Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R0141

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/141 van de Commissie van 26 januari 2017 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan

C/2017/0298

PB L 22 van 27.1.2017, pp. 14–53 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 14/04/2023: This act has been changed. Current consolidated version: 08/04/2017

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2017/141/oj

27.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 22/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/141 VAN DE COMMISSIE

van 26 januari 2017

tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   DE PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 29 oktober 2015, kondigde de Commissie overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (2) door middel van een bericht („bericht van inleiding”), gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (3), de inleiding aan van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Europese Unie van bepaalde roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”) en Taiwan („de betrokken landen”).

(2)

De procedure werd ingeleid na een klacht die op 14 september 2015 was ingediend door het Defence Committee of the Stainless Steel Butt-Welding Fittings Industry of the European Union („de klager”) namens producenten die samen tussen 37 % en 48 % van de totale productie in de Unie voor hun rekening nemen. Een producent heeft zich tegen die inleiding verzet.

(3)

Daarom was op het moment dat de procedure werd ingeleid voldaan aan de relevante drempels als bedoeld in artikel 5, lid 4, van de basisverordening, namelijk dat een onderzoek op grond van lid 1 eerst wordt geopend „nadat aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin de klacht door de producenten van het soortgelijke product in de Unie wordt gesteund dan wel betwist wordt, is vastgesteld dat deze door of namens de bedrijfstak van de Unie is ingediend. De klacht wordt geacht” door of namens de bedrijfstak van de Unie te zijn ingediend „indien zij wordt gesteund door de producenten in de Unie wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Unie dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Er wordt evenwel geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Unie die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie voor hun rekening nemen.”. Als het onderzoek eenmaal is geopend, is het niet noodzakelijk dat gedurende het gehele onderzoek aan de voorwaarden voor de bevoegdheid wordt voldaan. Het Hof heeft dit bevestigd voor de situatie waarin een onderneming haar steun voor de klacht intrekt (4); dezelfde redenering geldt naar analogie in een situatie waarin de productomschrijving verandert.

(4)

Tijdens de openingsfase beweerde een van de belanghebbenden dat de Commissie de representativiteit van de klager op de totale productie van de bedrijfstak van de Unie verkeerd had berekend. Hij beweerde dat de huidige klager niet 43-49 % van de productie in de Unie kan vertegenwoordigen omdat in het vorige geval met een soortgelijke productomschrijving acht ondernemingen 48 % van de productie in de Unie hadden vertegenwoordigd. De Commissie merkte op dat, hoewel de productomschrijving in de twee onderzoeken inderdaad op elkaar lijkt, de precieze productomschrijving en de periode waarop het huidige onderzoek betrekking heeft, verschillen van de productomschrijving en de betrokken periode in het vorige onderzoek. Daarom waren de uitgevoerde beoordelingen en de resultaten van die beoordeling verschillend (d.w.z. uit dit onderzoek kwamen andere producenten in de Unie naar voren dan in het onderzoek dat in 2012 werd geopend; en die producenten in de Unie werden gedefinieerd op basis van het soortgelijke product in het onderzoek van 2012). De aantekening in het dossier inzake de bevoegdheid van 28 oktober 2015 stelt de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vast op 8 600 ton voor de periode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015. Voor het vorige onderzoek dat in 2012 werd geopend, stelde de aantekening in het dossier inzake procesbevoegdheid van 9 november 2012 vast dat de totale productie van het soortgelijke product in de Unie 21 600 ton was.

(5)

Dezelfde belanghebbende beweerde dat het aantal ondernemingen dat de klacht steunt laag is, 3 van de 16 producenten in de Unie, en verzocht de Commissie om te onderzoeken waarom de andere producenten in de Unie het stilzwijgen bewaarden. Als reactie op deze opmerking stelde de Commissie dat niet het aantal producenten dat een klacht steunt van belang is op het moment dat een procedure wordt geopend, maar alleen hun aandeel in de geproduceerde hoeveelheid van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

(6)

Daarnaast zette de belanghebbende vraagtekens bij de opname van een producent in de Unie in de definitie van de bedrijfstak van de Unie omdat deze producent in de Unie hulpstukken van aanzienlijk hogere toegevoegde waarde produceerde dan de andere producenten in de Unie. Het onderzoek bevestigde echter dat deze producent in de Unie ook het soortgelijke product produceerde en verkocht en dat de opname van deze producent in de steekproef gerechtvaardigd was. Het betrof alleen die hoeveelheden van die producent die binnen de omvang van het onderzoek vallen. Derhalve werd dit argument afgewezen.

1.2.   Bij de procedure betrokken partijen

(7)

De Commissie heeft de klager, alle haar bekende producenten in de Unie, importeurs, handelaren en gebruikers en hun verenigingen, almede de producenten-exporteurs en de autoriteiten van de betrokken landen officieel van de opening van het onderzoek in kennis gesteld.

(8)

De Commissie nam ook contact op met producenten in Brazilië, India, Maleisië, Korea, Zwitserland, Thailand en de Verenigde Staten van Amerika („de VS”), die in het bericht van inleiding werden genoemd als mogelijke referentielanden met als doel een normale waarde voor de VRC vast te stellen.

(9)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

1.3.   Steekproeven

(10)

In het bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

a)   Steekproef van producenten in de Unie

(11)

In het bericht van inleiding verklaarde de Commissie dat zij, gezien het grote aantal producenten in de Unie die bij het onderzoek betrokken waren, haar analyse zou beperken tot een redelijk aantal producenten in de Unie. Op het moment van inleiding kwamen de in overweging 2 genoemde producenten naar voren, d.w.z. één producent in de Unie en een groep van twee dochtermaatschappijen, die in de Unie gevestigd zijn en het soortgelijke product produceren.

(12)

Na de publicatie van het bericht van inleiding verzocht een andere producent in de Unie om in de steekproef te worden opgenomen. De vier medewerkende producenten in de Unie werden daarom in de steekproef opgenomen. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden ongeveer 47 % van de totale geschatte productie in de Unie, en de steekproef werd beschouwd als representatief voor de bedrijfstak van de Unie.

(13)

Vervolgens informeerde echter een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, namelijk Springer GmbH, de Commissie over zijn besluit om niet mee te werken. Deze producent werd daarom niet verder onderzocht. De Commissie concludeerde desondanks dat de drie resterende in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, die ca. 43 % van de totale geschatte productie in de Unie vertegenwoordigen, nog steeds representatief voor de bedrijfstak van de Unie waren. Die producent in de Unie informeerde de Commissie ook dat hij niet alleen een producent in de Unie was, maar ook een regeling voor passieve veredeling met een Chinese producent had.

(14)

Bovendien beoordeelde de Commissie de gevolgen van de uitsluiting van de hulpstukken met flens en met lage ruwheid (zie paragraaf 2.2 hieronder) voor de representativiteit van de steekproef. Zij concludeerde dat de productie van hulpstukken met flens en met lage ruwheid geen aanzienlijk deel vormden van de productie van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie of van de totale productie in de Unie, en daarom geen gevolgen had voor de representativiteit van de reeds geselecteerde steekproef.

(15)

Eén belanghebbende verklaarde dat andere producenten in de Unie dan degenen die de klacht ondersteunden, volgens intracommunautaire handelsstatistieken van Eurostat, hun omzet verhoogden in de periode 2010-2015 en hun producten tegen hogere prijzen en in grotere hoeveelheden verkochten.

(16)

De Commissie analyseerde de mogelijke schade die de invoer vanuit de betrokken landen veroorzaakte voor de bedrijfstak van de Unie, inclusief alle producenten in de Unie, op basis van de macro-economische gegevens (zie overwegingen 193 tot en met 207). Bovendien merkte de Commissie op dat de belanghebbende zijn analyse baseerde op GN-codes die niet alleen het betrokken product omvatten, maar ook producten die buiten dit onderzoek vallen. Daarnaast heeft de in de intracommunautaire handelsstatistieken gerapporteerde hoeveelheid in het algemeen niet alleen betrekking op de productie in de Unie, maar ook op wederverkopen van ingevoerde producten. Daarom kon geen conclusie worden getrokken aangaande de verkoopprijzen of het verkoopsvolume van de producenten in de Unie. In ieder geval worden de micro-economische gegevens van de steekproef nog steeds representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie. Dat deze gegevens niet de niet-klagende producenten omvatten, is het gevolg van het feit dat deze zich niet hebben gemeld om in de steekproef te worden opgenomen.

b)   Steekproef van importeurs

(17)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk zou zijn en, zo ja, deze ook samen te stellen, heeft de Commissie alle niet-verbonden importeurs verzocht zich kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding gespecificeerde informatie te verstrekken.

(18)

Drie niet-verbonden importeurs verstrekten informatie en stemden in met opname in de steekproef. Samen vertegenwoordigden zij 10 % van de geschatte hoeveelheden die tijdens het onderzoektijdvak uit de VRC en Taiwan werden ingevoerd. Daar de Commissie alle importeurs die zich hadden gemeld, kon onderzoeken, was geen steekproef noodzakelijk.

c)   Steekproef van producenten-exporteurs in Taiwan

(19)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk zou zijn en, zo ja, deze ook samen te stellen, werden alle producenten-exporteurs in Taiwan in het bericht van inleiding verzocht zich kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding gespecificeerde informatie te verstrekken. De informatie over de opening van het onderzoek en het bericht van inleiding (waartoe een steekproefformulier behoorde) werden gezonden naar de tien Taiwanese ondernemingen die in de klacht werden genoemd als producenten-exporteurs van het betrokken product naar de Unie. Daarnaast werd het Taipei Representative Office in de Europese Unie verzocht eventuele andere producenten-exporteurs te identificeren en/of contact met hen op te nemen.

(20)

Vier producenten-exporteurs in Taiwan verstrekten de in het bericht van inleiding gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Rekening houdend met het aantal medewerkende Taiwanese producenten-exporteurs, werd een steekproef niet noodzakelijk geacht.

(21)

Tijdens het onderzoek werkten twee van de vier ondernemingen niet meer mee. De Commissie informeerde deze ondernemingen dat overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening voorlopige of definitieve bevindingen, positief of negatief, kunnen worden vastgesteld op basis van de beschikbare feiten.

d)   Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC, BMO-verzoeken en verzoeken om individueel onderzoek

(22)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk zou zijn en, zo ja, deze ook samen te stellen, heeft zij alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht zich bij haar kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding gespecificeerde informatie te verstrekken. Daarnaast werd de Missie van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie verzocht eventuele andere producenten-exporteurs te identificeren en/of contact met hen op te nemen.

(23)

Negen producenten-exporteurs in de VRC verstrekten de gevraagde informatie en verzochten om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef samengesteld van vier ondernemingen of ondernemingsgroepen, die ongeveer 79 % van de uitvoer van de medewerkende producenten-exporteurs naar de Unie en een geschatte 35 % van de totale uitvoer vanuit de VRC naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak vertegenwoordigen. Het criterium voor het selecteren van de vier ondernemingen die in de steekproef werden opgenomen, was de uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werden alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef, en er werden geen opmerkingen ontvangen.

(24)

Tijdens het onderzoek werkte een van de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen niet meer mee. De Commissie informeerde deze onderneming dat overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening voorlopige of definitieve bevindingen, positief of negatief, kunnen worden vastgesteld op basis van de beschikbare feiten.

(25)

Geen van de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC heeft een aanvraag voor behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) ingediend. Vijf producenten-exporteurs in de VRC, die niet in de steekproef waren opgenomen, verzochten echter om een individueel onderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening. Zoals vermeld in overweging 99 werden deze verzoeken niet ingewilligd.

1.4.   Antwoorden op de vragenlijst

(26)

Er werden vragenlijsten gezonden naar de vier ondernemingen in Taiwan en de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen in de VRC, naar de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en naar de drie in de steekproef opgenomen importeurs.

(27)

Er werden slechts antwoorden op de vragenlijst ontvangen van twee ondernemingen in Taiwan, drie in de VRC, drie producenten in de Unie en drie importeurs.

(28)

Na mededeling van de voorlopige bevindingen werd ook een antwoord op de vragenlijst ontvangen van een producent in een van de mogelijke referentielanden, namelijk Zwitserland.

1.5.   Controlebezoeken

(29)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening werden bij de volgende ondernemingen/vereniging controlebezoeken ter plaatse verricht:

producenten in de Unie:

OSTP Sweden AB, Zweden,

OSTP Finland OY, Finland,

Erne Fittings, Oostenrijk,

niet-verbonden importeur:

Arcus Nederland BV, Nederland,

producenten-exporteurs in Taiwan:

Ta Chen Stainless Pipes Co. Ltd, Taichung,

King Lai Hygienic Materials Co. Ltd Tainan,

producenten-exporteurs in de VRC:

Suzhou Yuli Pipeline Industry Co. Ltd en haar verbonden ondernemingen, Suzhou, Jiangsu en Shanghai,

Zhejiang Jndia Pipeline Industry Co. Ltd, Wenzhou,

Zhejiang Good Fittings Co. Ltd, Wenzhou.

(30)

Een controlebezoek werd ook uitgevoerd bij de Zwitserse onderneming Rohrbogen AG (Basel), die werd beschouwd als producent in een mogelijk referentieland. Dit controlebezoek vond plaats na de mededeling van de voorlopige bevindingen.

1.6.   Mededeling van de voorlopige bevindingen

(31)

In de voorlopige fase van het onderzoek besloot de Commissie geen voorlopige antidumpingmaatregelen op te leggen. De belangrijkste reden voor deze beslissing was het continu zoeken naar een geschikt referentieland op basis waarvan een normale waarde zou worden vastgesteld voor de Chinese producenten-exporteurs. Omdat geen dumpingmarge voor de VRC kon worden vastgesteld, kon ook het niveau van de invoer met dumping van beide betrokken landen niet worden vastgesteld. Hoewel de gegevens voor de bedrijfstak van de Unie beschikbaar waren voor de analyse van de diverse schade-indicatoren, zijn de omvang en de prijzen van de invoer met dumping een onmisbaar element bij de vaststelling van schade overeenkomstig artikel 3 van de basisverordening. Daarom werd in de voorlopige fase van het onderzoek geen schade, en als gevolg daarvan geen oorzakelijk verband tussen schade en invoer met dumping, vastgesteld.

(32)

De belanghebbenden ontvingen een mededeling van de voorlopige bevindingen op 13 juli 2016. Na de mededeling werden opmerkingen ontvangen van één Taiwanese producent-exporteur, één Chinese producent-exporteur, de China Chamber of Commerce of Metals, Minerals and Chemical Importers & Exporters („CCCMC”) en de klager. Al deze opmerkingen worden in de onderstaande overwegingen behandeld.

1.7.   Mededeling van de definitieve bevindingen

(33)

De belanghebbenden ontvingen het document met de definitieve bevindingen op 27 oktober 2016. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om uiterlijk op 16 november 2016 schriftelijk te reageren en/of een hoorzitting met de Commissie en/of de raadsadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(34)

Drie Chinese producenten-exporteurs, de CCCMC, twee importeurs in de Unie en de klager dienden na de mededeling van de definitieve bevindingen opmerkingen in; de producent in de Unie die ook een regeling voor passieve veredeling had, vroeg een hoorzitting met de raadsadviseur-auditeur aan en de CCCMC verzocht om een hoorzitting met de diensten van de Commissie.

(35)

Tijdens de hoorzitting met de raadsadviseur-auditeur verzocht de producent in de Unie dat producten die na de passieve veredeling opnieuw worden ingevoerd, zouden worden vrijgesteld van de rechten, omdat ze geen schade veroorzaken aan de bedrijfstak van de Unie vanwege de zeer geringe overlapping met de productie van de klagers en omdat het niet in het belang van de Unie zou zijn om rechten op te leggen, rekening houdend met zijn status van kleine of middelgrote onderneming, het feit dat hij voor de bouw van zijn fabriek middelen uit de EU-structuurfondsen heeft ontvangen en het feit dat het opleggen van rechten zijn bedrijf zou vernietigen. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om hun eventuele mening hierover te geven.

(36)

Daarnaast verzocht één Chinese producent-exporteur om correctie van zijn naam, die verkeerd was gespeld, en één importeur in de Unie stelde een nauwkeurigere definitie van „hulpstukken met lage ruwheid” voor, die door de Commissie werd geaccepteerd.

(37)

Wat de mededeling van de definitieve bevindingen betreft, beweerden twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC dat de termijn die door de Commissie was gesteld voor de indiening van opmerkingen door de belanghebbenden ontoereikend was en hen niet de mogelijkheid gaf om volledig en uitgebreid in te gaan op alle gegevens en redeneringen, die voor het eerst in de mededeling van de definitieve bevindingen waren gepresenteerd. Zij beschouwden dat als een ernstige inbreuk op de rechten van verdediging van de belanghebbenden in deze procedure.

(38)

De Commissie merkte op dat een krachtens artikel 5 van de basisverordening ingeleide antidumpingprocedure met strenge termijnen wordt uitgevoerd. De betrokken belanghebbenden hebben mededeling ontvangen van het besluit van de Commissie om geen voorlopige maatregelen op te leggen en van het voorstel van de Commissie voor de instelling van definitieve maatregelen, en hebben een redelijke tijd gehad om te reageren. Overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de basisverordening moet de Commissie voor opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen een termijn van ten minste tien dagen vaststellen. Door 22 dagen te geven, heeft de Commissie aan deze eis voldaan. Geen belanghebbende verzocht dienaangaande om verlenging. Benadrukt wordt ook dat in de voorlopige fase geen aanvullende gegevens konden worden meegedeeld, niet alleen ten aanzien van dumpingbevindingen voor de VRC, maar ook ten aanzien van schade. Omdat geen dumpingmarge voor de VRC kon worden vastgesteld, kon ook het niveau van de invoer met dumping van de betrokken landen niet worden vastgesteld. Hoewel de gegevens voor de bedrijfstak van de Unie beschikbaar waren voor de analyse van de diverse schade-indicatoren, zijn de omvang en de prijzen van de invoer met dumping een onmisbaar element bij de vaststelling van schade overeenkomstig artikel 3 van de basisverordening. Daarom werd in de voorlopige fase van het onderzoek geen schade vastgesteld. Het argument werd daarom afgewezen.

(39)

Na opmerkingen en verzoeken van sommige belanghebbenden na de mededeling van de definitieve bevindingen deelde de Commissie aanvullende gegevens en informatie mee. Deze aanvullende mededeling vond plaats op 25 november 2016. Daarop werden opmerkingen ontvangen van twee Chinese producenten-exporteurs, de CCCMC, de klager en drie importeurs in de Unie.

(40)

Tijdens de hoorzitting met de raadsadviseur-auditeur verzocht de klager dat het vrijstellingsverzoek voor een regeling voor passieve veredeling die door een van de producenten in de Unie was ingediend zoals uitgelegd in overweging 35 niet zou worden toegekend omdat de betrokken producent in de Unie ook het betrokken product dat in China wordt geproduceerd invoert. Bovendien waren zijn producten, anders dan eerder gesteld, concurrenten van het product dat door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd. Tijdens dezelfde hoorzitting legde de klager ook uit dat de meerderheid van de handelaren in de Unie producten opslaan die dubbel gecertificeerd zijn, zowel volgens de EN/DIN- als de ASME/ANSI-normen. Bovendien zijn producten die onder verschillende normen vallen, in tegenstelling tot de bewering van een van de handelaren, uitwisselbaar.

(41)

Twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC herhaalden hun argumenten, vooral wat betreft het gebrek aan mededeling van de schadebevindingen in de voorlopige fase dat naar hun mening niet door het gebrek aan gegevens kon worden gerechtvaardigd.

(42)

In antwoord op het bovenstaande merkt de Commissie op dat conclusies over schade-indicatoren alleen kunnen worden meegedeeld nadat de omvang van de invoer met dumping is vastgesteld. In dit specifieke geval was tijdens de voorlopige fase voor de VRC geen dumping vastgesteld. Het feit dat de onbewerkte gegevens voor schade-indicatoren waren verzameld, betekent niet dat een conclusie over schade-indicatoren kon worden getrokken. De Commissie had een voldoende mededeling verstrekt in de zin van artikel 20 van de basisverordening. De Commissie is van mening dat de rechten van verdediging van deze belanghebbenden werden gerespecteerd.

1.8.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(43)

Het onderzoek naar dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2015 („het onderzoektijdvak”).

(44)

Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2012 tot het eind van het onderzoektijdvak („beoordelingsperiode”).

(45)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerden diverse belanghebbenden dat de Commissie de periode 2010 — einde onderzoektijdvak in plaats van 2012 — einde onderzoektijdvak had moeten onderzoeken. Het is de standaardwerkwijze van de Commissie om voor de analyse van de schadetrends een periode van vier jaar te gebruiken. De belanghebbenden verstrekten geen bewijs dat de conclusie zou hebben ondersteund dat de betrokken periode ongeschikt was.

(46)

Na de aanvullende mededeling herhaalden twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC hun argument inzake de periode die voor de schadetrends werd gebruikt. Zoals hierboven aangegeven, is het de standaardwerkwijze van de Commissie om voor de schadebeoordeling een periode van vier jaar te gebruiken, op basis van haar brede discretionaire bevoegdheid bij onderzoeken inzake handelsbescherming. Bovendien dienden de belanghebbenden geen overtuigend bewijs in dat de Commissie ertoe zou nopen om van haar standaardwerkwijze af te wijken. Verder werd de zaak (5) waarnaar de belanghebbenden verwezen, beëindigd vanwege intrekking van de klacht. Daarom werd in die zaak geen schade vastgesteld. Bovendien verschilt het betrokken product in dit onderzoek van het betrokken product in het beëindigde onderzoek. Dit argument werd dan ook verworpen.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(47)

Dit onderzoek heeft betrekking op hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, van soorten austenitisch roestvrij staal die overeenkomen met AISI-typen 304, 304L, 316, 316L, 316Ti, 321 en 321H en de equivalenten daarvan in de andere normen, met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een wanddikte van 16 mm of minder, met een ruwheid van niet minder dan 0,8 μm, zonder flens en al dan niet afgewerkt, afkomstig uit de VRC en Taiwan. Het product valt onder GN-codes ex 7307 23 10 en ex 7307 23 90.

(48)

Het product wordt in principe geproduceerd door het snijden en vormgeven van buisleidingen. Het betrokken product wordt gebruikt voor het verbinden van roestvrijstalen buisleidingen en is verkrijgbaar in diverse vormen zoals ellebogen, verloopstukken, T-stukken en doppen.

(49)

Het betrokken product wordt gebruikt in vele verschillende consumentenindustrieën en eindtoepassingen. Voorbeelden hiervan zijn:

petrochemische industrie;

drank- en voedselverwerkende en farmaceutische industrieën;

scheepsbouw;

energieopwekking, energiecentrales;

constructies en industriële installaties.

(50)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde een van de importeurs in de Unie dat doppen niet in de productomschrijving zouden moeten worden opgenomen, omdat deze niet worden geproduceerd door het snijden en vormgeven van pijpen.

(51)

Als antwoord op dit argument wordt opgemerkt dat het betrokken product „in principe”, naar niet „uitsluitend” wordt geproduceerd door het snijden en vormgeven van buisleidingen. Verder wordt opgemerkt dat vanuit marktperspectief doppen soorten hulpstukken zijn en in de catalogi van de ondernemingen als zodanig worden gepresenteerd. Het argument werd daarom afgewezen.

(52)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerden diverse belanghebbenden dat de ingevoerde producten en de productie in de Unie technisch gezien niet uitwisselbaar zijn vanwege verschillende technische normen, namelijk EN/DIN en ASME/ANSI, of dat de volgens EN/DIN-normen geproduceerde producten uit de productomschrijving zouden moeten worden uitgesloten.

(53)

Ten eerste is het belangrijk om te verduidelijken dat zowel de bedrijfstak van de Unie als de onder het onderzoek vallende producenten-exporteurs volgens beide typen technische normen produceren. Dat geldt ook voor de ondernemingen die deel uitmaken van de steekproef. Bovendien zijn de machines die voor de productie volgens verschillende normen worden gebruikt, identiek en is het productieproces hetzelfde.

(54)

Ten tweede blijkt uit het onderzoek en een hoorzitting met de producent in de Unie die ook een regeling voor passieve veredeling heeft, dat de fysieke, technische en chemische kenmerken van producten die volgens de EN/DIN- en volgens de ASME/ANSI-normen zijn goedgekeurd, vergelijkbaar zijn. Hoewel normen geringe verschillen qua dikte en weerstand kunnen vereisen, variëren deze verschillen per productsoort, en voor vele productsoorten is er een aanzienlijke of volledige overlapping.

(55)

Ten derde concurreren beide productsoorten met elkaar. Hoewel het inderdaad zo is dat voor bepaalde projecten de specificaties het gebruik van EN/DIN of ASME/ANSI vereisen, concurreren beide specificaties op het moment waarop de ingenieurs besluiten over de keuze van de norm. Dit wordt bevestigd door het feit dat het gebruik van EN/DIN- en ASME/ANSI-normen per lidstaat verschilt op basis van historische patronen, maar dat er geen obstakel is voor nieuwe projecten om een van beide normen overal in de Unie te gebruiken.

(56)

Ten slotte is er zelfs directe concurrentie na de keuze van de norm waar de normen elkaar volledig overlappen, zoals het geval is bij bepaalde productsoorten.

(57)

De Commissie merkt ook op dat ondanks specifieke verzoeken aan de medewerkende importeur, de Commissie geen bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat het soortgelijke product en het betrokken product niet met elkaar concurreren.

(58)

Het argument werd derhalve afgewezen.

(59)

Na de aanvullende mededeling bevestigden diverse belanghebbenden, inclusief een niet-verbonden importeur, de bovengenoemde bevindingen van het onderzoek. Deze belanghebbenden herhaalden dat ASME/ANSI- en EN/DIN-normen in hoge mate uitwisselbaar zijn. Bovendien verklaarde één belanghebbende dat leveranciers van buisleidingen in de Unie dubbel gecertificeerde producten leveren en dat elke producent van het betrokken product ook een dubbele certificering kan verkrijgen. Deze belanghebbende verklaarde verder dat in feite de meerderheid van de voorraden van de handelaren van het betrokken product en het soortgelijke product dubbel gecertificeerd is.

(60)

Bij gebrek aan verdere opmerkingen over de productnormen werd het argument afgewezen dat het betrokken product en het soortgelijke product afzonderlijk hadden moeten zijn geanalyseerd op basis van ASME/ANSI- en EN/DIN-normen.

2.2.   Producten die niet onder de productomschrijving van het betrokken product vallen

2.2.1.   Hulpstukken met lage ruwheid

(61)

Drie niet-verbonden importeurs, CCCMC en twee Chinese producenten-exporteurs beweerden dat de productomschrijving onvoldoende onderscheid maakt tussen industriële en zogenaamde „sanitaire hulpstukken”, hoewel ze verschillende fysieke kenmerken hebben. Bovendien verklaarden ze dat de bedrijfstak van de Unie geen „sanitaire hulpstukken” produceert en dat daarom alleen „industriële hulpstukken” in de antidumpingprocedure zouden moeten worden opgenomen.

(62)

Tijdens een gezamenlijke hoorzitting leverden de drie niet-verbonden importeurs bewijzen die hun bewering ondersteunden en demonstreerden zij een aantal belangrijke verschillen tussen „industriële” en „sanitaire” hulpstukken, gebaseerd op fysieke kenmerken, verpakking, eindgebruik en prijsniveau.

(63)

Het verschil moest opnieuw worden gedefinieerd wat betreft fysieke kenmerken, en het juiste onderscheid is gebaseerd op de oppervlakteruwheid van de hulpstukken. In plaats van de term „sanitaire” hulpstukken te gebruiken, is het correct om „hulpstukken met lage ruwheid” te gebruiken, namelijk hulpstukken met een gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking van minder dan 0,8 μm. Deze hulpstukken worden gebruikt in de voedsel- en drankenindustrie, de halfgeleiderindustrie en de farmaceutische en gezondheidszorgsector.

(64)

Er zijn belangrijke verschillen wat de oppervlaktegladheid en oppervlakteafwerking betreft. Het uiteinde van hulpstukken met lage ruwheid is meestal vierkant (in tegenstelling tot afgeschuind), en ze hebben over het algemeen een lagere wanddikte en buitendiameter. Het bestaan van aparte normen is niet zichtbaar evenmin als het feit dat de grondstof voor hulpstukken met lage ruwheid altijd koudgewalste spoel of koudgetrokken buis is (in tegenstelling tot warmgewalst voor hulpstukken met hoge ruwheid). Ten slotte worden hulpstukken met lage ruwheid individueel in een plastic zak verpakt, terwijl hulpstukken met hoge ruwheid in bulk in een doos worden verpakt.

(65)

Ze zijn niet uitwisselbaar: de bedrijfstak die hulpstukken met lage ruwheid gebruikt, kan geen hulpstukken met hoge ruwheid gebruiken vanwege de hygiënische vereisten; anderzijds zijn hulpstukken met lage ruwheid, vanwege hun lagere druk- en temperatuurbestendigheidsvereisten en hogere prijsniveaus, niet geschikt voor toepassingen waarvoor hulpstukken met hoge ruwheid worden gebruikt. Uit het onderzoek bleek dat het prijsniveau van hulpstukken met lage ruwheid per kg gemiddeld twee tot drie keer hoger is. Dit wordt vooral veroorzaakt door de arbeidsintensieve behandeling (polijsten) en aanvullende kwaliteitscontrole.

(66)

Aangezien de vragenlijsten op het moment van de hoorzitting reeds waren verzonden, was een fundamentele verandering van de productcodenummer (PCN)-rapportage niet meer mogelijk. Door toevoeging van het enige fysieke kenmerk „ruwheid” als een kolom in de transactie-per-transactie-tabel en een aanvullend criterium in de tabel met productiekosten in het antwoord op de vragenlijst, kon echter het onderscheid tussen beide soorten hulpstukken worden gemaakt. Uiteindelijk waren zowel de bedrijfstak van de Unie als de importeurs in de Unie het erover eens dat hulpstukken met een gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking van minder dan 0,8 μm niet als het betrokken product moesten worden beschouwd. Daarom was de Commissie in de voorlopige fase van het onderzoek van mening dat deze hulpstukken van het onderzoek moesten worden uitgesloten.

(67)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen beweerde een van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten dat hulpstukken met lage ruwheid niet van de productomschrijving moesten worden uitgesloten. De betrokken onderneming betwistte ook de verklaringen van de belanghebbenden over de verschillen in fysieke kenmerken, verpakkingsmaterialen, kost-/prijsniveaus en het gebrek aan onderlinge uitwisselbaarheid tussen hulpstukken met lage ruwheid en hulpstukken met hoge ruwheid. De kwestie inzake de verschillen in fysieke kenmerken, verpakkingsmaterialen en prijsniveaus tussen hulpstukken met lage en hoge ruwheid werden in Taiwan echter gecontroleerd en bevestigd. Dit argument werd dan ook verworpen.

2.2.2.   Hulpstukken met flens

(68)

Een Chinees-Taiwanese producent-exporteur beweerde dat hulpstukken met flens, d.w.z. hulpstukken met flensvormige uiteinden, op basis van de definitie in het bericht van inleiding, niet het betrokken product zijn.

(69)

Er dient te worden vermeld dat de vorm van het uiteinde de bepalende factor is voor de techniek die kan worden gebruikt om de hulpstukken met de buizen te verbinden. Er worden verschillende technieken gebruikt voor de productie van stompgelaste hulpstukken en hulpstukken met flens. Stompgelaste hulpstukken worden geproduceerd met de lastechniek, terwijl in tegenstelling daartoe de klem- en bouttechniek wordt gebruikt voor de productie van hulpstukken met flens. Daarnaast specificeert de toelichting bij de CN-codes van de productomschrijving dat de uiteinden van het stompgelaste hulpstuk vierkant gesneden of afgeschuind dienen te zijn om het lassen aan de buizen te vergemakkelijken.

(70)

Ook werd vastgesteld dat de productie van hulpstukken met flens met aanvullende kosten verbonden is, omdat een groter aantal grondstoffen en tussenproducten en een uitgebreider productieproces vereist zijn. Qua productieproces kunnen stompgelaste hulpstukken worden beschouwd als halffabricaten voor de productie van hulpstukken met flens.

(71)

De bedrijfstak van de Unie stemde in met het standpunt dat hulpstukken met flens een ander product zijn en met de uitsluiting ervan uit de productomschrijving.

(72)

De Commissie was al in de voorlopige fase van mening dat hulpstukken met flens van het onderzoek moesten worden uitgesloten. Er werden geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen die deze bevinding bestreden, waardoor deze beslissing werd aangehouden.

2.3.   Soortgelijk product

(73)

Uit het onderzoek bleek dat de volgende producten dezelfde fysieke basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen hebben:

a)

het betrokken product;

b)

het product dat in Taiwan wordt geproduceerd en daar op de binnenlandse markt wordt verkocht (Taiwan werd ook gebruikt als het referentieland voor de VRC — zie overweging 105);

c)

het product dat de bedrijfstak van de Unie in de Unie produceert en verkoopt.

(74)

Daarom besloot de Commissie dat deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Taiwan

3.1.1.   Inleiding

(75)

Zoals in overweging 27 is uiteengezet, werkten slechts twee Taiwanese ondernemingen aan het onderzoek mee door de antidumpingvragenlijsten volledig te beantwoorden. De verkoop van deze ondernemingen vertegenwoordigde 36 % van de invoer van het betrokken product in de Unie vanuit Taiwan tijdens het onderzoektijdvak.

(76)

Een van de medewerkende ondernemingen produceerde hoofdzakelijk hulpstukken die niet vielen onder de herziene productomschrijving van het onderzoek zoals uitgelegd in overwegingen 61 tot en met 71 (hulpstukken met een gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking van minder dan 0,8 μm en/of hulpstukken met flens). Tijdens het onderzoektijdvak verkocht deze producent het soortgelijke product niet op de binnenlandse markt.

(77)

De tweede onderneming had zich daarentegen een uitgebreide productie van de meeste standaardtypen hulpstukken, die onder het onderzoek vallen. De onderneming produceerde alleen op basis van gelaste buizen, alleen van de staalsoorten 304 en 316 en alleen elleboog- en T-vormige hulpstukken (en T-vormige hulpstukken alleen met dezelfde diameter van hoofd- en aftakbuis, die niet worden gelast, maar uit één buisstuk worden geproduceerd waarbij het midden „omlaag wordt getrokken” om de T-vorm te verkrijgen). Tijdens het onderzoektijdvak verkocht deze producent het soortgelijke product niet op de binnenlandse markt.

3.1.2.   Normale waarde

(78)

Bij beide Taiwanese producenten-exporteurs werd, vanwege het gebrek aan verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt, de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening berekend door aan de gemiddelde productiekosten van het relevante product de gemaakte verkoop-, algemene en administratieve kosten („VAA-kosten”) en een redelijke winst toe te voegen.

(79)

Voor de eerste medewerkende onderneming werden de VAA-kosten en de winst vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder b), van de basisverordening, d.w.z. op basis van de werkelijke bedragen die voor de betrokken producent op de binnenlandse markt van het land van oorsprong, in het kader van normale handelstransacties, van toepassing zijn bij de productie en de verkoop van dezelfde algemene categorie van producten, namelijk de binnenlandse verkoop van hulpstukken met een gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking van minder dan 0,8 μm.

(80)

Voor de tweede medewerkende onderneming werd, vanwege een gebrek aan eigen binnenlandse verkoop van het soortgelijke product of van dezelfde algemene categorie producten, artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening toegepast. Daarvoor gebruikte de Commissie bij de berekening van de normale waarde dezelfde VAA-kosten en winst als die bij de eerste onderneming werden gebruikt, wat de enige beschikbare en gecontroleerde gegevens waren en betrekking hadden op de verkoop van dezelfde algemene productcategorie op de Taiwanese markt.

(81)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen uitte de tweede Taiwanese producent-exporteur bepaalde argumenten tegen het gebruik van de gegevens van de eerste Taiwanese producent voor de berekening van zijn normale waarde. Ten eerste beweerde de onderneming (op basis van de open versie van het antwoord op de vragenlijst en de antwoorden op de schriftelijke aanmaning van de andere producent) dat de eerste producent helemaal niet kan worden beschouwd als een producent-exporteur van het betrokken product omdat hij naar verluidt alleen producttypen produceert en naar de Unie uitvoert die van de productomschrijving werden uitgesloten, d.w.z. hulpstukken met lage ruwheid en hulpstukken met flens. Ten tweede beweerde de onderneming dat het gebruik van de VAA-kosten van één onderneming voor de berekening van de normale waarde van een andere onderneming in strijd is met de bevindingen van de Beroepsinstantie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (6) dat de VAA-kosten van één bedrijf niet kunnen worden gebruikt voor de berekening van normale waarden.

(82)

In reactie op de bovengenoemde argumenten stelde de Commissie tijdens een controle ter plaatse bij de betrokken onderneming vast dat een gedeelte van de productie en verkoop van de onderneming naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak (namelijk vacuümhulpstukken met aanvullende oppervlaktebehandeling die leidde tot een oppervlakteruwheid van meer dan 0,8 μm) binnen de productomschrijving voor dit onderzoek viel. Daarom werd de onderneming beschouwd als een producent-exporteur van het betrokken product en werd een dumpingmarge voor deze onderneming berekend. Er dient te worden benadrukt dat de betrokken onderneming tijdens het onderzoektijdvak niet dit type product op de binnenlandse markt in Taiwan verkocht, hetgeen invloed heeft op de berekeningsmethode van de normale waarde voor beide Taiwanese producenten-exporteurs, zoals uitgelegd in de overwegingen 79 en 80. Ten tweede moet ook worden opgemerkt dat de beslissing van de Beroepsinstantie van de WTO die werd geciteerd door de belanghebbende verwijst naar de situatie beschreven in artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening; namelijk het gebruik van het gewogen gemiddelde van de VAA-kosten van andere producenten voor de productie en verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het land van oorsprong. In dit geval was de berekening van de normale waarde echter gebaseerd op artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening; namelijk waarbij de VAA-kosten werden berekend op basis van „elke andere redelijke methode, mits het aldus vastgestelde bedrag voor winst niet hoger is dan de winst die andere exporteurs of producenten gewoonlijk maken bij de verkoop van producten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong”. Rekening houdend met het bovenstaande houdt de Commissie haar beslissing aan wat betreft de gegevensbron die werd gebruikt voor de berekening van de normale waarde. Er dient te worden opgemerkt dat de Commissie ook keek naar de alternatieve gegevensbron voor de berekening van VAA-kosten voor de berekening van de normale waarde, namelijk gegevens die werden verstrekt door de medewerkende referentieproducent in Zwitserland. Het betrokken cijfer werd niet verstrekt voor het onderzoektijdvak, maar er werd bevestigd dat dit voor de boekjaren 2014 en 2015 tussen 8 % en 12 % bedroeg, wat vergelijkbaar is met het gecorrigeerde VAA-cijfer dat uiteindelijk voor de berekening werd gebruikt zoals aangegeven in overweging 86.

(83)

De Taiwanese producent-exporteur stelde in zijn opmerkingen verder een onvoldoende openbaarmaking van de kritieke gegevens die werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde. Inderdaad kon deze specifieke mededeling, om bedrijfsmatige vertrouwelijkheidsredenen, geen VAA-kosten, winst en kostenafwijkingen die bij de berekeningen werden gebruikt openbaren. De onderneming, zijn eigen productiekosten kennende, kon eenvoudig de toegepaste algehele gemiddelde correctie inschatten. De onderneming verzocht echter om de specifieke cijfers voor bepaalde elementen van de berekening, namelijk de VAA-kosten en winstniveaus, niveaus van normale waarden voor kosten- en prijsafwijkingen en btw-correctie aan de normale waarde.

(84)

Als reactie op dit verzoek moet worden onderstreept dat exacte cijfers van VAA-kosten, winst en kostenafwijkingen die werden toegepast bij de berekening van de normale waarde niet openbaar kunnen worden gemaakt, omdat de gegevens afkomstig zijn van één onderneming, die een Taiwanese concurrent is van de onderneming die om deze informatie verzocht, en die onderneming om een vertrouwelijke behandeling verzocht omdat de gegevens bedrijfsgeheimen bevatten. Dat verzoek is duidelijk gerechtvaardigd. De belangrijkste cijfers, d.w.z. de VAA-kosten en winst die werden gebruikt voor de definitieve berekening, worden in overweging 86 bekendgemaakt als orde van grootte. Opgemerkt moet worden dat het niveau van kostenafwijkingen zeer laag was en onbeduidende gevolgen had voor het niveau van de normale waarde en de dumpingmarge. Er werden geen prijsafwijkingen toegepast omdat voor de berekening van de normale waarde geen binnenlandse prijzen werden gebruikt. In het geval van Taiwan werd ook geen btw-correctie van de normale waarde uitgevoerd.

(85)

Ten slotte gaf deze onderneming aan dat het niveau van de VAA-kosten en winst van zijn concurrent niet representatief voor hem waren. Hij beweerde dat de andere producent in Taiwan een kleinschalige productie runt en zeer gespecialiseerde producten verkoopt, terwijl hij zich bezighield met massaproductie en -verkoop van standaardproducten.

(86)

Tijdens de controlebezoeken werd inderdaad bevestigd dat de door de twee ondernemingen geproduceerde en verkochte producten verschillend waren, en dat dus ook hun VAA-kostenstructuren verschillend waren. Daarom besloot de Commissie het niveau van de VAA-kosten die werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde voor deze tweede medewerkende producent-exporteur te verlagen met het aandeel van de arbeidskosten met betrekking tot kwaliteitscontrole- en research- en ontwikkelingskosten. Dit resulteerde in een verlaging van de VAA-kostencorrectie tot het niveau van 7-13 % uitgedrukt als een percentage van de omzet, hetgeen vervolgens het niveau van de individuele dumpingmarge verlaagde. Tegelijkertijd was de Commissie van mening dat de winstmarge die werd gebruikt voor de berekening van de normale waarde (1-5 % van de omzet) redelijk was. De definitieve algehele correctie van de productiekosten bij de berekening van de normale waarde voor de betrokken producent-exporteur was 15,36 %.

3.1.3.   Uitvoerprijs

(87)

De twee medewerkende producenten-exporteurs voerden rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de Unie.

(88)

Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor het betrokken product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht.

3.1.4.   Vergelijking en dumpingmarges

(89)

De normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producenten-exporteurs zijn vergeleken in het stadium af fabriek.

(90)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs mogelijk te maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast voor verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(91)

Op basis hiervan werden correcties toegepast voor vervoers-, zeevracht- en verzekeringskosten, kosten voor lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten, kortingen en provisies, voor zover was aangetoond dat deze de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedden. De totale correcties bedroegen 1-10 %, gebaseerd op de werkelijke waarden die door de Taiwanese producenten-exporteurs waren gerapporteerd en ter plaatse werden gecontroleerd. Deze cijfers zijn de door de Taiwanese ondernemingen gerapporteerde cijfers voor de relevante kostenposten, en zijn hen ter controle meegedeeld in de specifieke mededelingen.

(92)

Er dient te worden opgemerkt dat de Commissie bij de berekening een correctie voor valutaomwisseling afwees, waarom een van de belanghebbenden had verzocht. De belanghebbende had de Commissie gevraagd om in plaats van de wisselkoers op de factuurdatum, de wisselkoers op de betalingsdatum te gebruiken. De basisverordening bepaalt dat gewoonlijk de factuurdatum wordt gebruikt voor de vaststelling van de wisselkoers, maar dat in buitengewone situaties een vroegere datum kan worden gebruikt (bijvoorbeeld de datum van het contract). De basisverordening biedt echter geen wettelijke basis voor het gebruik van een datum na de factuurdatum. De reden hiervoor is dat op de factuurdatum de prijs is vastgesteld en de onderneming niet meer kan beslissen om al of niet te dumpen. In elk geval, zelfs als het gebruik van een latere datum mogelijk was, quod non, zoals reeds uitgelegd in de mededeling van de voorlopige bevindingen, heeft de aanvrager niet aangetoond dat de aanvullende voorwaarde, namelijk een duurzame verandering van de wisselkoersen, heeft plaatsgevonden.

(93)

Zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening, werd voor elke medewerkende onderneming de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(94)

Op grond hiervan zijn de gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Vastgestelde dumpingmarge (%)

King Lai Hygienic Materials Co., Ltd

0,0

Ta Chen Stainless Pipes Co., Ltd

5,1

(95)

Voor niet-medewerkende producenten moest de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 6, van de basisverordening vertrouwen op feiten die beschikbaar waren. Niet-medewerking biedt de betrokken producenten-exporteurs de mogelijkheid niet hun bedrijfsspecifieke gegevens te delen op basis waarvan hun werkelijk uitvoergedrag kan worden beoordeeld, en het verplicht de Commissie om voor hen de beste beschikbare feiten te gebruiken. In haar besluitvormingspraktijk maakt de Commissie daarom onderscheid tussen onderzoeken met een hoge medewerking (meer dan 80 % van de gerapporteerde uitvoer naar de Unie) en situaties met een lage samenwerking (80 % en minder medewerking). In dit geval was het meewerkingsniveau aanzienlijk lager dan 80 %. In een dergelijke situatie is de Commissie van mening dat de hoogste dumpingmarge van de medewerkende producenten geen goede schatting is voor de dumpingmarge van niet-medewerkende producenten, en wel om de volgende reden: het vermoeden ligt voor de hand dat een van de redenen waarom zo vele producenten besloten niet mee te werken is dat zij zich ervan bewust zijn dat hun dumpingmarges veel hoger zouden zijn dan die van de medewerkende producenten. Het feit dat er tijdens dit onderzoek gevallen waren waarbij medewerking is ingetrokken staaft deze opvatting. Daarom is de Commissie van mening dat de dumpingmarge van de niet-medewerkende producenten het best overeenkomt met het niveau van de hoogste dumpingmarge die is vastgesteld voor een representatieve productsoort qua hoeveelheid, namelijk meer dan 10 % van de uitvoer naar de Unie, voor de medewerkende producent-exporteur die aan dumping bleek te doen.

(96)

Na correctie van de VAA-kosten die werden gebruikt voor de berekening van de dumpingmarge voor de Taiwanese medewerkende producent-exporteur zoals beschreven in overweging 86, bedraagt de nationale dumpingmarge, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, 12,1 %.

(97)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde de klager in dit opzicht dat het residueel recht voor Taiwan zou moeten worden gebaseerd op de klacht en 34,8 % zou moeten zijn. De klager beweerde dat de meeste Taiwanese producenten van het betrokken product opzettelijk niet meewerkten aan de procedure om de Commissie niet in staat te stellen hun binnenlandse omzet voor de berekening van de normale waarde te gebruiken. Daarom zou, volgens de klager, de berekening van de normale waarde in de klacht, die was gebaseerd op binnenlandse prijzen in Taiwan, als de beste beschikbare informatie moeten worden gebruikt.

(98)

Als antwoord op het bovenstaande wordt opgemerkt dat de Commissie bij haar berekening van het residueel recht de beste beschikbare feiten gebruikt op basis van tijdens het onderzoek verzamelde en gecontroleerde gegevens. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

3.2.   Volksrepubliek China

3.2.1.   Referentieland

(99)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet de normale waarde voor producenten-exporteurs aan wie geen BMO wordt toegekend, worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie („referentieland”). Geen van de medewerkende producenten-exporteurs eiste BMO.

(100)

De klager stelde de Verenigde Staten van Amerika als mogelijk referentieland voor. Volgens de beschikbare informatie vindt de productie van het soortgelijke product daarnaast wereldwijd plaats in een aantal andere landen zoals Brazilië, India, Japan, Maleisië, Korea, Zwitserland en Thailand. Deze landen werden alle overwogen als mogelijke referentielanden.

(101)

Er werd met alle bekende producenten (52) van het soortgelijke product in de bovengenoemde landen contact opgenomen, maar geen van hen verleende medewerking. Slechts één Maleisische onderneming stemde in met medewerking, maar verstrekte onvoldoende informatie. De onderneming was niet in staat gegevens per PCN over kosten en binnenlandse prijzen te verstrekken. Daarom konden deze gebrekkige gegevens niet worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde. Daarnaast wordt opgemerkt dat de betrokken Maleisische onderneming een controle van de verstrekte gegevens ter plaatse heeft geweigerd.

(102)

In een latere fase meldde zich een Zwitserse producent als een mogelijk referentieproducent, en stemde in met medewerking. De onderneming beantwoordde op verzoek de vragenlijst, die ter plaatse werd gecontroleerd. Vanwege het vrij beperkte scala productsoorten die door deze onderneming worden geproduceerd vergeleken met de vele productsoorten die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs worden uitgevoerd naar de Unie, besloot de Commissie echter dat de door de Zwitserse onderneming verstrekte gegevens ongeschikt zijn voor de berekening van de normale waarde voor de Chinese producenten-exporteurs. Daarbij wordt opgemerkt dat slechts 4,6 % van de productsoorten die door Chinese producenten naar de Unie worden uitgevoerd en die 4,2 % van de Chinese uitgevoerde hoeveelheid vertegenwoordigen, direct overeenkwam met de productsoorten die door de Zwitserse producent worden geproduceerd. In het geval van Taiwan, dat uiteindelijk werd gebruikt als het referentieland, was het percentage dat direct overeenkwam met de productsoorten die door de Chinese exporteurs naar de Unie werden uitgevoerd 7,7 % voor het aantal productsoorten en 11,1 % voor de uitgevoerde hoeveelheid.

(103)

In deze situatie besloot de Commissie om het andere land dat werd onderzocht, namelijk Taiwan, als het referentieland te gebruiken ondanks argumenten die aanvankelijk door de klagers werden aangevoerd dat Taiwanese ondernemingen hoofdzakelijk soorten hulpstukken produceren die gebaseerd zijn op gelaste buizen als grondstof (in tegenstelling tot de Chinese producenten, die hoofdzakelijk naadloze buizen gebruiken). Hetzelfde argument werd ook aangevoerd door de Chinese producenten-exporteurs. Anderzijds was de CCCMC in haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen van mening dat de Taiwanese gegevens over productiekosten geschikter waren als basis voor de berekening van de normale waarde dan gegevens van de producenten in de Unie, die de Commissie in de mededeling van de voorlopige bevindingen ook als alternatief had overwogen.

(104)

Taiwan werd als een geschikt referentieland beschouwd omdat, anders dan de klagers beweerden en ondanks het verschillende gebruik van grondstoffen, de verstrekte gegevens een goede toekenningsmethode van kosten gerelateerd aan de verschillende kenmerken van de productcodering mogelijk maakten. Bovendien is de concurrentie op de Taiwanese markt groot omdat er ten minste tien bekende binnenlandse producenten van het betrokken product zijn en dit ook wordt weerspiegeld in een sterke aanwezigheid van invoer van verschillende oorsprong, in een situatie met matige invoerrechten (7,5 tot 10 %).

(105)

Om de bovengenoemde redenen besloot de Commissie om Taiwan als het referentieland voor de VRC te gebruiken.

(106)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerden twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC dat de keuze van Taiwan als referentieland ongeschikt was omdat de productiekosten afkomstig waren van slechts één Taiwanese onderneming zonder binnenlandse verkoop. De betrokken belanghebbenden gaven ook aan dat het overeenstemmingsniveau van vergelijkbare producten te laag was. Het argument van een laag overeenstemmingsniveau van vergelijkbare producten werd ook aangehaald door een van de importeurs in de Unie. Deze laatste onderneming gaf ook aan dat China niet kon worden vergeleken met Taiwan omdat de twee entiteiten verschillende niveaus van de menselijke ontwikkelingsindex („HDI”) en bbp per hoofd van de bevolking hebben.

(107)

Wat betreft deze argumenten, moet eerst eraan worden herinnerd dat de uitspraak van de WTO (7) impliceert dat aan alle door de Chinese producenten-exporteurs uitgevoerde productsoorten een normale waarde moet worden toegekend. De Commissie is van mening dat de gegevens die werden gevonden op het niveau van één producent-exporteur van een referentieland voldoende zijn om de resterende productsoorten daarop te baseren, omdat de gevonden soorten de verdere berekening van de ontbrekende productsoorten mogelijk maken. Het voorkomen van slechts één dergelijke producent-exporteur is geenszins uitzonderlijk of een nieuwe werkwijze. De basisverordening bepaalt verder dat, bij gebrek aan binnenlandse verkoop, de normale waarde kan worden berekend op basis van de productiekosten. Ten tweede wordt eraan herinnerd dat de HDI- en bbp-niveaus geen factoren zijn waarmee rekening wordt gehouden bij het vaststellen of een referentieland geschikt is. Om het juiste referentieland te bepalen gaat de Commissie te werk zoals uitgelegd in overweging 104. De voorgaande argumenten werden derhalve afgewezen.

(108)

Ten slotte zetten twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC vraagtekens bij een naar verluidt ernstige procedurele fout vanwege het feit dat de Commissie de dumpingmarges van de Chinese producenten berekende op basis van de niet-markteconomie (NME)-bepalingen van de basisverordening. De belanghebbenden beweerden dat de wettelijke bevoegdheid om de NME-methode toe te passen voor de bepaling van de normale waarde voor de Chinese producenten-exporteurs op 11 december 2016 afloopt. Daarom is de Commissie, volgens de betrokken belanghebbenden, voor alle na die datum vastgestelde definitieve antidumpingmaatregelen, wat in deze procedure het geval zal zijn, krachtens het WTO-recht verplicht om de standaard dumpingberekeningsmethode toe te passen.

(109)

Hierover merkt de Commissie op dat zij geen discretionaire bevoegdheid heeft over het al of niet toepassen van de huidige regels van de basisverordening. Dit argument werd derhalve afgewezen.

3.2.2.   Normale waarde

(110)

Zoals uitgelegd in overweging 103, werd de normale waarde voor de producenten-exporteurs in de VRC, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening vastgesteld op basis van de door berekening vastgestelde waarde in het referentieland, in dit geval Taiwan.

(111)

Bovendien werd, vanwege gebrek aan binnenlandse verkoop van het soortgelijke product in Taiwan, de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening berekend door aan de gemiddelde productiekosten van de relevante productsoort de gemaakte VAA-kosten en een redelijke winst toe te voegen.

(112)

Als basis voor de berekening van de productiekosten gebruikte de Commissie gegevens van één van de medewerkende Taiwanese producenten (Ta Chen). Er dient te worden opgemerkt dat de tweede Taiwanese medewerkende producent (King Lai) in het onderzoektijdvak een zeer beperkte productie van het betrokken product had en dat deze productie betrekking had op zeer gespecialiseerde productsoorten. In dit kleine gedeelte van hun productie, dat nog steeds als betrokken product wordt beschouwd, produceert King Lai producten die konden worden beschouwd als hulpstukken met lage ruwheid, maar met een extra oppervlaktebehandeling waardoor de oppervlakteruwheid toeneemt tot meer dan 0,8 μm en dus is het, overeenkomstig de definitie van overweging 47, het betrokken product. Deze hulpstukken hebben zeer hoge productiekosten en de berekeningen zouden worden verstoord als daarmee rekening zou worden gehouden. Bovendien worden deze productsoorten door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten niet uitgevoerd naar de EU (hoewel ze wellicht worden gedekt door hun PCN's omdat ruwheid geen parameter van de PCN is). Daarom werden de gegevens over productiekosten van deze onderneming door de Commissie niet geschikt geacht voor de berekening van de normale waarde voor de Chinese producenten.

(113)

Wat betreft de berekening van de normale waarde, beweerde één importeur in de Unie dat de productiekosten van de Taiwanese onderneming King Lai niet konden worden gebruikt als basis voor de berekening van de normale waarde voor de Chinese ondernemingen, omdat King Lai een andere product produceert dat niet als een industrieel hulpstuk kan worden beschouwd en dat het ook een andere productiemethode en winstbereik impliceert.

(114)

Als antwoord op dit argument wordt herhaald dat de Commissie geen productiekostengegevens van King Lai gebruikt voor de vergelijking met andere ondernemingen. Voor de berekening van de normale waarde van andere ondernemingen, gebruikte de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening alleen de VAA-kosten en winst van dezelfde algemene productcategorie die op de binnenlandse markt wordt verkocht. Er wordt ook aan herinnerd dat de VAA-kosten die voor deze berekeningen werden gebruikt, werden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen tussen de door King Lai en andere ondernemingen geproduceerde producten. Wat betreft de gebruikte winst, wordt benadrukt dat het niet in een ander bereik (1-5 %) valt dan die van andere ondernemingen.

(115)

Dezelfde importeur in de Unie beweerde ook dat de tweede Taiwanese producent, Ta Chen, wiens productiekosten werden gebruikt als de berekeningsbasis voor de normale waarde van Chinese producenten-exporteurs, een grote en geïntegreerde onderneming is en, als zodanig in staat is „kosten te optimaliseren”. Daarom kan de betrokken onderneming niet worden vergeleken met de kleine Chinese fabrieken.

(116)

Wat dit betreft, herinnerde de Commissie eraan dat de productiekosten van de Chinese producenten geen deel uitmaakten van de analyse in deze procedure omdat geen van de Chinese producenten om BMO-status had verzoekt. Desondanks moet erop worden gewezen dat de beweerde „geoptimaliseerde kosten” van de Taiwanese producent alleen kunnen leiden tot een lager berekende normale waarde en daarom in lagere dumpingmarges voor de Chinese producenten-exporteurs.

(117)

Rekening houdend met het feit dat slechts een beperkt aantal productsoorten die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd naar de Unie, in Taiwan kon worden vastgesteld, heeft de Commissie de normale waarde van de resterende productsoorten gebaseerd op de productiekosten van de meest overeenkomende productsoorten die in Taiwan werden geproduceerd om een volledige en eerlijke vergelijking te verkrijgen, gebaseerd op de productiekosten gecorrigeerd voor:

a)

verschillen in de gebruikte grondstof — op basis van gecontroleerde kostengegevens van de bedrijfstak van de Unie, waarbij uit naadloze buizen geproduceerde hulpstukken tussen 2,12 en 2,97 keer duurder zijn dan die uit gelaste buizen;

b)

verschillen in staalsoort — op basis van gecontroleerde kostengegevens van de bedrijfstak van de Unie, waarbij de staalsoortkosten worden gecorrigeerd naar de kosten van de goedkoopste staalsoorten die worden gebruikt voor hulpstukken die worden geproduceerd met gelaste buizen als grondstof; deze correctie varieert van factor 1,49 tot factor 3,60, afhankelijk van de gebruikte staalsoorten;

c)

verschillen in vorm — op basis van de waargenomen prijsverschillen bij de verkooptransacties van de Chinese exporteurs, waarbij een elleboog als de belangrijkste basisvorm wordt beschouwd en de andere vormen (T-stukken, verloopstukken, doppen en speciale vormen) tussen 1,08 en 1,74 keer duurder zijn.

(118)

De CCCMC stelde in haar verzoek na de mededeling van de voorlopige bevindingen een alternatieve basis voor de correcties van punten a) en b) voor en verstrekte gegevens over de Chinese markten in dat opzicht. Deze gegevens zijn echter ten eerste niet gecontroleerd en ten tweede afkomstig van een land zonder markteconomie. Daarom zou het gebruik daarvan de referentielandmethode voor de berekening van de normale waarde tenietdoen. Dit argument van de CCCMC werd derhalve afgewezen.

(119)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerden de CCCMC alsmede twee Chinese producenten-exporteurs dat het onredelijk was om de Taiwanese kostengegevens te corrigeren met behulp van de kostengegevens over de bedrijfstak van de Unie. De betrokken belanghebbenden verwezen naar de praktijk van de Unie in eerdere zaken om dat niet te doen.

(120)

Zoals hierboven vermeld, werd de eerdere praktijk van de EU herzien, gezien de uitspraak van de WTO waarnaar in overweging 107 wordt verwezen. Om de normale waarden van de ontbrekende productsoorten te berekenen, vertrouwde de Commissie op Taiwanese kostengegevens en corrigeerde de gevonden en gecontroleerde gegevens door toepassing van proportionele correcties die werden vastgesteld op het niveau van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. De CCCMC kon niet bewijzen dat dit onredelijk was en/of stelde geen alternatieve aanpak voor.

(121)

Na de aanvullende mededeling herhaalden de CCCMC en de twee Chinese producenten-exporteurs hun bezwaar tegen het gebruik van de gegevens van de bedrijfstak van de Unie voor de correctie van de productiekosten die werden gebruikt bij de berekening van de normale waarde van de ontbrekende productsoorten. De belanghebbenden onderstreepten dat de Commissie geen bewijs had geleverd dat de verschillen in grondstofkosten op de EU-markt op hetzelfde niveau lagen als die op de Taiwanese markt. Bovendien herhaalden de belanghebbenden hun argument dat de Commissie voor de bovenstaande correctie gebruik kon maken van verschillen in Chinese uitvoerverkoopprijzen van naadloze en gelaste hulpstukken omdat verkoopprijzen „in zekere mate de trend van verschillen in productiekosten weerspiegelen”.

(122)

Als antwoord op de bovenstaande argumenten wordt eerst benadrukt dat de Commissie het correctieniveau voor de soorten pijpen die als grondstof werden gebruikt of staalsoorten niet kon vergelijken met de gegevens over de Taiwanese markt omdat de Taiwanese producent wiens productiekosten werden gebruikt als basis voor de berekening van de normale waarde, bepaalde soorten grondstoffen gewoon niet gebruikte. Dat was de fundamentele reden waarom de Commissie überhaupt overwoog om de ontbrekende kostengegevens buiten de markt van het referentieland te zoeken. Ten tweede, wat betreft het gebruik van Chinese prijzen, wordt herhaald dat geen van de Chinese producenten-exporteurs in deze procedure om BMO-status had verzocht. Daarom waren de Chinese productiekosten niet beschikbaar en werden zij ook niet onderzocht. Derhalve kan de Commissie geen conclusie trekken over „de mate waarin” verschillen in verkooprijzen een weerspiegeling zijn van verschillen in productiekosten van verschillende soorten hulpstukken (8). Bovendien zou het, zelfs als dergelijke conclusies zouden kunnen worden getrokken, van toepassing zijn op de productiekosten in een land zonder markteconomie (NME). De bovengenoemde argumenten werden derhalve afgewezen.

(123)

Deze belanghebbenden zetten ook vraagtekens bij de correctie volgens welke uit naadloze buizen geproduceerde hulpstukken tussen 2,12 en 2,97 keer duurder zijn dan die uit gelaste buizen. Zij verwijzen naar een onbewezen CCCMC-argument over prijsniveaus dat is geuit na de mededeling van de voorlopige bevindingen, en volgens hetwelk het verschil tussen gelaste en naadloze buizen minder dan 30 % van de prijs van gelaste buizen is.

(124)

Hierover wordt opgemerkt dat de door de Commissie uitgevoerde correctie gebaseerd is op het vastgestelde kostenverschil tussen met naadloze buizen geproduceerde hulpstukken en met gelaste buizen geproduceerde hulpstukken, en niet op het prijsverschil tussen gelaste en naadloze buizen zelf. Opgemerkt moet worden dat geen van de Chinese producenten-exporteurs om BMO hebben verzocht. Daarom hadden de Chinese producenten-exporteurs geen productiekostengegevens verstrekt en bleven dat ook doen, zelfs toen zij de door de Commissie vastgestelde kostenbepalingen en -verschillen in twijfel trokken. Bovendien is er zelfs nog een groter verschil tussen standaard prijslijsten en kosten- en prijsbepalingen, omdat ze geen bewijs vormen voor de effectief toegepaste prijzen, laat staan de kostenniveaus.

(125)

Ter ondersteuning van hun aanvragen verstrekten de belanghebbenden een analyse van verschillen gebaseerd op prijsniveaus van de producenten Zhejiang Good en Zhejiang Jndia, en concludeerden op basis daarvan dat de toepasselijke prijscorrectie tussen 0,43 en 1,70 respectievelijk 0,64 en 1,80 zou moeten zijn.

(126)

Los van het feit dat deze ordes van grootte prijzen en geen kosten betreffen, bewijst het feit dat op gelaste buizen gebaseerde hulpstukken soms tegen hogere prijzen worden verkocht dan op naadloze buizen gebaseerde hulpstukken niet dat de kosten hoger zouden moeten zijn. De aangegeven prijsniveaus illustreren integendeel een volledige afwezigheid van een economisch verband tussen de kosten en de aan afnemers genoemde prijs, of alternatief betekent het dat andere factoren een rol hebben gespeeld, zoals de omvang van de bestelling. De Commissie kan, om vertrouwelijkheidsredenen, de onderliggende cijfers niet meedelen, maar kan aanvullende feitelijke gegevens onthullen, volgens welke de correctie van op gelaste buizen gebaseerde (W) naar op naadloze buizen gebaseerde (S) hulpstukken, die werd gebruikt voor de vergelijking volgens de PCN-beschrijving, als volgt is:

Van W1 naar S1

2,97

Van W2 naar S2

2,21

Van W3 naar S3

2,14

Van W4 naar S4

2,12

Voor de berekening van de productsoorten die door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd waren geen andere omzettingen nodig.

(127)

De Commissie voerde daarnaast correcties uit waarbij de kosten van de minst dure staalsoort W1 werden geconverteerd naar andere soorten en/of andere soorten gebaseerd op naadloze buizen, wederom met behulp van de productiekostengegevens van de bedrijfstak van de Unie. De Commissie kan, wederom om vertrouwelijkheidsredenen, de onderliggende cijfers niet meedelen, maar wel aanvullende feitelijke gegevens verstrekken:

Van W1 naar S2

3,14

Van W1 naar S3

3,60

Van W1 naar S4

3,16

Van W1 naar W3

1,69

Van W1 naar W4

1,49

Voor de berekening van de productsoorten die door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd waren geen andere omzettingen nodig.

(128)

De Commissie wenst ook te benadrukken dat de belanghebbenden in hun opmerkingen over deze correctiefactoren niet verwijzen naar prijsniveaus van beide Chinese producenten-exporteurs, zoals dat het geval was bij de andere correcties, zeer waarschijnlijk omdat de cijfers de methodologie van de Commissie niet in twijfel trekken.

(129)

Wat betreft verschillen in vorm, werden de correcties uitgevoerd op basis van de verkoopprijsgegevens van de vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, die uitgebreider zijn dan de twee producenten die de Chinese belanghebbenden vertegenwoordigen.

Als het prijsniveau van ellebogen als de basis wordt beschouwd, zijn de verhoudingen als volgt:

T-stukken

1,08

Verloopstukken

1,22

Doppen

1,29

Andere vormen

1,74

(130)

In een volgende stap bij de berekening van de normale waarde corrigeerde de Commissie de productiekosten die werden berekend overeenkomstig overwegingen 112 en 117 door de VAA-kosten en winst toe te voegen. Vanwege het gebrek aan binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door de beide medewerkende Taiwanese producenten en het gebrek aan verkoop van dezelfde algemene categorie producten door een van hen (Ta Chen), moest artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening worden toegepast. Daarvoor gebruikte de Commissie bij de berekening van de normale waarde dezelfde bedragen voor VAA-kosten en winst die werden verkregen van de andere Taiwanese medewerkende onderneming (King Lai) — de enige beschikbare en gecontroleerde gegevens over de verkoop van dezelfde algemene productcategorie op de Taiwanese markt.

(131)

Er moet worden opgemerkt dat de VAA-kosten die werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde voor Chinese producenten-exporteurs werden gecorrigeerd (verlaagd), omdat werd bevestigd dat de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten ook hoofdzakelijk standaardproducten produceren en verkopen, zoals uitgelegd in overweging 86. Het definitieve niveau van de correcties van de normale waarde voor VAA-kosten en winst is daarom ook hetzelfde als aangegeven in die overweging.

(132)

Wat betreft correcties van VAA-kosten, zijn de twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC in hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen het erover eens dat verlagingen zouden moeten worden aangebracht bij het vaststellen van de VAA-kosten die werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde. Dit omdat de Taiwanese exporteur wiens gegevens hiervoor werden gebruikt, het standaardproduct niet produceert. Tegelijkertijd betwijfelen deze belanghebbenden of de Commissie het niveau van deze verlaging juist heeft beoordeeld.

(133)

In dit verband wordt opgemerkt dat de correcties werden uitgevoerd op basis van vergelijking van de algemene VAA-structuur van de Taiwanese onderneming King Lai en de tweede Taiwanese onderneming Ta Chen. Deze aanpak werd gekozen omdat King Lai de enige onderneming was die producten op de binnenlandse markt van Taiwan verkocht (Ta Chen verkocht het betrokken product niet op de binnenlandse markt noch enig ander product van dezelfde algemene productcategorie). De correcties zijn gerechtvaardigd omdat de eerste onderneming een producent is van zeer geavanceerde gespecialiseerde producten, terwijl de tweede onderneming standaardproducten produceert (zodat sommige onderdelen van hun VAA-kosten duidelijk verschillen). Op basis van deze vergelijking bracht de Commissie R&D-kosten en een gedeelte van de loonkosten voor de afdeling kwaliteitscontrole in mindering op de VAA-kosten van King Lai. Er waren geen andere aanzienlijke verschillen tussen de twee ondernemingen in andere VAA-kostencategorieën. Onderstreept moet worden dat de Commissie bij deze correctie de twee hele bovengenoemde VAA-kostencategorieën in mindering bracht. Daarom koos de Commissie voor een behoedzame aanpak bij de toekenning van deze correctie, wat leidde tot een hogere in plaats van lagere correctie.

(134)

De belanghebbenden beweren verder dat de Commissie geen vergelijking maakte tussen de structuur van de VAA-kosten tussen de betrokken Taiwanese onderneming en Chinese producenten-exporteurs.

(135)

Hierbij wordt eraan herinnerd dat, omdat Taiwan referentieland is, de Taiwanese VAA-kosten voor de binnenlandse verkoop in Taiwan moeten worden gebruikt. De aanpassing hiervan op basis van de vergelijking met VAA-kosten van Chinese producenten zou betekenen dat kosten van een land zonder markteconomie als ijkpunt worden gebruikt. Desondanks wordt benadrukt dat, vanwege de door de Commissie uitgevoerde correctie, de voor de berekening van de normale waarde gebruikte VAA-kosten werden verlaagd tot een niveau dat niet onredelijk is vergeleken met de VAA-kosten van de in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen. In feite hebben twee van de drie in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen hogere VAA-kostenniveaus gerapporteerd dan die welke werden gebruikt voor de berekening van de normale waarde.

3.2.3.   Uitvoerprijs

(136)

De medewerkende producenten-exporteurs voerden rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de EU of via buiten de EU gevestigde niet-verbonden handelsmaatschappijen.

(137)

Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werden de uitvoerprijzen vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor het betrokken product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht.

3.2.4.   Vergelijking en dumpingmarges

(138)

De normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producenten-exporteurs zijn vergeleken in het stadium af fabriek.

(139)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs mogelijk te maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast voor verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(140)

Op basis hiervan werden correcties toegepast voor vervoers-, zeevracht- en verzekeringskosten, kosten voor lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten, kortingen en provisies, voor zover was aangetoond dat deze de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedden. De totale correcties bedroegen 5-16 %, gebaseerd op de werkelijke waarden die door de Chinese producenten-exporteurs waren gerapporteerd en ter plaatse werden gecontroleerd. Deze cijfers zijn de door de Chinese ondernemingen gerapporteerde cijfers voor de relevante kostenposten, en zijn hen ter controle meegedeeld in de specifieke mededelingen.

(141)

China past een beleid toe van slechts gedeeltelijke btw-terugbetaling bij uitvoer en in dit geval wordt 8 % btw niet terugbetaald. Om te garanderen dat de normale waarde op hetzelfde belastingniveau als de uitvoerprijs werd uitgedrukt, werd de normale waarde omhoog gecorrigeerd met dat gedeelte van de btw dat wordt geheven voor naadloze buisleidingen met een grote diameter en dat niet aan de Chinese producenten-exporteurs werd terugbetaald (9).

(142)

In de opmerkingen van de twee Chinese producenten-exporteurs en de CCCMC na de mededeling van de definitieve bevindingen werd commentaar geleverd over de bovengenoemde correctie. De betrokken belanghebbenden aanvaardden het principe dat de niet-vergoede btw bij uitvoer moest worden gecorrigeerd. Omdat de normale waarde echter aanzienlijk hoger is dan de uitvoerprijs, beweren de belanghebbenden dat de uitvoerprijs met 8 % zou moeten gecorrigeerd, verwijzend naar de afwezigheid van BMO en hogere dumpingmarges.

(143)

In dit verband wordt opgemerkt dat de Commissie de normale waarde corrigeerde, in overeenstemming met het arrest van het Gerecht in zaak T-423/09. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(144)

Zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening, werd voor elke medewerkende onderneming de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort soortgelijk product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(145)

Op grond hiervan zijn de gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Vastgestelde dumpingmarge (%)

Zhejiang Good Fittings Co., Ltd

55,3

Zhejiang Jndia Pipeline Industry Co., Ltd

48,9

Suzhou Yuli Pipeline Industry Co., Ltd (*1)

30,7

Jiangsu Judd Pipeline Industry Co., Ltd (*1)

30,7

Gewogen gemiddelde

41,9

(146)

De gewogen gemiddelde dumpingmarge moet worden toegepast op medewerkende, niet in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs.

(147)

Wat betreft het bovenstaande, beweerde één importeur in de Unie in zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen dat het verschil tussen de dumpingmarges die zijn berekend voor de Taiwanese onderneming King Lai (0 %) en zijn verbonden onderneming in China (41,9 %) onredelijk is, omdat de twee bedrijven dezelfde soort hulpstukken produceren, die zijn uitgesloten van de productomschrijving.

(148)

Als antwoord op het bovenstaande wordt ten eerste benadrukt dat de Taiwanese onderneming King Lai geen dumpingmarge van 0 % kreeg omdat het hulpstukken produceert die zijn uitgesloten van de productomschrijving, wat de opvatting van deze importeur in de Unie lijkt te zijn. Met producten die van de productomschrijving zijn uitgesloten, werd geen rekening gehouden bij berekeningen van de dumpingmarge voor King Lai. De onderneming produceerde echter ook een kleine hoeveelheid producten die tot de productomschrijving van dit onderzoek behoorden en voerde die uit naar de Unie. Daarom moest voor deze onderneming een dumpingmarge worden berekend en deze bleek negatief te zijn. Anderzijds was King Lai in China geen onderdeel van de steekproef en daarom werd voor de onderneming geen individuele dumpingmarge berekend. Voor deze onderneming werd daarom de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen vastgesteld. Desondanks geldt geen antidumpingrecht voor het product dat buiten dit onderzoek valt. Als het juist is dat King Lai in China een product naar de EU uitvoert dat niet tot de productomschrijving behoort, dan zijn er geen antidumpingrechten bij invoer van toepassing.

(149)

Vanwege het lage meewerkingsniveau van de Chinese producenten-exporteurs en analoog aan de redenering in overweging 95 werd de nationale dumpingmarge voor de VRC vastgesteld op het niveau van de hoogste dumpingmarge, die is vastgesteld voor een representatieve productsoort qua hoeveelheid, voor de medewerkende producent-exporteur die aan dumping bleek te doen.

(150)

Op basis daarvan bedraagt de nationale dumpingmarge, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, 64,9 %.

3.2.5.   Verzoeken om individueel onderzoek

(151)

Vijf Chinese producenten-exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, verzochten om een individueel onderzoek in deze procedure. Rekening houdend met het grote aantal verzoeken concludeerde de Commissie dat het accepteren van deze verzoeken het tijdig afsluiten van de procedure in gevaar zou brengen. In dit verband wordt opgemerkt dat het aanvaarden van de verzoeken van de betrokken ondernemingen het aantal ondernemingen waarvoor individuele dumpingmarges zouden moeten worden berekend meer dan verdubbelen zou, omdat de oorspronkelijke steekproef uit vier producenten-exporteurs bestond. Verder wordt opgemerkt dat sommige van de aanvragers van een individueel onderzoek onderdeel van de groepen uitmaken. Volgens de voorlopige antwoorden van de betrokken ondernemingen (steekproefformulieren) zou individueel onderzoek de analyse en controle van de antwoorden op de vragenlijst van ten minste zeven ondernemingen vereisen.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(152)

Blijkens de beschikbare informatie uit de klacht en het daaropvolgende onderzoek werd het soortgelijke product tijdens het onderzoektijdvak geproduceerd door ten minste 16 producenten in de Unie. De producenten in de Unie die samen de totale productie in de Unie voor hun rekening nemen, vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening en worden hierna „de bedrijfstak van de Unie” genoemd.

(153)

De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd geschat op ongeveer 8 270 ton. De Commissie stelde het cijfer vast op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de geschatte gegevens die door de klager werden verstrekt. Zoals in overwegingen 11 tot en met 13 vermeld, werd voor het vaststellen van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade een steekproef gebruikt. De producenten in de Unie die voor de steekproef werden geselecteerd, vertegenwoordigden 43 % van de totale geschatte productie van het soortgelijke product in de Unie.

(154)

Eén belanghebbende vroeg waarom de omvang van de totale productie in de Unie tussen de mededeling van de voorlopige bevindingen en de mededeling van de definitieve bevindingen met 80 ton daalde. In de mededeling van de voorlopige bevindingen werd de totale productie in de Unie geschat op ongeveer 8 350 ton. De bovenstaande overweging vermeldt dat de totale productie in de Unie op ongeveer 8 270 ton werd geschat. De reden voor dit verschil is dat de Commissie in de voorlopige fase de productie van een van de niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verkeerd inschatte. Deze producent in de Unie staakte de productie tijdens het onderzoektijdvak. Daarom werd zijn productie opnieuw berekend, waarbij rekening werd gehouden met de sluiting. De Commissie bevestigde dat de totale productie in de Unie gedurende het onderzoektijdvak werd geschat op ongeveer 8 270 ton.

(155)

Omdat de in de steekproef opgenomen ondernemingen bestonden uit slechts één producent en een groep van ondernemingen, moesten alle gegevens over micro-indicatoren worden geïndexeerd om de vertrouwelijkheid overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening te garanderen.

4.2.   Verbruik in de Unie

(156)

De Commissie bepaalde het verbruik in de Unie op basis van de totale geschatte hoeveelheid die door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie werd verkocht en van de totale ingevoerde hoeveelheid van het betrokken product naar de Unie.

(157)

De door de bedrijfstak van de Unie verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product werd geschat op basis van de werkelijke gecontroleerde gegevens die werden verstrekt door de in de steekproef opgenomen producenten in hun antwoorden op de vragenlijst en, voor de niet-medewerkende producenten, de gegevens die door de klager werden verstrekt.

(158)

Zoals hierboven uitgelegd in overweging 47, wordt het betrokken product ingedeeld onder twee GN-codes: ex 7307 23 10 en ex 7307 23 90. Deze twee GN-codes omvatten echter niet alleen het betrokken product, maar ook producten die buiten dit onderzoek vallen. Daarom moest de ingevoerde hoeveelheid die buiten dit onderzoek valt, worden afgetrokken van de totale ingevoerde hoeveelheid die onder de bovengenoemde GN-code werd geregistreerd.

(159)

De klager schatte de ingevoerde hoeveelheden van het betrokken product voor alle landen van oorsprong in op basis van zijn marktkennis. Ten aanzien van de betrokken landen was hij van mening dat de onderzochte producten de overgrote meerderheid van de gerapporteerde hoeveelheid voor de bovengenoemde twee GN-codes voor de VRC en Taiwan vertegenwoordigden, 90 % respectievelijk 100 %.

(160)

Om deze inschatting te controleren, gebruikte de Commissie de informatie verkregen tijdens een vorig, op 10 november 2012 ingesteld onderzoek naar roestvrijstalen hulpstukken. Dit onderzoek omvatte alle producten die onder deze twee GN-codes werden ingedeeld, inclusief het betrokken product van dit onderzoek. Uit de analyse bleek dat ten minste 22,3 % van de producten die door de Chinese producenten-exporteurs onder deze GN-codes werden uitgevoerd, buiten dit onderzoek zouden vallen. Voor Taiwan werd het door de klager verstrekte percentage bevestigd, d.w.z. 100 %.

(161)

Voor de VRC besloot de Commissie de ingevoerde hoeveelheid te corrigeren op basis van de meest behoedzame verhouding, d.w.z. 22,3 %.

(162)

Daarnaast werd het verbruik verder gecorrigeerd voor de hoeveelheid hulpstukken met flens/met lage ruwheid (zie paragrafen 2.2.1 en 2.2.2), die beide uit de productomschrijving van het onderzoek werden uitgesloten. De ingevoerde hoeveelheid werd op basis van de antwoorden op de steekproef geschat op ongeveer 150 ton voor de VRC en 20 ton voor Taiwan. Daarom werden deze hoeveelheden afgetrokken van de geschatte uit de VRC en Taiwan ingevoerde hoeveelheid. Voor de bedrijfstak van de Unie bleek uit het onderzoek dat de geproduceerde en verkochte hoeveelheid van deze uitgesloten productsoorten onbeduidend is.

(163)

Het aldus berekende verbruik in de Unie was:

Tabel 1

Verbruik in de Unie (ton)

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Totaal verbruik in de Unie

13 766

14 350

14 671

14 145

Index (2012 = 100)

100

104

107

103

Bron: Eurostat, antwoorden op steekproeven, gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(164)

Het verbruik in de Unie steeg tussen 2012 en het onderzoektijdvak met 3 %.

4.3.   Invoer uit de betrokken landen

4.3.1.   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen

(165)

De Commissie onderzocht of de invoer van het betrokken product afkomstig uit de betrokken landen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening cumulatief moest worden beoordeeld.

(166)

De dumpingmarges die werden vastgesteld voor de invoer uit de VRC en Taiwan zijn samengevat in overwegingen 145 en 94.

(167)

Met uitzondering van King Lai, liggen al deze dumpingmarges boven de de-minimisdrempel als bedoeld in artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Zoals vermeld in overweging 94, was de zonder dumping ingevoerde hoeveelheid onbeduidend. In elk geval werd deze invoer zonder dumping uitgesloten van de totale uit Taiwan ingevoerde hoeveelheid van het betrokken product.

(168)

De ingevoerde hoeveelheden uit elk van de betrokken landen konden niet worden beschouwd als te verwaarlozen in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. De VRC en Taiwan hadden in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 22,9 % respectievelijk 7,8 %, zoals vermeld in overweging 181.

(169)

De concurrentievoorwaarden voor de met dumping ingevoerde producten uit de betrokken landen en het soortgelijke product waren ook vergelijkbaar. De ingevoerde producten concurreerden inderdaad met elkaar en met het in de Unie geproduceerde betrokken product. De producten zijn uitwisselbaar en werden in de Unie op de markt gebracht via vergelijkbare verkoopkanalen en verkocht aan soortgelijke categorieën eindafnemers.

(170)

Daarom werd aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening voldaan en de invoer uit de betrokken landen werd cumulatief beoordeeld voor de schadevaststelling.

(171)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerden diverse belanghebbenden dat de Commissie de concurrentievoorwaarden zowel tussen Chinese en Taiwanese hulpstukken bij invoer in de Unie als tussen ingevoerde hulpstukken en de productie in de Unie onvoldoende had onderzocht.

(172)

Die belanghebbenden beweerden op basis van hun marktkennis dat er belangrijke verschillen zijn tussen hulpstukken die worden geproduceerd in China en Taiwan en vanuit deze landen naar de Unie worden ingevoerd. Deze belanghebbenden waren van mening dat er tussen de uitgevoerde producten geen concurrentie was vanwege de fysieke kenmerken van de producten, de mate waarin de producten bestemd zijn voor dezelfde of soortgelijke eindtoepassingen en de mate waarin afnemers de producten beschouwen en behandelen als een alternatieve manier om bepaalde functies uit te voeren om een aan bepaalde vraag te voldoen.

(173)

Deze belanghebbenden beweerden dat uit de uitgebreide correcties die de Commissie heeft verricht om enige prijsvergelijkbaarheid tussen Chinese en Taiwanese producten te bereiken, blijkt dat er belangrijke verschillen zijn wat betreft eigenschappen van grondstoffen (naadloze buizen en gelaste buizen), staalsoorten en productieprocessen. Dit heeft gevolgen voor de prijs waardoor ze op de markt niet uitwisselbaar zijn. Bovendien toont de prijstrend een prijsongelijkheid tussen de twee landen van oorsprong.

(174)

Ten eerste is de Commissie van mening dat de vraag over concurrentie tussen verschillende productsoorten niet doorslaggevend is voor de schadebeoordeling. Zolang alle productsoorten, om de in de overwegingen 43 tot en met 50 uitgelegde reden, één product vormen, is er geen noodzaak om de schadebeoordeling te splitsen vanwege het feit dat verschillende productsoorten vanuit het oogpunt van het mededingingsrecht aparte productmarkten zouden vormen.

(175)

Ten tweede, zelfs als de vraag over werkelijke concurrentie tussen productsoorten relevant was, merkt de Commissie op dat de beweerde afwezigheid van concurrentie niet wordt onderbouwd door bewijzen in het dossier. In feite stelde de Commissie vast dat het betrokken product dat door de Chinese producent-exporteur en de Taiwanese producenten-exporteurs wordt uitgevoerd, inderdaad concurreert op de markt van de Unie. Deze producten zijn grotendeels uitwisselbaar. Deze conclusie werd ondersteund door de gemiddelde prijs van het betrokken product. Er is een duidelijke overlapping nu het betrokken product geproduceerd van naadloze buizen vergelijkbaar geprijsd is als het betrokken product geproduceerd van gelaste buizen (10). Wat betreft de concurrentie met de bedrijfstak van de Unie, bevestigde het onderzoek dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie van beide grondstoffen en alle productsoorten produceerden of konden produceren. Daarom werden deze argumenten afgewezen en werd de cumulatieve analyse van de gevolgen van de invoer bevestigd.

(176)

Na de aanvullende mededeling van feiten en overwegingen herhaalden deze belanghebbenden hun argument dat de invoer uit de betrokken landen niet cumulatief had mogen worden beoordeeld. Hierover merkt de Commissie op dat zelfs als de concurrentie tussen de invoer uit de betrokken landen op PCN-basis wordt geanalyseerd, de resultaten dezelfde zijn, namelijk dat er een duidelijke prijsconcurrentie is. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(177)

Bovendien beweerden deze belanghebbenden dat één producent in de Unie hoofdzakelijk hulpstukken van speciale roestvrije staalsoorten produceert, terwijl 70 % van de Chinese productie hoofdzakelijk afkomstig is van austenitische standaardsoorten 304 of 316; namelijk dat deze producten niet concurreren.

(178)

Over deze argumenten merkt de Commissie op dat de concurrentierelatie tussen het betrokken product en het soortgelijke product door het onderzoek werd bevestigd, zoals aangegeven in bovenstaande overweging 174 in de cumulatieve analyse. Ten aanzien van de staalsoort produceerde één van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie inderdaad het soortgelijke product van standaard roestvrij staalsoorten en vormde dit ongeveer 90 % van zijn productie. Daaruit blijkt dat de Chinese producten direct concurreren met de producten van deze producent in de Unie. Het argument werd derhalve afgewezen.

(179)

Bij gebrek aan verdere opmerkingen over artikel 3, lid 4, van de basisverordening werd de cumulatieve beoordeling van de invoer uit de betrokken landen bevestigd.

4.3.2.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen

(180)

De Commissie stelde de ingevoerde hoeveelheid vast op basis van de Eurostat-database, de marktkennis van de klager en andere informatie waarover de Commissie beschikte (zie de overwegingen 156 tot en met 164). Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld door vergelijking van de ingevoerde hoeveelheid met het verbruik in de Unie als vermeld in tabel 1.

Tabel 2

Ingevoerde hoeveelheid (ton) en marktaandeel

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Invoer met dumping uit de betrokken landen

3 395

3 877

4 508

4 340

Index (2012 = 100)

100

114

133

128

Marktaandeel betrokken landen (exclusief invoer zonder dumping) (%)

24,7

27,0

30,7

30,7

Index (2012 = 100)

100

110

124

124

Uit de VRC ingevoerde hoeveelheid

2 686

2 759

3 248

3 238

Index (2012 = 100)

100

103

121

121

Marktaandeel van de VRC (%)

19,5

19,2

22,1

22,9

Index (2012 = 100)

100

99

113

117

Invoer met dumping uit Taiwan

709

1 118

1 260

1 102

Index (2012 = 100)

100

158

178

155

Marktaandeel Taiwan (exclusief invoer zonder dumping) (%)

5,2

7,8

8,6

7,8

Index (2012 = 100)

100

151

167

151

Bron: Eurostat, gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(181)

De invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld:

(182)

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de invoer uit de betrokken landen in absolute cijfers tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk is toegenomen (met 28 %). Het bijbehorende marktaandeel van de invoer met dumping in de Unie tijdens de beoordelingsperiode nam met 6 procentpunten toe.

4.3.3.   Prijzen van de ingevoerde producten uit de betrokken landen en prijsonderbieding

(183)

Bij gebrek aan een alternatieve bron moest de Commissie voor de evolutie van de invoerprijzen vertrouwen op Eurostat om de gemiddelde invoerprijzen vast te stellen. De gemiddelde prijzen van de invoer in de Unie uit de betrokken landen hebben zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Invoerprijzen (EUR/ton)

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

VRC

8 285

8 078

6 916

6 936

Index (2012 = 100)

100

98

83

84

Taiwan

7 543

5 189

4 653

5 840

Index (2012 = 100)

100

69

62

77

Bron: Eurostat.

(184)

De gemiddelde prijzen van de Chinese invoer met dumping daalden tijdens het onderzoektijdvak van 8 285 EUR/ton in 2012 tot 6 936 EUR/ton. Tijdens de beoordelingsperiode (2012-onderzoektijdvak) daalde de gemiddelde eenheidsprijs van de Chinese invoer met dumping met ongeveer 16 %. In dezelfde periode daalden de gemiddelde prijzen van de Taiwanese invoer met dumping van 7 543 EUR/ton in 2012 tot 5 840 EUR/ton tijdens het onderzoektijdvak. Tijdens de beoordelingsperiode daalde de gemiddelde eenheidsprijs van de Taiwanese invoer met dumping met ongeveer 23 %.

(185)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde één belanghebbende dat de Commissie het effect van de verlaging van de nikkelprijs op de prijs van het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak had moeten beoordelen, omdat de ontwikkeling van de nikkelprijs een belangrijke factor voor de prijs van roestvrij staal is. Hoewel nikkel inderdaad een van de belangrijke kostenfactoren voor de productie van buizen (grondstof van het betrokken product) is, is er geen direct verband met het betrokken product. Bovendien stelde de Commissie vast dat de prijs van het betrokken product niet correleert met de nikkelprijs (11). Het argument werd derhalve afgewezen.

(186)

De Commissie beoordeelde de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak aan de hand van een vergelijking van:

a)

de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort van de drie producenten in de Unie die in rekening werd gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek, en

b)

de overeenkomstige gewogen gemiddelde cif-prijzen, grens Unie, per productsoort van de invoer van de medewerkende producenten uit de betrokken landen die in rekening werd gebracht aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, met de nodige correcties voor kosten na invoer van 2 % en invoerrechten van 3,7 %.

(187)

De prijzen werden vergeleken op typebasis voor transacties op hetzelfde handelsniveau, indien nodig naar behoren gecorrigeerd op basis van de werkelijke kosten, en na aftrek van rabatten en kortingen zoals gerapporteerd door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak.

(188)

Op basis hiervan werd vastgesteld dat de invoer met dumping uit de VRC en Taiwan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 59,4 % en 76,1 % onderboden.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Algemene opmerkingen

(189)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvat het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een evaluatie van alle economische indicatoren die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode.

(190)

Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van de gegevens en informatie in de klacht en, waar van toepassing, Eurostat-statistieken, zodat de gegevens betrekking hebben op alle producenten in de Unie. De Commissie beoordeelde de micro-economische indicatoren op basis van gegevens in de naar behoren gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(191)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkochte hoeveelheid, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping.

(192)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement op investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.4.2.   Macro-economische indicatoren

4.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(193)

De totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 4

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Productie

8 967

8 780

8 304

8 272

Index (2012 = 100)

100

98

93

92

Productiecapaciteit

22 779

21 194

21 163

19 721

Index (2012 = 100)

100

93

93

87

Bezettingsgraad (%)

39

41

39

42

Index (2012 = 100)

100

105

100

106

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(194)

De productie bleef tussen 2012 en 2013 vrij stabiel. Tussen 2013 en de beoordelingsperiode daalde de productieomvang van de bedrijfstak van de Unie met 6 %. Tijdens de beoordelingsperiode daalde de productie in totaal met 8 %.

(195)

Tegelijkertijd daalde de productiecapaciteit met maar liefst 13 %. Dit kan vooral worden toegeschreven aan de sluiting van één producent in de Unie en aan een daling van de productie van een andere producent in de Unie, waardoor de productiecapaciteit met ongeveer 3 600 ton daalde.

(196)

De gerapporteerde capaciteitscijfers hebben betrekking op technische capaciteit, hetgeen inhoudt dat in de bedrijfstak als standaard beschouwde correcties voor opstarttijden, onderhoud, knelpunten en andere normale onderbrekingen in aanmerking zijn genomen. Dit is echter de theoretische productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie.

(197)

De bezettingsgraad voor deze specifieke sector is moeilijk vast te stellen omdat het afhankelijk kan zijn van het type installatie en de geproduceerde hoeveelheid. Volgens een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie was een bezettingsgraad van 60 % het maximum dat in het verleden werd behaald. Daarom is de bovenstaande theoretische productiecapaciteit duidelijk overdreven vergeleken met de werkelijke productiecapaciteit.

(198)

Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode laag bleef, op ongeveer 42 %. Vanwege de reorganisatie van een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de sluiting van één producent in de Unie steeg de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode met 3 procentpunten. Een lage bezettingsgraad heeft een negatieve invloed op de recuperatie van vaste kosten, een van de oorzaken van de lage winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode.

4.4.2.2.   Verkochte hoeveelheid en marktaandeel

(199)

De in de Unie door de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers verkochte hoeveelheid en het marktaandeel hebben zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Verkochte hoeveelheid en marktaandeel

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Verkochte hoeveelheid op de markt van de Unie in ton

7 856

7 717

7 401

7 302

Index (2012 = 100)

100

95

91

89

Marktaandeel (%)

57,1

53,8

50,4

51,6

Index (2012 = 100)

100

94

88

90

Bron: Eurostat, de klacht en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(200)

De door de bedrijfstak van de Unie verkochte hoeveelheid daalde tijdens de beoordelingsperiode met ongeveer 11 %, terwijl het verbruik in de Unie met 3 % steeg. De verkoop met dumping van Chinese en Taiwanese producten steeg met 945 ton (21 % respectievelijk 55 %), terwijl het verbruik in de Unie met 379 ton steeg. In het kader van stijgend verbruik op de markt van de Unie valt de daling van de verkochte hoeveelheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie samen met een stijging van de invoer uit de betrokken landen. Vanwege de continue prijsdruk door de invoer met dumping werd de bedrijfstak van de Unie bovendien gedwongen om zijn productie te verlagen om verkoop tegen verliesgevende prijzen te voorkomen.

4.4.2.3.   Werkgelegenheid en productiviteit

(201)

De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 6

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Aantal werknemers

581

526

532

484

Index (2012 = 100)

100

91

92

83

Productiviteit (ton per werknemer)

15,4

16,7

15,6

17,0

Index (2012 = 100)

100

108

101

110

Bron: De klacht en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(202)

Overeenkomstig de daling van de productie en verkoop werd ook geconstateerd dat het werkgelegenheidsniveau in de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk daalde. Werknemers werden ontslagen om het personeelsbestand te verlagen, hetgeen resulteerde in een verlaging van 17 %. Als gevolg hiervan is de stijging van de productiviteit van de werknemers met 10 % in de bedrijfstak van de Unie, gemeten als productie per werknemer per jaar, veel hoger dan de stijging van de bezettingsgraad met 3 procentpunten (zie overweging 193). Dit suggereert dat de bedrijfstak van de Unie probeerde om zich aan te passen aan de veranderende marktomstandigheden (stijgende invoer met dumping) om concurrerend te blijven.

4.4.2.4.   Voorraden

(203)

De voorraden van de producenten in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 7

Voorraden

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Eindvoorraden (ton)

2 191

1 850

2 002

1 697

Index (2012 = 100)

100

84

91

77

Eindvoorraden als een percentage van de productie (%)

24,4

21,1

24,1

20,6

Index (2012 = 100)

100

86

99

84

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(204)

In de beoordelingsperiode zijn de eindvoorraden met 23 % gedaald. De meeste soorten soortgelijk product worden door de bedrijfstak van de Unie geproduceerd op basis van specifieke bestellingen van gebruikers. De bedrijfstak moet echter ook voorraden van vele verschillende producten aanhouden om te kunnen concurreren met de snelle levertijden van andere producenten. Dit wordt ook bevestigd door analyse van de ontwikkeling van de eindvoorraden als percentage van de productie. Deze indicator bleef vrij stabiel op ca. 20-24 % van de productie.

(205)

Er werd geconcludeerd dat de daling van het voorraadniveau hoofdzakelijk werd veroorzaakt door strenge eisen aan het werkkapitaal die door het management van de bedrijfstak van de Unie werden ingesteld.

4.4.2.5.   Hoogte van de dumpingmarge

(206)

Met uitzondering van één kleine Taiwanese exporteur lagen alle dumpingmarges aanzienlijk boven het de-minimisniveau. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren niet te verwaarlozen, gezien de hoeveelheid en prijzen van de invoer uit de betrokken landen.

4.4.2.6.   Groei

(207)

Het verbruik in de Unie steeg tijdens de beoordelingsperiode met 3 %, terwijl de door de bedrijfstak van de Unie verkochte hoeveelheid met 11 % daalde Ongeacht deze stijging van het verbruik verloor de bedrijfstak van de Unie marktaandeel. Anderzijds steeg het marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen tijdens de beoordelingsperiode.

4.4.3.   Micro-economische indicatoren

4.4.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(208)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de producenten in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 8

Verkoopprijzen in de Unie

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Verkoopprijs

Index (2012 = 100)

100

95

96

95

Productiekosten per eenheid

Index (2012 = 100)

100

101

103

98

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(209)

Bovenstaande tabel toont de ontwikkeling van de verkoopprijs per eenheid in de Unie in vergelijking met de overeenkomstige productiekosten. De gemiddelde verkoopprijs per eenheid ontwikkelde zich grosso modo in overeenstemming met de productiekosten. De productiekosten stegen tussen 2014 en het onderzoektijdvak met 2 %, beïnvloed door de daling van de prijs van de belangrijkste grondstof, terwijl de verkoopprijs per eenheid met 5 % daalde.

(210)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde één belanghebbende dat de Commissie geen rekening had gehouden met de algemene marktsituatie. Met name daalden de olieprijzen, waardoor ook de productiekosten daalden. De belanghebbende kon zijn argument echter niet met bewijsmateriaal staven. Met name bleef onduidelijk wat het precieze verband was tussen de daling van de wereldwijde olieprijs en de productiekosten van dit specifieke soortgelijke product. Bovendien had de schadeanalyse van de Commissie betrekking op een periode tussen 2012 en het eind van het onderzoektijdvak, waarbij met alle grondstoffen, inclusief energie, rekening werd gehouden. Het argument werd derhalve afgewezen.

4.4.3.2.   Loonkosten

(211)

De gemiddelde loonkosten van de producenten in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 9

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Gemiddelde loonkosten per werknemer

Index (2012 = 100)

100

111

110

110

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(212)

Tijdens de beoordelingsperiode steeg het gemiddelde loon per werknemer met 10 %, wat iets meer is dan de algemene prijsstijging in de Unie ten gevolge van de inflatie. Dit moet echter worden gezien in de context van de forse personeelsinkrimpingen, zoals uitgelegd in de overwegingen 201 en 202.

4.4.3.3.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement op investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(213)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement op investeringen van de producenten in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 10

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement op investeringen

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van omzet)

Index (2012 = 100)

100

33

23

66

Kasstroom

Index (2012 = 100)

100

61

33

57

Investeringen

Index (2012 = 100)

100

178

128

122

Rendement op investeringen

Index (2012 = 100)

100

28

19

48

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(214)

De Commissie stelde de winstgevendheid van de producenten in de Unie vast door het nettoverlies vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de desbetreffende omzet.

(215)

De winstgevendheid ontwikkelde zich negatief van [8-10 %] in 2012 tot [2-4 %] in 2013 en 2014 en verbeterde in het onderzoektijdvak tot [4-6 %]. In de beoordelingsperiode verloren de in de steekproef opgenomen ondernemingen omzet en marktaandeel, en besloten zich te richten op segmenten met hogere prijzen waar invoer met dumping minder voorkwam. Dankzij deze strategie wisten zij hun winstgevendheid tijdens het onderzoektijdvak te verhogen.

(216)

Terwijl de in de steekproef opgenomen ondernemingen in 2013 en 2014 de verhoogde productiekosten niet aan afnemers konden doorgeven, kon daarom tijdens het onderzoektijdvak de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen ondernemingen profiteren van de daling van de productiekosten vanwege een hogere bezettingsgraad en minder concurrentiedruk in de hogere prijssegmenten van de markt.

(217)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De ontwikkeling van de nettokasstroom gaf een dalende lijn te zien (– 43 %), voornamelijk als gevolg van een vermindering van de voorraden.

(218)

Het rendement op investering daalde tussen 2012 en 2014, en herstelde zich tijdens het onderzoektijdvak overeenkomstig de winstgevendheidstrend. De bedrijfstak van de Unie verhoogde het niveau van zijn investeringen tussen 2012 en het onderzoektijdvak met 22 %. Deze verhoging van 22 % moet echter worden gezien in het licht van de absolute cijfers. Het investeringsniveau voor de steekproef van de bedrijfstak van de Unie was minder dan één miljoen euro in 2012 en bereikte tijdens het onderzoektijdvak één miljoen, voornamelijk vanwege onkosten voor normaal onderhoud en veiligheidsvoorzieningen.

(219)

Diverse belanghebbenden beweerden dat de daling van de winstgevendheid van 2012 tot 2013 in het licht van de aanzienlijke toename van de investeringen in de bedrijfstak van de Unie moest worden gezien. Zij wezen erop dat de investeringen tussen 2012 en 2013 met 78 % waren toegenomen. Na de tweede mededeling van feiten en overwegingen herhaalden deze belanghebbenden hun argument en verklaarden dat de toename van 78 % als „enorme” investeringskosten moesten worden beschouwd.

(220)

In reactie hierop merkte de Commissie op dat de producenten in de Unie niet investeerden om hun productiemethode te verbeteren, maar — zoals hierboven aangegeven — in verplichte veiligheidsvoorzieningen en onderhoud. Hoewel de investeringen inderdaad toenamen, daalde tegelijk het rendement op de investering aanzienlijk. Bovendien moeten de investeringen worden vergeleken met de totale verkoop van het soortgelijke product en bedroegen de betrokken investeringen slechts 2-4 % van de totale verkoop van het soortgelijke product. Ten slotte zijn investeringen slechts één van de schade-indicatoren, die niet afzonderlijk mogen worden geanalyseerd.

5.   CONCLUSIE INZAKE SCHADE

(221)

Geconcludeerd wordt dat de meeste schade-indicatoren gedurende de beoordelingsperiode een negatieve trend lieten zien. Met name de schade-indicatoren voor de productie en het marktaandeel van de producenten in de Unie laten de ernstige problemen van de bedrijfstak van de Unie zien, evenals het bestaan van duurzame onderbieding. De enige positieve indicator, namelijk de lichte verbetering van de winstgevendheid tijdens het onderzoektijdvak, werd bereikt ten koste van de verkochte hoeveelheid en het marktaandeel door over te schakelen naar het hogere prijssegment. Dit zal eventueel niet van lange duur zijn, als invoer met dumping ook in de hogere prijssegmenten plaatsvindt. Daarom geeft een beoordeling van alle macro- en micro-economische indicatoren een algehele negatieve trend te zien. Zodoende kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanzienlijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

(222)

Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanzienlijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit de betrokken landen, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

(223)

Deze factoren zijn: invoer uit derde landen, de uitvoerprestatie van de producenten in de Unie, de lage bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie en invoer zonder dumping uit Taiwan.

6.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(224)

De verkoopprijzen van de producenten-exporteurs daalden in het onderzoektijdvak gemiddeld van 8 129 EUR/ton in 2012 tot 6 658 EUR/ton (– 18,1 %). Door tijdens de beoordelingsperiode hun verkoopprijs per eenheid voortdurend te verlagen, slaagden de producenten-exporteurs uit de betrokken landen erin hun marktaandeel aanzienlijk te vergroten tussen 2012 (24,7 %) en het einde van het onderzoektijdvak (30,7 %).

(225)

Sinds 2012 had de continue stijging van de invoer uit de betrokken landen tegen prijzen die die van de bedrijfstak van de Unie onderboden, duidelijk negatieve gevolgen voor de financiële resultaten van de bedrijfstak van de Unie. Terwijl de bedrijfstak van de Unie zijn kosten verlaagde door personeelsinkrimping en sluiting van fabrieken, steeg de invoer met dumping tegen steeds lagere prijzen, waardoor de bedrijfstak van de Unie werd gedwongen zijn verkochte hoeveelheden te verlagen. Daarom verloor de bedrijfstak van de Unie marktaandeel en was niet in staat te profiteren van het stijgende verbruik.

(226)

Gezien het duidelijk vastgestelde tijdsverband tussen enerzijds de omvang van de invoer met dumping tegen steeds lagere prijzen en anderzijds de dalende verkochte hoeveelheden van de bedrijfstak van de Unie, wordt geconcludeerd dat de invoer met dumping de oorzaak is van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

(227)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen beweerde één belanghebbende dat de daling van de verkoopprijzen van de producenten-exporteurs te wijten is aan de daling van de nikkelprijs. Zoals uitgelegd in overweging 185, is er echter geen directe correlatie tussen de nikkelprijs en de invoerprijzen. Het argument werd derhalve afgewezen.

(228)

Diverse belanghebbenden beweerden dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet kan worden toegeschreven aan de invoer met dumping uit de betrokken landen, omdat tijdens de beoordelingsperiode slechts één van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn prijzen verlaagde en de andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hun verkoopprijzen wisten te handhaven. Dit argument wordt om de volgende redenen afgewezen. De intracommunautaire statistieken zijn in dit geval niet betrouwbaar omdat ze niet alleen het betrokken product bevatten, maar ook andere soorten hulpstukken. Bovendien kromp de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode niet aanzienlijk (– 5 %), maar dit ging ten koste van de verkochte hoeveelheden, die met 11 % daalden, en het marktaandeel ervan, dat tijdens de periode met 5,5 % daalde.

(229)

Na de tweede mededeling van feiten en overwegingen beweerden de belanghebbenden dat, in tegenstelling tot de verklaring van de Commissie in overweging 228, de in Eurostat gerapporteerde gegevens een indicatie zijn voor het prijsstellingsgedrag van de producenten in de Unie en dat daarom terecht kan worden gesteld dat de prijzen van de producenten in de Unie tijdens de beoordelingsperiode stabiel zijn gebleven. In dit verband merkt de Commissie het volgende op. Zoals hierboven uitgelegd, is de definitie van de relevante GN-code breder dan de definitie van het betrokken product en het soortgelijke product (zie overweging 158). Bovendien vergissen deze belanghebbenden zich wanneer zij beweren dat de producenten in de Unie alleen het soortgelijke product produceren dat onder de twee GN-codes in kwestie valt. De bedrijfstak van de Unie produceert immers ook producten die buiten de productomschrijving van deze verordening vallen, maar onder de twee GN-codes in kwestie vallen. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(230)

Aangezien er geen verdere opmerkingen waren, concludeerde de Commissie dat invoer van het betrokken product met dumping aanzienlijke schade voor de bedrijfstak van de Unie heeft veroorzaakt.

6.2.   Gevolgen van andere factoren

6.2.1.   Invoer uit derde landen

(231)

De invoer uit derde landen heeft zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 11

Ingevoerde hoeveelheid uit derde landen (ton) en marktaandeel

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Uit derde landen ingevoerde hoeveelheid

2 515

2 755

2 762

2 503

Index (2012 = 100)

100

110

110

100

Marktaandeel (%)

18,3

19,2

18,8

17,7

Uit Zwitserland ingevoerde hoeveelheid

1 217

1 340

1 476

1 503

Index (2012 = 100)

100

110

121

123

Marktaandeel (%)

8,8

9,3

10,1

10,6

Uit Brazilië ingevoerde hoeveelheid

339

350

229

278

Index (2012 = 100)

100

103

68

82

Marktaandeel (%)

2,5

2,4

1,6

2,0

Uit India ingevoerde hoeveelheid

120

146

204

201

Index (2012 = 100)

100

121

169

167

Marktaandeel (%)

0,9

1,0

1,4

1,4

Uit Maleisië ingevoerde hoeveelheid

195

322

297

314

Index (2012 = 100)

100

165

152

161

Marktaandeel (%)

1,4

2,2

2,0

2,2

Uit andere derde landen ingevoerde hoeveelheid

642

595

554

205

Index (2012 = 100)

100

93

86

32

Marktaandeel (%)

4,7

4,2

3,8

1,5

Bron: Eurostat, de klacht en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst en door de klager verstrekte informatie.

(232)

De grootste exporteur van het betrokken product naar de Unie na de VRC is Zwitserland met een marktaandeel van 10 %, vergeleken met dat van de VRC/Taiwan van 30,7 %. De prijzen van deze ingevoerde producten waren vergelijkbaar met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, namelijk 10 300 EUR/ton.

(233)

De omvang en het marktaandeel van de invoer uit alle andere landen bleef tijdens de beoordelingsperiode stabiel, namelijk ongeveer 2 500 ton respectievelijk 37 %. Op basis van het bovenstaande luidt de conclusie dat de gevolgen van deze invoer niet zodanig waren dat het oorzakelijk verband tussen de Chinese/Taiwanese invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanzienlijke schade erdoor werd verbroken.

(234)

Diverse belanghebbenden beweerden dat de Commissie het prijseffect van de invoer uit India had moeten analyseren. Na de tweede mededeling van feiten en overwegingen werd dit argument herhaald en verklaarden de belanghebbenden verder dat de gemiddelde Indiase prijzen tijdens de beoordelingsperiode in een vrije val waren. De Commissie stelde vast dat het marktaandeel van de Indiase invoer 1,4 % is. De gemiddelde prijs van het soortgelijke product uit India was tijdens het onderzoektijdvak ongeveer 9 500 EUR/ton. Hoewel de gemiddelde prijs van het product uit India inderdaad daalde van ongeveer 13 700 EUR/ton in 2012 tot ongeveer 9 500 EUR/ton in het onderzoektijdvak, was deze nog steeds 27 % hoger dan de gemiddelde prijs van het betrokken product uit China, en 61 % hoger dan de Taiwanese prijzen. Daarom werd het oorzakelijk verband door deze invoer niet verbroken.

(235)

Diverse belanghebbenden beweerden dat de Commissie de invoer van het soortgelijke product uit Rusland had moeten analyseren. De klager beweerde daarentegen dat met deze invoer geen rekening moest worden gehouden bij de analyse van het oorzakelijk verband, omdat de onder de GN-codes aangegeven producten geen soortgelijke producten zijn.

(236)

De Commissie stelde vast dat de door Eurostat voor de betrokken GN-codes gerapporteerde prijzen van de uitvoer uit Rusland tijdens het onderzoektijdvak ongeveer 1 000 EUR/ton bedroegen. De Russische invoer betreft dus andere producten, die meer dan zeven keer goedkoper zijn dan de Chinese invoer. Daarom werd deze invoer voor de causaliteitsanalyse als irrelevant beschouwd.

(237)

Na de tweede mededeling van feiten en overwegingen beweerden diverse belanghebbenden dat het effect van de invoer uit Rusland en India cumulatief moest worden beoordeeld. Zoals in overweging 236 aangegeven werd bij de analyse van het oorzakelijk verband geen rekening gehouden met de invoer uit Rusland omdat de Commissie vaststelde dat de producten uit Rusland niet onder de definitie van het betrokken product vallen en daarom geen voorwerp van dit onderzoek uitmaken. Daarom kan deze invoer niet cumulatief worden beoordeeld met de invoer uit India. Derhalve werd dit argument afgewezen.

6.2.2.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

(238)

De uitvoer van de producenten in de Unie heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 12

Uitvoerprestaties

 

2012

2013

2014

Onderzoektijdvak

Omvang van de uitvoer naar niet-verbonden afnemers

645

553

530

596

Index (2012 = 100)

100

86

82

92

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

13 567

12 386

11 890

11 619

Index (2012 = 100)

100

91

88

86

Bron: Gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(239)

Volgens gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie daalden de uitvoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode met 14 % en daalde de uitgevoerde hoeveelheid naar niet-verbonden afnemers in derde landen met minder dan 1 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie. De tijdens het onderzoektijdvak geleden schade was echter niet aanzienlijk, namelijk minder dan 0,8 % van de totale omzet van de bedrijfstak van de Unie.

(240)

Daarom kan worden geconcludeerd dat het oorzakelijk verband door de uitvoeractiviteit van de bedrijfstak van de Unie niet werd verbroken.

6.2.3.   Lage bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie

(241)

Gezien de lage bezettingsgraad van de in de steekproef opgenomen ondernemingen tijdens de beoordelingsperiode heeft de Commissie ook onderzocht of overcapaciteit heeft bijgedragen tot de schade of zelfs het oorzakelijk verband heeft verbroken. Momenteel is de Commissie van mening dat dit niet het geval is. Ten eerste moeten, zoals uitgelegd in overweging 197, de ondernemingen een belangrijke theoretische capaciteit hebben om aan alle vragen van afnemers te voldoen, maar het is onrealistisch om die theoretische capaciteit volledig te gebruiken. Ten tweede was de bedrijfstak van de Unie in 2012 winstgevend met een lagere bezettingsgraad, waaruit blijkt dat de schade niet door overcapaciteit is veroorzaakt. Derhalve wordt geconcludeerd dat het effect van een dergelijke lage bezettingsgraad onbeduidend is en dus het oorzakelijk verband niet kon verbreken.

6.2.4.   Invoer zonder dumping uit Taiwan

(242)

Vergeleken met een totaal verbruik in de Unie van 14 145 ton was de hoeveelheid zonder dumping ingevoerde producten onbeduidend, namelijk 300 kg tijdens het onderzoektijdvak. Daarom wordt geconcludeerd dat het effect van een dergelijke invoer voor de bedrijfstak van de Unie onbeduidend is en dus het oorzakelijk verband niet kon verbreken.

6.3.   Conclusie inzake oorzakelijk verband

(243)

Er werd een oorzakelijk verband vastgesteld tussen de door de producenten in de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen.

(244)

Vanwege de aanzienlijke prijsdruk en de enorme hoeveelheid van de toenemende invoer met dumping uit de betrokken landen tijdens de beoordelingsperiode kon de bedrijfstak van de Unie niet profiteren van het trage herstel van de EU-markt. Uit de analyse van de schade-indicatoren blijkt dat de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie als geheel werd beïnvloed door een stijging van de invoer met dumping met lage prijzen uit de VRC en Taiwan, die de prijzen in de Unie onderboden. Chinese/Taiwanese exporteurs slaagden erin een aanzienlijk marktaandeel te veroveren (30,7 % tijdens het onderzoektijdvak vergeleken met een marktaandeel van 24,7 % in 2012) ten koste van de bedrijfstak van de Unie. De bedrijfstak van de Unie verloor tussen 2012 en het eind van het onderzoektijdvak 5,5 procentpunten van zijn marktaandeel, en 11 % van de verkochte hoeveelheden, terwijl het verbruik op de markt van de Unie steeg.

(245)

De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schade veroorzakende gevolgen van de invoer met dumping. De andere vastgestelde factoren, namelijk de invoer uit derde landen, de uitvoerprestatie van de producenten in de Unie, de lage bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie en invoer zonder dumping uit Taiwan, bleken het oorzakelijk verband niet te verbreken. Zelfs als het gecombineerde effect ervan in aanmerking zou worden genomen, zou de conclusie van de Commissie niet anders zijn: zonder de invoer met dumping zou de bedrijfstak van de Unie niet in een dergelijke aanzienlijke mate negatief zijn beïnvloed. Met name zou het marktaandeel niet tot dergelijke niveaus zijn gedaald en zou een redelijke winstgevendheid zijn behaald.

(246)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, is veroorzaakt door de invoer met dumping uit de betrokken landen en dat de andere factoren, individueel of tezamen, het oorzakelijk verband niet hebben verbroken.

7.   BELANG VAN DE UNIE

(247)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of er een dringende reden was om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schade veroorzakende dumping. Het belang van de Unie werd vastgesteld aan de hand van een afweging van alle betrokken belangen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers.

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(248)

De bedrijfstak van de Unie bevindt zich in tien lidstaten (Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Polen, Spanje, Tsjechië en Zweden) en verschaft, wat betreft roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, rechtstreeks werk aan ongeveer vijfhonderd werknemers.

(249)

Geen van de bekende producenten had bezwaar tegen de opening van het onderzoek. Zoals hierboven bij de analyse van de schade-indicatoren is aangetoond, verslechterde de situatie van de gehele bedrijfstak van de Unie en werd de bedrijfstak geconfronteerd met de negatieve gevolgen van de invoer met dumping.

(250)

Verwacht wordt dat de instelling van definitieve antidumpingrechten zal leiden tot een herstel van eerlijke handelsvoorwaarden op de markt van de Unie en de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen te herstellen. Dit zou de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie moeten doen stijgen tot het niveau dat noodzakelijk wordt geacht voor deze kapitaalintensieve industrie. De bedrijfstak van de Unie heeft aanmerkelijke schade geleden als gevolg van de invoer met dumping vanuit de betrokken landen. Er wordt aan herinnerd dat de meeste schade-indicatoren gedurende de beoordelingsperiode een negatieve ontwikkeling te zien gaven.

(251)

In het bijzonder werden de schade-indicatoren die verband houden met de productie, de productiecapaciteit en het marktaandeel van producenten in de Unie, ernstig beïnvloed. Het is daarom belangrijk dat maatregelen worden genomen om de markt te herstellen naar niveaus zonder dumping en zonder schade en om alle producenten in staat te stellen onder eerlijke handelsvoorwaarden op de markt van de Unie actief te zijn. Als er geen maatregelen worden genomen, lijkt een verdere verslechtering van de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie zeer waarschijnlijk.

(252)

Na het in overweging 35 bedoelde betoog onderzocht de Commissie het verzoek (inclusief een controlebezoek ter plaatse in het hoofdkantoor van de bedrijfstak van de Unie). De Commissie concludeerde dat in tegenstelling tot het betoog: i) de producten die zijn ingevoerd volgens de regeling voor passieve veredeling direct concurreren met de producten van de producenten in de Unie; ii) het ingestelde recht, namelijk het recht van 41,9 % dat van toepassing is op de Chinese producent met wie de EU-onderneming een regeling voor passieve veredeling heeft, beperkte financiële gevolgen (10-15 %) zou moeten hebben op de inkomsten uit de externe verwerkingsactiviteiten van de producent in de Unie; iii) de levensvatbaarheid van de activiteiten inzake passieve veredeling van de producent in de Unie niet in gevaar wordt gebracht door het instellen van maatregelen en dat daarom het aantal werknemers niet hoeft te worden verlaagd, en het doel van de EU-fondsen niet in gevaar wordt gebracht. Het argument werd derhalve afgewezen. De Commissie herinnert er in dit verband ook aan dat het douanewetboek van de Unie bepaalt dat handelsbeschermingsrechten in de regel van toepassing zijn op regelingen voor passieve veredeling waarbij de buiten de Unie uitgevoerde activiteit aan het product een niet-preferentiële oorsprong verleent, zoals hier het geval lijkt te zijn. Geen recht zou daarentegen van toepassing zijn, indien en voor zover de niet-preferentiële oorsprong van de goederen binnen de Unie blijft.

(253)

Geconcludeerd wordt dat de instelling van antidumpingrechten in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. De instelling van antidumpingmaatregelen zou de bedrijfstak van de Unie in staat stellen te herstellen van de gevolgen van de schade veroorzakende dumping.

7.2.   Belang van niet-verbonden importeurs

(254)

Zoals vermeld in overweging 18, verstrekte slechts één importeur gedetailleerde informatie over de gevolgen van antidumpingrechten. Deze importeur was van mening dat het eerste effect een prijsstijging zal zijn met negatieve gevolgen voor zijn prestatie wat betreft levertijd en concurrentievermogen. Deze importeur verklaarde verder dat hij zich meer zou gaan richten op andere landen die hulpstukken produceren zoals Maleisië, Vietnam en Korea. Het proces om elders nieuwe partners te selecteren zou echter tijd en geld kosten. Daarnaast zou het leiden tot schommelingen in zijn voorraadniveau en productkwaliteit, wat weer negatieve gevolgen zou hebben voor de kwaliteit van de service aan afnemers.

(255)

Er werd echter geconcludeerd dat importeurs kunnen overschakelen naar andere leveringsbronnen, waardoor de negatieve gevolgen van de maatregelen kunnen worden beperkt.

(256)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte één belanghebbende deze bevinding. Hij beweerde dat de producenten in de Unie niet in staat zullen zijn te voldoen aan de behoeften van de markt van de Unie. Bovendien zouden de bestaande producenten van hulpstukken, bijvoorbeeld in Maleisië en Thailand, niet in staat zijn de kwantiteit en kwaliteit te leveren die de importeurs in de Unie nodig hebben.

(257)

De Commissie wees dit argument af. De producenten in de Unie opereren momenteel gemiddeld op 42 % van hun capaciteit. Het is daarom waarschijnlijk dat zij hun productie kunnen verhogen en meer te leveren aan de markt van de Unie dan momenteel het geval is. Bovendien worden hulpstukken geproduceerd in diverse andere derde landen zoals India, Maleisië, Thailand, Korea of Japan. De Commissie is daarom van mening dat er geen risico bestaat voor een tekort van dit product op de markt van de Unie.

(258)

Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen zal hebben voor de importeurs.

7.3.   Belang van de gebruikers

(259)

Gebruikers van het betrokken product en het soortgelijke product zijn te vinden in diverse industriële sectoren. De cruciale factor voor de gebruikers is de beschikbaarheid van het product in de gewenste hoeveelheid en kwaliteit.

(260)

Omdat slechts één gebruiker aan het onderzoek meewerkte, kon de Commissie de gevolgen van de maatregel niet in brede zin kwantificeren. Uit het antwoord van deze medewerkende gebruiker bleek echter dat een eventuele antidumpingmaatregel geen aanzienlijke gevolgen voor de kosten van deze onderneming zullen hebben (minder dan 1 % van zijn omzet). De EU-industrie heeft in ieder geval de capaciteit om aan de EU-vraag te voldoen en er zijn ook andere derde landen die de EU kunnen voorzien, als voor eerlijke voorwaarden wordt gezorgd.

(261)

Om de bovenstaande redenen werd geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de gebruikers.

7.4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(262)

Gezien het bovenstaande concludeerde de Commissie dat er geen dwingende redenen zijn die pleiten tegen de instelling van maatregelen tegen de invoer van het betrokken product uit de betrokken landen.

(263)

Eventuele negatieve effecten voor de niet-verbonden importeurs en gebruikers worden afgezwakt door de beschikbaarheid van alternatieve leveringsbronnen.

(264)

Indien alle gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor de markt van de Unie in overweging worden genomen, lijken de positieve effecten, in het bijzonder voor de bedrijfstak van de Unie, op te wegen tegen de mogelijke negatieve gevolgen voor de andere belangengroepen.

8.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(265)

Gezien de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie, moeten definitieve maatregelen worden ingesteld om de bedrijfstak van de Unie de kans te geven te herstellen van de schade die is veroorzaakt door de invoer met dumping.

8.1.   Schade opheffend prijsniveau (schademarge)

(266)

Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie eerst de hoogte van het recht vastgesteld die nodig is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen.

(267)

De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken en op de verkoop van het soortgelijke product op de markt van de Unie een winst vóór belasting te behalen die redelijkerwijs kan worden bereikt in de sector door een bedrijfstak van dit type bij normale concurrentie, namelijk bij afwezigheid van invoer met dumping.

(268)

Voor de bepaling van de streefwinst is de Commissie uitgegaan van de winst op de niet-verbonden verkoop die is gebruikt voor de bepaling van het schade opheffend prijsniveau.

(269)

De streefwinstmarge werd voorlopig vastgesteld op [7-12 %], overeenkomstig de winsten die in 2012 werden behaald met de niet-verbonden verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten. Hoewel er in 2012 al ingevoerde Chinese en Taiwanese producten op de markt van de Unie waren, waren de prijzen van de invoer met dumping nog niet aanzienlijk gedaald. Daarom beschouwt de Commissie de in 2012 behaalde winstgevendheid als behaald onder normale marktomstandigheden.

(270)

De Commissie berekende voor het soortgelijke product een geen schade veroorzakende prijs voor de bedrijfstak van de Unie door aan de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak de hierboven genoemde winstmarge van [7-12 %] toe te voegen. De productiekosten die door een van de drie producenten in de Unie werden gerapporteerd, werden opnieuw berekend op basis van standaardkosten (kosten van grondstoffen plus conversiekosten plus VAA-kosten), omdat de werkelijke kosten niet representatief waren vanwege de zeer lage voor bepaalde PCN's geproduceerde hoeveelheid die tijdens het onderzoektijdvak werd verkocht.

(271)

De Commissie bepaalde het schade opheffende prijsniveau door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de medewerkende producenten-exporteurs in de betrokken landen, naar behoren gecorrigeerd voor invoerkosten en douanerechten, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer.

(272)

De uitkomst was dat de onderbiedingsmarges variëren van 75,4 % tot 127,1 %, bij vergelijking van de Chinese cif-prijzen met de exw-prijzen van de bedrijfstak van de Unie, en van 104,4 % tot 110,0 % bij vergelijking van de Taiwanese cif-prijzen met de exw-prijzen van de bedrijfstak van de Unie.

(273)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzochten diverse belanghebbenden om een gedetailleerdere schadeberekening. De Commissie was van mening dat alle belanghebbenden al een gedetailleerde schadeberekening hadden ontvangen. Zij had haar standaardwerkwijze gevolgd en alle relevante bevindingen meegedeeld, waarbij naar behoren rekening werd gehouden met de vertrouwelijkheid van de brongegevens.

(274)

Diverse belanghebbenden beweerden dat het ongepast is om de geen schade veroorzakende prijs te baseren op de productiekosten van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, omdat er geen bewijs is dat hun productiekosten representatief zijn voor het niveau van de gehele bedrijfstak van de Unie. Deze belanghebbenden konden niet uitleggen waarom de Commissie in dit specifieke geval zou moeten afwijken van haar normale praktijk om de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te gebruiken. Anders dan werd gesteld, bleek uit het onderzoek bovendien dat de productiekosten van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie inderdaad representatief zijn voor de bedrijfstak van de Unie. Tijdens het onderzoek stelde de Commissie geen kwestie of probleem vast dat erop zou hebben geduid dat de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie niet representatief zouden zijn voor het soortgelijke product.

(275)

Deze belanghebbenden beweerden verder dat de berekening van de onderbiedingsmarges gebrekkig is omdat uit statistische gegevens blijkt dat de gemiddelde prijs van één van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aanzienlijk hoger is dan die van de anderen. Hoewel de Commissie erkent dat de prijzen van één van de producenten in de Unie hoger zijn dan die van de anderen, merkte zij op dat het analyseren van prijzen op GN-codeniveau misleidend is, omdat geen rekening wordt gehouden met de onderliggende productmix en het feit dat bepaalde producten uit de productomschrijving werden uitgesloten. Bovendien werd, zoals hierboven aangegeven, de onderbiedingsberekening uitgevoerd op basis van de productiekosten per productsoort. Daarom werden alleen de productiekosten van overeenkomstige productsoorten gebruikt.

(276)

Zelfs als de Commissie de kostengegevens van deze specifieke producent in de Unie zou hebben verwijderd en alleen de kostengegevens van de andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zou hebben gebruikt, zouden de resultaten ongeveer gelijk zijn geweest. De op deze methode gebaseerde onderbiedingsmarges variëren van 60 % tot 95 % bij vergelijking van de Chinese cif-prijzen met de exw-richtprijzen van de bedrijfstak van de Unie. Instemming met dit argument zou echter geen effect hebben op de definitieve maatregelen. Bovendien zou dit betekenen dat productsoorten worden vergeleken op basis van een volledig andere grondstof. Dit argument werd dan ook verworpen.

(277)

Diverse belanghebbenden beweerden dat het gebruik van standaardkosten in plaats van werkelijke kosten had geleid tot een vertekende richtprijs omdat geen rekening was gehouden met diverse productkenmerken. Hierover merkte de Commissie op dat zij geen rekening had gehouden met de productiekosten zoals gerapporteerd door één in de steekproef opgenomen producent in de Unie omdat — in tegenstelling tot wat de belanghebbenden beweren — het gebruik van de werkelijke productiekosten zou hebben geleid tot een vertekend resultaat. Door de standaardkostenmethode te gebruiken, kon de Commissie de vertekening elimineren die werd veroorzaakt door niet-representatief lage hoeveelheden. Daarom bevestigde de Commissie de juistheid van de gebruikte methode.

(278)

Diverse belanghebbenden beweerden dat de methode die werd gebruikt voor de onderbiedingsberekening op een gelijke manier zou moeten worden toegepast, d.w.z. dat dezelfde groepering van productsoorten zou moeten worden gebruikt voor het betrokken product en het soortgelijke product. De Commissie erkende de tekortkoming van de methode die aanvankelijk werd gebruikt en paste de onderbiedingsberekening overeenkomstig aan. De Commissie merkte op dat deze aanpassing alleen gevolgen had voor productsoorten die naadloze buizen of pijpen als grondstof gebruiken en alleen voor die producenten-exporteurs die de bovengenoemde grondstof gebruiken. De uitkomst was dat de nieuwe onderbiedingsmarges variëren van 75,7 % tot 112,2 %, bij vergelijking van de Chinese cif-prijzen met de exw-richtprijzen van de bedrijfstak van de Unie.

(279)

Na de tweede mededeling van feiten en overwegingen beweerden diverse belanghebbenden dat het ongepast was om de prijs van de producenten-exporteurs te vergelijken met de richtprijs vastgesteld op basis van de materiaalkwaliteit van uit naadloze buizen geproduceerde hulpstukken. Bovendien herhaalden de belanghebbenden dat de richtprijs had moeten zijn vastgesteld voor elke productsoort in plaats van voor elke materiaalkwaliteit.

(280)

De Commissie verklaart dat zij probeerde de berekening uit te voeren conform het verzoek van de belanghebbenden, d.w.z. een PCN-naar-PCN-analyse. Zij stelde echter vast dat de resultaten voor bepaalde PCN's onbetrouwbaar waren vanwege aanzienlijke verschillen in de hoeveelheden die in de Unie werden ingevoerd en door de producenten in de Unie werden geproduceerd. Derhalve vond zij dat de methode zoals beschreven in overwegingen 270 en 271 geschikter was en zodoende werd dit argument afgewezen.

(281)

Bij gebrek aan verdere opmerkingen bevestigde de Commissie de onderbiedingsmarges voor Taiwan zoals aangegeven in overweging 272.

8.2.   Definitieve maatregelen

(282)

Gelet op het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:

Onderneming

Schademarge (%)

Dumpingmarge (%)

Definitief antidumpingrecht (%)

Taiwan:

King Lai Hygienic Materials Co., Ltd

0,0

0,0

Ta Chen Stainless Pipes Co., Ltd

104,4

5,1

5,1

Residueel recht

110,0

12,1

12,1

Volksrepubliek China

Zhejiang Good Fittings Co., Ltd

112,2

55,3

55,3

Zhejiang Jndia Pipeline Industry Co., Ltd

105,9

48,9

48,9

Suzhou Yuli Pipeline Industry Co., Ltd (*2)

75,7

30,7

30,7

Jiangsu Judd Pipeline Industry Co., Ltd (*2)

75,7

30,7

30,7

Gewogen gemiddelde (*3)

93,1

41,9

41,9

Residueel recht (*4)

127,1

64,9

64,9

(283)

De voor individuele ondernemingen vastgestelde antidumpingrechten die in deze verordening zijn gespecificeerd, zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij dit onderzoek met betrekking tot die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op invoer van het betrokken product die uit de betrokken landen afkomstig zijn en worden geproduceerd door de genoemde rechtspersonen. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door een andere onderneming die niet specifiek in het dispositief van deze verordening wordt genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt. Deze invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten.

(284)

Een onderneming kan om de toepassing van deze individuele antidumpingrechten verzoeken indien zij de naam van haar entiteit wijzigt of een nieuwe productie- of verkoopentiteit opricht. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie. Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten, waaronder: wijzigingen in de activiteiten van de onderneming in verband met de productie, en verkoop in binnen- en buitenland in verband met, bijvoorbeeld, de naamsverandering of de verandering in de productie- en verkoopentiteiten. De Commissie zal de lijst van ondernemingen met individuele antidumpingrechten bijwerken, indien dit gerechtvaardigd is.

(285)

Om het gevaar van ontwijking als gevolg van een verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De ondernemingen met individuele antidumpingrechten moeten een geldige handelsfactuur overleggen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. De factuur moet voldoen aan de voorschriften van artikel 1, lid 3, van deze verordening. Invoeren die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaan, worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”.

(286)

Om een goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie uitvoerden.

9.   SLOTBEPALINGEN

(287)

In het belang van een goed bestuur heeft de Commissie de belanghebbenden uitgenodigd om binnen een vaste termijn schriftelijk te reageren en/of een hoorzitting met de Commissie en/of de raadsadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(288)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, van soorten austenitisch roestvrij staal die overeenkomen met AISI-typen 304, 304L, 316, 316L, 316Ti, 321 en 321H en de equivalenten daarvan in de andere normen, met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een wanddikte van 16 mm of minder, met een gemiddelde ruwheid (Ra) van de oppervlakteafwerking van niet minder dan 0,8 μm, zonder flens en al dan niet afgewerkt, afkomstig uit de VRC en Taiwan. Het product wordt momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 23 10 en ex 7307 23 90 (Taric-codes 7307231015, 7307231025, 7307239015, 7307239025).

2.   De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product zijn als volgt:

Onderneming

Definitief antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Taiwan

King Lai Hygienic Materials Co., Ltd

0,0

C175

Ta Chen Stainless Pipes Co., Ltd

5,1

C176

Alle andere ondernemingen

12,1

C999

Volksrepubliek China

Zhejiang Good Fittings Co., Ltd

55,3

C177

Zhejiang Jndia Pipeline Industry Co., Ltd

48,9

C178

Suzhou Yuli Pipeline Industry Co., Ltd

30,7

C179

Jiangsu Judd Pipeline Industry Co., Ltd

30,7

C180

Alle andere medewerkende ondernemingen:

Alfa Laval Flow Equipment (Kunshan) Co., Ltd

41,9

C182

Kunshan Kinglai Hygienic Materials Co., Ltd

41,9

C184

Wifang Huoda Pipe Fittings Manufacture Co., Ltd

41,9

C186

Yada Piping Solutions Co., Ltd

41,9

C187

Jiangsu Huayang Metal Pipes Co., Ltd

41,9

C188

Alle andere ondernemingen

64,9

C999

3.   Wanneer een producent-exporteur in de Volksrepubliek China de Commissie voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat:

a)

hij het in artikel 1, lid 1, omschreven product in het onderzoektijdvak (1 oktober 2014 tot en met 30 september 2015) niet naar de Unie heeft uitgevoerd;

b)

hij niet verbonden is met een exporteur of producent in de Volksrepubliek China voor wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen gelden, en

c)

hij het betrokken product daadwerkelijk heeft uitgevoerd na het onderzoektijdvak of een onherroepelijke contractuele verbintenis is aangegaan voor de uitvoer van een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie, kan de tabel in artikel 1, lid 2, worden gewijzigd door toevoeging van de nieuwe producent-exporteur aan de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen en waarvoor dus het gewogen gemiddelde recht voor de ondernemingen in de steekproef geldt.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 januari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(3)   PB C 357 van 29.10.2015, blz. 5.

(4)  Arrest van het Hof (Grote Kamer) van 8 september 2015, Philips Lighting Poland SA, Philips Lighting BV/Raad van de Europese Unie, Hangzhou Duralamp Electronics Co., Ltd, GE Hungary Ipari és Kereskedelmi Zrt. (GE Hungary Zrt.), Osram GmbH, Europese Commissie, C-511/13 P.

(5)  Besluit 2013/440/EU van de Commissie van 20 augustus 2013 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van roestvrijstalen hulpstukken voor buisleidingen, door stomplassen te bevestigen, al dan niet afgewerkt, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Taiwan (PB L 223 van 21.8.2013, blz. 13).

(6)  EU-India Bed Linen (zaak AB-2000-13) in lid 76: „… het gebruik van de uitdrukking „gewogen gemiddelde”, gecombineerd met het gebruik van de woorden „bedragen” en „exporteurs of producenten” in het meervoud in de tekst van artikel 2.2.2, punt ii, van de [WTO-antidumpingovereenkomst], gaat er duidelijk van uit dat gegevens van meer dan één exporteur of producent worden gebruikt. Wij concluderen dat de berekeningsmethode van bedragen of VAA-kosten en winst als bedoeld in deze bepaling alleen kan worden gebruikt als gegevens over meer dan één exporteur of producent beschikbaar zijn.”

(7)  Artikel 21.5 Rapport van de Beroepsinstantie, EU — Definitieve antidumpingmaatregelen inzake bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China, WT/DS397/AB/RW.

(8)  Ook moet worden opgemerkt dat de prijzen van de Chinese staalsector op zichzelf vertekend zijn vanwege activiteiten van staatsbedrijven (SOE's) en diverse subsidieregelingen. Zie onder andere Staal: behoud van duurzame banen en groei in Europa, COM(2016) 155 final; Subsidies to Chinese Industry: State Capitalism, Business Strategy and Trade Policy door Usha C. V. Haley en George T. Haley, Oxford University Press, VS, 25 april 2013.

(9)  Die methode werd door het Gerecht geaccepteerd in het arrest van 16 december 2011, Dashiqiao/Raad, T-423/09, ECLI:EU:T:2011:764, punten 34-50.

(*1)  onderdeel van de Yuli-Judd Group.

(10)  De vergelijking tussen soortgelijke productsoorten verkocht door Chinese producenten-exporteurs en de Taiwanese producent-exporteur, d.w.z. 45 productsoorten, toont aan dat de gemiddelde prijs van naadloze Chinese hulpstukken ongeveer 15 % hoger is dan de gemiddelde prijs van gelaste Taiwanese hulpstukken. Gezien de veel hogere kwaliteit van naadloos staal en de invloed van de kwaliteit op de aankoopbeslissing, concurreren de producten dus, zelfs als een op het mededingingsrecht gebaseerde toets wordt toegepast.

(11)  Verwezen wordt naar de website van de London Metal Exchange, https://www.lme.com/en-gb/metals/non-ferrous/nickel/

(*2)  Onderdeel van de Yuli-Judd Group.

(*3)  Moet worden toegepast op medewerkende, niet in de steekproef opgenomen ondernemingen: Alfa Laval Flow Equipment (Kunshan) Co., Ltd, Kunshan Kinglai Hygienic Materials Co., Ltd, Wifang Huoda Pipe Fittings Manufacture Co., Ltd, Yada Piping Solutions Co., Ltd, Jiangsu Huayang Metal Pipes Co., Ltd.

(*4)  Moet worden toegepast op niet-medewerkende ondernemingen en Shanghai Max Fittings Co., Ltd (oorspronkelijk in de steekproef opgenomen onderneming, die haar medewerking introk).


Top