Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010R0363

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 363/2010 van de Raad van 26 april 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1001/2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit onder meer Maleisië

PB L 107 van 29.4.2010, pp. 1–5 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

⏵Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 16/10/2013

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2010/363/oj

29.4.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 107/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 363/2010 VAN DE RAAD

van 26 april 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1001/2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit onder meer Maleisië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 11, lid 4,

Gezien het voorstel dat de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Geldende maatregelen

(1)

In oktober 2008 werden — naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening — bij Verordening (EG) nr. 1001/2008 van de Raad (2) opnieuw antidumpingmaatregelen ingesteld met betrekking tot de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen („het betrokken product”) van oorsprong uit onder meer Maleisië. De geldende antidumpingrechten voor Maleisië zijn 59,2 % voor Anggerik Laksana Sdn Bhd en 75 % voor alle overige ondernemingen.

1.2.   Verzoek om een nieuw onderzoek

(2)

De Commissie heeft een verzoek ontvangen om op grond van artikel 11, lid 4, van de basisverordening een nieuw onderzoek te openen ten behoeve van een nieuwe exporteur. Het verzoek werd ingediend door Pantech Steel Industries Sdn Bhd („de indiener van het verzoek”), een producent-exporteur uit Maleisië („het betrokken land”).

(3)

De indiener van het verzoek beweert dat hij het betrokken product niet naar de Unie heeft uitgevoerd in het onderzoektijdvak waarop de thans geldende antidumpingmaatregelen zijn gebaseerd, dat wil zeggen de periode van 1 april 2000 tot en met 31 maart 2001 („het oorspronkelijke onderzoektijdvak”), en dat hij niet verbonden is met producenten-exporteurs van het betrokken product die aan de in overweging 1 beschreven antidumpingmaatregelen zijn onderworpen.

(4)

De indiener van het verzoek voert verder aan dat hij een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om het betrokken product in de nabije toekomst naar de Unie uit te voeren.

1.3.   Opening van een nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur

(5)

De Commissie heeft het door de indiener van het verzoek ingediende voorlopige bewijsmateriaal onderzocht en achtte dit toereikend om overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening een nieuw onderzoek te openen. Na raadpleging van het Raadgevend Comité en na de betrokken bedrijfstak van de Unie de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen te maken, heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 692/2009 (3) een nieuw onderzoek geopend betreffende Verordening (EG) nr. 1001/2008 met betrekking tot de indiener van het verzoek.

(6)

Krachtens Verordening (EG) nr. 692/2009 werd het bij Verordening (EG) nr. 1001/2008 ingestelde antidumpingrecht van 75 % ingetrokken voor het betrokken product dat door de indiener van het verzoek wordt geproduceerd en voor uitvoer naar de Unie verkocht. Tegelijkertijd werd de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening opdracht gegeven passende maatregelen te nemen om deze invoer te registreren.

(7)

Verordening (EG) nr. 692/2009 bepaalt dat als uit het onderzoek blijkt dat de indiener van het verzoek aan de voorwaarden voor de vaststelling van een individueel recht voldeed, het noodzakelijk kan zijn het recht te wijzigen dat momenteel van toepassing is op het betrokken product afkomstig van ondernemingen die niet met naam zijn vermeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1001/2008.

1.4.   Betrokken product

(8)

Het verzoek heeft betrekking op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of staal (met uitzondering van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van 609,6 mm, geschikt voor stomplassen en voor andere doeleinden, van oorsprong uit Maleisië („het betrokken product”) en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 , ex 7307 93 19 , ex 7307 99 30 en ex 7307 99 90 .

1.5.   Betrokken partijen

(9)

De Commissie heeft de bedrijfstak van de Unie, de indiener van het verzoek en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te worden gehoord.

(10)

Het Defence Committee of the Steel Butt-Welding Fittings Industry of the European Union, dat de bedrijfstak van de Unie („de bedrijfstak van de Unie”) vertegenwoordigt, heeft zijn standpunten schriftelijk aan de diensten van de Commissie meegedeeld. Het Defence Committee vocht de betrouwbaarheid van de basis voor de uitvoerprijs aan. Er werden ook documenten voorgelegd waaruit zou blijken dat gepoogd is de maatregelen te ontwijken. Voorts werd informatie verstrekt over het prijsniveau van het betrokken product voor EU-importeurs.

(11)

De Commissie heeft een antidumpingvragenlijst naar de indiener van het verzoek en de met hem verbonden ondernemingen gestuurd en binnen de vastgestelde termijn een antwoord ontvangen.

(12)

De Commissie heeft ook antidumpingvragenlijsten naar niet-verbonden importeurs in de Europese Unie gestuurd maar zij hebben geen medewerking verleend.

(13)

De Commissie heeft geprobeerd alle gegevens te controleren die zij nodig achtte om vast te stellen of er sprake is van een nieuwe exporteur en van dumping. Bovendien zijn er controles ter plaatse uitgevoerd bij de indiener van het verzoek en een verbonden onderneming in Maleisië:

—

Pantech Steel Industries Sdn Bhd (de indiener van het verzoek),

—

Pantech Corporation Sdn Bhd (de verbonden handelsonderneming).

1.6.   Onderzoektijdvak

(14)

Het nieuwe onderzoek naar dumping had betrekking op de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 („tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”).

2.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

2.1.   Status van nieuwe exporteur

(15)

Uit het onderzoek is gebleken dat de onderneming het betrokken product in het oorspronkelijke onderzoektijdvak niet had uitgevoerd en pas na dit tijdvak met de uitvoer naar de Europese Unie was begonnen. De onderneming is een onherroepelijke contractuele verplichting aangegaan om het betrokken product tijdens het TNO uit te voeren. Concreet ging het om drie bestellingen van dezelfde importerende groep in de EU.

(16)

Deze bestellingen werden na het TNO uitgevoerd in het kader van uitvoertransacties onder nagenoeg dezelfde omstandigheden met verwaarloosbare verschillen in prijs en hoeveelheid. Hoewel het om beperkte hoeveelheden ging, werden ze toch voldoende geacht om een betrouwbare dumpingmarge vast te stellen, omdat de diensten van de Commissie beschikten over andere gegevens, onder meer over de prijzen die de betrokken exporteur aanrekent bij uitvoer naar derde landen, die het patroon van de onderzochte transacties bevestigden.

(17)

Wat betreft de andere voorwaarden om als nieuwe exporteur te worden erkend, bleek uit het voorgelegde bewijsmateriaal dat de onderneming geen directe of indirecte banden had met een van de Maleisische producenten-exporteurs die onderworpen zijn aan de bestaande antidumpingmaatregelen met betrekking tot het betrokken product.

(18)

Bijgevolg wordt overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening bevestigd dat de onderneming als een nieuwe exporteur moet worden beschouwd en een individuele dumpingmarge voor de onderneming moet worden vastgesteld.

2.2.   Dumping

Vaststelling van de normale waarde

(19)

De indiener van het verzoek produceert de hulpstukken en verkoopt het betrokken product op de binnenlandse markt en op exportmarkten. Uit het onderzoek is gebleken dat er op de binnenlandse markt sprake is van een complexe verkooporganisatie, waarbij niet-verbonden distributeurs en verbonden handelsondernemingen zijn betrokken en de niet-verbonden distributeurs het betrokken product van de producent kopen en het aan de verbonden handelaren doorverkopen, die de goederen op hun beurt aan niet-verbonden afnemers op de binnenlandse markt verkopen. De niet-verbonden distributeurs fungeren de facto als tussenpersonen van de indiener van het verzoek.

(20)

Op basis van het bovenstaande en rekening houdend met het feit dat de verkoop van de verbonden handelsondernemingen aan de indiener van het verzoek kan worden teruggekoppeld, worden de door deze verbonden handelsondernemingen aan de eindafnemer aangerekende prijzen beschouwd als de eerste prijs in het kader van normale handelstransacties. Ze vormen daarom de basis voor de vaststelling van de normale waarde.

(21)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd de verkoop op de binnenlandse markt representatief geacht wanneer de totale omvang ervan tenminste 5 % bedroeg van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie. De Commissie stelde vast dat de omvang van de binnenlandse verkoop van hulpstukken voor buisleidingen door de indiener van het verzoek over het geheel genomen representatief was.

(22)

Vervolgens heeft de Commissie de productsoorten hulpstukken voor buisleidingen geïdentificeerd die de betrokken handelsondernemingen op de binnenlandse markt verkopen en die identiek of rechtstreeks vergelijkbaar zijn met de soorten die naar de Europese Unie worden uitgevoerd.

(23)

Bovendien heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening onderzocht of de verkoop van hulpstukken voor buisleidingen die in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt worden verkocht, kan worden beschouwd als verkoop in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers vastgesteld. Aangezien werd vastgesteld dat er voldoende verkoop in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs.

(24)

In de weinige gevallen waarbij de productsoort tijdens het TNO niet op de binnenlandse markt werd verkocht, werd de normale waarde vastgesteld door een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en een redelijke winstmarge toe te voegen aan de kosten van de exporteur bij de productie van de uitgevoerde soorten.

Uitvoerprijs

(25)

Het betrokken product werd rechtstreeks uitgevoerd naar onafhankelijke afnemers in de Unie. De uitvoerprijs werd daarom vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. op basis van de in overweging 16 bedoelde werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen.

Vergelijking

(26)

De normale waarde en de uitvoerprijzen werden vergeleken af fabriek.

(27)

Met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werden — overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening — correcties toegepast voor verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er werden correcties voor verzekeringen, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, en kredietkosten toegepast in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken te zijn en met bewijsmateriaal waren gestaafd.

(28)

Volgens de indiener van het verzoek zou ook een correctie voor verschillen in handelsstadium tussen de binnenlandse en de EU-markt moeten worden toegepast, als de Commissie de normale waarde baseerde op de binnenlandse verkoop van de verbonden handelsondernemingen. Hij beweerde ook dat de verkoop aan de EU-markt op het niveau van de distributeurs gebeurt, terwijl een belangrijk deel van de hulpstukken voor buisleidingen op de binnenlandse markt wordt verkocht als onderdeel van grotere zendingen voor de markten van olie- en gasprojecten waar de hulpstukken vaak slechts een bijkomstige rol spelen vergeleken met de hoofdbuizen, kleppen en andere belangrijke onderdelen, en dat deze markt bijgevolg een ander handelsstadium vormt.

(29)

Nadat de verkoopvoorwaarden op de binnenlandse markt — en met name de verkoopprijspatronen — waren geanalyseerd, bleek dat de indiener van het verzoek er niet in was geslaagd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening aan te tonen dat er een permanent en duidelijk verschil bestaat tussen de functies en de prijzen in de onderscheiden handelsstadia op de binnenlandse markt van het land van uitvoer. Bijgevolg werd geen correctie toegepast.

Dumpingmarge

(30)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening en gezien het feit dat er tijdens het TNO slechts drie bestellingen op nagenoeg hetzelfde tijdstip waren en dat de prijs van de grondstof, die het leeuwendeel van de productiekosten uitmaakt, tijdens het TNO aanzienlijk fluctueerde, werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van een vergelijking per transactie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs.

(31)

Uit de vergelijking bleek dat de dumping 49,9 % bedroeg, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie.

(32)

Het onderzoek bevestigde bovendien dat de prijzen van de indiener van het verzoek bij de uitvoer van belangrijke hoeveelheden naar andere derde landen aanzienlijk lager zijn dan bij uitvoer naar de Europese Unie, wat lijkt te wijzen op dumping op derde markten.

3.   WIJZIGING VAN DE ONDERZOCHTE MAATREGELEN

(33)

Gezien de resultaten van het onderzoek moet een definitief antidumpingrecht worden ingesteld dat gelijk is aan de vastgestelde dumpingmarge.

(34)

De voor het TNO vastgestelde dumpingmarge van 49,9 % is lager dan de schademarge van 75 % die bij het oorspronkelijke onderzoek voor geheel Maleisië is vastgesteld. Daarom wordt voorgesteld een op de dumpingmarge van 49,9 % gebaseerd recht in te stellen en Verordening (EG) nr. 1001/2008 dienovereenkomstig te wijzigen.

4.   HEFFING VAN HET ANTIDUMPINGRECHT MET TERUGWERKENDE KRACHT

(35)

Gezien de bovenstaande bevindingen moet het op de aanvrager van toepassing zijnde antidumpingrecht met terugwerkende kracht worden geheven op de overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 692/2009 geregistreerde invoer van het betrokken product.

5.   MONITORINGCLAUSULE EN EVENTUEEL VERDER ONDERZOEK

(36)

Opgemerkt zij dat de betrokken ondernemingen er een complex distibutiesysteem op nahouden, waarbij het betrokken product onder meer wordt ingevoerd uit andere landen waarvoor maatregelen gelden. Bovendien bestaat het risico dat het recht wordt ontweken als gevolg van het grote verschil in rechten tussen de verschillende exportbedrijven in Maleisië. Daarom zijn er bijzondere maatregelen nodig om de correcte toepassing van de antidumpingrechten te waarborgen.

(37)

Op grond van deze bijzondere maatregelen moet aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur worden voorgelegd die voldoet aan de vereisten van de bijlage bij deze verordening. Voor invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere exporteurs.

(38)

De Raad merkt bovendien op dat de Commissie heeft meegedeeld dat zij de betrokken onderneming zal verzoeken op gezette tijden verslagen bij de Commissie in te dienen — zodat voor een adequate follow-up van de verkoop van het betrokken product aan de Unie, de prijs en andere hiermee samenhangende voorwaarden kan worden gezorgd —, evenals informatie over de ontwikkeling van de verkoopprijzen van de onderneming op de binnenlandse markt. De Raad merkt met name op dat als dergelijke verslagen niet worden ingediend of uit deze verslagen blijkt dat de maatregelen geen einde hebben gemaakt aan de gevolgen van schade veroorzakende dumping, een tussentijds nieuw onderzoek kan worden geopend overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening. De Raad merkt ook op dat de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening ambtshalve een tussentijds nieuw onderzoek kan openen, met name één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening (hoewel al eerder een nieuw onderzoek mogelijk is). De Commissie verwacht dat het — gezien de omstandigheden van deze zaak — raadzaam zal zijn een dergelijk nieuw onderzoek na verloop van één jaar uit te voeren. In dit verband zij erop gewezen dat het recht dat bij deze verordening voor de betrokken onderneming wordt vastgesteld, op slechts een beperkt aantal bestellingen is gebaseerd.

6.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN EN DUUR VAN DE MAATREGELEN

(39)

De betrokken partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan werd overwogen een gewijzigd definitief antidumpingrecht op door de indiener van het verzoek vervaardigde hulpstukken voor buisleidingen in te stellen en dit recht met terugwerkende kracht op de geregistreerde invoer te heffen. Hun opmerkingen werden onderzocht en waar nodig in aanmerking genomen.

(40)

Dit nieuwe onderzoek is niet van invloed op de datum waarop de bij Verordening (EG) nr. 1001/2008 ingestelde maatregelen verstrijken overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   In artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1001/2008 wordt de volgende rij toegevoegd aan de tabel van producenten in Maleisië:

„Land

Onderneming

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Maleisië

Pantech Steel Industries Sdn Bhd

49,9

A961 ”

2.   Het hierbij ingestelde recht wordt ook met terugwerkende kracht geheven op de overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 692/2009 geregistreerde invoer van het betrokken product.

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie te beëindigen van de invoer van het door Pantech Steel Industries Sdn Bhd vervaardigde betrokken product van oorsprong uit Maleisië.

3.   Aan artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1001/2008 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   De individuele rechten voor Pantech Steel Industries Sdn Bhd zijn uitsluitend van toepassing als aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die conform de bijlage is opgesteld. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het antidumpingrecht toegepast dat voor alle andere ondernemingen geldt.”.

4.   Door de toevoeging van het bovenstaande lid aan Verordening (EG) nr. 1001/2008 wordt artikel 1, lid 3, van die verordening hernummerd tot artikel 1, lid 4.

5.   In Verordening (EG) nr. 1001/2008 wordt de volgende bijlage toegevoegd:

„BIJLAGE

De in artikel 1, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

1)

de naam en de functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

2)

de volgende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) [betrokken product] die voor uitvoer naar de Europese Unie wordt verkocht en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ik verklaar dat de gegevens in deze factuur volledig en juist zijn en dat de gefactureerde prijs definitief is en niet op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk zal worden gecompenseerd.

Datum en handtekening”.”.

6.   Tenzij anders vermeld zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

C. ASHTON


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 275 van 16.10.2008, blz. 18.

(3)   PB L 199 van 31.7.2009, blz. 9.


Top