EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0052

Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten Voor de EER relevante tekst

OJ L 124, 25.4.2014, p. 1–18 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/52/oj

25.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/1


RICHTLIJN 2014/52/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) heeft de beginselen van milieueffectbeoordeling van projecten geharmoniseerd door de invoering van minimumvereisten (met betrekking tot het type te beoordelen projecten, de belangrijkste verplichtingen van de opdrachtgevers, de inhoud van de beoordeling en de inspraak van de bevoegde instanties en het publiek) en draagt bij aan een hoog beschermingsniveau van het milieu en de menselijke gezondheid. Het staat de lidstaten vrij strengere beschermingsmaatregelen vast te stellen overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(2)

In de mededeling van de Commissie van 30 april 2007 getiteld „De tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma” en het verslag van de Commissie van 23 juli 2009 over de toepassing en de doeltreffendheid van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad (5), de voorloper van Richtlijn 2011/92/EU, wordt benadrukt dat de beginselen voor de milieueffectbeoordeling van projecten moeten worden verbeterd en dat Richtlijn 85/337/EEG moet worden aangepast aan de aanzienlijk gewijzigde juridische, technische en beleidscontext.

(3)

Richtlijn 2011/92/EU moet worden gewijzigd om de kwaliteit van de milieueffectbeoordelingsprocedure te verbeteren, de procedure in overeenstemming te brengen met de beginselen van slimme regelgeving en de samenhang en synergieën met de overige wetgeving en beleidsinitiatieven van de Unie, alsmede met de door de lidstaten voor hun bevoegdheidsdomeinen ontwikkelde strategieën en beleidsmaatregelen te versterken.

(4)

Teneinde de beoordelingsprocedures voor grensoverschrijdende projecten te coördineren en te vergemakkelijken, met name om raadplegingen te houden overeenkomstig het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband van 25 februari 1991 (Verdrag van Espoo), kunnen de deelnemende lidstaten een paritair samengestelde gemeenschappelijke instantie instellen.

(5)

Via de mechanismen zoals neergelegd in Verordeningen (EU) nr. 347/2013 (6), (EU) nr. 1315/2013 (7), (EU) nr. 1316/2013 (8) van het Europees Parlement en de Raad, die van belang zijn voor door de Unie medegefinancierde infrastructuurprojecten, kan ook de uitvoering van de vereisten van Richtlijn 2011/92/EU worden gefaciliteerd.

(6)

Richtlijn 2011/92/EU moet bovendien zodanig worden herzien dat deze zal waarborgen dat het milieu beter wordt beschermd, hulpbronnen efficiënter worden gebruikt en duurzame groei in de Unie wordt bevorderd. Daartoe moeten de voorziene procedures worden vereenvoudigd en geharmoniseerd.

(7)

Milieuoverwegingen zoals een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen, de bescherming van de biodiversiteit, klimaatverandering en risico's op ongevallen en rampen hebben het afgelopen decennium aan belang gewonnen bij de beleidsvorming. Deze moeten derhalve worden meegenomen als belangrijke elementen in de beoordelings- en besluitvormingsprocessen.

(8)

In haar mededeling van 20 september 2011 getiteld „Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa” heeft de Commissie zich ertoe verbonden bij de herziening van Richtlijn 2011/92/EU rekening te houden met overwegingen inzake een efficiënt en duurzaam hulpbronnengebruik.

(9)

De mededeling van de Commissie van 22 september 2006 getiteld „Thematische strategie voor bodembescherming” en het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa onderstrepen het belang van een duurzaam bodemgebruik en de noodzaak om de niet-duurzame toename van de bebouwde oppervlakte („ruimtebeslag”) aan te pakken. Bovendien worden in het eindrapport van de VN-Conferentie over Duurzame Ontwikkeling, die van 20 tot 22 juni 2012 in Rio de Janeiro plaatsvond, de economische en sociale effecten erkend van een goed grondbeheer, met inbegrip van de bodem, en wordt gepleit voor dringende maatregelen om de bodemaantasting te keren. Bij openbare en publieke projecten moeten de effecten ervan op het grondgebruik, met name ruimtebeslag, op het bodemgebruik, waaronder organische materialen, erosie, bodemverdichting en afdekking worden bekeken en beperkt, van toepassing zijnde bodembestemmingsplannen; nationaal, regionaal en lokaal ruimtelijkordeningsbeleid zijn in dit verband ook van belang.

(10)

Op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit („het verdrag”), waarbij de Unie op grond van Besluit 93/626/EEG van de Raad (9) partij is, moeten aanzienlijke nadelige effecten van projecten op de biodiversiteit, als gedefinieerd in artikel 2 van het verdrag, voor zover mogelijk en op passende wijze worden beoordeeld teneinde die effecten te vermijden of te minimaliseren. Deze voorafgaande beoordeling van deze effecten moet bijdragen tot het bereiken van de door de Raad in zijn conclusies op 25-26 maart 2010 vastgestelde EU-kerndoelstelling om tegen 2020 een halt toe te roepen aan het verlies van biodiversiteit en de achteruitgang van ecosysteemdiensten, en deze waar mogelijk te herstellen.

(11)

Maatregelen die worden genomen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu, in het bijzonder op ingevolge van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (10) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) beschermde soorten en habitats, te vermijden, te voorkomen, te beperken en, indien mogelijk, te compenseren, moeten bijdragen tot het vermijden van elke achteruitgang van de milieukwaliteit en elk nettoverlies van biodiversiteit overeenkomstig de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van het verdrag en de doelstellingen en acties van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 vastgelegd in de mededeling van de Commissie van 3 mei 2011 getiteld „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020”.

(12)

Teneinde een hoog niveau van bescherming van het mariene milieu te waarborgen, met name van soorten en habitats, moet bij milieueffectbeoordelings- en screeningprocedures voor projecten in het mariene milieu rekening worden gehouden met de kenmerken van de projecten, met bijzondere aandacht voor de gebruikte technologieën, zoals seismisch onderzoek met gebruikmaking van actieve sonars. Hiertoe kunnen de vereisten van Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) ook de uitvoering van de vereisten van deze richtlijn faciliteren.

(13)

Klimaatverandering zal schade aan het milieu blijven veroorzaken en blijft een bedreiging voor economische ontwikkeling. In dit verband is het passend de effecten van projecten op het klimaat (bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen) en hun kwetsbaarheid voor klimaatverandering te beoordelen.

(14)

Na de mededeling van de Commissie van 23 februari 2009 getiteld „Een communautaire aanpak van de preventie van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen” heeft de Raad de Commissie in zijn conclusies van 30 november 2009 opgeroepen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering, toetsing en de verdere ontwikkeling van de Unie-initiatieven zowel rekening wordt gehouden met vraagstukken op het gebied van rampenpreventie en -beheersing als met en het actiekader van Hyogo van de Verenigde Naties (2005-2015) vastgesteld op 22 januari 2005, waarin wordt benadrukt dat procedures moeten worden vastgesteld voor de beoordeling van de effecten van grote infrastructuurprojecten op het risico op rampen.

(15)

Teneinde een hoog niveau van bescherming van het milieu te waarborgen, moeten er voorzorgsmaatregelen worden getroffen voor bepaalde projecten die vanwege hun kwetsbaarheid voor zware ongevallen en/of natuurrampen (bijvoorbeeld overstromingen, zeespiegelstijgingen, aardbevingen) aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Voor dergelijke projecten is het van belang rekening te houden met de kwetsbaarheid (blootstelling en weerbaarheid) van deze projecten voor zware ongevallen en/of rampen, en met het risico dat deze zich voordoen en de consequenties daarvan voor de kans op aanzienlijke nadelige effecten op het milieu. Om overlappingen te voorkomen, moet het mogelijk zijn gebruikte maken van beschikbare relevante informatie die is verkregen via op grond van wetgeving van de Unie zoals Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad (13) en Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (14) uitgevoerde risicobeoordelingen of via op grond van nationale wetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen, mits aan de vereisten van deze richtlijn wordt voldaan.

(16)

Voor de bescherming en bevordering van cultureel erfgoed met inbegrip van historische stadslocaties en waardevolle landschappen, die een integraal onderdeel vormen van de culturele verscheidenheid die de Unie krachtens artikel 167, lid 4, VWEU dient te eerbiedigen en te bevorderen, kunnen de definities en beginselen die zijn opgenomen in de toepasselijke verdragen van de Raad van Europa, met name de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed van 6 mei 1969, de Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa van 3 oktober 1985, het Europees Landschapsverdrag van 20 oktober 2000 en de Kaderconventie over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving van 27 oktober 2005 nuttig zijn. Het is belangrijk dat de visuele effecten van projecten, namelijk de veranderingen in het aanzicht van of het zicht op de aangelegde of natuurlijke landschappen en stedelijke gebieden, in milieueffectbeoordelingen aan de orde worden gesteld, teneinde historisch en cultureel erfgoed en het landschap beter in stand te houden.

(17)

Bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/92/EU moet een slimme, duurzame en inclusieve groei worden gewaarborgd overeenkomstig de doelstellingen van de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”.

(18)

Ter verbetering van de toegang voor het publiek tot informatie en de transparantie moet de actuele milieu-informatie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze richtlijn ook in een elektronisch formaat beschikbaar zijn. De lidstaten moeten derhalve ten minste een centraal portaal of toegangspunten instellen, op het juiste bestuursniveau, via welke het publiek op eenvoudige en doeltreffende wijze toegang heeft tot die informatie.

(19)

In de praktijk is gebleken dat bij projecten of projectonderdelen voor defensiedoeleinden, met inbegrip van projecten met betrekking tot de activiteiten van geallieerde strijdkrachten op het grondgebied van de lidstaten overeenkomstig de internationale verplichtingen, de toepassing van Richtlijn 2011/92/EU zou kunnen leiden tot de openbaarmaking van relevante vertrouwelijke informatie, hetgeen de defensiedoeleinden zou ondermijnen. De lidstaten moeten derhalve de mogelijkheid krijgen deze richtlijn in dergelijke gevallen niet toe te passen, waar dit aangewezen is.

(20)

In de praktijk is gebleken dat de toepassing van Richtlijn 2011/92/EU voor wat projecten betreft die uitsluitend bestemd zijn om het hoofd te bieden aan civiele noodsituaties, nadelige gevolgen kan hebben, onder meer voor het milieu, en de lidstaten derhalve de mogelijkheid dienen te krijgen de richtlijn in dergelijke gevallen niet toe te passen.

(21)

De lidstaten kunnen Richtlijn 2011/92/EU wat betreft de integratie van milieueffectbeoordelingen in nationale procedures op diverse manieren ten uitvoer leggen. Daarom kunnen de onderdelen van deze nationale procedures onderling verschillen. Gezien dit feit kan de gemotiveerde conclusie waarmee de bevoegde instantie haar onderzoek inzake de milieueffecten van het project afsluit, deel uitmaken van een geïntegreerde vergunningsprocedure of worden opgenomen in een ander bindend besluit dat is vereist om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.

(22)

Teneinde een hoog niveau van bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid te waarborgen, moet bij screeningprocedures en milieueffectbeoordelingen rekening worden gehouden met de gevolgen van het gehele project in kwestie, met inbegrip van voor zover relevant de (diepe) ondergrond, tijdens de bouw-, bedrijfs- en voor zover relevant de sloopfase.

(23)

Teneinde de directe en indirecte milieueffecten van een project volledig te kunnen beoordelen, moet de bevoegde instantie een analyse uitvoeren door de inhoud van de door de opdrachtgever verstrekte informatie en de via raadplegingen ontvangen informatie te onderzoeken, alsmede in voorkomend geval de aanvullende informatie in overweging nemen.

(24)

Bij projecten die middels een specifieke nationale wet worden aangenomen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de doelstellingen van deze richtlijn met betrekking tot openbare raadpleging via het wetgevingsproces worden bereikt.

(25)

De objectiviteit van de bevoegde instanties moet worden gewaarborgd. Belangenconflicten kunnen onder meer worden voorkomen middels een functionele scheiding tussen de bevoegde instantie en de opdrachtgever. Indien de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, moeten de lidstaten in elk geval binnen hun organisatie van administratieve bevoegdheden een passende scheiding aanbrengen tussen de conflicterende taken van de instanties die de uit Richtlijn 2011/92/EU voortvloeiende taken uitvoeren.

(26)

Er moet worden gespecificeerd welke informatie de opdrachtgever dient te verstrekken om de bevoegde instantie in staat te stellen te oordelen of in bijlage II bij Richtlijn 2011/92/EU genoemde projecten, en de wijzigingen of uitbreidingen ervan, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen (screeningprocedure), waarbij de nadruk ligt op de essentiële punten op grond waarvan de bevoegde instantie een besluit kan nemen. Het besluit moet openbaar worden gemaakt.

(27)

De screeningprocedure moet ervoor zorgen dat een milieueffectbeoordeling alleen wordt opgelegd voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

(28)

De in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU vastgestelde selectiecriteria die de lidstaten dienen te hanteren om te bepalen welke projecten op grond van de aanzienlijke milieueffecten ervan aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, moeten worden aangepast en verduidelijkt. In de praktijk is bijvoorbeeld gebleken dat projecten waarbij waardevolle hulpbronnen worden gebruikt of beïnvloed, projecten op ecologisch kwetsbare locaties of projecten met potentieel gevaarlijke of onomkeerbare effecten vaak aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

(29)

Om te bepalen of een project aanzienlijke milieueffecten kan veroorzaken, dienen de bevoegde instanties de meest relevante criteria te bepalen en rekening te houden met de informatie uit andere krachtens de wetgeving van de Unie vereiste beoordelingen om de screeningprocedure op doeltreffende en transparante wijze uit te voeren. In deze context is het raadzaam de inhoud van het screeningbesluit te bepalen, met name wanneer er geen milieueffectbeoordeling vereist is. Bovendien vormt het in aanmerking nemen van de eventueel door andere bronnen spontaan ingediende opmerkingen, bijvoorbeeld door het publiek of overheidsinstanties, een goede administratieve praktijk, ondanks het feit dat er tijdens de screeningfase geen formele raadpleging vereist is.

(30)

Om de kwaliteit van de milieueffectbeoordelingen te verbeteren, de procedures te vereenvoudigen en het besluitvormingsproces te stroomlijnen, moet de bevoegde instantie, indien de opdrachtgever daarom verzoekt, een advies uitbrengen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie (scoping).

(31)

Als middel om de kwaliteit van het milieueffectbeoordelingsproces te verbeteren en om het mogelijk te maken milieueffecten vanaf een vroeg ontwerpstadium van het project mee te nemen, moet het door de opdrachtgever van een project in te dienen milieueffectbeoordelingsrapport een beschrijving bevatten van de door de opdrachtgever onderzochte, voor dat project relevante redelijke alternatieven, waaronder in voorkomend geval een schets van de te verwachten ontwikkeling van de huidige toestand van het milieu wanneer het project niet wordt uitgevoerd (referentiescenario).

(32)

Overeenkomstig bijlage IV bij Richtlijn 2011/92/EU moeten de in het milieueffectbeoordelingsrapport door de opdrachtgever opgenomen gegevens en informatie volledig en van voldoende kwaliteit zijn. Om overlappingen tussen beoordelingen te voorkomen, moet voor zover relevant en mits deze beschikbaar zijn, rekening worden gehouden met de resultaten van andere op grond van nationale of Uniewetgeving uitgevoerde beoordelingen, zoals Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) of Richtlijn 2009/71/Euratom.

(33)

De deskundigen die betrokken zijn bij de milieueffectbeoordelingsrapporten voor te bereiden, moeten gekwalificeerd en bekwaam zijn. Er is, met het oog op het onderzoek ervan door de bevoegde instanties, behoefte aan voldoende expertise op het relevante gebied van het project in kwestie, teneinde een hoog kwaliteitsniveau en de volledigheid van de door de opdrachtgever verstrekte informatie te waarborgen.

(34)

Teneinde de transparantie en verantwoording te waarborgen dienen bevoegde instanties te worden verplicht hun besluit om voor een project een vergunning te verlenen te motiveren en aan te tonen dat zij rekening hebben gehouden met de gehouden raadplegingen en de verzamelde informatie.

(35)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat verzachtende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd en dat passende procedures voor de monitoring van aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van een project worden vastgesteld, onder meer om onvoorziene aanzienlijke nadelige effecten te identificeren teneinde passende corrigerende maatregelen te kunnen nemen. Deze monitoring mag niet overlappen, noch worden opgelegd bovenop andere op grond van de Unie- en nationale wetgeving vereiste monitoring.

(36)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de verschillende stappen van de milieueffectbeoordeling van projecten worden uitgevoerd binnen een redelijke periode, afhankelijk van de aard, complexiteit, locatie en omvang van het project, om een efficiëntere besluitvorming aan te moedigen en de rechtszekerheid te verhogen. Dergelijke tijdschema's mogen in geen geval afbreuk doen aan de realisatie van hoge normen voor milieubescherming, met name de normen die uit andere milieuwetgeving van de Unie dan deze richtlijn voortvloeien, noch aan doeltreffende inspraak en toegang tot de rechter.

(37)

Om de doeltreffendheid van de beoordeling te verbeteren, de administratieve complexiteit te verminderen en de economische efficiëntie te verhogen, wanneer de uitvoering van een beoordeling met betrekking tot milieukwesties verplicht is op grond van zowel deze richtlijn als Richtlijn 2009/147/EG en/of Richtlijn 92/43/EEG, dienen de lidstaten, in voorkomend geval en met inachtneming van de specifieke organisatorische kenmerken ervan, ervoor te zorgen dat wordt voorzien in gecoördineerde en/of gemeenschappelijke procedures die voldoen aan de vereisten van deze richtlijnen. Wanneer de uitvoering van een milieueffectbeoordeling met betrekking tot milieukwesties verplicht is op grond van zowel deze richtlijn als op grond van andere wetgeving van de Unie, zoals Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (16), Richtlijn 2001/42/EG, Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (17), Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (18), en Richtlijn 2012/18/EU, moeten de lidstaten kunnen voorzien in gecoördineerde en/of gemeenschappelijke procedures die voldoen aan de vereisten van de relevante Uniewetgeving. Wanneer gecoördineerde of gemeenschappelijke procedures worden ingesteld, moeten de lidstaten een instantie aanwijzen die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de bijbehorende taken. De lidstaten moeten, indien zij dit nodig achten, meer dan één instantie kunnen aanwijzen, waarbij rekening wordt gehouden met hun institutionele structuren.

(38)

De lidstaten moeten voorschriften vaststellen inzake de bij overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen toe te passen sancties. De lidstaten moeten vrij zijn te beslissen over de soort of vorm van deze sancties. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(39)

In overeenstemming met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, en teneinde ervoor te zorgen dat de overgang van de bestaande regeling zoals vastgelegd in Richtlijn 2011/92/EU naar de nieuwe regeling die voortvloeit uit de in deze richtlijn opgenomen wijzigingen, zo soepel mogelijk verloopt, moeten er overgangsmaatregelen worden vastgesteld. Middels die maatregelen moet worden gewaarborgd dat het regelgevingskader met betrekking tot een milieueffectbeoordeling, voor een individuele opdrachtgever, niet wordt gewijzigd wanneer in de procedure reeds stappen zijn ondernomen in het kader van de bestaande regeling en aan het project nog geen vergunning of een ander bindend besluit dat is vereist om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen, is verleend. Dienovereenkomstig dienen de relevante bepalingen van Richtlijn 2011/92/EU, vóór hun wijziging uit hoofde van deze richtlijn, eveneens van toepassing te zijn op projecten waarvoor vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van deze richtlijn de screeningprocedure is begonnen, de scopingprocedure is begonnen (indien de opdrachtgever om scoping heeft verzocht of de bevoegde instantie scoping verplicht heeft gesteld) of het milieueffectbeoordelingsrapport is ingediend.

(40)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (19) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(41)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu waarborgen door de vaststelling van minimumvereisten voor de milieueffectbeoordeling van projecten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang, de ernst en de grensoverschrijdende aard van de aan te pakken milieuproblemen, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(42)

Richtlijn 2011/92/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2011/92/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de volgende definitie toegevoegd:

„g)

„milieueffectbeoordeling”: een proces bestaande uit:

i)

de voorbereiding van een milieueffectbeoordelingsrapport door de opdrachtgever, zoals bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2;

ii)

de uitvoering van raadplegingen zoals bedoeld in artikel 6 en, voor zover relevant, artikel 7;

iii)

het onderzoek door de bevoegde instantie van de in het milieueffectbeoordelingsrapport gepresenteerde informatie en in voorkomend geval van alle aanvullende informatie die door de opdrachtgever wordt verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 3, en van alle via de raadplegingen op grond van de artikelen 6 en 7, ontvangen relevante informatie;

iv)

de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie inzake de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek als bedoeld onder iii), en, indien van toepassing, haar eigen aanvullende onderzoek, en

v)

de integratie van de gemotiveerde conclusie van de bevoegde instantie in een van de besluiten als bedoeld in artikel 8 bis.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Indien hun nationale wetgeving in die mogelijkheid voorziet, kunnen de lidstaten per geval besluiten deze richtlijn niet toe te passen op projecten, of projectonderdelen, die uitsluitend bestemd zijn voor defensie, dan wel op projecten die uitsluitend de respons op civiele noodsituaties tot doel hebben, indien zij oordelen dat toepassing in die gevallen nadelige gevolgen zou hebben voor deze doeleinden.”;

c)

lid 4 wordt geschrapt.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

leden 1 tot en met 3 worden vervangen door:

„1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten op het milieu plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

2.   De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de lidstaten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.

3.   In het geval van projecten waarvoor de verplichting om een beoordeling van de milieueffecten uit te voeren gelijktijdig voortvloeit uit zowel deze richtlijn als uit Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (20) en/of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (21), waarborgen de lidstaten dat er, waar het aangewezen is, wordt voorzien in gecoördineerde en/of gemeenschappelijke procedures die aan de vereisten van de bovengenoemde toepasselijke wetgeving van de Unie voldoen.

In het geval van projecten waarvoor de verplichting om een beoordeling van de milieueffecten uit te voeren voortvloeit uit zowel deze richtlijn als andere wetgeving van de Unie dan de in de eerste alinea genoemde richtlijnen, kunnen de lidstaten in gecoördineerde en/of gemeenschappelijke procedures voorzien.

Bij de gecoördineerde procedure als bedoeld in de eerste en de tweede alinea streven de lidstaten ernaar dat ze de verschillende op grond van de toepasselijke wetgeving van de Unie vereiste afzonderlijke beoordelingen van de milieueffecten van een bepaald project coördineren door hiervoor een instantie aan te wijzen, zonder afbreuk te doen aan eventuele andersluidende bepalingen in andere toepasselijke wetgeving van de Unie.

In het kader van de gemeenschappelijke procedure als bedoeld in de eerste en de tweede alinea streven de lidstaten ernaar dat ze één beoordeling van de milieueffecten van een bepaald project uitvoeren, zoals vereist door de toepasselijke wetgeving van de Unie, onverminderd eventuele andersluidende bepalingen in andere toepasselijke wetgeving van de Unie.

De Commissie verstrekt richtsnoeren inzake de instelling van gecoördineerde of gemeenschappelijke procedures voor projecten die gelijktijdig worden onderworpen aan beoordelingen in het kader van zowel deze richtlijn als de Richtlijnen 92/43/EEG, 2000/60/EG, 2009/147/EG of 2010/75/EU.

(20)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).”;"

(21)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7)."

b)

in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

„4.   Onverminderd de bepalingen van artikel 7 kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een bepaald project vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn, indien de toepassing van deze bepalingen nadelige gevolgen zou hebben voor het doel van het project, mits aan de doelstellingen van deze richtlijn wordt voldaan.”;

c)

onderstaand lid wordt toegevoegd:

„5.   Onverminderd artikel 7 kunnen de lidstaten in gevallen waarin een project middels een specifieke nationale wet wordt aangenomen, dat project vrijstelling verlenen van de bepalingen inzake openbare raadpleging zoals vastgelegd in deze richtlijn, mits aan de doelstellingen van deze richtlijn wordt voldaan.

De lidstaten stellen de Commissie om de twee jaar na 16 mei 2017 in kennis van elk geval waarin zij de in de eerste alinea bedoelde vrijstelling hebben toegepast.”.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3

1.   Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:

a)

de bevolking en de menselijke gezondheid;

b)

de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor op grond van Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG beschermde soorten en habitats;

c)

land, bodem, water, lucht en klimaat;

d)

materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;

e)

de samenhang tussen de onder a) tot en met d) genoemde factoren.

2.   De in lid 1 bedoelde effecten op de factoren die zijn beschreven in de eerste alinea omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

„3.   Wanneer een onderzoek per geval wordt uitgevoerd of drempelwaarden of criteria worden vastgesteld met het oog op lid 2, moet met de relevante, in bijlage III vastgestelde selectiecriteria rekening worden gehouden. De lidstaten kunnen drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen wanneer projecten niet hoeven te worden onderworpen aan het besluit op grond van de leden 4 en 5, en evenmin aan een milieueffectbeoordeling, en/of drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen wanneer projecten in elk geval worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, maar niet aan een besluit op grond van de leden 4 en 5.

4.   Wanneer de lidstaten beslissen een besluit te vereisen voor in bijlage II genoemde projecten, verstrekt de opdrachtgever informatie over de kenmerken van het project en over de waarschijnlijk aanzienlijke effecten daarvan op het milieu. De gedetailleerde lijst van de te verstrekken informatie is vastgesteld in bijlage IIA. De opdrachtgever houdt, voor zover relevant, rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten, die zijn gedaan op grond van andere wetgeving van de Unie dan deze richtlijn. De opdrachtgever kan tevens een beschrijving verstrekken van kenmerken van het project en/of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.”;

b)

de volgende leden worden toegevoegd:

„5.   De bevoegde instantie neemt haar besluit op basis van de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 4 verstrekte informatie waarbij zij, voor zover relevant, rekening houdt met de resultaten van voorafgaande controles of op grond van andere milieuwetgeving van de Unie dan deze richtlijn uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu. Het besluit wordt openbaar gemaakt en:

a)

bevat, indien besloten wordt dat het project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project aan een dergelijke beoordeling moet worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van bijlage III, of

b)

bevat, indien besloten wordt dat het project niet aan een milieueffectbeoordeling hoeft te worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project niet aan een dergelijke beoordeling hoeft te worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van de lijst van bijlage III, en, indien de opdrachtgever deze heeft voorgesteld, kenmerken van het project en/of geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie haar besluit zo snel mogelijk neemt, en uiterlijk binnen een termijn van 90 dagen na de datum waarop de opdrachtgever alle op grond van lid 4 vereiste informatie heeft ingediend. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project, kan de bevoegde instantie die termijn verlengen; in dat geval deelt zij de opdrachtgever schriftelijk mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een besluit wordt verwacht.”.

5)

In artikel 5 worden de leden 1 tot 3 vervangen door:

„1.   Wanneer een milieueffectbeoordeling is vereist, dient de opdrachtgever een milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen en in te dienen. De door de opdrachtgever te verstrekken informatie bevat ten minste:

a)

een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;

b)

een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project;

c)

een beschrijving van de kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om de waarschijnlijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren;

d)

een beschrijving van de redelijke alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, die relevant zijn voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;

e)

een niet-technische samenvatting van de onder a) tot en met d) bedoelde gegevens, en

f)

alle in bijlage IV bedoelde aanvullende informatie die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed.

Wanneer er een advies wordt uitgebracht op grond van lid 2, is het milieueffectbeoordelingsrapport gebaseerd op dat advies en bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de opdrachtgever bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport rekening met de beschikbare resultaten van andere op grond van nationale of Uniewetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen.

2.   Op verzoek van de opdrachtgever brengt de bevoegde instantie, met inachtneming van de door de opdrachtgever verstrekte informatie, met name over de specifieke kenmerken van het project (inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan) en over de te verwachten milieueffecten ervan, een advies uit over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de opdrachtgever in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie overeenkomstig lid 1 van dit artikel. De bevoegde instantie raadpleegt de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt.

De lidstaten kunnen de bevoegde instanties er tevens toe verplichten een advies als bedoeld in de eerste alinea, te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt.

3.   Om de volledigheid en kwaliteit van het milieueffectbeoordelingsrapport te waarborgen, dient:

a)

de opdrachtgever te waarborgen dat het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld door bekwame deskundigen;

b)

de bevoegde instantie te waarborgen dat zij beschikt over, of indien nodig toegang heeft tot, voldoende expertise om het milieueffectbeoordelingsrapport te onderzoeken, en

c)

de bevoegde instantie indien nodig de opdrachtgever om aanvullende informatie te verzoeken, overeenkomstig bijlage IV, die rechtstreeks ter zake doend is om te komen tot de gemotiveerde conclusie inzake de aanzienlijke milieueffecten van het project.”.

6)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen om advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in artikel 8 bis, lid 3, genoemde gevallen. Daartoe wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze instanties worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. Nadere regelingen betreffende deze raadplegingen worden door de lidstaten vastgesteld.”;

b)

in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:

„2.   Om te zorgen dat het betrokken publiek daadwerkelijk inspraak krijgt in de besluitvormingsprocedure, wordt het publiek in een vroegtijdig stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en ten laatste zodra er redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt, langs elektronische weg en via openbare bekendmakingen of andere passende middelen op de hoogte gebracht van de volgende kwesties:”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De nadere regelingen voor het informeren van het publiek, bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in lokale kranten, en voor de raadpleging van het betrokken publiek, bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête, worden vastgesteld door de lidstaten. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de relevante informatie langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, ten minste via een centraal portaal of gemakkelijk toegankelijke toegangspunten, op het geschikte bestuursniveau.”;

d)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Er wordt voor de verschillende fasen in redelijke termijnen voorzien met voldoende tijd om:

a)

de in lid 1 bedoelde instanties en het publiek te informeren, en

b)

het betrokken publiek en de in lid 1 bedoelde instanties de gelegenheid te bieden zich voor te bereiden en daadwerkelijk deel te nemen aan de milieubesluitvorming als bedoeld in dit artikel.”;

e)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„7.   De termijn waarbinnen het betrokken publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport bedraagt ten minste 30 dagen.”.

7)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De betrokken lidstaten plegen overleg over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van het project en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en komen een redelijke termijn overeen waarbinnen het overleg moet plaatsvinden.

Dergelijke raadplegingen kunnen via een passende gemeenschappelijke instantie worden uitgevoerd.”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De nadere regelingen voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, met inbegrip van de vaststelling van de raadplegingstermijnen, worden bepaald door de betrokken lidstaten op basis van de in artikel 6, leden 5 tot 7, bedoelde regelingen en termijnen en moeten het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële inspraakmogelijkheden verschaffen in de milieubesluitvormingsprocedures als bedoeld in artikel 2, lid 2, voor het project.”.

8)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

De resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5 tot 7 verzamelde informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure terdege in aanmerking genomen.”.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 8 bis

1.   Het besluit om een vergunning te verlenen bevat ten minste de volgende informatie:

a)

de in artikel 1, lid 2, onder g), iv), bedoelde gemotiveerde conclusie;

b)

alle aan het besluit gekoppelde milieuvoorwaarden, alsmede een beschrijving van alle kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringmaatregelen.

2.   Het besluit om een vergunning te weigeren omvat de belangrijkste redenen voor de weigering.

3.   Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de in artikel 2, lid 2, bedoelde procedures andere dan de vergunningsprocedures, worden de vereisten van de leden 1 en 2 van dit artikel, in voorkomend geval, geacht te zijn vervuld wanneer een in deze procedures genomen besluit de in die leden bedoelde informatie bevat en er mechanismen zijn vastgesteld die de vervulling van de vereisten van lid 6 van dit artikel mogelijk maken.

4.   In overeenstemming met de in lid 1, onder b), bedoelde vereisten, zorgen de lidstaten ervoor dat de kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren, door de opdrachtgever worden uitgevoerd, en dat de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vastgesteld.

Het soort parameters dat wordt gemonitord en de looptijd van de monitoring moeten evenredig zijn met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.

Indien passend kan gebruik worden gemaakt van bestaande monitoringregelingen op grond van andere wetgeving van de Unie dan deze richtlijn en van nationale wetgeving, teneinde overlapping van monitoring te vermijden.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie alle in de leden 1 tot en met 3 bedoelde besluiten binnen een redelijke termijn neemt.

6.   De bevoegde instantie moet er van worden overtuigd dat de in artikel 1, lid 2, onder g), iv), bedoelde gemotiveerde conclusie, of een van de in lid 3 van dit artikel bedoelde besluiten, nog steeds actueel is bij het nemen van een besluit over het verlenen van een vergunning. Hiertoe kunnen de lidstaten termijnen vaststellen voor de geldigheid van de in artikel 1, lid 2, onder g), iv), bedoelde gemotiveerde conclusie of een van de in lid 3 van dit artikel bedoelde besluiten.”.

10)

In artikel 9 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde instantie(s) het betrokken publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties, overeenkomstig de nationale procedures daarvan onverwijld op de hoogte en zorgen zij ervoor dat de volgende informatie ter beschikking van het publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties wordt gesteld, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in artikel 8 bis, lid 3, bedoelde gevallen:

a)

de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn gekoppeld zoals bedoeld in artikel 8 bis, leden 1 en 2;

b)

de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure. Dit omvat tevens de samenvatting van de resultaten van de raadplegingen en krachtens de artikelen 5 tot 7 ingewonnen informatie en de wijze waarop deze zijn meegenomen of op een of andere manier behandeld, met name de van de in artikel 7 bedoelde getroffen lidstaat ontvangen opmerkingen.”.

11)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 9 bis

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie of instanties hun uit deze richtlijn voortvloeiende taken op objectieve wijze vervullen en zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.

Indien de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, brengen de lidstaten in elk geval binnen hun organisatie van administratieve bevoegdheden een passende scheiding aan tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit deze richtlijn voortvloeiende taken.”.

12)

In artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:

„Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG doen de bepalingen van deze richtlijn niet af aan de verplichting van de bevoegde instanties tot inachtneming van de door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de geldende rechtspraktijk opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom, en van het openbaar belang.”.

13)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 bis

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de bij overtredingen van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen toe te passen sancties. De aldus vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.”.

14)

Artikel 12, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Met name om de zes jaar na 16 mei 2017 stellen de lidstaten de Commissie in kennis, indien dergelijke gegevens beschikbaar zijn, van:

a)

het aantal projecten als bedoeld in de bijlagen I en II waarvoor een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 is uitgevoerd;

b)

de verdeling van de milieueffectbeoordelingen op basis van de in de bijlagen I en II vastgestelde projectcategorieën;

c)

het aantal projecten als bedoeld in bijlage II waarover een besluit is genomen overeenkomstig artikel 4, lid 2;

d)

de gemiddelde duur van het milieueffectbeoordelingsproces;

e)

een algemene schatting van de gemiddelde directe kosten van de milieueffectbeoordelingen, met inbegrip van de effecten van de toepassing van deze richtlijn voor het midden- en kleinbedrijf.”.

15)

De bijlagen bij Richtlijn 2011/92/EU worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   Onverminderd artikel 3 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 16 mei 2017 aan deze richtlijn te voldoen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 3

1.   Projecten waarvoor het in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2011/92/EU bedoelde besluit is ingeleid vóór 16 mei 2017 vallen onder de verplichtingen van artikel 4 van Richtlijn 2011/92/EU zoals die vóór hun wijziging bij deze richtlijn golden.

2.   Projecten vallen onder de in artikel 3 en de artikelen 5 tot en met 11 van Richtlijn 2011/92/EU bedoelde verplichtingen zoals die vóór hun wijziging bij deze richtlijn golden, indien vóór 16 mei 2017:

a)

de procedure inzake het in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2011/92/EU bedoelde advies ingeleid was, of

b)

de in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU bedoelde informatie verstrekt was.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 33.

(2)  PB C 218 van 30.7.2013, blz. 42.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2014 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en standpunt van de Raad van 14 april 2014.

(4)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(5)  Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40).

(6)  Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

(7)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(9)  Besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).

(10)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(11)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(12)  Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

(13)  Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(15)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

(16)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(17)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(18)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(19)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


BIJLAGE

1.

De volgende bijlage wordt ingevoegd:

„BIJLAGE II.A

IN ARTIKEL 4, LID 4, BEDOELDE INFORMATIE

(DOOR DE OPDRACHTGEVER TE VERSTREKKEN INFORMATIE INZAKE DE IN BIJLAGE II GENOEMDE PROJECTEN)

1.

Een beschrijving van het project, met in het bijzonder:

a)

een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, voor zover relevant, van sloopwerken;

b)

een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn.

2.

Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project.

3.

Een beschrijving — voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is — van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van:

a)

de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, indien van toepassing;

b)

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

4.

Voor zover relevant wordt rekening gehouden met de criteria van bijlage III bij het verzamelen van de informatie overeenkomstig de punten 1 tot en met 3.”.

2.

De bijlagen III en IV worden vervangen door:

„BIJLAGE III

IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE SELECTIECRITERIA

(CRITERIA OM VAST TE STELLEN OF DE IN BIJLAGE II GENOEMDE PROJECTEN AAN EEN MILIEUEFFECTBEOORDELING MOETEN WORDEN ONDERWORPEN)

1.   Kenmerken van de projecten

De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking worden genomen, en met name:

a)

de omvang en het ontwerp van het gehele project;

b)

de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten;

c)

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;

d)

de productie van afvalstoffen;

e)

verontreiniging en hinder;

f)

het risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;

g)

de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).

2.   Locatie van de projecten

De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name:

a)

het bestaande en goedgekeurde landgebruik;

b)

de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;

c)

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

i)

wetlands, oeverformaties, riviermondingen;

ii)

kustgebieden en het mariene milieu;

iii)

berg- en bosgebieden;

iv)

natuurreservaten en -parken;

v)

gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG;

vi)

gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen;

vii)

gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;

viii)

landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3.   Soort en kenmerken van het potentiële effect

De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 van deze bijlage hierboven uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de in artikel 3, lid 1, uiteengezette factoren, met inachtneming van:

a)

de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);

b)

de aard van het effect;

c)

het grensoverschrijdend karakter van het effect;

d)

de intensiteit en de complexiteit van het effect;

e)

de waarschijnlijkheid van het effect;

f)

de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;

g)

de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten;

h)

de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

BIJLAGE IV

INFORMATIE BEDOELD IN ARTIKEL 5, LID 1

(INFORMATIE VOOR HET MILIEUEFFECTBEOORDELINGSRAPPORT)

1.

Beschrijving van het project, met in het bijzonder:

a)

een beschrijving van de locatie van het project;

b)

een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project, indien relevant met inbegrip van de vereiste sloopwerken, en de eisen met betrekking tot landgebruik tijdens de bouw- en bedrijfsfasen;

c)

een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de bedrijfsfase van het project (met name productieprocessen), bijvoorbeeld energievraag en energieverbruik, aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water, land, bodem en biodiversiteit);

d)

een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (zoals water-, lucht-, bodem- en ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling) en de hoeveelheden en soorten tijdens de bouw- en bedrijfsfasen geproduceerde afvalstoffen.

2.

Een beschrijving van de door de opdrachtgever onderzochte redelijke alternatieven (bijvoorbeeld met betrekking tot het projectontwerp, de technologie, locatie, omvang en schaal), die relevant zijn voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken ervan, en een opgave van de belangrijkste redenen voor het selecteren van de gekozen optie, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten.

3.

Een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van milieu-informatie en wetenschappelijke kennis.

4.

Een beschrijving van de in artikel 3, lid 1, uiteengezette factoren waarop het project van aanzienlijke invloed kan zijn: bevolking, menselijke gezondheid, biodiversiteit (bijvoorbeeld fauna en flora), land (bijvoorbeeld ruimtebeslag), bodem (bijvoorbeeld organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking), water (bijvoorbeeld hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit), lucht, klimaat (bijvoorbeeld broeikasgasemissies, effecten die van belang zijn voor adaptatie), materiële goederen, cultureel erfgoed, inclusief architectonische en archeologische aspecten, en het landschap.

5.

Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van, onder meer:

a)

de bouw en het bestaan van het project, met inbegrip van, voor zover relevant, sloopwerken;

b)

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze hulpbronnen;

c)

de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;

d)

de risico's voor de menselijke gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen);

e)

de cumulatie van effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

f)

het effect van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering;

g)

de gebruikte technologieën en stoffen.

De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten op de in artikel 3, lid 1, gespecificeerde factoren moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte termijn, middellange termijn en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project. Bij deze beschrijving moet rekening worden gehouden met de op Unie- of op lidstaatniveau vastgestelde doelstellingen inzake milieubescherming, die relevant zijn voor het project.

6.

Een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden.

7.

Een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geïdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een post project analyse). In deze beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, met betrekking tot zowel de bouwfase als de bedrijfsfase.

8.

Een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van beschikbare relevante informatie die is verkregen via overeenkomstig de wetgeving van de Unie zoals Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) of Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (2)uitgevoerde risicobeoordelingen of overeenkomstig nationale wetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen, mits aan de vereisten van deze richtlijn wordt voldaan. In voorkomend geval moet deze beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, evenals details inzake paraatheid en voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties.

9.

Een niet-technische samenvatting van de overeenkomstig punten 1 tot en met 8 verstrekte informatie.

10.

Een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.

(1)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).”."

(2)  Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1)."



Top