EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016Q0512(01)

Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven

OJ L 123, 12.5.2016, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

12.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 123/1


INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD TUSSEN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE OVER BETER WETGEVEN

INTERINSTITUTIONEEL AKKOORD

van 13 april 2016

over beter wetgeven

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 295,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna "de drie instellingen" genoemd) verbinden zich ertoe in alle stadia van de wetgevingscyclus loyaal en transparant samen te werken. In dit verband herinneren zij aan de gelijkheid van beide medewetgevers, zoals neergelegd in de Verdragen.

(2)

De drie instellingen erkennen dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van kwalitatief hoogwaardige Uniewetgeving en zij gezamenlijk dienen te verzekeren dat die wetgeving zich richt op gebieden waar zij voor de Europese burgers de grootste meerwaarde oplevert, de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie zo efficiënt en doeltreffend mogelijk verwezenlijkt, zo eenvoudig en duidelijk mogelijk is, overregulering en administratieve lasten voor burgers, overheidsdiensten en bedrijven vermijdt, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en aldus wordt opgesteld dat de omzetting en praktische toepassing ervan vlot verlopen en het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de economie van de Unie worden versterkt.

(3)

De drie instellingen brengen in herinnering dat overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel de Unie slechts wetgevend mag optreden wanneer en voor zover dat nodig is.

(4)

De drie instellingen herinneren aan de rol en de verantwoordelijkheid van de nationale parlementen, zoals die zijn neergelegd in de Verdragen, in Protocol (Nr. 1) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en in Protocol (Nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(5)

De drie instellingen zijn het erover eens dat bij de vaststelling van de wetgevingsagenda niet enkel ten volle rekening moet worden gehouden met de analyse van de potentiële "Europese meerwaarde" van elk voorstel tot optreden van de Unie, maar ook met een beoordeling van de "kosten van geen Europa" indien niet op Unieniveau zou worden opgetreden.

(6)

De drie instellingen zijn van mening dat raadpleging van het publiek en van belanghebbenden, evaluatie van bestaande wetgeving en effectbeoordelingen van nieuwe initiatieven bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling "beter wetgeven".

(7)

Om de onderhandelingen in het kader van de gewone wetgevingsprocedure te vergemakkelijken en de toepassing van de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te verbeteren, worden in dit akkoord de beginselen vastgesteld volgens welke de Commissie voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen alle nodige deskundigheid bijeenbrengt.

(8)

De drie instellingen verklaren dat de doelstellingen "vereenvoudigen van de Uniewetgeving" en "verminderen van de regeldruk" moeten worden nagestreefd zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de in de Verdragen vermelde doelstellingen van het Uniebeleid of aan de bescherming van de integriteit van de interne markt.

(9)

Dit akkoord vormt een aanvulling op de volgende akkoorden en verklaringen inzake beter wetgeven, ten aanzien waarvan de drie instellingen ten volle verbonden blijven:

Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten (1);

Interinstitutioneel Akkoord van 22 december 1998 betreffende de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving (2);

Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (3);

Gemeenschappelijke verklaring van 13 juni 2007 over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure (4);

Gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken (5),

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

I.   GEMEENSCHAPPELIJKE VERBINTENISSEN EN DOELSTELLINGEN

1.

Hierbij komen de drie instellingen overeen om door middel van een aantal initiatieven en procedures die in dit akkoord zijn omschreven beter wetgeven na te streven.

2.

Wijzend op het belang dat zij aan de communautaire methode hechten, komen de drie instellingen overeen om bij de uitoefening van hun bevoegdheden en overeenkomstig de in de Verdragen neergelegde procedures, algemene Unierechtelijke beginselen, zoals democratische legitimiteit, subsidiariteit en evenredigheid, en rechtszekerheid, in acht te zullen nemen. Voorts komen zij overeen om bij de opstelling van Uniewetgeving eenvoud, duidelijkheid en coherentie te bevorderen, alsook maximale transparantie van het wetgevingsproces.

3.

De drie instellingen komen overeen dat Uniewetgeving begrijpelijk en duidelijk moet zijn, burgers, overheidsdiensten en bedrijven in staat moet stellen gemakkelijk hun rechten en verplichtingen te begrijpen, passende voorschriften inzake rapportage, monitoring en evaluatie moet bevatten, overregulering en administratieve lasten moet vermijden en praktisch uitvoerbaar moet zijn.

II.   PROGRAMMERING

4.

De drie instellingen komen overeen om de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie te versterken overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, op grond waarvan de Commissie is belast met het nemen van initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering.

Meerjarige programmering

5.

Om planning op langere termijn te vergemakkelijken, wisselen de drie instellingen bij de benoeming van een nieuwe Commissie van gedachten over de voornaamste beleidsdoelstellingen en -prioriteiten van de drie instellingen voor de nieuwe mandaatperiode en, waar mogelijk, over een indicatief tijdschema.

Op initiatief van de Commissie formuleren de drie instellingen, voor zover van toepassing, gezamenlijke conclusies, die moeten worden ondertekend door de voorzitters van de drie Instellingen.

Op initiatief van de Commissie verrichten de drie instellingen een tussentijdse evaluatie van die gezamenlijke conclusies en sturen die waar nodig bij.

Jaarlijkse programmering — Werkprogramma van de Commissie en interinstitutionele programmering

6.

De Commissie treedt zowel voor als na de vaststelling van haar jaarlijks werkprogramma (hierna "werkprogramma van de Commissie" genoemd) in dialoog met het Europees Parlement en met de Raad. Die dialoog omvat het volgende:

a)

voordat de voorzitter en de eerste vicevoorzitter van de Commissie een schriftelijke bijdrage indienen waarin de voornaamste politieke onderwerpen voor het komende jaar voldoende nauwkeurig worden besproken en die aanwijzingen bevat over voorgenomen intrekkingen van Commissievoorstellen (hierna "intentieverklaring" genoemd) vinden vroegtijdige bilaterale gedachtewisselingen over initiatieven voor het komende jaar plaats;

b)

na het debat over de Staat van de Unie en vóór de goedkeuring van het werkprogramma van de Commissie wisselen het Europees Parlement en de Raad met de Commissie van gedachten op basis van de intentieverklaring;

c)

de drie instellingen wisselen overeenkomstig punt 7 van gedachten over het vastgestelde werkprogramma van de Commissie.

De Commissie houdt naar behoren rekening met de door het Europees Parlement en de Raad in elk stadium van de dialoog geformuleerde standpunten, met inbegrip van hun verzoeken om initiatieven.

7.

Nadat de Commissie haar werkprogramma heeft vastgesteld, wisselen de drie instellingen op basis van dat werkprogramma van gedachten over initiatieven voor het komende jaar en bereiken zij overeenstemming over een gezamenlijke verklaring over jaarlijkse interinstitutionele programmering (hierna "gezamenlijke verklaring" genoemd), die door de voorzitters van de drie instellingen moet worden ondertekend. In die gezamenlijke verklaring worden ruime doelstellingen en prioriteiten voor het komende jaar vermeld en worden onderwerpen van groot politiek belang aangeduid die, onverminderd de bij de Verdragen aan de medewetgevers toegekende bevoegdheden, in het wetgevingsproces prioritair moeten worden behandeld.

Tijdens het jaar monitoren de drie instellingen regelmatig de uitvoering van de gezamenlijke verklaring. Daartoe nemen de drie instellingen in het voorjaar van het betrokken jaar deel aan debatten in het Europees Parlement en/of de Raad over de uitvoering van de gezamenlijke verklaring.

8.

Het werkprogramma van de Commissie bevat de belangrijke voorstellen voor wetgevingshandelingen en niet-wetgevingshandelingen voor het volgende jaar, waaronder intrekkingen, herschikkingen, vereenvoudigingen en intrekkingen van voorstellen. Waar beschikbaar wordt in het werkprogramma van de Commissie voor elk voorstel de volgende informatie vermeld: de voorgenomen rechtsgrondslag; het type rechtshandeling; een indicatief tijdschema voor de vaststelling door de Commissie; iedere andere relevante informatie in verband met de procedure, waaronder informatie over werkzaamheden aangaande effectbeoordeling en evaluatie.

9.

Bij een voornemen om een wetgevingsvoorstel in te trekken, verstrekt de Commissie, in overeenstemming met de beginselen van loyale samenwerking en institutioneel evenwicht en ongeacht of op die intrekking een herzien voorstel volgt, de redenen voor die intrekking, geeft zij in voorkomend geval een aanwijzing voor de voorgenomen volgende stappen en een precies tijdschema en voert zij op basis daarvan passend interinstitutioneel overleg. De Commissie houdt naar behoren rekening met de standpunten van de medewetgevers en reageert daarop.

10.

De Commissie onderzoekt onmiddellijk en uitgebreid de verzoeken om voorstellen voor Uniehandelingen die het Europees Parlement of de Raad hebben gedaan overeenkomstig artikel 225 respectievelijk 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De Commissie antwoordt binnen drie maanden op dergelijke verzoeken en vermeldt daarbij door middel van een specifieke mededeling welk gevolg zij aan die verzoeken wenst te geven. Indien de Commissie in reactie op een dergelijk verzoek besluit geen voorstel in te dienen, verstrekt zij de betrokken instelling een uitvoerige motivering en verstrekt zij, waar passend, een analyse van mogelijke alternatieven en gaat zij in op eventuele punten die de medewetgevers hebben opgeworpen met betrekking tot analyses over "de Europese meerwaarde" en "de kosten van geen Europa".

Desgewenst presenteert de Commissie haar antwoord in het Europees Parlement of in de Raad.

11.

Gedurende het hele jaar verstrekt de Commissie geregeld bijgewerkte informatie over haar planning en geeft zij redenen voor eventuele vertragingen bij de indiening van voorstellen die in haar werkprogramma zijn opgenomen. De Commissie brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van haar werkprogramma voor het betrokken jaar.

III.   INSTRUMENTEN VOOR BETER WETGEVEN

Effectbeoordeling

12.

De drie instellingen zijn het erover eens dat effectbeoordelingen een positieve bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de Uniewetgeving.

Effectbeoordelingen vormen een instrument dat de drie instellingen helpt om tot goed onderbouwde besluiten te komen en treden niet in de plaats van de politieke besluiten van het democratische besluitvormingsproces. Effectenbeoordelingen mogen niet leiden tot onnodige vertragingen in het wetgevingsproces, noch afdoen aan de mogelijkheid voor de medewetgevers om wijzigingen voor te stellen.

Effectbeoordelingen moeten betrekking hebben op het bestaan, de omvang en de gevolgen van een probleem en op de vraag of een optreden van de Unie nodig is. Zij moeten alternatieve oplossingen in kaart brengen en, waar mogelijk, potentiële kosten en baten op de korte en lange termijn, waarbij zij een geïntegreerde en evenwichtige beoordeling dienen te maken van de economische, ecologische en sociale gevolgen en gebruik moeten maken van zowel kwalitatieve als kwantitatieve analyses. Het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, evenals de grondrechten, moeten ten volle worden geëerbiedigd. In effectbeoordelingen moet daarnaast waar mogelijk worden ingegaan op "de kosten van geen Europa" en op de gevolgen van de verschillende opties voor het concurrentievermogen en de administratieve lasten, met bijzondere aandacht voor de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) ("denk eerst klein"), digitale aspecten en territoriale gevolgen. Effectbeoordelingen moeten gebaseerd zijn op exacte, objectieve en volledige informatie en moeten evenredig zijn qua reikwijdte en aandachtsgebied.

13.

De Commissie verricht effectbeoordelingen voor haar wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven, gedelegeerde handelingen en uitvoeringsmaatregelen die naar verwachting significante economische, ecologische of sociale gevolgen zullen hebben. De initiatieven die zijn opgenomen in het werkprogramma van de Commissie of in de gezamenlijke verklaring gaan in de regel vergezeld van een effectbeoordeling.

In haar eigen effectbeoordelingsproces voert de Commissie op zo breed mogelijke schaal overleg. De Raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie voert een objectieve kwaliteitscontrole uit van de effectbeoordelingen van de Commissie. De definitieve resultaten van de effectbeoordelingen worden voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen en worden bekendgemaakt bij de vaststelling van het initiatief van de Commissie, samen met het advies/de adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing.

14.

Bij de behandeling van wetgevingsvoorstellen van de Commissie houden het Europees Parlement en de Raad ten volle rekening met de effectbeoordelingen van de Commissie. Daartoe worden effectbeoordelingen zodanig gepresenteerd dat het Europees Parlement en de Raad de door de Commissie gemaakte keuzes gemakkelijk kunnen bestuderen.

15.

Wanneer zij dit passend en noodzakelijk achten voor het wetgevingsproces, stellen het Europees Parlement en de Raad effectbeoordelingen op over hun wezenlijke wijzigingen van het Commissievoorstel. Het Europees Parlement en de Raad nemen in de regel de effectbeoordeling van de Commissie als uitgangspunt voor hun verdere werkzaamheden. Elke instelling moet zelf definiëren wat zij onder een "wezenlijke" wijziging verstaat.

16.

De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van het Europees Parlement of de Raad, haar eigen effectbeoordeling aanvullen of verdere analyses verrichten die zij noodzakelijk acht. Daarbij houdt de Commissie rekening met alle beschikbare informatie, het actuele stadium in het wetgevingsproces en de noodzaak om onnodige vertragingen in dat proces te vermijden. De medewetgevers houden ten volle rekening met alle bijkomende gegevens die de Commissie in dat verband heeft verstrekt.

17.

Elk van de drie instellingen bepaalt de wijze waarop haar werkzaamheden met betrekking tot effectbeoordelingen, met inbegrip van de interne organisatorische middelen en de kwaliteitscontrole, worden georganiseerd. Zij werken regelmatig samen door informatie uit te wisselen over goede praktijken en methoden in verband met effectbeoordelingen, zodat elke instelling haar eigen methodologie en procedures verder kan verbeteren, evenals de samenhang van de algehele werkzaamheden die in verband met de effectbeoordeling worden verricht.

18.

De initiële effectbeoordeling van de Commissie en eventuele bijkomende werkzaamheden die de instellingen in verband met de effectbeoordelingen tijdens het wetgevingsproces hebben verricht, worden uiterlijk aan het einde van het wetgevingsproces openbaargemaakt en kunnen samen als uitgangspunt voor evaluatie worden gebruikt.

Raadpleging van het publiek en van belanghebbenden en feedback

19.

Raadpleging van het publiek en van belanghebbenden vormt een wezenlijk onderdeel van een goed onderbouwde besluitvorming en is van belang voor het verbeteren van de wetgevingskwaliteit. Onverminderd de specifieke regelingen die krachtens artikel 155, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gelden voor de voorstellen van de Commissie, houdt de Commissie vóór de vaststelling van een voorstel op open en transparante wijze raadplegingen van het publiek, waarbij zij verzekert dat de wijze van uitvoering en termijnen van die raadplegingen van het publiek voor een zo breed mogelijke deelneming zorgen. De Commissie moedigt in het bijzonder de rechtstreekse participatie aan van kmo's en van andere eindgebruikers in de raadplegingen, onder meer door raadplegingen van het publiek via internet. De resultaten van die raadplegingen van het publiek en van belanghebbenden worden onverwijld meegedeeld aan de beide medewetgevers en openbaargemaakt.

Evaluatie van bestaande wetgeving

20.

De drie instellingen bevestigen het belang van een zo groot mogelijke consistentie en samenhang in de organisatie van hun werkzaamheden ter evaluatie van de doeltreffendheid van Uniewetgeving, met inbegrip van de daarmee samenhangende raadplegingen van het publiek en van belanghebbenden.

21.

De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad over haar meerjarige planning voor evaluaties van bestaande wetgeving en houdt bij die planning zoveel mogelijk rekening met hun verzoeken om diepgaande evaluatie van specifieke beleidsterreinen of rechtshandelingen.

Bij haar evaluatieplanning neemt de Commissie de in de Uniewetgeving gestelde termijnen voor verslagen en evaluaties in acht.

22.

In de context van de wetgevingscyclus moeten evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid, die zijn gebaseerd op doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde, de basis vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. Ter ondersteuning van die processen komen de drie instellingen overeen om, indien nodig, in de wetgeving voorschriften op te nemen voor rapportering, monitoring en evaluatie, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van wetgeving op het terrein worden verzameld.

23.

De drie instellingen komen overeen systematisch het gebruik van evaluatieclausules in wetgeving te overwegen en rekening te houden met de tijd die vereist is voor de uitvoering en voor het verzamelen van gegevens over resultaten en effecten.

De drie instellingen overwegen of zij de toepassing van bepaalde wetgeving tot een vaste periode beperken (hierna "vervalbepaling" genoemd).

24.

De drie instellingen informeren elkaar tijdig voordat zij hun richtsnoeren inzake hun instrumenten voor beter wetgeven vaststellen of herzien (raadpleging van het publiek en van belanghebbenden, effectbeoordelingen en evaluaties).

IV.   WETGEVINGSINSTRUMENTEN

25.

In de toelichting bij elk voorstel geeft de Commissie het Europees Parlement en de Raad uitleg en motivering bij de door haar gekozen rechtsgrondslag en het door haar gekozen type rechtshandeling. De Commissie dient naar behoren rekening te houden met het verschil in aard en in gevolgen tussen verordeningen en richtlijnen.

De Commissie zet in haar toelichting ook uiteen hoe de voorgestelde maatregelen gerechtvaardigd zijn in het licht van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel en waarom zij verenigbaar zijn met de grondrechten. Voorts gaat de Commissie nader in op de reikwijdte en de resultaten van de door haar verrichte raadpleging van het publiek en van belanghebbenden, evenals van de door haar verrichte effectbeoordeling en evaluatie van bestaande wetgeving.

De drie instellingen wisselen van gedachten over een beoogde wijziging van de rechtsgrondslag wanneer die tot gevolg heeft dat in de plaats van de gewone wetgevingsprocedure een bijzondere wetgevingsprocedure of een niet-wetgevingsprocedure wordt toegepast.

De drie instellingen zijn het erover eens dat de keuze van de rechtsgrondslag het gevolg is van een juridische beoordeling die moet berusten op objectieve gronden die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.

De Commissie blijft ten volle haar institutionele rol vervullen om ervoor te zorgen dat de Verdragen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in acht worden genomen.

V.   GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

26.

De drie instellingen benadrukken de belangrijke rol die gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen in het Unierecht vervullen. Indien zij op doelmatige en transparante wijze en in gerechtvaardigde gevallen worden gebruikt, vormen zij wezenlijke instrumenten voor beter wetgeven, daar zij bijdragen aan eenvoudige, bijgewerkte wetgeving en aan een doelmatige en snelle uitvoering daarvan. Het is aan de wetgever om te bepalen of en in hoeverre, binnen de perken van de Verdragen, van gedelegeerde of uitvoeringshandelingen wordt gebruikgemaakt.

27.

De drie instellingen erkennen de noodzaak om alle bestaande wetgeving aan te passen aan het bij het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader, en met name de noodzaak om hoge prioriteit te verlenen aan de snelle aanpassing van alle basishandelingen die nog verwijzen naar de regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie dient uiterlijk eind 2016 voorstellen in met betrekking tot die laatstgenoemde aanpassing.

28.

De drie instellingen hebben overeenstemming bereikt over een in de bijlage opgenomen Gezamenlijke Afspraak over gedelegeerde handelingen en over de daarmee verband houdende standaardbepalingen (hierna "Gezamenlijke Afspraak" genoemd). Overeenkomstig die Gezamenlijke Afspraak en met het oog op meer transparantie en overleg verbindt de Commissie zich ertoe om, voorafgaand aan de vaststelling van gedelegeerde handelingen, alle nodige deskundigheid op te doen, onder meer door raadpleging van deskundigen van de lidstaten en door raadplegingen van het publiek.

Telkens wanneer in een vroeg stadium van de voorbereiding van ontwerpuitvoeringshandelingen een ruimere expertise nodig is, doet de Commissie, indien nodig, een beroep op deskundigengroepen of raadpleegt zij specifieke belanghebbenden of het publiek.

Om te zorgen voor gelijke toegang tot alle informatie ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten. Deskundigen van het Europees Parlement en van de Raad hebben systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie waarvoor deskundigen van de lidstaten zijn uitgenodigd en die de voorbereiding van gedelegeerde handelingen betreffen.

De Commissie kan worden uitgenodigd voor vergaderingen in het Europees Parlement of de Raad om verder van gedachten te wisselen over de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

Na de inwerkingtreding van dit akkoord vatten de drie instellingen onverwijld onderhandelingen aan om de Gezamenlijke Afspraak aan te vullen met niet-bindende criteria voor de toepassing van de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

29.

De drie instellingen verbinden zich ertoe om uiterlijk eind 2017 in nauwe onderlinge samenwerking een gemeenschappelijk functioneel register van gedelegeerde handelingen in te stellen dat op een goed gestructureerde en gebruiksvriendelijke manier informatie verstrekt teneinde de transparantie te bevorderen, de planning te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat alle onderscheiden stadia van de levenscyclus van een gedelegeerde handeling traceerbaar zijn.

30.

Aangaande de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie komen de drie instellingen overeen in Uniewetgeving geen procedurele voorschriften op te nemen die zouden leiden tot een wijziging van de controlemechanismen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6). De comités die hun taken volgens de bij die verordening ingestelde procedure verrichten, mag in die hoedanigheid niet worden verzocht andere functies uit te oefenen.

31.

Mits de Commissie zorgt voor een objectieve motivering op basis van een wezenlijk verband tussen twee of meer bevoegdheidsdelegaties in één wetgevingshandeling, en tenzij in de wetgevingshandeling anders is bepaald, mogen bevoegdheidsdelegaties worden gebundeld. Overleg bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen dient tevens om te bepalen tussen welke bevoegdheidsdelegaties er een wezenlijk verband wordt geacht te bestaan. In die gevallen wordt in eventuele bezwaren van het Europees Parlement of de Raad duidelijk aangegeven op welke bevoegdheidsdelegatie het bezwaar specifiek betrekking heeft.

VI.   TRANSPARANTIE EN COÖRDINATIE VAN HET WETGEVINGSPROCES

32.

De drie instellingen erkennen dat de gewone wetgevingsprocedure zich heeft ontwikkeld op basis van regelmatige contacten in alle stadia van de procedure. Zij blijven zich inzetten voor het verder verbeteren van de werkzaamheden die in de gewone wetgevingsprocedure worden verricht, in overeenstemming met de beginselen van loyale samenwerking, transparantie, verantwoording en efficiëntie.

De drie instellingen zijn het er met name over eens dat het Europees Parlement en de Raad, als de medewetgevers, hun bevoegdheden op voet van gelijkheid moeten uitoefenen. De Commissie oefent haar faciliterende rol uit door de twee takken van de wetgevende autoriteit gelijk te behandelen, met volledige inachtneming van de rollen die in de Verdragen aan de drie instellingen zijn toebedeeld.

33.

Via passende procedures, waaronder een onderlinge dialoog, houden de drie instellingen elkaar tijdens het wetgevingsproces regelmatig op de hoogte van hun werkzaamheden, van lopende onderhandelingen die zij onderling voeren en van elke feedback die zij mogelijk van belanghebbenden ontvangen.

34.

Het Europees Parlement en de Raad zijn het in hun hoedanigheid van medewetgevers erover eens dat het belangrijk is om nog voor de aanvang van de interinstitutionele onderhandelingen nauwe contacten te onderhouden zodat zij elkaars standpunten beter begrijpen. Daartoe faciliteren zij in de wetgevingsprocedure de wederzijdse uitwisseling van gedachten en informatie, onder meer door de vertegenwoordigers van de andere instellingen regelmatig uit te nodigen voor informele gedachtewisselingen.

35.

Ter wille van de efficiëntie zorgen het Europees Parlement en de Raad voor een betere afstemming van hun behandeling van wetgevingsvoorstellen. Het Europees Parlement en de Raad vergelijken met name indicatieve tijdschema's voor de diverse stadia die tot de uiteindelijke aanneming van elk wetgevingsvoorstel leiden.

36.

Waar passend kunnen de drie instellingen overeenkomen de inspanningen voor het versnellen van het wetgevingsproces te coördineren, waarbij zij ervoor zorgen dat de prerogatieven van de medewetgevers worden in acht genomen en de kwaliteit van de wetgeving wordt gevrijwaard.

37.

De drie instellingen zijn het erover eens dat de verstrekking van informatie aan de nationale parlementen hen in staat moet stellen om hun in de Verdragen erkende prerogatieven ten volle uit te oefenen.

38.

Op basis van de desbetreffende wetgeving en rechtspraak zorgen de drie instellingen voor de transparantie van de wetgevingsprocedures, met inbegrip van een passende afhandeling van trilaterale onderhandelingen.

De drie instellingen zullen tijdens de gehele wetgevingscyclus de communicatie met het publiek verbeteren en met name gezamenlijk aankondigen, nadat zij overeenstemming hebben bereikt, dat het wetgevingsproces in de gewone wetgevingsprocedure met succes is afgerond, met name via gezamenlijke persconferenties of enig ander daartoe passend geacht middel.

39.

Om de traceerbaarheid van de diverse stappen in het wetgevingsproces te bevorderen, verbinden de drie instellingen zich ertoe om uiterlijk 31 december 2016 aan te geven hoe daartoe verder platforms en instrumenten kunnen worden ontwikkeld, zodat een specifieke gezamenlijke database over de stand van zaken van wetgevingsdossiers kan worden aangemaakt.

40.

De drie instellingen erkennen dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat elke instelling haar rechten kan uitoefenen en haar verplichtingen kan nakomen met betrekking tot onderhandelingen over en het sluiten van internationale overeenkomsten, zoals die rechten en verplichtingen zijn vastgelegd in de Verdragen en zijn uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De drie instellingen verbinden zich ertoe om binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord bijeen te komen om te onderhandelen over verbeterde praktische regelingen voor samenwerking en informatiedeling in het kader van de Verdragen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

VII.   UITVOERING EN TOEPASSING VAN UNIEWETGEVING

41.

De drie instellingen zijn het erover eens dat een meer gestructureerde onderlinge samenwerking van belang is ter beoordeling van de toepassing en de doeltreffendheid van het Unierecht, met het oog op het verbeteren van het Unierecht door middel van toekomstige wetgeving.

42.

De drie instellingen benadrukken de noodzaak van een snelle en correcte toepassing van Uniewetgeving in de lidstaten. De termijn voor omzetting van richtlijnen zal zo kort mogelijk zijn en zal in de regel niet meer dan twee jaar bedragen.

43.

De drie instellingen verzoeken de lidstaten het publiek duidelijk te informeren over door hen genomen maatregelen ter omzetting of uitvoering van Uniewetgeving of ter uitvoering van de Uniebegroting. Elementen die de lidstaten bij de omzetting van richtlijnen in intern recht hebben toegevoegd en die op geen enkele wijze verband houden met die Uniewetgeving moeten in de omzettingsmaatregel of in daarmee verband houdende documenten herkenbaar worden gemaakt.

44.

De drie instellingen verzoeken de lidstaten om met de Commissie samen te werken bij het verzamelen van de informatie en de gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de uitvoering van Uniewetgeving. Aangaande de toelichtende stukken die de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezellen, herinneren de drie instellingen aan de Gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (7) en aan de Gezamenlijke politieke verklaring van 27 oktober 2011 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over toelichtende stukken, en benadrukken zij het belang van die verklaringen.

45.

De Commissie blijft jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de toepassing van de Uniewetgeving. In dit verslag van de Commissie wordt, waar passend, gewag gemaakt van de informatie als bedoeld in punt 43. De Commissie kan verdere informatie over de stand van de uitvoering van een bepaalde rechtshandeling verstrekken.

VIII.   VEREENVOUDIGING

46.

De drie instellingen bevestigen dat zij zich ertoe verbinden vaker gebruik te maken van de wetgevingstechniek van herschikking voor het wijzigen van bestaande wetgeving, met volledige inachtneming van het Interinstitutionele Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten. Wanneer herschikking niet passend is, dient de Commissie zo spoedig mogelijk na de vaststelling van een wijzigingshandeling een voorstel in overeenkomstig het Interinstitutionele Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten. Indien de Commissie niet een dergelijk voorstel indient, geeft zij de redenen daarvoor.

47.

Om overregulering en administratieve lasten te vermijden en de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken, verbinden de drie instellingen zich ertoe de efficiëntste regelgevingsinstrumenten, zoals harmonisering en wederzijdse erkenning, te bevorderen.

48.

De drie instellingen komen overeen samen te werken voor het bijwerken en vereenvoudigen van wetgeving en ter vermijding van overregulering en administratieve lasten voor burgers, overheidsdiensten en bedrijven, met inbegrip van kmo's, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de doelstellingen van de wetgeving worden verwezenlijkt. In dit verband komen de drie instellingen overeen over die aangelegenheid van gedachten te wisselen voordat het werkprogramma van de Commissie is afgerond.

Als bijdrage aan haar programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) verbindt de Commissie zich ertoe jaarlijks een overzicht te presenteren, waaronder een jaarlijks lastenoverzicht, van de resultaten die de Unie heeft geboekt bij het vereenvoudigen van wetgeving, het vermijden van overregulering en het verminderen van administratieve lasten.

Op basis van de werkzaamheden van de instellingen op het gebied van effectbeoordeling en evaluatie en op basis van de inbreng van de lidstaten en belanghebbenden en rekening houdend met de kosten en baten van regulering door de Unie, kwantificeert de Commissie, telkens waar dat mogelijk is, de vermindering van de regelgevingslast of het besparingspotentieel van afzonderlijke voorstellen of rechtshandelingen.

De Commissie beoordeelt tevens hoe haalbaar het is in REFIT doelstellingen vast te stellen voor het terugdringen van lasten in specifieke sectoren.

IX.   UITVOERING EN MONITORING VAN DIT AKKOORD

49.

De drie instellingen treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij over de vereiste middelen beschikken voor de adequate uitvoering van dit akkoord.

50.

De drie instellingen monitoren gezamenlijk en regelmatig de uitvoering van dit akkoord, zowel op politiek niveau door middel van jaarlijkse besprekingen als op technisch niveau in de interinstitutionele coördinatiegroep.

X.   SLOTBEPALINGEN

51.

Dit interinstitutioneel akkoord vervangt het Interinstitutioneel Akkoord beter wetgeven van 16 december 2003 (8) en de Interinstitutionele Gemeenschappelijke Aanpak van effectbeoordelingen van november 2005 (9).

De bijlagen bij dit interinstitutioneel akkoord vervangen het Gezamenlijk Akkoord van 2011 over gedelegeerde handelingen.

52.

Dit akkoord treedt in werking op de dag van zijn ondertekening.

Съставено в Страсбург, 13 април 2016 г.

Hecho en Estrasburgo, el 13 de abril de 2016.

Ve Štrasburku dne 13. dubna 2016.

Udfærdiget i Strasbourg, den 13. april 2016.

Geschehen zu Straßburg am 13. April 2016.

Strasbourg, 13. aprill 2016

Έγινε στο Στρασβούργο, 13 Απριλίου 2016.

Done at Strasbourg, 13 April 2016.

Fait à Strasbourg, le 13 avril 2016.

Arna dhéanamh in Strasbourg, an 13 Aibreán 2016.

Sastavljeno u Strasbourgu 13. travnja 2016.

Fatto a Strasburgo, addì 13 aprile 2016.

Strasbūrā, 2016. gada 13. aprīlī.

Priimta Strasbūre 2016 m. balandžio 13 d.

Kelt Strasbourgban, 2016. április 13-én.

Magħmul fi Strasburgu, 13 ta' April 2016.

Gedaan te Straatsburg, 13 april 2016.

Sporządzono w Strasburgu dnia 13 kwietnia 2016 r.

Feito em Estrasbourgo, em 13 de abril de 2016.

Întocmit la Strasbourg 13 aprilie 2016.

V Štrasburgu 13. apríla 2016.

V Strasbourgu, 13. aprila 2016.

Tehty Strasbourgissa 13. huhtikuuta 2016.

Som skedde i Strasbourg den 13 april 2016.

За Европейския парламент

Por el Parlamento Europeo

Za Evropský parlament

For Europa-Parlamentet

Im Namen des Europäischen Parlaments

Euroopa Parlamendi nimel

Για το Ευρωπαϊκό Κοινοβούλιο

For the European Parliament

Pour le Parlement européen

Thar ceann Pharlaimint na hEorpa

Za Europski parlament

Per il Parlamento europeo

Eiroparlamenta vārdā

Europos Parlamento vardu

Az Európai Parlament részéről

Għall-Parlament Ewropew

Voor het Europees Parlement

W imieniu Parlamentu Europejskiego

Pelo Parlamento Europeu

Pentru Parlamentul European

Za Európsky parlament

Za Evropski parlament

Euroopan parlamentin puolesta

På Europaparlamentets vägnar

За Съвета

Por el Consejo

Za Radu

På Rådets vegne

Im Namen des Rates

Nõukogu nimel

Για το Συμβούλιο

For the Council

Pour le Conseil

Thar ceann Comhairle

Za Vijeće

Per il Consiglio

Padomes vārdā

Tarybos vardu

A Tanács részéről

Għall-Kunsill

Voor de Raad

W imieniu Rady

Pelo Conselho

Pentru Consiliu

Za Radu

Za Svet

Neuvoston puolesta

På rådets vägnar

За Комисията

Por la Comisión

Za Komisi

På Kommissionens vegne

Im Namen der Kommission

Komisjoni nimel

Για την Επιτροπή

For the Commission

Pour la Commission

Thar ceann an Choimisiúin

Za Komisiju

Per la Commissione

Komisijas vārdā

Komisijos vardu

A Bizottság részéről

Għall-Kummissjoni

Voor de Commissie

W imieniu Komisji

Pela Comissão

Pentru Comisie

Za Komisiu

Za Komisijo

Komission puolesta

På kommissionens vägnar

Председател/El Presidente/Předseda/Formand/Der Präsident/President-Eesistuja/O Πρóεδρος/The President/Le Président/An tUachtarán/Predsjednik/Il Presidente/Priekšsēdētājs/Pirmininkas/Az elnök/Il-President/de Voorzitter/Przewodniczący/O Presidente/Președintele/Predseda/Predsednik/Puheenjohtaja/Ordförande

Image

Martin SCHULZ

Image

Jeanine Antoinette HENNIS-PLASSCHAERT

Image

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.

(2)  PB C 73 van 17.3.1999, blz. 1.

(3)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(4)  PB C 145 van 30.6.2007, blz. 5.

(5)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 15.

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(8)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(9)  http://ec.europa.eu/smart-regulation/better_regulation/documents/ii_common_approach_to_ia_en.pdf


BIJLAGE

Gezamenlijk akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over gedelegeerde handelingen

I.   Toepassingsgebied en algemene beginselen

1.

Deze gezamenlijke afspraak bouwt voort op en vervangt het Gezamenlijk Akkoord van 2011 over gedelegeerde handelingen en stroomlijnt de werkwijze die het Europees Parlement en de Raad nadien hebben vastgelegd. Het bevat de praktische regelingen en overeengekomen verduidelijkingen en voorkeuren die van toepassing zijn op de overdracht van wetgevende bevoegdheid krachtens artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Volgens dat artikel moeten de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van een bevoegdheidsdelegatie in elke wetgevingshandeling die in een dergelijke delegatie voorziet (hierna "basishandeling" genoemd) uitdrukkelijk worden afgebakend.

2.

Bij de uitoefening van hun bevoegdheden en overeenkomstig de in het VWEU vastgestelde procedures werken het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna "de drie instellingen" genoemd) gedurende de gehele procedure samen met het oog op een soepele uitoefening van de overgedragen bevoegdheid en een doeltreffende controle van die bevoegdheid door het Europees Parlement en de Raad. Hiertoe worden op administratief niveau de nodige contacten onderhouden.

3.

Wanneer wordt voorgesteld om bevoegdheid krachtens artikel 290 VWEU over te dragen, of wanneer een dergelijke bevoegdheid wordt overgedragen, gebruiken de betrokken instellingen, afhankelijk van de procedure voor de vaststelling van de basishandeling, zoveel mogelijk de standaardbepalingen uit het bijgevoegde aanhangsel.

II.   Overleg bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen

4.

Bij de voorbereiding van ontwerpen van gedelegeerde handelingen raadpleegt de Commissie door elke lidstaat aangewezen deskundigen. De deskundigen van de lidstaten worden tijdig geraadpleegd over elk ontwerp van gedelegeerde handeling dat door de diensten van de Commissie is opgesteld (*). De ontwerpen van gedelegeerde handelingen worden gedeeld met de deskundigen van de lidstaten. Die raadplegingen vinden plaats via bestaande deskundigengroepen, of via ad-hocvergaderingen met deskundigen uit de lidstaten, waarvoor de Commissie de uitnodigingen via de permanente vertegenwoordigingen van alle lidstaten verzendt. Het is aan de lidstaten om te beslissen welke deskundigen deelnemen. Met het oog op de voorbereiding krijgen de deskundigen van de lidstaten tijdig de ontwerpen van gedelegeerde handelingen, de ontwerpagenda en alle andere relevante documenten.

5.

Aan het eind van elke vergadering met de deskundigen van de lidstaten of ten vervolge van die vergaderingen formuleren de diensten van de Commissie de conclusies die zij uit het overleg hebben getrokken, onder meer over de vraag hoe zij rekening zullen houden met de standpunten van de deskundigen en hoe zij verder te werk wensen te gaan. Die conclusies worden opgenomen in de notulen van de vergadering.

6.

De voorbereiding en de opstelling van gedelegeerde handelingen kan ook de raadpleging van belanghebbenden inhouden.

7.

Indien de materiële inhoud van een ontwerp van gedelegeerde handeling op enigerlei wijze wordt gewijzigd, biedt de Commissie de deskundigen van de lidstaten de gelegenheid om, waar van toepassing schriftelijk, te reageren op de gewijzigde versie van het ontwerp van de gedelegeerde handeling.

8.

In de toelichting bij de gedelegeerde handeling wordt een samenvatting van het raadplegingsproces opgenomen.

9.

De Commissie stelt regelmatig een indicatieve lijst van geplande gedelegeerde handelingen beschikbaar.

10.

Bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen zorgt de Commissie ervoor dat alle documenten, waaronder de ontwerphandelingen, tijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad en op hetzelfde tijdstip aan de deskundigen van de lidstaten.

11.

Indien zij dat noodzakelijk achten, kunnen zowel het Europees Parlement als de Raad deskundigen sturen naar de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen waarvoor deskundigen van de lidstaten zijn uitgenodigd. Daartoe ontvangen het Europees Parlement en de Raad de planning voor de komende maanden en de uitnodigingen voor alle deskundigenvergaderingen.

12.

De drie instellingen delen elkaar mee welke functionele mailboxen moeten worden gebruikt voor de toezending en de ontvangst van alle documenten die gedelegeerde handelingen betreffen. Zodra het in punt 29 van dit akkoord bedoelde register is ingesteld, wordt dat daartoe gebruikt.

III.   Regeling voor toezending van documenten en berekening van termijnen

13.

De Commissie zendt de gedelegeerde handelingen via een passend mechanisme officieel toe aan het Europees Parlement en de Raad. Gerubriceerde documenten worden behandeld conform de interne administratieve procedures ter zake van elke instelling, zodat alle nodige waarborgen worden geboden.

14.

Om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de Raad de in artikel 290 VWEU bedoelde rechten kunnen uitoefenen binnen de in elke basishandeling vastgelegde termijnen, zendt de Commissie in de volgende perioden geen gedelegeerde handelingen toe:

van 22 december tot en met 6 januari;

van 15 juli tot en met 20 augustus.

Deze perioden gelden alleen wanneer de termijn voor indiening van bezwaren op punt 18 is gebaseerd.

Die perioden gelden niet voor gedelegeerde handelingen die worden vastgesteld volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in deel VI van deze Gezamenlijke Afspraak. Indien tijdens één van de in de eerste alinea bedoelde perioden een gedelegeerde handeling wordt vastgesteld volgens de spoedprocedure, gaat de in de basishandeling vermelde termijn voor indiening van bezwaren pas in wanneer de betrokken periode is verstreken.

Uiterlijk in oktober van het jaar vóór de verkiezingen van het Europees Parlement treffen de drie instellingen een regeling voor de kennisgeving van gedelegeerde handelingen tijdens het verkiezingsreces.

15.

De termijn voor indiening van bezwaren vangt aan wanneer het Europees Parlement en de Raad alle officiële taalversies van de gedelegeerde handeling hebben ontvangen.

IV.   Duur van de delegatie

16.

In de basishandeling kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om voor een onbepaalde of bepaalde termijn gedelegeerde handelingen vast te stellen.

17.

Indien is voorzien in een bepaalde termijn, moet in beginsel in de basishandeling worden bepaald dat de bevoegdheidsdelegatie stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur wordt verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen die verlenging verzet. Uiterlijk negen maanden vóór het einde van elke termijn stelt de Commissie een verslag op over de gedelegeerde bevoegdheid. Dit punt doet geen afbreuk aan het recht van het Europees Parlement of de Raad om de delegatie in te trekken.

V.   Termijn voor het maken van bezwaar door het Europees Parlement en de Raad

18.

Onverminderd de spoedprocedure mag de bezwaartermijn die in elke basishandeling per geval wordt vastgesteld, in beginsel niet minder dan twee maanden bedragen; op initiatief van elke instelling (het Europees Parlement of de Raad) kan die termijn met twee maanden worden verlengd.

19.

Indien het Europees Parlement en de Raad de Commissie hebben meegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken, kan de gedelegeerde handeling echter vóór het verstrijken van die termijn worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden.

VI.   Spoedprocedure

20.

De spoedprocedure moet worden voorbehouden voor uitzonderlijke gevallen, zoals veiligheid, volksgezondheid of externe betrekkingen, waaronder humanitaire crises. Het Europees Parlement en de Raad moeten in de basishandeling de keuze van een spoedprocedure motiveren. In de basishandeling wordt gepreciseerd in welke gevallen de spoedprocedure moet worden gebruikt.

21.

De Commissie houdt het Europees Parlement en de Raad volledig op de hoogte van de mogelijkheid dat een gedelegeerde handeling volgens de spoedprocedure wordt vastgesteld. Zodra de Commissiediensten dat verwachten, lichten zij de secretariaten van het Europees Parlement en de Raad daarover informeel in via de in punt 12 bedoelde functionele mailboxen.

22.

Een gedelegeerde handeling die volgens de spoedprocedure wordt vastgesteld, treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang er binnen de in de basishandeling vermelde termijn geen bezwaar wordt gemaakt. Indien er bezwaar wordt gemaakt door het Europees Parlement of de Raad, trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving door het Europees Parlement of de Raad van het besluit om bezwaar te maken.

23.

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in het kader van een spoedprocedure in kennis stelt van een gedelegeerde handeling, vermeldt zij de redenen voor het volgen van die procedure.

VII.   Bekendmaking in het Publicatieblad

24.

Gedelegeerde handelingen worden pas bekendgemaakt in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie nadat de bezwaartermijn is verstreken, behalve wanneer sprake is van de in punt 19 vermelde omstandigheden. Volgens de spoedprocedure vastgestelde gedelegeerde handelingen worden onverwijld bekendgemaakt.

25.

Onverminderd artikel 297 VWEU worden besluiten van het Europees Parlement of de Raad om een bevoegdheidsdelegatie in te trekken, bezwaar te maken tegen een volgens de spoedprocedure vastgestelde gedelegeerde handeling of zich te verzetten tegen de stilzwijgende verlenging van een bevoegdheidsdelegatie eveneens in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Een besluit tot intrekking van de delegatie treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

26.

De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie ook de besluiten tot intrekking van gedelegeerde handelingen bekend die volgens de spoedprocedure zijn vastgesteld.

VIII.   Uitwisseling van informatie, met name bij intrekking

27.

Bij de uitoefening van hun rechten ter toepassing van de in de basishandeling vermelde voorwaarden informeren het Europees Parlement en de Raad elkaar en de Commissie.

28.

Wanneer het Europees Parlement of de Raad een procedure begint die tot intrekking van een bevoegdheidsdelegatie kan leiden, worden de twee andere instellingen uiterlijk één maand voor de vaststelling van het intrekkingsbesluit daarvan op de hoogte gebracht.


(*)  Onverminderd de in dit akkoord neergelegde regelingen voor raadpleging, wordt rekening gehouden met de nadere details van de procedure voor het voorbereiden van technische reguleringsnormen, zoals omschreven in de ESA-Verordeningen [Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12), Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48) en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84)].

Aanhangsel

Standaardbepalingen

Overweging:

Teneinde … [doelstelling], moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van … [inhoud en strekking]. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

Artikel(en) waarbij bevoegdheden worden overgedragen

De Commissie [is bevoegd overeenkomstig artikel [A] gedelegeerde handelingen vast te stellen][stelt overeenkomstig artikel [A] gedelegeerde handelingen vast] met betrekking tot … [inhoud en strekking].

Aanvullende alinea die moet worden toegevoegd wanneer de spoedprocedure van toepassing is:

Indien dit in geval van … [inhoud en strekking] om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel [B] neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel [A]

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

[duur]

Optie 1:

2.

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van … [datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling of een andere door de medewetgevers vastgestelde datum].

Optie 2:

2.

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van … jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling of een andere door de medewetgevers vastgestelde datum]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van … jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

Optie 3:

2.

De in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van … jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van de basiswetgevingshandeling of een andere door de medewetgevers vastgestelde datum].

3.

Het Europees Parlement of de Raad kan de in (de) artikel(en) … bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.

Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.

Een overeenkomstig (de) artikel(en) … vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met [twee maanden] verlengd.

Aanvullend artikel dat moet worden toegevoegd wanneer de spoedprocedure van toepassing is:

Artikel [B]

Spoedprocedure

1.

Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.

Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel [A], lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.


Top