EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008F0909

Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

OJ L 327, 5.12.2008, p. 27–46 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 011 P. 111 - 130

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 28/03/2009

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2008/909/oj

5.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/27


KADERBESLUIT 2008/909/JBZ VAN DE RAAD

van 27 november 2008

inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, lid 1, onder a), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft onderstreept dat het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie dient te worden, zowel in burgerlijke als in strafzaken.

(2)

Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (1); hij heeft daarin opgeroepen tot een evaluatie van de behoefte aan modernere mechanismen voor wederzijdse erkenning van onherroepelijke veroordelingen tot een vrijheidsstraf (maatregel 14), en tevens voor uitbreiding van overbrenging van gevonniste personen tot personen die hun verblijfplaats hebben in een lidstaat (maatregel 16) bepleit.

(3)

Het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie (2) roept de lidstaten op het programma van maatregelen, met name op het gebied van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke vrijheidsstraffen, te completeren.

(4)

Alle lidstaten hebben het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 bekrachtigd. Op grond van dit verdrag kan een gevonniste persoon voor de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie alleen worden overgebracht naar de staat waarvan hij onderdaan is, voor zover hijzelf en de betrokken staten daarin toestemmen. Het aanvullend protocol van 18 december 1997 bij dat verdrag, dat onder bepaalde voorwaarden overbrenging zonder toestemming van de gevonniste persoon mogelijk maakt, is niet door alle lidstaten bekrachtigd. Geen van beide instrumenten bevat een verplichting tot overname van gevonniste personen voor de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.

(5)

Procesrechten in strafrechtelijke procedures vormen de sleutel tot het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten bij justitiële samenwerking. Relaties tussen de lidstaten, die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, maken het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Daarom dient verdere uitbreiding te worden overwogen van de samenwerking waarin is voorzien in de instrumenten van de Raad van Europa betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De gevonniste persoon dient over adequate rechtswaarborgen te beschikken, maar zijn rol in de procedure mag niet langer zodanig bepalend zijn dat de toezending van een vonnis aan een andere lidstaat met het oog op de erkenning ervan en de tenuitvoerlegging van de sanctie in alle gevallen afhankelijk is van zijn toestemming.

(6)

Dit kaderbesluit moet zodanig worden uitgevoerd en toegepast dat de algemene beginselen van gelijkheid, eerlijkheid en redelijkheid worden geëerbiedigd.

(7)

Artikel 4, lid 1, onder c), is een bepaling die de bevoegdheid bevat het certificaat en het vonnis bijvoorbeeld toe te zenden aan de staat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, in andere gevallen dan die bedoeld in lid 1, onder a) en b), dan wel aan de staat waar de gevonniste persoon woont, sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en het recht op permanent verblijf zal behouden.

(8)

In de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), dient vóór de toezending van het vonnis en het certificaat aan de tenuitvoerleggingsstaat overleg plaats te vinden tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, en dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toestemming voor de toezending te verlenen. De bevoegde autoriteiten dienen daarbij rekening te houden met factoren als de duur van het verblijf of andere banden met de tenuitvoerleggingsstaat. In de gevallen waarin de gevonniste persoon krachtens het nationale recht dan wel krachtens internationale regelingen naar een lidstaat of naar een derde land kan worden overgebracht, dienen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onderling te overleggen of tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat niet beter is voor de reclassering van de betrokkene dan tenuitvoerlegging in het derde land.

(9)

De tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat dient de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan de reclassering van de betrokkene, dient zij rekening te houden met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft.

(10)

De in artikel 6, lid 3, bedoelde mening van de gevonniste persoon kan vooral bij de toepassing van artikel 4, lid 4, nuttig zijn. Met de woorden „met name” worden alle gevallen bedoeld waarin die mening informatie bevat welke nuttig zou kunnen zijn met betrekking tot de gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging. Het bepaalde in de artikelen 4, lid 4, en 6, lid 3, vormt geen weigeringsgrond in verband met reclassering.

(11)

Polen heeft, in het bijzonder gezien de toegenomen mobiliteit van Poolse burgers binnen de Europese Unie, meer tijd nodig dan de andere lidstaten om oplossingen te vinden voor de praktische en materiële gevolgen van de overdracht van de Poolse burgers die in andere lidstaten zijn veroordeeld. Daarom dient een in de tijd beperkte afwijking te worden opgenomen met een looptijd van ten hoogste vijf jaar.

(12)

Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (3). Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.

(13)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast.

(14)

Dit kaderbesluit dient de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet te laten.

(15)

Dit kaderbesluit dient te worden toegepast in overeenstemming met het recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, neergelegd in artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(16)

Dit kaderbesluit dient te worden toegepast in overeenstemming met het geldende Gemeenschapsrecht, in het bijzonder Richtlijn 2003/86/EG van de Raad (4), Richtlijn 2003/109/EG van de Raad (5) en Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (6).

(17)

In dit kaderbesluit wordt met de staat waar de gevonniste persoon „woont”, de staat bedoeld waarmee hij verbonden is uit hoofde van een gewone verblijfplaats en, bijvoorbeeld, familiale, sociale of professionele banden.

(18)

Bij de toepassing van artikel 5, lid 1, dient toezending van een vonnis of voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan alsmede het certificaat aan de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk te zijn in enigerlei vorm, bijvoorbeeld per e-mail of fax, die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen.

(19)

In de gevallen bedoeld in artikel 9, lid 1, onder k), dient de tenuitvoerleggingsstaat, voordat hij de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie die een andere sanctie inhoudt dan een vrijheidsstraf weigert, te overwegen of de sanctie niet overeenkomstig dit kaderbesluit kan worden aangepast.

(20)

De in artikel 9, lid 1, onder k), vermelde weigeringsgrond kan ook worden toegepast in de gevallen waarin de betrokkene niet schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, maar de bevoegde autoriteit een vrijheidsbenemende maatregel, niet zijnde een vrijheidsstraf, heeft toegepast naar aanleiding van een strafbaar feit.

(21)

De weigeringsgrond betreffende de territorialiteit dient slechts te worden toegepast in uitzonderlijke gevallen en met het oog op een zo groot mogelijke samenwerking overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, daarbij rekening houdend met het doel. Een besluit om deze weigeringsgrond toe te passen dient te zijn gebaseerd op een beoordeling per individueel geval en overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat.

(22)

De in artikel 12, lid 2, bedoelde termijn dient door de lidstaten zo te worden toegepast dat het definitieve besluit, met inbegrip van de beroepsprocedure, in de regel binnen 90 dagen wordt genomen.

(23)

In artikel 18, lid 1, wordt bepaald dat, behoudens de in lid 2 genoemde uitzonderingen, de specialiteitsregel alleen van toepassing is als de betrokkene naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht. Artikel 18, lid 1, is dus niet van toepassing als de betrokkene niet naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, maar bijvoorbeeld daarheen is gevlucht,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

„vonnis”: een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd;

b)

„sanctie”: een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd;

c)

„beslissingsstaat”: de lidstaat waar het vonnis is gewezen;

d)

„tenuitvoerleggingsstaat”: de lidstaat waaraan het vonnis is toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan.

Artikel 2

Bevoegde autoriteiten

1.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke autoriteiten krachtens het nationale recht bevoegd zijn overeenkomstig dit kaderbesluit, in het geval dat die lidstaat de beslissingsstaat dan wel de tenuitvoerleggingsstaat is.

2.   Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie.

Artikel 3

Doel en werking

1.   Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.

2.   Dit kaderbesluit is van toepassing indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.

3.   Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op de erkenning van vonnissen en de tenuitvoerlegging van sancties in de zin van dit kaderbesluit. Het feit dat naast de sanctie ook een geldboete is opgelegd en/of een beslissing tot confiscatie is genomen, die nog niet is betaald of geïnd of nog niet ten uitvoer is gelegd, vormt geen beletsel voor toezending van het vonnis. De erkenning en tenuitvoerlegging van een dergelijke boete of beslissing tot confiscatie in een andere lidstaat berust op de instrumenten die tussen de lidstaten van toepassing zijn, in het bijzonder Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (7) en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (8).

4.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.

HOOFDSTUK II

ERKENNING VAN VONNISSEN EN TENUITVOERLEGGING VAN SANCTIES

Artikel 4

Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat

1.   Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:

a)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of

c)

een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.

2.   Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.

3.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.

4.   Tijdens dit overleg kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bij gemotiveerd advies meedelen, dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet zal bijdragen tot de reclassering en tot een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de gevonniste persoon.

Indien er geen overleg heeft plaatsgevonden, kan het advies terstond na de toezending van het vonnis en het certificaat worden meegedeeld. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat neemt het advies in overweging en besluit het certificaat al dan niet in te trekken.

5.   De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. Voorts kan de gevonniste persoon de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat of van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken op grond van dit kaderbesluit een procedure in te stellen voor de toezending van het vonnis en het certificaat. Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.

6.   Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.

7.   Elke lidstaat kan, op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit of op een latere datum, het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat hij, ten aanzien van andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toezending van het vonnis en het certificaat niet afhankelijk stelt van de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming, indien:

a)

de gevonniste persoon in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht zal verwerven, en/of

b)

in de andere dan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, de gevonniste persoon onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.

In de gevallen bedoeld onder a), wordt onder permanent verblijfsrecht verstaan dat de betrokkene:

het recht van permanent verblijf in de desbetreffende lidstaat heeft, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van de artikelen 18, 40, 44 en 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, of

voor de desbetreffende lidstaat over een geldige vergunning als permanent of langdurig ingezetene beschikt, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van artikel 63 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving van toepassing is, dan wel overeenkomstig de nationale wetgeving, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving niet van toepassing is.

Artikel 5

Toezending van het vonnis en het certificaat

1.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zendt het vonnis of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan, vergezeld van het certificaat, rechtstreeks toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, in enigerlei vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen. Het origineel van het vonnis, of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift, en het origineel van het certificaat worden aan de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden, indien deze daarom verzoekt. Alle mededelingen worden eveneens rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten uitgewisseld.

2.   Het certificaat wordt ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud juist is.

3.   De beslissingsstaat zendt het vonnis, samen met het certificaat, slechts aan één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk toe.

4.   Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet bekend is bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, wint deze, onder andere met behulp van de contactpunten van het bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad (9) opgerichte Europees justitieel netwerk, bij de tenuitvoerleggingsstaat de nodige inlichtingen in.

5.   De autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die een vonnis met een certificaat ontvangt en niet bevoegd is dit te erkennen en de voor de tenuitvoerlegging vereiste maatregelen te nemen, zendt het vonnis met het certificaat ambtshalve aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toe en stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan in kennis.

Artikel 6

Mening van en kennisgeving aan de gevonniste persoon

1.   Onverminderd lid 2, kan een vonnis, samen met een certificaat, ter fine van erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie, alleen aan de tenuitvoerleggingsstaat worden toegezonden, voor zover de gevonniste persoon daarmee overeenkomstig het recht van de beslissingsstaat heeft ingestemd.

2.   De instemming van de gevonniste persoon is niet vereist indien het vonnis, samen met het certificaat, wordt toegezonden aan:

a)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij tevens woont;

b)

de lidstaat waarnaar de gevonniste persoon, nadat hij in vrijheid is gesteld, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis, of van een gerechtelijke of bestuursrechtelijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel;

c)

de lidstaat waarnaar de gevonniste persoon is gevlucht of anderszins is teruggekeerd naar aanleiding van de tegen hem in de beslissingsstaat ingestelde strafvervolging of uitgesproken veroordeling.

3.   Indien de gevonniste persoon zich nog in de beslissingsstaat bevindt, wordt hij in de gelegenheid gesteld om zijn mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken. Zijn wettelijke vertegenwoordiger zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld, indien de beslissingsstaat dat in verband met de leeftijd of de lichamelijke of geestelijke toestand van de gevonniste persoon nodig acht.

Wanneer over de toezending van het vonnis en het certificaat wordt besloten, zal rekening worden gehouden met de mening van de gevonniste persoon. Indien hij gebruikmaakt van de in dit lid geboden mogelijkheid, wordt, met name met het oog op artikel 4, lid 4, zijn mening aan de tenuitvoerleggingsstaat meegedeeld. Indien de gevonniste persoon zijn mening mondeling heeft gegeven, draagt de beslissingsstaat er zorg voor dat deze in schriftelijke vorm voor de tenuitvoerleggingsstaat beschikbaar is.

4.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de gevonniste persoon, door middel van het standaardformulier van de kennisgeving zoals opgenomen in bijlage II, in een taal die de gevonniste persoon kent ervan in kennis dat zij heeft besloten om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden aan de tenuitvoerleggingsstaat. Indien de gevonniste persoon zich op het tijdstip van dat besluit in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, wordt het standaardformulier toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat, die de betrokkene van het formulier in kennis stelt.

5.   In gevallen waarin het vonnis is gewezen vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar na 5 december 2011 behoeft Polen noch als beslissings- noch als tenuitvoerleggingsstaat het bepaalde in lid 2, onder a), toe te passen. Polen kan het secretariaat-generaal van de Raad te allen tijde ervan in kennis stellen dat het van de afwijking geen gebruik meer wenst te maken.

Artikel 7

Dubbele strafbaarheid

1.   Tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de opgelegde sancties kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de beslissingsstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar, zoals omschreven in het recht van die staat:

deelneming aan een criminele organisatie,

terrorisme,

mensenhandel,

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie,

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (10),

witwassen van opbrengsten van misdrijven,

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro,

informaticacriminaliteit,

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten,

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,

moord en doodslag, zware mishandeling,

illegale handel in menselijke organen en weefsels,

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

racisme en vreemdelingenhaat,

georganiseerde of gewapende diefstal,

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting,

racketeering en afpersing,

namaak van producten en productpiraterij,

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen,

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen,

handel in gestolen voertuigen,

verkrachting,

opzettelijke brandstichting,

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen/schepen,

sabotage.

2.   De Raad kan te allen tijde, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, besluiten andere categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 1 toe te voegen. De Raad overweegt in het licht van het hem overeenkomstig artikel 28, lid 5, van dit kaderbesluit voorgelegde verslag of de lijst moet worden uitgebreid of gewijzigd.

3.   Ten aanzien van andere dan de in lid 1 genoemde strafbare feiten kan de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag liggende feiten ook naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.

4.   Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een ter kennis van het secretariaat-generaal van de Raad te brengen verklaring, meedelen dat hij lid 1 niet zal toepassen. De verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken. De verklaring, evenals de intrekking ervan, worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 8

Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.

2.   Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.

3.   Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.

4.   De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.

Artikel 9

Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen:

a)

het in artikel 4 bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis en is niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd;

b)

er is niet voldaan aan de in artikel 4, lid 1, vermelde criteria;

c)

de tenuitvoerlegging van de sanctie is onverenigbaar met het „ne bis in idem”-beginsel;

d)

in het in artikel 7, lid 3, bedoelde geval en, voor zover de tenuitvoerleggingsstaat in het in artikel 7, lid 1, bedoelde geval, een verklaring heeft afgelegd op grond van artikel 7, lid 4, heeft het vonnis betrekking op feiten die naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar zijn. Ter zake van retributies en belastingen, douanerechten en deviezen evenwel mag de tenuitvoerlegging van een vonnis niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat;

e)

de tenuitvoerlegging van de sanctie is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard;

f)

het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voorziet in een immuniteit die tenuitvoerlegging van de sanctie onmogelijk maakt;

g)

de sanctie is opgelegd aan een persoon die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis;

h)

wanneer de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat het vonnis ontvangt, moeten van de sanctie nog minder dan zes maanden worden ondergaan;

i)

het vonnis is bij verstek gewezen, tenzij in het certificaat staat vermeld dat de betrokkene persoonlijk was gedagvaard of door toedoen van een volgens het nationale recht van de beslissingsstaat bevoegde vertegenwoordiger in kennis was gesteld van het tijdstip en de plaats van de procedure die tot verstekbeslissing heeft geleid, dan wel dat de betrokkene een bevoegde autoriteit ervan in kennis heeft gesteld dat hij het vonnis niet betwist;

j)

de tenuitvoerleggingsstaat heeft, voordat volgens de procedure van artikel 12, lid 1, een beslissing wordt genomen, overeenkomstig artikel 18, lid 3, een verzoek ingediend en de beslissingsstaat heeft er niet, overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder g), in toegestemd dat de betrokkene in de tenuitvoerleggingsstaat wordt vervolgd of berecht of dat hem anderszins de vrijheid wordt benomen wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat aan de overbrenging ten grondslag ligt;

k)

de opgelegde sanctie omvat een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat;

l)

het vonnis heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats, zijn gepleegd.

2.   Het in lid 1, onder l), bedoelde besluit betreffende strafbare feiten die gedeeltelijk op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats zijn gepleegd, wordt door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in uitzonderlijke omstandigheden en per individueel geval genomen, waarbij dient te worden gelet op de bijzondere omstandigheden, en met name de vraag of de feiten voor een groot of zeer belangrijk deel in de beslissingsstaat zijn gepleegd.

3.   In de in lid 1, onder a), b), c), i), k) en l), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit het vonnis niet te erkennen en de sanctie niet ten uitvoer te leggen, langs passende weg overleg met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, en verzoekt zij haar in voorkomend geval onverwijld de noodzakelijk geachte aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 10

Gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging

1.   Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan overwegen het vonnis en de sanctie slechts gedeeltelijk te erkennen, respectievelijk ten uitvoer te leggen, kan zij, alvorens de volledige erkenning en tenuitvoerlegging te weigeren, overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, ten einde overeenstemming overeenkomstig lid 2 te bereiken.

2.   De bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat kunnen, per geval, een gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van de sanctie overeenkomen, op de door hen vastgestelde voorwaarden, voor zover dit niet leidt tot verlenging van de duur van de sanctie. Bij gebreke van overeenstemming dient het certificaat te worden ingetrokken.

Artikel 11

Uitstel van de erkenning van het vonnis

Indien het in artikel 4 bedoelde certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis, kan de erkenning van het vonnis in de tenuitvoerleggingsstaat worden uitgesteld totdat het formulier, binnen een door de tenuitvoerleggingsstaat vast te stellen redelijke termijn, volledig is aangevuld of is gecorrigeerd.

Artikel 12

Besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie en termijnen

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat besluit zo spoedig mogelijk of zij het vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, en stelt de beslissingsstaat in kennis van haar besluit, en in voorkomend geval van het besluit om de sanctie overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, aan te passen.

2.   Tenzij er een reden tot uitstel is zoals bedoeld in artikel 11 of artikel 23, lid 3, wordt het definitieve besluit betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie genomen binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het vonnis en het certificaat.

3.   In het uitzonderlijke geval dat het de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onmogelijk is de in lid 2 genoemde termijn na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan onverwijld en op ongeacht welke wijze in kennis, onder opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die deze nog voor het nemen van een definitief besluit nodig zal hebben.

Artikel 13

Intrekking van het certificaat

De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.

Artikel 14

Voorlopige aanhouding

Indien de gevonniste persoon zich op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, kan deze, voordat hij het vonnis en het certificaat heeft ontvangen of voordat tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie is besloten, op verzoek van de beslissingsstaat de gevonniste persoon aanhouden of een andere maatregel nemen om ervoor te zorgen dat de betrokkene, in afwachting van het besluit betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat. De duur van de sanctie wordt niet verlengd als gevolg van enigerlei vorm van hechtenis die op grond van dit lid werd ondergaan.

Artikel 15

Overbrenging

1.   Indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat bevindt, wordt hij naar de tenuitvoerleggingsstaat overgebracht op een door de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onderling vast te stellen tijdstip, maar niet later dan 30 dagen na het definitieve besluit van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie.

2.   Indien onvoorziene omstandigheden in de weg staan aan een overbrenging binnen de in lid 1 gestelde termijn, nemen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onmiddellijk contact met elkaar op. De overbrenging vindt plaats zodra die omstandigheden zich niet meer voordoen. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld op de hoogte en stelt met hem een nieuwe datum voor de overbrenging vast. In dat geval vindt de overbrenging vindt plaats binnen tien dagen na de nieuw overeengekomen datum.

Artikel 16

Doortocht

1.   Elke lidstaat staat, in overeenstemming met zijn nationale recht, de doortocht over zijn grondgebied toe van een gevonniste persoon die naar de tenuitvoerleggingsstaat wordt overgebracht, indien de beslissingsstaat hem, samen met het verzoek om doortocht, een afschrift van het in artikel 4 bedoelde certificaat heeft doen toekomen. Het verzoek om doortocht en het certificaat kunnen worden toegezonden in een vorm die toelaat dat dit schriftelijk wordt vastgelegd. Op verzoek van de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat verstrekt de beslissingsstaat een vertaling van het certificaat in een van de in het verzoek op te geven talen die door de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat wordt aanvaard.

2.   Na ontvangst van een verzoek om doortocht deelt de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat in voorkomend geval de beslissingsstaat mee dat hij niet de verzekering kan geven dat de gevonniste persoon op zijn grondgebied niet zal worden vervolgd, noch, behoudens het bepaalde in het vorige lid, zal worden aangehouden of anderszins aan enige vrijheidsbeperking zal worden onderworpen wegens een strafbaar feit dat is gepleegd of een sanctie die is uitgesproken vóór zijn vertrek uit de beslissingsstaat. In dat geval kan de beslissingsstaat zijn verzoek intrekken.

3.   De met het oog op doortocht aangezochte lidstaat geeft op dezelfde wijze kennis van zijn besluit. Hij dient de beslissing bij voorrang en uiterlijk één week na ontvangst van het verzoek te nemen. Indien op grond van lid 1 een vertaling is vereist, kan het besluit worden uitgesteld totdat de vertaling aan de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat is toegezonden.

4.   De met het oog op de doortocht aangezochte lidstaat kan de gevonniste persoon niet langer in hechtenis houden dan voor de doortocht nodig is.

5.   Het verzoek om doortocht is niet vereist indien het vervoer door de lucht plaatsvindt en er geen tussenlanding is voorzien. In geval van een onvoorziene tussenlanding verstrekt de beslissingsstaat evenwel binnen 72 uur de in lid 1 bedoelde gegevens.

Artikel 17

Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht

1.   De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat brengt de termijn van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft, volledig in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan.

3.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat licht, op verzoek, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in over de geldende bepalingen betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissingsstaat kan de toepassing van deze bepalingen accepteren of het certificaat intrekken.

4.   Een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

Artikel 18

Specialiteit

1.   Een persoon die op grond van dit kaderbesluit naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, kan, behoudens lid 2, niet worden vervolgd of berecht, noch kan hem anderszins de vrijheid worden benomen, wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat de reden voor de overbrenging is geweest.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in de volgende gevallen:

a)

de betrokkene heeft, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat verlaten, of is, na het te hebben verlaten, er teruggekeerd;

b)

de feiten worden niet gestraft met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c)

de strafvervolging leidt niet tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid beperkt;

d)

de betrokkene kan worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een sanctie of een maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, waaronder begrepen een geldboete of een vervangende maatregel, zelfs indien deze geldboete of maatregel kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e)

de betrokkene heeft ingestemd met de overbrenging;

f)

de betrokkene heeft, na de overbrenging, ten aanzien van bepaalde, vóór de overbrenging gepleegde feiten uitdrukkelijk afstand gedaan van de bescherming die hij op grond van het specialiteitsbeginsel geniet. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationale recht van die staat. De afstand geschiedt onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich ten volle bewust is van de gevolgen. Hij heeft het recht zich te dien einde door een raadsman te laten bijstaan;

g)

in andere dan de onder a) tot en met f) bedoelde gevallen, indien de beslissingsstaat daarin overeenkomstig lid 3 toestemt.

3.   Het verzoek tot toestemming wordt bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en gaat vergezeld van de in artikel 8, lid 2, van dat kaderbesluit bedoelde vertaling. De toestemming wordt verleend indien er uit hoofde van dat kaderbesluit een verplichting tot overlevering bestaat. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen. Voor de in artikel 5 van dat kaderbesluit bedoelde situaties dient de tenuitvoerleggingsstaat de daarin bedoelde garanties te geven.

Artikel 19

Amnestie, gratie en herziening van het vonnis

1.   Zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat kan amnestie of gratie verlenen.

2.   Alleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd.

Artikel 20

Informatie van de beslissingsstaat

1.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld in kennis van iedere beslissing of maatregel waardoor de sanctie onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn niet langer ten uitvoer kan worden gelegd.

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat beëindigt de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra zij door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in kennis is gesteld van de in lid 1 bedoelde beslissing of maatregel.

Artikel 21

Informatie van de tenuitvoerleggingsstaat

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onverwijld, schriftelijk of in een vorm die schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van:

a)

de toezending van het vonnis en het certificaat aan de met de tenuitvoerlegging belaste bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 5, lid 5;

b)

het feit dat het in de praktijk onmogelijk is de sanctie ten uitvoer te leggen, omdat, na de toezending van het certificaat en het vonnis aan de tenuitvoerleggingsstaat, de gevonniste persoon niet gevonden kan worden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, in welk geval de tenuitvoerleggingsstaat niet verplicht is de sanctie ten uitvoer te leggen;

c)

het definitieve besluit tot erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, alsmede de datum van het besluit;

d)

het gemotiveerde besluit om, overeenkomstig artikel 9, het vonnis geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of de sanctie niet ten uitvoer te leggen;

e)

het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, lid 2, of artikel 8, lid 3;

f)

het gemotiveerde besluit om de sanctie om een van de in artikel 19, lid 1, bedoelde redenen, niet ten uitvoer te leggen;

g)

de tijdstippen waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling ingaat en afloopt, voor zover in het certificaat van de beslissingsstaat daarom wordt gevraagd;

h)

het feit dat de gevonniste persoon uit hechtenis is gevlucht;

i)

de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra deze geheel is voltrokken.

Artikel 22

Gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon

1.   Behoudens lid 2 gaat de beslissingsstaat niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie over, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan.

2.   Het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie valt opnieuw aan de beslissingsstaat toe, zodra deze van de tenuitvoerleggingsstaat bericht ontvangt dat de sanctie in de zin van artikel 21, onder h), gedeeltelijk niet ten uitvoer is gelegd.

Artikel 23

Talen

1.   Het certificaat wordt vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.

2.   Behoudens lid 3 zal geen vertaling van het vonnis worden verlangd.

3.   Bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip kan elke lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij, als tenuitvoerleggingsstaat, indien hij de inhoud van het certificaat ontoereikend acht om een besluit te kunnen nemen over de tenuitvoerlegging van de sanctie, onverwijld na ontvangst van het vonnis en het certificaat kan verlangen dat het vonnis of essentiële onderdelen ervan vergezeld gaan van een vertaling in de officiële taal of een van de officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat dan wel in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie. In voorkomend geval plegen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat, voorafgaand aan dit verzoek, overleg om vast te stellen welke essentiële onderdelen van het vonnis vertaling behoeven.

Het besluit tot de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden uitgesteld totdat de beslissingstaat de vertaling van het vonnis aan de tenuitvoerleggingsstaat heeft doen toekomen of, indien hij de vertaling op eigen kosten laat maken, totdat deze beschikbaar is.

Artikel 24

Kosten

De kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit kaderbesluit worden door de tenuitvoerleggingsstaat gedragen, uitgezonderd de kosten voor de overbrenging van de gevonniste persoon naar de tenuitvoerleggingsstaat en de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de beslissingsstaat zijn gemaakt.

Artikel 25

Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een Europees aanhoudingsbevel

Onverminderd Kaderbesluit 2002/584/JBZ zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met Kaderbesluit 2002/584/JBZ, van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, lid 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen

1.   Onverminderd de toepassing ervan tussen de lidstaten en derde landen en de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 28, vervangt dit kaderbesluit met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn:

het Verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen en het aanvullend protocol van 18 december 1997;

het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970;

titel III, hoofdstuk 5, van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen;

het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1991 inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen.

2.   De lidstaten mogen de bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die op 27 november 2008 van kracht zijn, blijven toepassen voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van dit kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de tenuitvoerlegging van sancties verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

3.   De lidstaten mogen na 5 december 2008 bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten die verder reiken dan de voorschriften van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de tenuitvoerlegging van de sancties verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

4.   De lidstaten geven de Raad en de Commissie uiterlijk op 5 maart 2009 kennis van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten of regelingen die zij willen blijven toepassen. De lidstaten geven de Raad en de Commissie ook kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling als bedoeld in lid 3, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.

Artikel 27

Territoriale toepassing

Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.

Artikel 28

Overgangsbepaling

1.   Het vóór 5 december 2011 ontvangen verzoek wordt verder volgens de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen behandeld. Het na die datum ontvangen verzoek wordt behandeld volgens de voorschriften die de lidstaten op grond van dit kaderbesluit aannemen.

2.   Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit verklaren dat hij, als beslissingsstaat en als tenuitvoerleggingsstaat, in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis vóór de door hem bepaalde datum is gegeven, de bestaande, vóór 5 december 2011 toepasselijke, rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen zal blijven toepassen. Indien een dergelijke verklaring is afgelegd, zijn deze instrumenten in die gevallen van toepassing ten aanzien van alle overige lidstaten, ongeacht of zij dezelfde verklaring hebben afgelegd of niet. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 5 december 2011. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 29

Uitvoering

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op 5 december 2011 aan dit kaderbesluit te voldoen.

2.   De lidstaten delen aan het secretariaat-generaal van de Raad en aan de Commissie de tekst mee van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationale recht omzetten. De Raad gaat op basis van een verslag dat door de Commissie aan de hand van deze gegevens is opgesteld, vóór 5 december 2012 na in hoeverre de lidstaten dit kaderbesluit naleven.

3.   Het secretariaat-generaal van de Raad deelt de lidstaten en de Commissie de verklaringen en kennisgevingen in de zin van artikel 4, lid 7, en artikel 23, lid 1 of lid 3, mee.

4.   Onverminderd artikel 35, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, stelt een lidstaat die bij de toepassing van artikel 25 van dit kaderbesluit herhaaldelijk moeilijkheden heeft ondervonden die niet door bilateraal overleg zijn opgelost, de Raad en de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt aan de hand van deze kennisgeving en van andere informatie waarover zij beschikt, een verslag op, vergezeld van de initiatieven die zij passend acht om deze moeilijkheden op te lossen.

5.   Uiterlijk op 5 december 2013 stelt de Commissie aan de hand van de ontvangen informatie een verslag op, vergezeld van de initiatieven die zij passend acht. Op basis van het verslag van de Commissie en van initiatieven zal door de Raad met name artikel 25 worden geëvalueerd, en worden nagegaan of het niet door meer specifieke bepalingen moet worden vervangen.

Artikel 30

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de dag van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 november 2008.

Voor de Raad

De voorzitster

M. ALLIOT-MARIE


(1)  PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10.

(2)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(3)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(4)  PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.

(5)  PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

(6)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(7)  PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16.

(8)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59.

(9)  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 4.

(10)  PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.


BIJLAGE I

Image

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE II

KENNISGEVING AAN DE GEVONNISTE PERSOON

U wordt hierbij in kennis gesteld van de beslissing van … (bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat) om het vonnis van … (bevoegde rechtbank van de beslissingsstaat) d.d. … (datum van het vonnis) … (referentienummer, indien bekend) aan … (de tenuitvoerleggingsstaat) toe te zenden met het oog op de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de daarin opgelegde sanctie overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.

De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van … (tenuitvoerleggingsstaat). De autoriteiten van die staat zijn bevoegd om te besluiten over de tenuitvoerlegging en om alle daarmee verband houdende maatregelen, met inbegrip van de gronden voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, vast te stellen.

De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) zal de termijn van vrijheidsbeneming die reeds ten gevolge van de sanctie is ondergaan volledig in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan. De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) kan de sanctie alleen wijzigen indien de duur of de aard ervan onverenigbaar is met het recht van deze staat. De gewijzigde sanctie mag qua aard of duur de in … (beslissingstaat) opgelegde sanctie niet verzwaren.


Top