EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003R1452

Verordening (EG) nr. 1452/2003 van de Commissie van 14 augustus 2003 tot handhaving van de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgestelde uitzonderingsbepaling ten aanzien van bepaalde soorten zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal en tot vaststelling van procedurebepalingen en criteria voor die uitzonderingsbepaling

OJ L 206, 15.8.2003, p. 17–21 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 007 P. 514 - 518
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 010 P. 42 - 46
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 010 P. 42 - 46

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2008; opgeheven door 32008R0889

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1452/oj

32003R1452

Verordening (EG) nr. 1452/2003 van de Commissie van 14 augustus 2003 tot handhaving van de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgestelde uitzonderingsbepaling ten aanzien van bepaalde soorten zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal en tot vaststelling van procedurebepalingen en criteria voor die uitzonderingsbepaling

Publicatieblad Nr. L 206 van 15/08/2003 blz. 0017 - 0021


Verordening (EG) nr. 1452/2003 van de Commissie

van 14 augustus 2003

tot handhaving van de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgestelde uitzonderingsbepaling ten aanzien van bepaalde soorten zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal en tot vaststelling van procedurebepalingen en criteria voor die uitzonderingsbepaling

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 599/2003 van de Commissie(2), en met name op artikel 6, lid 3, onder b), tweede en derde streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In artikel 6, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 is een uitzonderingsbepaling vastgesteld die de lidstaten machtigt om gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2003 afloopt, in de biologische landbouw het gebruik van zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal dat niet volgens de biologische productiemethode is geproduceerd, toe te staan, indien de telers geen dergelijk biologisch geproduceerd teeltmateriaal kunnen verkrijgen.

(2) Op grond van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 gelden ook nog andere communautaire bepalingen die betrekking hebben op zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal.

(3) Handhaving van de biodiversiteit is een belangrijk uitgangspunt van de biologische landbouw, en er moet derhalve voor worden gezorgd dat landbouwers over een ruime keuze aan cultivars en rassen beschikken, met inbegrip van plaatselijke cultivars en rassen.

(4) Het is duidelijk dat voor bepaalde soorten die in de Gemeenschap worden geteeld, na 31 december 2003 geen adequate hoeveelheden biologisch geproduceerd zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal beschikbaar zullen zijn.

(5) Derhalve moet de mogelijkheid worden gehandhaafd om, als geen biologisch geproduceerd zaaizaad of vegetatief teeltmateriaal verkrijgbaar is, zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal te gebruiken dat niet overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen is.

(6) Voor de soorten waarvoor in de toekomst adequate hoeveelheden biologisch geproduceerd zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal van een significant aantal rassen beschikbaar zullen zijn, mag geen zaaizaad of vegetatief teeltmateriaal worden gebruikt dat niet overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen is. Derhalve moet een lijst worden vastgesteld van de soorten waarvoor deze uitzonderingsbepaling niet van toepassing is.

(7) Voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling ten aanzien van ander vegetatief teeltmateriaal dan pootaardappelen zijn alleen de lidstaten bevoegd, totdat op communautair niveau passende criteria kunnen worden vastgesteld.

(8) Het is belangrijk dat de vraag naar en het aanbod van volgens de biologische productiemethode verkregen zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal transparanter worden teneinde de productie en het gebruik van dergelijk zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal te stimuleren.

(9) Iedere lidstaat moet er derhalve voor zorgen dat er voor de gebruikers een databank beschikbaar komt, waarin zaaizaad en pootaardappelen die biologisch worden geproduceerd en die aan de algemene criteria voor de productie van zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal voldoen, kunnen worden geregistreerd. Voor een vlottere toegang tot de informatie is het in dit verband dienstig een geharmoniseerd model van registratieformulier op te stellen dat de leverancier moet gebruiken voor de registratie van zaaizaad en pootaardappelen in de databank.

(10) Iedere lidstaat moet, ter informatie van de belanghebbenden, de lidstaten en de Commissie, een verslag bekendmaken over de door hem afgegeven vergunningen.

(11) De regeling moet na de eerste twee jaar van toepassing worden herzien, om uit te maken in hoeverre de landbouwers biologisch geproduceerd zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal hebben gebruikt. In dit verband moet de Commissie nagaan of het dienstig is een databank op communautair niveau op te zetten.

(12) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ALGEMEEN

Artikel 1

Handhaving van de uitzonderingsbepaling

1. De in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde uitzonderingsbepaling, op grond waarvan de lidstaten het gebruik van zaaizaad of vegetatief teeltmateriaal dat niet overeenkomstig de biologische productiemethode is verkregen, mogen toestaan, mits aan de in dat artikel vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, wordt na 31 december 2003 gehandhaafd ten aanzien van soorten die niet in de bijlage bij deze verordening worden genoemd.

In de artikelen 3 tot en met 14 worden procedurevoorschriften en criteria vastgesteld voor de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde uitzonderingsbepaling betreffende zaaizaad of pootaardappelen.

2. Soorten waarvoor volgens de procedure van artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 is vastgesteld dat er overal in de Gemeenschap voor een significant aantal rassen voldoende hoeveelheden biologisch geproduceerd zaaizaad of biologisch geproduceerde pootaardappelen beschikbaar zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Voor in de bijlage opgenomen soorten mag geen vergunning worden verleend op grond van de in lid 1 bedoelde uitzonderingsbepaling, tenzij dit om een van de in artikel 5, lid 1, onder d), genoemde redenen gerechtvaardigd is.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening:

a) gelden de definities van Verordening (EEG) nr. 2092/91;

b) geldt als "leverancier": een marktdeelnemer die zaaizaad of pootaardappelen aan andere marktdeelnemers verkoopt.

HOOFDSTUK II TOEPASSING VAN DE UITZONDERINGSBEPALING

Artikel 3

Gebruik van niet overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen zaaizaad of pootaardappelen

De lidstaten mogen volgens de procedure van artikel 5 het gebruik van niet overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen zaaizaad of pootaardappelen alleen toestaan op voorwaarde dat het zaaizaad of de pootaardappelen:

a) niet zijn behandeld met andere gewasbeschermingsmiddelen dan die welke krachtens deel B van bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 zijn toegelaten voor de behandeling van zaden, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG van de Raad(3) om fytosanitaire redenen een chemische behandeling heeft voorgeschreven voor alle rassen van een bepaalde soort in het gebied waar het zaaizaad of de pootaardappelen zullen worden gebruikt, en

b) zijn geproduceerd zonder gebruikmaking van genetisch gemodificeerde organismen en/of van dergelijke organismen afgeleide producten.

Artikel 4

Voor het verlenen van vergunningen bevoegde instanties of organisaties

De in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde controle-instanties of -organisaties zijn bevoegd voor het verlenen van de vergunningen, tenzij de lidstaat andere onder zijn toezicht staande instanties of organisaties aanwijst.

Artikel 5

Voorwaarden voor het verlenen van vergunningen

1. Vergunningen om niet volgens de biologische productiemethode verkregen zaaizaad en pootaardappelen te gebruiken, mogen alleen in de volgende gevallen worden verleend:

a) indien van de door de gebruiker gevraagde soort geen enkel ras is opgenomen in de in artikel 6 bedoelde databank;

b) indien geen enkele leverancier het materiaal vóór het zaaien of planten kan leveren, terwijl de gebruiker het zaaizaad of de pootaardappelen wel tijdig heeft besteld;

c) indien het door de gebruiker gevraagde ras niet in de databank is geregistreerd, en de gebruiker kan aantonen dat geen van de geregistreerde alternatieven van dezelfde soort geschikt is en dat de vergunning derhalve belangrijk is voor zijn productie;

d) indien het gerechtvaardigd is voor gebruik in onderzoek, voor tests in kleinschalige veldproeven of voor de instandhouding van het ras, waarmee de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft ingestemd.

2. De vergunning moet worden verleend voordat het gewas wordt ingezaaid.

3. Vergunningen worden telkens voor één seizoen en alleen aan individuele gebruikers verleend, en de instantie of organisatie die verantwoordelijk is voor de vergunningen registreert de aangevraagde hoeveelheden zaaizaad of pootaardappelen.

4. In afwijking van lid 3 mag de bevoegde autoriteit een algemene vergunning aan alle gebruikers verlenen voor

- een bepaalde soort, voorzover de in lid 1, onder a), vastgestelde voorwaarde vervuld is, of

- voor een bepaald ras voorzover de in lid 1, onder c), vastgestelde voorwaarden vervuld zijn.

Dergelijke vergunningen moeten duidelijk in de databank worden aangegeven.

5. Vergunningen mogen alleen worden verleend in de perioden waarin de databank overeenkomstig artikel 7, lid 3, regelmatig wordt bijgewerkt.

HOOFDSTUK III REGISTRATIEVOORSCHRIFTEN VOOR OVEREENKOMSTIG DE BIOLOGISCHE PRODUCTIEMETHODE VERKREGEN ZAAIZAAD OF POOTAARDAPPELEN

Artikel 6

Databank

1. In iedere lidstaat wordt een elektronische databank opgezet waarin de rassen worden opgenomen waarvoor op zijn grondgebied zaaizaad of pootaardappelen beschikbaar zijn die overeenkomstig de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2092/91 omschreven biologische productiemethode zijn verkregen.

2. De databank wordt beheerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat of door een hiertoe door de lidstaat aangewezen instantie of organisatie, hierna "de databankbeheerder" genoemd. De lidstaten mogen hiertoe ook een instantie of een particuliere organisatie in een ander land aanwijzen.

3. Iedere lidstaat deelt de Commissie en de andere lidstaten mee welke instantie of particuliere organisatie door hem is aangewezen voor het beheer van de databank.

Artikel 7

Registratie

1. Rassen waarvan biologisch geproduceerd zaaizaad of biologisch geproduceerde pootaardappelen beschikbaar zijn, worden op verzoek van de leverancier in de databank opgenomen.

2. Rassen die niet in de databank zijn opgenomen, worden voor de toepassing van artikel 5 als niet-beschikbaar beschouwd.

3. Iedere lidstaat bepaalt voor elke soort of groep van soorten die op zijn grondgebied wordt geteeld, in welke periode van het jaar de databank regelmatig moet worden bijgewerkt. Informatie hierover moet in de databank worden opgeslagen.

Artikel 8

Voorwaarden voor registratie

1. Om geregistreerd te worden moet de leverancier:

a) kunnen aantonen dat hij of, wanneer de leverancier uitsluitend in voorverpakt zaaizaad of voorverpakte pootaardappelen handelt, de vorige marktdeelnemer de in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde controles ondergaan heeft;

b) kunnen aantonen dat het in de handel te brengen zaaizaad of de in de handel te brengen pootaardappelen voldoen aan de algemene eisen die aan zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal worden gesteld;

c) alle op grond van artikel 9 vereiste informatie beschikbaar stellen en zich ertoe verbinden deze informatie bij te werken op verzoek van de databankbeheerder of zo vaak als nodig is om ervoor te zorgen dat de informatie betrouwbaar blijft.

2. De databankbeheerder kan, met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat, een door een leverancier ingediende aanvraag tot registratie weigeren of een reeds aanvaarde registratie schrappen indien de leverancier niet aan de in lid 1 vastgestelde eisen voldoet.

Artikel 9

Geregistreerde informatie

1. Voor elk geregistreerd ras en voor elke leverancier bevat de databank ten minste de volgende informatie:

a) de wetenschappelijke naam van de soort en de benaming van het ras;

b) de naam en andere contactgegevens van de leverancier of zijn vertegenwoordiger;

c) het gebied waar de leverancier het zaaizaad of de pootaardappelen aan de gebruiker kan leveren binnen de daarvoor gebruikelijke termijn;

d) het land of gebied waar het ras voor opname in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen/groentegewassen onderzocht en goedgekeurd is;

e) de datum met ingang waarvan het zaaizaad of de pootaardappelen beschikbaar zullen zijn;

f) de naam en/of het codenummer van de in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2092/91 bedoelde controle-instantie of -organisatie die belast is met de controle van de marktdeelnemer.

2. Wanneer een van de geregistreerde rassen niet langer beschikbaar is, deelt de leverancier dit onverwijld mee aan de databankbeheerder. De desbetreffende wijzigingen worden opgeslagen in de databank.

3. Naast de in lid 1 genoemde informatie, moet de databank een lijst van de in de bijlage opgenomen soorten bevatten.

Artikel 10

Toegang tot de informatie

1. De in de databank opgenomen informatie moet via het internet kosteloos beschikbaar zijn voor de gebruikers van zaaizaad of pootaardappelen en voor het publiek. De lidstaten mogen bepalen dat gebruikers die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 geregistreerd zijn, op hun verzoek van de databankbeheerder een uittreksel krijgen met de gegevens betreffende een of meer groepen van soorten.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat alle overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 geregistreerde gebruikers ten minste eenmaal per jaar worden geïnformeerd over het systeem en over de wijze waarop informatie uit de databank kan worden verkregen.

Artikel 11

Registratierecht

Voor elke registratie kan een recht worden geheven ter dekking van de kosten voor het invoeren en bijhouden van de informatie in de databank. De bevoegde autoriteit van de lidstaat moet de hoogte van het door de databankbeheerder geheven recht goedkeuren.

HOOFDSTUK IV VERSLAG EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Jaarlijks verslag

1. De instantie of organisatie die overeenkomstig artikel 4 is aangewezen voor het verlenen van vergunningen, registreert alle vergunningen en stelt deze informatie in de vorm van een verslag ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de lidstaat en van de databankbeheerder.

Dit verslag moet voor elke soort waarvoor op grond van artikel 5, lid 1, een vergunning is gegeven, de volgende informatie bevatten:

a) de wetenschappelijke naam van de soort en de benaming van het ras;

b) de rechtvaardiging voor de vergunning in de vorm van een verwijzing naar het bepaalde in artikel 5, lid 1, onder a), b), c) of d);

c) het totale aantal vergunningen;

d) de totale hoeveelheid zaaizaad of pootaardappelen waarvoor vergunningen zijn afgegeven;

e) de chemische behandeling om fytosanitaire redenen, als bedoeld in artikel 3, onder a).

2. Voor op grond van artikel 5, lid 4, verleende vergunningen moeten in het verslag de in lid 1, onder a), genoemde gegevens en de duur van de vergunning worden vermeld.

Artikel 13

Samenvattend verslag

De bevoegde autoriteit van de lidstaat moet vóór 31 maart van elk jaar de verslagen verzamelen en een samenvattend verslag over alle door de lidstaat in het vorige kalenderjaar verleende vergunningen aan de Commissie en de andere lidstaten zenden. In dit verslag wordt een overzicht gegeven van de in artikel 12 bedoelde informatie. Deze informatie wordt via de databank bekendgemaakt. De bevoegde autoriteit mag het verzamelen van de verslagen delegeren aan de databankbeheerder.

Artikel 14

Informatie op aanvraag

Indien een lidstaat of de Commissie daarom verzoekt, wordt aan andere lidstaten of aan de Commissie gedetailleerde informatie over in individuele gevallen verleende vergunningen verstrekt.

Artikel 15

Herziening

Vóór 31 juli 2006 onderzoekt de Commissie de beschikbaarheid en het gebruik van overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen zaaizaad of vegetatief teeltmateriaal, alsook de daadwerkelijke uitvoering van deze verordening, en brengt zij eventueel de nodige wijzigingen aan.

Artikel 16

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 augustus 2003.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1.

(2) PB L 85 van 2.4.2003, blz. 15.

(3) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

BIJLAGE

De Commissie onderzoekt momenteel dit onderwerp met de lidstaten teneinde een lijst vast te stellen van de soorten die moeten worden opgenomen in de bijlage, in overeenstemming met het advies van het comité overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2092/91.

Top