This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32013R0800
Commission Regulation (EU) No 800/2013 of 14 August 2013 amending Regulation (EU) No 965/2012 laying down technical requirements and administrative procedures related to air operations pursuant to Regulation (EC) No 216/2008 of the European Parliament and of the Council Text with EEA relevance
Verordening (EU) nr. 800/2013 van de Commissie van 14 augustus 2013 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst
Verordening (EU) nr. 800/2013 van de Commissie van 14 augustus 2013 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst
PB L 227 van 24.8.2013, pp. 1–74
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
24.8.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 227/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 800/2013 VAN DE COMMISSIE
van 14 augustus 2013
houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 8, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Exploitanten en personeel die betrokken zijn bij de uitvoering van vluchten met bepaalde luchtvaartuigen moeten voldoen aan de relevante essentiële eisen die zijn uiteengezet in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. |
|
(2) |
Tenzij anders is bepaald in de uitvoeringsvoorschriften, moeten exploitanten die betrokken zijn bij de uitvoering van niet-commerciële vluchten met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen krachtens Verordening (EG) nr. 216/2008 aantonen dat zij over het vermogen en de middelen beschikken om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan de uitvoering van vluchten met die luchtvaartuigen zijn verbonden. |
|
(3) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 moet de Commissie de nodige uitvoeringsvoorschriften vaststellen waarin de voorwaarden voor veilige vluchtuitvoering worden vastgesteld. |
|
(4) |
De onderhavige verordening wijzigt Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie (2) door er bepaalde aspecten in verband met de uitvoering van niet-commerciële vluchten aan toe te voegen. |
|
(5) |
Om een soepele overgang en een hoog uniform niveau van burgerluchtvaartveiligheid in de Europese Unie te waarborgen, dienen de uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming te zijn met de laatste stand van de techniek, met inbegrip van de beste praktijken en de wetenschappelijke en technische vooruitgang op het gebied van vluchtuitvoering. Daarbij dient rekening te worden gehouden met technische eisen en administratieve procedures waarover vóór 30 juni 2009 overeenstemming is bereikt onder de auspiciën van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO) en de Europese gezamenlijke luchtvaartautoriteiten, en met bestaande wetgeving die betrekking heeft op een specifieke nationale omgeving. |
|
(6) |
Het is van belang de luchtvaartsector en de administratieve diensten van de lidstaten voldoende tijd te geven om zich aan het nieuwe regelgevingskader aan te passen. |
|
(7) |
Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft ontwerpuitvoeringsvoorschriften opgesteld en ingediend als advies aan de Commissie, overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 opgerichte comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 1, lid 1, wordt „en de uitvoering van niet-commerciële vluchten met vliegtuigen, helikopters, luchtballonnen en zweefvliegtuigen” ingevoegd na „commercieel luchtvervoer met vliegtuigen en helikopters”. |
|
2) |
In artikel 1 wordt lid 3 hernummerd als lid 5 en worden de volgende nieuwe leden 3 en 4 ingevoegd: „3. In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor de uitvoering van niet-commerciële vluchten, alsook voorwaarden en procedures voor het indienen van verklaringen door exploitanten die betrokken zijn bij de uitvoering van niet-commerciële vluchten met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen, en voor het toezicht op deze exploitanten. 4. Andere luchtvaartactiviteiten, inclusief de uitvoering van vluchten om gespecialiseerde taken uit te voeren of diensten te verlenen, moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving tot de desbetreffende uitvoeringsregels zijn vastgesteld en van toepassing zijn.”. |
|
3) |
In artikel 2:
|
|
4) |
In artikel 5, lid 2, eerste zin, worden de woorden „van commerciële luchtvervoersactiviteiten” geschrapt. |
|
5) |
In artikel 5, lid 2, onder b), wordt „vliegtuigen en helikopters” vervangen door „vliegtuigen, helikopters, luchtballonnen en zweefvliegtuigen”. |
|
6) |
Aan artikel 5 worden de volgende drie alinea’s toegevoegd: „3. Exploitanten van niet-commerciële vluchten met complexe motoraangedreven vliegtuigen en helikopters moeten verklaren dat zij over de bekwaamheid en middelen beschikken om zich te kwijten van hun verantwoordelijkheden in verband met de exploitatie van luchtvaartuigen en moeten deze luchtvaartuigen exploiteren overeenkomstig de bepalingen van bijlage III en bijlage VI. 4. Exploitanten van niet-commerciële vluchten met andere dan complexe motoraangedreven vliegtuigen en helikopters en met luchtballonnen en zweefvliegtuigen moeten deze luchtvaartuigen exploiteren overeenkomstig de bepalingen van bijlage VII. 5. Bij wijze van uitzondering op leden 1, 3 en 4 moeten opleidingsorganisaties waarvan de hoofdzetel in een lidstaat is gevestigd en die zijn goedgekeurd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 290/2012 van de Commissie (*1), bij het verstrekken van vliegopleiding naar, in of vanuit de Unie vluchten uitvoeren met:
|
|
7) |
Aan artikel 6 wordt een nieuw lid 7 toegevoegd: „7. Bij wijze van uitzondering op SPA.PBN.100 PBN van bijlage V worden niet-commerciële vluchten met andere dan complexe motoraangedreven vliegtuigen in aangewezen delen van het luchtruim, op routes of in overeenstemming met procedures waarvoor specificaties inzake prestatiegebaseerde navigatie (PBN) zijn vastgesteld, uitgevoerd volgens de voorwaarden van de nationale wetgeving van de lidstaten tot de desbetreffende uitvoeringsregels zijn vastgesteld en van toepassing zijn.”. |
|
8) |
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd: „3. Bij wijze van uitzondering op de tweede alinea van lid 1 mogen lidstaten beslissen:
|
|
10) |
De titel van bijlage I wordt gewijzigd in „Definities van termen die voorkomen in de bijlagen II-VII”. De volgende nieuwe definities worden ingevoegd en de bestaande definities worden dienovereenkomstig hernummerd: „11. „vluchtuitvoering met naderingsprocedure met verticale geleiding (APV)”: een instrumentnadering waarbij gebruik wordt gemaakt van laterale en verticale geleiding maar die niet voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld voor precisienaderings- en landingsactiviteiten, en waarbij de beslissingshoogte (DH) niet lager is dan 250 ft en de zichtbare baanlengte (RVR) niet minder dan 600 m bedraagt”; „43. „ELA1-luchtvaartuig”: de volgende bemande European Light Aircraft:
„44. „ELA2-luchtvaartuig”: de volgende bemande European Light Aircraft:
„126. „luchthaven met gunstige weersomstandigheden”: een geschikte luchthaven waarvoor de weersverslagen of -voorspellingen, of een combinatie daarvan, voor de geplande gebruiksduur aangeven dat de weersomstandigheden gelijk zijn aan of beter zijn dan de minimumeisen voor vluchtuitvoering, en waarvoor de verslagen over de staat van de landingsbaan aangeven dat veilig landen mogelijk is.”. |
|
11) |
In bijlage II, punt ARO.GEN.200, onder c), wordt „of die eigen verklaringen indienen bij” ingevoegd na „die zijn gecertificeerd door”. |
|
12) |
In bijlage II, punt ARO.GEN.220, onder a), worden de volgende nieuwe punten ingevoegd en worden de overige punten dienovereenkomstig hernummerd:
|
|
13) |
In bijlage II, punt ARO.GEN.220, onder b), wordt „en alle eigen verklaringen die zij heeft ontvangen” toegevoegd aan het einde. |
|
14) |
In bijlage II wordt de tekst van ARO.GEN.300, onder a), vervangen door:
|
|
15) |
In bijlage II, ARO.GEN.305, worden d) en e) hernummerd als e) en f) en wordt een nieuw punt d) ingevoegd:
|
|
16) |
In bijlage II wordt een nieuw ARO.GEN.345 na ARO.GEN.330 ingevoegd: „ ARO.GEN.345 Eigen verklaring — organisaties
|
|
17) |
In bijlage II, punt ARO.GEN.350, onder b) en c), wordt „of van de inhoud van een eigen verklaring” ingevoegd na „certificaat”. |
|
18) |
In bijlage II, punt ARO.GEN.350, onder e), wordt „of die een eigen verklaring heeft ingediend bij” ingevoegd na „die werd gecertificeerd door”. |
|
19) |
In bijlage II wordt de tekst van ARO.OPS.200, onder b), vervangen door:
|
|
20) |
In bijlage II wordt een nieuw aanhangsel V met als titel „Lijst van specifieke erkenningen” ingevoegd, zoals uiteengezet in bijlage I van deze verordening. |
|
21) |
In bijlage III wordt aan het eind van ORO.GEN.005 „of die niet-commerciële vluchten met andere dan complexe motoraangedreven luchtvaartuigen uitvoeren” toegevoegd. |
|
22) |
In bijlage III, punt ORO.GEN.105, wordt „waar de exploitant zijn hoofdvestiging heeft” vervangen door „waar zich de hoofdvestiging bevindt van de exploitant die onderworpen is aan een certificeringsverplichting of verplichting tot het indienen van een eigen verklaring”. |
|
23) |
In bijlage III, punt ORO.GEN.110, onder a) en c), wordt „of eigen verklaring” ingevoegd na „certificaat”. |
|
24) |
In bijlage III, ORO.GEN.120, wordt een nieuw punt c) toegevoegd:
|
|
25) |
In bijlage III, punt ORO.GEN.140, onder a), wordt „certificeringsplichtige en al dan niet uitbestede activiteiten” vervangen door „zijn al dan niet uitbestede activiteiten waarvoor een certificeringsverplichting of een verplichting tot het indienen van een eigen verklaring geldt”. |
|
26) |
In bijlage III wordt de tekst van ORO.AOC.125 vervangen door:
|
|
27) |
In bijlage III wordt het volgende nieuwe subdeel ingevoegd na ORO.AOC.150: „SUBDEEL DEC EIGEN VERKLARING ORO.DEC.100 Eigen verklaring Niet-commerciële exploitanten van complexe motoraangedreven luchtvaartuigen moeten:
|
|
28) |
In bijlage III wordt ORO.MLR.100, onder b), vervangen door:
|
|
29) |
In bijlage III krijgt ORO.MLR.101 de titel: „Vluchthandboek — structuur voor commercieel luchtvervoer”. |
|
30) |
In bijlage III wordt de tekst van ORO.MLR.115, onder a), vervangen door:
|
|
31) |
In bijlage III wordt de tekst van ORO.FC.005 vervangen door: „In dit subdeel zijn voorschriften vastgelegd die de exploitant dient na te leven met betrekking tot de opleiding, ervaring en kwalificatie van leden van de cockpitbemanning. Deze omvatten het volgende:
|
|
32) |
In bijlage III, na ORO.FC.005, wordt een nieuwe sectie ingevoegd met als titel „Sectie 1 — Algemene eisen”. |
|
33) |
In bijlage III, ORO.FC.105, onder a), wordt „gezagvoerder/commandant” vervangen door „gezagvoerder of, voor commerciële vluchtuitvoeringen, commandant”. |
|
34) |
In bijlage III, ORO.FC.145, onder c), wordt „De opleiding- en toetsingsprogramma’s, inclusief syllabi en het gebruik van individuele vluchtsimulatoren (FSTD’s), dienen door de bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd” vervangen door „In het geval van commerciële vluchtuitvoeringen dienen de opleiding- en toetsingsprogramma’s, inclusief syllabi en het gebruik van individuele vluchtsimulatoren (FSTD’s), door de bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd”. |
|
35) |
In bijlage III, na ORO.FC.145, wordt een nieuwe sectie ingevoegd met als titel „Sectie 2 — Aanvullende eisen voor commerciële vluchtuitvoeringen”. |
|
36) |
In bijlage III wordt de tekst van ORO.CC.005 vervangen door: „In dit subdeel zijn de eisen vastgesteld die de exploitant dient na te leven bij de uitvoering van vluchten met een luchtvaartuig met cabinebemanning. Deze eisen omvatten het volgende:
|
|
37) |
In bijlage III krijgt subdeel CC, sectie 1, de titel: „Algemene eisen”. |
|
38) |
In bijlage III wordt een nieuw aanhangsel I met als titel „Eigen verklaring” toegevoegd, zoals uiteengezet in bijlage II van deze verordening. |
|
39) |
In bijlage V wordt de tekst van SPA.GEN.100 vervangen door:
|
|
40) |
In bijlage V wordt de tekst van SPA.GEN.110 vervangen door: „Het toepassingsgebied van de activiteiten die een exploitant volgens de goedkeuring mag verrichten, wordt gedocumenteerd en gespecificeerd:
|
|
41) |
In bijlage V, punt SPA.DG.100, wordt „Bijlage VI (deel-NCC) en bijlage VII (deel-NCO) ingevoegd na „bijlage IV (deel-CAT)”. |
|
42) |
Een nieuwe bijlage VI (deel-NCC) en bijlage VII (deel-NCO), zoals uiteengezet in bijlage III, respectievelijk bijlage IV bij deze verordening, worden ingevoegd. |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Ze is van toepassing met ingang van 25 augustus 2013.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 augustus 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE I
„Aanhangsel V
Lijst van specifieke erkenningen
Niet-commerciële vluchtuitvoeringen
(behoudens de voorwaarden zoals gespecificeerd in de erkenning en opgenomen in het vluchthandboek of de pilotenhandleiding)
|
Autoriteit van afgifte (1): |
||
|
Lijst van specifieke erkenningen # (2): Naam van de exploitant: Datum (3): Handtekening: |
||
|
Model en registratiekentekens (4) van het luchtvaartuig: |
||
|
Typen gespecialiseerde vluchtuitvoeringen, indien van toepassing: (5)… |
||
|
Specifieke erkenningen (6) |
Specificatie (7) |
Opmerkingen |
|
|
|
|
|
… |
|
|
|
… |
|
|
|
… |
|
|
|
… |
|
|
EASA-FORMULIER 140 Versie 1.”
(1) Naam en contactgegevens invullen.
(2) Nummer invullen.
(3) Datum van afgifte van de specifieke erkenningen (dd-mm-jjjj) en handtekening van de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit.
(4) CAST- of ICAO-aanduiding van het merk, model en (master)serienummer, indien toegewezen, van het luchtvaartuig (bv. Boeing-737-3K2 of Boeing-777-232). De CAST/ICAO-classificatie is te vinden op: http://www.intlaviationstandards.org/
De registratiekentekens moeten worden vermeld in de lijst van specifieke erkenningen of in het vluchthandboek. In het tweede geval dient in de lijst van specifieke erkenningen te worden verwezen naar de desbetreffende bladzijde in het vluchthandboek.
(5) Specificeer het type activiteit, bv. landbouw, bouw, fotografie, landmeetkunde, observatie en patrouilles of luchtreclame.
(6) Vermeld in deze kolom alle erkende activiteiten, bv. gevaarlijke goederen, LVO, RVSM, RNP, MNPS.
(7) Vermeld in deze kolom de meest permissieve criteria voor iedere erkenning, bv. de beslissingshoogte en RVR-minima voor CAT II.
BIJLAGE II
„Aanhangsel
|
EIGEN VERKLARING in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie inzake vluchtuitvoering Exploitant Naam: Plaats waar de exploitant is gevestigd of verblijft en plaats waar de vluchtuitvoeringen worden aangestuurd: Naam en contactgegevens van de verantwoordelijke manager: Vluchtuitvoering met het luchtvaartuig Startdatum van de vluchtuitvoering/datum waarop de wijziging van toepassing wordt: Soort(en) vluchtuitvoering:
Type(n) luchtvaartuig(en), registratie(s) en hoofdbasis: Details van erkenningen (voor zover van toepassing een lijst met specifieke erkenningen bij de eigen verklaring voegen) Lijst met alternatieve wijzen van naleving, met verwijzingen naar de aanvaardbare wijzen van naleving die zij vervangen (bij de eigen verklaring voegen) Vermeldingen
Alle vluchten worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedures en instructies die zijn gespecificeerd in het vluchthandboek.
De exploitant leeft een officieel erkende industrienorm na en heeft dit aangetoond. Referentie van de norm: Certificeringsorgaan: Datum van de laatste nalevingscontrole:
Datum, naam en handtekening van de verantwoordelijke manager” |
BIJLAGE III
„BIJLAGE VI
NIET-COMMERCIËLE VLUCHTUITVOERINGEN MET COMPLEXE MOTORAANGEDREVEN LUCHTVAARTUIGEN
(DEEL-NCC)
SUBDEEL A
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
NCC.GEN.100 Bevoegde autoriteit
De bevoegde autoriteit is de autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waarin de exploitant zijn hoofdvestiging heeft of verblijft.
NCC.GEN.105 Verantwoordelijkheden van de bemanning
|
a) |
Bemanningsleden zijn verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van hun taken die:
|
|
b) |
Tijdens kritieke stadia van de vlucht of telkens wanneer de gezagvoerder dit om veiligheidsredenen noodzakelijk acht, zitten alle cabinebemanningsleden neer op de hun toegewezen post en verrichten zij geen andere werkzaamheden dan die welke vereist zijn voor de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig. |
|
c) |
Tijdens de vlucht houden de bemanningsleden hun veiligheidsgordel aan wanneer zij neerzitten op hun post. |
|
d) |
Tijdens de vlucht blijft minstens één gekwalificeerd bemanningslid aan de besturingsinstrumenten van het luchtvaartuig. |
|
e) |
Bemanningsleden mogen geen werkzaamheden verrichten aan boord van een luchtvaartuig:
|
|
f) |
Bemanningsleden die taken verrichten voor meerdere exploitanten:
|
|
g) |
De bemanningsleden melden het volgende aan de gezagvoerder:
|
NCC.GEN.106 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gezagvoerder
|
a) |
Verantwoordelijkheden van de gezagvoerder:
|
|
b) |
De gezagvoeder heeft de bevoegdheid om het vervoer van personen, bagage of vracht die de veiligheid van het luchtvaartuig of de inzittenden in gevaar kunnen brengen, te weigeren of om deze uit het luchtvaartuig te verwijderen. |
|
c) |
De gezagvoerder meldt zo snel mogelijk aan de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten alle door hem vastgestelde gevaarlijke weers- of vliegomstandigheden die de veiligheid van andere luchtvaartuigen in gevaar kunnen brengen. |
|
d) |
Onverminderd het bepaalde onder a), punt 6, mag de gezagvoerder, in het geval van vluchtuitvoeringen met een meerkoppige bemanning, voorbij het dichtstbijzijnde luchtvaartterrein met gunstige weersomstandigheden vliegen mits voorzien is in passende risicobeperkende procedures. |
|
e) |
De gezagvoerder doet in een noodsituatie waarbij onmiddellijk beslissen en handelen vereist is, alles wat hij/zij onder die omstandigheden nodig acht overeenkomstig punt 7.d van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. Hij/zij mag daarbij in het belang van de veiligheid afwijken van de regels, vluchtuitvoeringsprocedures en methoden. |
|
f) |
In geval van wederrechtelijke daden dient de gezagvoerder hier onmiddellijk een verslag van in bij de bevoegde autoriteit en brengt hij de aangewezen lokale autoriteit daarvan op de hoogte. |
|
g) |
De gezagvoerder stelt de dichtstbijzijnde passende autoriteit met de snelste beschikbare middelen in kennis van eventuele ongevallen met het luchtvaartuig met zwaargewonden of doden of aanzienlijke schade aan het luchtvaartuig of aan eigendommen tot gevolg. |
NCC.GEN.110 Naleving van wetten, regels en procedures
|
a) |
De gezagvoerder leeft de wetten, regels en procedures na van de staten waarin vluchtuitvoeringen worden verricht. |
|
b) |
De gezagvoerder kent de voor de uitvoering van zijn/haar taken relevante wetten, regels en procedures die gelden voor de te doorkruisen gebieden, de te gebruiken luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringslocaties en de daarmee verband houdende luchtvaartnavigatiefaciliteiten, zoals vermeld in punt 1.a van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. |
NCC.GEN.115 Gemeenschappelijke taal
De exploitant dient erop toe te zien dat alle bemanningsleden met elkaar kunnen communiceren in een gemeenschappelijke taal.
NCC.GEN.120 Taxiën van vleugelvliegtuigen
De exploitant dient ervoor te zorgen dat een vleugelvliegtuig alleen het bewegingsgebied van een luchtvaartterrein wordt opgetaxied als de persoon die aan de besturingsinstrumenten zit:
|
a) |
een passend gekwalificeerde piloot is, of |
|
b) |
door de exploitant is aangewezen, en:
|
NCC.GEN.125 Rotorinschakeling — helikopters
Een helikopterrotor mag enkel met een gekwalificeerde piloot aan de besturingsinstrumenten worden ingeschakeld voor een vlucht.
NCC.GEN.130 Draagbare elektronische apparatuur
De exploitant staat niet toe dat iemand aan boord van een luchtvaartuig gebruikmaakt van een draagbaar elektronisch apparaat dat de werking van de systemen en apparatuur van het luchtvaartuig nadelig kan beïnvloeden.
NCC.GEN.135 Informatie over nood- en overlevingsuitrusting aan boord
De exploitant zorgt ervoor dat zich te allen tijde lijsten met informatie over de nood- en overlevingsuitrusting aan boord bevinden, welke onmiddellijk ter beschikking kunnen worden gesteld van reddingscoördinatiecentra.
NCC.GEN.140 Documenten, handleidingen en informatie aan boord
|
a) |
De volgende documenten, handleidingen en informatie worden bij iedere vlucht aan boord meegenomen. Het betreft originelen of kopieën, tenzij anders aangegeven:
|
|
b) |
Bij verlies of diefstal van de onder a), punten 2 tot en met 8, vermelde documenten mag de vluchtuitvoering worden voortgezet tot de bestemming of een plaats waar vervangingsdocumenten kunnen worden verstrekt, is bereikt. |
NCC.GEN.145 Bewaren, overleggen en gebruiken van opnames van de vluchtrecorder
|
a) |
Na een meldingsplichtig ongeval of incident bewaart de exploitant van een luchtvaartuig de oorspronkelijke opgenomen gegevens gedurende een periode van 60 dagen, tenzij de onderzoeksinstantie anders beslist. |
|
b) |
De exploitant voert operationele controles en beoordelingen uit van opnames van de vluchtrecorder, de cockpitgeluidsrecorder en de datalinkrecorder om te waarborgen dat de recorders goed blijven functioneren. |
|
c) |
De exploitant bewaart de opnames voor de gebruiksperiode van de vluchtrecorder zoals voorgeschreven in NCC.IDE.A.165 of NCC.IDE.H.165, maar voor het testen en onderhouden van de vluchtrecorder mag maximaal één uur van het oudste opgenomen materiaal op het tijdstip van testen worden gewist. |
|
d) |
De exploitant houdt documentatie bij die actueel wordt gehouden en die de nodige informatie bevat waarmee de ruwe gegevens van de vluchtrecorder kunnen worden omgezet in parameters die in technische eenheden worden uitgedrukt. |
|
e) |
De exploitant stelt alle vluchtrecorderopnames die bewaard zijn gebleven beschikbaar indien zulks wordt bepaald door de bevoegde autoriteit. |
|
f) |
Onverminderd Verordening (EU) nr. 996/2010:
|
NCC.GEN.150 Vervoer van gevaarlijke goederen
|
a) |
Luchtvervoer van gevaarlijke goederen vindt plaats overeenkomstig bijlage 18 bij het Verdrag van Chicago, zoals laatstelijk gewijzigd bij en aangevuld door de Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air (ICAO Doc 9284-AN/905., inclusief de supplementen en eventuele andere addenda of corrigenda. |
|
b) |
Gevaarlijke goederen mogen alleen worden vervoerd door exploitanten die zijn goedgekeurd overeenkomstig bijlage V (deel-SPA), subdeel G, bij Verordening (EU) nr. 965/2012, behalve als:
|
|
c) |
De exploitant stelt procedures op om te waarborgen dat alle redelijke maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat onbedoeld gevaarlijke goederen aan boord worden vervoerd. |
|
d) |
De exploitant verstrekt de personeelsleden de nodige informatie waarmee zij hun verantwoordelijkheden kunnen nakomen, zoals vereist bij de Technische Voorschriften. |
|
e) |
Overeenkomstig de Technische Voorschriften stelt de exploitant de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteit van het land waar de gevallen zich hebben voorgedaan onverwijld in kennis wanneer zich een ongeval of incident met gevaarlijke goederen heeft voorgedaan. |
|
f) |
De exploitant zorgt ervoor dat passagiers overeenkomstig de Technische Voorschriften informatie krijgen over gevaarlijke goederen. |
|
g) |
De exploitant zorgt ervoor dat mededelingen met informatie over het vervoer van gevaarlijke goederen worden verstrekt op ontvangstpunten van vracht, zoals voorgeschreven in de Technische Voorschriften. |
SUBDEEL B
VLUCHTUITVOERINGSPROCEDURES
NCC.OP.100 Gebruik van luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringslocaties
De exploitant mag alleen luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringslocaties gebruiken die geschikt zijn voor het desbetreffende type luchtvaartuig en de desbetreffende vluchtuitvoering.
NCC.OP.105 Specificatie van afgelegen luchtvaartterreinen — vleugelvliegtuigen
Voor wat de selectie van alternatieve luchtvaartterreinen en het brandstofbeleid betreft, beschouwt de exploitant een luchtvaartterrein als afgelegen als de vliegtijd naar het dichtstbijzijnde uitwijkluchtvaartterrein van bestemming meer bedraagt dan:
|
a) |
voor vliegtuigen met zuigermotoren: 60 minuten, of |
|
b) |
voor vliegtuigen met turbinemotoren: 90 minuten. |
NCC.OP.110 Vluchtuitvoeringsminima van het luchtvaartterrein — algemeen
|
a) |
Met betrekking tot instrumentvliegregels (IFR) stelt de exploitant vluchtuitvoeringsminima vast voor ieder vertrek-, bestemmings- of uitwijkluchtvaartterrein dat zal worden gebruikt. Deze minima:
|
|
b) |
Bij het vaststellen van vluchtuitvoeringsminima voor het luchtvaartterrein houdt de exploitant rekening met:
|
|
c) |
De minima voor een specifiek type naderings- en landingsprocedure mogen alleen worden gebruikt als aan al de onderstaande voorwaarden is voldaan:
|
NCC.OP.111 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — NPA, APV, CAT I-vluchtuitvoeringen
|
a) |
De beslissingshoogte (decision height, DH) die moet worden gebruikt voor een niet-precisienadering (non-precision approach, NPA) waarbij gebruik wordt gemaakt van de techniek van eindnadering met continue daling (continuous descent final approach, CDFA), voor een naderingsprocedure met verticale geleiding (approach procedure with vertical guidance, APV) of voor een vluchtuitvoering van categorie I (CAT I) mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
|
|
b) |
De minimumdalingshoogte (minimum descent height, MDH) voor een niet-precisienadering waarbij gebruik wordt gemaakt van de techniek van eindnadering met continue daling mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
|
NCC.OP.112 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — circuitvluchten met vleugelvliegtuigen
|
a) |
De minimumdalingshoogte voor circuitvluchten met vleugelvliegtuigen mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
|
|
b) |
Het minimumzicht voor een circuitvlucht met vleugelvliegtuigen is de hoogste van de volgende waarden:
|
||||||||||||||||||||||||||
NCC.OP.113 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — onshore-circuitvluchten met helikopters
De MDH voor een onshore-circuitvlucht met een helikopter mag niet lager zijn dan 250 ft en het meteorologisch zich mag niet minder dan 800 m bedragen.
NCC.OP.115 Vertrek- en naderingsprocedures
|
a) |
De gezagvoerder maakt gebruik van de vertrek- en naderingsprocedure die door het land van het luchtvaartterrein zijn vastgesteld, indien dergelijke procedures zijn bekendgemaakt voor de te gebruiken banen/gebieden voor eindnadering en opstijgen (final approach and take-off areas, FATO’s). |
|
b) |
Onverminderd het bepaalde onder a), aanvaardt de gezagvoerder alleen een klaring van de luchtverkeersleiding om van een bekendgemaakte procedure af te wijken:
|
|
c) |
Het eindnaderingssegment wordt in ieder geval visueel of volgens de bekendgemaakte naderingsprocedures gevlogen. |
NCC.OP.120 Procedures ter beperking van geluidshinder
De exploitant stelt vluchtuitvoeringsprocedures op waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om het effect van vliegtuiglawaai tot een minimum te beperken, maar waarbij veiligheid voorrang heeft op de beperking van geluidshinder.
NCC.OP.125 Minimale hindernisvrije hoogten — IFR-vluchten
|
a) |
De exploitant specificeert een methode om minimumvlieghoogten vast te stellen die zorgen voor de vereiste hoogtemarge boven het terrein voor alle routesegmenten die volgens IFR worden gevlogen. |
|
b) |
De gezagvoerder stelt op basis van deze methode minimumvlieghoogten vast voor elke vlucht. De minimumvlieghoogten mogen niet lager zijn dan die welke zijn bekendgemaakt door het land dat wordt overvlogen. |
NCC.OP.130 Brandstof- en olievoorraad — vleugelvliegtuigen
|
a) |
De gezagvoerder begint een vlucht alleen als zich aan boord voldoende brandstof en olie bevinden om:
|
|
b) |
Bij het berekenen van de vereiste brandstof, inclusief die welke nodig is voor noodgevallen, wordt rekening gehouden met het volgende:
|
|
c) |
Niets belet de wijziging van een vluchtplan tijdens de vlucht teneinde de geplande bestemming van de vlucht te veranderen, voor zover aan alle eisen kan worden voldaan vanaf het punt waarop de geplande bestemming wordt veranderd. |
NCC.OP.131 Brandstof- en olievoorraad — helikopters
|
a) |
De gezagvoerder begint een vlucht alleen als zich aan boord van de helikopter voldoende brandstof en olie bevinden om:
|
|
b) |
Bij het berekenen van de vereiste brandstof, inclusief die welke nodig is voor noodgevallen, wordt rekening gehouden met het volgende:
|
|
c) |
Niets belet de wijziging van een vluchtplan tijdens de vlucht teneinde de geplande bestemming van de vlucht te veranderen, voor zover aan alle eisen kan worden voldaan vanaf het punt waarop de geplande bestemming wordt veranderd. |
NCC.OP.135 Opbergen van bagage en vracht
De exploitant stelt procedures vast om te garanderen dat:
|
a) |
alleen handbagage die passend en veilig kan worden opgeborgen, wordt meegenomen in het passagierscompartiment, en |
|
b) |
alle aan boord aanwezige bagage en vracht welke bij verschuiving verwondingen of schade zou kunnen veroorzaken of looppaden en uitgangen zou kunnen blokkeren, in opbergruimtes wordt geplaatst waarmee verplaatsing wordt voorkomen. |
NCC.OP.140 Voorlichting van passagiers
De gezagvoerder ziet erop toe dat:
|
a) |
de passagiers vóór de start vertrouwd zijn gemaakt met de plaats en het gebruik van:
en |
|
b) |
bij een noodtoestand tijdens de vlucht, de passagiers worden ingelicht omtrent de juiste handelswijze in de gegeven situatie. |
NCC.OP.145 Vluchtvoorbereiding
|
a) |
Alvorens een vlucht te beginnen, gaat de gezagvoerder met alle beschikbare redelijke middelen na of de grond- en/of waterfaciliteiten, inclusief de beschikbare communicatiefaciliteiten en navigatiehulpmiddelen die vereist zijn voor de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig, volstaan voor het desbetreffende type vluchtuitvoering. |
|
b) |
Alvorens een vlucht te beginnen, moet de gezagvoerder vertrouwd zijn met alle beschikbare meteorologische informatie die passend is voor de geplande vlucht. De voorbereiding van een vlucht weg van de nabijheid van de plaats van vertrek, en van elke vlucht onder instrumentvliegregels (IFR), omvat:
|
NCC.OP.150 Uitwijkluchtvaartterreinen van vertrek — vleugelvliegtuigen
|
a) |
Voor IFR-vluchten vermeldt de gezagvoerder in het vluchtplan minstens één uitwijkluchtvaartterrein van vertrek met gunstige weersomstandigheden als de weersomstandigheden op het luchtvaartterrein van vertrek gelijk zijn aan of slechter zijn dan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima voor het luchtvaartterrein of als het om andere redenen niet mogelijk zou zijn terug te keren naar het luchtvaartterrein van vertrek. |
|
b) |
Het uitwijkluchtvaartterrein van vertrek moet zich binnen de volgende afstand van het luchtvaartterrein van vertrek bevinden:
|
|
c) |
Om als uitwijkluchtvaartterrein van vertrek te worden geselecteerd, moet uit de beschikbare informatie blijken dat de omstandigheden op het verwachte tijdstip van gebruik gelijk zijn aan of beter zijn dan de vluchtuitvoeringsminima van het luchtvaartterrein voor de desbetreffende vluchtuitvoering. |
NCC.OP.151 Uitwijkluchtvaartterreinen van bestemming — vleugelvliegtuigen
Voor IFR-vluchten vermeldt de gezagvoerder in het vluchtplan minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming met gunstige weersomstandigheden, tenzij:
|
a) |
uit de beschikbare actuele meteorologische informatie blijkt dat, voor de periode van 1 uur vóór tot 1 uur na het verwachte aankomsttijdstip, of van het werkelijke vertrektijdstip tot 1 uur na het verwachte aankomsttijdstip, als deze periode korter is, de nadering en landing bij zichtweersomstandigheden (VMC) kunnen worden uitgevoerd, of |
|
b) |
de geplande landingslocatie afgelegen is, en:
|
NCC.OP.152 Uitwijkluchtvaartterreinen van bestemming — helikopters
Voor vluchten volgens instrumentvliegregels vermeldt de gezagvoerder in het vluchtplan minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming met gunstige weersomstandigheden, tenzij:
|
a) |
een instrumentnaderingsprocedure is voorgeschreven voor het geplande luchtvaartterrein van landing en uit de beschikbare actuele meteorologische informatie blijkt dat de meteorologische omstandigheden als volgt zullen zijn van 2 uur vóór tot 2 uur na het verwachte aankomsttijdstip, of van de werkelijke vertrektijd tot 2 uur na het verwachte aankomsttijdstip, als deze periode korter is:
|
|
b) |
de geplande landingslocatie afgelegen is, en:
|
NCC.OP.155 Bijtanken terwijl de passagiers instappen, aan boord zijn of uitstappen
|
a) |
Het luchtvaartuig mag niet worden bijgetankt met Avgas (aviation gasoline) of „wide-cut”-brandstof of een mengsel van deze brandstofsoorten terwijl de passagiers instappen, aan boord zijn of uitstappen. |
|
b) |
Voor alle andere brandstofsoorten worden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen en dient het luchtvaartuig correct te zijn bemand met gekwalificeerd personeel dat in staat is om een eventuele evacuatie van het luchtvaartuig op de meest praktische en snelle wijze op gang te brengen en in goede banen te leiden. |
NCC.OP.160 Gebruik van koptelefoons
|
a) |
Ieder cockpitbemanningslid dat dienst doet in de cockpit, draagt een koptelefoon met statiefmicrofoon of gelijkwaardig. De koptelefoon wordt gebruikt als het primaire apparaat voor mondelinge communicatie met luchtverkeersdiensten:
|
|
b) |
In de omstandigheden zoals bepaald onder a) bevindt de statiefmicrofoon of gelijkwaardig zich in een stand waarin radiocommunicatie in twee richtingen mogelijk is. |
NCC.OP.165 Vervoer van passagiers
De exploitant stelt procedures vast om te garanderen dat:
|
a) |
passagiers op zodanige plaatsen zitten dat zij, ingeval noodevacuatie nodig is, kunnen bijdragen tot de ontruiming van het luchtvaartuig en deze niet hinderen; |
|
b) |
vóór de start en landing en tijdens het taxiën, en telkens wanneer dit door de gezagvoerder in het belang van de veiligheid noodzakelijk wordt geacht, alle aan boord aanwezige passagiers op zitplaatsen zitten of op ligplaatsen liggen met een correct vastgemaakte veiligheidsgordel of bevestigingssysteem, en |
|
c) |
bezetting van vliegtuigstoelen door meerdere personen alleen is toegestaan voor specifieke stoelen en voor één volwassene en één baby die correct is vastgemaakt door een aanvullende lusgordel of ander bevestigingsmiddel. |
NCC.OP.170 Beveiliging van de passagierscabine en boordkeuken(s)
De gezagvoerder ziet erop toe dat:
|
a) |
vóór het taxiën, opstijgen en landen alle uitgangen en vluchtroutes vrij zijn van belemmeringen, en |
|
b) |
alle uitrusting en bagage vóór de start en landing, alsook wanneer dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van de veiligheid, correct wordt opgeborgen. |
NCC.OP.175 Roken aan boord
De gezagvoerder staat roken aan boord niet toe:
|
a) |
wanneer dit in verband met de veiligheid noodzakelijk wordt geacht; |
|
b) |
tijdens het bijtanken van het luchtvaartuig; |
|
c) |
wanneer het luchtvaartuig zich op de grond bevindt, tenzij de exploitant procedures heeft vastgesteld om risico’s tijdens grondactiviteiten te beperken; |
|
d) |
buiten de aangewezen rookzones, in het (de) gangpad(en) en in het (de) toilet(ten); |
|
e) |
in vrachtcompartimenten en/of andere ruimten waarin vracht wordt vervoerd die niet is opgeborgen in vlambestendige houders of niet is afgedekt met vlambestendig canvas, en |
|
f) |
in die ruimten van de passagierscompartimenten waar zuurstof wordt verstrekt. |
NCC.OP.180 Meteorologische omstandigheden
|
a) |
De gezagvoerder gaat alleen over tot het begin of de voorzetting van een vlucht volgens zichtvliegregels als uit de recentste beschikbare meteorologische informatie blijkt dat de weersomstandigheden langs de route en op de geplande bestemming op het verwachte tijdstip van gebruik gelijk zullen zijn aan of beter zullen zijn dan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima voor zichtvliegregels. |
|
b) |
De gezagvoerder gaat alleen over tot het begin of de voorzetting van een vlucht volgens instrumentvliegregels naar het geplande luchtvaartterrein van bestemming als uit de recentste beschikbare meteorologische informatie blijkt dat de weersomstandigheden op de bestemming of op minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming op het verwachte aankomsttijdstip gelijk zijn aan of beter zijn dan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima voor het luchtvaartterrein. |
|
c) |
Als een vlucht bestaat uit segmenten volgens zichtvliegregels en segmenten volgens instrumentvliegregels is de onder a) en b) vermelde meteorologische informatie van toepassing, voor zover relevant. |
NCC.OP.185 IJs en andere verontreinigingen — Procedures op de grond
|
a) |
De exploitant stelt procedures vast in het geval ijsvrijmaken en ijsbestrijding op de grond en bijbehorende inspecties van het luchtvaartuig nodig zijn om de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig te waarborgen. |
|
b) |
De gezagvoerder mag pas aan de start beginnen wanneer het luchtvaartuig vrij is van elke afzetting welke de prestaties en/of de bestuurbaarheid van het luchtvaartuig negatief zou kunnen beïnvloeden, behalve voor zover toegestaan onder a) en overeenkomstig het vlieghandboek. |
NCC.OP.190 IJs en andere verontreinigingen — Vliegprocedures
|
a) |
De exploitant stelt procedures vast voor vluchten bij verwachte of werkelijke ijsvorming. |
|
b) |
De gezagvoerder gaat pas over tot het begin of de voortzetting van een vlucht onder verwachte of feitelijke ijsvormingsomstandigheden wanneer het luchtvaartuig is gecertificeerd en uitgerust om aan zulke omstandigheden het hoofd te bieden, zoals vermeld in punt 2.a.5 van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. |
|
c) |
Als de intensiteit van de ijsvorming sterker is dan die waarvoor het luchtvaartuig is gecertificeerd of als een luchtvaartuig dat niet is gecertificeerd voor vluchten in bekende ijsvormingsomstandigheden te maken krijgt met ijsvorming, verlaat de gezagvoerder onverwijld de plaats waar de ijsvormingsomstandigheden zich voordoen door een wijziging van het vliegniveau en/of de route en, indien noodzakelijk, door een noodgeval te melden aan de luchtverkeersleiding. |
NCC.OP.195 Startomstandigheden
Alvorens te starten vergewist de gezagvoerder zich van het volgende:
|
a) |
volgens de ter beschikking staande informatie wordt veilig starten en vertrekken niet verhinderd door het weer op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie en de toestand van de te gebruiken startbaan of het gebied voor eindnadering en opstijgen, en |
|
b) |
er kan worden voldaan aan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima van het luchtvaartterrein. |
NCC.OP.200 Simulaties tijdens de vlucht
|
a) |
Bij het vervoer van passagiers of vracht mag de gezagvoerder geen simulaties uitvoeren van:
|
|
b) |
Onverminderd het bepaalde onder a) mogen dergelijke simulaties worden uitgevoerd met leerling-piloten aan boord wanneer het opleidingsvluchten betreft die door een goedgekeurde opleidingsorganisatie worden uitgevoerd. |
NCC.OP.205 Brandstofbeheer tijdens de vlucht
|
a) |
De exploitant dient een procedure vast te stellen om ervoor te zorgen dat tijdens de vlucht brandstofcontroles worden uitgevoerd en de brandstofvoorraden worden beheerd. |
|
b) |
De gezagvoerder controleert regelmatig of de hoeveelheid bruikbare brandstof die nog voor de vlucht beschikbaar is niet minder is dan de hoeveelheid die nodig is om naar een luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringslocatie met gunstige weersomstandigheden te vliegen, alsmede de geplande reservebrandstof, zoals vereist bij NCC.OP.130 of NCC.OP.131. |
NCC.OP.210 Gebruik van aanvullende zuurstof
De gezagvoerder zorgt ervoor dat hij/zij en de cockpitbemanningsleden die betrokken zijn bij essentiële taken voor het veilig functioneren van een luchtvaartuig in vlucht, voortdurend aanvullende zuurstof gebruiken wanneer de cabinedrukhoogte gedurende meer dan 30 minuten 10 000 ft overschrijdt en telkens wanneer de cabinedrukhoogte 13 000 ft overschrijdt.
NCC.OP.215 Grondnaderingsmelding
Wanneer door een cockpitbemanningslid of een grondnaderingswaarschuwingssysteem (Ground Proximity Warning System, GPWS) wordt gemeld dat het luchtvaartuig de grond te dicht nadert, treedt de besturende piloot onmiddellijk corrigerend op teneinde veilige vluchtomstandigheden te bewerkstelligen.
NCC.OP.220 Boordinstallatie ter voorkoming van botsingen (Airborne Collision Avoidance System, ACAS)
De exploitant stelt vluchtuitvoeringsprocedures en opleidingsprogramma’s op wanneer ACAS geïnstalleerd en gebruiksklaar is. Wanneer gebruik wordt gemaakt van ACAS II, moeten deze procedures en opleidingen in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 1332/2011.
NCC.OP.225 Naderings- en landingsprocedures
Alvorens een nadering voor de landing in te zetten, vergewist de gezagvoerder zich ervan dat, volgens ter beschikking staande informatie, het weer op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie en de toestand van de te gebruiken landingsbaan of het gebied voor eindnadering en opstijgen (Final Approach and Take-off Area, FATO) een veilige nadering, landing of afgebroken nadering niet verhinderen.
NCC.OP.230 Begin en voortzetting van de nadering
|
a) |
De gezagvoerder mag, ongeacht de meegedeelde zichtbare baanlengte (Runway visual range, RVR)/het meegedeelde zicht, een instrumentnadering inzetten. |
|
b) |
Indien het meegedeelde RVR/zicht lager is dan het toepasselijke minimum, wordt de nadering niet voortgezet:
|
|
c) |
Wanneer de zichtbare baanlengte niet beschikbaar is, mogen de waarden voor de zichtbare baanlengte worden afgeleid door omzetting van het meegedeelde zicht. |
|
d) |
Indien de meegedeelde zichtbare baanlengte/het meegedeelde zicht na het overschrijden van 1 000 ft boven het luchtvaartterrein beneden het toepasselijke minimum daalt, mag de nadering worden voortgezet tot de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte. |
|
e) |
De nadering mag beneden de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte worden voortgezet en de landing mag worden voltooid mits de visuele referentiepunten die passen bij het type nadering en bij de geplande baan, op de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte waarneembaar zijn en blijven. |
|
f) |
De zichtbare baanlengte van de landingszone blijft altijd doorslaggevend. |
SUBDEEL C
PRESTATIES VAN LUCHTVAARTUIGEN EN VLUCHTUITVOERINGSBEPERKINGEN
NCC.POL.100 Vluchtuitvoeringsbeperkingen — alle luchtvaartuigen
|
a) |
Tijdens elke fase van de vluchtuitvoering blijven de belading, de massa en het zwaartepunt van het luchtvaartuig binnen de grenzen die in het vlieghandboek of in het vluchthandboek, indien dit restrictiever is, worden vermeld. |
|
b) |
Borden, lijsten, instrumentmarkeringen of combinaties daarvan waarop de in het vlieghandboek voorgeschreven vluchtuitvoeringsbeperkingen visueel zijn gepresenteerd, moeten zichtbaar aanwezig zijn in het luchtvaartuig. |
NCC.POL.105 Massa en zwaartepunt, belading
|
a) |
De exploitant bepaalt de massa en het zwaartepunt van het luchtvaartuig aan de hand van een effectieve weging vóór de eerste ingebruikname. De gezamenlijke effecten van modificaties en reparaties op de massa en het zwaartepunt worden in rekening gebracht en gedocumenteerd. Luchtvaartuigen worden opnieuw gewogen indien de invloed van modificaties op de massa en het zwaartepunt niet nauwkeurig gekend is. |
|
b) |
De weging wordt uitgevoerd door de fabrikant of door een erkende onderhoudsorganisatie. |
|
c) |
De exploitant bepaalt de massa van alle voorwerpen en bemanningsleden die deel uitmaken van de droge vliegmassa van het luchtvaartuig door middel van wegingen, inclusief van de bagage van de bemanningsleden, of door gebruik te maken van standaardmassa’s. De invloed van de plaats daarvan op het zwaartepunt van het luchtvaartuig dient te worden bepaald. Wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardmassa’s, worden de volgende massawaarden voor bemanningsleden gebruikt om de droge vliegmassa te bepalen:
|
|
d) |
De exploitant stelt procedures vast om de gezagvoerder in staat te stellen de massa van de verkeerslading, inclusief eventuele ballast, te bepalen door:
|
|
e) |
Wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardmassa’s, worden de volgende massawaarden gebruikt:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
f) |
Voor vleugelvliegtuigen met hoogstens 19 passagiersstoelen wordt de werkelijke massa van de ingecheckte bagage bepaald aan de hand van:
|
|
g) |
De exploitant stelt procedures op om de gezagvoerder in staat te stellen de massa van de brandstoflading te bepalen door gebruik te maken van de werkelijke soortelijke massa of, indien deze niet bekend is, de soortelijke massa die berekend is volgens een in het vluchthandboek vermelde methode. |
|
h) |
De gezagvoerder ziet erop toe dat:
|
|
i) |
De exploitant stelt procedures op om de gezagvoerder in staat te stellen aanvullende structurele limieten na te leven, zoals de breuksterkte van de vloer, de maximaal toelaatbare belasting per strekkende meter, de maximummassa per vrachtcompartiment, en het maximumaantal zitplaatsen. |
|
j) |
De exploitant dient in het vluchthandboek de beginselen en methoden te vermelden van het systeem voor het laden van het luchtvaartuig en voor het bepalen van de massa en het zwaartepunt, teneinde te voldoen aan de eisen onder a) tot en met i). Dit systeem dient alle voorgenomen vluchtuitvoeringen te omvatten. |
NCC.POL.110 Massa- en zwaartepuntgegevens en -documentatie
|
a) |
Vóór aanvang van elke vlucht stelt de exploitant massa- en zwaartepuntgegevens vast en stelt hij massa- en zwaartepuntdocumentatie op, met vermelding van de lading en de verdeling ervan, op zodanige wijze dat de beperkingen van het luchtvaartuig inzake massa en zwaartepunt niet worden overschreden. De massa- en zwaartepuntdocumentatie dient de volgende informatie te bevatten:
|
|
b) |
Indien de massa- en zwaartepuntdocumentatie door een geautomatiseerd massa- en zwaartepuntsysteem wordt gegenereerd, dient de exploitant de juistheid van de verkregen gegevens te verifiëren. |
|
c) |
Als het luchtvaartuig niet onder toezicht van de gezagvoerder wordt geladen, bevestigt de persoon die toezicht houdt op het laden van het luchtvaartuig door middel van zijn handtekening of een gelijkwaardig teken dat de lading en de verdeling ervan in overeenstemming zijn met de massa- en zwaartepuntdocumentatie die door de gezagvoerder is opgesteld. De gezagvoerder voorziet deze documentatie ter aanvaarding van zijn/haar handtekening of een gelijkwaardig teken. |
|
d) |
De exploitant stelt procedures vast voor wijzigingen op het laatste moment in de lading om ervoor te zorgen dat:
|
NCC.POL.111 Massa- en zwaartepuntgegevens en -documentatie — afwijkingen
Onverminderd NCC.POL.110, onder a), punt 5, behoeft de zwaartepuntspositie niet noodzakelijkerwijs in de massa- en zwaartepuntdocumentatie te worden vermeld als de verdeling van de lading in overeenstemming is met een voorberekende balanstabel of als kan worden aangetoond dat voor de geplande vluchtuitvoeringen een correcte balans kan worden gewaarborgd, ongeacht de werkelijke lading.
NCC.POL.115 Prestaties — algemeen
De gezagvoerder voert alleen vluchten uit met het luchtvaartuig als de prestaties volstaan om te voldoen aan de toepasselijke voorschriften voor luchtruimgebruik en alle andere beperkingen die van toepassing zijn op de vlucht, het luchtruim of de gebruikte luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringslocaties, rekening houdende met de nauwkeurigheid van de gebruikte kaarten.
NCC.POL.120 Beperkingen van de startmassa — vleugelvliegtuigen
De exploitant ziet erop toe dat:
|
a) |
de massa van het vleugelvliegtuig bij het begin van de start niet hoger is dan de massabeperkingen:
rekening houdende met de verwachte afname van de massa tijdens de vlucht en met het lozen van brandstof; |
|
b) |
de massa bij het begin van de start nooit hoger is dan de in het vlieghandboek vastgelegde maximale startmassa voor de drukhoogte die overeenstemt met de hoogte van het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie en enige andere lokale atmosferische omstandigheid, indien deze wordt gebruikt om de maximale startmassa te bepalen, en |
|
c) |
de geraamde massa voor het verwachte tijdstip van landing op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie van bestemming en op alle uitwijkluchtvaartterreinen van bestemming nooit hoger is dan de in het vlieghandboek vastgelegde maximale landingsmassa voor de drukhoogte die overeenstemt met de hoogte van die luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringslocaties en enige andere lokale atmosferische omstandigheid, indien deze wordt gebruikt om de maximale landingsmassa te bepalen; |
NCC.POL.125 Start — vleugelvliegtuigen
|
a) |
Bij het bepalen van de maximale startmassa dient de gezagvoerder rekening te houden met het volgende:
|
|
b) |
Bij het uitvallen van een motor tijdens de start ziet de gezagvoerder erop toe dat:
|
NCC.POL.130 En-route — één uitgevallen motor — vleugelvliegtuigen
De gezagvoerder ziet erop toe dat, in het geval één motor van een meermotorig vleugelvliegtuig uitvalt op een punt langs de route, het vleugelvliegtuig de vlucht kan voortzetten naar een geschikt luchtvaartterrein of een geschikte vluchtuitvoeringslocatie zonder onder de minimale hindernisvrije hoogte te dalen.
NCC.POL.135 Landing — vleugelvliegtuigen
De gezagvoerder ziet erop toe dat het vleugelvliegtuig, na alle hindernissen in het naderingsvliegpad met een veilige marge te hebben vermeden, in staat is te landen en te stoppen of, in het geval van een watervliegtuig, een voldoende lage snelheid te bereiken binnen de beschikbare landingsafstand op om het even welk luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringslocatie. Er wordt rekening gehouden met verwachte variaties in de naderings- en landingstechnieken, indien dit niet gebeurd is bij de vastlegging van de prestatiegegevens.
SUBDEEL D
INSTRUMENTEN, GEGEVENS EN APPARATUUR
SECTIE 1
Vleugelvliegtuigen
NCC.IDE.A.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De bij dit subdeel vereiste instrumenten en apparatuur worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere toepasselijke bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur zijn vlot bedienbaar of bereikbaar vanaf de post van het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Instrumenten die door een willekeurig lid van de cockpitbemanning worden gebruikt, zijn zo opgesteld dat die persoon de aanwijzingen vlot vanaf zijn/haar post kan zien en daarbij zo weinig mogelijk hoeft af te wijken van de houding en kijkrichting die hij/zij normaal inneemt als hij/zij voorwaarts langs het vliegpad kijkt. |
|
f) |
Alle vereiste noodapparatuur moet vlot bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCC.IDE.A.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen als een van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van het vliegtuig niet werkt of ontbreekt, tenzij:
|
a) |
het vliegtuig wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL) van de exploitant; |
|
b) |
de exploitant van de bevoegde autoriteit toestemming krijgt om het vliegtuig te exploiteren binnen de beperkingen van de basisminimumuitrustingslijst (MMEL), of |
|
c) |
voor het vliegtuig een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCC.IDE.A.110 Elektrische reservezekeringen
Vliegtuigen worden uitgerust met elektrische reservezekeringen, met de grenswaarden die vereist zijn voor volledige circuitbescherming, voor de vervanging van zekeringen die tijdens de vlucht mogen worden vervangen.
NCC.IDE.A.115 Lichten
Vliegtuigen die overdag worden gebruikt, worden uitgerust met:
|
a) |
een antibotsingsverlichtingssysteem; |
|
b) |
navigatie-/positielichten; |
|
c) |
een landingslicht; |
|
d) |
door het elektrische systeem van het vliegtuig gevoede verlichting die zorgt voor een afdoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor het veilige gebruik van het vliegtuig; |
|
e) |
door het elektrische systeem van het vliegtuig gevoede verlichting die zorgt voor verlichting in alle passagierscompartimenten; |
|
f) |
een onafhankelijk werkende draagbare lamp voor elke bemanningspost, en |
|
g) |
de verlichting die nodig is om te voldoen aan internationale voorschriften ter voorkoming van botsingen op zee in geval van watervliegtuigen. |
NCC.IDE.A.120 VFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
|
a) |
Vliegtuigen waarmee VFR-vluchten overdag worden uitgevoerd, worden uitgerust met een middel om het volgende weer te geven:
|
|
b) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd bij zichtweersomstandigheden (VMC) boven water zonder dat er land in zicht is, of bij zichtweersomstandigheden ’s nachts, of in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van het vliegtuig niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), uitgerust met:
|
|
c) |
Wanneer voor de vluchtuitvoering twee piloten zijn vereist, zijn vliegtuigen uitgerust met een aparte aanvullende inrichting die het volgende weergeeft:
|
NCC.IDE.A.125 IFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
Vliegtuigen waarmee overdag IFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
een middel om aan te geven dat de stroomvoorziening naar de vlieginstrumenten onvoldoende is; |
|
c) |
wanneer voor de vluchtuitvoering twee piloten zijn vereist, een aparte aanvullende inrichting die het volgende weergeeft voor de tweede piloot:
|
|
d) |
een inrichting ter voorkoming van storingen in de krachtens a), punt 4, en c), punt 2, vereiste systemen voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming; |
|
e) |
een alternatieve bron voor de statische druk; |
|
f) |
een kaarthouder die zo is opgesteld dat de kaart gemakkelijk leesbaar is en die tijdens nachtvluchten kan worden verlicht; |
|
g) |
een tweede onafhankelijk instrument om de hoogte te meten en weer te geven, en |
|
h) |
een noodstroomvoorziening die onafhankelijk is van het normale elektriciteitsvoorzieningssysteem en waarmee het systeem voor hoogteweergave minstens 30 minuten kan worden gevoed en verlicht. De noodstroomvoorziening treedt automatisch in werking als de normale elektriciteitsvoorziening volledig uitvalt; op de hoogteweergave wordt duidelijk aangegeven dat het instrument op noodstroom werkt. |
NCC.IDE.A.130 Aanvullende uitrusting voor de uitvoering van IFR-vluchten met één piloot
Vliegtuigen waarmee IFR-vluchten worden uitgevoerd met één piloot worden uitgerust met een automatische piloot die ten minste in staat is om een vaste hoogte en koers aan te houden.
NCC.IDE.A.135 Terreinvermijdings- en waarschuwingssysteem (TAWS)
Vliegtuigen met schroefturbinemotoren met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 5 700 kg of een maximale passagiersconfiguratie van meer dan negen worden uitgerust met een TAWS dat voldoet aan de eisen voor:
|
a) |
klasse A-uitrusting, als vermeld in een aanvaardbare norm, in het geval van vliegtuigen waarvoor het individuele luchtwaardigheidscertificaat voor het eerst is afgegeven na 1 januari 2011, of |
|
b) |
klasse B-uitrusting, als vermeld in een aanvaardbare norm, in het geval van vliegtuigen waarvoor het individuele luchtwaardigheidscertificaat voor het eerst is afgegeven op of vóór 1 januari 2011. |
NCC.IDE.A.140 Boordinstallatie ter voorkoming van botsingen (Airborne Collission Avoidance System, ACAS)
Tenzij anders bepaald in Verordening (EU) nr. 1332/2011, worden vliegtuigen met schroefturbinemotoren met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 5 700 kg of een maximale passagiersconfiguratie van meer dan 19 uitgerust met ACAS II.
NCC.IDE.A.145 Weerradarapparatuur aan boord
De volgende vliegtuigen worden uitgerust met weerradarapparatuur aan boord wanneer ze ’s nachts of onder instrumentweersomstandigheden (IMC) worden gebruikt in gebieden waar zich naar verwachting langs de route onweersbuien of andere potentieel gevaarlijke, binnen de detectieresolutiegrenzen van de boordweerradar vallende weersomstandigheden kunnen voordoen:
|
a) |
vliegtuigen met een drukcabine; |
|
b) |
vliegtuigen zonder drukcabine met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 5 700 kg, en |
|
c) |
vliegtuigen zonder drukcabine met een maximale passagiersconfiguratie van meer dan negen. |
NCC.IDE.A.150 Aanvullende apparatuur voor vluchtuitvoering bij mogelijke ijsvorming bij nacht
|
a) |
Vliegtuigen die worden gebruikt onder verwachte of daadwerkelijke ijsvormingsomstandigheden bij nacht worden uitgerust met een lichtinstallatie of andere voorziening om de ijsvorming waar te nemen. |
|
b) |
De te gebruiken lichtinstallatie mag geen schittering of weerspiegeling veroorzaken die bemanningsleden zou kunnen hinderen bij de uitvoering van hun taken. |
NCC.IDE.A.155 Intercomsysteem voor de cockpitbemanning
Vliegtuigen die worden bestuurd door een cockpitbemanning van meer dan één persoon worden uitgerust met een intercomsysteem voor de cockpitbemanning, met inbegrip van koptelefoons en microfoons voor gebruik door alle cockpitbemanningsleden.
NCC.IDE.A.160 Cockpitgeluidsrecorder
|
a) |
De volgende vliegtuigen worden uitgerust met een cockpitgeluidsrecorder:
|
|
b) |
De cockpitgeluidsrecorder kan ten minste de gegevens bewaren die zijn opgenomen gedurende de laatste 2 uur. |
|
c) |
De cockpitgeluidsrecorder maakt opnames met tijdsaanduiding van:
|
|
d) |
De cockpitgeluidsrecorder begint met opnemen vóór het vliegtuig zich op eigen kracht voortbeweegt en gaat door met opnemen tot de vlucht is beëindigd en het vliegtuig zich niet langer op eigen kracht kan voortbewegen. |
|
e) |
Bovendien begint de cockpitgeluidsrecorder, naast het bepaalde onder d), voor zover de stroomvoorziening dat mogelijk maakt, zo vroeg mogelijk met opnemen tijdens de cockpitcontroles vóór het starten van de motor bij het begin van de vlucht tot aan de cockpitcontroles onmiddellijk na het uitschakelen van de motor aan het einde van de vlucht. |
|
f) |
De cockpitgeluidsrecorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
NCC.IDE.A.165 Vluchtgegevensrecorder
|
a) |
Vliegtuigen met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 5 700 kg en waarvoor het individuele bewijs van luchtwaardigheid voor het eerst is afgegeven op of na 1 januari 2016, worden uitgerust met een vluchtgegevensrecorder die gegevens digitaal opneemt en opslaat en waarmee die gegevens gemakkelijk en snel uit het opslagmedium kunnen worden opgevraagd. |
|
b) |
De vluchtgegevensrecorder neemt de parameters op die vereist zijn om het vliegpad, de snelheid, de vlieghouding, het motorvermogen, de configuratie en de exploitatie van het vliegtuig accuraat te bepalen en kan minstens de in de voorgaande 25 uur opgenomen gegevens bewaren. |
|
c) |
De gegevens worden verkregen uit bronnen in het vliegtuig die nauwkeurige correlatie met de aan de cockpitbemanning getoonde informatie mogelijk maken. |
|
d) |
De vluchtgegevensrecorder begint automatisch met opnemen vóór het vliegtuig zich op eigen kracht kan voortbewegen en stopt automatisch met opnemen wanneer het vliegtuig zich niet langer op eigen kracht kan voortbewegen. |
|
e) |
De vluchtgegevensrecorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
NCC.IDE.A.170 Datalinkrecorder
|
a) |
Vliegtuigen waarvoor het individuele bewijs van luchtwaardigheid voor het eerst is afgegeven op of na 1 januari 2016 en die over datalinkcommunicatiemogelijkheden beschikken en verplicht zijn uitgerust met een cockpitgeluidsrecorder, leggen de volgende opnames vast op een recorder, indien van toepassing:
|
|
b) |
De recorder maakt gebruik van een digitale methode voor het opnemen en opslaan van gegevens en informatie en een methode die het mogelijk maakt die gegevens gemakkelijk en snel op te vragen. De opnamemethode moet zodanig zijn dat gegevens kunnen worden gekoppeld aan op de grond vastgelegde gegevens. |
|
c) |
De recorder kan gegevens bewaren gedurende ten minste dezelfde tijd als die welke in NCC.IDE.A.160 is vastgesteld voor de cockpitgeluidsrecorder. |
|
d) |
De recorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
|
e) |
De eisen die van toepassing zijn op de start- en stoplogica van de recorder zijn dezelfde als de in NCC.IDE.A.160, onder d) en e), vermelde eisen voor de start- en stoplogica van de cockpitgeluidsrecorder. |
NCC.IDE.A.175 Gecombineerde vluchtgegevens- en cockpitgeluidsrecorder
Aan de voorschriften met betrekking tot de cockpitgeluidsrecorder en de vluchtgegevensrecorder kan worden voldaan door middel van:
|
a) |
een gecombineerde cockpitgeluids- en vluchtgegevensrecorder in geval van vliegtuigen die verplicht met een cockpitgeluidsrecorder of een vluchtgegevensrecorder zijn uitgerust, of |
|
b) |
twee gecombineerde vluchtgegevens- en cockpitgeluidsrecorders in geval van vliegtuigen die verplicht met een cockpitgeluidsrecorder en een vluchtgegevensrecorder zijn uitgerust. |
NCC.IDE.A.180 Zitplaatsen, veiligheidsgordels, bevestigingssystemen en bevestigingssystemen voor kinderen
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met:
|
|
b) |
Een veiligheidsgordel met een schoudersysteem:
|
NCC.IDE.A.185 „Fasten seat belt”- en „no smoking”-tekens
Vliegtuigen waarin niet alle passagierszitplaatsen zichtbaar zijn vanuit de stoel(en) van de cockpitbemanning worden uitgerust met een inrichting om aan alle passagiers en de cabinebemanning aan te geven wanneer de gordels moeten worden vastgemaakt en wanneer roken verboden is.
NCC.IDE.A.190 Verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen, in overeenstemming met tabel 1.
Tabel 1 Vereist aantal verbandtrommels
|
|
b) |
De verbandtrommels moeten:
|
NCC.IDE.A.195 Aanvullende ademhalingszuurstof — vliegtuigen met drukcabine
|
a) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
|
c) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten op een hoogte van meer dan 25 000 ft worden uitgevoerd, worden bovendien uitgerust met:
|
NCC.IDE.A.200 Aanvullende ademhalingszuurstof — vliegtuigen zonder drukcabine
|
a) |
Vliegtuigen zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Vliegtuigen zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
NCC.IDE.A.205 Handbrandblussers
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:
|
|
b) |
Het type en de hoeveelheid blusmiddel voor de vereiste brandblussers dient geschikt te zijn voor het soort brand dat kan optreden in het compartiment waarvoor de blusser bestemd is en voor het minimaliseren van het risico op vorming van giftige gasconcentraties in personencompartimenten. |
NCC.IDE.A.206 Bijlen en breekijzers
|
a) |
Vliegtuigen met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 5 700 kg of een maximale passagiersconfiguratie van meer dan negen worden uitgerust met ten minste één bijl of breekijzer, dat zich in de cockpit bevindt. |
|
b) |
In het geval van vliegtuigen met een maximale passagiersconfiguratie van meer dan 200 dient een extra bijl of breekijzer in of in de omgeving van de achterste boordkeuken te worden geplaatst. |
|
c) |
Bijlen en breekijzers die in het passagierscompartiment zijn geplaatst, mogen niet zichtbaar zijn voor de passagiers. |
NCC.IDE.A.210 Markering van openhakplaatsen
Indien bepaalde delen van de romp van het vliegtuig zijn gemarkeerd als zijnde geschikt om in geval van nood open te worden gehakt door reddingsploegen, zijn deze delen gemarkeerd als in figuur 1.
Figuur 1
Markering van openhakplaatsen
NCC.IDE.A.215 Plaatsaanduidende noodzender (ELT)
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met:
|
|
b) |
Plaatsaanduidende noodzenders van om het even welk type moeten tegelijkertijd op 121,5 MHz en 406 MHz kunnen uitzenden. |
NCC.IDE.A.220 Vluchten boven water
|
a) |
De volgende vliegtuigen worden uitgerust met een zwemvest voor elke persoon aan boord of een gelijkwaardig individueel drijfmiddel voor elke persoon aan boord van jonger dan 24 maanden, opgeborgen op een plaats die vlot bereikbaar is vanuit de zit- of ligplaats van de persoon voor wie het is bedoeld:
|
|
b) |
Alle zwemvesten of gelijkwaardige individuele drijfmiddelen worden uitgerust met elektrische verlichting om personen gemakkelijker te kunnen opsporen. |
|
c) |
Watervliegtuigen waarmee vluchten boven water worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
|
d) |
Als met een vliegtuig een vlucht wordt uitgevoerd waarbij de afstand tot een plaats op het land waar een noodlanding mogelijk is groter is dan die welke overeenstemt met 30 minuten vliegen tegen normale kruissnelheid of groter is dan 50 zeemijl, als dit korter is, bepaalt de gezagvoerder de risico’s voor de inzittenden in geval van een noodlanding op het water. Op basis daarvan bepaalt hij of het volgende dient te worden meegenomen:
|
NCC.IDE.A.230 Overlevingsuitrusting
|
a) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met de volgende uitrusting:
|
|
b) |
De onder a), punt 3, vermelde extra overlevingsuitrusting hoeft niet aan boord te zijn wanneer het vliegtuig:
|
NCC.IDE.A.240 Koptelefoons
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met een koptelefoon met galg- of keelmicrofoon of een gelijkwaardig middel voor elk lid van de cockpitbemanning op zijn/haar toegewezen post in de cockpit. |
|
b) |
Vliegtuigen waarmee IFR-vluchten of nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met een zendknop op het handmatige bedieningsinstrument voor het beperken van het stampen en rollen voor elk vereist cockpitbemanningslid. |
NCC.IDE.A.245 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Wanneer vluchten volgens instrumentvoorschriften of nachtvluchten worden uitgevoerd of wanneer dit vereist is volgende toepasselijke luchtruimvoorschriften worden vliegtuigen uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee, onder normale zendomstandigheden:
|
|
b) |
Als meer dan een communicatieapparaat vereist is, moet elk apparaat onafhankelijk van de andere werken, zodat het uitvallen van een apparaat niet tot het uitvallen van de andere leidt. |
NCC.IDE.A.250 Navigatieapparatuur
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met navigatieapparatuur waarmee zij kunnen vliegen overeenkomstig:
|
|
b) |
Vliegtuigen worden uitgerust met voldoende navigatieapparatuur om ervoor te zorgen dat bij het uitvallen van een onderdeel van de apparatuur tijdens om het even welke fase van de vlucht, de resterende apparatuur veilige navigatie overeenkomstig het bepaalde onder a) of passende noodhandelingen mogelijk maakt. |
|
c) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd waarbij het de bedoeling is dat de landing plaatsvindt in instrumentweersomstandigheden (IMC) worden uitgerust met geschikte apparatuur die in staat is om het vliegtuig te geleiden naar een punt van waaraf een visuele landing kan worden uitgevoerd. Deze apparatuur moet geleiding kunnen geven voor elk luchtvaartterrein waarop het vliegtuig voornemens is in instrumentweersomstandigheden te landen en voor alle aangewezen uitwijkluchtvaartterreinen. |
NCC.IDE.A.255 Transponder
Vliegtuigen worden uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) voor drukhoogtemelding en elke andere SSR-transpondercapaciteit die is voorgeschreven voor de af te leggen vliegroute.
NCC.IDE.A.260 Beheer van elektronische navigatiegegevens
|
a) |
De exploitant mag alleen gegevensproducten gebruiken uit een navigatiedatabank ter ondersteuning van een navigatietoepassing die voldoet aan integriteitsnormen die toereikend zijn voor het voorgenomen gebruik van de gegevens. |
|
b) |
Wanneer gegevensproducten uit een navigatiedatabank een navigatietoepassing ondersteunen die nodig is voor een vluchtuitvoering waarvoor op grond van bijlage V (deel-SPA) bij Verordening (EU) nr. 965/2012 toestemming is vereist, dient de exploitant aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat het toegepaste proces en het geleverde product voldoen aan integriteitsnormen die toereikend zijn voor het voorgenomen gebruik van de gegevens. |
|
c) |
De exploitant houdt voortdurend toezicht op de integriteit van zowel het proces als de producten, hetzij direct, hetzij door toezicht te houden op de naleving door derde leveranciers. |
|
d) |
De exploitant garandeert dat actuele en ongewijzigde elektronische navigatiegegevens worden verstrekt aan en geïntegreerd in alle vliegtuigen die deze gegevens nodig hebben. |
SECTIE 2
Helikopters
NCC.IDE.H.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De volgens dit deel vereiste instrumenten en apparatuur moeten worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere toepasselijke bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur moeten vlot bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post van het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Instrumenten die door een willekeurig lid van de cockpitbemanning worden gebruikt, zijn zo opgesteld dat die persoon de aanwijzingen vlot vanaf zijn/haar post kan zien en daarbij zo weinig mogelijk hoeft af te wijken van de houding en kijkrichting die hij/zij normaal inneemt als hij/zij voorwaarts langs het vliegpad kijkt. |
|
f) |
Alle vereiste noodapparatuur moet vlot bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCC.IDE.H.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen wanneer enige van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van de helikopter niet werken of ontbreken, tenzij:
|
a) |
de helikopter wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL) van de exploitant; |
|
b) |
de exploitant van de bevoegde autoriteit toestemming krijgt om de helikopter te exploiteren binnen de beperkingen van de basisminimumuitrustingslijst (MMEL), of |
|
c) |
voor de helikopter een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCC.IDE.H.115 Lichten
Helikopters waarmee nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een antibotsingsverlichtingssysteem; |
|
b) |
navigatie-/positielichten; |
|
c) |
een landingslicht; |
|
d) |
door het elektrische systeem van de helikopter gevoede lichten die zorgen voor voldoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor veilige vluchtuitvoeringen met de helikopter; |
|
e) |
door het elektrische systeem van de helikopter gevoede lichten die zorgen voor verlichting in alle passagierscompartimenten; |
|
f) |
een onafhankelijk werkende draagbare lamp voor elke bemanningspost, en |
|
g) |
de verlichting die nodig is om te voldoen aan de internationale voorschriften ter voorkoming van botsingen op zee indien de helikopter een amfibieluchtvaartuig is. |
NCC.IDE.H.120 VFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
|
a) |
Helikopters waarmee overdag VFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
Helikopters waarmee vluchten bij zichtweersomstandigheden (VMC) boven water worden uitgevoerd zonder dat er land in zicht is, of bij zichtweersomstandigheden ’s nachts, of bij een zicht van minder dan 1 500 m, of in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van de helikopter niet kan worden aangehouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), uitgerust met:
|
|
c) |
Wanneer twee piloten vereist zijn voor de vlucht worden helikopters uitgerust met een aparte aanvullende inrichting voor de weergave van:
|
NCC.IDE.H.125 IFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
Helikopters waarmee overdag IFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
een middel om aan te geven dat de stroomvoorziening naar de vlieginstrumenten onvoldoende is; |
|
c) |
wanneer twee piloten vereist zijn voor de vlucht, een aparte aanvullende inrichting ter weergave van:
|
|
d) |
een inrichting ter voorkoming van storingen in de krachtens a), punt 4, en c), punt 2, vereiste systemen voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming; |
|
e) |
een alternatieve bron voor de statische druk; |
|
f) |
een kaarthouder die zo is opgesteld dat de kaart gemakkelijk leesbaar is en die tijdens nachtvluchten kan worden verlicht, en |
|
g) |
een aanvullend stand-by-instrument voor het meten en weergeven van de vlieghouding. |
NCC.IDE.H.130 Aanvullende uitrusting voor de uitvoering van IFR-vluchten met één piloot
Helikopters waarmee IFR-vluchten worden uitgevoerd met één piloot worden uitgerust met een automatische piloot waarmee ten minste een vaste hoogte en koers kan worden aangehouden.
NCC.IDE.H.145 Weerradarapparatuur aan boord
Helikopters met een maximale passagiersconfiguratie van meer dan negen waarmee IFR-vluchten of nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met weerradarapparatuur wanneer uit actuele weerberichten blijkt dat zich naar verwachting langs de te vliegen route onweersbuien of andere potentieel gevaarlijke, binnen de detectieresolutiegrenzen van boordweerradar vallende weersomstandigheden kunnen voordoen.
NCC.IDE.H.150 Aanvullende apparatuur voor vluchtuitvoering bij mogelijke ijsvorming bij nacht
|
a) |
Helikopters die worden gebruikt onder verwachte of daadwerkelijke ijsvormingsomstandigheden bij nacht worden uitgerust met een lichtinstallatie of een andere voorziening om de ijsvorming waar te nemen. |
|
b) |
De te gebruiken lichtinstallatie mag geen schittering of weerspiegeling veroorzaken die bemanningsleden zou kunnen hinderen bij de uitvoering van hun taken. |
NCC.IDE.H.155 Intercomsysteem voor de cockpitbemanning
Helikopters die worden bestuurd door een cockpitbemanning van meer dan één persoon worden uitgerust met een intercomsysteem voor de cockpitbemanning, met inbegrip van hoofdtelefoons en microfoons voor gebruik door alle cockpitbemanningsleden.
NCC.IDE.H.160 Cockpitgeluidsrecorder
|
a) |
Helikopters met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 7 000 kg waarvoor het individuele bewijs van luchtwaardigheid voor het eerst is afgegeven op of na 1 januari 2016, worden uitgerust met een cockpitgeluidsrecorder. |
|
b) |
Met deze cockpitgeluidsrecorder kunnen minstens de opnames van de laatste 2 uur worden bewaard. |
|
c) |
De cockpitgeluidsrecorder maakt opnames met tijdsaanduiding van:
|
|
d) |
De cockpitgeluidsrecorder begint automatisch met opnemen vóór de helikopter zich op eigen kracht voortbeweegt en gaat door met opnemen tot de vlucht is beëindigd en de helikopter zich niet langer op eigen kracht kan voortbewegen. |
|
e) |
Bovendien begint de cockpitgeluidsrecorder, naast het bepaalde onder d), voor zover de stroomvoorziening dat mogelijk maakt, zo vroeg mogelijk met opnemen tijdens de cockpitcontroles vóór het starten van de motor bij het begin van de vlucht tot aan de cockpitcontroles onmiddellijk na het uitschakelen van de motor aan het einde van de vlucht. |
|
f) |
De cockpitgeluidsrecorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
NCC.IDE.H.165 Vluchtgegevensrecorder
|
a) |
Helikopters met een gecertificeerde maximale startmassa van meer dan 3 175 kg en waarvoor het individuele bewijs van luchtwaardigheid voor het eerst is afgegeven op of na 1 januari 2016, worden uitgerust met een vluchtgegevensrecorder die gegevens digitaal opneemt en opslaat en waarmee die gegevens gemakkelijk en snel uit het opslagmedium kunnen worden opgevraagd. |
|
b) |
De vluchtgegevensrecorder dient de parameters op te nemen die vereist zijn om het vliegpad, de snelheid, de vlieghouding, het motorvermogen, de configuratie en de exploitatie van de helikopter accuraat te bepalen en kan minstens de in de voorgaande 10 uur opgenomen gegevens bewaren. |
|
c) |
De gegevens worden verkregen uit bronnen in de helikopter die nauwkeurige correlatie met de aan de cockpitbemanning getoonde informatie mogelijk maken. |
|
d) |
De vluchtgegevensrecorder begint automatisch met opnemen vóór de helikopter zich op eigen kracht kan voortbewegen en stopt met opnemen wanneer de helikopter zich niet langer op eigen kracht kan voortbewegen. |
|
e) |
De vluchtgegevensrecorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
NCC.IDE.A.170 Datalinkrecorder
|
a) |
Helikopters waarvoor het individuele bewijs van luchtwaardigheid voor het eerst is afgegeven op of na 1 januari 2016 en die over datalinkcommunicatieapparatuur beschikken en verplicht zijn uitgerust met een cockpitgeluidsrecorder, nemen het volgende op met een recorder, voor zover van toepassing:
|
|
b) |
De recorder maakt gebruik van een digitale methode voor het opnemen en opslaan van gegevens en informatie en een methode waarmee die gegevens gemakkelijk en snel kunnen worden opgevraagd. De opnamemethode moet zodanig zijn dat gegevens kunnen worden gekoppeld aan op de grond vastgelegde gegevens. |
|
c) |
Met de recorder kunnen gegevens worden bewaard gedurende ten minste dezelfde tijd als die welke in NCC.IDE.H.160 is vastgesteld voor cockpitgeluidsrecorders. |
|
d) |
De recorder is voorzien van een hulpmiddel dat het mogelijk maakt om het apparaat in water op te sporen. |
|
e) |
De eisen die van toepassing zijn op de start- en stoplogica van de recorder zijn dezelfde als die welke gelden voor de start- en stoplogica van de cockpitgeluidsrecorder in NCC.IDE.H.160 d) en e). |
NCC.IDE.H.175 Gecombineerde vluchtgegevens- en cockpitgeluidsrecorder
Aan de eisen voor cockpitgeluidsrecorders en vluchtgegevensrecorders kan worden voldaan aan de hand van één vluchtgegevens- en cockpitgeluidsrecorder.
NCC.IDE.H.180 Zitplaatsen, veiligheidsgordels, bevestigingssystemen en bevestigingssystemen voor kinderen
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met:
|
|
b) |
Een veiligheidsgordel met een schoudersysteem:
|
NCC.IDE.H.185 „Fasten seat belt”- en „no smoking”-tekens
Helikopters waarin niet alle passagierszitplaatsen zichtbaar zijn vanuit de stoel(en) van de cockpitbemanning worden uitgerust met een inrichting om aan alle passagiers en de cabinebemanning aan te geven wanneer de veiligheidsgordels moeten worden vastgemaakt en wanneer roken is verboden.
NCC.IDE.H.190 Verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met ten minste één verbandtrommel voor eerste hulp bij ongevallen. |
|
b) |
De verbandtrommels moeten:
|
NCC.IDE.H.200 Aanvullende ademhalingszuurstof — helikopters zonder drukcabine
|
a) |
Helikopters zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Helikopters zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
NCC.IDE.H.205 Handbrandblussers
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:
|
|
b) |
Het type en de hoeveelheid blusmiddel voor de vereiste brandblussers dient geschikt te zijn voor het soort brand dat kan optreden in het compartiment waarvoor de blusser bestemd is en voor het minimaliseren van het risico op vorming van giftige gasconcentraties in personencompartimenten. |
NCC.IDE.H.210 Markering van openhakplaatsen
Indien bepaalde delen van de romp van de helikopter zijn gemarkeerd als zijnde geschikt om in geval van nood te worden opengehakt door reddingsploegen, zijn deze delen gemarkeerd als in figuur 1.
Figuur 1
Markering van openhakplaatsen
NCC.IDE.H.215 Plaatsaanduidende noodzender (ELT)
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met ten minste één automatische plaatsaanduidende noodzender. |
|
b) |
Helikopters die vluchten boven water uitvoeren ter ondersteuning van offshoreactiviteiten in een vijandige omgeving en op een afstand tot het land die overeenkomt met meer dan 10 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid, worden uitgerust met ten minste één automatische plaatsaanduidende noodzender (ELT(AD)) voor het geval de kritieke motor uitvalt maar de helikopter een horizontale vlucht kan aanhouden. |
|
c) |
Plaatsaanduidende noodzenders van om het even welk type moeten tegelijkertijd op 121,5 MHz en 406 MHz kunnen uitzenden. |
NCC.IDE.H.225 Zwemvesten
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met een zwemvest voor elke persoon aan boord of een gelijkwaardig drijfmiddel voor elke persoon aan boord van jonger dan 24 maanden, opgeborgen op een plaats die vlot bereikbaar is vanuit de zit- of ligplaats van de persoon voor wie het is bedoeld, bij vluchten:
|
|
b) |
Alle zwemvesten of gelijkwaardige individuele drijfmiddelen worden uitgerust met elektrische verlichting om personen gemakkelijker te kunnen opsporen. |
NCC.IDE.H.226 Overlevingspakken voor bemanningsleden
Elk bemanningslid dient een overlevingspak te dragen bij vluchten:
|
a) |
boven water ter ondersteuning van offshore-vluchten, op een afstand tot het land die overeenstemt met meer dan 10 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid, waarbij de helikopter een horizontale vlucht kan aanhouden als de kritieke motor uitvalt en wanneer:
of |
|
b) |
wanneer de gezagvoerder dit heeft bepaald op basis van een risicobeoordeling, rekening houdende met de volgende omstandigheden:
|
NCC.IDE.H.227 Reddingsvlotten, plaatsaanduidende noodzenders voor overlevenden en overlevingsuitrusting voor langere vluchten boven water
Helikopters waarmee vluchten worden uitgevoerd:
|
a) |
boven water op een afstand tot het land die overeenstemt met meer dan 10 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid, waarbij de helikopter een horizontale vlucht kan aanhouden als de kritieke motor uitvalt, of |
|
b) |
boven water op een afstand tot het land die overeenstemt met meer dan 3 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid, waarbij de helikopter geen horizontale vlucht kan aanhouden als de kritieke motor uitvalt, en indien de gezagvoerder dit op basis van een risicobeoordeling heeft beslist, worden uitgerust met:
|
NCC.IDE.H.230 Overlevingsuitrusting
Helikopters waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met:
|
a) |
signaaluitrusting waarmee noodsignalen kunnen worden gegeven; |
|
b) |
ten minste één plaatsaanduidende noodzender voor overlevenden, en |
|
c) |
extra overlevingsuitrusting voor de te vliegen route, rekening houdend met het aantal personen aan boord. |
NCC.IDE.H.231 Aanvullende eisen voor helikopters die offshore-vluchten uitvoeren in een vijandig zeegebied
Helikopters die offshore-vluchten uitvoeren in een vijandig zeegebied, op een afstand tot het land die overeenkomt met meer dan 10 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid, dienen aan het volgende te voldoen:
|
a) |
wanneer de weerberichten of weersverwachtingen waarover de gezagvoerder beschikt, erop wijzen dat de zeetemperatuur tijdens de vlucht lager zal zijn dan 10 °C, of wanneer de geschatte reddingstijd langer is dan de berekende overlevingstijd, of de geplande vlucht ’s nachts wordt uitgevoerd, dragen alle personen aan boord een overlevingspak. |
|
b) |
Alle reddingsvlotten die overeenkomstig NCC.IDE.H.227 worden vervoerd, zijn zodanig geïnstalleerd dat ze kunnen worden gebruikt in zee-omstandigheden waarin de landings-, drijf- en trimkenmerken van de helikopter zijn geëvalueerd teneinde te voldoen aan de certificatievereisten voor noodlandingen op het water. |
|
c) |
De helikopter is uitgerust met een noodverlichtingsinstallatie met een eigen stroomvoorziening als bron van generieke verlichting van de cabine om het ontruimen van de helikopter te faciliteren. |
|
d) |
Alle nooduitgangen, waaronder nooduitgangen voor de bemanning, alsook de inrichtingen om ze te openen, zijn opvallend gemarkeerd als geleiding voor inzittenden die de uitgangen bij daglicht of in het donker gebruiken. Deze markeringen zijn zodanig aangebracht dat ze zichtbaar blijven als de helikopter kapseist en de cabine onder water komt te liggen. |
|
e) |
Alle niet-afwerpbare deuren die zijn aangewezen als nooduitgang bij een noodlanding op het water zijn uitgerust met een inrichting om ze in de open positie vast te zetten zodat ze de inzittenden niet hinderen bij het verlaten van de helikopter in alle zeeomstandigheden tot de maximale omstandigheden waarbij noodlanding en drijven op het water moeten worden overwogen. |
|
f) |
Alle deuren, ramen of andere openingen in het passagierscompartiment die bestemd zijn om onder water te ontsnappen, worden zodanig uitgerust dat ze in een noodsituatie kunnen worden gebruikt. |
|
g) |
Zwemvesten worden te allen tijde gedragen, tenzij de passagier of het bemanningslid een geïntegreerd overlevingspak draagt dat voldoet aan de gecombineerde eisen voor overlevingspakken en zwemvesten. |
NCC.IDE.H.232 Helikopters die zijn gecertificeerd om vluchten boven water uit te voeren — diverse uitrusting
Helikopters die zijn gecertificeerd om vluchten boven water uit te voeren, worden uitgerust met:
|
a) |
een zeeanker en andere uitrusting voor het aanmeren, verankeren of manoeuvreren van de helikopter op het water, in overeenstemming met de grootte, het gewicht en de manoeuvreereigenschappen van de helikopter, en |
|
b) |
een inrichting om de geluidssignalen te kunnen produceren die zijn voorgeschreven in de internationale regels voor het voorkomen van botsingen op zee, indien van toepassing. |
NCC.IDE.H.235 Alle helikopters die vluchten boven water uitvoeren — noodlandingen op het water
Helikopters worden zodanig ontworpen dat ze op het water kunnen landen of kunnen worden gecertificeerd voor noodlandingen op het water in overeenstemming met de relevante luchtwaardigheidsvoorschriften of worden uitgerust met drijfmiddelen voor noodsituaties wanneer ze vluchten boven water uitvoeren in een vijandige omgeving op een afstand tot het land die overeenkomt met meer dan 10 minuten vliegtijd bij normale kruissnelheid.
NCC.IDE.H.240 Koptelefoons
In alle gevallen dat een systeem voor radiocommunicatie en/of radionavigatie is vereist, is de helikopter uitgerust met een koptelefoon met statief- of galgmicrofoon of een gelijkwaardig middel en een zendknop op de bestuursinrichting voor elk lid van de cockpitbemanning op zijn/haar toegewezen post in de cockpit.
NCC.IDE.H.245 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Wanneer vluchten volgens instrumentvoorschriften of nachtvluchten worden uitgevoerd of wanneer dit vereist is volgens de toepasselijke luchtruimvoorschriften, worden de helikopters uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee, onder normale zendomstandigheden:
|
|
b) |
Als meer dan één communicatieapparaat vereist is, moet elk apparaat onafhankelijk van de andere werken, zodat het uitvallen van een apparaat niet tot het uitvallen van de andere leidt. |
|
c) |
Wanneer een radiocommunicatiesysteem vereist is naast het bij NCC.IDE.H.155 vereiste intercomsysteem voor de cockpitbemanning, worden helikopters uitgerust met een zendknop op de besturingsinrichting voor alle vereiste piloten en bemanningsleden, op hun post. |
NCC.IDE.H.250 Navigatieapparatuur
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met navigatieapparatuur waarmee zij kunnen vliegen overeenkomstig:
|
|
b) |
Helikopters worden uitgerust met voldoende navigatieapparatuur om ervoor te zorgen dat bij het uitvallen van een onderdeel van de apparatuur tijdens om het even welke fase van de vlucht, de resterende apparatuur veilige navigatie overeenkomstig het bepaalde onder a) of passende noodhandelingen mogelijk maakt. |
|
c) |
Helikopters die vluchten uitvoeren waarbij het de bedoeling is dat de landing plaatsvindt in instrumentweersomstandigheden (IMC) worden uitgerust met navigatieapparatuur waarmee de helikopter kan worden geleid naar een punt van waaraf een visuele landing kan worden uitgevoerd. Deze apparatuur moet geleiding kunnen geven voor elk luchtvaartterrein waarop de helikopter voornemens is in instrumentweersomstandigheden te landen en voor alle aangewezen uitwijkluchtvaartterreinen. |
NCC.IDE.H.255 Transponder
Helikopters worden uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) voor drukhoogtemelding en elke andere SSR-transpondercapaciteit die is voorgeschreven voor de af te leggen vliegroute.”
BIJLAGE IV
„BIJLAGE VII
NIET-COMMERCIËLE VLUCHTUITVOERINGEN MET ANDERE DAN COMPLEXE MOTORAANGEDREVEN LUCHTVAARTUIGEN
(DEEL-NCO)
SUBDEEL A
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
NCO.GEN.100 Bevoegde autoriteit
|
a) |
De bevoegde autoriteit is de autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waar het luchtvaartuig is geregistreerd. |
|
b) |
Als het luchtvaartuig in een derde land is geregistreerd, is de bevoegde autoriteit de autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waar de exploitant is gevestigd of verblijft. |
NCO.GEN.101 Wijzen van naleving
Om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan mogen alternatieve wijzen van naleving worden gebruikt in plaats van de door het Agentschap goedgekeurde wijzen van naleving.
NCO.GEN.102 Touring motor gliders en gemotoriseerde zweefvliegtuigen
|
a) |
Touring motor gliders worden geëxploiteerd volgens de voorschriften voor:
|
|
b) |
Touring motor gliders worden uitgerust volgens de voorschriften die van toepassing zijn op vleugelvliegtuigen, tenzij anders gespecificeerd in subdeel D. |
|
c) |
Gemotoriseerde zweefvliegtuigen, met uitzondering van touring motor gliders, worden geëxploiteerd en uitgerust volgens de voorschriften die van toepassing zijn op zweefvliegtuigen. |
NCO.GEN.105 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gezagvoerder
|
a) |
Verantwoordelijkheden van de gezagvoerder:
|
|
b) |
De gezagvoerder ziet erop toe dat tijdens kritieke stadia van de vlucht of telkens wanneer dit om veiligheidsredenen noodzakelijk wordt geacht, alle cabinebemanningsleden neerzitten op de hun toegewezen post en geen andere werkzaamheden verrichten dan die welke vereist zijn voor de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig. |
|
c) |
De gezagvoerder heeft de bevoegdheid om het vervoer van personen, bagage of vracht die de veiligheid van het luchtvaartuig of de inzittenden in gevaar kunnen brengen, te weigeren of om deze uit het luchtvaartuig te verwijderen. |
|
d) |
De gezagvoerder meldt zo snel mogelijk aan de passende eenheid voor luchtverkeersdiensten alle door hem vastgestelde gevaarlijke weers- of vliegomstandigheden die de veiligheid van andere luchtvaartuigen in gevaar kunnen brengen. |
|
e) |
De gezagvoerder doet in een noodsituatie waarbij onmiddellijk beslissen en handelen vereist is, alles wat hij/zij onder die omstandigheden nodig acht overeenkomstig punt 7.d van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. Hij/zij mag daarbij in het belang van de veiligheid afwijken van de regels, vluchtuitvoeringsprocedures en methoden. |
|
f) |
Tijdens de vlucht dient de gezagvoerder:
|
|
g) |
In geval van wederrechtelijke daden dient de gezagvoerder hier onmiddellijk een verslag van in bij de bevoegde autoriteit en brengt hij de aangewezen lokale autoriteit daarvan op de hoogte. |
|
h) |
De gezagvoerder stelt de dichtstbijzijnde passende autoriteit met de snelste beschikbare middelen in kennis van eventuele ongevallen met het luchtvaartuig met zwaargewonden of doden of aanzienlijke schade aan het luchtvaartuig of aan eigendommen tot gevolg. |
NCO.GEN.106 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gezagvoerder — luchtballonnen
Naast het bepaalde in NCO.GEN.105 moet de gezagvoerder van een luchtballon:
|
a) |
de aan de vlucht voorafgaande briefing geven aan de personen die helpen met het opblazen en laten leeglopen van het ballonomhulsel, en |
|
b) |
erop toezien dat personen die helpen met het opblazen en laten leeglopen van het ballonomhulsel passende beschermende kledij dragen. |
NCO.GEN.110 Naleving van wetten, regels en procedures
|
a) |
De gezagvoerder leeft de wetten, regels en procedures na van de staten waarin vluchtuitvoeringen worden verricht. |
|
b) |
De gezagvoerder kent de voor de uitvoering van zijn/haar taken relevante wetten, regels en procedures die gelden voor de te doorkruisen gebieden, de te gebruiken luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringslocaties en de daarmee verband houdende luchtvaartnavigatiefaciliteiten, zoals vermeld in punt 1.a van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. |
NCO.GEN.115 Taxiën van vleugelvliegtuigen
Een vleugelvliegtuig mag alleen het bewegingsgebied van een luchtvaartterrein worden opgetaxied als de persoon die aan de besturingsinstrumenten zit:
|
a) |
een passend gekwalificeerde piloot is, of |
|
b) |
door de exploitant is aangewezen en:
|
NCO.GEN.120 Rotorinschakeling — helikopters
Een helikopterrotor mag enkel met een gekwalificeerde piloot aan de besturingsinstrumenten worden ingeschakeld voor een vlucht.
NCO.GEN.125 Draagbare elektronische apparatuur
De gezagvoerder staat niet toe dat iemand aan boord van een luchtvaartuig gebruik maakt van een draagbaar elektronisch apparaat dat de werking van de systemen en apparatuur van het luchtvaartuig nadelig kan beïnvloeden.
NCO.GEN.130 Informatie over nood- en overlevingsuitrusting aan boord
Behalve voor luchtvaartuigen die opstijgen en landen op hetzelfde luchtvaartterrein/dezelfde vluchtuitvoeringslocatie, zorgt de exploitant ervoor dat zich te allen tijde lijsten met informatie over de nood- en overlevingsuitrusting aan boord bevinden, welke onmiddellijk ter beschikking kunnen worden gesteld van reddingscoördinatiecentra.
NCO.GEN.135 Documenten, handleidingen en informatie aan boord
|
a) |
De volgende documenten, handleidingen en informatie worden bij iedere vlucht aan boord meegenomen. Het betreft originelen of kopieën, tenzij anders aangegeven:
|
|
b) |
Onverminderd het bepaalde onder a) mag op vluchten die:
|
|
c) |
Onverminderd het bepaalde onder a), mogen op vluchten met luchtballonnen of zweefvliegtuigen, met uitzondering van touring motor gliders (TMG’s), de onder a), punt 2 tot en met 8, en onder a), punt 11 tot en met 13, vermelde documenten en informatie worden meegenomen in de volgauto. |
|
d) |
Binnen een redelijke termijn nadat hij daar door de bevoegde autoriteit om werd verzocht, stelt de gezagvoerder de documentatie die aan boord moet worden meegenomen ter beschikking. |
NCO.GEN.140 Vervoer van gevaarlijke goederen
|
a) |
Luchtvervoer van gevaarlijke goederen vindt plaats overeenkomstig bijlage 18 bij het Verdrag van Chicago, zoals laatstelijk gewijzigd bij en aangevuld door de Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air (ICAO Doc 9284-AN/905), inclusief de supplementen en eventuele andere addenda of corrigenda. |
|
b) |
Gevaarlijke goederen mogen alleen worden vervoerd door de exploitant die is goedgekeurd overeenkomstig bijlage V (deel-SPA), subdeel G, bij Verordening (EU) nr. 965/2012, behalve als:
|
|
c) |
De gezagvoerder neemt alle redelijke maatregelen om te voorkomen dat onbedoeld gevaarlijke goederen aan boord worden vervoerd. |
|
d) |
Overeenkomstig de Technische Voorschriften stelt de gezagvoerder de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteit van het land waar de gevallen zich hebben voorgedaan onverwijld in kennis wanneer zich een ongeval of incident met gevaarlijke goederen heeft voorgedaan. |
|
e) |
De gezagvoerder zorgt ervoor dat passagiers overeenkomstig de Technische Voorschriften informatie krijgen over gevaarlijke goederen. |
NCO.GEN.145 Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem
De exploitant legt het volgende ten uitvoer:
|
a) |
alle veiligheidsmaatregelen die door de bevoegde autoriteit worden voorgeschreven overeenkomstig ARO.GEN.135, onder c), en |
|
b) |
alle relevante verplichte veiligheidsinformatie die door het Agentschap is verstrekt, met inbegrip van luchtwaardigheidsrichtsnoeren. |
NCO.GEN.150 Journaal
Vóór iedere vlucht of reeks vluchten worden nadere gegevens over het luchtvaartuig, de bemanning en iedere reis geregistreerd in de vorm van een journaal of een gelijkwaardige vorm.
NCO.GEN.155 Minimumuitrustingslijst (MEL)
|
a) |
Bij de opstelling van de MEL wordt rekening gehouden met het volgende:
|
|
b) |
De MEL en alle wijzigingen daarvan worden aangemeld bij de bevoegde autoriteit. |
SUBDEEL B
VLUCHTUITVOERINGSPROCEDURES
NCO.OP.100 Gebruik van luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringslocaties
De gezagvoerder mag alleen luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringslocaties gebruiken die geschikt zijn voor het desbetreffende type luchtvaartuig en de desbetreffende vluchtuitvoering.
NCO.OP.105 Specificatie van afgelegen luchtvaartterreinen — vleugelvliegtuigen
Voor wat de selectie van alternatieve luchtvaartterreinen en het brandstofbeleid betreft, beschouwt de gezagvoerder een luchtvaartterrein als afgelegen als de vliegtijd naar het dichtstbijzijnde uitwijkluchtvaartterrein van bestemming meer bedraagt dan:
|
a) |
voor vliegtuigen met zuigermotoren: 60 minuten, of |
|
b) |
voor vliegtuigen met turbinemotoren: 90 minuten. |
NCO.OP.110 Vluchtuitvoeringsminima van het luchtvaartterrein — vleugelvliegtuigen en helikopters
|
a) |
Met betrekking tot instrumentvliegregels (IFR) selecteert en gebruikt de gezagvoerder vluchtuitvoeringsminima voor ieder vertrek-, bestemmings- of uitwijkluchtvaartterrein. Deze minima:
|
|
b) |
Bij het selecteren van vluchtuitvoeringsminima voor het luchtvaartterrein houdt de gezagvoerder rekening met:
|
|
c) |
De minima voor een specifiek type naderings- en landingsprocedure worden gebruikt als:
|
NCO.OP.111 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — NPA, APV, CAT I-vluchtuitvoeringen
|
a) |
De beslissingshoogte (Decision height, DH) die moet worden gebruikt voor een niet-precisienadering (Non-precision approach, NPA) waarbij gebruik wordt gemaakt van de techniek van eindnadering met continue daling (Continuous descent final approach, CDFA), voor een naderingsprocedure met verticale geleiding (Approach procedure with vertical guidance, APV) of voor een vluchtuitvoering van categorie I (CAT I) mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
|
|
b) |
De minimumbeslissingshoogte (Minimum decision height, MDH) voor een niet-precisienadering waarbij gebruik wordt gemaakt van de techniek van eindnadering met continue daling mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
Tabel 1 Systeemminima
|
NCO.OP.112 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — circuitvluchten met vleugelvliegtuigen
|
a) |
De minimumdalingshoogte voor circuitvluchten met vleugelvliegtuigen mag niet lager zijn dan de hoogste van de volgende waarden:
|
|
b) |
Het minimumzicht voor een circuitvlucht met vleugelvliegtuigen is de hoogste van de volgende waarden:
Tabel 1 MDH en minimumzicht voor circuitvluchten per categorie vleugelvliegtuigen
|
||||||||||||||||||||||||||
NCO.OP.113 Vluchtuitvoeringsminima voor luchtvaartterreinen — circuitvluchten met helikopters
De MDH voor een onshore-circuitvlucht met een helikopter mag niet lager zijn dan 250 ft en het meteorologisch zich mag niet minder dan 800 m bedragen.
NCO.OP.115 Vertrek- en naderingsprocedures — vleugelvliegtuigen en helikopters
|
a) |
De gezagvoerder maakt gebruik van de vertrek- en naderingsprocedures die door het land van het luchtvaartterrein zijn vastgesteld, indien dergelijke procedures zijn bekendgemaakt voor de te gebruiken banen/gebieden voor eindnadering en opstijgen (FATO’s). |
|
b) |
De gezagvoerder mag afwijken van een bekendgemaakte vertrekroute, aankomstroute of naderingsprocedure:
|
NCO.OP.120 Procedures ter beperking van geluidshinder — vleugelvliegtuigen, helikopters en gemotoriseerde zweefvliegtuigen
De gezagvoerder houdt rekening met bekendgemaakte procedures ter beperking van geluidshinder om het effect van vliegtuiglawaai tot een minimum te beperken, maar ziet er tegelijk op toe dat veiligheid voorrang heeft op de beperking van geluidshinder.
NCO.OP.121 Procedures ter beperking van geluidshinder — luchtballonnen
De gezagvoerder houdt rekening met vluchtuitvoeringsprocedures om het effect van het lawaai van verwarmingssystemen tot een minimum te beperken, maar ziet er tegelijk op toe dat veiligheid voorrang heeft op de beperking van geluidshinder.
NCO.OP.125 Brandstof- en olievoorraad — vleugelvliegtuigen
|
a) |
De gezagvoerder begint een vlucht alleen als zich aan boord voldoende brandstof en olie bevinden voor:
|
|
b) |
Bij het berekenen van de vereiste brandstof, inclusief die welke nodig is voor noodgevallen, wordt rekening gehouden met het volgende:
|
|
c) |
Niets belet de wijziging van een vluchtplan tijdens de vlucht teneinde de geplande bestemming van de vlucht te veranderen, voor zover aan alle eisen kan worden voldaan vanaf het punt waarop de geplande bestemming wordt veranderd. |
NCO.OP.126 Brandstof- en olievoorraad — helikopters
|
a) |
De gezagvoerder begint een vlucht alleen als zich aan boord van de helikopter voldoende brandstof en olie bevinden om:
|
|
b) |
Bij het berekenen van de vereiste brandstof, inclusief die welke nodig is voor noodgevallen, wordt rekening gehouden met het volgende:
|
|
c) |
Niets belet de wijziging van een vluchtplan tijdens de vlucht teneinde de geplande bestemming van de vlucht te veranderen, voor zover aan alle eisen kan worden voldaan vanaf het punt waarop de geplande bestemming wordt veranderd. |
NCO.OP.127 Voorraad en planning van brandstof en ballast — luchtballonnen
|
a) |
De gezagvoerder begint een vlucht alleen als zich aan boord voldoende brandstof, gas of ballast bevinden om 30 minuten te vliegen. |
|
b) |
De berekeningen van de brandstof-, gas- of ballastvoorraad worden gebaseerd op minstens de volgende vluchtuitvoeringsomstandigheden:
|
NCO.OP.130 Voorlichting van passagiers
De gezagvoerder ziet erop toe dat vóór of, voor zover passend, tijdens de vlucht voorlichting aan de passagiers wordt gegeven over nooduitrusting en -procedures.
NCO.OP.135 Vluchtvoorbereiding
|
a) |
Alvorens een vlucht te beginnen, gaat de gezagvoerder met alle beschikbare redelijke middelen na of de grond- en/of waterfaciliteiten, inclusief de beschikbare communicatiefaciliteiten en navigatiehulpmiddelen die vereist zijn voor de veilige vluchtuitvoering met het luchtvaartuig, volstaan voor het desbetreffende type vluchtuitvoering. |
|
b) |
Alvorens een vlucht te beginnen, moet de gezagvoerder vertrouwd zijn met alle beschikbare meteorologische informatie die passend is voor de geplande vlucht. De voorbereiding van een vlucht weg van de nabijheid van de plaats van vertrek, en van elke vlucht onder instrumentvliegregels (IFR), omvat:
|
NCO.OP.140 Uitwijkluchtvaartterreinen van bestemming — vleugelvliegtuigen
Voor IFR-vluchten vermeldt de gezagvoerder in het vluchtplan minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming met gunstige weersomstandigheden, tenzij:
|
a) |
uit de beschikbare actuele meteorologische informatie blijkt dat, voor de periode van 1 uur vóór tot 1 uur na het verwachte aankomsttijdstip, of van het werkelijke vertrektijdstip tot 1 uur na het verwachte aankomsttijdstip, als deze periode korter is, de nadering en landing bij zichtweersomstandigheden (VMC) kunnen worden uitgevoerd, of |
|
b) |
de geplande landingslocatie afgelegen is, en:
|
NCO.OP.141 Uitwijkluchtvaartterreinen van bestemming — helikopters
Voor vluchten volgens instrumentvliegregels vermeldt de gezagvoerder in het vluchtplan minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming met gunstige weersomstandigheden, tenzij:
|
a) |
een instrumentnaderingsprocedure is voorgeschreven voor het geplande luchtvaartterrein van landing en uit de beschikbare actuele meteorologische informatie blijkt dat de meteorologische omstandigheden als volgt zullen zijn van 2 uur vóór tot 2 uur na het verwachte aankomsttijdstip, of van de werkelijke vertrektijd tot 2 uur na het verwachte aankomsttijdstip, als deze periode korter is:
|
|
b) |
de geplande landingslocatie afgelegen is en:
|
NCO.OP.145 Bijtanken terwijl de passagiers instappen, aan boord zijn of uitstappen
|
a) |
Het luchtvaartuig mag niet worden bijgetankt met Avgas (aviation gasoline) of „wide-cut”-brandstof of een mengsel van deze brandstofsoorten terwijl de passagiers instappen, aan boord zijn of uitstappen. |
|
b) |
Het luchtvaartuig mag met geen enkel ander type brandstof worden bijgetankt terwijl de passagiers instappen, aan boord zijn of uitstappen, tenzij dit gebeurt in aanwezigheid van de gezagvoerder of ander gekwalificeerd personeel dat klaar is om het luchtvaartuig op de meest praktische en snelle wijze te evacueren. |
NCO.OP.150 Vervoer van passagiers
Met uitzondering van luchtballonnen ziet de gezagvoerder erop toe dat, vóór het taxiën, opstijgen en landen, en telkens wanneer dit door de gezagvoerder in het belang van de veiligheid noodzakelijk wordt geacht, alle aan boord aanwezige passagiers op zitplaatsen zitten of op ligplaatsen liggen met een correct vastgemaakte veiligheidsgordel of bevestigingssysteem.
NCO.OP.155 Roken aan boord — vleugelvliegtuigen en helikopters
De gezagvoerder staat roken aan boord niet toe:
|
a) |
wanneer dit in verband met de veiligheid noodzakelijk wordt geacht, en |
|
b) |
tijdens het bijtanken van het luchtvaartuig. |
NCO.OP.156 Roken aan boord — zweefvliegtuigen en luchtballonnen
Roken is niet toegestaan aan boord van zweefvliegtuigen of luchtballonnen.
NCO.OP.160 Meteorologische omstandigheden
|
a) |
De gezagvoerder gaat alleen over tot het begin of de voorzetting van een vlucht volgens zichtvliegregels als uit de recentste beschikbare meteorologische informatie blijkt dat de weersomstandigheden langs de route en op de geplande bestemming op het verwachte tijdstip van gebruik gelijk zullen zijn aan of beter zullen zijn dan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima voor zichtvliegregels. |
|
b) |
De gezagvoerder gaat alleen over tot het begin of de voorzetting van een vlucht volgens instrumentvliegregels naar het geplande luchtvaartterrein van bestemming als uit de recentste beschikbare meteorologische informatie blijkt dat de weersomstandigheden op de bestemming of op minstens één uitwijkluchtvaartterrein van bestemming op het verwachte aankomsttijdstip gelijk zijn aan of beter zijn dan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima voor het luchtvaartterrein. |
|
c) |
Als een vlucht bestaat uit segmenten volgens zichtvliegregels en segmenten volgens instrumentvliegregels is de onder a), en b), vermelde meteorologische informatie van toepassing, voor zover relevant. |
NCO.OP.165 IJs en andere verontreinigingen — Procedures op de grond
De gezagvoerder mag pas opstijgen wanneer het luchtvaartuig vrij is van elke afzetting welke de prestaties en/of de bestuurbaarheid van het luchtvaartuig negatief zou kunnen beïnvloeden, behalve zoals toegestaan overeenkomstig het vlieghandboek.
NCO.OP.170 IJs en andere verontreinigingen — Vliegprocedures
|
a) |
De gezagvoerder gaat pas over tot het begin of de voortzetting van een vlucht onder verwachte of feitelijke ijsvormingsomstandigheden wanneer het luchtvaartuig is gecertificeerd en uitgerust om aan zulke omstandigheden het hoofd te bieden, zoals vermeld in punt 2.a.5 van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 216/2008. |
|
b) |
Als de intensiteit van de ijsvorming sterker is dan die waarvoor het luchtvaartuig is gecertificeerd of als een luchtvaartuig dat niet is gecertificeerd voor vluchten in bekende ijsvormingsomstandigheden te maken krijgt met ijsvorming, verlaat de gezagvoerder onverwijld de plaats waar de ijsvormingsomstandigheden zich voordoen door een wijziging van het vliegniveau en/of de route en, indien noodzakelijk, door een noodgeval te melden aan de luchtverkeersleiding. |
NCO.OP.175 Startomstandigheden — vleugelvliegtuigen en helikopters
Alvorens te starten vergewist de gezagvoerder zich van het volgende:
|
a) |
volgens de ter beschikking staande informatie wordt veilig starten en vertrekken niet verhinderd door het weer op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie en de toestand van de te gebruiken startbaan of het gebied voor eindnadering en opstijgen, en |
|
b) |
er kan worden voldaan aan de toepasselijke vluchtuitvoeringsminima van het luchtvaartterrein. |
NCO.OP.176 Startomstandigheden — luchtballonnen
Alvorens te starten vergewist de gezagvoerder van een luchtballon zich ervan dat, volgens de beschikbare informatie, veilig starten en vertrekken niet wordt verhinderd door het weer op de vluchtuitvoeringslocatie of het luchtvaartterrein.
NCO.OP.180 Simulaties tijdens de vlucht
|
a) |
Bij het vervoer van passagiers of vracht mag de gezagvoerder geen simulaties uitvoeren van:
|
|
b) |
Onverminderd het bepaalde onder a), mogen dergelijke simulaties worden uitgevoerd met leerlingpiloten aan boord wanneer het opleidingsvluchten betreft die door een goedgekeurde opleidingsorganisatie worden uitgevoerd. |
NCO.OP.185 Brandstofbeheer tijdens de vlucht
De gezagvoerder controleert regelmatig of de hoeveelheid bruikbare brandstof of, voor luchtballonnen, de ballast die nog voor de vlucht beschikbaar is niet minder is dan de brandstof of ballast die nodig is om naar een luchtvaartterrein of vluchtuitvoeringslocatie met gunstige weersomstandigheden te vliegen, alsmede de geplande reservebrandstof, zoals vereist bij NCO.OP.125, NCO.OP.126 of NCO.OP.127.
NCO.OP.190 Gebruik van aanvullende zuurstof
De gezagvoerder zorgt ervoor dat hij/zij en de cockpitbemanningsleden die betrokken zijn bij essentiële taken voor het veilig functioneren van een luchtvaartuig in vlucht, voortdurend aanvullende zuurstof gebruiken wanneer de cabinedrukhoogte gedurende meer dan 30 minuten 10 000 ft overschrijdt en telkens wanneer de cabinedrukhoogte 13 000 ft overschrijdt.
NCO.OP.195 Grondnaderingsmelding
Wanneer door de gezagvoerder of een grondnaderingswaarschuwingssysteem (Ground proximity warning system, GPWS) wordt vastgesteld dat het luchtvaartuig de grond te dicht nadert, treedt de gezagvoerder onmiddellijk corrigerend op teneinde veilige vluchtomstandigheden te bewerkstelligen.
NCO.OP.200 Boordinstallatie ter voorkoming van botsingen (Airborne Collision Avoidance System, ACAS II)
Wanneer gebruik wordt gemaakt van ACAS II, moeten de vluchtuitvoeringsprocedures en de opleidingen in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 1332/2011.
NCO.OP.205 Naderings- en landingsprocedures — vleugelvliegtuigen en helikopters
Alvorens een nadering voor de landing in te zetten, vergewist de gezagvoerder zich ervan dat, volgens de ter beschikking staande informatie, het weer op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie en de toestand van de te gebruiken landingsbaan of het gebied voor eindnadering en opstijgen (Final Approach and Take-off Area, FATO) een veilige nadering, landing of afgebroken nadering niet verhinderen.
NCO.OP.210 Begin en voortzetting van de nadering — vleugelvliegtuigen en helikopters
|
a) |
De gezagvoerder mag, ongeacht de meegedeelde zichtbare baanlengte (Runway visual range, RVR)/het meegedeelde zicht, een instrumentnadering inzetten. |
|
b) |
Indien het gemelde RVR/zicht lager is dan het toepasselijke minimum, wordt de nadering niet voortgezet:
|
|
c) |
Wanneer de zichtbare baanlengte niet beschikbaar is, mogen de waarden voor de zichtbare baanlengte worden afgeleid door omzetting van het meegedeelde zicht. |
|
d) |
Indien de meegedeelde zichtbare baanlengte/het meegedeelde zicht minder bedraagt dan het toepasselijke minimum als het luchtvaartuig gedaald is tot onder 1 000 ft boven het luchtvaartterrein, mag de nadering worden voortgezet tot de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte. |
|
e) |
De nadering mag beneden de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte worden voortgezet en de landing mag worden voltooid mits de visuele referentiepunten die passen bij het type nadering en bij de geplande baan, op de beslissingshoogte of de minimumdalingshoogte waarneembaar zijn en blijven. |
|
f) |
De zichtbare baanlengte van de landingszone blijft altijd doorslaggevend. |
NCO.OP.215 vluchtuitvoeringsbeperkingen — heteluchtballonnen
Een heteluchtballon mag 's nachts opstijgen als er voldoende brandstof aan boord is voor een landing overdag.
SUBDEEL C
PRESTATIES VAN LUCHTVAARTUIGEN EN VLUCHTUITVOERINGSBEPERKINGEN
NCO.POL.100 Vluchtuitvoeringsbeperkingen — alle luchtvaartuigen
|
a) |
Tijdens elke fase van de vluchtuitvoering blijven de belading, de massa en, met uitzondering van luchtballonnen, het zwaartepunt van het luchtvaartuig binnen de grenzen die in het vlieghandboek of een gelijkwaardig document zijn vermeld. |
|
b) |
Borden, lijsten, instrumentmarkeringen of combinaties daarvan waarop de in het vlieghandboek voorgeschreven vluchtuitvoeringsbeperkingen visueel zijn gepresenteerd, moeten zichtbaar aanwezig zijn in het luchtvaartuig. |
NCO.POL.105 Weging
|
a) |
De exploitant ziet erop toe dat de massa en, met uitzondering van luchtballonnen, het zwaartepunt van het luchtvaartuig zijn bepaald door een effectieve weging vóór de eerste ingebruikname. De gezamenlijke effecten van modificaties en reparaties op de massa en het zwaartepunt dienen in rekening te worden gebracht en goed te worden gedocumenteerd. Deze informatie wordt ter beschikking van de gezagvoerder gesteld. Luchtvaartuigen worden opnieuw gewogen indien de invloed van modificaties op de massa en het zwaartepunt niet nauwkeurig gekend is. |
|
b) |
De weging wordt uitgevoerd door de fabrikant of door een erkende onderhoudsorganisatie. |
NCO.POL.110 Prestaties — algemeen
De gezagvoerder voert alleen vluchten uit met het luchtvaartuig als de prestaties volstaan om te voldoen aan de toepasselijke voorschriften voor luchtruimgebruik en alle andere beperkingen die van toepassing zijn op de vlucht, het luchtruim of de gebruikte luchtvaartterreinen of vluchtuitvoeringslocaties, rekening houdende met de nauwkeurigheid van de gebruikte kaarten.
SUBDEEL D
INSTRUMENTEN, GEGEVENS EN APPARATUUR
SECTIE 1
Vleugelvliegtuigen
NCO.IDE.A.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De volgens dit deel vereiste instrumenten en apparatuur worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere toepasselijke bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur moeten gemakkelijk bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post van het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Alle vereiste noodapparatuur moet gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCO.IDE.A.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen als een van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van het vliegtuig niet werkt of ontbreekt, tenzij:
|
a) |
het vliegtuig wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL), voor zover die is opgesteld, of |
|
b) |
voor het vliegtuig een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCO.IDE.A.110 Elektrische reservezekeringen
Vliegtuigen worden uitgerust met elektrische reservezekeringen, met de grenswaarden die vereist zijn voor volledige circuitbescherming, voor de vervanging van zekeringen die tijdens de vlucht mogen worden vervangen.
NCO.IDE.A.115 Lichten
Vliegtuigen die overdag worden gebruikt, worden uitgerust met:
|
a) |
een antibotsingsverlichtingssysteem; |
|
b) |
navigatie-/positielichten; |
|
c) |
een landingslicht; |
|
d) |
door het elektrische systeem van het vliegtuig gevoede verlichting welke zorgt voor een afdoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor het veilige gebruik van het vliegtuig; |
|
e) |
door het elektrische systeem van het vliegtuig gevoede verlichting die zorgt voor verlichting in alle passagierscompartimenten; |
|
f) |
een onafhankelijk werkende draagbare lamp voor elke bemanningspost, en |
|
g) |
de verlichting die nodig is om te voldoen aan internationale voorschriften ter voorkoming van botsingen op zee in geval van watervliegtuigen. |
NCO.IDE.A.120 VFR-vluchtuitvoeringen — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
|
a) |
Vliegtuigen waarmee VFR-vluchten overdag worden uitgevoerd, worden uitgerust met een middel om het volgende weer te geven:
|
|
b) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd bij zichtweersomstandigheden (VMC) 's nachts of in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van het vliegtuig niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), uitgerust met:
|
|
c) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd waarbij het gewenste vliegpad van het vliegtuig niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), en b), uitgerust met een inrichting ter voorkoming van storingen in het krachtens onder a), punt 4, vereiste systeem voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming. |
NCO.IDE.A.125 IFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
Vliegtuigen waarmee overdag IFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
een middel om aan te geven dat de stroomvoorziening naar de vlieginstrumenten onvoldoende is, en |
|
c) |
een inrichting ter voorkoming van storingen in het krachtens onder a), punt 4, vereiste systeem voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming. |
NCO.IDE.A.130 Terreinsignalerings- en waarschuwingssysteem (TAWS)
Vliegtuigen met schroefturbinemotoren die gecertificeerd zijn voor een maximale passagiersconfiguratie van meer dan negen worden uitgerust met een TAWS dat voldoet aan de eisen voor:
|
a) |
klasse A-uitrusting, als vermeld in een aanvaardbare norm, in het geval van vliegtuigen waarvoor het individuele luchtwaardigheidscertificaat voor het eerst is afgegeven na 1 januari 2011, of |
|
b) |
klasse B-uitrusting, als vermeld in een aanvaardbare norm, in het geval van vliegtuigen waarvoor het individuele luchtwaardigheidscertificaat voor het eerst is afgegeven op of vóór 1 januari 2011. |
NCO.IDE.A.135 Intercomsysteem voor de cockpitbemanning
Vliegtuigen die worden bestuurd door een cockpitbemanning van meer dan één persoon worden uitgerust met een intercomsysteem voor de cockpitbemanning, met inbegrip van koptelefoons en microfoons voor gebruik door alle cockpitbemanningsleden.
NCO.IDE.A.140 Zitplaatsen, veiligheidsgordels, bevestigingssystemen en bevestigingssysteem voor kinderen
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met:
|
NCO.IDE.A.145 Verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met een verbandtrommel voor eerste hulp bij ongevallen. |
|
b) |
De verbandtrommel moet:
|
NCO.IDE.A.150 Aanvullende ademhalingszuurstof — vliegtuigen met drukcabine
|
a) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
|
c) |
Vliegtuigen met drukcabine waarmee vluchten boven 25 000 ft worden uitgevoerd, worden bovendien uitgerust met een inrichting om de cockpitbemanning te waarschuwen in geval van drukverlies. |
NCO.IDE.A.155 Aanvullende ademhalingszuurstof — vliegtuigen zonder drukcabine
|
a) |
Vliegtuigen zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Vliegtuigen zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
NCO.IDE.A.160 Handbrandblussers
|
a) |
Vliegtuigen, met uitzondering van touring motor gliders (TMG) en ELA1-vliegtuigen, worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:
|
|
b) |
Het type en de hoeveelheid blusmiddel voor de vereiste brandblussers dient geschikt te zijn voor het soort brand dat kan optreden in het compartiment waarvoor de blusser bestemd is en voor het minimaliseren van het risico op vorming van giftige gasconcentraties in personencompartimenten. |
NCO.IDE.A.165 Markering van openhakplaatsen
Indien bepaalde delen van de romp van het vliegtuig zijn gemarkeerd als zijnde geschikt om in geval van nood open te worden gehakt door reddingsploegen, zijn deze delen gemarkeerd als in figuur 1.
Figuur 1
Markering van openhakplaatsen
NCO.IDE.A.170 Plaatsaanduidende noodzender (ELT)
|
a) |
Vliegtuigen worden uitgerust met:
|
|
b) |
Plaatsaanduidende noodzenders van om het even welk type en persoonlijke noodbakens moeten tegelijkertijd op 121,5 MHz en 406 MHz kunnen uitzenden. |
NCO.IDE.A.175 Vluchten boven water
|
a) |
De volgende vliegtuigen worden uitgerust met een zwemvest voor elke persoon aan boord of een gelijkwaardig individueel drijfmiddel voor elke persoon aan boord van jonger dan 24 maanden, gedragen of opgeborgen op een plaats die gemakkelijk en snel bereikbaar is vanuit de zit- of ligplaats van de persoon voor wie het is bedoeld:
|
|
b) |
Watervliegtuigen waarmee vluchten boven water worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
|
c) |
Als met een vliegtuig een vlucht wordt uitgevoerd waarbij de afstand tot een plaats op het land waar een noodlanding mogelijk is groter is dan die welke overeenstemt met 30 minuten vliegen tegen normale kruissnelheid of groter is dan 50 zeemijl, als dit korter is, bepaalt de gezagvoerder de risico’s voor de inzittenden in geval van een noodlanding op het water. Op basis daarvan bepaalt hij of het volgende wordt meegenomen:
|
NCO.IDE.A.180 Overlevingsuitrusting
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met apparatuur voor noodsignalen en levensreddende uitrusting, met inbegrip van middelen om in leven te blijven, als passend voor het gebied waarboven de vlucht plaatsvindt.
NCO.IDE.A.190 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Indien dit in het gebruikte luchtruim is vereist, worden vliegtuigen uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee tweewegcommunicatie tot stand kan worden gebracht met de luchtvaartstations en op de frequenties die in de luchtruimvoorschriften zijn bepaald. |
|
b) |
Indien vereist uit hoofde van a) voorziet de radiocommunicatieapparatuur in communicatie op de noodfrequentie voor luchtvaartradioverkeer (121,5 MHz). |
|
c) |
Als meer dan een communicatieapparaat vereist is, moet elk apparaat onafhankelijk van de andere werken, zodat het uitvallen van een apparaat niet tot het uitvallen van de andere leidt. |
NCO.IDE.A.195 Navigatieapparatuur
|
a) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd op routes waar de navigatie niet kan worden gebaseerd op visuele oriëntatiepunten, worden uitgerust met alle navigatieapparatuur die nodig is om te kunnen vliegen overeenkomstig:
|
|
b) |
Vliegtuigen worden uitgerust met voldoende navigatieapparatuur om ervoor te zorgen dat bij het uitvallen van een onderdeel van de apparatuur tijdens om het even welke fase van de vlucht, de resterende apparatuur veilige navigatie overeenkomstig het bepaalde onder a) of passende noodhandelingen mogelijk maakt. |
|
c) |
Vliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd waarbij het de bedoeling is dat de landing plaatsvindt in instrumentenweersomstandigheden (IMC) worden uitgerust met geschikte apparatuur die in staat is om het vliegtuig te geleiden naar een punt van waaraf een visuele landing kan worden uitgevoerd. Deze apparatuur moet geleiding kunnen geven voor elk luchtvaartterrein waarop het vliegtuig voornemens is in instrumentweersomstandigheden te landen en voor alle aangewezen uitwijkluchtvaartterreinen. |
NCO.IDE.A.200 Transponder
Indien dit in het gebruikte luchtruim is vereist, worden vliegtuigen uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) met alle vereiste functies.
SECTIE 2
Helikopters
NCO.IDE.H.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De volgens dit deel vereiste instrumenten en apparatuur moeten worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere toepasselijke bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur moeten vlot bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post van het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Alle vereiste noodapparatuur moet gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCO.IDE.H.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen wanneer enige van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van de helikopter niet werken of ontbreken, tenzij:
|
a) |
de helikopter wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL), voor zover die is opgesteld, of |
|
b) |
voor de helikopter een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCO.IDE.H.115 Lichten
Helikopters waarmee nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een antibotsingsverlichtingssysteem; |
|
b) |
navigatie-/positielichten; |
|
c) |
een landingslicht; |
|
d) |
door het elektrische systeem van de helikopter gevoede verlichting die zorgt voor voldoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor veilige vluchtuitvoeringen met de helikopter; |
|
e) |
door het elektrische systeem van de helikopter gevoede verlichting die zorgt voor verlichting in alle passagierscompartimenten; |
|
f) |
een onafhankelijk werkende draagbare lamp voor elke bemanningspost, en |
|
g) |
de verlichting die nodig is om te voldoen aan de internationale voorschriften ter voorkoming van botsingen op zee indien de helikopter een amfibieluchtvaartuig is. |
NCO.IDE.H.120 VFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
|
a) |
Helikopters waarmee overdag VFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
Helikopters waarmee vluchten bij zichtweersomstandigheden (VMC) of bij een zicht van minder dan 1 500 m worden uitgevoerd, of in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van de helikopter niet kan worden aangehouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), uitgerust met:
|
|
c) |
Helikopters waarmee vluchten bij een zicht van minder dan 1 500 m worden uitgevoerd waarbij het gewenste vliegpad van de helikopter niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), en b), uitgerust met een inrichting ter voorkoming van storingen in het onder a), punt 4), vereiste systeem voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming. |
NCO.IDE.H.125 IFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
Helikopters waarmee overdag IFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
een middel om aan te geven dat de stroomvoorziening naar de vlieginstrumenten onvoldoende is; |
|
c) |
een inrichting ter voorkoming van storingen in het krachtens onder a), punt 4, vereiste systeem voor het aangeven van de vliegsnelheid wegens condensatie of ijsvorming, en |
|
d) |
een aanvullend stand-byinstrument voor het meten en weergeven van de vlieghouding. |
NCO.IDE.H.126 Aanvullende uitrusting voor de uitvoering van IFR-vluchten met één piloot
Helikopters waarmee IFR-vluchten worden uitgevoerd met één piloot worden uitgerust met een automatische piloot waarmee ten minste een vaste hoogte en koers kan worden aangehouden.
NCO.IDE.H.135 Intercomsysteem voor de cockpitbemanning
Helikopters die worden bestuurd door een cockpitbemanning van meer dan één persoon worden uitgerust met een intercomsysteem voor de cockpitbemanning, met inbegrip van hoofdtelefoons en microfoons voor gebruik door alle cockpitbemanningsleden.
NCO.IDE.H.140 Zitplaatsen, veiligheidsgordels, bevestigingssystemen en bevestigingssysteem voor kinderen
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met:
|
|
b) |
Een veiligheidsgordel met een schoudersysteem is uitgerust met een éénpuntsontkoppelingsmechanisme. |
NCO.IDE.H.145 Verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met een verbandtrommel voor eerste hulp bij ongevallen. |
|
b) |
De verbandtrommel moet:
|
NCO.IDE.H.155 Aanvullende ademhalingszuurstof — helikopters zonder drukcabine
|
a) |
Helikopters zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd op een hoogte die zuurstofvoorziening vereist overeenkomstig het bepaalde onder b), worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee de vereiste zuurstofvoorraden kunnen worden opgeslagen en toegediend. |
|
b) |
Helikopters zonder drukcabine waarmee vluchten worden uitgevoerd boven een hoogte waarbij de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 10 000 ft bedraagt, voeren voldoende ademhalingszuurstof mee voor:
|
NCO.IDE.H.160 Handbrandblussers
|
a) |
Helikopters, met uitzondering van ELA2-helikopters, worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:
|
|
b) |
Het type en de hoeveelheid blusmiddel voor de vereiste brandblussers dient geschikt te zijn voor het soort brand dat kan optreden in het compartiment waarvoor de blusser bestemd is en voor het minimaliseren van het risico op vorming van giftige gasconcentraties in personencompartimenten. |
NCO.IDE.H.165 Markering van openhakplaatsen
Indien bepaalde delen van de romp van de helikopter zijn gemarkeerd als zijnde geschikt om in geval van nood te worden opengehakt door reddingsploegen, worden deze delen gemarkeerd als in figuur 1.
Figuur 1
Markering van openhakplaatsen
NCO.IDE.H.170 Plaatsaanduidende noodzender (ELT)
|
a) |
Helikopters die zijn gecertificeerd voor een maximale passagiersconfiguratie van meer dan zes worden uitgerust met:
|
|
b) |
Helikopters die zijn gecertificeerd voor een maximale passagiersconfiguratie van hoogstens zes worden uitgerust met een plaatsaanduidende noodzender voor overlevenden (ELT(S)) of een persoonlijke noodbaken (PLB) die wordt meegenomen door een bemanningslid of een passagier. |
|
c) |
Plaatsaanduidende noodzenders van om het even welk type en persoonlijke noodbakens moeten tegelijkertijd op 121,5 MHz en 406 MHz kunnen uitzenden. |
NCO.IDE.H.175 Vluchten boven water
|
a) |
Helikopters worden uitgerust met een zwemvest voor elke persoon aan boord of een gelijkwaardig drijfmiddel voor elke persoon aan boord van jonger dan 24 maanden, opgeborgen op een plaats die gemakkelijk en snel bereikbaar is vanuit de zit- of ligplaats van de persoon voor wie het is bedoeld, bij vluchten:
|
|
b) |
Alle zwemvesten of gelijkwaardige individuele drijfmiddelen worden voorzien van elektrische verlichting om personen gemakkelijker te kunnen opsporen. |
|
c) |
Als met een helikopter een vlucht wordt uitgevoerd waarbij de afstand tot het land groter is dan die welke overeenstemt met 30 minuten vliegen tegen normale kruissnelheid of groter is dan 50 zeemijl, als dit korter is, bepaalt de gezagvoerder de risico’s voor de inzittenden in geval van een noodlanding op het water. Op basis daarvan bepaalt hij of het volgende wordt meegenomen:
|
|
d) |
De gezagvoerder bepaalt de risico’s voor de inzittenden van de helikopter in geval van een noodlanding op het water en beslist op basis daarvan of alle inzittenden de onder a) vermelde reddingsvesten moeten dragen. |
NCO.IDE.H.180 Overlevingsuitrusting
Helikopters waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met apparatuur voor noodsignalen en levensreddende uitrusting, met inbegrip van middelen om in leven te blijven, als passend voor het gebied waarboven de vlucht plaatsvindt.
NCO.IDE.H.185 Alle helikopters die vluchten boven water uitvoeren — noodlandingen op het water
Helikopters die in een vijandige omgeving boven water vliegen op een afstand van meer dan 50 zeemijl van het land moeten:
|
a) |
zijn ontworpen om op het water te kunnen landen overeenkomstig de relevante luchtwaardigheidsvoorschriften; |
|
b) |
zijn gecertificeerd om een noodlanding op het water te kunnen uitvoeren overeenkomstig de relevante luchtwaardigheidsvoorschriften, of |
|
c) |
zijn uitgerust met drijfmiddelen voor noodsituaties. |
NCO.IDE.H.190 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Indien dit vereist is in het gebruikte luchtruim, worden helikopters uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee tweewegcommunicatie tot stand kan worden gebracht met de luchtvaartstations en op de frequenties die in de luchtruimvoorschriften zijn bepaald. |
|
b) |
Indien vereist uit hoofde van a), voorziet de radiocommunicatieapparatuur in communicatie op de noodfrequentie voor luchtvaartradioverkeer (121,5 MHz). |
|
c) |
Als meer dan één communicatieapparaat vereist is, moet elk apparaat onafhankelijk van de andere werken, zodat het uitvallen van een apparaat niet tot het uitvallen van de andere leidt. |
|
d) |
Wanneer een radiocommunicatiesysteem vereist is naast het bij NCO.IDE.H.135 vereiste intercomsysteem voor de cockpitbemanning, worden helikopters uitgerust met een zendknop op de besturingsinrichting voor alle vereiste piloten en bemanningsleden, op hun post. |
NCO.IDE.H.195 Navigatieapparatuur
|
a) |
Helikopters waarmee vluchten worden uitgevoerd op routes waar de navigatie niet kan worden gebaseerd op visuele oriëntatiepunten, worden uitgerust met navigatieapparatuur die nodig is om te kunnen vliegen overeenkomstig:
|
|
b) |
Helikopters worden uitgerust met voldoende navigatieapparatuur om ervoor te zorgen dat bij het uitvallen van een onderdeel van de apparatuur tijdens om het even welke fase van de vlucht, de resterende apparatuur veilige navigatie overeenkomstig het bepaalde onder a), of passende noodhandelingen mogelijk maakt. |
|
c) |
Helikopters die vluchten uitvoeren waarbij het de bedoeling is dat de landing plaatsvindt in instrumentweersomstandigheden (IMC) worden uitgerust met navigatieapparatuur waarmee de helikopter kan worden geleid naar een punt van waaraf een visuele landing kan worden uitgevoerd. Deze apparatuur moet geleiding kunnen geven voor elk luchtvaartterrein waarop de helikopter voornemens is in instrumentweersomstandigheden te landen en voor alle aangewezen uitwijkluchtvaartterreinen. |
NCO.IDE.H.200 Transponder
Indien dit in het gebruikte luchtruim is vereist, worden helikopters uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) met alle vereiste functies.
SECTIE 3
Zweefvliegtuigen
NCO.IDE.S.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De volgens dit deel vereiste instrumenten en apparatuur worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur moeten vlot bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post van het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Alle vereiste noodapparatuur moet gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCO.IDE.S.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen als een van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van het zweefvliegtuig niet werkt of ontbreekt, tenzij:
|
a) |
de vluchtuitvoering met het zweefvliegtuig plaatsvindt in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL), voor zover die is opgesteld, of |
|
b) |
voor het zweefvliegtuig een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCO.IDE.S.115 VFR-vluchtuitvoeringen — vlieg- en navigatie-instrumenten
|
a) |
Zweefvliegtuigen waarmee overdag VFR-vluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
|
b) |
Zweefvliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd in omstandigheden waarbij het gewenste vliegpad van het zweefvliegtuig niet kan worden behouden zonder verwijzing naar een of meer aanvullende instrumenten, worden, naast het bepaalde onder a), uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
NCO.IDE.S.120 Wolkenvliegen — vlucht- en navigatie-instrumenten
Zweefvliegtuigen waarmee aan wolkenvliegen wordt gedaan, worden uitgerust met een middel om het volgende te meten en weer te geven:
|
a) |
de magnetische koers; |
|
b) |
de tijd in uren, minuten en seconden; |
|
c) |
de drukhoogte; |
|
d) |
de aangegeven vliegsnelheid; |
|
e) |
de verticale snelheid, en |
|
f) |
de vlieghouding of de bocht en slip. |
NCO.IDE.S.125 Stoelen en bevestigingssystemen
|
a) |
Zweefvliegtuigen worden uitgerust met:
|
|
b) |
Een veiligheidsgordel met een schoudersysteem is uitgerust met een éénpuntsontkoppelingsmechanisme. |
NCO.IDE.S.130 Aanvullende zuurstof
Zweefvliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven 10 000 ft worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee voldoende ademhalingszuurstof kan worden opgeslagen en toegediend voor:
|
a) |
bemanningsleden voor perioden van meer dan 30 minuten wanneer de drukhoogte in het passagierscompartiment tussen 10 000 ft en 13 000 ft bedraagt, en |
|
b) |
alle bemanningsleden en passagiers voor alle perioden dat de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 13 000 ft bedraagt. |
NCO.IDE.S.135 Vluchten boven water
De gezagvoerder van een zweefvliegtuig waarmee vluchten boven water worden uitgevoerd, bepaalt de risico’s voor de inzittenden in geval van een noodlanding op het water. Op basis daarvan bepaalt hij of het volgende wordt meegenomen:
|
a) |
een zwemvest of gelijkwaardig individueel drijfmiddel voor elke persoon aan boord, opgeborgen op een plaats die gemakkelijk en snel bereikbaar is vanuit de zitplaats van de persoon voor wie het is bedoeld; |
|
b) |
een plaatsaanduidende noodzender (ELT) of een persoonlijke noodbaken (PLB) die wordt meegenomen door een bemanningslid of een passagier en waarmee tegelijk op 121,5 MHz en 406 MHz kan worden uitgezonden, en |
|
c) |
apparatuur waarmee noodsignalen kunnen worden gegeven:
|
NCO.IDE.S.140 Overlevingsuitrusting
Zweefvliegtuigen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met apparatuur voor noodsignalen en levensreddende uitrusting, als passend voor het gebied waarboven de vlucht plaatsvindt.
NCO.IDE.S.145 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Indien dit vereist is in het gebruikte luchtruim, worden zweefvliegtuigen uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee tweewegcommunicatie tot stand kan worden gebracht met de luchtvaartstations en op de frequenties die in de luchtruimvoorschriften zijn bepaald. |
|
b) |
Indien vereist uit hoofde van a) voorziet de radiocommunicatieapparatuur in communicatie op de noodfrequentie voor luchtvaartradioverkeer (121,5 MHz). |
NCO.IDE.S.150 Navigatieapparatuur
Zweefvliegtuigen worden uitgerust met navigatieapparatuur waarmee zij kunnen vliegen overeenkomstig:
|
a) |
het ATS-vliegplan, indien van toepassing, en |
|
b) |
de toepasselijke luchtruimvoorschriften. |
NCO.IDE.S.155 Transponder
Indien dit in het gebruikte luchtruim is vereist, worden zweefvliegen uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) met alle vereiste functies.
SECTIE 4
Luchtballonnen
NCO.IDE.B.100 Instrumenten en apparatuur — algemeen
|
a) |
De volgens dit deel vereiste instrumenten en apparatuur worden goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen, voor zover ze:
|
|
b) |
Voor de volgende apparatuur — voor zover die bij dit subdeel is vereist — is geen goedkeuring nodig:
|
|
c) |
Voor instrumenten en apparatuur die bij dit subdeel niet worden vereist en alle andere apparatuur die niet bij andere bijlagen is vereist, maar die wel op een vlucht wordt meegenomen, geldt het volgende:
|
|
d) |
Instrumenten en apparatuur moeten gemakkelijk en snel bedienbaar of bereikbaar zijn vanaf de post die is toegewezen aan het cockpitbemanningslid dat die instrumenten of apparatuur moet gebruiken. |
|
e) |
Alle vereiste noodapparatuur moet gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik. |
NCO.IDE.B.105 Minimumuitrusting voor de vlucht
Aan een vlucht mag niet worden begonnen als een van de voor de voorgenomen vlucht vereiste instrumenten, apparaten of functies van de luchtballon niet werkt of ontbreekt, tenzij:
|
a) |
de luchtballon wordt geëxploiteerd in overeenstemming met de minimumuitrustingslijst (MEL), voor zover die is opgesteld, of |
|
b) |
voor de luchtballon een vliegvergunning is afgegeven overeenkomstig de toepasselijke luchtwaardigheidseisen. |
NCO.IDE.B.110 Lichten
Luchtballonnen waarmee nachtvluchten worden uitgevoerd, worden uitgerust met:
|
a) |
positielichten; |
|
b) |
een systeem dat zorgt voor voldoende verlichting van alle instrumenten en apparatuur die essentieel zijn voor veilige vluchtuitvoeringen met de luchtballon; |
|
c) |
een onafhankelijk werkende draagbare lamp, en |
|
d) |
voor heteluchtballonnen:
|
NCO.IDE.B.115 VFR-vluchten — vlieg- en navigatie-instrumenten en bijbehorende apparatuur
Luchtballonnen die overdag worden gebruikt, worden uitgerust met:
|
a) |
een middel om weer te geven in welke richting de ballon zweeft, en |
|
b) |
een middel om de volgende parameters te meten en weer te geven:
|
NCO.IDE.B.120 Verbandtrommels voor eerste hulp bij ongevallen
|
a) |
Luchtballonnen worden uitgerust met een verbandtrommel voor eerste hulp bij ongevallen. |
|
b) |
De verbandtrommel moet:
|
NCO.IDE.B.121 Aanvullende zuurstof
Luchtballonnen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven 10 000 ft worden uitgerust met zuurstofapparatuur waarmee voldoende ademhalingszuurstof kan worden opgeslagen en toegediend voor:
|
a) |
bemanningsleden voor perioden van meer dan 30 minuten wanneer de drukhoogte in het passagierscompartiment tussen 10 000 ft en 13 000 ft bedraagt, en |
|
b) |
alle bemanningsleden en passagiers voor alle perioden dat de drukhoogte in de passagierscompartimenten meer dan 13 000 ft bedraagt. |
NCO.IDE.B.125 Handbrandblussers
|
a) |
Ballonnen worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser, indien vereist bij de toepasselijke certificeringsspecificaties. |
|
b) |
Het type en de hoeveelheid blusmiddel voor de vereiste brandblussers dient geschikt te zijn voor het soort brand dat kan optreden in de luchtballon waarvoor de blusser bestemd is en voor het minimaliseren van het risico op vorming van giftige gasconcentraties voor de inzittenden van de luchtballon. |
NCO.IDE.B.130 Vluchten boven water
De gezagvoerder van een luchtballon waarmee vluchten boven water worden uitgevoerd, bepaalt de risico’s voor de inzittenden in geval van een noodlanding op het water. Op basis daarvan bepaalt hij of het volgende wordt meegenomen:
|
a) |
een zwemvest voor elke persoon aan boord of een gelijkwaardig individueel drijfmiddel voor elke persoon aan boord van jonger dan 24 maanden, gedragen of opgeborgen op een plaats die vlot bereikbaar is vanop de post van de persoon voor wie het is bedoeld; |
|
b) |
wanneer meer dan 6 personen worden vervoerd: een plaatsaanduidende noodzender (ELT) waarmee tegelijk op 121,5 MHz en 406 MHz kan worden uitgezonden; |
|
c) |
wanneer hoogstens 6 personen worden vervoerd: een plaatsaanduidende noodzender (ELT) die wordt meegenomen door een bemanningslid of een passagier en waarmee tegelijk op 121,5 MHz en 406 MHz kan worden uitgezonden, en |
|
d) |
apparatuur waarmee noodsignalen kunnen worden gegeven. |
NCO.IDE.B.135 Overlevingsuitrusting
Luchtballonnen waarmee vluchten worden uitgevoerd boven gebieden waar opsporing en redding bijzonder moeilijk zouden zijn, worden uitgerust met apparatuur voor noodsignalen en levensreddende uitrusting, als passend voor het gebied waarboven de vlucht plaatsvindt.
NCO.IDE.B.140 Overige uitrusting
|
a) |
Luchtballonnen worden uitgerust met beschermende handschoenen voor elk bemanningslid. |
|
b) |
Heteluchtballonnen en gas-luchtballonnen worden uitgerust met:
|
|
c) |
Gasballonnen worden uitgerust met een mes. |
NCO.IDE.B.145 Radiocommunicatieapparatuur
|
a) |
Indien dit vereist is in het gebruikte luchtruim, worden luchtballonnen uitgerust met radiocommunicatieapparatuur waarmee tweewegcommunicatie tot stand kan worden gebracht met de luchtvaartstations en op de frequenties die in de luchtruimvoorschriften zijn bepaald. |
|
b) |
Indien vereist uit hoofde van a) voorziet de radiocommunicatieapparatuur in communicatie op de noodfrequentie voor luchtvaartradioverkeer (121,5 MHz). |
NCO.IDE.B.150 Transponder
Indien dit in het gebruikte luchtruim is vereist, worden luchtballonnen uitgerust met een SSR-transponder (Secondary Surveillance Radar) met alle vereiste functies.”