EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018L1808

Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie

PE/33/2018/REV/1

OJ L 303, 28.11.2018, p. 69–92 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/1808/oj

28.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/69


RICHTLIJN (EU) 2018/1808 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 november 2018

tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1, en artikel 62,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (4), vervolgens gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (5), vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (6). Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd als gevolg van de toenemende convergentie van televisie- en internetdiensten. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten en gebruikerservaringen mogelijk geworden. Kijkgewoontes, met name van jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening.

Nieuwe types inhoud, zoals videoclips of door gebruikers gegenereerde inhoud, zijn echter steeds belangrijker geworden, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden. Door deze convergentie van media is een gemoderniseerd rechtskader nodig om de marktontwikkelingen weer te geven en tot een evenwicht te komen tussen toegankelijkheid van online-inhoudsdiensten, consumentenbescherming en concurrentievermogen.

(2)

Op 6 mei 2015 heeft de Commissie een mededeling goedgekeurd met de titel „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa”, waarin een herziening van Richtlijn 2010/13/EU werd aangekondigd.

(3)

Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. De vereiste inzake het hoofddoel moet ook worden geacht te zijn nageleefd indien de dienst een audiovisuele inhoud en vorm heeft die kan worden afgescheiden van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten die audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's bevatten, wanneer die delen als afscheidbaar van hun hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Een dienst moet worden geacht louter een niet-afscheidbare aanvulling op de hoofdactiviteit te vormen indien er een verband bestaat tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit, zoals het aanbieden van nieuws in schriftelijke vorm. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden op een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen zijn het de aanbieders met redactionele verantwoordelijkheid die Richtlijn 2010/13/EU moeten naleven.

(4)

Videoplatformdiensten bieden audiovisuele inhoud aan die in toenemende mate wordt geraadpleegd door het algemene publiek, met name door jongeren. Dit is ook het geval met betrekking tot socialemediadiensten, die een belangrijk kanaal zijn geworden voor het delen van informatie en voor vermaak en educatie, onder meer door toegang te verstrekken tot programma's en door gebruikers gegenereerde video's. Die socialemediadiensten moeten onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/13/EU vallen omdat zij wedijveren om dezelfde doelgroepen en inkomsten als de audiovisuele mediadiensten. Voorts hebben zij ook in die zin een aanzienlijk effect dat zij de mogelijkheid voor gebruikers om de standpunten van andere gebruikers te vormen en te beïnvloeden, vergemakkelijken. Daarom moeten die diensten, ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot haat, geweld en terrorisme, onder Richtlijn 2013/13/EU vallen voor zover en in de mate dat zij voldoen aan de definitie van videoplatformdienst.

(5)

Hoewel het doel van Richtlijn 2010/13/EU er niet in bestaat socialemediadiensten als zodanig te reguleren, moeten een socialemediadienst daaronder vallen indien de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's een essentiële functie van die dienst vormen. De levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's kan worden beschouwd als een essentiële functie van de socialemediadienst indien de audiovisuele inhoud niet louter een aanvulling vormt op of een klein deel uitmaakt van de activiteiten van die socialemediadienst. Ter wille van de duidelijkheid, doeltreffendheid en consistentie bij de uitvoering ervan, moet de Commissie, indien nodig, na raadpleging van het contactcomité, richtsnoeren opstellen betreffende de praktische toepassing van het criterium van de essentiële functie als bedoeld in de definitie van „videoplatformdienst”. Die richtsnoeren moeten worden opgesteld met inachtneming van de doelstellingen van algemeen belang die moeten worden bereikt door de door aanbieders van videoplatforms te nemen maatregelen en het recht op vrijheid van meningsuiting.

(6)

Wanneer een afscheidbaar gedeelte van een dienst voor de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU een videoplatformdienst vormt, moet enkel dat gedeelte onder de bepalingen van die richtlijn vallen die van toepassing zijn op videoplatforms, en uitsluitend ten aanzien van programma's en door gebruikers gegenereerde video's. Videoclips die zijn ingebed in de redactionele inhoud van elektronische versies van kranten en tijdschriften, en bewegende beelden zoals GIF's mogen niet onder Richtlijn 2010/13/EU te vallen. De definitie van videoplatformdienst mag geen betrekking hebben op niet-economische activiteiten zoals het aanbieden van audiovisuele inhoud op websites van particulieren en niet-commerciële groepen met gemeenschappelijke belangen.

(7)

Om de doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU te waarborgen, is het van essentieel belang dat de lidstaten actuele gegevens bijhouden betreffende onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten en aanbieders van videoplatforms en dat zij die regelmatig delen met hun bevoegde onafhankelijke regulerende instanties of organen en de Commissie. Deze gegevens moeten informatie omvatten over de criteria waarop deze bevoegdheid is gebaseerd.

(8)

Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van die feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van in die richtlijn bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (European Regulators Group for Audiovisual Media Services – „ERGA”) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken. Indien de Commissie bij de toepassing van die samenwerkingsprocedures besluit om ERGA te raadplegen, dient zij het contactcomité te informeren, onder meer over kennisgevingen van lidstaten in het kader van deze samenwerkingsprocedures, en over het advies van ERGA.

(9)

Voor zowel lineaire als niet-lineaire diensten dienen dezelfde procedures en voorwaarden voor het beperken van de vrijheid van het verrichten en ontvangen van audiovisuele mediadiensten te gelden.

(10)

Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het „Hof”) kan de krachtens het Verdrag gegarandeerde vrijheid om diensten te verrichten worden beperkt om dwingende redenen van algemeen belang, zoals het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, op voorwaarde dat dergelijke beperkingen gerechtvaardigd, evenredig en noodzakelijk zijn. Derhalve dient een lidstaat bepaalde maatregelen te kunnen nemen om te zorgen voor de eerbiediging van zijn regels inzake consumentenbescherming die niet onder de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden vallen. De door een lidstaat genomen maatregelen tot handhaving van zijn nationale regeling inzake consumentenbescherming, ook met betrekking tot reclame voor kansspelen, zullen gerechtvaardigd, evenredig aan het nagestreefde doel en noodzakelijk moeten zijn, zoals vereist in de jurisprudentie van het Hof. In elk geval mag een lidstaat van ontvangst geen maatregelen treffen die ertoe zouden leiden dat de doorgifte op zijn grondgebied van televisie- uitzendingen uit een andere lidstaat wordt voorkomen.

(11)

Wanneer een lidstaat aan de Commissie meldt dat een aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden te omzeilen - voorschriften die op die aanbieder van toepassing zouden zijn indien hij in de kennisgevende lidstaat zou zijn gevestigd - moet hij geloofwaardige en met bewijsmateriaal gestaafde informatie in die zin verstrekken. Dat bewijsmateriaal dient in detail een reeks bevestigende feiten toe te lichten zodat de omzeiling redelijkerwijs kan worden vastgesteld.

(12)

In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad „Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda”, heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zou kijken naar zowel regelgevende maatregelen als niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld op de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied werd beschouwd als een belangrijke succesfactor bij het bevorderen van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat dergelijke gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke monitoring en evaluatie van de door de gedragscodes nagestreefde doelstellingen mogelijk is. De gedragscodes moeten ook voorzien in doeltreffende handhaving. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden.

(13)

De ervaring heeft uitgewezen dat zowel zelf- als coreguleringsinstrumenten die worden toegepast overeenkomstig de verschillende wetgevingstradities van de lidstaten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming. Maatregelen ter verwezenlijking van doelen van algemeen belang in de opkomende sector van audiovisuele mediadiensten zijn doeltreffender als zij worden genomen met actieve steun van de aanbieders van de diensten zelf.

(14)

Zelfregulering is een soort vrijwillig initiatief dat economische actoren, de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en verenigingen in staat stelt onderling en voor zichzelf gezamenlijke richtsnoeren vast te stellen. Zij zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling, de monitoring, en handhaving van de naleving van die richtsnoeren. De lidstaten moeten, overeenkomstig hun uiteenlopende rechtstradities, de rol erkennen die doeltreffende zelfregulering kan spelen als aanvulling op de bestaande wetgevende, gerechtelijke en bestuursrechtelijke mechanismen, alsook de nuttige bijdrage die zij kan leveren tot verwezenlijking van de doelen van Richtlijn 2010/13/EU. Zelfregulering kan dus een aanvullende manier zijn om bepaalde voorschriften van Richtlijn 2010/13/EU toe te passen, maar mag niet in de plaats treden van de verplichtingen van de nationale wetgever. Coregulering in haar minimale vorm verschaft een juridische schakel tussen zelfregulering en de nationale wetgever overeenkomstig de wetgevingstradities van de lidstaten. Bij coregulering wordt de regulerende rol gedeeld tussen de belanghebbenden en de regering of de nationale regulerende instanties of organen. De rol van de relevante overheidsinstanties omvat dus de erkenning van de coreguleringsregeling, de controle van de processen ervan en de financiering van de regeling. Coregulering dient de mogelijkheid te bieden voor overheidsoptreden indien de doelstellingen ervan niet worden bereikt. Onverminderd de formele verplichtingen van de lidstaten inzake omzetting moedigt Richtlijn 2010/13/EU het gebruik van zelf en coregulering aan. Dit verplicht de lidstaten echter niet te voorzien in zelf- of coreguleringsregimes, of beide, en mag evenmin leiden tot het verstoren of in gevaar brengen van reeds bestaande, doeltreffend functionerende coreguleringsinitiatieven in de lidstaten.

(15)

Transparantie inzake media-eigendom houdt rechtstreeks verband met de vrijheid van meningsuiting, een hoeksteen van democratische stelsels. Informatie over de eigendomsstructuur van aanbieders van mediadiensten, wanneer die eigendom resulteert in de controle over of de uitoefening van een aanzienlijke invloed op de inhoud van de aangeboden diensten, stelt gebruikers in staat geïnformeerd te oordelen over die inhoud. De lidstaten dienen zelf te kunnen bepalen of en in hoeverre informatie over de eigendomsstructuur van een aanbieder van mediadiensten toegankelijk moet zijn voor gebruikers, op voorwaarde dat de wezenlijke inhoud van de betrokken grondrechten en fundamentele vrijheden wordt geëerbiedigd en die maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn.

(16)

Vanwege het specifieke karakter van audiovisuele mediadiensten, in het bijzonder het effect van die diensten op de wijze waarop mensen opinies vormen, hebben gebruikers er een legitiem belang bij te weten wie voor de inhoud van die diensten verantwoordelijk is. Teneinde vrijheid van meningsuiting te versterken en, bij uitbreiding, pluralisme in de media te bevorderen en belangenconflicten te vermijden, is het belangrijk dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gebruikers te allen tijde gemakkelijk en rechtstreeks toegang hebben tot de informatie over de aanbieder van mediadiensten. Het is aan de lidstaten om dit te bepalen, met name wat betreft de informatie die kan worden verstrekt over eigendomsstructuur en uiteindelijke begunstigden.

(17)

Met het oog op het waarborgen van samenhang en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten dient het begrip „aanzetten tot geweld of haat” op passende wijze te worden begrepen in de zin van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad (7).

(18)

Gezien de evolutie van de middelen waarmee inhoud via elektronische-communicatienetwerken wordt verspreid, is het belangrijk om het algemene publiek te beschermen tegen het aanzetten tot terrorisme. Richtlijn 2010/13/EU moet er derhalve voor zorgen dat audiovisuele mediadiensten niet het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf omvatten. Met het oog op het waarborgen van samenhang en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten dient het begrip „publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf” te worden begrepen in de zin van Richtlijn (EU) 2017/541van het Europees Parlement en de Raad (8).

(19)

Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een systeem van inhoudsbeschrijvingen, een akoestische waarschuwing, een visueel symbool of een ander middel ter nadere omschrijving van de aard van de inhoud.

(20)

De passende maatregelen voor de bescherming van minderjarigen die van toepassing zijn op televisie-uitzendingen, moeten ook gelden voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Dat moet het niveau van bescherming verhogen. De benadering van minimale harmonisatie biedt de lidstaten de mogelijkheid een hoger niveau van bescherming te ontwikkelen voor inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. De meest schadelijke inhoud, die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten maar niet noodzakelijkerwijs strafbaar is, moet onderworpen zijn aan de strengste maatregelen zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht, waarbij de mogelijkheid voor de lidstaten tot het vaststellen van strengere maatregelen onverlet wordt gelaten.

(21)

In Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9) wordt onderkend dat kinderen specifieke bescherming behoeven in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens. Het instellen van kinderbeschermingsmechanismen door aanbieders van mediadiensten leidt onvermijdelijk tot de verwerking van de persoonsgegevens van minderjarigen. Aangezien die mechanismen zijn gericht op het beschermen van kinderen, mogen persoonsgegevens van minderjarigen die in het kader van technische kinderbeschermingsmaatregelen worden verwerkt, niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

(22)

Het waarborgen van de toegankelijkheid van audiovisuele inhoud behoort tot de essentiële vereisten in het kader van de uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap aangegane verplichtingen. In het kader van Richtlijn 2010/13/EU dient het begrip „personen met een handicap” te worden uitgelegd in het licht van de aard van de onder deze richtlijn vallende diensten, te weten audiovisuele mediadiensten. Het recht van personen met een beperking en van ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de Unie houdt verband met het aanbieden van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De lidstaten dienen dan ook onverwijld te verzekeren dat aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er actief naar streven om inhoud toegankelijk te maken voor personen met een handicap, in het bijzonder een visuele of auditieve beperking. Toegankelijkheidsvereisten moeten door middel van een gestaag en continu proces worden gerealiseerd, rekening houdend met de praktische en onvermijdelijke beperkingen die volledige toegankelijkheid in de weg kunnen staan, zoals programma's of evenementen die rechtstreeks worden uitgezonden. Om de vooruitgang te meten die aanbieders van mediadiensten hebben geboekt bij het geleidelijk toegankelijk maken van hun diensten voor personen met een visuele of auditieve handicap, moeten de lidstaten op hun grondgebied gevestigde aanbieders van mediadiensten verplichten regelmatig verslag uit te brengen.

(23)

De middelen om in het kader van Richtlijn 2010/13/EU de toegankelijkheid van audiovisuele mediadiensten te verwezenlijken, dienen minstens gebarentaal, ondertiteling voor doven en slechthorenden, gesproken ondertiteling en audiodescriptie te omvatten. Die richtlijn heeft echter geen betrekking op de kenmerken of diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten, en evenmin op de toegankelijkheid van elektronische programmagidsen („EPG's”). Die richtlijn doet dan ook geen afbreuk aan Uniewetgeving die is gericht op het harmoniseren van de toegankelijkheid van diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten, zoals websites, onlinetoepassingen en EPG's, of informatie verstrekken over toegankelijkheid en in toegankelijke vormen.

(24)

In sommige gevallen is het niet mogelijk noodinformatie te verstrekken op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap. Dergelijke uitzonderlijke gevallen mogen echter niet verhinderen dat noodinformatie via audiovisuele mediadiensten openbaar wordt gemaakt.

(25)

Richtlijn 2010/13/EU doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van passende zichtbaarheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme in de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Die verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht duidelijk gedefinieerde doelstellingen van algemeen belang. Wanneer lidstaten besluiten om voorschriften inzake passende zichtbaarheid op te leggen, dienen zij uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(26)

Om de redactionele verantwoordelijkheid van aanbieders van mediadiensten en de audiovisuele waardeketen te beschermen, is het van essentieel belang in staat te zijn de integriteit van de programma's en audiovisuele mediadiensten, geleverd door aanbieders van mediadiensten, te kunnen waarborgen. Programma's en audiovisuele mediadiensten mogen niet ingekort, gewijzigd of onderbroken of met een overlay voor commerciële doeleinden, worden uitgezonden, tenzij de aanbieders van mediadiensten daarvoor uitdrukkelijk toestemming verlenen. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat voor overlays waartoe de ontvanger van de dienst voor privégebruik het initiatief heeft genomen of de toestemming heeft verleend, zoals overlays die voortvloeien uit diensten voor individuele communicatie, geen toestemming van de aanbieder van mediadiensten nodig is. Besturingselementen van gebruikersinterfaces die nodig zijn om het apparaat te bedienen of tussen de programma's te navigeren, zoals volumebalkjes, zoekfuncties, navigatiemenu's of lijsten van kanalen, mogen hier niet onder te vallen. Ook legitieme overlays zoals waarschuwingen, informatie van algemeen belang, ondertiteling of commerciële communicatie die door de aanbieder van mediadiensten wordt aangeboden, mogen niet onder de bepaling vallen. Onverminderd artikel 3, lid3, van Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad (10) mogen datacompressietechnieken die de omvang van een gegevensbestand verkleinen en andere technieken die een dienst aan de distributiewijze aanpassen (zoals resolutie en codering), zonder de inhoud te wijzigen, niet onder de bepaling te vallen.

Maatregelen ter bescherming van de integriteit van programma's en audiovisuele mediadiensten dienen te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht duidelijk gedefinieerde doelstellingen van algemeen belang. Met zulke maatregelen dienen evenredige verplichtingen aan ondernemingen te worden opgelegd die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(27)

Met uitzondering van sponsoring en productplaatsing, moet audiovisuele commerciële communicatie over alcoholhoudende dranken in audiovisuele mediadiensten op aanvraag voldoen aan de criteria die van toepassing zijn op televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken zoals vastgelegd in Richtlijn 2010/13/EU. De gedetailleerdere criteria voor televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken worden beperkt tot reclamespots, die door hun aard los staan van het programma, en sluiten dus andere commerciële communicatie uit die gekoppeld zijn aan het programma of er een integraal onderdeel van vormen, zoals sponsoring en productplaatsing. Die criteria mogen derhalve niet van toepassing zijn op sponsoring en productplaatsing in audiovisuele mediadiensten op aanvraag.

(28)

Op nationaal en internationaal niveau bestaan er algemeen erkende richtsnoeren inzake voedingswaarde, zoals het model voor voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarmee in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat zelf- en coregulering, onder meer via gedragscodes, worden benut voor het daadwerkelijk verminderen van de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog gehalte aan zout, suikers, vetten, verzadigde vetten of transvetzuren bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan die nationale of internationale voedingsrichtsnoeren.

(29)

De lidstaten dienen eveneens te worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering worden benut om de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken daadwerkelijk te verminderen. Op Unie- en nationaal niveau bestaan er bepaalde systemen op basis van zelf- of coregulering, die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaat van boodschappen inzake verantwoord drinken.

(30)

Het is belangrijk dat minderjarigen op doeltreffende wijze worden beschermd tegen blootstelling aan audiovisuele commerciële communicatie ter promotie van kansspelen. In dit verband bestaan er op Unie- en nationaal niveau verscheidene systemen op basis van zelf- of coregulering voor de bevordering van verantwoorde kansspelen, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie.

(31)

Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering die met name gericht zijn op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd.

(32)

De markt voor televisieomroepdiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is derhalve behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie, met name wat betreft kwantitatieve voorschriften voor lineaire audiovisuele mediadiensten en productplaatsing. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

(33)

De liberalisering van productplaatsing heeft niet geleid tot het verwachte gebruik van deze vorm van audiovisuele commerciële communicatie. Met name heeft het algemene verbod op productplaatsing, ofschoon met enkele uitzonderingen, niet geleid tot rechtszekerheid voor de aanbieders van mediadiensten. Productplaatsing dient derhalve te worden toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten, waarbij rekening dient te worden gehouden met uitzonderingen.

(34)

Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in kinderprogramma's moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

(35)

Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten en dat daaraan voldoende aandacht wordt besteed. Het aanmerken in de metagegevens van audiovisuele inhoud die onder de noemer Europese producties valt, dient te worden aangemoedigd zodat die metagegevens beschikbaar zijn voor aanbieders van mediadiensten. Aandacht omvat het bevorderen van Europese producties door de toegang tot deze werken te faciliteren. Aandacht kan worden verzekerd op verschillende manieren, zoals een vanaf de startpagina van de dienst toegankelijke aan Europese producties gewijde sectie, de mogelijkheid in de als onderdeel van die dienst beschikbare zoekfunctie naar Europese producties te zoeken, het gebruik van Europese producties in de campagnes van die dienst of een minimumpercentage Europese producties die in de catalogus van die dienst worden aanbevolen, bijvoorbeeld door gebruik van banners of vergelijkbare instrumenten.

(36)

Opdat in Europese producties voldoende wordt geïnvesteerd, dienen de lidstaten in staat te zijn financiële verplichtingen op te leggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van mediadiensten. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. De lidstaten zouden ook heffingen ten gunste van een fonds kunnen opleggen op basis van inkomsten die worden gegenereerd door audiovisuele mediadiensten die worden geleverd op en gericht zijn op hun grondgebied. Deze richtlijn voorziet erin dat, gezien het rechtstreekse verband tussen financiële verplichtingen en het uiteenlopende culturele beleid van de lidstaten, een lidstaat dergelijke financiële verplichtingen ook mag opleggen aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van mediadiensten die op het grondgebied van die lidstaat zijn gericht. In dat geval moeten de financiële verplichtingen enkel worden geheven op de inkomsten die gegenereerd zijn via het publiek in de lidstaat waarop de diensten zijn gericht. Aanbieders van mediadiensten die moeten bijdragen aan filmfinancieringsregelingen in een lidstaat waarop de diensten gericht zijn, moeten, zelfs als zij in die lidstaat geen vestiging hebben, op niet-discriminerende wijze de steun kunnen genieten die beschikbaar is in het kader van de desbetreffende filmfinancieringsregelingen voor aanbieders van mediadiensten.

(37)

Omroepen investeren tegenwoordig meer in Europese audiovisuele producties dan aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Als een lidstaat waarop de diensten gericht zijn, besluit een omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat valt, een financiële verplichting op te leggen, dient er rekening te worden gehouden met de rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties, in het bijzonder coproducties, die door die omroeporganisatie worden geleverd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om, overeenkomstig hun cultureel beleid en als een en ander verenigbaar is met staatssteunregels, de hoogte vast te stellen van de financiële bijdragen die onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verschuldigd zijn.

(38)

Bij de individuele beoordeling of een in een andere lidstaat gevestigde audiovisuele mediadienst op aanvraag is gericht op een publiek op het grondgebied van de betrokken lidstaat, dient die lidstaat te verwijzen naar indicatoren zoals reclame of andere promotieactiviteiten die specifiek op klanten op zijn grondgebied zijn gericht, de voornaamste taal van de dienst of de aanwezigheid van inhoud of commerciële communicatie die specifiek gericht is op het publiek in de lidstaat van ontvangst.

(39)

Wanneer een lidstaat aanbieders van mediadiensten verplicht tot financiële bijdragen, dienen die bijdragen te worden ingezet voor een adequate bevordering van Europese producties, waarbij moet worden vermeden dat aanbieders van mediadiensten dubbele verplichtingen worden opgelegd. Indien de lidstaat waar de aanbieder van mediadiensten is gevestigd een dergelijke financiële bijdrage oplegt, dient deze lidstaat rekening te houden met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten gericht zijn.

(40)

Om ervoor te zorgen dat verplichtingen inzake de bevordering van Europese producties de marktontwikkeling niet ondermijnen en om de toetreding van nieuwe marktdeelnemers mogelijk te maken, mogen dergelijke vereisten niet te gelden voor aanbieders zonder significante aanwezigheid op de markt. Dit is met name het geval voor aanbieders met een lage omzet of een klein publiek. Een publiek kan bijvoorbeeld als klein worden aangemerkt op basis van kijktijd of verkoop, afhankelijk van de aard van de dienst, terwijl om een omzet als laag aan te merken rekening moet worden gehouden met de verschillen in omvang van de audiovisuele markten in de lidstaten. Het zou evenmin passend zijn die verplichtingen op te leggen in gevallen waarin deze, gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten, onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn.

(41)

Het is belangrijk dat de omroeporganisaties meer flexibiliteit krijgen en in staat worden gesteld te beslissen wanneer zij reclame invoegen, zodat de vraag van de adverteerders en de kijkersstroom worden gemaximaliseerd. Het is echter ook noodzakelijk om in dit verband een voldoende hoog niveau van consumentenbescherming in stand te houden aangezien kijkers door die flexibiliteit mogelijk aan een buitensporige hoeveelheid reclame worden blootgesteld tijdens primetime. Daarom dienen er tussen 6.00 uur en 18.00 uur en tussen 18.00 en 24.00 uur specifieke beperkingen te gelden.

(42)

Neutrale frames scheiden redactionele inhoud van televisiereclame- of telewinkelspots en scheiden eveneens de afzonderlijke spots van elkaar. De kijker kan op die manier duidelijk zien wanneer het ene soort audiovisuele inhoud eindigt en het andere begint. Verduidelijkt moet worden dat neutrale frames worden uitgezonderd van de kwantitatieve beperkingen voor televisiereclame. Reden hiervoor is dat de tijd voor de neutrale frames aldus niet van de reclametijd afgaat en er dus geen derving van reclame-inkomsten plaatsvindt.

(43)

De zendtijd die is toegewezen aan aankondigingen door de omroeporganisatie in verband met haar eigen programma's en met rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of aan mededelingen van de overheid en liefdadigheidsinstanties die gratis worden uitgezonden, met uitzondering van de kosten die worden gemaakt voor het uitzenden van die oproepen, mag niet tot de maximale zendtijd voor televisiereclame en telewinkelen te worden gerekend. Daarnaast maken veel omroepen deel uit van grotere omroeporganisaties en zenden zij boodschappen uit die niet alleen betrekking hebben op hun eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten, maar ook op programma's en audiovisuele mediadiensten van andere entiteiten die tot dezelfde omroeporganisatie behoren. Zendtijd die is toegewezen aan die boodschappen dient evenmin tot de maximale zendtijd voor televisiereclame en telewinkelen te worden gerekend.

(44)

De aanbieders van videoplatforms op wie Richtlijn 2010/13/EU betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (11). Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de bepalingen betreffende de interne markt van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften ook van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in Richtlijn 2010/13/EU vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en het algemene publiek te waarborgen en zoveel mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, voor zover dergelijke aanbieders een moederbedrijf of een dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere onderneming van die groep in een lidstaat is gevestigd. Derhalve dienen de definities vervat in Richtlijn 2010/13/EU op beginselen gebaseerd te zijn en ervoor te zorgen dat een onderneming zich niet aan de toepassing van die richtlijn kan onttrekken door een groepsstructuur te creëren met verschillende lagen ondernemingen die binnen of buiten de Unie zijn gevestigd. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, op grond van de voorschriften inzake vestiging bepaald in Richtlijnen 2000/31/EG en 2010/13/EU.

(45)

Er dienen zich nieuwe uitdagingen aan, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms worden aangeboden, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen en het algemene publiek tegen die inhoud te beschermen, moeten er betreffende deze kwesties evenredige voorschriften worden vastgesteld.

(46)

Voor commerciële communicatie op videoplatformdiensten zijn reeds voorschriften vastgesteld in Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (12), op basis waarvan oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten verboden zijn, met inbegrip van misleidende en agressieve praktijken die zich voordoen bij diensten van de informatiemaatschappij.

Wat betreft commerciële communicatie betreffende tabaks- en aanverwante producten op videoplatforms, wordt gewaarborgd dat de consumenten afdoende worden beschermd tegen tabaks- en aanverwante producten door de in Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) vastgestelde verbodsbepalingen, alsmede door de verbodsbepalingen die overeenkomstig Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) van toepassing zijn op commerciële communicatie betreffende elektronische sigaretten en navulverpakkingen. Aangezien gebruikers in toenemende mate een beroep doen op videoplatformdiensten om toegang te krijgen tot audiovisuele inhoud, moet er gezorgd worden voor een afdoend niveau van consumentenbescherming door de regels betreffende audiovisuele commerciële communicatie in passende mate op elkaar af te stemmen voor alle aanbieders. Daarom is het belangrijk dat audiovisuele commerciële communicatie op videoplatforms duidelijk wordt geïdentificeerd en een reeks minimale kwaliteitsvereisten respecteert.

(47)

Een belangrijk deel van de op videoplatformdiensten aangeboden inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Die aanbieders dienen daarom verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten. Zij moeten ook verplicht worden passende maatregelen te treffen ter bescherming van het algemene publiek tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op één van de gronden bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”), of waarvan de verspreiding een strafbaar feit is krachtens het Unierecht.

(48)

Gezien de aard van de betrokkenheid van de aanbieders bij de op videoplatformdiensten aangeboden inhoud, dienen de passende maatregelen ter bescherming van minderjarigen en het algemene publiek betrekking te hebben op de wijze waarop de inhoud is georganiseerd en niet op de inhoud als zodanig. De met betrekking daartoe in Richtlijn 2010/13/EU vastgestelde vereisten dienen daarom de artikelen 12 tot en met 14 van Richtlijn 2000/31/EG onverlet te laten, die voorzien in een vrijstelling van aansprakelijkheid met betrekking tot illegale informatie die wordt uitgezonden of automatisch, tussentijds en tijdelijk wordt opgeslagen, of wordt opgeslagen door bepaalde aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij. Bij de levering van diensten die onder de artikel 12 tot en met 14 van Richtlijn 2000/31/EG vallen, dienen die vereisten te gelden onverminderd artikel 15 van die richtlijn, op grond waarvan aan dergelijke aanbieders geen algemene verplichtingen mogen worden opgelegd om toe te zien op dergelijke informatie, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, wat echter niet geldt voor toezichtverplichtingen in specifieke gevallen en met name geen afbreuk doet aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met nationaal recht.

(49)

Het is wenselijk om de aanbieders van videoplatforms zo veel mogelijk te betrekken bij de uitvoering van de op grond van Richtlijn 2010/13/EU te treffen passende maatregelen. Coregulering dient daarom te worden aangemoedigd. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid blijven beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen in overeenstemming met het Unierecht, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media.

(50)

Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces zijn grondrechten die zijn opgenomen in artikel 47 van het Handvest. De bepalingen van Richtlijn 2010/13/EU mogen derhalve niet aldus te worden uitgelegd dat partijen verhinderd zouden worden hun recht op toegang tot de rechter uit te oefenen.

(51)

Wanneer overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU passende maatregelen worden getroffen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van het algemene publiek tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld, haat en terrorisme, moeten deze nauwkeurig worden afgewogen ten opzichte van de toepasselijke grondrechten die zijn vastgesteld in het Handvest. Met name en naargelang het geval dient rekening te worden gehouden met het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, met de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie en de rechten van het kind.

(52)

Het contactcomité wil een doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU bevorderen en moet daarom geregeld worden geraadpleegd over alle praktische problemen die voortvloeien uit de toepassing ervan. De werkzaamheden van het contactcomité mogen niet beperkt blijven tot het bestaande audiovisueel beleid, maar dienen ook de relevante ontwikkelingen in deze sector te omvatten. Het contactcomité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de relevante nationale autoriteiten van de lidstaten. De lidstaten worden aangemoedigd om bij de benoeming van hun vertegenwoordigers de genderpariteit in de samenstelling van het contactcomité te bevorderen.

(53)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationale regulerende instanties of organen juridisch van de overheid zijn gescheiden. Dit mag de lidstaten er echter niet van weerhouden toezicht uit te oefenen overeenkomstig hun nationale grondwet. De nationale regulerende instanties of organen worden geacht de vereiste mate van onafhankelijkheid te hebben bereikt indien deze instanties of organen, inclusief die welke als overheidsinstantie of -orgaan zijn ingesteld, functioneel en daadwerkelijk onafhankelijk zijn van hun respectieve overheden en van alle andere openbare of particuliere organen. Dit wordt als cruciaal beschouwd om te waarborgen dat de besluiten van nationale regulerende instanties of organen onpartijdig zijn. Het vereiste van onafhankelijkheid laat onverlet dat de lidstaten regulerende instanties kunnen instellen die toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecommunicatiesector. Nationale regulerende instanties of organen moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van Richtlijn 2010/13/EU opgerichte nationale regulerende instanties of organen dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de goede werking van de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

(54)

Het dienen van de belangen van personen en het vormen van een publieke opinie is één van doelstellingen van audiovisuele mediadiensten en daarom is het van wezenlijk belang dat die diensten de mensen en de samenleving zo volledig mogelijk en met de hoogste mate van verscheidenheid kunnen informeren. Die doelstelling kan alleen maar worden bereikt als redactionele beslissingen gevrijwaard blijven van staatsinmenging of invloed door nationale regulerende instanties of organen die verder gaat dan louter de uitvoering van wetgeving en die niet dient ter vrijwaring van een wettelijk beschermd recht dat ongeacht een bepaalde mening, moet worden behoed.

(55)

Er moeten op nationaal niveau doeltreffende beroepsmechanismen bestaan. De beroepsinstantie in kwestie moet onafhankelijk zijn van de betrokken partijen. Een dergelijke instantie kan een rechtbank zijn. De beroepsprocedure dient de verdeling van bevoegdheden binnen de nationale rechtsstelsels onverlet te laten.

(56)

De Commissie heeft bij besluit van de Commissie van 3 februari 2014 ERGA opgericht met als doel de samenhangende toepassing van het EU-regelgevingskader voor de audiovisuele sector in alle lidstaten (15). De rol van ERGA is de Commissie technische deskundigheid te leveren bij haar werkzaamheden met het oog op een samenhangende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU in alle lidstaten en om de samenwerking tussen de nationale regulerende instanties of organen onderling en tussen de nationale regulerende instanties of organen en de Commissie te vergemakkelijken.

(57)

ERGA heeft een positieve bijdrage geleverd aan een samenhangende regelgevingspraktijk en heeft de Commissie op hoog niveau advies verstrekt over kwesties van tenuitvoerlegging. De rol van ERGA dient daarom in Richtlijn 2010/13/EU formeel te worden erkend en versterkt. ERGA moet derhalve krachtens die richtlijn worden ingesteld.

(58)

De Commissie moet ERGA vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. ERGA moet de Commissie ondersteunen door technische deskundigheid en adviezen ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken, onder meer inzake gedragscodes op basis van zelf- en coregulering, te vergemakkelijken. Met name dient de Commissie ERGA te raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de geharmoniseerde tenuitvoerlegging ervan te vergemakkelijken. Op verzoek van de Commissie dient ERGA niet-bindende adviezen te verstrekken met betrekking tot de bevoegdheid, maatregelen die afwijken van de vrijheid van ontvangst en maatregelen ter bestrijding van de omzeiling van bevoegdheid. ERGA moet tevens in staat zijn technisch advies te verstrekken over elke reguleringsaangelegenheid in verband met het kader voor audiovisuele mediadiensten, onder meer op het gebied van haatzaaiende uitlatingen en de bescherming van minderjarigen alsmede over de inhoud van audiovisuele commerciële communicatie over voedingsmiddelen met een hoog vet-, zout of natrium- en suikergehalte.

(59)

„Mediageletterdheid” heeft betrekking op vaardigheden, kennis en inzicht die burgers in staat stellen media op doeltreffende en veilige wijze te gebruiken. Als burgers toegang willen hebben tot informatie en in staat willen zijn media-inhoud kritisch te beoordelen en op een verantwoorde en veilige wijze media-inhoud te maken, moeten zij gevorderde vaardigheden op het gebied van mediageletterdheid hebben. Mediageletterdheid mag niet beperkt blijven tot het leren over hulpmiddelen en technologieën, maar moet tot doel hebben burgers de nodige vaardigheden tot kritisch nadenken aan te reiken om een oordeel te kunnen vellen, complexe feiten te kunnen analyseren en het verschil tussen mening en feit te zien. Daarom moet de ontwikkeling van mediageletterdheid in alle lagen van de samenleving, voor burgers van alle leeftijden en voor alle media worden aangemoedigd, zowel door aanbieders van mediadiensten als door aanbieders van videoplatforms en in samenwerking met alle relevante spelers, en moet de vooruitgang op dat gebied van nabij worden gevolgd.

(60)

Richtlijn 2010/13/EU doet geen afbreuk aan de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen. Zij eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest zijn erkend. In het bijzonder streeft Richtlijn 2010/13/EU ernaar het recht op vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op rechterlijke toetsing volledig te eerbiedigen, en de toepassing van de rechten van het kind die zijn vastgelegd in het Handvest, te bevorderen.

(61)

Maatregelen die door de lidstaten worden genomen krachtens Richtlijn 2010/13/EU dienen de vrijheid van meningsuiting en informatie en het pluralisme in de media, evenals culturele en taalkundige verscheidenheid, te eerbiedigen, overeenkomstig het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

(62)

Het recht van toegang tot politieke nieuwsprogramma's is van cruciaal belang voor de waarborging van het grondrecht op het vergaren van informatie en om ervoor te zorgen dat de belangen van de kijkers in de Unie volledig en naar behoren worden beschermd. Gezien het groeiende belang van audiovisuele mediadiensten voor samenlevingen en de democratie dienen in de Unie uitzendingen over politiek nieuws zo veel mogelijk grensoverschrijdend ter beschikking te worden gesteld, waarbij de voorschriften inzake auteursrechten onverlet worden gelaten.

(65)

Richtlijn 2010/13/EU heeft geen betrekking op voorschriften van het internationaal privaatrecht, met name voorschriften betreffende de rechterlijke bevoegdheid, noch op die van het recht dat van toepassing is op contractuele en niet-contractuele verbintenissen.

(64)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (16) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(65)

Richtlijn 2010/13/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2010/13/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 1, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)   „audiovisuele mediadienst”:

i)

een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid;

ii)

audiovisuele commerciële communicatie;”;

b)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„a bis)   „videoplatformdienst”: een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, indien het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte of een essentiële functie van de dienst bestaat in het aanbieden van programma's, door gebruikers gegenereerde video's, of beide, aan het algemene publiek, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt, ter informatie, vermaak of educatie via elektronische-communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG en waarvan de organisatie wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform, onder meer met automatische middelen of algoritmen, met name door weergeven, taggen en rangschikken.”;

c)

punt b) wordt vervangen door:

„b)   „programma”: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;”;

d)

de volgende punten worden ingevoegd:

„b bis)   „door gebruikers gegenereerde video”: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload;

b ter)   „redactionele beslissing”: een beslissing die op regelmatige basis wordt genomen met het oog op de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en verband houdt met het dagelijkse beheer van de audiovisuele mediadienst;”;

e)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„d bis)   „aanbieder van videoplatforms”: de natuurlijke of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt;”;

f)

punt h) wordt vervangen door:

„h)   „audiovisuele commerciële communicatie”: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of niet-rechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten; dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing;”;

g)

punt k) wordt vervangen door:

„k)   „sponsoring”: elke bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of videoplatformdiensten of met de vervaardiging van audiovisuele werken, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten, door gebruikers gegenereerde video's of programma's met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;”;

h)

punt m) wordt vervangen door:

„m)   „productplaatsing”: elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van, of het verwijzen naar, een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in het kader van een programma of een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding;”;

2)

de titel van hoofdstuk II wordt vervangen door:

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN”;

3)

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt b) vervangen door:

„b)

indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadienst in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteit van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is. Indien in elk van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van de mediadienst geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij zijn hoofdkantoor heeft. Indien in geen van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij het eerst met zijn activiteiten is begonnen overeenkomstig het recht van die lidstaat, mits hij een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt;”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„5 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten de bevoegde nationale regulerende instanties of organen informeren over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het bepalen van de bevoegdheid overeenkomstig de leden 2, 3 en 4.

5 ter.   De lidstaten maken en handhaven een actuele lijst met de aanbieders van mediadiensten ten aanzien van wie zij bevoegd zijn en vermelden op welke van de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde criteria hun bevoegdheid is gebaseerd. De lidstaten verstrekken die lijst, met inbegrip van actualiseringen daarvan, aan de Commissie.

De Commissie zorgt ervoor dat die lijsten beschikbaar zijn in een centrale gegevensbank. In het geval van tegenstrijdigheden tussen de lijsten neemt de Commissie contact op met de betrokken lidstaten om een oplossing te vinden. De Commissie waarborgt dat de nationale regulerende instanties of organen toegang hebben tot die gegevensbank. De Commissie maakt informatie in de gegevensbank openbaar.

5 quater.   Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van artikel 3 of artikel 4 geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie onverwijld in over deze kwestie. De Commissie kan de Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) verzoeken een advies over de kwestie te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d). ERGA verstrekt een dergelijk advies binnen 15 werkdagen na indiening van het verzoek door de Commissie. De Commissie houdt het bij artikel 29 ingestelde contactcomité naar behoren geïnformeerd.

Wanneer de Commissie een besluit neemt op grond van artikel 3, lid 2 of lid 3, of artikel 4, lid 5, besluit zij ook welke lidstaat bevoegd is.”;

4)

artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

1.   De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten niet om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.

2.   Een lidstaat mag tijdelijk afwijken van lid 1 van dit artikel indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6, lid 1, onder a), of artikel 6 bis, lid 1, of afbreuk doet aan de volksgezondheid of een belangrijk en ernstig risico daarop vormt.

Voor de in de eerste alinea bedoelde afwijking gelden de volgende voorwaarden:

a)

tijdens de voorafgaande 12 maanden heeft de aanbieder van mediadiensten al minstens tweemaal gedrag vertoond zoals beschreven in de eerste alinea;

b)

de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de lidstaat voornemens is te treffen indien een dergelijke inbreuk opnieuw plaatsvinden;

c)

de betrokken lidstaat heeft de rechten van verdediging van de aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder de mogelijkheid gegeven zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken; en

d)

overleg met de lidstaat die ten aanzien van de aanbieder van mediadiensten bevoegd is en met de Commissie, heeft binnen een maand na de ontvangst door de Commissie van de onder b) bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid.

Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen en nadat zij ERGA verzocht heeft een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), neemt de Commissie een besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat deze maatregelen onverwijld beëindigt.

3.   Een lidstaat mag tijdelijk afwijken van lid 1 van dit artikel, indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6, lid 1, onder b), of afbreuk doet aan of een belangrijk en ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de nationale veiligheid en defensie, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld.

Voor de in de eerste alinea bedoelde afwijking gelden de volgende voorwaarden:

a)

tijdens de voorgaande 12 maanden is het in de eerste alinea bedoelde gedrag minstens eenmaal vertoond;

en

b)

de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de lidstaat voornemens is te treffen indien die inbreuken opnieuw plaatsvinden.

De betrokken lidstaat eerbiedigt de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten en geeft met name deze aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken.

Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen en nadat zij ERGA verzocht heeft een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), neemt de Commissie een besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat deze maatregelen onverwijld beëindigt.

4.   De leden 2 en 3 doen geen afbreuk aan de toepassing van procedures, corrigerende maatregelen of sancties met betrekking tot de desbetreffende inbreuken in de lidstaat die bevoegd is ten aanzien van de betrokken aanbieder van mediadiensten.

5.   Lidstaten kunnen in dringende gevallen, niet later dan een maand na de vermeende inbreuk, afwijken van de in lid 3, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden. In dat geval moeten de getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk, met opgave van de redenen waarom de lidstaat van oordeel is dat het om een dringend geval gaat, worden meegedeeld aan de Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt. De Commissie gaat zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat die maatregelen met spoed te beëindigt.

6.   Indien de Commissie niet over voldoende informatie beschikt om een besluit te nemen op grond van lid 2 of 3, verzoekt zij de betrokken lidstaat binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving om alle informatie die nodig is om dat besluit te nemen. De termijn waarbinnen de Commissie het besluit moet nemen, wordt geschorst totdat die lidstaat die nodige informatie heeft bezorgd. De schorsing van deze termijn duurt nooit langer dan een maand.

7.   De lidstaten en de Commissie wisselen in het kader van het contactcomité en ERGA op gezette tijden ervaringen en beste praktijken uit betreffende de procedure in dit artikel.”;

5)

artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.

2.   Indien een lidstaat:

a)

op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid meer gedetailleerde of strengere regels van algemeen belang heeft aangenomen, en

b)

van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een audiovisuele mediadienst aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

kan hij de bevoegde lidstaat verzoeken zich over in verband met dit lid vastgestelde problemen te buigen. Beide lidstaten werken loyaal en vlot samen om tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

Bij ontvangst van een met redenen omkleed verzoek als bedoeld in de eerste alinea, verzoekt de bevoegde lidstaat de aanbieder van mediadiensten de desbetreffende regels van algemeen belang na te leven. De bevoegde lidstaat informeert de verzoekende lidstaat regelmatig over de stappen die zijn ondernomen om deze problemen aan te pakken. Binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek licht de bevoegde lidstaat de verzoekende lidstaat en de Commissie in over de verkregen resultaten en licht toe waarom geen oplossing kon worden gevonden.

Beide lidstaten kunnen het contactcomité verzoeken de zaak te gelegener tijd te onderzoeken.

3.   De betrokken lidstaat kan passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen indien:

a)

hij van oordeel is dat het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is; en

b)

hij bewijs overlegt dat de betrokken aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op door deze richtlijn gecoördineerde gebieden te omzeilen, welke voorschriften op hem van toepassing zouden zijn indien hij in de betrokken lidstaat zou zijn gevestigd; aan de hand van dat bewijs kan de omzeiling redelijkerwijs worden vastgesteld, zonder dat moet worden bewezen dat de aanbieder van de mediadienst die strengere voorschriften beoogt te omzeilen.

Die maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze toegepast en staan in verhouding tot de beoogde doelstellingen.

4.   Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de lidstaat heeft de Commissie en de lidstaat waarin de aanbieder van mediadiensten is gevestigd, in kennis gesteld van zijn voornemen om die maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd;

b)

de lidstaat heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vermeende omzeiling en de maatregelen die de kennisgevende lidstaat voornemens is te nemen; en

c)

de Commissie heeft, nadat zij ERGA heeft verzocht een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, en in het bijzonder dat de beoordeling door de lidstaat die de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde maatregelen neemt, gegrond is; de Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd.

5.   Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 4, onder a), neemt de Commissie het besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat de beoogde maatregelen niet neemt.

Indien de Commissie niet over voldoende informatie beschikt om het besluit te nemen op grond van de eerste alinea, verzoekt zij de betrokken lidstaat binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving om alle nodige informatie om dat besluit te nemen. De termijn waarbinnen de Commissie het besluit moet nemen, wordt geschorst tot die lidstaat die nodige informatie heeft bezorgd. De schorsing van deze termijn duurt nooit langer dan een maand.

6.   De lidstaten zorgen er in het kader van hun nationale recht met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten deze richtlijn daadwerkelijk naleven.

7.   Richtlijn 2000/31/EG is van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien Richtlijn 2000/31/EG in strijd is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleert de onderhavige richtlijn, tenzij in de onderhavige richtlijn anders is bepaald.”;

6)

het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 4 bis

1.   De lidstaten stimuleren het gebruik van coregulering en de bevordering van zelfregulering door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Die gedragscodes:

a)

zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden in de betrokken lidstaten;

b)

vermelden duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen;

c)

voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt; en

d)

voorzien in doeltreffende handhaving, met inbegrip van doeltreffende en evenredige sancties.

2.   De lidstaten en de Commissie kunnen zelfregulering stimuleren door middel van Uniegedragscodes die zijn opgesteld door aanbieders van mediadiensten, aanbieders van videoplatformdiensten of organisaties die hen vertegenwoordigen, indien nodig in samenwerking met andere sectoren zoals industrie, handel, beroepsverenigingen of -organisaties en consumentenverenigingen of -organisaties. Die gedragscodes zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden op Unieniveau, en voldoen aan de vereisten van lid 1, onder b), c) en d). De Uniegedragscodes doen geen afbreuk aan de nationale gedragscodes.

Waar passend, faciliteert de Commissie in samenwerking met de lidstaten de ontwikkeling van Uniegedragscodes, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

De ondertekenaars van Uniegedragscodes verstreken de ontwerpen van die codes en wijzigingen daaraan aan de Commissie. De Commissie raadpleegt het contactcomité over die ontwerpgedragscodes of wijzigingen ervan.

De Commissie maakt de Uniegedragscodes openbaar en kan hen passende bekendheid geven.

3.   Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen, met inachtneming van deze richtlijn en het Unierecht, onder meer indien hun nationale onafhankelijke regulerende instanties of organen concluderen dat een gedragscode of delen ervan niet doeltreffend genoeg blijken te zijn. De lidstaten melden dergelijke regels onverwijld aan de Commissie.”;

7)

de titel van hoofdstuk III wordt vervangen door:

VOOR AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN GELDENDE BEPALINGEN”;

8)

artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat een onder zijn bevoegdheid vallende aanbieder van mediadiensten ten minste de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking stelt aan de ontvangers van een dienst:

a)

zijn naam;

b)

het geografische adres waar hij gevestigd is;

c)

nadere gegevens, waaronder zijn e-mailadres of webadres, zodat hij snel, rechtstreeks en doeltreffend kan worden bereikt;

d)

de naam van de lidstaat onder wiens bevoegdheid hij valt, en die van de bevoegde regulerende instanties of organen of toezichthoudende organen.

2.   Lidstaten kunnen wetgevingsmaatregelen aannemen die erin voorzien dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, naast de in lid 1 genoemde informatie, informatie ter beschikking stellen over hun eigendomsstructuur, met inbegrip van uiteindelijke begunstigden. Die maatregelen eerbiedigen de betrokken grondrechten, zoals het privé-, en familieleven van uiteindelijke begunstigden. Dergelijke maatregelen zijn noodzakelijk en evenredig en streven een algemeen belang na.”;

9)

artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

1.   Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:

a)

het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;

b)

het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541.

2.   De voor de toepassing van dit artikel genomen maatregelen zijn nodig en evenredig, eerbiedigen de rechten en leven de beginselen als vastgesteld in het Handvest na.”;

10)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 6 bis

1.   De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verstrekte audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Het kan hierbij onder meer gaan om selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor leeftijdscontrole of andere technische maatregelen. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen.

2.   Door aanbieders van mediadiensten op grond van lid 1 verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten voldoende informatie aan de kijkers verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe maken de aanbieders van mediadiensten gebruik van een systeem met de nadere omschrijving van het potentieel schadelijke karakter van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

Voor de toepassing van dit lid worden de lidstaten aangemoedigd gebruik te maken van coregulering als bepaald in artikel 4 bis, lid 1.

4.   De Commissie moedigt aanbieders van mediadiensten aan beste praktijken inzake gedragscodes op basis van coregulering uit te wisselen. Voor de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten en de Commissie zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.”;

11)

artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

1.   De lidstaten zorgen er onverwijld voor dat de diensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden geboden, door middel van evenredige maatregelen voortdurend en in toenemende mate toegankelijker worden gemaakt voor personen met een handicap.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten op regelmatige basis bij de nationale regulerende instanties of organen verslag uitbrengen over de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1. De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar, verslag uit aan de Commissie over de toepassing van lid 1.

3.   De lidstaten moedigen aanbieders van mediadiensten aan om actieplannen voor toegankelijkheid te ontwikkelen in verband met het voortdurend en in toenemende mate toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. Die actieplannen worden medegedeeld aan de nationale regulerende instanties of organen.

4.   Elke lidstaat wijst een enkel, gemakkelijk toegankelijk, ook voor personen met een handicap, en openbaar beschikbaar onlinecontactpunt aan om informatie te verstrekken en klachten te ontvangen betreffende toegankelijkheidskwesties als bedoeld in dit artikel.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat noodinformatie, met inbegrip van openbare mededelingen en aankondigingen bij natuurrampen, die via audiovisuele mediadiensten beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, wordt verstrekt op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap.”;

12)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 7 bis

De lidstaten kunnen maatregelen nemen om passende aandacht voor audiovisuele mediadiensten van algemeen belang te waarborgen.

Artikel 7 ter

De lidstaten nemen passende en evenredige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door aanbieders van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadiensten geen overlay krijgen voor commerciële doeleinden of worden gewijzigd zonder de uitdrukkelijke toestemming van die aanbieders.

Voor de toepassing van dit artikel specificeren de lidstaten in dit verband de nadere regelgeving, waaronder de uitzonderingen, met name wat betreft het beschermen van de gerechtvaardigde belangen van de gebruikers, rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de aanbieders van mediadiensten die de audiovisuele mediadiensten oorspronkelijk hebben geleverd.”;

13)

artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

1.   De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

zij is gemakkelijk als zodanig herkenbaar; audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;

b)

er worden geen subliminale technieken gebruikt;

c)

zij mag niet:

i)

de menselijke waardigheid aantasten;

ii)

enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid bevatten of bevorderen;

iii)

aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid of veiligheid;

iv)

aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu;

d)

elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie over sigaretten en andere tabaksproducten, alsook over elektronische sigaretten en navulverpakkingen is verboden;

e)

audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn tot minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

f)

audiovisuele commerciële communicatie over geneesmiddelen en medische behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, is verboden;

g)

audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke, geestelijke of morele schade berokkenen; derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten om een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, mag zij hen niet rechtstreeks aanmoedigen om hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten te kopen, mag zij het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen niet uitbuiten, en mag zij niet ongegrond minderjarigen in gevaarlijke situaties tonen.

2.   Audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken in audiovisuele mediadiensten op aanvraag, uitgezonderd sponsoring en productplaatsing, moet aan de criteria van artikel 22 voldoen.

3.   De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en het stimuleren van zelfregulering aan middels gedragscodes als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, ten aanzien van ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken. Met die codes wordt beoogd de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken daadwerkelijk te verminderen.

4.   De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en het stimuleren van zelfregulering aan middels gedragscodes als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, ten aanzien van ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die kinderprogramma's vergezelt of daarvan deel uitmaakt, voor voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, met name vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan een buitensporig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is.

Met die codes wordt beoogd de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie over dergelijke voedingsmiddelen en dranken daadwerkelijk te verminderen. Met die codes wordt er tevens voor gezorgd dat audiovisuele commerciële communicatie de positieve kwaliteit van dergelijke voedingsmiddelen en dranken niet benadrukt.

5.   Voor de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten en de Commissie zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.”;

14)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Nieuws- en actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord. De lidstaten kunnen de sponsoring van kinderprogramma's verbieden. De lidstaten mogen het tonen van een logo van een sponsor tijdens kinderprogramma's, documentaires en religieuze programma's verbieden.”;

15)

artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

1.   Dit artikel is uitsluitend van toepassing op programma's die na 19 december 2009 zijn geproduceerd.

2.   Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's.

3.   Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen aan de volgende voorschriften:

a)

de inhoud en de programmering ervan in een schema, in het geval van televisie-uitzendingen, of de opneming ervan in een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag, worden nooit zodanig beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)

zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die goederen of diensten;

c)

het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;

d)

de kijker wordt door een geschikte aanduiding duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing, en wel aan het begin en aan het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, zulks teneinde te voorkomen dat de kijker in verwarring wordt gebracht.

De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder d) genoemde voorschriften, behalve voor programma's die door een aanbieder van mediadiensten of door een aan die aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming geproduceerd of besteld zijn.

4.   Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten:

a)

voor sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen, of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van die producten;

b)

voor specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt.”;

16)

de titel van hoofdstuk IV wordt geschrapt;

17)

artikel 12 wordt geschrapt;

18)

artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 30 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en dat die producties aandacht krijgen.

2.   Indien de lidstaten onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen, kunnen zij ook van aanbieders van mediadiensten die zich tot publiek op hun grondgebied richten maar in andere lidstaten zijn gevestigd, verlangen dat zij dergelijke financiële bijdragen leveren, die proportioneel en niet-discriminerend zijn.

3.   In het in lid 2 bedoelde geval wordt de financiële bijdrage uitsluitend gebaseerd op de inkomsten die zijn gegenereerd in de lidstaten waarop de diensten gericht zijn. Indien de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd, een dergelijke financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten gericht zijn. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het Unierecht, en in het bijzonder de staatssteunregels.

4.   De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2021 en vervolgens om de twee jaar verslag uit aan de Commissie over de toepassing van de leden 1 en 2.

5.   De Commissie brengt op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie en een onafhankelijke studie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de leden 1 en 2, rekening houdend met de marktontwikkelingen, de technologische vooruitgang en de nagestreefde culturele diversiteit.

6.   De verplichting uit hoofde van lid 1 en het voorschrift voor aanbieders van mediadiensten die zich tot publiek in andere lidstaten richten in de zin van lid 2, gelden niet voor aanbieders van mediadiensten met een lage omzet of een klein publiek. De lidstaten kunnen ook ontheffing van deze verplichtingen of voorschriften verlenen wanneer deze praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten.

7.   De Commissie stelt na raadpleging van het contactcomité richtsnoeren vast voor het berekenen van het aandeel Europese producties als bedoeld in lid 1, alsook voor het definiëren van de begrippen „klein publiek” en „lage omzet”, als bedoeld in lid 6.”;

19)

in artikel 19 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Afzonderlijke televisiereclame- en telewinkelspots zijn toegestaan in het kader van sportevenementen. Afzonderlijke televisiereclame- en telewinkelspots blijven een uitzondering, behalve in uitzendingen van sportevenementen.”;

20)

in artikel 20 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor televisiereclame, telewinkelen, of beide. Uitzendingen van kinderprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor televisiereclame, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan 30 minuten bedraagt. Uitzendingen van telewinkelen zijn verboden tijdens kinderprogramma's. Uitzendingen van religieuze diensten mogen niet worden onderbroken voor televisiereclame of telewinkelen.”;

21)

artikel 23 wordt vervangen door:

„Artikel 23

1.   Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 6.00 uur en 18.00 uur niet meer dan 20 % van dat tijdvak. Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 18.00 uur en 24.00 niet meer dan 20 % van dat tijdvak.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op:

a)

boodschappen van de omroeporganisatie in verband met eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of met programma's en audiovisuele mediadiensten van andere entiteiten die tot dezelfde omroeporganisatie behoren;

b)

sponsorboodschappen;

c)

productplaatsing;

d)

neutrale frames tussen redactionele inhoud en televisiereclame of telewinkelspots, en tussen individuele spots.”;

22)

hoofdstuk VIII wordt geschrapt;

23)

het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK IX BIS

VOOR VIDEOPLATFORMDIENSTEN GELDENDE BEPALINGEN

Artikel 28 bis

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn valt een aanbieder van videoplatforms die op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd in de zin van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG, onder de bevoegdheid van die lidstaat.

2.   Een aanbieder van videoplatforms die niet op grond van lid 1 op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd, wordt geacht voor de toepassing van deze richtlijn op het grondgebied van een lidstaat te zijn gevestigd indien die aanbieder van videoplatforms:

a)

een moederonderneming of een dochteronderneming heeft die op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd; of

b)

deel uitmaakt van een groep en een andere onderneming van die groep op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „moederonderneming”: een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;

b)   „dochteronderneming”: een onderneming waarover een moederonderneming zeggenschap heeft, met inbegrip van elke dochteronderneming van een uiteindelijke moederonderneming;

c)   „groep”: een moederonderneming, al haar dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die er op organisatorisch gebied economische en juridische banden mee hebben.

3.   Indien de moederonderneming, de dochteronderneming of de andere ondernemingen van de groep allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms voor de toepassing van lid 2 geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin de moederonderneming van de aanbieder is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, in de lidstaat waarin de dochteronderneming is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, in de lidstaat waarin de andere onderneming van de groep is gevestigd.

4.   Indien er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms voor de toepassing van lid 3 geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin een van de dochterondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt.

Indien meerdere andere ondernemingen deel uitmaken van de groep en deze allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin een van deze ondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt.

5.   Voor de toepassing van deze richtlijn zijn artikel 3 en de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG van toepassing op aanbieders van videoplatforms die worden geacht in een lidstaat te zijn gevestigd overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

6.   De lidstaten maken en handhaven een actuele lijst met de aanbieders van videoplatforms die op hun grondgebied zijn gevestigd of worden geacht te zijn gevestigd, en vermelden op welke van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde criteria hun bevoegdheid is gebaseerd. De lidstaten verstrekken die lijst, met inbegrip van actualiseringen ervan, aan de Commissie.

De Commissie zorgt ervoor dat die lijsten beschikbaar zijn in een centrale gegevensbank. In het geval van tegenstrijdigheden tussen de lijsten neemt de Commissie contact op met de betrokken lidstaten om een oplossing te vinden. De Commissie waarborgt dat de nationale regulerende instanties of organen toegang hebben tot die gegevensbank. De Commissie maakt informatie in de gegevensbank openbaar.

7.   Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van dit artikel geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie onverwijld in over deze kwestie. De Commissie kan ERGA verzoeken een advies over de kwestie te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d). ERGA verstrekt een dergelijk advies binnen 15 werkdagen na de indiening van het verzoek door de Commissie. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd.

Artikel 28 ter

1.   Onverminderd de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

a)

minderjarigen te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling kunnen aantasten, overeenkomstig artikel 6 bis, lid 1;

b)

het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;

c)

het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie met inhoud waarvan de verspreiding een activiteit inhoudt die krachtens het Unierecht een misdrijf is, met name het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf bepaald in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541, strafbare feiten met betrekking tot kinderpornografie bepaald in artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1), en strafbare feiten op het gebied van racisme en vreemdelingenhaat bepaald in artikel 1 van Kaderbesluit 2008/913/JBZ.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders in de handel gebracht, verkocht en georganiseerd wordt.

De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om te voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders van videoplatforms niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt, rekening houdend met de beperkte controle van deze videoplatforms op die audiovisuele commerciële communicatie.

De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van videoplatforms gebruikers duidelijk informeren indien programma's en door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten mits die communicatie overeenkomstig lid 3, derde alinea, onder c), wordt vermeld of de aanbieder van dat feit op de hoogte is.

De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en de toepassing van zelfregulering aan middels gedragscodes als bepaald in artikel 4 bis, lid 1, teneinde de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie over voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen bevatten, en stoffen met nutritionele en fysiologische effecten, met name vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan een buitensporig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, daadwerkelijk te verminderen. Via dergelijke gedragscodes moet ervoor worden gezorgd dat in deze audiovisuele commerciële communicatie geen nadruk wordt gelegd op de positieve kwaliteit van de nutritionele aspecten van dergelijke voedingsmiddelen en dranken.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de passende maatregelen bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de in het geding zijnde rechten en gerechtvaardigde belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd of geüpload, alsmede het algemeen belang.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passen dergelijke maatregelen toepassen. Die maatregelen zijn uitvoerbaar en proportioneel, rekening houdend met de omvang van de videoplatformdienst en de aard van de verleende dienst. Die maatregelen leiden niet tot eventuele controlemaatregelen vooraf of filtering bij het uploaden van inhoud die niet voldoen aan artikel 15 van Richtlijn 2000/31/EC. Ter bescherming van minderjarigen, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel, gelden voor de meest schadelijke inhoud de meest strikte toegangscontrolemaatregelen.

Die maatregelen omvatten naargelang het geval:

a)

opnemen en toepassen, in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in lid 1 bedoelde voorschriften;

b)

opnemen en toepassen in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in artikel 9, lid 1 bedoelde voorschriften inzake audiovisuele commerciële communicatie die door de aanbieders van videoplatformdiensten niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt;

c)

beschikken over een functie waarmee gebruikers die door gebruikers gegenereerde video's uploaden, kunnen verklaren of die video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten, voor zover zij zulks weten of redelijkerwijs zouden kunnen weten;

d)

tot stand brengen en gebruiken van transparante en gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van een videoplatform de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van videoplatforms aangeboden inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

e)

tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers ervan kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de in onder d) genoemde rapportage en markeringen;

f)

tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole van gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

g)

tot stand brengen en gebruiken van gemakkelijk te bedienen systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

h)

ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht die door de eindgebruiker worden beheerd met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

i)

tot stand brengen en gebruiken van transparante, gemakkelijk te gebruiken en doeltreffende procedures voor de behandeling en afhandeling van klachten van de gebruikers bij de aanbieder van videoplatforms omtrent de uitvoering van de onder d) tot en met h) genoemde maatregelen;

j)

voorzien in doeltreffende maatregelen en instrumenten op het gebied van mediageletterdheid en vergroten van de bekendheid van gebruikers met die maatregelen en instrumenten.

Door aanbieders van videoplatforms op grond van de derde alinea, onder f) en h), verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen, worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame.

4.   Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 3 van dit artikel genoemde maatregelen moedigen de lidstaten het gebruik aan van coregulering overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1.

5.   De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van de door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen, die zijn bedoeld in lid 3, te beoordelen. De lidstaten belasten de nationale regulerende instanties of organen met de beoordeling van die maatregelen.

6.   De lidstaten kunnen aanbieders van videoplatforms maatregelen opleggen die gedetailleerder of strenger zijn dan de in lid 3 van dit artikel genoemde maatregelen. Bij de vaststelling van die maatregelen voldoen de lidstaten aan de in het toepasselijke Unierecht vastgestelde voorschriften, zoals de voorschriften van de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG of artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU.

7.   De lidstaten waarborgen dat mechanismen beschikbaar zijn voor buitengerechtelijke beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van videoplatforms wat betreft de toepassing van de leden 1 en 3. Door middel van deze mechanismen is het mogelijk geschillen op onpartijdige wijze te beslechten en zij ontnemen de gebruiker niet het recht op juridische bescherming overeenkomstig het nationaal recht.

8.   De lidstaten zien erop toe dat gebruikers hun rechten met betrekking tot aanbieders van videoplatforms op grond van de leden 1 en 3 voor een gerechtelijke instantie kunnen laten gelden.

9.   De Commissie moedigt aanbieders van videoplatforms aan beste praktijken inzake de in lid 4 bedoelde gedragscodes op basis van coregulering te delen.

10.   De lidstaten en de Commissie kunnen zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.

(*1)  Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).”;"

24)

de titel van hoofdstuk XI wordt vervangen door:

REGULERENDE INSTANTIES EN ORGANEN VAN DE LIDSTATEN”;

25)

artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

1.   Elke lidstaat wijst een of meer nationale regulerende instanties, organen, of beide aan. De lidstaten zorgen ervoor dat deze juridisch van de overheid zijn gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van hun respectieve overheden en van alle andere openbare of particuliere organen. Dit laat onverlet dat de lidstaten regulerende instanties kunnen oprichten die toezicht houden op meerdere sectoren.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uitoefenen, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, met name wat betreft pluralisme van de media, culturele en taalkundige verscheidenheid, consumentenbescherming, toegankelijkheid, non-discriminatie, de goede werking van de interne markt en de bevordering van eerlijke concurrentie.

De nationale regulerende instanties of organen vragen of aanvaarden geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van het nationale recht tot omzetting van het Unierecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegdheden van de nationale regulerende instanties of organen, alsmede de wijze waarop deze verantwoording afleggen, duidelijk bij wet worden omschreven.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen over adequate financiële en personele middelen en handhavingsbevoegdheden beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren en bij te dragen aan de werkzaamheden van ERGA. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen beschikken over hun eigen jaarlijkse begrotingen, die openbaar worden gemaakt.

5.   De lidstaten stellen in hun nationale recht de voorwaarden en procedures vast voor de benoeming en het ontslag van de hoofden van nationale regulerende instanties en organen of de leden van het collegiale orgaan dat die functie uitvoert, met inbegrip van de duur van het mandaat. De procedures zijn transparant en niet-discriminerend en waarborgen de vereiste graad van onafhankelijkheid. Ontslag van het hoofd van een nationale regulerende instantie of een nationaal regulerend orgaan, of van de leden van het collegiale orgaan dat deze functie binnen een nationale regulerende instantie of een nationaal regulerend - orgaan uitvoert, is mogelijk indien zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitoefening van hun taken die vooraf op nationaal niveau zijn vastgesteld. Een besluit tot ontslag wordt naar behoren gemotiveerd, wordt vooraf bekendgemaakt en is beschikbaar voor het publiek.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat op nationaal niveau doeltreffende regelingen voor het instellen van beroep voorhanden zijn. Het beroepsorgaan, bijvoorbeeld een rechtbank, is onafhankelijk van de bij het beroep betrokken partijen.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt het besluit van de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.”;

26)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 30 bis

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat nationale regulerende instanties of organen passende maatregelen nemen om elkaar en de Commissie de informatie te verschaffen die nodig is voor de toepassing van deze richtlijn, en met name de artikelen 2, 3 en 4.

2.   In het kader van de informatie-uitwisseling als bedoeld in lid 1, wanneer nationale regulerende instanties of organen door een onder hun bevoegdheid vallende aanbieder van mediadiensten ervan in kennis worden gesteld dat hij een dienst zal verlenen die geheel of hoofdzakelijk op het publiek van een andere lidstaat is gericht, stelt de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan van de bevoegde lidstaat de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan van de lidstaat waarop de diensten gericht zijn, daarvan in kennis.

3.   Indien de regulerende instantie of het regulerend orgaan van een lidstaat waarop de diensten van een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten zijn gericht, aan de regulerende instantie of het regulerend orgaan van de lidstaat die bevoegd is ten aanzien van die aanbieder, een verzoek betreffende de activiteiten van die aanbieder zendt, doet deze laatste instantie of dit laatste orgaan al het mogelijke om het verzoek binnen twee maanden te behandelen, onverminderd striktere termijnen die uit hoofde van deze richtlijn van toepassing zijn. Op verzoek verstrekt de regulerende instantie of het regulerend orgaan van de lidstaat waarop de diensten gericht zijn, de regulerende instantie en/of het regulerend orgaan van de lidstaat die bevoegd is, alle informatie die nuttig kan zijn voor de behandeling van het verzoek.

Artikel 30 ter

1.   De Europese groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) wordt opgericht.

2.   ERGA is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale regulerende instanties of organen op het gebied van audiovisuele mediadiensten die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de audiovisuele mediadiensten, of, wanneer er geen nationale regulerende instantie of nationaal regulerend orgaan is, door andere vertegenwoordigers die volgens hun procedures zijn gekozen. Een vertegenwoordiger van de Commissie neemt deel aan de bijeenkomsten van ERGA.

3.   ERGA heeft de volgende taken:

a)

de Commissie technische deskundigheid leveren:

bij haar taak ter waarborging van een samenhangende uitvoering van deze richtlijn in alle lidstaten;

betreffende zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten waarvoor ze bevoegd is;

b)

ervaringen en beste praktijken betreffende de toepassing van het regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten uitwisselen, ook over toegankelijkheid en mediageletterdheid;

c)

met de leden ervan samenwerken en deze de informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de toepassing van deze richtlijn, en met name de artikelen 3, 4 en 7;

d)

indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over de technische en feitelijke aspecten van de aangelegenheden op grond van artikel 2, lid 5 quater, artikel 3, leden 2 en 3, artikel 4, lid 4, onder c), en artikel 28 bis, lid 7.

4.   ERGA stelt haar reglement van orde op.”;

27)

artikel 33 wordt vervangen door:

„Artikel 33

De Commissie controleert de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten.

Uiterlijk op 19 december 2022 en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Uiterlijk op 19 december 2026 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een ex-postevaluatie in die, indien passend, vergezeld gaat van voorstellen voor herziening van de richtlijn, teneinde de impact van deze richtlijn en de meerwaarde ervan na te gaan.

De Commissie houdt het contactcomité en ERGA naar behoren geïnformeerd over de werkzaamheden en activiteiten van de ander.

De Commissie zorgt ervoor dat informatie van de lidstaten over elke maatregel die zij hebben genomen betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde toepassingsgebieden, aan het contactcomité en ERGA wordt meegedeeld.”;

28)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 33 bis

1.   De lidstaten bevorderen en nemen maatregelen voor het ontwikkelen van de mediageletterdheid.

2.   De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit bij de Commissie over de toepassing van lid 1.

3.   Na raadpleging van het contactcomité stelt de Commissie richtsnoeren vast voor het toepassingsgebied van die verslagen.”.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 19 september 2020 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 november 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 157.

(2)  PB C 185 van 9.6.2017, blz. 41.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 november 2018.

(4)  Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

(5)  Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

(7)  Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).

(8)  Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

(12)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(13)  Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PB L 152 van 20.6.2003, blz. 16).

(14)  Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).

(15)  Besluit C(2014) 462 final van de Commissie van 3 februari 2014 tot oprichting van een Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten.

(16)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


Top