This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32004R0807
Regulation (EC) No 807/2004 of the European Parliament and of the Council of 21 April 2004 amending Council Regulation (EC) No 2236/95 laying down general rules for the granting of Community financial aid in the field of trans-European networks
Verordening (EG) nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken
Verordening (EG) nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken
PB L 143 van 30.4.2004, pp. 46–48
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV) Dit document is verschenen in een speciale editie.
(CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO)
No longer in force, Date of end of validity: 18/02/2010
Verordening (EG) nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken
Publicatieblad Nr. L 143 van 30/04/2004 blz. 0046 - 0048
Verordening (EG) Nr. 807/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 156, eerste alinea, Gezien het voorstel van de Commissie(1), Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2), Na raadpleging van het Comité van de Regio's, Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3), Overwegende hetgeen volgt: (1) De groep op hoog niveau betreffende het trans-Europese vervoersnet, onder voorzitterschap van de heer Karel Van Miert, betreurt de achterstand die de grensoverschrijdende gedeelten van prioritaire projecten van het trans-Europese vervoersnet (TEN) hebben opgelopen; deze vertraging is immers nadelig voor de rentabiliteit van de investeringen die de lidstaten doen op de binnenlandse gedeelten, doordat deze niet kunnen profiteren van het schaaleffect. De groep raadt aan het percentage van de financiële steun van de Gemeenschap af te stemmen op het nut voor andere landen, met name de buurlanden, en beklemtoont dat deze aanpassing in de eerste plaats ten goede moet komen aan de grensoverschrijdende projecten die door het langeafstandsvervoer worden gebruikt. Bovendien moet het communautaire financieringspercentage worden gedifferentieerd naar gelang de economische voordelen van het project verdergaan dan de financiële rentabiliteit ervan. (2) De groep op hoog niveau beveelt daartoe aan het percentage van de financiële steun van de Gemeenschap te verhogen, teneinde de totstandbrenging van grensoverschrijdende verbindingen van prioritaire projecten te stimuleren, en wijst er voorts op dat de gevolgen van een dergelijke ontwikkeling voor de begroting beperkt zouden zijn. Bij de uitvoering hiervan moet in gedachten worden gehouden dat de TEN-middelen voor essentiële projecten moeten worden gebruikt, terwijl tevens de noodzaak moet worden ingezien van verdere financiële steun aan niet-prioritaire projecten. (3) Er dient in de mogelijkheid te worden voorzien in de begroting kredieten per jaar vast te leggen op grond van een alomvattende juridische verbintenis die voor meerdere jaren geldt. (4) Een tijdelijke verhoging van het communautaire steunpercentage kan voor de actoren een stimulans vormen om de uitvoering van onder deze verordening vallende prioritaire projecten te bespoedigen en te verwerkelijken. (5) De totstandbrenging van publiek-private partnerschappen (PPP's) (of andere vormen van samenwerking tussen de overheid en de particuliere sector) vereist een vaste financiële toezegging van de institutionele investeerders die voldoende aantrekkelijk is om particulier kapitaal te mobiliseren. De toekenning van communautaire financiele steun op meerjarenbasis maakt het mogelijk de onzekerheden weg te nemen die een rem op de ontwikkeling van de projecten vormen. Er dienen bijgevolg maatregelen te worden genomen om aan de geselecteerde projecten financiële steun te verlenen op basis van een meerjarige verbintenis. (6) Grensoverschrijdende aansluitingen tussen energienetwerken zijn van belang om te zorgen voor de soepele werking van de interne markt, de continuïteit van de energievoorziening en het optimale gebruik van de energie-infrastructuur. Daarom dienen ook prioritaire projecten op het gebied van energienetwerken die noodzakelijk zijn in het belang van de Europese economie, maar zakelijk gezien niet rendabel zijn en die de concurrentie tussen ondernemingen niet verstoren, voor hogere financiële bijstand in aanmerking te komen. Deze bijstand geldt voor prioritaire projecten op het gebied van energienetwerken. (7) Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad(4) moet worden aangepast om rekening te houden met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5). (8) Verordening (EG) nr. 2236/95 dient derhalve te worden gewijzigd, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Verordening (EG) nr. 2236/95 wordt als volgt gewijzigd: 1. artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 3 wordt vervangen door:"3. Ongeacht de gekozen vorm van bijstand mag het totaalbedrag van de bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening niet meer dan 10 % van de totale investeringskosten belopen. Bij wijze van uitzondering mag het totaalbedrag van de bijstand van de Gemeenschap evenwel 20 % van de totale investeringskosten belopen, in de volgende gevallen: a) projecten die betrekking hebben op satellietnavigatie- en plaatsbepalingsystemen, als bedoeld in artikel 17 van Beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet(6); b) prioritaire projecten op het gebied van energienetwerken; c) mits de projecten vóór 2010 van start gaan, gedeelten van projecten van Europees belang, welke in bijlage III van Beschikking nr. 1692/96/EG zijn vermeld en tot doel hebben knelpunten op te heffen en/of ontbrekende verbindingen tot stand te brengen, indien met deze gedeelten grenzen of natuurlijke barrières worden overschreden en zij bijdragen tot de integratie van de interne markt in een uitgebreide Gemeenschap, de veiligheid verhogen, voor interoperabiliteit van de nationale netwerken zorgen en/of in sterke mate bijdragen tot vermindering van de onevenwichtigheden tussen de vervoerstakken, ten voordele van de meest milieuvriendelijke; dit percentage zal verschillen naar gelang van het nut voor andere landen en in het bijzonder voor naburige lidstaten."; b) het volgend lid wordt toegevoegd:"5. Voor de in lid 3 bedoelde projecten geldt, binnen de grenzen van deze verordening, een meerjarige juridische verbintenis, terwijl in de begroting de kredieten per jaar worden vastgelegd."; 2. aan artikel 13 wordt het volgende lid toegevoegd:"4. Indien binnen een termijn van maximaal tien jaar na de toekenning van financiële steun aan een project, dit project niet is voltooid, kan de Commissie - met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en rekening houdend met alle relevante factoren - om terugbetaling van de uitgekeerde steun verzoeken."; 3. artikel 17 wordt vervangen door: "Artikel 17 Comitéprocedure 1. De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze verordening. 2. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. De Europese Investeringsbank benoemt een vertegenwoordiger bij het comité die geen stemrecht heeft. 3. In de gevallen waarin naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld. 4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast."; 4. aan artikel 18 wordt het volgende lid toegevoegd:"De toewijzing van middelen is gekoppeld aan het kwalitatieve en kwantitatieve niveau van de uitvoering.". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Straatsburg, 21 april 2004. Voor het Europees Parlement De voorzitter P. Cox Voor de Raad De voorzitter D. Roche (1) PB C 75 E van 26.3.2002, blz. 316 en PB C 151 E van 25.6.2002, blz. 291. (2) PB C 125 van 27.5.2002, blz. 13. (3) Advies van het Europees Parlement van 2 juli 2003 (PB C 271 E van 12.11.2003, blz. 163), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 24 februari 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Standpunt van het Europees Parlement van 30 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). (4) PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1655/1999 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 197 van 29.7.1999, blz. 1). (5) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (6) PB L 228 van 9.9.1996, blz. 1. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking nr. 1346/2001/EG (PB L 185 van 6.7.2001, blz. 1). (7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.