“directie”: de directie in de zin van artikel 4, lid 1, punt 37, van Richtlijn 2014/65/EU;

28)

“moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 32, van Richtlijn 2014/65/EU;

29)

“dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 33, van Richtlijn 2014/65/EU;

30)

“systeemrisico”: systeemrisico in de zin van artikel 3, lid 1, punt 10, van Richtlijn 2013/36/EU;

31)

“EU-moederbeleggingsonderneming”: een EU-moederbeleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 56, van Verordening (EU) 2019/2033;

32)

“EU-moederbeleggingsholding”: een EU-moederbeleggingsholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 57, van Verordening (EU) 2019/2033;

33)

“gemengde financiële EU-moederholding”: een gemengde financiële EU-moederholding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 58, van Verordening (EU) 2019/2033.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen door de in lid 1 opgenomen definities te verduidelijken teneinde:

a)

de eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen;

b)

bij de toepassing van deze richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op financiële markten.

TITEL II

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 4

Aanwijzing en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan om de in deze richtlijn en in Verordening (EU) 2019/2033 omschreven functies en taken uit te oefenen. De lidstaten stellen de Commissie, EBA en ESMA in kennis van die aanwijzing en, ingeval er meer dan één bevoegde autoriteit is, van de functies en taken van elke bevoegde autoriteit.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de activiteiten van beleggingsondernemingen en, in voorkomend geval, van beleggingsholdings en gemengde financiële holdings, om na te gaan of deze de vereisten van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 naleven.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten alle nodige bevoegdheden hebben, met inbegrip van de bevoegdheid controles ter plaatse te verrichten overeenkomstig artikel 14, om de informatie te verkrijgen die nodig is om na te gaan of beleggingsondernemingen en, in voorkomend geval, beleggingsholdings en gemengde financiële holdings de vereisten van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 naleven, en om mogelijke inbreuken op die vereisten te onderzoeken.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid beschikken die nodig zijn om de in deze richtlijn beschreven taken met betrekking tot prudentieel toezicht, onderzoeken en sancties uit te oefenen.

5.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen hun bevoegde autoriteiten alle informatie te verstrekken die nodig is om na te gaan of zij de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en de bepalingen van Verordening (EU) 2019/2033 naleven. De internecontrolemechanismen en de administratieve en boekhoudkundige procedures van beleggingsondernemingen maken het de bevoegde autoriteiten mogelijk te allen tijde te controleren of zij die bepalingen naleven.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen al hun transacties registreren en de onder deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 vallende systemen en processen documenteren op zodanige wijze dat de bevoegde autoriteiten te allen tijde kunnen nagaan of de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en de bepalingen van Verordening (EU) 2019/2033 worden nageleefd.

Artikel 5

Discretionaire bevoegdheid van bevoegde autoriteiten om bepaalde beleggingsondernemingen te onderwerpen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig artikel 1, lid 2, eerste alinea, onder c), van Verordening (EU) 2019/2033 besluiten de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe te passen op een beleggingsonderneming die een van de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde activiteiten verricht, mits de totale waarde van de geconsolideerde activa van de beleggingsonderneming gelijk is aan of groter is dan 5 miljard EUR, berekend als het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden, en minstens een van de volgende criteria geldt:

a)

de beleggingsonderneming verricht deze activiteiten op een zodanig grote schaal dat wanneer de beleggingsonderneming failliet gaat of anderszins in een noodsituatie verkeert dit tot een systeemrisico zou kunnen leiden;

b)

de beleggingsonderneming is een clearinglid in de zin van artikel 4, lid 1, punt 3, van Verordening (EU) 2019/2033;

c)

de bevoegde autoriteit acht het in het licht van de omvang, aard, schaal en complexiteit van de activiteiten van de betrokken beleggingsonderneming gerechtvaardigd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en met betrekking tot een of meer van de volgende factoren:

i)

het belang van de beleggingsonderneming voor de economie van de Unie of van de betrokken lidstaat;

ii)

het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de beleggingsonderneming;

iii)

de verwevenheid van de beleggingsonderneming met het financiële stelsel.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op grondstoffen- en emissierechtenhandelaren, instellingen voor collectieve belegging of verzekeringsondernemingen.

3.   Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 1 besluit de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 toe te passen op een beleggingsonderneming, valt die beleggingsonderneming onder toezicht met betrekking tot de naleving van de prudentiële vereisten op grond van de titels VII en VIII van Richtlijn 2013/36/EU.

4.   Indien een bevoegde autoriteit besluit een overeenkomstig lid 1 genomen besluit in te rekken, stelt zij de beleggingsonderneming daarvan onverwijld in kennis.

De toepassing van een uit hoofde van lid 1 door een bevoegde autoriteit genomen besluit vervalt zodra een beleggingsonderneming niet langer voldoet aan de in dat lid bedoelde drempel, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.

5.   De bevoegde autoriteiten stellen EBA onverwijld in kennis van op grond van de leden 1, 3 en 4 genomen besluiten.

6.   EBA ontwikkelt in overleg met ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 1, onder a) en b), vastgelegde criteria en waarborgt de consistente toepassing van die criteria.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 december 2020 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de tweede alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 6

Samenwerking binnen een lidstaat

1.   De bevoegde autoriteiten werken nauw samen met de overheidsinstanties of ‐organen die in hun lidstaat verantwoordelijk zijn voor het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen. De lidstaten leggen de betreffende bevoegde autoriteiten en overheidsinstanties of ‐organen de verplichting op onverwijld alle informatie uit te wisselen die essentieel of dienstig is voor de uitoefening van hun functies en taken.

2.   Bevoegde autoriteiten die verschillen van de autoriteiten die overeenkomstig artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU worden aangewezen, voeren een mechanisme in voor samenwerking met de betreffende aangewezen autoriteiten en voor de uitwisseling van alle informatie die dienstig is voor de uitoefening van hun respectieve functies en taken.

Artikel 7

Samenwerking binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht

1.   Bij het uitoefenen van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van toezichtsinstrumenten en toezichtspraktijken bij de toepassing van de uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde wettelijke bepalingen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het ESFS, met vertrouwen en het volste wederzijdse respect samenwerken, met name door te zorgen voor een uitwisseling van gepaste, betrouwbare en uitputtende informatie tussen hen en de andere partijen bij het ESFS;

b)

de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de activiteiten van EBA en, waar passend, aan de colleges van toezichthouders als bedoeld in artikel 48 van deze richtlijn en in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU;

c)

de bevoegde autoriteiten alles in het werk stellen opdat wordt voldaan aan de richtsnoeren en aanbevelingen die EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 heeft uitgebracht, en opdat gehoor wordt gegeven aan de waarschuwingen en aanbevelingen die het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad (22) heeft uitgebracht;

d)

de bevoegde autoriteiten nauw samenwerken met het ESRB;

e)

de taken en bevoegdheden die aan de bevoegde autoriteiten worden toegekend niet de uitvoering van hun taken als lid van EBA of van het ESRB, of op grond van deze richtlijn en op grond van Verordening (EU) 2019/2033 doorkruisen.

Artikel 8

Uniedimensie van het toezicht

De bevoegde autoriteiten in elke lidstaat nemen bij de uitoefening van hun algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die hun besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van andere betrokken lidstaten alsmede van de Unie in haar geheel, uitgaande van de op het relevante tijdstip beschikbare informatie.

TITEL III

AANVANGSKAPITAAL

Artikel 9

Aanvangskapitaal

1.   Het aanvangskapitaal waarover een beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moet beschikken om een vergunning te krijgen voor het verrichten van een van de in de punten 3 en 6 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten of ‐activiteiten, is 750 000 EUR.

2.   Het aanvangskapitaal waarover een beleggingsonderneming die niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten aan te houden, overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moet beschikken om een vergunning te krijgen voor het verrichten van een van de in punten 1, 2, 4, 5 en 7 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsactiviteiten, bedraagt 75 000 EUR.

3.   Het aanvangskapitaal waarover andere beleggingsondernemingen dan de in de leden 1, 2 en 4 van dit artikel bedoelde beleggingsondernemingen overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2014/65/EU moeten beschikken, bedraagt 150 000 EUR.

4.   Het aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming met een vergunning voor het verrichten van de in punt 9 van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten of ‐activiteiten, indien die beleggingsonderneming handelt voor eigen rekening of daar de toestemming voor heeft, bedraagt 750 000 EUR.

Artikel 10

Verwijzingen naar aanvangskapitaal in Richtlijn 2013/36/EU

Verwijzingen naar de in artikel 9 van deze richtlijn bepaalde niveaus voor het aanvangskapitaal gelden vanaf 26 juni 2021 als vervangingen voor de verwijzingen in andere rechtshandelingen van de Unie naar de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde niveaus voor het aanvangskapitaal, en wel als volgt:

a)

verwijzingen naar aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen in artikel 28 van Richtlijn 2013/36/EU gelden als verwijzingen naar artikel 9, lid 1, van deze richtlijn;

b)

verwijzingen naar aanvangskapitaal van beleggingsondernemingen in de artikelen 29 en 31 van Richtlijn 2013/36/EU gelden als verwijzingen naar artikel 9, lid 2, 3 of 4, van deze richtlijn, naargelang de soorten beleggingsdiensten en ‐activiteiten van de beleggingsonderneming;

c)

verwijzingen naar aanvangskapitaal in artikel 30 van Richtlijn 2013/36/EU gelden als verwijzingen naar artikel 9, lid 1, van deze richtlijn.

Artikel 11

Samenstelling van het aanvangskapitaal

Het aanvangskapitaal van een beleggingsonderneming is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2019/2033.

TITEL IV

PRUDENTIEEL TOEZICHT

HOOFDSTUK 1

Beginselen van prudentieel toezicht

Afdeling 1

Bevoegdheid en taken van de lidstaten van herkomst en de lidstaten van ontvangst

Artikel 12

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst

De verantwoordelijkheid voor het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn die verantwoordelijkheid toekennen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

Artikel 13

Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten

1.   De bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten werken nauw samen in het kader van de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033, met name door onverwijld informatie over beleggingsondernemingen uit te wisselen, met inbegrip van het volgende:

a)

informatie over het bestuur en de eigendomsstructuur van de beleggingsonderneming;

b)

informatie over de naleving van de eigenvermogensvereisten door de beleggingsonderneming;

c)

informatie over de naleving van de concentratierisicovereisten en liquiditeitsvereisten door de beleggingsonderneming;

d)

informatie over de administratieve en boekhoudkundige procedures en de internecontrolemechanismen van de beleggingsonderneming;

e)

alle andere relevante factoren die van invloed kunnen zijn op het risico dat de beleggingsonderneming vormt.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk in kennis van alle informatie en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beleggingsonderneming inhoudt voor de bescherming van de cliënten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst en die zij hebben vastgesteld bij het toezicht op de activiteiten van die beleggingsonderneming.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst geven gevolg aan informatie waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis zijn gesteld, door alle maatregelen te nemen die nodig zijn om mogelijke problemen en risico's als bedoeld in lid 2 af te wenden of te verhelpen. Op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst leggen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in detail uit hoe zij rekening hebben gehouden met de informatie en bevindingen waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis zijn gesteld.

4.   Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst na de mededeling van de in lid 2 bedoelde informatie en bevindingen van oordeel zijn dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet de in lid 3 bedoelde nodige maatregelen hebben genomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, EBA en ESMA daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de cliënten te beschermen voor wie diensten worden verricht of om de stabiliteit van het financiële stelsel te beschermen.

De bevoegde autoriteiten kunnen gevallen waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan EBA voorleggen. Onverminderd artikel 258 VWEU kan EBA in dergelijke gevallen handelen overeenkomstig de haar bij artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 toegekende bevoegdheden. Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan EBA ook op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het bereiken van overeenstemming over de uitwisseling van informatie uit hoofde van dit artikel.

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst die het niet eens zijn met de maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, kunnen de kwestie voorleggen aan EBA, die handelt volgens de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vastgelegde procedure. Indien EBA overeenkomstig dat artikel handelt, stelt zij binnen een termijn van één maand een besluit vast.

6.   Voor het beoordelen van de voorwaarde in artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c), van Verordening (EU) 2019/2033, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een beleggingsonderneming de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid verzoeken om informatie in verband met het model en de parameters die worden gebruikt voor het berekenen van het margevereiste van de betrokken beleggingsonderneming.

7.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de vereisten voor het soort en de aard van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde informatie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

8.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot vaststelling van standaardformulieren, templates en procedures voor de informatie-uitwisselingsvereisten om het toezicht op beleggingsondernemingen te faciliteren.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

9.   De EBA dient de in de leden 7 en 8 bedoelde ontwerpen van technische normen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Artikel 14

Controle en inspectie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

1.   Lidstaten van ontvangst bepalen dat, indien een beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of via door hen daartoe benoemde tussenpersonen de in artikel 13, lid 1, bedoelde informatie ter plaatse kunnen controleren en dergelijke bijkantoren kunnen inspecteren.

2.   Voor toezichtsdoeleinden en indien zij dit om redenen van stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaat van ontvangst van belang achten, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegdheid om, per geval, de activiteiten van bijkantoren van beleggingsondernemingen op hun grondgebied ter plaatse te controleren en inspecteren, en om van een bijkantoor informatie over zijn activiteiten te verlangen.

Voordat dergelijke controles en inspecties worden uitgevoerd, raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst onverwijld de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Zo spoedig mogelijk na afronding van die controles en inspecties stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van de bevindingen en verkregen informatie die van belang zijn voor de risicobeoordeling van de betrokken beleggingsonderneming.

Afdeling 2

Beroepsgeheim en meldingsplicht

Artikel 15

Beroepsgeheim en uitwisseling van vertrouwelijke informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en alle personen die voor die bevoegde autoriteiten werken of hebben gewerkt, met inbegrip van de in artikel 76, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde personen, voor de toepassing van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 gebonden zijn aan het beroepsgeheim.

De vertrouwelijke informatie waarvan dergelijke bevoegde autoriteiten en personen beroepshalve kennis krijgen, mag uitsluitend in samengevatte of geaggregeerde vorm openbaar worden gemaakt, indien individuele beleggingsondernemingen of personen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien de beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mag vertrouwelijke informatie die geen betrekking heeft op derden in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden indien dergelijke openbaarmaking nodig is voor de afwikkeling van die procedures.

2.   De bevoegde autoriteiten gebruiken de uit hoofde van deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 verzamelde, uitgewisselde of doorgegeven vertrouwelijke informatie uitsluitend voor de uitvoering van hun taken, en met name voor de volgende doeleinden:

a)

het monitoren van de in deze richtlijn en in Verordening (EU) 2019/2033 vastgelegde prudentiële regels;

b)

het opleggen van sancties;

c)

in het kader van administratieve beroepen tegen besluiten van de bevoegde autoriteiten;

d)

in uit hoofde van artikel 23 aanhangig gemaakte rechtszaken.

3.   Natuurlijke personen en rechtspersonen en andere organen, anders dan de bevoegde autoriteiten, die uit hoofde van deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 vertrouwelijke informatie ontvangen, gebruiken die informatie uitsluitend voor de doeleinden waarin de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk voorziet of overeenkomstig nationaal recht.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen vertrouwelijke informatie uitwisselen voor de toepassing van lid 2, kunnen uitdrukkelijk verklaren hoe de informatie moet worden behandeld en kunnen uitdrukkelijk verdere doorgifte van die informatie beperken.

5.   De in lid 1 bedoelde verplichting vormt geen beletsel voor bevoegde autoriteiten om vertrouwelijke informatie door te geven aan de Commissie indien die informatie nodig is voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie.

6.   De bevoegde autoriteiten kunnen EBA, ESMA, het ESRB, centrale banken van de lidstaten, het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) en de Europese Centrale Bank in hun hoedanigheid van monetaire autoriteiten en, in voorkomend geval, overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op betalings- en afwikkelingssystemen, in kennis stellen van vertrouwelijke informatie indien die informatie nodig is voor de uitvoering van hun taken.

Artikel 16

Samenwerkingsregelingen met derde landen voor de uitwisseling van informatie

Voor het uitoefenen van hun toezichtstaken uit hoofde van deze richtlijn of Verordening (EU) 2019/2033 en voor het uitwisselen van informatie kunnen de lidstaten, de bevoegde autoriteiten, EBA en ESMA overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, naargelang het geval, samenwerkingsregelingen sluiten met de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, alsmede met de autoriteiten of organen van derde landen die bevoegd zijn voor de hieronder volgende taken, mits op de openbaar gemaakte informatie waarborgen inzake beroepsgeheim van toepassing zijn die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 15 van deze richtlijn vastgelegde waarborgen:

a)

het toezicht op financiële instellingen en financiële markten, waaronder het toezicht op financiële entiteiten die een vergunning hebben om op te treden als centrale tegenpartijen, mits de centrale tegenpartijen uit hoofde van artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (23) zijn erkend;

b)

de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en soortgelijke procedures;

c)

het toezicht op de organen die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van beleggingsondernemingen en soortgelijke procedures;

d)

het verrichten van wettelijke controles van financiële instellingen of instellingen die compensatiestelsels beheren;

e)

het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van financiële instellingen;

f)

het toezicht op personen die actief zijn op markten voor emissierechten teneinde zich een totaalbeeld van de financiële markten en spotmarkten te kunnen vormen;

g)

het toezicht op personen die actief zijn op markten voor landbouwgrondstoffenderivaten teneinde zich een totaalbeeld van de financiële en spotmarkten te kunnen vormen.

Artikel 17

Verplichtingen van de personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening

De lidstaten bepalen dat alle personen met een toelating overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (24) die bij een beleggingsonderneming de in artikel 73 van Richtlijn 2009/65/EG of die de in artikel 34 van Richtlijn 2013/34/EU beschreven taken verrichten, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting hebben terstond aan de bevoegde autoriteiten melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot die beleggingsonderneming, of met betrekking tot een onderneming die met die beleggingsonderneming nauwe banden heeft, en dat:

a)

een wezenlijke inbreuk inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgelegd;

b)

de bedrijfscontinuïteit van de beleggingsonderneming kan aantasten, of

c)

kan leiden tot een weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehoud.

Afdeling 3

Sancties, onderzoeksbevoegdheden en recht van beroep

Artikel 18

Administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.   Onverminderd de in titel IV, hoofdstuk 2, afdeling 4, van deze richtlijn bedoelde toezichtsbevoegdheden, waaronder onderzoeksbevoegdheden en bevoegdheden van bevoegde autoriteiten om herstelmaatregelen op te leggen en onverminderd het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten regels inzake administratieve sancties en andere administratieve maatregelen vast en zorgen zij ervoor dat hun bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben die sancties en maatregelen op te leggen met betrekking tot inbreuken op nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op Verordening (EU) 2019/2033, onder meer in de gevallen waarin een beleggingsonderneming:

a)

niet beschikt over interne governanceregelingen als bepaald in artikel 26;

b)

in strijd met artikel 54, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2019/2033 verzuimt om de bevoegde autoriteiten informatie te verstrekken over de naleving van de verplichting om aan de in artikel 11 van die verordening vastgestelde eigenvermogensvereisten te voldoen, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

c)

in strijd met artikel 54, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2019/2033 verzuimt om de bevoegde autoriteiten informatie over haar concentratierisico te verstrekken, of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;

d)

een concentratierisico loopt dat de in artikel 37 van Verordening (EU) 2019/2033 bepaalde limieten overschrijdt, onverminderd de artikelen 38 en 39 van die verordening;

e)

in strijd met artikel 43 van Verordening (EU) 2019/2033 herhaaldelijk of aanhoudend verzuimt liquide activa aan te houden, onverminderd artikel 44 van die verordening;

f)

verzuimt informatie openbaar te maken of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt, in strijd met de in deel zes van Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde bepalingen;

g)

betalingen verricht aan houders van in het eigen vermogen van de beleggingsonderneming opgenomen instrumenten, terwijl dergelijke betalingen verboden zijn op grond van artikel 28, 52 of 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

h)

aansprakelijk wordt gesteld voor een ernstige inbreuk op krachtens Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (25) vastgestelde nationale bepalingen;

i)

één of meer personen die niet voldoen aan artikel 91 van Richtlijn 2013/36/EU, toestaat om lid van het leidinggevende orgaan te worden of te blijven.

Lidstaten die geen regels vaststellen voor administratieve sancties wegens inbreuken waarop hun nationale strafrecht van toepassing is, delen de Commissie de toepasselijke strafrechtelijke bepalingen mee.

De administratieve sancties en andere administratieve maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

2.   De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen omvatten het volgende:

a)

een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, beleggingsonderneming, beleggingsholding of gemengde financiële holding en de aard van de inbreuk worden vermeld;

b)

een bevel waarin wordt geëist dat de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon het gedrag staakt en niet herhaalt;

c)

een tijdelijk verbod, voor leden van het leidinggevende orgaan van de beleggingsonderneming of voor andere natuurlijke personen die verantwoordelijk worden gehouden, om functies in beleggingsondernemingen uit te oefenen;

d)

indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldelijke sancties die oplopen tot 10 % van de totale netto jaaromzet, met inbegrip van de bruto-inkomsten bestaande uit ontvangen rentebaten en soortgelijke baten, inkomsten uit aandelen en andere niet-vastrentende/vastrentende waardepapieren, en ontvangen provisies of vergoedingen van de onderneming in het voorafgaande boekjaar;

e)

indien het een rechtspersoon betreft, administratieve geldelijke sancties die oplopen tot tweemaal het bedrag van de als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen ingeval die winsten of verliezen kunnen worden bepaald;

f)

indien het een natuurlijke persoon betreft, administratieve geldelijke sancties die oplopen tot 5 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 25 december 2019.

Indien een onder d) van de eerste alinea bedoelde onderneming een dochteronderneming is, zijn de relevante bruto-inkomsten gelijk aan de bruto-inkomsten die blijken uit de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moederonderneming in het voorafgaande boekjaar.

De lidstaten zorgen ervoor dat indien een beleggingsonderneming inbreuk maakt op nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of op Verordening (EU) 2019/2033, de bevoegde autoriteit administratieve sancties kan opleggen aan de leden van het leidinggevende orgaan en aan andere natuurlijke personen die krachtens het nationale recht voor de inbreuk verantwoordelijk zijn.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort van de in lid 1 bedoelde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen en van de hoogte van de administratieve geldelijke sancties alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, met inbegrip van, in voorkomend geval:

a)

de ernst en de duur van de inbreuk;

b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon;

c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van de totale omzet van de rechtspersoon of het jaarinkomen van de natuurlijke persoon;

d)

de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke rechtspersoon zijn behaald respectievelijk vermeden;

e)

alle verliezen die ten gevolge van de inbreuk door derden zijn geleden;

f)

de mate van medewerking met de betrokken bevoegde autoriteiten;

g)

eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon;

h)

mogelijke gevolgen van de inbreuk voor het systeem.

Artikel 19

Onderzoeksbevoegdheden

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten alle bevoegdheden op het gebied van informatieverzameling en onderzoek hebben die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken, met inbegrip van:

a)

de bevoegdheid om van de volgende natuurlijke personen of rechtspersonen informatie te vorderen:

i)

beleggingsondernemingen die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

ii)

beleggingsholdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

iii)

gemengde financiële holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

iv)

gemengde holdings die in de betrokken lidstaat gevestigd zijn;

v)

personen die behoren tot de in de punten i) tot en met iv) bedoelde entiteiten;

vi)

derden aan wie de in de punten i) tot en met iv) bedoelde entiteiten operationele taken of activiteiten hebben uitbesteed;

b)

de bevoegdheid om alle nodige onderzoeken te voeren naar de onder a) bedoelde personen die gevestigd zijn of zich bevinden in de betrokken lidstaat, met inbegrip van het recht:

i)

van de onder a) bedoelde personen de overlegging van documenten te verlangen;

ii)

de boeken en bescheiden van de onder a) bedoelde personen te onderzoeken en kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden te maken;

iii)

schriftelijke of mondelinge toelichting te krijgen van de onder a) bedoelde personen of van hun vertegenwoordigers of personeelsleden;

iv)

alle andere relevante personen te horen om informatie over het onderwerp van een onderzoek te verzamelen;

c)

de bevoegdheid om alle nodige inspecties ter plaatse te verrichten in de bedrijfsruimten van de onder a) bedoelde rechtspersonen en van alle andere ondernemingen die onder het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium vallen en waarvoor de bevoegde autoriteit de groepstoezichthouder is, na voorafgaande kennisgeving aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 20

Bekendmaking van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging op hun officiële website alle overeenkomstig artikel 18 opgelegde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen waartegen geen beroep is ingesteld of niet langer beroep kan worden ingesteld, bekendmaken. Die bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd of tegen wie de maatregel is genomen. De informatie wordt pas bekendgemaakt nadat die persoon van die sancties en maatregelen in kennis is gesteld en voor zover de bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.

2.   Indien de bekendmaking van overeenkomstig artikel 18 opgelegde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen waartegen beroep is ingesteld, door de lidstaten is toegestaan, maken de bevoegde autoriteiten op hun officiële website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.

3.   De bevoegde autoriteiten maken de overeenkomstig artikel 18 opgelegde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen zonder vermelding van namen bekend in de volgende omstandigheden:

a)

de sanctie of maatregel is opgelegd aan een natuurlijke persoon en de bekendmaking van de persoonsgegevens van die persoon wordt disproportioneel geacht;

b)

de bekendmaking zou een lopend strafrechtelijk onderzoek ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar brengen;

c)

de bekendmaking zou disproportionele schade berokkenen aan de betrokken beleggingsondernemingen of natuurlijke personen.

4.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat op grond van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op hun officiële website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de officiële website van de bevoegde autoriteit indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.

Artikel 21

Melding van sancties aan EBA

De bevoegde autoriteiten stellen EBA in kennis van de overeenkomstig artikel 18 opgelegde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, van alle beroepen tegen die sancties en andere administratieve maatregelen en van het resultaat daarvan. EBA houdt, alleen voor de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale databank bij van de aan haar meegedeelde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen. Die databank is uitsluitend toegankelijk voor bevoegde autoriteiten en ESMA, en wordt regelmatig en ten minste jaarlijks bijgewerkt.

EBA houdt een website bij met links naar de bekendmaking van alle door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 18 opgelegde administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, en vermeldt voor elke lidstaat de duur van de bekendmaking van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen.

Artikel 22

Melding van inbreuken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten doeltreffende en betrouwbare mechanismen opzetten opdat mogelijke of daadwerkelijke inbreuken op de tot omzetting van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en op Verordening (EU) 2019/2033 terstond aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld.

Die mechanismen omvatten onder meer het volgende:

a)

specifieke procedures voor het ontvangen van, behandelen van en gevolg geven aan die meldingen, onder meer door het tot stand brengen van beveiligde communicatiekanalen;

b)

passende bescherming tegen vergelding, discriminatie of andere soorten oneerlijke behandeling door de beleggingsonderneming jegens werknemers die inbreuken melden die binnen de beleggingsonderneming worden gepleegd;

c)

de bescherming van de persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuk meldt als de natuurlijke persoon die vermoedelijk voor die inbreuk verantwoordelijk is, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679;

d)

duidelijke regels opdat in alle gevallen vertrouwelijkheid is verzekerd met betrekking tot de persoon die de binnen de beleggingsonderneming gepleegde inbreuken meldt, tenzij het nationale recht openbaarmaking voorschrijft in het kader van nader onderzoek of een daaropvolgende administratieve of gerechtelijke procedure.

2.   De lidstaten verplichten beleggingsondernemingen over procedures te beschikken die hun werknemers in staat stellen inbreuken intern via een specifiek onafhankelijk kanaal te melden. Die procedures mogen worden geregeld door de sociale partners, mits die procedures dezelfde bescherming bieden als de in lid 1, onder b), c) en d), bedoelde bescherming.

Artikel 23

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat beroep openstaat tegen besluiten en maatregelen die op grond van Verordening (EU) 2019/2033 of op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zijn genomen.

HOOFDSTUK 2

Toetsingsprocedure

Afdeling 1

Proces ter beoordeling van de toereikendheid van het interne kapitaal en intern risicobeoordelingsproces

Artikel 24

Intern kapitaal en liquide activa

1.   Beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 gestelde voorwaarden om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen te worden aangemerkt, beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende regelingen, strategieën en processen voor de permanente evaluatie en instandhouding van de bedragen, de samenstelling en de verdeling van het interne kapitaal en de liquide activa die zij toereikend achten om de aard en de omvang van de risico's te dekken die zij voor anderen kunnen inhouden en waaraan de beleggingsondernemingen zelf blootstaan of kunnen worden blootgesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde regelingen, strategieën en processen zijn passend en evenredig ten opzichte van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken beleggingsonderneming. Zij worden op gezette tijden intern beoordeeld.

De bevoegde autoriteiten kunnen beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden, verzoeken om de in dit artikel bedoelde vereisten toe te passen voor zover de bevoegde autoriteiten dit passend achten.

Afdeling 2

Interne governance, transparantie, behandeling van risico's en beloning

Artikel 25

Toepassingsgebied van deze afdeling

1.   Deze afdeling is niet van toepassing indien een beleggingsonderneming op grond van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 vaststelt dat zij aan alle daarin gestelde voorwaarden voldoet om als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming aangemerkt te worden.

2.   Indien een beleggingsonderneming die niet aan alle in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 gestelde voorwaarden voldeed, nadien aan deze voorwaarden voldoet, komt de toepassing van deze afdeling pas te vervallen na een periode van zes maanden vanaf de datum waarop aan die voorwaarden wordt voldaan. De toepassing van deze afdeling op een beleggingsonderneming komt alleen na die periode te vervallen indien de beleggingsonderneming gedurende die periode ononderbroken aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 is blijven voldoen en zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld.

3.   Indien een beleggingsonderneming vaststelt dat zij niet langer aan alle voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 voldoet, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis en voldoet zij aan deze afdeling binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de vaststelling plaatsvond.

4.   De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen de in artikel 32 neergelegde bepalingen toepassen op beloningen voor geleverde diensten of prestaties in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de in lid 3 bedoelde vaststelling plaatsvond.

Indien deze afdeling van toepassing is en artikel 8 van Verordening (EU) 2019/2033 wordt toegepast, zorgen de lidstaten ervoor dat deze afdeling op individuele basis op beleggingsondernemingen wordt toegepast.

Indien deze afdeling van toepassing is en de in artikel 7 van Verordening (EU) 2019/2033 bedoelde prudentiële consolidatie wordt toegepast, zorgen de lidstaten ervoor dat deze afdeling op individuele en geconsolideerde basis op beleggingsondernemingen wordt toegepast.

In afwijking van de derde alinea is deze afdeling niet van toepassing op in derde landen gevestigde dochterondernemingen die zijn opgenomen in een geconsolideerde situatie, indien de moederonderneming in de Unie tegenover de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de toepassing van deze afdeling onrechtmatig is volgens de wetten van het derde land waar deze dochterondernemingen zijn gevestigd.

Artikel 26

Interne governance

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen beschikken over solide governanceregelingen, die elk van de volgende elementen omvatten:

a)

een duidelijke organisatiestructuur met nader omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden;

b)

doeltreffende processen voor de detectie, het beheer, de monitoring en de rapportage van de risico's waaraan beleggingsondernemingen blootstaan of kunnen worden blootgesteld, of de risico's die zij voor anderen inhouden of kunnen inhouden;

c)

passende internecontrolemechanismen, waaronder degelijke administratieve en boekhoudkundige procedures;

d)

beleidslijnen en praktijken op het gebied van beloning die in overeenstemming zijn met en bijdragen tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer.

De onder d) van de eerste alinea bedoelde beleidslijnen en praktijken zijn genderneutraal.

2.   Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde regelingen wordt rekening gehouden met de in de artikelen 28 tot en met 33 bepaalde criteria.

3.   De in lid 1 bedoelde regelingen zijn passend en evenredig ten opzichte van de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en de activiteiten van de beleggingsonderneming.

4.   EBA geeft, in overleg met ESMA, richtsnoeren af betreffende de toepassing van de in lid 1 bedoelde governanceregelingen.

EBA geeft, in overleg met ESMA, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren af betreffende een genderneutraal beloningsbeleid voor beleggingsondernemingen.

Binnen twee jaar na de datum van bekendmaking van die richtsnoeren stelt EBA een verslag op over de toepassing van het genderneutrale beloningsbeleid door beleggingsondernemingen, op basis van de informatie die door de bevoegde autoriteiten is verzameld.

Artikel 27

Verslaggeving per land

1.   De lidstaten vereisen dat beleggingsondernemingen die in een andere lidstaat of in een ander derde land dan waar de vergunning van de beleggingsonderneming werd verleend, beschikken over een bijkantoor dat of een dochteronderneming die een financiële instelling is als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013, jaarlijks de volgende informatie, uitgesplitst naar lidstaat en derde land, bekendmaken:

a)

de benaming, de aard van de activiteiten en de locatie van dochterondernemingen en bijkantoren;

b)

de omzet;

c)

het aantal werknemers in voltijdequivalenten;

d)

de winst of het verlies vóór belasting;

e)

de belasting over winst of verlies;

f)

de ontvangen overheidssubsidies.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie wordt gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG en wordt, indien mogelijk, als bijlage gevoegd bij de jaarlijkse financiële overzichten of, voor zover van toepassing, als bijlage bij de geconsolideerde financiële overzichten van de beleggingsonderneming.

Artikel 28

Taken van het leidinggevende orgaan in het risicobeheer

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevende orgaan van de beleggingsonderneming zijn goedkeuring hecht aan en periodiek overgaat tot toetsing van de strategieën en beleidslijnen inzake de risicobereidheid van de beleggingsonderneming en inzake het beheer, de monitoring en de beperking van de risico's waaraan de beleggingsonderneming blootstaat of kan worden blootgesteld, rekening houdend met de macro-economische context en de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevende orgaan voldoende tijd besteedt aan een gedegen beschouwing van de in lid 1 bedoelde aangelegenheden en passende middelen toewijst aan het beheer van alle wezenlijke risico's waaraan de beleggingsonderneming is blootgesteld.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen voorzien in rapportagelijnen met het leidinggevende orgaan voor alle wezenlijke risico's en voor alle beleidsmaatregelen inzake risicobeheer en de wijzigingen daarin.

4.   De lidstaten verlangen dat alle beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria van artikel 32, lid 4, onder a), een risicocomité instellen, bestaande uit leden van het leidinggevende orgaan die in de betrokken beleggingsonderneming geen enkele uitvoerende functie uitoefenen.

De leden van het in de eerste alinea bedoelde risicocomité bezitten passende kennis, vaardigheden en deskundigheid om de risicostrategie en de risicobereidheid van de beleggingsonderneming ten volle te begrijpen, te beheren en te monitoren. Zij zorgen ervoor dat het risicocomité het leidinggevende orgaan adviseert over de algemene huidige en toekomstige risicobereidheid en ‐strategie van de beleggingsonderneming en het leidinggevende orgaan assisteert bij het toezicht op de uitvoering van deze strategie door de directie. Het leidinggevende orgaan blijft de algehele verantwoordelijkheid dragen voor de risicostrategieën en ‐beleidsmaatregelen van de beleggingsonderneming.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat het leidinggevende orgaan in zijn toezichthoudende functie en het risicocomité van dat leidinggevende orgaan, indien er een is ingesteld, toegang hebben tot informatie over de risico's waaraan de beleggingsonderneming blootstaat of kan worden blootgesteld.

Artikel 29

Behandeling van risico's

1.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen over solide strategieën, beleidslijnen, processen en systemen beschikken om het volgende te identificeren, te meten, te beheren en te monitoren:

a)

wezenlijke oorzaken en effecten van het risico voor cliënten, alsmede elke wezenlijke invloed op eigen middelen;

b)

wezenlijke oorzaken en effecten van het risico voor de markt, alsmede elke wezenlijke invloed op eigen middelen;

c)

wezenlijke oorzaken en gevolgen van het risico voor de beleggingsonderneming, met name die waardoor de beschikbare eigen middelen kunnen worden uitgeput;

d)

het liquiditeitsrisico over een passende reeks tijdshorizonnen, waaronder intra-day, teneinde ervoor te zorgen dat de beleggingsonderneming toereikende niveaus van liquide middelen in stand houdt, ook voor het aanpakken van de wezenlijke oorzaken van risico's als bedoeld onder a), b) en c).

De strategieën, beleidslijnen, processen en systemen zijn evenredig ten opzichte van de complexiteit, het risicoprofiel, het werkterrein van de beleggingsonderneming en de door het leidinggevende orgaan vastgestelde risicotolerantie, en weerspiegelen het belang van de beleggingsonderneming in elke lidstaat waarin zij werkzaam is.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), en van de tweede alinea houden de bevoegde autoriteiten rekening met het nationaal recht inzake de scheiding van aangehouden geld van cliënten.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), overwegen beleggingsondernemingen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten als doeltreffend instrument in het kader van hun risicobeheer.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), omvatten wezenlijke oorzaken van risico voor de beleggingsonderneming zelf, in voorkomend geval, materiële wijzigingen in de boekwaarde van activa, daaronder begrepen eventuele vorderingen op verbonden agenten, het faillissement van cliënten of tegenpartijen, posities in financiële instrumenten, buitenlandse valuta en grondstoffen, en verplichtingen ten aanzien van pensioenregelingen met een gegarandeerde toezegging.

Beleggingsondernemingen houden terdege rekening met een wezenlijke invloed op eigen middelen indien zulke risico's niet op passende wijze worden ondervangen door de overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten.

2.   Indien beleggingsondernemingen afgewikkeld moeten worden of hun activiteiten stopzetten, vereisen de bevoegde autoriteiten dat beleggingsondernemingen, met inachtneming van hun levensvatbaarheid en de houdbaarheid van hun bedrijfsmodellen en ‐strategieën, tijdens het gehele proces van uittreding uit de markt terdege rekening houden met vereisten en noodzakelijke middelen die qua tijdpad en instandhouding van eigen vermogen en liquide middelen realistisch zijn.

3.   In afwijking van artikel 25 zijn de punten a), c) en d), van lid 1 van dit artikel van toepassing op beleggingsondernemingen die voldoen aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 gestelde voorwaarden om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn, om ervoor te zorgen dat de strategieën, beleidslijnen, processen en systemen van beleggingsondernemingen solide zijn. De Commissie houdt daarbij rekening met ontwikkelingen op financiële markten, met name de opkomst van nieuwe financiële producten, ontwikkelingen in boekhoudnormen en ontwikkelingen die de convergentie van toezichtspraktijken bevorderen.

Artikel 30

Beloningsbeleid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen bij de vaststelling en de toepassing van hun beloningsbeleid voor categorieën werknemers, met inbegrip van leidinggevend personeel, risiconemend personeel en met controlefuncties belast personeel, en voor elke werknemer die een totale beloning ontvangt welke op zijn minst gelijk is aan de laagste beloning van leidinggevend of risiconemend personeel en die beroepswerkzaamheden vervult welke het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die zij beheert, wezenlijk beïnvloeden, de volgende beginselen nakomen:

a)

het beloningsbeleid wordt duidelijk gedocumenteerd en staat in verhouding tot de omvang, de interne organisatie en de aard, alsmede aan de reikwijdte en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming;

b)

het beloningsbeleid is genderneutraal;

c)

het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijk en doeltreffend risicobeheer;

d)

het beloningsbeleid strookt met de bedrijfsstrategie en de doelstellingen van de beleggingsonderneming, en houdt rekening met de langetermijneffecten van de genomen beleggingsbeslissingen;

e)

het beloningsbeleid omvat maatregelen om belangenconflicten te voorkomen, zet aan tot verantwoord ondernemerschap en bevordert risicobewustzijn en verstandig risicogedrag;

f)

het leidinggevende orgaan van de beleggingsonderneming in zijn toezichtsfunctie stelt het beloningsbeleid vast, evalueert dit periodiek en draagt volledige verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering ervan;

g)

de uitvoering van het beloningsbeleid wordt ten minste jaarlijks onderworpen aan een centrale en onafhankelijke interne beoordeling in het kader van de uitoefening van controlefuncties;

h)

personeelsleden in controlefuncties zijn onafhankelijk van de bedrijfseenheden waar ze toezicht op uitoefenen, beschikken over toereikend gezag en worden beloond naargelang van de verwezenlijking van de doelstellingen waarop hun functie gericht is, ongeacht de prestaties van de bedrijfsactiviteiten waarop ze toezicht houden;

i)

de in artikel 33 bedoelde beloningscommissie of, indien een dergelijke commissie niet is opgericht, het leidinggevende orgaan in zijn toezichtsfunctie, houdt rechtstreeks toezicht op de beloning van leidinggevende personeelsleden die risicobeheer- en compliancefuncties uitoefenen;

j)

in het beloningsbeleid wordt, rekening houdend met nationale regels inzake loonvorming, een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de criteria die worden toegepast tot vaststelling van:

i)

de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheid weerspiegelt als uiteengezet in de functieomschrijving van de werknemer die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden;

ii)

de variabele beloning, die duurzame en risicogewogen prestaties van de werknemer weerspiegelt, alsmede de extra prestaties die worden geleverd buiten de functieomschrijving van de werknemer;

k)

de vaste beloningscomponent vertegenwoordigt een voldoende hoog aandeel van de totale beloning om de werking van een volledig flexibel beleid inzake variabele beloningscomponenten mogelijk te maken, waaronder de mogelijkheid om geen variabele beloningscomponent uit te betalen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder k), zorgen de lidstaten ervoor dat beleggingsondernemingen in hun beloningsbeleid de passende verhoudingen vaststellen tussen de vaste en de variabele component van de totale beloning, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming en de daaraan verbonden risico's, alsmede met de impact die verschillende categorieën personeel als bedoeld in lid 1 hebben op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de in lid 1 bedoelde beginselen op een zodanige wijze vaststellen en toepassen dat deze passen bij de omvang en de interne organisatie ervan en bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

4.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van passende criteria om vast te stellen welke categorieën personeel beroepswerkzaamheden uitoefenen die het risicoprofiel van de beleggingsonderneming wezenlijk beïnvloeden als bedoeld in lid 1 van dit artikel. EBA en ESMA houden naar behoren rekening met Aanbeveling 2009/384/EG van de Commissie (26), alsmede met de bestaande beloningsrichtsnoeren krachtens de Richtlijnen 2009/65/EG, 2011/61/EU en 2014/65/EU, en trachten afwijkingen van de bestaande bepalingen tot een minimum te beperken.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 31

Beleggingsondernemingen die buitengewone openbare financiële steun genieten

De lidstaten zorgen ervoor dat indien een beleggingsonderneming buitengewone openbare financiële steun als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 28, van Richtlijn 2014/59/EU geniet:

a)

die beleggingsonderneming geen variabele beloning uitkeert aan leden van het leidinggevende orgaan;

b)

indien een aan andere personeelsleden dan leden van het leidinggevende orgaan uitgekeerde variabele beloning niet zou stroken met de handhaving van een solide kapitaalbasis van een beleggingsonderneming en een tijdige beëindiging van de buitengewone openbare financiële steun, de variabele beloning beperkt is tot een percentage van de nettowinsten.

Artikel 32

Variabele beloning

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de variabele beloning die door een beleggingsonderneming wordt toegekend en uitgekeerd aan in artikel 30, lid 1, bedoelde categorieën werknemers, voldoet aan alle volgende vereisten onder dezelfde voorwaarden als die welke in artikel 30, lid 3, zijn geformuleerd:

a)

indien de variabele beloning prestatiegerelateerd is, is het totale bedrag van de beloning gebaseerd op een combinatie van de beoordeling van de prestaties van de betrokken persoon, de betrokken bedrijfseenheid en de totale resultaten van de beleggingsonderneming;

b)

bij de beoordeling van persoonlijke prestaties worden zowel financiële als niet-financiële criteria gehanteerd;

c)

de onder a) bedoelde prestatiebeoordeling is gebaseerd op een periode van verschillende jaren, rekening houdend met de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming en haar bedrijfsrisico's;

d)

de variabele beloning doet niet af aan de capaciteit van de beleggingsonderneming om een solide kapitaalbasis te verzekeren;

e)

er is geen gegarandeerde variabele beloning tenzij voor nieuwe personeelsleden, alleen voor het eerste jaar dat deze nieuwe personeelsleden in dienst zijn en indien de beleggingsonderneming beschikt over een sterke kapitaalbasis;

f)

de vergoedingen met betrekking tot de voortijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst geven de in de loop van de tijd gerealiseerde prestaties van de persoon weer en mogen falen of misdragingen niet belonen;

g)

beloningspakketten met betrekking tot de compensatie of de afkoop van overeenkomsten in eerdere dienstbetrekkingen sluiten aan bij de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming;

h)

bij de beoordeling van prestaties, als basis voor de berekening van pools van variabele beloningscomponenten, wordt rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's en met de kosten van het vereiste kapitaal en de overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2033 vereiste liquiditeit;

i)

bij de toewijzing van de variabele beloningscomponenten binnen de beleggingsonderneming wordt rekening gehouden met alle soorten actuele en toekomstige risico's;

j)

ten minste 50 % van de variabele beloning bestaat uit de volgende instrumenten:

i)

aandelen of gelijkwaardige eigendomsbelangen, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken beleggingsonderneming;

ii)

op aandelen gebaseerde instrumenten of gelijkwaardige niet-contante instrumenten, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken beleggingsonderneming;

iii)

aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten of andere instrumenten die volledig in tier 1-kernkapitaalinstrumenten kunnen worden omgezet of kunnen worden afgeschreven en die de kredietkwaliteit van de beleggingsonderneming in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening passend weergeven;

iv)

niet-contante instrumenten die een afspiegeling zijn van de instrumenten van de beheerde portefeuilles;

k)

in afwijking van punt j) kunnen de bevoegde autoriteiten, indien een beleggingsonderneming geen van de in dat punt bedoelde instrumenten uitgeeft, toestemming geven voor het gebruik van alternatieve regelingen waarmee hetzelfde doel wordt bereikt;

l)

ten minste 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van, waar passend, drie tot vijf jaar naargelang de bedrijfscyclus van de beleggingsonderneming, de aard van haar bedrijfsactiviteiten, de risico's daarvan en de activiteiten van de betrokken persoon, tenzij in geval van variabele beloning met een bijzonder hoog bedrag waarbij het gedeelte van de uitgestelde variabele beloning ten minste 60 % beloopt;

m)

tot 100 % van de variabele beloning wordt verlaagd indien de beleggingsonderneming geringere of negatieve financiële prestaties levert, onder meer door middel van malus- of terugvorderingsregelingen volgens door de beleggingsonderneming vastgestelde criteria die met name gelden voor situaties waarin de betrokken persoon:

i)

heeft deelgenomen aan of verantwoordelijk was voor gedragingen die tot aanmerkelijke verliezen voor de beleggingsonderneming hebben geleid;

ii)

niet langer geschikt en betrouwbaar wordt geacht;

n)

uitkeringen uit hoofde van discretionaire pensioenen zijn in overeenstemming met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming.

2.   Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten voor het volgende:

a)

de in artikel 30, lid 1, bedoelde personen maken geen gebruik van persoonlijke hedgingstrategieën of aan beloning en aansprakelijkheid gekoppelde verzekeringen om de in lid 1 bedoelde beginselen te ondermijnen;

b)

variabele beloning wordt niet uitgekeerd door middel van financiële vehikels of methoden die niet-naleving van deze richtlijn of van Verordening (EU) 2019/2033 vergemakkelijken.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder j), worden de daar bedoelde instrumenten onderworpen aan een passend retentiebeleid dat tot doel heeft de prikkels voor de persoon af te stemmen op de langetermijnbelangen van de beleggingsonderneming, haar crediteuren en cliënten. De lidstaten of hun bevoegde autoriteiten kunnen beperkingen stellen aan de soorten en vormen van deze instrumenten of het gebruik van bepaalde instrumenten voor variabele beloning verbieden.

Voor de toepassing van lid 1, onder l), wordt het uitgestelde deel van de variabele beloning niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.

Voor de toepassing van lid 1, onder n), worden uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen, ingeval de werknemer de beleggingsonderneming voor de leeftijd van pensioenleeftijd verlaat, gedurende een termijn van vijf jaar door de beleggingsonderneming aangehouden in de vorm van onder j) bedoelde instrumenten. Indien een werknemer de pensioenleeftijd bereikt en met pensioen gaat, worden hem de uitkeringen uit hoofde van een discretionair pensioen uitbetaald in de vorm van onder j) bedoelde instrumenten, onder voorbehoud van een retentieperiode van vijf jaar.

4.   Lid 1, onder j) en l), en lid 3, derde alinea, zijn niet van toepassing op:

a)

een beleggingsonderneming indien de waarde van haar activa binnen en buiten de balanstelling gemiddeld 100 miljoen EUR of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betrokken boekjaar;

b)

een persoon van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 EUR en niet meer dan een vierde van zijn totale jaarlijkse beloning vertegenwoordigt.

5.   In afwijking van lid 4, onder a), kan een lidstaat de in dat punt bedoelde drempel verhogen op voorwaarde dat de beleggingsonderneming voldoet aan de volgende criteria:

a)

de beleggingsonderneming behoort in de lidstaat waar ze is gevestigd niet tot een van de drie grootste instellingen, gerekend naar de totale waarde van de activa;

b)

voor de beleggingsonderneming gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU;

c)

de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling van de beleggingsonderneming is gelijk aan of kleiner dan 150 miljoen EUR;

d)

de omvang van de derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling van de beleggingsonderneming is gelijk aan of kleiner dan 100 miljoen EUR;

e)

de drempel bedraagt niet meer dan 300 miljoen EUR, en

f)

het is dienstig de drempel te verhogen, rekening houdend met de aard en de reikwijdte van de activiteiten van de beleggingsonderneming, haar interne organisatie en, in voorkomend geval, de kenmerken van de groep waartoe zij behoort.

6.   In afwijking van lid 4, onder a), kan een lidstaat de in dat punt bedoelde drempel verlagen, op voorwaarde dat dit gepast is, rekening houdend met de aard en reikwijdte van de activiteiten van de beleggingsonderneming, haar interne organisatie en, in voorkomend geval, de kenmerken van de groep waartoe ze behoort.

7.   In afwijking van lid 4, onder b), kan een lidstaat besluiten dat personeelsleden die recht hebben op een jaarlijkse variabele beloning onder de drempel en onder het aandeel als bedoeld in dat punt, niet onder de daarin opgenomen vrijstelling vallen wegens specifieke kenmerken van de nationale markt op het gebied van beloningspraktijken of wegens de aard van de taken en het beroepsprofiel van deze personeelsleden.

8.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de klassen van instrumenten die aan de in lid 1, onder j), iii), gestelde voorwaarden voldoen, en tot nadere bepaling van mogelijke alternatieve regelingen als bedoeld in lid 1, onder k).

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

9.   EBA geeft, in overleg met ESMA, richtsnoeren af om de uitvoering van de leden 4, 5 en 6 te vergemakkelijken en zorgt voor de consistente toepassing ervan.

Artikel 33

Beloningscommissie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de in artikel 32, lid 4, onder a), vastgestelde criteria een beloningscommissie instellen. Die beloningscommissie is evenwichtig qua sekse en verstrekt een kundig en onafhankelijk oordeel over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor het beheer van risico, kapitaal en liquiditeit. De beloningscommissie kan op het niveau van de groep worden ingesteld.

2.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de beloningscommissie wordt belast met de voorbereiding van beslissingen inzake beloning, inclusief beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beleggingsonderneming en die door het leidinggevende orgaan moeten worden genomen. De voorzitter en de leden van de beloningscommissie zijn leden van het leidinggevende orgaan die geen enkele uitvoerende functie in de betrokken beleggingsonderneming bekleden. Indien de nationale wetgeving voorziet in werknemersvertegenwoordiging in het leidinggevende orgaan, maken een of meer vertegenwoordigers van de werknemers deel uit van de beloningscommissie.

3.   Bij de voorbereiding van de in lid 2 bedoelde beslissingen houdt de beloningscommissie rekening met het openbaar belang en de langetermijnbelangen van aandeelhouders, beleggers en andere belanghebbenden van de beleggingsonderneming.

Artikel 34

Toezicht op het beloningsbeleid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de overeenkomstig artikel 51, eerste alinea, onder c) en d), van Verordening (EU) 2019/2033 openbaargemaakte informatie alsmede de door beleggingsondernemingen verstrekte informatie over de loonkloof tussen mannen en vrouwen vergaren en die informatie gebruiken voor het benchmarken van trends en praktijken op het gebied van beloning.

De bevoegde autoriteiten verstrekken deze informatie aan EBA.

2.   EBA gebruikt de overeenkomstig de leden 1 en 4 van de bevoegde autoriteiten ontvangen informatie voor het benchmarken van trends en praktijken inzake beloning op Unieniveau.

3.   EBA verstrekt, in overleg met ESMA, richtsnoeren betreffende de toepassing van degelijk beloningsbeleid. In die richtsnoeren worden ten minste de vereisten van de artikelen 30 tot en met 33 en de in Aanbeveling 2009/384/EG neergelegde beginselen van degelijk beloningsbeleid in acht genomen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten informatie verstrekken over het aantal natuurlijke personen per beleggingsonderneming die een beloning van 1 miljoen EUR of meer per boekjaar, in beloningstranches van 1 miljoen EUR, ontvangen, met inbegrip van informatie over hun taakomschrijving, de betrokken bedrijfssector en de voornaamste elementen van salaris, bonussen, vergoedingen op lange termijn en pensioenbijdragen.

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsondernemingen de bevoegde autoriteiten op verzoek het bedrag van de totale vergoeding van elk lid van het leidinggevende orgaan of de directie meedelen.

De bevoegde autoriteiten zenden de in de eerste en de tweede alinea bedoelde informatie toe aan EBA, die deze bekendmaakt in een gemeenschappelijk rapportageformaat op een naar lidstaat van herkomst geaggregeerde grondslag. EBA kan, in overleg met ESMA, richtsnoeren uitvaardigen om de toepassing van dit lid te vergemakkelijken en de consistentie van de vergaarde informatie te verzekeren.

Artikel 35

EBA-verslag over ecologische, sociale en governancerisico's

EBA stelt met het oog op het toetsings- en evaluatieproces als toezichthouder een verslag op over de invoering van technische criteria voor blootstellingen aan activiteiten die voornamelijk met ecologische, sociale en governancedoelstellingen (ESG-doelstellingen) verband houden, teneinde de mogelijke oorzaken en effecten van risico's voor beleggingsondernemingen te beoordelen, met inachtneming van de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie op het gebied van ESG-taxonomie.

Het in het eerste lid bedoelde EBA-verslag omvat ten minste de volgende aspecten:

a)

een definitie van ESG-risico's, met inbegrip van fysieke risico's en overgangsrisico's in verband met de overgang naar een duurzamere economie, en — wat overgangsrisico’s betreft — met inbegrip van risico's die verband houden met de waardevermindering van activa ten gevolge van wijzigingen in de regelgeving, kwalitatieve en kwantitatieve criteria en maatstaven voor het beoordelen van dergelijke risico's, alsmede een methode om de mogelijkheid te beoordelen dat dergelijke risico's zich op de korte, middellange of lange termijn voordoen, en de mogelijkheid dat dergelijke risico's wezenlijke financiële gevolgen voor een beleggingsonderneming hebben;

b)

een beoordeling van de mogelijkheid dat significante concentraties van specifieke activa de ESG-risico's, met inbegrip van fysieke risico's en overgangsrisico's, voor een beleggingsonderneming verhogen;

c)

een beschrijving van de processen volgens welke een beleggingsonderneming ESG-risico's, waaronder fysieke risico's en overgangsrisico’s kan bepalen, beoordelen en beheren;

d)

de criteria, parameters en maatstaven op grond waarvan toezichthouders en beleggingsondernemingen, met het oog op het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder, de gevolgen van ESG-risico's op de korte, middellange en lange termijn kunnen beoordelen.

EBA legt het verslag met haar bevindingen uiterlijk op 26 december 2021 voor aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Op basis van dat verslag kan EBA, in voorkomend geval, richtsnoeren vaststellen om criteria in verband met ESG-risico's in te voeren voor het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder, waarbij rekening wordt gehouden met de bevindingen van het in dit artikel bedoelde EBA-verslag.

Afdeling 3

Toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder

Artikel 36

Toetsing en evaluatie door de toezichthouder

1.   Voor zover dit relevant en nodig is, toetsen de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met de omvang, het risicoprofiel en het bedrijfsmodel van de beleggingsonderneming, de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die beleggingsondernemingen met het oog op de naleving van deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 hebben ingevoerd, en evalueren zij, naargelang het geval en de relevantie, de volgende elementen met het oog op een degelijk beheer en dekking van hun risico's:

a)

de in artikel 29 bedoelde risico's;

b)

de geografische locatie van de blootstellingen van een beleggingsonderneming;

c)

het bedrijfsmodel van de beleggingsonderneming;

d)

de beoordeling van systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of met aanbevelingen van het ESRB;

e)

de risico's voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die beleggingsondernemingen gebruiken om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van hun processen, gegevens en activa;

f)

de blootstelling van beleggingsondernemingen aan het renterisico, voortvloeiend uit activiteiten in de niet-handelsportefeuille;

g)

governanceregelingen van beleggingsondernemingen en de capaciteit van leden van het leidinggevende orgaan om hun taken uit te oefenen.

Voor de toepassing van dit lid houden de bevoegde autoriteiten er terdege rekening mee of beleggingsondernemingen beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de frequentie en de intensiteit van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie vaststellen rekening houdend met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken beleggingsondernemingen en, in voorkomend geval, met hun systeemrelevantie, alsmede met het evenredigheidsbeginsel.

De bevoegde autoriteiten beslissen per geval of en onder welke vorm de toetsing en evaluatie worden verricht ten aanzien van beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden, maar alleen indien zij dit nodig achten vanwege de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van die beleggingsondernemingen.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt rekening gehouden met nationale wetgeving inzake de scheiding van aangehouden geld van cliënten.

3.   Bij het verrichten van de in lid 1, onder g), bedoelde toetsing en evaluatie hebben de bevoegde autoriteiten toegang tot de agenda's, notulen en werkdocumenten voor vergaderingen van het leidinggevende orgaan en zijn comités, alsmede tot de resultaten van de interne of externe evaluatie van de prestaties van het leidinggevende orgaan.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn, om ervoor te zorgen dat de regelingen, strategieën, processen en mechanismen van beleggingsondernemingen een gedegen beheer en dekking van hun risico's garanderen. De Commissie houdt daarbij rekening met ontwikkelingen op financiële markten, met name de opkomst van nieuwe financiële producten, ontwikkelingen in boekhoudnormen en ontwikkelingen die de convergentie van toezichtspraktijken bevorderen.

Artikel 37

Doorlopende toetsing van de toestemming om interne modellen te gebruiken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten regelmatig en ten minste om de drie jaar toetsen of de beleggingsondernemingen voldoen aan de vereisten voor de toestemming om interne modellen te gebruiken als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) 2019/2033. De bevoegde autoriteiten onderzoeken in het bijzonder veranderingen in de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming en de toepassing van die interne modellen op nieuwe producten, en toetsen en evalueren of de beleggingsonderneming gebruikmaakt van goed ontwikkelde en actuele technieken en praktijken voor die interne modellen. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat wezenlijke tekortkomingen die worden vastgesteld in het ondervangen van risico's door de interne modellen van een beleggingsonderneming, worden verholpen, of nemen maatregelen om de gevolgen ervan af te zwakken, onder meer door kapitaalopslagfactoren of hogere vermenigvuldigingsfactoren op te leggen.

2.   Indien, bij interne modellen voor het risico voor de markt, uit een groot aantal overschrijdingen als bedoeld in artikel 366 van Verordening (EU) nr. 575/2013 blijkt dat de interne modellen niet of niet langer accuraat zijn, trekken de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van interne modellen in of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat de interne modellen onmiddellijk binnen een vastgestelde termijn worden verbeterd.

3.   Indien een beleggingsonderneming die toestemming heeft verkregen om interne modellen te gebruiken, niet langer voldoet aan de vereisten voor de toepassing van deze interne modellen, eisen de bevoegde autoriteiten dat de beleggingsonderneming ofwel aantoont dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn, ofwel een plan presenteert en een uiterste termijn vaststelt om aan die vereisten te voldoen. De bevoegde autoriteiten verlangen verbeteringen in het voorgelegde plan indien het niet waarschijnlijk is dat dit plan zal leiden tot volledige naleving van de vereisten of indien de uiterste termijn niet passend is.

Indien het onwaarschijnlijk is dat de beleggingsonderneming binnen de gestelde termijn aan de vereisten zal voldoen of indien zij niet op bevredigende wijze heeft aangetoond dat de gevolgen van niet-naleving te verwaarlozen zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten de toestemming voor het gebruik van interne modellen intrekken of beperken tot gebieden waarop naleving verzekerd is of gebieden waarop binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan.

4.   EBA analyseert de interne modellen van beleggingsondernemingen en analyseert hoe beleggingsondernemingen die interne modellen gebruiken, vergelijkbare risico’s of blootstellingen behandelen. Zij stelt ESMA daarvan in kennis.

Teneinde consistente, efficiënte en effectieve toezichtspraktijken te bevorderen, ontwikkelt EBA op basis van die analyse en overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren met benchmarks over de wijze waarop beleggingsondernemingen interne modellen dienen te gebruiken en de wijze waarop die interne modellen op vergelijkbare risico's of blootstellingen dienen te worden toegepast.

De lidstaten sporen de bevoegde autoriteiten ertoe aan bij de in lid 1 bedoelde toetsing rekening te houden met deze analyse en deze richtsnoeren.

Afdeling 4

Toezichtsmaatregelen en ‐bevoegdheden

Artikel 38

Toezichtsmaatregelen

De bevoegde autoriteiten eisen dat beleggingsondernemingen in een vroeg stadium de nodige maatregelen nemen om de volgende problemen aan te pakken:

a)

een beleggingsonderneming voldoet niet aan de vereisten van deze richtlijn of van Verordening (EU) 2019/2033;

b)

de bevoegde autoriteiten beschikken over bewijs dat een beleggingsonderneming binnen de volgende twaalf maanden waarschijnlijk inbreuk zal maken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn of op de bepalingen van Verordening (EU) 2019/2033.

Artikel 39

Toezichtsbevoegdheden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige toezichtsbevoegdheden beschikken om bij de uitoefening van hun functies op effectieve en evenredige wijze in te grijpen in de activiteit van beleggingsondernemingen.

2.   Voor de toepassing van artikel 36, artikel 37, lid 3, en artikel 38 en voor de toepassing van Verordening (EU) 2019/2033 beschikken de bevoegde autoriteiten over de volgende bevoegdheden:

a)

eisen dat beleggingsondernemingen over eigen vermogen beschikken boven de vereisten van artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, onder de voorwaarden als bepaald in artikel 40 van deze richtlijn, of het vereiste eigen vermogen en de vereiste liquide activa aanpassen in geval van materiële wijzigingen in de bedrijfsactiviteit van deze beleggingsondernemingen;

b)

eisen dat de overeenkomstig de artikelen 24 en 26 ingevoerde regelingen, processen, mechanismen en strategieën worden aangescherpt;

c)

eisen dat beleggingsondernemingen binnen een termijn van één jaar een plan indienen om opnieuw te voldoen aan de toezichtsvereisten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033, een uiterste termijn vaststellen voor de uitvoering van dat plan en verbeteringen in dat plan eisen wat toepassingsgebied en uiterste termijn betreft;

d)

eisen dat beleggingsondernemingen met betrekking tot de eigenvermogensvereisten een specifiek voorzieningsbeleid voeren of activa op een specifieke wijze behandelen;

e)

restricties of beperkingen opleggen ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten, de transacties of het netwerk van beleggingsondernemingen of de afstoting verlangen van activiteiten die buitensporige risico's voor de financiële soliditeit van een beleggingsonderneming met zich meebrengen;

f)

een beperking eisen van het risico dat verbonden is aan de activiteiten, producten en systemen, met inbegrip van de uitbestede activiteiten, van beleggingsondernemingen;

g)

eisen dat beleggingsondernemingen de variabele beloning beperken tot een bepaald percentage van hun netto-inkomsten indien deze beloning niet verenigbaar is met de instandhouding van een solide kapitaalbasis;

h)

eisen dat beleggingsondernemingen hun nettowinst gebruiken om het eigen vermogen te versterken;

i)

uitkeringen of rentebetalingen door een beleggingsonderneming aan aandeelhouders, leden of houders van aanvullend-tier 1-instrumenten beperken of verbieden, mits die beperking of dat verbod niet leidt tot het in gebreke blijven van de beleggingsonderneming;

j)

aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage opleggen dan die in deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033, onder meer wat de rapportage over kapitaal en liquiditeitsposities betreft;

k)

specifieke liquiditeitsvereisten opleggen overeenkomstig artikel 42;

l)

aanvullende openbaarmakingen eisen;

m)

eisen dat beleggingsondernemingen de risico's beperken in verband met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die beleggingsondernemingen gebruiken teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van hun processen, gegevens en activa te waarborgen.

3.   Voor de toepassing van lid 2, onder j), mogen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen enkel aanvullende rapportagevereisten of een frequentere rapportage opleggen indien de te rapporteren informatie niet tot overlap leidt en aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

een van de in artikel 38, onder a) en b), bedoelde gevallen is van toepassing;

b)

de bevoegde autoriteit acht het nodig het in artikel 38, onder b), bedoelde bewijsmateriaal te vergaren;

c)

de aanvullende informatie is vereist met het oog op het in artikel 36 bedoelde toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder.

Informatie wordt geacht tot duplicering te leiden indien de bevoegde autoriteit al beschikt over dezelfde of grotendeels dezelfde informatie, indien deze informatie door de bevoegde autoriteit kan worden geproduceerd of door dezelfde bevoegde autoriteit kan worden verkregen via andere middelen dan de beleggingsonderneming te verplichten tot het rapporteren van deze informatie. Een bevoegde autoriteit vraagt geen aanvullende informatie indien de informatie voor de bevoegde autoriteit beschikbaar is in een ander formaat of in een andere mate van granulariteit dan de te rapporteren aanvullende informatie en het verschil in formaat of granulariteit haar niet belet om in wezen vergelijkbare informatie te produceren.

Artikel 40

Aanvullend-eigenvermogensvereiste

1.   De bevoegde autoriteiten leggen het aanvullend-eigenvermogensvereiste als bedoeld in artikel 39, lid 2, onder a), alleen op indien zij op basis van de toetsingen overeenkomstig de artikelen 36 en 37 een van de volgende situaties voor een beleggingsonderneming vaststellen:

a)

de beleggingsonderneming is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's, of vormt voor anderen risico's die wezenlijk zijn en niet of niet voldoende worden gedekt door het eigenvermogensvereiste, en met name K‐factorvereisten, als bepaald in deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033;

b)

de beleggingsonderneming voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 24 en 26, en andere toezichtsmaatregelen volstaan naar verwachting niet om de regelingen, processen, mechanismen en strategieën binnen een passend tijdsbestek te verbeteren;

c)

de aanpassingen met betrekking tot de prudentiële waardering van de handelsportefeuille zijn ontoereikend om de beleggingsonderneming in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden binnen een korte termijn zonder wezenlijke verliezen te verkopen of af te dekken;

d)

uit de overeenkomstig artikel 37 uitgevoerde toetsing blijkt dat het niet-voldoen aan de vereisten voor de toepassing van de toegestane interne modellen wellicht zal leiden tot ontoereikende kapitaalniveaus;

e)

de beleggingsonderneming laat herhaaldelijk na een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen als beschreven in artikel 41 tot stand te brengen of te handhaven.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), van dit artikel, worden risico's of aspecten van risico's uitsluitend geacht niet of niet voldoende te zijn gedekt door de eigenvermogensvereisten als bepaald in deel drie en deel vier van Verordening (EU) 2019/2033 indien de bedragen, de samenstelling en de verdeling van kapitaal die door de bevoegde autoriteit toereikend worden geacht na de toezichtstoetsing van de door beleggingsondernemingen overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze richtlijn, uitgevoerde beoordeling hoger zijn dan het in deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033 beschreven eigenvermogensvereiste van de beleggingsonderneming.

Voor de toepassing van de eerste alinea kan het toereikend geachte kapitaal risico's of aspecten van risico's omvatten die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van het eigenvermogensvereiste als beschreven in deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033.

3.   De bevoegde autoriteiten bepalen het niveau van het op grond van artikel 39, lid 2, onder a), vereiste aanvullende eigen vermogen als het verschil tussen het kapitaal dat overeenkomstig lid 2 van dit artikel toereikend wordt geacht en het in deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033 beschreven eigenvermogensvereiste.

4.   De bevoegde autoriteiten eisen dat beleggingsondernemingen aan het in artikel 39, lid 2, onder a), bedoelde aanvullend-eigenvermogensvereiste voldoen met eigen vermogen, onder de volgende voorwaarden:

a)

ten minste drie vierde van het aanvullend-eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1‐kapitaal;

b)

ten minste drie vierde van het tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal;

c)

dat eigen vermogen wordt niet gebruikt om te voldoen aan de in artikel 11, lid 1, onder a), b), en c), van Verordening (EU) 2019/2033 bepaalde eigenvermogensvereisten.

5.   De bevoegde autoriteiten motiveren schriftelijk hun besluit tot het opleggen van een aanvullend-eigenvermogensvereiste, als bedoeld in artikel 39, lid 2, onder a), door middel van een duidelijke uiteenzetting van de volledige beoordeling van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bedoelde elementen. In het in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde geval omvat dit een specifieke motivering van de redenen waarom het overeenkomstig artikel 41, lid 1, bepaalde niveau van kapitaal niet langer als toereikend wordt beschouwd.

6.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de wijze waarop de in lid 2 bedoelde risico's en aspecten van risico's worden gemeten, met inbegrip van risico's of aspecten van risico's die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van het eigenvermogensvereiste als beschreven in deel drie of deel vier van Verordening (EU) 2019/2033.

EBA zorgt ervoor dat de ontwerpen van technische reguleringsnormen indicatieve kwalitatieve maatstaven omvatten voor de bedragen van aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 39, lid 2, onder a), rekening houdend met de verschillende bedrijfsmodellen en juridische vormen van beleggingsondernemingen, en dat zij evenredig zijn in het licht van:

a)

de uitvoeringslasten voor beleggingsondernemingen en bevoegde autoriteiten;

b)

de mogelijkheid dat de hogere eigenvermogensvereiste die gelden indien beleggingsondernemingen geen gebruik maken van interne modellen, het opleggen van lagere eigenvermogensvereiste rechtvaardigen bij de beoordeling van risico's en aspecten van risico's overeenkomstig lid 2.

EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

7.   Op basis van een beoordeling per geval en indien zij zulks gerechtvaardigd achten, kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 een aanvullend-eigenvermogensvereiste opleggen aan beleggingsondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden.

Artikel 41

Richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen

1.   Rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en in verhouding tot de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten die worden verricht door ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden, kunnen de bevoegde autoriteiten eisen dat dergelijke beleggingsondernemingen beschikken over niveaus aan eigen vermogen die, op basis van artikel 24, voldoende boven de vereisten van deel drie van Verordening (EU) 2019/2033 en van deze richtlijn, met inbegrip van de vereisten van aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 39, lid 2, onder a), liggen om ervoor te zorgen dat conjuncturele schommelingen niet leiden tot een inbreuk op deze vereisten of afbreuk doen aan de capaciteit van de beleggingsonderneming om de activiteiten op ordelijke wijze af te wikkelen en stop te zetten.

2.   De bevoegde autoriteiten toetsen indien passend het niveau aan eigen vermogen dat overeenkomstig lid 1 van dit artikel is vastgesteld door elke beleggingsonderneming die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming aangemerkt te worden en, in voorkomend geval, delen ze de conclusies van die toetsing mee aan de betrokken beleggingsonderneming, met inbegrip van verwachte aanpassingen van het overeenkomstig lid 1 van dit artikel bepaalde niveau aan eigen vermogen. Een dergelijke mededeling bevat de datum waarop de bevoegde autoriteit verlangt dat de aanpassing is aangebracht.

Artikel 42

Specifieke liquiditeitsvereisten

1.   De bevoegde autoriteiten leggen de in artikel 39, lid 2, onder k), van deze richtlijn bedoelde specifieke liquiditeitsvereisten alleen op indien zij, op basis van de overeenkomstig de artikelen 36 en 37 van deze richtlijn verrichte toetsingen, tot de conclusie komen dat een beleggingsonderneming die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als een kleine en niet-verweven beleggingsonderneming aangemerkt te worden of die aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 voldoet maar overeenkomstig artikel 43, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 niet is vrijgesteld van het liquiditeitsvereiste, zich in een van de volgende situaties bevindt:

a)

de beleggingsonderneming is blootgesteld aan het liquiditeitsrisico of aspecten ervan die wezenlijk zijn en niet of niet voldoende worden gedekt door het liquiditeitsvereiste als bepaald in deel vijf van Verordening (EU) 2019/2033;

b)

de beleggingsonderneming voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 24 en 26 van deze richtlijn, en andere administratieve maatregelen volstaan naar verwachting niet om de regelingen, processen, mechanismen en strategieën binnen een passende termijn te verbeteren.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), van dit artikel, worden het liquiditeitsrisico of aspecten ervan alleen geacht niet of niet voldoende te worden gedekt door het liquiditeitsvereiste als bepaald in deel vijf van Verordening (EU) 2019/2033 indien de bedragen en de soorten liquiditeit die door de bevoegde autoriteit toereikend worden geacht na de toezichtstoetsing van de door beleggingsondernemingen overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze richtlijn uitgevoerde beoordeling hoger zijn dan het in deel vijf van Verordening (EU) 2019/2033 beschreven liquiditeitsvereiste van de beleggingsonderneming.

3.   De bevoegde autoriteiten bepalen het niveau van de op grond van artikel 39, lid 2, onder k), van deze richtlijn vereiste specifieke liquiditeit als het verschil tussen de liquiditeit die overeenkomstig lid 2 van dit artikel toereikend wordt geacht en het in deel vijf van Verordening (EU) 2019/2033 beschreven liquiditeitsvereiste.

4.   De bevoegde autoriteiten eisen dat beleggingsondernemingen aan de in artikel 39, lid 2, onder k), van dit artikel bedoelde specifieke liquiditeitsvereisten voldoen met de in artikel 43 van Verordening (EU) 2019/2033 beschreven liquide activa.

5.   De bevoegde autoriteiten motiveren schriftelijk hun besluit tot het opleggen van een specifiek liquiditeitsvereiste als bedoeld in artikel 39, lid 2, onder k), door middel van een duidelijke uiteenzetting van de volledige beoordeling van de in de leden 1 tot en met 3 van dit artikel bedoelde elementen.

6.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen hoe het liquiditeitsrisico en aspecten ervan als bedoeld in lid 2 worden gemeten op een wijze die aansluit bij de omvang, de structuur en de interne organisatie van beleggingsondernemingen en de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 43

Samenwerking met afwikkelingsautoriteiten

De bevoegde autoriteiten stellen de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van een overeenkomstig artikel 39, lid 2, onder a), van deze richtlijn opgelegd aanvullend-eigenvermogensvereiste voor beleggingsondernemingen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/59/EU vallen en over de in artikel 41, lid 2, van deze richtlijn bedoelde verwachte aanpassingen voor die beleggingsondernemingen.

Artikel 44

Bekendmakingsvereisten

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

a)

van beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden en van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 46, lid 2, van Verordening (EU) 2019/2033 kunnen eisen dat zij de in artikel 46 van die verordening bedoelde informatie meer dan eenmaal per jaar bekendmaken en termijnen voor die bekendmaking vaststellen;

b)

van beleggingsondernemingen die niet voldoen aan de criteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033 om als kleine en niet-verweven beleggingsondernemingen aangemerkt te worden en van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 46, lid 2, van Verordening (EU) 2019/2033 kunnen eisen dat zij gebruikmaken van specifieke media en locaties, met name de websites van de beleggingsondernemingen, voor andere bekendmakingen dan de financiële overzichten;

c)

van moederondernemingen kunnen eisen dat zij jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van de governance- en organisatiestructuur van de beleggingsondernemingsgroep bekendmaken overeenkomstig artikel 26, lid 1, van deze richtlijn en artikel 10 van Richtlijn 2014/65/EU, hetzij integraal, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie.

Artikel 45

Verplichting om EBA te informeren

1.   De bevoegde autoriteiten stellen EBA in kennis van:

a)

hun toetsings- en evaluatieproces als bedoeld in artikel 36;

b)

de methode voor het nemen van besluiten als bedoeld in de artikelen 39, 40 en 41;

c)

het niveau van de door de lidstaten vastgestelde administratieve sancties als bedoeld in artikel 18.

EBA zendt de in dit lid bedoelde informatie toe aan ESMA.

2.   EBA beoordeelt, in overleg met ESMA, de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie om samenhang te creëren in het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder. Om haar beoordeling te voltooien kan EBA, na raadpleging van ESMA, aanvullende informatie van de bevoegde autoriteiten verlangen, zulks naar evenredigheid en overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

EBA maakt de in lid 1, eerste alinea, onder c), bedoelde geaggregeerde informatie bekend op haar website.

EBA brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de mate van convergentie tussen de lidstaten die bij de toepassing van dit hoofdstuk is gerealiseerd. Indien nodig voert EBA collegiale toetsingen uit overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Zij stelt ESMA van dergelijke collegiale toetsing in kennis.

EBA en ESMA stellen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, naargelang het geval, richtsnoeren vast voor de bevoegde autoriteiten, teneinde de gemeenschappelijke procedures en methoden voor het in lid 1 bedoelde toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder en de beoordeling van de in artikel 29 van deze richtlijn bedoelde behandeling van risico's nader te bepalen op een wijze die aansluit bij de omvang, de structuur en de interne organisatie van beleggingsondernemingen en bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten.

HOOFDSTUK 3

Toezicht op beleggingsondernemingsgroepen

Afdeling 1

Toezicht op beleggingsondernemingsgroepen op geconsolideerde basis en toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium

Artikel 46

Bepaling van de groepstoezichthouder

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een beleggingsondernemingsgroep wordt geleid door een EU-moederbeleggingsonderneming, toezicht op geconsolideerde basis of toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die EU-moederbeleggingsonderneming.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien de moederonderneming van een beleggingsonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, toezicht op geconsolideerde basis of toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van die beleggingsonderneming.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in twee of meer lidstaten dezelfde EU-moederbeleggingsholding of dezelfde gemengde financiële EU-moederholding hebben, toezicht op geconsolideerde basis of toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend in de lidstaat waar de beleggingsholding of de gemengde financiële holding is opgericht.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien de moederondernemingen van twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in twee of meer lidstaten meer dan één beleggingsholding of gemengde financiële holding met hoofdkantoor in verschillende lidstaten hebben en zich in elk van deze lidstaten een beleggingsonderneming bevindt, toezicht op geconsolideerde basis of toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien twee of meer beleggingsondernemingen met een vergunning in de Unie als moederonderneming dezelfde EU-beleggingsholding of dezelfde gemengde financiële EU-holding hebben en aan geen van deze beleggingsondernemingen een vergunning is verleend in de lidstaat waar de beleggingsholding of gemengde financiële holding is opgericht, toezicht op geconsolideerde basis of toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

6.   De bevoegde autoriteiten kunnen onderling overeenkomen af te wijken van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde criteria indien de toepassing ervan niet passend zou zijn voor het effectieve toezicht op geconsolideerde basis of het effectieve toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, waarbij ze rekening houden met de betrokken beleggingsondernemingen en de belangrijkheid van hun activiteiten in de desbetreffende lidstaten, en een andere bevoegde autoriteit aan te wijzen om toezicht te houden op geconsolideerde basis of toezicht te houden op de naleving van het groepskapitaalcriterium. In die gevallen moeten de bevoegde autoriteiten, alvorens een dergelijk besluit vast te stellen, de EU-moederbeleggingsholding of de gemengde financiële EU-moederholding of de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, de gelegenheid bieden haar mening te geven over dat voorgenomen besluit. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en EBA in kennis van dergelijke besluiten.

Artikel 47

Informatievereisten in noodsituaties

Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel mogelijk in gevaar brengen in lidstaten waar entiteiten van een beleggingsondernemingsgroep een vergunning hebben gekregen, brengt de overeenkomstig artikel 46 van deze richtlijn bepaalde groepstoezichthouder overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze titel, EBA, het ESRB en andere relevante bevoegde autoriteiten daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte en deelt hij alle informatie mee die noodzakelijk is om hun taken uit te oefenen.

Artikel 48

Colleges van toezichthouders

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig artikel 46 van deze richtlijn bepaalde groepstoezichthouder, in voorkomend geval, colleges van toezichthouders kan oprichten om de uitoefening van de in dit artikel bedoelde taken te faciliteren en te zorgen voor coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen, in het bijzonder indien dit voor de toepassing van artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 2 van Verordening (EU) 2019/2033 nodig is om met de toezichthoudende autoriteiten van de gekwalificeerde centrale tegenpartijen (GCTP's) relevante informatie over het margemodel uit te wisselen en deze bij te werken.

2.   Colleges van toezichthouders bieden een kader waarbinnen de groepstoezichthouder, EBA en de andere bevoegde autoriteiten de volgende taken verrichten:

a)

de in artikel 47 bedoelde taken;

b)

de coördinatie van verzoeken om informatie indien dit nodig is voor het faciliteren van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2019/2033;

c)

de coördinatie van verzoeken om informatie in gevallen waarin verscheidene bevoegde autoriteiten van beleggingsondernemingen die tot dezelfde groep behoren, hetzij van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid, hetzij van de bevoegde autoriteit van de GCTP informatie moeten vragen over het margemodel en de parameters die worden gebruikt voor de berekening van het margevereiste van de desbetreffende beleggingsondernemingen;

d)

de uitwisseling van informatie tussen alle bevoegde autoriteiten en met EBA overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en met ESMA overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1095/2010;

e)

een akkoord bereiken over de vrijwillige delegatie van taken en verantwoordelijkheden tussen bevoegde autoriteiten, indien van toepassing;

f)

de efficiëntie van het toezicht vergroten door te voorkomen dat tweemaal aan hetzelfde toezichtsvereiste moet worden voldaan.

3.   Indien passend mogen colleges van toezichthouders eveneens worden opgericht ingeval dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-beleggingsonderneming, een EU-beleggingsmoederholding of gemengde financiële EU-moederholding in een derde land zijn gevestigd.

4.   EBA neemt overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 deel aan de vergaderingen van de colleges van toezichthouders.

5.   De volgende autoriteiten zijn leden van het college van toezichthouders:

a)

de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-beleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding;

b)

in voorkomend geval, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten die volgens alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van afdeling 2 van hoofdstuk I van deze titel.

6.   De overeenkomstig artikel 46 bepaalde groepstoezichthouder zit de vergaderingen van het college van toezichthouders voor en stelt besluiten vast. De groepstoezichthouder informeert alle leden van het college van toezichthouders vooraf volledig over het beleggen van deze vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de te onderzoeken activiteiten. De groepstoezichthouder informeert alle leden van het college van toezichthouders tevens tijdig en volledig over de op die vergaderingen genomen besluiten en over de uitgevoerde maatregelen.

Bij het vaststellen van besluiten houdt de groepstoezichthouder rekening met de relevantie van de door de in lid 5 bedoelde autoriteiten te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit.

De oprichting en de werking van de colleges van toezichthouders worden schriftelijk vastgelegd.

7.   In geval van een verschil van mening over een door de groepstoezichthouder genomen besluit over de werking van colleges van toezichthouders mag iedere betrokken bevoegde autoriteit de zaak naar EBA verwijzen en EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan EBA eveneens op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan in geval van een verschil van mening over de werking van colleges van toezichthouders uit hoofde van dit artikel.

8.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder de colleges van toezichthouders hun in lid 1 bedoelde taken uitoefenen.

EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 49

Vereisten voor samenwerking

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de groepstoezichthouder en de in artikel 48, lid 5, bedoelde bevoegde autoriteiten elkaar alle nodige relevante informatie verstrekken, waaronder:

a)

de identificatie van de juridische en bestuursstructuur van de beleggingsondernemingsgroep, met inbegrip van zijn organisatiestructuur, die alle gereguleerde en niet-gereguleerde entiteiten, niet-gereguleerde dochterondernemingen en de moederondernemingen omvat, en van de bevoegde autoriteiten van de gereguleerde entiteiten in de beleggingsondernemingsgroep;

b)

de procedures voor het vergaren van informatie bij de beleggingsondernemingen in een beleggingsondernemingsgroep en de procedures voor de verificatie van die informatie;

c)

ongunstige ontwikkelingen in beleggingsondernemingen of in andere entiteiten van een beleggingsondernemingsgroep die ernstige nadelige gevolgen voor deze beleggingsondernemingen zouden kunnen hebben;

d)

belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn;

e)

het feit dat een specifiek eigenvermogensvereiste uit hoofde van artikel 39 van deze richtlijn wordt opgelegd.

2.   De bevoegde autoriteiten en de groepstoezichthouder kunnen overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, een zaak aan EBA voorleggen indien relevante informatie niet zonder onnodige vertraging is meegedeeld overeenkomstig lid 1 of een verzoek om samenwerking, met name om relevante informatie uit te wisselen, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is beantwoord.

EBA kan overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten bijstaan bij het ontwikkelen van consistente samenwerkingspraktijken.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen dat van belang kan zijn voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten, elkaar raadplegen over het volgende:

a)

veranderingen in de aandeelhouders-, de organisatie- of de bestuursstructuur van beleggingsondernemingen in de beleggingsondernemingsgroep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;

b)

door bevoegde autoriteiten aan beleggingsondernemingen opgelegde significante sancties of andere door die autoriteiten getroffen uitzonderlijke maatregelen, en

c)

overeenkomstig artikel 39 opgelegde specifieke eigenvermogensvereiste.

4.   De groepstoezichthouder wordt geraadpleegd wanneer door de bevoegde autoriteiten significante sancties moeten worden opgelegd of andere uitzonderlijke maatregelen moeten worden genomen als bedoeld in lid 3, onder b).

5.   In afwijking van lid 3 is een bevoegde autoriteit niet verplicht overleg te plegen met andere bevoegde autoriteiten in noodsituaties of indien de besluiten daardoor hun doel kunnen missen; in dat geval stelt de bevoegde autoriteit de andere betrokken bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis van haar besluit om geen overleg te plegen.

Artikel 50

Verificatie van informatie over in andere lidstaten gevestigde entiteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een bevoegde autoriteit in een lidstaat informatie over in een andere lidstaat gevestigde beleggingsondernemingen, beleggingsholdings, gemengde financiële holdings, financiële instellingen, nevendiensten verrichtende ondernemingen, gemengde holdings of dochterondernemingen, met inbegrip van dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn, moet verifiëren en een verzoek daartoe doet, de betrokken bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat die verificatie overeenkomstig lid 2 verrichten.

2.   De bevoegde autoriteiten die een verzoek overeenkomstig lid 1 hebben ontvangen, kunnen:

a)

de verificatie zelf verrichten binnen het kader van hun bevoegdheden, of

b)

de bevoegde autoriteiten die het verzoek hebben ingediend, toestaan de verificatie te verrichten, of

c)

een auditor of een deskundige verzoeken de verificatie op onpartijdige wijze te verrichten en de resultaten terstond te rapporteren.

Voor de toepassing van de punten a) en c) is het de verzoekende bevoegde autoriteiten toegestaan deel te nemen aan de verificatie.

Afdeling 2

Beleggingsholdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings

Artikel 51

Opname van holdings in het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium

De lidstaten zorgen ervoor dat beleggingsholdings en gemengde financiële holdings worden opgenomen in het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.

Artikel 52

Kwalificaties van bestuurders

De lidstaten eisen dat de leden van het leidinggevende orgaan van een beleggingsholding of een gemengde financiële holding als voldoende betrouwbaar bekendstaan en over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om hun taken doeltreffend uit te voeren, rekening houdend met de specifieke rol van een beleggingsholding of een gemengde financiële holding.

Artikel 53

Gemengde holdings

1.   De lidstaten bepalen dat, indien de moederonderneming van een beleggingsonderneming een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de beleggingsonderneming, kunnen:

a)

eisen dat de gemengde holding hun alle informatie verstrekt die relevant kan zijn voor het toezicht op die beleggingsonderneming;

b)

toezicht houden op de transacties tussen de beleggingsonderneming en de gemengde holding en de dochterondernemingen van die laatste, en eisen dat de beleggingsonderneming beschikt over adequate risicobeheersprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapportage- en boekhoudprocedures om die transacties te identificeren, te meten, te monitoren en te controleren.

2.   De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten inspecties ter plaatse kunnen uitvoeren, of door externe controleurs kunnen laten uitvoeren, om de van de gemengde holdings en hun dochterondernemingen ontvangen informatie te verifiëren.

Artikel 54

Sancties

Overeenkomstig afdeling 3 van hoofdstuk 2 van deze titel zorgen de lidstaten ervoor dat aan beleggingsholdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings, of aan de feitelijke bestuurders daarvan, die inbreuk maken op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van dit hoofdstuk, administratieve sancties of andere administratieve maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde inbreuken een einde te maken, de gevolgen daarvan te verminderen of de oorzaken van dergelijke inbreuken aan te pakken.

Artikel 55

Beoordeling van het toezicht door derde landen en andere toezichtstechnieken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien twee of meer beleggingsondernemingen die dochterondernemingen zijn van dezelfde moederonderneming die haar hoofdkantoor in een derde land heeft, niet onderworpen zijn aan effectief toezicht op groepsniveau, de bevoegde autoriteiten beoordelen of de beleggingsondernemingen onderworpen zijn aan toezicht door de toezichthoudende autoriteit van het derde land dat gelijkwaardig is aan het toezicht uit hoofde van deze richtlijn en deel één van Verordening (EU) 2019/2033.

2.   Indien uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling blijkt dat geen gelijkwaardig toezicht wordt uitgeoefend, laten de lidstaten ruimte voor passende toezichtsmethoden die de doelstellingen voor toezicht overeenkomstig artikel 7 of 8 van Verordening (EU) 2019/2033 verwezenlijken. Deze toezichtstechnieken worden vastgesteld door de bevoegde autoriteit die de groepstoezichthouder zou zijn indien de moederonderneming in de Unie was gevestigd, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten. Iedere krachtens dit lid genomen maatregel wordt aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten, aan EBA en aan de Commissie meegedeeld.

3.   De bevoegde autoriteit die de groepstoezichthouder zou zijn indien de moederonderneming in de Unie was gevestigd, kan met name eisen dat in de Unie een beleggingsholding of gemengde financiële holding wordt opgericht, en artikel 7 of 8 van Verordening (EU) 2019/2033 toepassen op die beleggingsholding of gemengde financiële holding.

Artikel 56

Samenwerking met toezichthoudende autoriteiten van derde landen

De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aanbevelingen doen aan de Raad voor onderhandelingen over overeenkomsten met een of meer derde landen over de middelen voor de uitoefening van toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door de volgende beleggingsondernemingen:

a)

beleggingsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft;

b)

in derde landen gevestigde beleggingsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in de Unie heeft.

TITEL V

OPENBAARMAKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 57

Openbaarmakingsvereisten

1.   De bevoegde autoriteiten maken alle volgende informatie openbaar:

a)

de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en van de overeenkomstig deze richtlijn in hun lidstaat goedgekeurde algemene richtsnoeren;

b)

de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033 beschikbare keuzemogelijkheden en discretionaire bevoegdheden;

c)

de algemene criteria en methoden die zij hanteren bij het toetsings- en evaluatieproces door de toezichthouder als bedoeld in artikel 36 van deze richtlijn;

d)

geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 in hun lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtsmaatregelen die overeenkomstig artikel 39, lid 2, onder a), van deze richtlijn zijn genomen en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 18 van deze richtlijn zijn opgelegd.

2.   De overeenkomstig lid 1 openbaar gemaakte informatie is voldoende nauwkeurig en volledig om een zinvolle vergelijking te kunnen maken van de toepassing van lid 1, onder b), c) en d), door de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten.

3.   De informatie wordt volgens een gemeenschappelijk format bekendgemaakt en regelmatig bijgewerkt. De informatie wordt op één elektronische locatie toegankelijk gemaakt.

4.   EBA ontwikkelt, in overleg met ESMA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om het formaat, de structuur, de inhoudsopgave en de jaarlijkse bekendmakingsdatum van de in lid 1 vermelde informatie te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

5.   EBA dient de in lid 4 bedoelde ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 26 juni 2021 bij de Commissie in.

TITEL VI

GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 58

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 2, artikel 29, lid 4, en artikel 36, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 25 december 2019.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 29, lid 4, en artikel 36, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 29, lid 4, en artikel 36, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

TITEL VII

WIJZIGINGEN IN ANDERE RICHTLIJNEN

Artikel 59

Wijziging in Richtlijn 2002/87/EG

In artikel 2 van Richtlijn 2002/87/EG wordt punt 7 vervangen door:

“7)

“sectorale voorschriften”: rechtshandelingen van de Unie betreffende het prudentiële toezicht op gereglementeerde entiteiten, met name Verordeningen (EU) nr. 575/2013 (*1) en (EU) 2019/2033 (*2) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2009/138/EG, 2013/36/EU (*3), 2014/65/EU (*4) en (EU) 2019/2033 (*5) van het Europees Parlement en de Raad;

Artikel 60

Wijziging in Richtlijn 2009/65/EG

In artikel 7, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/65/EG wordt punt iii) vervangen door:

“iii)

ongeacht het bedrag van die vereisten mag het eigen vermogen van de beheermaatschappij op geen enkel moment minder bedragen dan het bedrag dat is voorgeschreven in artikel 13 van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*6).

Artikel 61

Wijziging in Richtlijn 2011/61/EU

In artikel 9 van Richtlijn 2011/61/EU wordt lid 5 vervangen door:

“5.   Ongeacht lid 3 is het eigen vermogen van de abi-beheerder nooit minder dan het bedrag dat uit hoofde van artikel 13 van Verordening (EU) 2019/2033 (*7) vereist is.

Artikel 62

Wijzigingen in Richtlijn 2013/36/EU

Richtlijn 2013/36/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG”.

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

a)

toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen;

b)

toezichtsbevoegdheden en ‐instrumenten voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten;

c)

het prudentieel toezicht op kredietinstellingen door bevoegde autoriteiten op een wijze die strookt met de voorschriften die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd;

d)

openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op kredietinstellingen.”.

3)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 en 3 worden geschrapt;

b)

in lid 5 wordt punt 1 geschrapt;

c)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De entiteiten, bedoeld in lid 5, punten 3 tot en met 24, van dit artikel, worden, voor de toepassing van artikel 34 en titel VII, hoofdstuk 3, als financiële instellingen behandeld.”.

4)

In artikel 3, lid 1, wordt punt 4 geschrapt.

5)

Artikel 5 wordt vervangen door:

Artikel 5

Coördinatie binnen de lidstaten

Lidstaten die meer dan één bevoegde autoriteit hebben voor het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de nodige maatregelen om de coördinatie tussen dergelijke autoriteiten te organiseren.”.

6)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 8 bis

Specifieke vereisten voor vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   De lidstaten verplichten de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die reeds een vergunning hebben verkregen overeenkomstig titel II van Richtlijn 2014/65/EU, ertoe overeenkomstig artikel 8 een vergunningaanvraag in te dienen, uiterlijk op de dag waarop een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:

a)

het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR, of

b)

het gemiddelde van de maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten verrichten, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunning verkrijgen.

3.   In afwijking van lid 1 van dit artikel dienen de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen die op 24 december 2019 activiteiten verrichten als beleggingsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend, uiterlijk op 27 december 2020 een vergunningsaanvraag in overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn.

4.   Indien de bevoegde autoriteit, nadat zij de in artikel 95 bis van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie heeft ontvangen, bepaalt dat aan een onderneming een vergunning als kredietinstelling moet worden verleend overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, stelt zij de onderneming en de in artikel 4, lid 1, punt 26, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde bevoegde autoriteit daarvan in kennis en neemt zij de vergunningsprocedure vanaf de datum van deze kennisgeving over.

5.   In het geval van een hervergunning garandeert de bevoegde autoriteit die de vergunning verleent, dat de procedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie van bestaande vergunningen.

6.   EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de informatie die door de onderneming in de vergunningaanvraag aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt, met inbegrip van het in artikel 10 bedoelde programma van werkzaamheden;

b)

de methode voor de berekening van de in lid 1 bedoelde drempels.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 26 december 2020 bij de Commissie in.”.

7)

In artikel 18 wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

haar vergunning uitsluitend gebruikt om de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uit te oefenen en gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren gemiddelde totale activa onder de in dat artikel bedoelde drempels heeft;”.

8)

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   EBA maakt een lijst met de namen van alle kredietinstellingen waaraan vergunning is verleend bekend op haar website, en werkt deze lijst ten minste één keer per jaar bij.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“3 bis.   De lijst, bedoeld in lid 2 van dit artikel bevat de naam van ondernemingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, en merkt deze kredietinstellingen als zodanig aan. De lijst geeft ook aan welke wijzigingen er zijn in vergelijking met de voorgaande versie van de lijst.”.

9)

In artikel 21 ter wordt lid 5 vervangen door:

“5.   Voor de toepassing van dit artikel:

a)

is de totale waarde van de activa in de Unie van de groep uit een derde land de som van:

i)

de totale waarde van de activa van elke instelling in de Unie van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of uit haar afzonderlijke balans ingeval de balans van een instelling niet wordt geconsolideerd, en

ii)

de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*8) of Richtlijn 2014/65/EU;

b)

heeft de term “instelling” ook betrekking op beleggingsondernemingen.

(*8)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).”."

10)

Titel IV wordt geschrapt.

11)

In artikel 51, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1.   De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst kunnen, in gevallen waarin artikel 112, lid 1, van toepassing is, de consoliderende toezichthouder, of anders de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, verzoeken een bijkantoor van een kredietinstelling als significant aan te merken.”.

12)

In artikel 53 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Lid 1 belet de bevoegde autoriteiten niet om met elkaar informatie uit te wisselen of informatie door te geven aan het ESRB, EBA of de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority; ESMA)), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (*9), overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 575/2013, Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*10), artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, de artikelen 31, 35 en 36 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en de artikelen 31 en 36 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*11) en andere op kredietinstellingen toepasselijke richtlijnen. Die informatie is onderworpen aan lid 1.

(*9)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)."

(*10)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1)."

(*11)  Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).”."

13)

In artikel 66, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

ten minste één van de in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde activiteiten uitoefenen en de in dat artikel vastgestelde drempels halen zonder een vergunning als kredietinstelling te hebben;”.

14)

In artikel 76, lid 5, wordt de zesde alinea geschrapt.

15)

In artikel 86 wordt lid 11 vervangen door:

“11.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de instellingen over liquiditeitsherstelplannen met deugdelijke strategieën en uitvoeringsmaatregelen beschikken om mogelijke liquiditeitstekorten het hoofd te kunnen bieden, ook in bijkantoren die in een andere lidstaat zijn gevestigd. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat deze plannen ten minste jaarlijks door de instellingen worden getest, worden bijgewerkt op basis van de resultaten van de in lid 8 bedoelde alternatieve scenario's en worden gemeld aan en goedgekeurd door de directie, zodat interne beleidslijnen en processen dienovereenkomstig kunnen worden aangepast. De instellingen nemen van tevoren de nodige operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat liquiditeitsherstelplannen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze operationele maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van zekerheden die onmiddellijk beschikbaar zijn voor centralebankfinanciering. Dit betekent onder meer dat, indien nodig, zekerheden worden aangehouden in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land waar de instelling blootstellingen heeft en, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.”.

16)

In artikel 110 wordt lid 2 geschrapt.

17)

Artikel 111 wordt vervangen door:

Artikel 111

Bepaling van de consoliderende toezichthouder

1.   Indien een moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat of een EU-moederkredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederkredietinstelling in de lidstaat of die EU‐moederkredietinstelling op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is en geen van haar dochterbedrijven een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op die moederbeleggingsonderneming in de lidstaat of die EU-moederbeleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.

Indien een moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EU-moederbeleggingsonderneming is, en ten minste een van haar dochterondernemingen een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling, of indien er verschillende kredietinstellingen zijn, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.

2.   Indien de moederonderneming van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die op de kredietinstelling of beleggingsonderneming op individuele basis toezicht houdt.

3.   Indien twee of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen waaraan in de Unie een vergunning is verleend, dezelfde financiële moederholding in een lidstaat, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, financiële EU-moederholding of gemengde financiële EU-moederholding hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door:

a)

de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien er slechts één kredietinstelling binnen de groep is;

b)

de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien er meerdere kredietinstellingen binnen de groep zijn, of

c)

de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, indien de groep geen kredietinstelling omvat.

4.   Indien op grond van artikel 18, lid 3 of lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 consolidatie is vereist, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of, indien tot de groep geen kredietinstellingen behoren, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.

5.   Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van lid 1, derde alinea, lid 3, onder b), en lid 4, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die aan toezicht onderworpen kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt gehouden.

Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één beleggingsonderneming binnen een groep, is, in afwijking van lid 3, onder c), de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer beleggingsondernemingen binnen de groep met het hoogste geaggregeerde balanstotaal.

6.   In bijzondere gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te zien van de criteria in de leden 1, 3 en 4 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om op geconsolideerde basis toezicht te houden indien de toepassing van de daarin bedoelde criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen of beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten, of omdat de continuïteit van het toezicht op geconsolideerde basis door dezelfde bevoegde autoriteit moet worden gegarandeerd. In dergelijke gevallen heeft de EU-moederinstelling, de financiële EU-moederholding, de gemengde financiële EU-moederholding of de kredietinstelling of beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.

7.   Indien de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 6 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie en EBA daarvan onverwijld op de hoogte.”.

18)

In artikel 114, lid 1, wordt de derde alinea vervangen door:

“1.   Indien zich een noodsituatie voordoet, met inbegrip van een situatie als omschreven in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 of een situatie van ongunstige ontwikkelingen op de markten, die de liquiditeit van de markt en de stabiliteit van het financiële stelsel kan ondermijnen in een van de lidstaten waar aan entiteiten van een groep vergunning is verleend of significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, waarschuwt de consoliderende toezichthouder, met inachtneming van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling 2, van deze richtlijn, en, indien van toepassing, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 zo spoedig mogelijk EBA en de in artikel 58, lid 4, en artikel 59 bedoelde autoriteiten en deelt hij alle informatie mee die voor de uitoefening van hun taken van essentieel belang is. Deze verplichtingen gelden voor alle bevoegde autoriteiten.”.

19)

Artikel 116 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   De bevoegde autoriteiten die deelnemen aan de colleges van toezichthouders en EBA werken nauw samen. De geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033 beletten de bevoegde autoriteiten niet binnen colleges van toezichthouders vertrouwelijke informatie uit te wisselen. De oprichting en de werking van colleges van toezichthouders doen geen afbreuk aan de rechten en plichten van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013.”;

b)

in lid 6 wordt de eerste alinea vervangen door:

“6.   De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een EU-moederinstelling, een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding, en de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 zijn gevestigd, eventueel centrale banken van het ESCB, alsook, in voorkomend geval en onder voorbehoud van geheimhoudingsvereisten die naar het oordeel van alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn met de vereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, kunnen aan de colleges van toezichthouders deelnemen.”;

c)

in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:

“9.   De consoliderende toezichthouder stelt, onverminderd de geheimhoudingsvereisten uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, EBA in kennis van de activiteiten van het college van toezichthouders, met inbegrip van de activiteiten in noodsituaties, en deelt EBA alle informatie mee die voor de convergentie van het toezicht van bijzonder belang is.”.

20)

In artikel 125 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De in het kader van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen informatie, met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 53, lid 1, van deze richtlijn bedoelde vereisten voor kredietinstellingen of die uit hoofde van artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/2033.”.

21)

In artikel 128 wordt de vijfde alinea geschrapt.

22)

In artikel 129 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

23)

In artikel 130 worden de leden 2, 3 en 4 geschrapt.

24)

In artikel 143, lid 1, wordt punt d) vervangen door;

“d)

onverminderd het bepaalde in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van deze richtlijn en, in voorkomend geval, titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Richtlijn (EU) 2019/2033, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van het prudentiële kader in elke lidstaat, met inbegrip van het aantal en de aard van de toezichtsmaatregelen die overeenkomstig artikel 102, lid 1, onder a), van deze richtlijn zijn genomen, en van de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 65 van deze richtlijn zijn opgelegd.”.

Artikel 63

Wijzigingen in Richtlijn 2014/59/EU

Richtlijn 2014/59/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, lid 1, wordt punt 3 vervangen door:

“3)

“beleggingsonderneming”: een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 22, van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*12) die onderworpen is aan het in artikel 9, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*13) bepaalde aanvangskapitaalvereiste;

(*12)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1)."

(*13)  Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).”."

2)

Aan artikel 45 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   Overeenkomstig artikel 65, lid 4, van Verordening (EU) 2019/2033 worden verwijzingen in de onderhavige richtlijn naar artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de eigenvermogensvereisten op individuele basis van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3, van de onderhavige richtlijn en die geen beleggingsonderneming zijn als bedoeld in artikel 1, lid 2 of lid 5, van Verordening (EU) 2019/2033, als volgt uitgelegd:

a)

verwijzingen in de onderhavige richtlijn naar artikel 92, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de totale kapitaalratio, gelden als verwijzingen naar artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033;

b)

verwijzingen in de onderhavige richtlijn naar artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft het totaal van de risicoposten, gelden als verwijzingen naar het toepasselijke vereiste in artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/2033, vermenigvuldigd met 12,5.

Overeenkomstig artikel 65 van Richtlijn (EU) 2019/2033 gelden verwijzingen in de onderhavige richtlijn naar artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft het aanvullend-eigenvermogensvereiste van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3, van de onderhavige richtlijn en die geen beleggingsondernemingen zijn als bedoeld in artikel 1, lid 2 of lid 5, van Verordening (EU) 2019/2033, als verwijzingen naar artikel 40 van Richtlijn 2019/2033.”.

Artikel 64

Wijzigingen in Richtlijn 2014/65/EU

Richtlijn 2014/65/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 8 wordt punt c) vervangen door:

“c)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend, zoals naleving van de in Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*14) gestelde voorwaarden;

(*14)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).”."

2)

Artikel 15 wordt vervangen door:

Artikel 15

Aanvangskapitaal

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten slechts een vergunning verlenen indien de beleggingsonderneming, gezien de aard van de betrokken beleggingsdienst of ‐activiteit, over voldoende aanvangskapitaal beschikt overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*15).

(*15)  Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).”."

3)

Artikel 41 wordt vervangen door:

Artikel 41

Vergunningverlening

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de onderneming uit een derde land een bijkantoor heeft gevestigd of voornemens is een bijkantoor te vestigen, verleent de vergunning pas als de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat:

a)

aan de voorwaarden van artikel 39 is voldaan, en

b)

het bijkantoor van de onderneming uit een derde land in staat zal zijn de in de leden 2 en 3 bedoelde bepalingen in acht te nemen.

De bevoegde autoriteit deelt de onderneming uit een derde land binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag mede of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is.

2.   Het bijkantoor van de onderneming uit een derde land waaraan overeenkomstig lid 1 een vergunning is verleend, voldoet aan de verplichtingen van de artikelen 16 tot en met 20, de artikelen 23, 24, 25 en 27, artikel 28, lid 1, en de artikelen 30, 31 en 32 van deze richtlijn en van de artikelen 3 tot en met 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en aan de op grond daarvan vastgestelde maatregelen en staat onder toezicht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vergunning is verleend.

De lidstaten leggen met betrekking tot de door deze richtlijn bestreken aangelegenheden geen aanvullende verplichtingen op ten aanzien van de organisatie en bedrijfsuitoefening van het bijkantoor en behandelen bijkantoren van ondernemingen uit derde landen niet gunstiger dan ondernemingen uit de Unie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten ESMA jaarlijks in kennis stellen van de lijst van bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die op hun grondgebied actief zijn.

ESMA maakt jaarlijks een lijst bekend van bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die actief zijn in de Unie, waarin de naam wordt vermeld van de onderneming uit een derde land waartoe het bijkantoor behoort.

3.   Het bijkantoor van de onderneming uit een derde land dat overeenkomstig lid 1 een vergunning heeft verkregen, verstrekt de in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteit jaarlijks de volgende informatie:

a)

de schaal en reikwijdte van de door het bijkantoor in die lidstaat verrichte diensten en activiteiten;

b)

voor ondernemingen uit derde landen die de in punt 3 van deel A van bijlage I vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de EU;

c)

voor ondernemingen uit derde landen die de in punt 6 van deel A van bijlage I vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de EU die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;

d)

de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de onder a) bedoelde diensten en activiteiten;

e)

een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 39, lid 2, onder f), bedoelde beleggerscompensatiestelsel;

f)

zijn risicobeheerbeleid en ‐regelingen voor de onder a) bedoelde diensten en activiteiten;

g)

de governanceregelingen, met vermelding van de medewerkers met een sleutelfunctie voor de activiteiten van het bijkantoor;

h)

alle andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.

4.   Op verzoek delen de bevoegde autoriteiten de volgende informatie aan ESMA mee:

a)

alle vergunningen voor bijkantoren waaraan overeenkomstig lid 1 vergunning is verleend en alle latere wijzigingen van die vergunningen;

b)

de schaal en reikwijdte van de door een bijkantoor met een vergunning in de lidstaat verrichte diensten en activiteiten;

c)

de omzet en de totale activa die overeenstemmen met de onder b) bedoelde diensten en activiteiten;

d)

de naam van de groep uit een derde land waartoe een bijkantoor met een vergunning behoort.

5.   De in lid 2 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten, de bevoegde autoriteiten van entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep waartoe bijkantoren van ondernemingen uit derde landen met een overeenkomstig lid 1 verkregen vergunning behoren, en ESMA en EBA werken nauw samen om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de Unie worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze richtlijn, Verordening (EU) nr. 575/2013, Verordening (EU) nr. 600/2014, Verordening (EU) 2019/2033, Richtlijn 2013/36/EU en Richtlijn (EU) 2019/2033.

6.   ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter specificering van het formaat waarin de in de leden 3 en 4 bedoelde informatie moet worden medegedeeld.

ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 26 september 2020 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.

4)

Artikel 42 wordt vervangen door:

Artikel 42

Dienstverlening uitsluitend op initiatief van de cliënt

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ingeval een in de Unie gevestigde of gesitueerde niet-professionele of professionele cliënt in de zin van deel II van bijlage II uitsluitend op eigen initiatief de verlening van een beleggingsdienst of de verrichting van een beleggingsactiviteit door een onderneming uit een derde land initieert, het vergunningsvereiste uit hoofde van artikel 39 niet van toepassing is op de verlening van die dienst of de verrichting van die activiteit door de onderneming uit het derde land voor die persoon, noch op een betrekking die specifiek verband houdt met het verlenen van die dienst of het verrichten van die activiteit.

Zonder afbreuk te doen aan intragroepbetrekkingen wordt, indien een onderneming uit een derde land, onder meer via een entiteit die namens haar handelt of nauwe banden heeft met de onderneming uit het derde land of een andere persoon die namens een dergelijke entiteit handelt, cliënten of potentiële cliënten in de Unie benadert, de dienst niet geacht te zijn verleend uitsluitend op eigen initiatief van de cliënt.

2.   Een door een cliënt genomen initiatief als bedoeld in lid 1 geeft de onderneming uit het derde land niet het recht nieuwe categorieën beleggingsproducten of ‐diensten aan die cliënt aan te bieden anders dan via het bijkantoor, indien een bijkantoor overeenkomstig nationaal recht is vereist.”.

5)

In artikel 49 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De lidstaten schrijven voor dat gereglementeerde markten regelingen vaststellen met betrekking tot de verhandelingseenheden voor aandelen, representatieve certificaten, beursverhandelde fondsen, certificaten en andere soortgelijke financiële instrumenten en met betrekking tot alle andere financiële instrumenten waarvoor overeenkomstig lid 4 technische reguleringsnormen worden ontwikkeld. De toepassing van verhandelingseenheden belet niet dat gereglementeerde markten orders van aanzienlijke omvang matchen op het gemiddelde van de spread tussen de actuele bied- en laatprijzen.”.

6)

In artikel 81, lid 3, wordt punt a) vervangen door:

“a)

om te onderzoeken of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen en ter vergemakkelijking van het toezicht op de uitoefening van die werkzaamheden, de administratieve en boekhoudkundige procedures en de internecontrolemechanismen;”.

7)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 95 bis

Overgangsbepaling inzake vergunningverlening aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013

De bevoegde autoriteiten stellen de in artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bevoegde autoriteit ervan in kennis dat de voorziene totale activa van een onderneming die overeenkomstig titel II van deze richtlijn vóór 25 december 2019 een vergunning heeft aangevraagd om de in bijlage I, deel A, punten 3 en 6, bedoelde activiteiten te verrichten, gelijk zijn aan of hoger zijn dan 30 miljard EUR, en zij stellen de aanvrager hiervan in kennis.”.

TITEL VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 65

Verwijzingen naar Richtlijn 2013/36/EU in andere rechtshandelingen van de Unie

Voor de toepassing van prudentieel toezicht op en afwikkeling van beleggingsondernemingen gelden verwijzingen naar Richtlijn 2013/36/EU in andere handelingen van de Unie als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 66

Herziening

Uiterlijk op 26 juni 2024 dient de Commissie, in nauwe samenwerking met EBA en ESMA, een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, over:

a)

de bepalingen inzake beloning in deze richtlijn en in Verordening (EU) 2019/2033 evenals in Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met het oog op de totstandbrenging van een gelijk speelveld voor alle beleggingsondernemingen die actief zijn in de Unie, met inbegrip van de toepassing van die bepalingen;

b)

de gepastheid van de rapportage- en openbaarmakingsvoorschriften in deze richtlijn en in Verordening (EU) 2019/2033, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel;

c)

een beoordeling, rekening houdend met het in artikel 35 bedoelde EBA-verslag en de taxonomie betreffende duurzame financiën om te bepalen of:

i)

ESG-risico's in overweging moeten worden genomen voor de interne governance van beleggingsondernemingen;

ii)

ESG-risico's in overweging moeten worden genomen voor het beloningsbeleid van beleggingsondernemingen;

iii)

ESG-risico's in overweging moeten worden genomen voor de behandeling van risico's;

iv)

ESG-risico's in het toezicht- en evaluatieproces moeten worden opgenomen;

d)

de doeltreffendheid van de regelingen inzake informatie-uitwisseling uit hoofde van deze richtlijn;

e)

de samenwerking van de Unie en de lidstaten met derde landen bij de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) 2019/2033;

f)

de toepassing van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 op beleggingsondernemingen op grond van hun juridische structuur of eigendomsmodel;

g)

de mogelijkheid dat beleggingsondernemingen een risico op verstoring van het financiële systeem met mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor het financiële systeem en de reële economie vormen en passende macroprudentiële instrumenten om een dergelijk risico aan te pakken en de voorschriften van artikel 36, lid 1, onder d), van deze richtlijn te vervangen;

h)

de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten de voorschriften van Verordening (EU) nr. 575/2013 overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn mogen toepassen op beleggingsondernemingen.

Artikel 67

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 26 juni 2021 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 26 juni 2021. Zij passen de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 64, punt 5, evenwel toe met ingang van 26 maart 2020.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Na de inwerkingtreding van deze richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat ieder ontwerp van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij overwegen in te voeren op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, tijdig ter kennis van de Commissie wordt gebracht, teneinde de Commissie de gelegenheid te bieden opmerkingen te maken.

3.   De lidstaten delen de Commissie en EBA de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Indien de stukken die door de lidstaten worden overgelegd als bijlage bij de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen, niet toereikend zijn om volledig inzicht te krijgen in de mate waarin de omzettingsbepalingen in overeenstemming zijn met bepaalde artikelen van deze richtlijn, kan de Commissie, op verzoek van EBA en met het oog op de uitvoering van haar taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1093/2010, of op eigen initiatief, verlangen dat de lidstaten meer gedetailleerde informatie met betrekking tot de omzetting en uitvoering van die bepalingen en deze richtlijn verstrekken.

Artikel 68

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 69

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 27 november 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  PB C 378 van 19.10.2018, blz. 5.

(2)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 35.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2019.

(4)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(6)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(7)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(8)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(11)  Richtlijn (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(12)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(13)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(15)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(16)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(17)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(18)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(19)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(20)  Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en ‐bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).

(21)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

(22)  Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(23)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(24)  Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen en tot wijziging van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).

(25)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

(26)  Aanbeveling van de Commissie van 30 april 2009 over het beloningsbeleid in de financiële sector (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 22).


Top