This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32007R1315
Commission Regulation (EC) No 1315/2007 of 8 November 2007 on safety oversight in air traffic management and amending Regulation (EC) No 2096/2005 (Text with EEA relevance)
Verordening (EG) nr. 1315/2007 van de Commissie van 8 november 2007 betreffende het veiligheidstoezicht in het luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EG) nr. 1315/2007 van de Commissie van 8 november 2007 betreffende het veiligheidstoezicht in het luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 (Voor de EER relevante tekst)
PB L 291 van 9.11.2007, pp. 16–22
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
No longer in force, Date of end of validity: 06/11/2011; opgeheven door 32011R1034
|
9.11.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 291/16 |
VERORDENING (EG) Nr. 1315/2007 VAN DE COMMISSIE
van 8 november 2007
betreffende het veiligheidstoezicht in het luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtvaartnavigatiedienstenverordening”) (1), en met name op artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 550/2004 moet de Commissie de relevante bepalingen van de Eurocontrol Safety Regulatory Requirements (ESARR's) vaststellen en goedkeuren, rekening houdend met bestaande Gemeenschapswetgeving. ESARR 1 bevat een reeks veiligheidsregelgevingseisen voor de tenuitvoerlegging van doeltreffend toezicht op de veiligheid van het luchtverkeersbeheer. |
|
(2) |
De rol en de functies van de nationale toezichthoudende instanties zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (2), Verordening (EG) nr. 550/2004, Verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging („de interoperabiliteitsverordening”) (3) en Verordening (EG) nr. 2096/2005 van de Commissie van 20 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (4). In die verordeningen zijn eisen met betrekking tot de veiligheid van luchtvaartnavigatiediensten vastgesteld. De exploitant blijft verantwoordelijk voor de veiligheid van de verleende dienst, maar de lidstaten moeten doeltreffend toezicht houden via de nationale toezichthoudende instanties. |
|
(3) |
Deze verordening dient geen betrekking te hebben op militaire operaties en opleidingen, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004. |
|
(4) |
De nationale toezichthoudende instanties moeten audits van de veiligheidsvoorzieningen en toetsingen uitvoeren overeenkomstig deze verordening, in het kader van de door hen verrichte inspecties en onderzoeken die vereist zijn uit hoofde van Verordening (EG) nr. 550/2004. |
|
(5) |
De nationale toezichthoudende instanties moeten overwegen om de in deze verordening uiteengezette benadering van het veiligheidstoezicht waar mogelijk ook te hanteren op andere toezichtsgebieden, teneinde doeltreffend en samenhangend toezicht tot stand te brengen. |
|
(6) |
In overeenstemming met bijlage 11, punt 2.26, van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, vereist ESARR 1 toezicht op en beoordeling van de bereikte veiligheidsniveaus aan de hand van de aanvaardbare veiligheidsniveaus die voor specifieke luchtruimblokken zijn vastgesteld. Die aanvaardbare veiligheidsniveaus zijn echter nog niet volledig vastgesteld op Gemeenschapsniveau; daarom moet in deze verordening pas in een latere fase met deze niveaus rekening worden gehouden. |
|
(7) |
Alle luchtvaartnavigatiediensten, alsook de luchtverkeersstroomregeling en het luchtruimbeheer maken gebruik van functionele systemen die het beheer van het luchtverkeer mogelijk maken. Derhalve dienen alle wijzigingen in functionele systemen aan een veiligheidstoezicht te worden onderworpen. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 552/2004 moet een nationale toezichthoudende instantie alle nodige maatregelen treffen wanneer een systeem of een onderdeel van een systeem niet aan de desbetreffende eisen voldoet. In dat verband, en met name wanneer een veiligheidsaanwijzing moet worden uitgevaardigd, moet de nationale toezichthoudende instantie overwegen de aangemelde instanties die bij de afgifte van EG-verklaringen zijn betrokken, opdracht te geven dat technische systeem specifiek te onderzoeken. |
|
(9) |
De nationale toezichthoudende instanties moeten voldoende tijd krijgen om het veiligheidstoezicht op wijzigingen voor te bereiden, met name wat de vaststelling van de doelstellingen en normen betreft. Die vaststelling moet worden gestaafd met passende communautaire specificaties en ander begeleidend materiaal. |
|
(10) |
Het jaarlijkse verslag dat de nationale toezichthoudende instanties uitbrengen over het veiligheidstoezicht draagt bij tot de transparantie en verantwoordingsplicht op het gebied van veiligheidstoezicht. Deze verslagen moeten worden gericht aan de lidstaten die de instantie hebben aangesteld of opgericht. Zij moeten voorts ook worden gebruikt in de context van regionale samenwerking en internationale monitoring van het veiligheidstoezicht. Er moet relevante informatie worden verstrekt over, onder meer, de monitoring van de veiligheidsprestaties, de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen door de organisaties waarop toezicht wordt uitgeoefend, het programma inzake de audits van de veiligheidsvoorzieningen, de toetsing van de veiligheidsargumenten, de wijzigingen in functionele systemen die door de organisaties overeenkomstig door de instantie aanvaarde procedures en de door de nationale toezichthoudende instantie uitgevaardigde veiligheidsaanwijzingen worden uitgevoerd. |
|
(11) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 550/2004 moeten de nationale toezichthoudende instanties passende regelingen voor nauwe onderlinge samenwerking treffen, teneinde te garanderen dat adequaat toezicht wordt uitgeoefend op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die diensten verlenen met betrekking tot het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid valt van een andere lidstaat dan de lidstaat die het certificaat heeft afgegeven. De instanties moeten met name passende informatie over het veiligheidstoezicht op organisaties uitwisselen. |
|
(12) |
Met het oog op een samenhangende implementatie van het gemeenschappelijke Europese luchtruim moet Verordening (EG) nr. 2096/2005 dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(13) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij deze verordening wordt een veiligheidstoezichtsfunctie met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer voor algemeen luchtverkeer vastgesteld, door de relevante verplichte bepalingen van het „Eurocontrol Safety Regulatory Requirement on safety oversight on air traffic management” (ESARR 1) van 5 november 2004 aan te wijzen en goed te keuren.
2. Deze verordening is van toepassing op de activiteiten van de nationale toezichthoudende instanties en de namens hen optredende erkende organisaties met betrekking tot het veiligheidstoezicht op luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Verordening (EG) nr. 549/2004.
Voorts wordt verstaan onder:
|
1. |
„corrigerende maatregelen”: maatregelen om de oorzaak van een vastgesteld geval van niet-overeenstemming weg te nemen; |
|
2. |
„functioneel systeem”: een combinatie van systemen, procedures en mensen die georganiseerd zijn om een functie in de context van luchtverkeersbeheer te vervullen; |
|
3. |
„organisatie”: een verlener van luchtvaartnavigatiediensten of een entiteit die luchtverkeersstroomregeling of luchtruimbeheer aanbiedt; |
|
4. |
„proces”: een reeks onderling verband houdende of op elkaar inwerkende activiteiten die inputs omzetten in outputs; |
|
5. |
„veiligheidsargument”: het aantoonbare bewijs dat een voorgestelde wijziging in een functioneel systeem kan worden uitgevoerd binnen het kader van de doelstellingen of normen die via het bestaande regelgevingskader en overeenkomstig de veiligheidsregelgevingseisen zijn vastgesteld; |
|
6. |
„veiligheidsaanwijzing”: een door een nationale toezichthoudende instantie uitgegeven of goedgekeurd document waarin opdracht wordt gegeven actie te ondernemen met betrekking tot een functioneel systeem teneinde de veiligheid opnieuw te garanderen, wanneer uit gegevens blijkt dat de veiligheid van de luchtvaart anders in het gedrang zou kunnen komen; |
|
7. |
„veiligheidsdoelstelling”: een kwalitatieve of kwantitatieve verklaring waarin de maximale frequentie of waarschijnlijkheid is gedefinieerd waarmee een gevaar naar verwachting zal optreden; |
|
8. |
„audit van de veiligheidsvoorzieningen”: een systematisch en onafhankelijk onderzoek dat door of namens een nationale toezichthoudende instantie wordt uitgevoerd om te bepalen of volledige veiligheidgerelateerde voorzieningen of onderdelen daarvan, die betrekking hebben op processen en hun resultaten, producten of diensten, voldoen aan de vereiste veiligheidgerelateerde regelingen en om na te gaan of deze effectief worden toegepast en of de voorzieningen geschikt zijn om de verwachte resultaten te bereiken; |
|
9. |
„veiligheidsregelgevingseisen”: de in de Gemeenschaps- of nationale regelgeving vastgestelde eisen voor het aanbieden van luchtvaartnavigatiediensten of functies van luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer, met name wat betreft de technische en operationele bekwaamheid en geschiktheid om deze diensten en functies en het veiligheidsbeheer daarvan, alsmede systemen, systeemonderdelen en daarmee verband houdende procedures aan te bieden; |
|
10. |
„veiligheidseis”: een middel tot risicobeperking, vastgesteld op basis van de risicobeperkingsstrategie waarmee een specifieke veiligheidsdoelstelling wordt bereikt, met inbegrip van organisatorische, operationele, procedurele, functionele, prestatie- en interoperabiliteitseisen of omgevingskenmerken; |
|
11. |
„verificatie”: de bevestiging, door middel van objectief bewijsmateriaal, dat aan specifieke eisen is voldaan. |
Artikel 3
Veiligheidstoezichtsfunctie
1. De nationale toezichthoudende instanties oefenen veiligheidstoezicht uit in het kader van hun toezicht op de voor luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer geldende eisen, teneinde na te gaan of deze activiteiten op veilige wijze worden verricht en of de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen en de uitvoeringsregelingen daarvan worden nageleefd.
2. Bij het sluiten van een overeenkomst betreffende het toezicht op organisaties die actief zijn in functionele luchtruimblokken die zich uitstrekken over het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid van meer dan een lidstaat valt, zorgen de betrokken lidstaten ervoor dat de verantwoordelijkheden inzake het veiligheidstoezicht op zodanige wijze worden bepaald en toegewezen dat:
|
a) |
er specifieke punten van verantwoordelijkheid bestaan voor de tenuitvoerlegging van elke bepaling van deze verordening; |
|
b) |
de lidstaten zicht houden op de mechanismen voor veiligheidstoezicht en de resultaten daarvan. |
De lidstaten zullen de overeenkomst en de praktische uitvoering ervan regelmatig opnieuw bezien in het licht van de geleverde veiligheidsprestaties.
Artikel 4
Monitoring van de veiligheidsprestaties
1. De nationale toezichthoudende instanties zorgen voor regelmatige monitoring en beoordeling van de bereikte veiligheidsniveaus om vast te stellen of deze aan de voor de onder hun verantwoordelijkheid vallende luchtruimblokken geldende veiligheidsregelgevingseisen voldoen.
2. De nationale toezichthoudende instanties gebruiken de resultaten van de veiligheidsmonitoring in het bijzonder om te bepalen in welke gebieden de verificatie van de naleving van de veiligheidsregelgevingseisen van prioritair belang is.
Artikel 5
Verificatie van de naleving van de veiligheidsregelgevingseisen
1. De nationale toezichthoudende instanties stellen een proces vast ter verificatie van:
|
a) |
de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen alvorens een certificaat af te geven of te vernieuwen dat nodig is om luchtvaartnavigatiediensten te verlenen, met inbegrip van de daaraan verbonden veiligheidgerelateerde voorwaarden; |
|
b) |
de naleving van alle veiligheidgerelateerde verplichtingen in het aanwijzingsbesluit dat overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 550/2004 is opgesteld; |
|
c) |
de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen door de organisaties; |
|
d) |
de tenuitvoerlegging van veiligheidsdoelstellingen, veiligheidseisen en andere veiligheidgerelateerde voorwaarden die zijn vastgesteld in:
|
|
e) |
de tenuitvoerlegging van veiligheidsaanwijzingen. |
2. Het in lid 1 bedoelde proces:
|
a) |
moet gebaseerd zijn op gedocumenteerde procedures; |
|
b) |
moet worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van hun taken; |
|
c) |
moet de betrokken organisatie een indicatie geven van de resultaten van het veiligheidstoezicht; |
|
d) |
moet gebaseerd zijn op overeenkomstig de artikelen 6, 8 en 9 uitgevoerde audits van de veiligheidsvoorzieningen en toetsingen; |
|
e) |
moet de nationale toezichthoudende instantie het benodigde bewijs verschaffen om verdere acties te motiveren, inclusief de maatregelen van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 549/2004 en artikel 7, lid 7, van Verordening (EG) nr. 550/2004, in gevallen waarin niet aan de veiligheidsregelgevingseisen is voldaan. |
Artikel 6
Audits van de veiligheidsvoorzieningen
1. De nationale toezichthoudende instanties, of de door hen gemachtigde erkende organisaties, voeren audits van de veiligheidsvoorzieningen uit.
2. De in lid 1 bedoelde audits van de veiligheidsvoorzieningen moeten:
|
a) |
de nationale toezichthoudende instanties het bewijs verschaffen van de naleving van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen en uitvoeringsregelingen, door te beoordelen of er behoefte is aan verbeteringen of corrigerende maatregelen; |
|
b) |
los staan van de interne auditactiviteiten die de betrokken organisatie onderneemt in het kader van haar veiligheids- of kwaliteitsbeheersystemen; |
|
c) |
worden uitgevoerd door auditeurs die over de nodige bekwaamheid beschikken, zoals voorgeschreven in artikel 11; |
|
d) |
van toepassing zijn op volledige uitvoeringsregelingen of onderdelen daarvan, en op processen, producten of diensten; |
|
e) |
het mogelijk maken vast te stellen of:
|
|
f) |
leiden tot correctie van alle vastgestelde gevallen van niet-overeenstemming, overeenkomstig artikel 7. |
3. In het kader van het bij artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2096/2005 vereiste inspectieprogramma stellen de nationale toezichthoudende instanties een programma voor audits van de veiligheidsvoorzieningen vast en werken dit minstens een maal per jaar bij, teneinde:
|
a) |
alle gebieden te bestrijken die een gevaar voor de veiligheid kunnen inhouden, waarbij de nadruk wordt gelegd op die gebieden waarop problemen zijn vastgesteld; |
|
b) |
alle organisaties en diensten te bestrijken die activiteiten verrichten onder het toezicht van de nationale toezichthoudende instantie; |
|
c) |
ervoor te zorgen dat de audits worden uitgevoerd op een wijze die in verhouding staat tot het risico dat wordt veroorzaakt door de activiteiten van de organisaties; |
|
d) |
ervoor te zorgen dat over een periode van twee jaar voldoende audits wordt uitgevoerd om te controleren of al deze organisaties op alle relevante gebieden van het functionele systeem aan de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen voldoen; |
|
e) |
zorg te dragen voor de follow-up van de uitvoering van corrigerende maatregelen. |
4. De nationale toezichthoudende instanties kunnen beslissen het toepassingsgebied van vooraf geplande audits te wijzigen en aanvullende audits uit te voeren, voor zover nodig.
5. De nationale toezichthoudende instanties beslissen voor welke regelingen, elementen, diensten, producten, fysieke locaties en activiteiten binnen een bepaald tijdsbestek een audit moet worden uitgevoerd.
6. De bevindingen en de geïdentificeerde gevallen van niet-overeenstemming moeten worden gedocumenteerd. De gevallen van niet-overeenstemming moeten met bewijsstukken worden gestaafd; voorts moet worden vermeld aan welke veiligheidsregelgevingseisen en uitvoeringsregelingen deze gevallen tijdens de audit werden getoetst.
Er moet een auditverslag worden opgesteld, waarin alle bijzonderheden van de gevallen van niet-overeenstemming zijn opgenomen.
Artikel 7
Corrigerende maatregelen
1. De nationale toezichthoudende instantie deelt de resultaten van de audit mee aan de gecontroleerde organisatie en verzoekt deze organisatie tegelijkertijd corrigerende maatregelen te treffen om de vastgestelde gevallen van niet-overeenstemming te verhelpen, onverminderd aanvullende maatregelen die eventueel vereist zijn uit hoofde van de toepasselijke veiligheidsregelgevingseisen.
2. De gecontroleerde organisatie bepaalt welke corrigerende maatregelen nodig worden geacht om een geval van niet-overeenstemming te verhelpen, en binnen welk tijdsbestek deze maatregelen zullen worden toegepast.
3. De nationale toezichthoudende instantie beoordeelt de corrigerende maatregelen en de tenuitvoerlegging ervan, zoals vastgesteld door de gecontroleerde organisatie, en aanvaardt deze indien uit de beoordeling blijkt dat zij volstaan om de gevallen van niet-overeenstemming te verhelpen.
4. De gecontroleerde organisatie begint met de uitvoering van de door de nationale toezichthoudende instantie aanvaarde corrigerende maatregelen. Deze corrigerende maatregelen en de follow-up daarvan worden voltooid binnen het door de nationale toezichthoudende instantie aanvaarde tijdsbestek.
Artikel 8
Veiligheidstoezicht op wijzigingen in functionele systemen
1. Organisaties gebruiken uitsluitend door hun nationale toezichthoudende instantie aanvaarde procedures wanneer zij beslissen of een veiligheidgerelateerde wijziging in hun functionele systemen wordt ingevoerd. In het geval van verleners van luchtverkeersdiensten, en verleners van communicatie-, navigatie- of bewakingsdiensten, aanvaardt de nationale toezichthoudende instantie deze procedures in het kader van Verordening (EG) nr. 2096/2005.
2. Organisaties stellen hun nationale toezichthoudende instantie in kennis van alle geplande veiligheidgerelateerde wijzigingen. De nationale toezichthoudende instanties stellen hiertoe passende administratieve procedures vast, overeenkomstig de nationale wetgeving.
3. Tenzij artikel 9 van toepassing is, mogen de organisaties de aangemelde wijziging uitvoeren volgens de in lid 1 van dit artikel genoemde procedures.
Artikel 9
Toetsing van voorgestelde wijzigingen
1. De nationale toezichthoudende instantie toetst de veiligheidsargumenten die verband houden met de door een organisatie voorgestelde invoering van nieuwe functionele systemen of wijzigingen in bestaande functionele systemen wanneer:
|
a) |
uit de overeenkomstig bijlage II, punt 3.2.4, van Verordening (EG) nr. 2096/2005 uitgevoerde beoordeling van de ernst van de gevaren blijkt dat het mogelijke gevolg van het geidentificeerde gevaar van ernstcategorie 1 of 2 is, of |
|
b) |
de uitvoering van de wijzigingen de invoering van nieuwe luchtvaartnormen vergt. |
Wanneer de nationale toezichthoudende instantie in andere dan de onder a) en b) bedoelde gevallen bepaalt dat een toetsing nodig is, stelt zij de organisatie ervan in kennis dat zij een veiligheidstoetsing van de aangemelde wijziging zal verrichten.
2. De toetsing geschiedt op een wijze die in verhouding staat tot het risiconiveau dat wordt veroorzaakt door de invoering van het nieuwe functionele systeem of de wijziging in de bestaande functionele systemen.
De toetsing moet:
|
a) |
gebruik maken van gedocumenteerde procedures; |
|
b) |
worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van hun taken; |
|
c) |
rekening houden met de veiligheidsdoelstellingen, veiligheidseisen en andere veiligheidgerelateerde voorwaarden die verband houden met de overwogen wijziging en die zijn vermeld in:
|
|
d) |
waar nodig aanvullende veiligheidgerelateerde voorwaarden aangeven die verband houden met de uitvoering van de wijziging; |
|
e) |
de aanvaardbaarheid van de aangevoerde veiligheidsargumenten beoordelen, rekening houdende met:
|
|
f) |
de processen verifiëren die de organisaties toepassen om de veiligheidsargumenten op te stellen met betrekking tot de overwogen nieuwe functionele systemen of wijzigingen in bestaande functionele systemen; |
|
g) |
nagaan of moet worden geverifieerd dat de naleving voortduurt; |
|
h) |
alle activiteiten omvatten die nodig zijn om te zorgen voor coördinatie met de instanties die verantwoordelijk zijn voor het veiligheidstoezicht op de luchtwaardigheid en de vliegactiviteiten; |
|
i) |
kennisgeving doen van de aanvaarding, eventueel met de daaraan verbonden voorwaarden, of de niet-aanvaarding, met opgave van de redenen daarvoor, van de overwogen wijziging. |
3. De ingebruikneming van de overwogen wijziging, die het voorwerp uitmaakt van de toetsing, moet door de nationale toezichthoudende instantie worden aanvaard
Artikel 10
Erkende organisaties
1. Wanneer een nationale toezichthoudende instantie besluit de uitvoering van audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen, overeenkomstig artikel 9, lid 2, te delegeren aan een erkende organisatie, zorgt zij ervoor dat onder meer de volgende criteria worden gehanteerd om een van de overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 550/2004 erkende organisaties te selecteren:
|
a) |
de erkende organisatie moet ervaring hebben met het beoordelen van de veiligheid van luchtvaartentiteiten; |
|
b) |
de erkende organisatie mag niet tegelijkertijd betrokken zijn bij interne activiteiten die deel uitmaken van het veiligheids- of kwaliteitsbeheersysteem van de betrokken organisatie; |
|
c) |
alle personeelsleden die betrokken zij bij de uitvoering van audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen moeten voldoende opgeleid en gekwalificeerd zijn en moeten voldoen aan de kwalificatiecriteria van artikel 11, lid 3, van deze verordening. |
2. De erkende organisatie aanvaardt de mogelijkheid dat de nationale toezichthoudende instantie of een namens die instantie optredend orgaan een audit van die organisatie uivoert.
3. De nationale toezichthoudende instanties houden een administratie bij van erkende organisaties die gemachtigd zijn om namens hen audits van de veiligheidsvoorzieningen of toetsingen uit te voeren. De administratie bevat documenten waaruit blijkt dat aan de eisen van lid 1 is voldaan.
Artikel 11
Bekwaamheid inzake veiligheidstoezicht
1. De lidstaten zien erop toe dat de nationale toezichthoudende instanties over de nodige bekwaamheid beschikken om zorg te dragen voor het veiligheidstoezicht op alle organisaties die onder hun toezicht actief zijn en dat zij over de nodige middelen beschikken om de in deze verordening vastgestelde maatregelen uit te voeren.
2. De nationale toezichthoudende instanties stellen een raming op, en werken deze om de twee jaar bij, van de personele middelen die nodig zijn om hun taken inzake veiligheidstoezicht uit te oefenen, gebaseerd op de analyse van de deze verordening voorgeschreven processen en de toepassing daarvan.
3. De nationale toezichthoudende instanties zien erop toe dat alle bij het veiligheidstoezicht betrokken personen bevoegd zijn om de vereiste taken uit te voeren. Zij moeten met name:
|
a) |
de scholing, opleiding, technische en operationele kennis, ervaring en kwalificaties die relevant zijn voor de taken van elke bij het veiligheidstoezicht betrokken functie binnen hun structuur definiëren en documenteren; |
|
b) |
ervoor zorgen dat degenen die binnen hun structuur bij het veiligheidstoezicht zijn betrokken een specifieke opleiding krijgen; |
|
c) |
erop toezien dat het personeel dat is aangewezen om audits van de veiligheidsvoorzieningen uit te voeren, inclusief het auditpersoneel van erkende organisaties, aan de specifieke, door de nationale toezichthoudende instantie opgestelde kwalificatiecriteria voldoet. Deze criteria moeten betrekking hebben op:
|
Artikel 12
Veiligheidsaanwijzingen
1. Wanneer een nationale toezichthoudende instantie vaststelt dat zich in een functioneel systeem een onveilige situatie voordoet die onmiddellijke actie vereist, vaardigt zij een veiligheidsaanwijzing uit.
2. De veiligheidsaanwijzing wordt naar de betrokken organisaties gezonden en bevat ten minste de volgende informatie:
|
a) |
de identificatie van de onveilige situatie; |
|
b) |
de identificatie van het desbetreffende functionele systeem; |
|
c) |
de vereiste maatregelen en de motivering daarvan; |
|
d) |
het tijdsbestek waarbinnen de vereiste maatregelen aan de veiligheidsaanwijzing moeten voldoen, en |
|
e) |
de datum van inwerkingtreding. |
3. De nationale toezichthoudende instantie zendt een exemplaar van de veiligheidsaanwijzing naar de andere betrokken nationale toezichthoudende instanties, met name die welke bij het veiligheidstoezicht op het functionele systeem zijn betrokken, en naar de Commissie, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en Eurocontrol, voor zover van toepassing.
4. De nationale toezichthoudende instantie gaat na of de toepasselijke veiligheidsaanwijzingen worden nageleefd.
Artikel 13
Administratie van het veiligheidstoezicht
De nationale toezichthoudende instanties houden een administratie van hun processen inzake veiligheidstoezicht bij en zorgen voor blijvende toegang tot die administratie, inclusief de verslagen van alle audits van de veiligheidsvoorzieningen en andere veiligheidgerelateerde administraties met betrekking tot certificaten, aanwijzingen van verleners, veiligheidstoezicht op wijzigingen, veiligheidsaanwijzingen en het inschakelen van erkende organisaties.
Artikel 14
Verslagen over het veiligheidstoezicht
1. Een nationale toezichthoudende instantie stelt een jaarverslag van het veiligheidstoezicht op van de overeenkomstig deze verordening ondernomen acties. Dit verslag moet ook informatie bevatten over de volgende punten:
|
a) |
de organisatorische structuur en procedures van de nationale toezichthoudende instantie; |
|
b) |
het luchtruim dat valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die de nationale toezichthoudende instantie en de onder het toezicht van de nationale toezichthoudende instantie vallende organisaties heeft opgericht of benoemd; |
|
c) |
erkende organisaties die zijn gemachtigd om audits van de veiligheidsvoorzieningen uit te voeren; |
|
d) |
het actuele niveau van de middelen waarover de instantie kan beschikken; |
|
e) |
alle veiligheidskwesties die aan de hand van de door de nationale toezichthoudende instantie uitgevoerde veiligheidstoezichtsprocessen zijn geïdentificeerd. |
2. De lidstaten maken gebruik van de door hun nationale toezichthoudende instanties opgestelde verslagen wanneer zij het jaarverslag opstellen dat zij overeenkomstig artikel 12 van verordening (EG) nr. 549/2004 bij de Commissie moeten indienen.
3. Het jaarverslag van het veiligheidstoezicht wordt ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaten in het geval van functionele luchtruimblokken, en van de uit hoofde van overeengekomen internationale regelingen uitgevoerde programma's of activiteiten voor toezicht op of controle van de tenuitvoerlegging van het veiligheidstoezicht op luchtvaartnavigatiediensten, luchtverkeersstroomregeling en luchtruimbeheer.
Artikel 15
Informatieuitwisseling tussen nationale toezichthoudende instanties
De nationale toezichthoudende instanties treffen regelingen voor nauwe samenwerking, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 550/2004, en wisselen alle passende informatie uit om het veiligheidstoezicht te garanderen op alle organisaties die grensoverschrijdende diensten of functies aanbieden.
Artikel 16
Wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005
Artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2096/2005 wordt geschrapt.
Artikel 17
Overgangsmaatregel
De lidstaten mogen de toepassing van artikel 9, lid 3, uitstellen tot 1 november 2008. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 8 november 2007.
Voor de Commissie
Jacques BARROT
Vicevoorzitter
(1) PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.
(2) PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.