Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999R2342

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen

PB L 281 van 4.11.1999, pp. 30–52 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2004; opgeheven door 32004R1973

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/2342/oj

31999R2342

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen

Publicatieblad Nr. L 281 van 04/11/1999 blz. 0030 - 0052


VERORDENING (EG) Nr. 2342/1999 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 1999

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(1), en met name op artikel 4, lid 8, artikel 5, lid 5, artikel 6, lid 7, artikel 7, lid 5, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 4, artikel 10, lid 3, artikel 11, lid 5, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 5, artikel 20, artikel 23, lid 3, en artikel 50,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Verordening (EG) nr. 1254/1999 is een nieuwe premieregeling ingesteld ter vervanging van die welke bij Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad(2) was ingesteld. Om met deze nieuwe regeling rekening te houden, is het noodzakelijk dat Verordening (EEG) nr. 3886/92 van de Commissie van 23 december 1992 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de premieregelingen waarin is voorzien bij Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 1244/82 en (EEG) nr. 714/89(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1410/1999(4), wordt gewijzigd en bij gelegenheid van deze wijziging dient duidelijkheidshalve te worden overgegaan tot een algehele omwerking van Verordening (EEG) nr. 3886/92.

(2) De in de artikelen 3 tot en met 25 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde premie- en betalingsregelingen moeten worden gebracht binnen de werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen(5), hierna "geïntegreerd systeem" genoemd, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1036/1999 van de Raad van 17 mei 1999(6). De bepalingen van de onderhavige verordening dienen derhalve beperkt te blijven tot die aangelegenheden waarvoor in het kader van dit geïntegreerd systeem op horizontale wijze nog niet een oplossing is bepaald.

(3) Zowel uit het met het regionale maximum beoogde doel als uit het met het veebezettingsgetal beoogde doel vloeit voort dat voor de als gevolg van deze twee maatregelen niet in aanmerking genomen dieren geen aanvraag om een speciale premie voor dezelfde leeftijdstranche meer kan worden ingediend. Wat de seizoencorrectiepremie betreft, moet de speciale premie worden geacht wel voor deze dieren te zijn toegekend.

(4) In artikel 4, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is bepaald dat elk mannelijk rund, totdat het wordt geslacht of uitgevoerd, moet zijn gedekt door een paspoort in de zin van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten(7) of door een gelijkwaardig administratief document. Bepaald dient te worden dat dit administratieve document op nationaal niveau wordt geconcipieerd en vastgesteld. Gezien de specifieke omstandigheden op het gebied van beheer en controle in de lidstaten, dienen verschillende vormen van administratieve documenten te worden toegestaan.

(5) Artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 stelt de toekenning van de speciale premie afhankelijk van de inachtneming van een aanhoudperiode. Bijgevolg moet die periode nader worden omschreven en moet de duur ervan worden vastgesteld.

(6) Samenhang tussen de toekenningsregeling voor de bij het slachten verleende speciale premie en die voor de slachtpremie is wenselijk. Gepreciseerd dient te worden welke soorten documenten het dier moeten volgen totdat wordt geslacht, verzonden of uitgevoerd. Met het oog op de specifieke omstandigheden in geval van verlening bij het slachten, moet worden aangegeven welke leeftijdsvoorwaarden voor ossen gelden en van welke aanbiedingsvorm van geslachte volwassen runderen wordt uitgegaan.

(7) De voorwaarden voor toekenning van de seizoencorrectiepremie moeten worden aangegeven en deze moeten de nodige samenhang vertonen met de wijze van toekenning van de slachtpremie. Bij besluit van de Commissie dient op grond van de beschikbare gegevens te worden bepaald welke lidstaten aan de voorwaarden voor toepassing van deze premieregeling voldoen.

(8) Het begrip "zoogkoe" dient overeenkomstig artikel 6, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 nader te worden gepreciseerd. Het verdient aanbeveling daartoe van dezelfde rassen uit te gaan als bij de vorige regeling. Voorts kunnen de beheersvoorschriften van de vorige regeling grotendeels verder worden toegepast, vooral wat de gemiddelde melkopbrengst en de aanvullende nationale premie betreft.

(9) Ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de regeling inzake individuele maxima dienen de regels te worden vastgesteld die gelden voor de bepaling van die maxima en voor de mededeling ervan aan de producenten. Ter vergroting van het regulerende effect op de markt van die regeling dient te worden bepaald dat premierechten die de eigenaar ervan gedurende een bepaalde periode niet heeft gebruikt, aan de nationale reserve worden toegevoegd. Ook dienen passende maatregelen te worden genomen om te garanderen dat de rechten die niet uit de nationale reserve worden toegekend, door de begunstigden strikt voor de beoogde doeleinden worden gebruikt.

(10) Het is wenselijk te bevorderen dat de premierechten worden verhandeld en op naam komen van de producenten die deze doen gelden. Daartoe dient te worden bepaald welk percentage van de premierechten minimaal moet worden gebruikt. Het is belangrijk dat dit percentage hoog genoeg is om onderbenutting van de beschikbare rechten in sommige lidstaten te voorkomen, welke situatie problemen kan opleveren voor de producenten met voorrang die om toekenning van rechten via de nationale reserve verzoeken. Daarom dient de lidstaten te worden toegestaan het percentage van de rechten dat minimaal moet worden gebruikt, te verhogen, maar niet tot meer dan 90 %.

(11) Bij de artikelen 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen(8) zijn extensiveringsprogramma's ingevoerd. Bepaald dient te worden dat het gebruik van de aldus vrijgekomen rechten op de zoogkoeienpremie tijdens de gehele duur van de deelneming aan die programma's wordt geschorst. Bij wijze van uitzondering dient echter te worden toegestaan dat de vrijgekomen rechten worden gebruikt om te voldoen aan behoeften aan premierechten in het kader van andere acties op het gebied van de milieumaatregelen in de landbouw. Eén der doelstellingen van de regeling inzake vervroegde uittreding die bij artikel 10 van de genoemde verordening is ingesteld, bestaat erin te bevorderen dat oudere bedrijfshoofden door landbouwers worden vervangen die de economische levensvatbaarheid van de resterende bedrijven kunnen verbeteren. Te vrezen valt dat sommige landbouwers niet aan de programma's inzake vervroegde uittreding zullen deelnemen wanneer dit ertoe kan leiden dat zij op den duur hun rechten op de zoogkoeienpremie verliezen. Bijgevolg moeten de lidstaten kunnen besluiten de totale duur van de tijdelijke overdracht te verlengen in het licht van deze programma's.

(12) Met het oog op een eenvormige tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake de definitieve en de tijdelijke overdracht van rechten moeten bepaalde administratieve voorschriften worden vastgesteld. Om te voorkomen dat de hoeveelheid administratief werk toeneemt, moet de lidstaat kunnen bepalen dat de definitieve of tijdelijke overdracht van rechten ten minste een bepaald aantal rechten dient te betreffen. Deze administratieve voorschriften moeten ook voorkomen dat niet wordt voldaan aan de bij artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde verplichting bij elke definitieve overdracht van rechten zonder bedrijfsoverdracht een deel van de overgedragen rechten aan de nationale reserve af te staan. Voorts moet de duur van tijdelijke overdrachten worden beperkt om te voorkomen dat de voorschriften inzake definitieve overdrachten worden omzeild.

(13) De administratieve termijnen voor overdrachten van rechten dienen met enige flexibiliteit te worden gehanteerd voor producenten die kunnen bewijzen dat zij rechten van een overleden producent hebben geërfd.

(14) Het bijzondere geval van een producent die uitsluitend overheids- of collectieve gronden exploiteert en die al zijn rechten definitief aan een andere producent overdraagt en daarbij zijn productie staakt, dient met een bedrijfsoverdracht te worden gelijkgesteld.

(15) Voor de toepassing van een administratief overdrachtssysteem waarbij alle definitieve overdrachten van rechten zonder bedrijfsoverdracht en de tijdelijke overdrachten uitsluitend via de nationale reserve lopen, moet een bepaald rechtskader worden geschapen dat tot doel heeft het economische verband te behouden met het systeem waarbij rechten rechtstreeks tussen producenten worden overgedragen. Met name dienen objectieve criteria te worden vastgesteld ter bepaling van het bedrag dat de nationale reserve moet betalen aan de producent die rechten heeft overgedragen, en van het bedrag dat de producent moet betalen, die uit de nationale reserve overeenkomstige rechten ontvangt.

(16) Bij artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is, voor de lidstaten die aan de aldaar vastgestelde voorwaarden voldoen, een facultatieve specifieke regeling ingesteld voor het beheer van de toekenning van de zoogkoeienpremie voor vaarzen. De besluitvormingsprocedure volgens welke op grond van de beschikbare gegevens kan worden bepaald welke lidstaten aan de voorwaarden voor toepassing van deze specifieke regeling voldoen, dient te worden vastgesteld. Er dienen specifieke regels voor de toekenning van de premie te worden vastgesteld. In overeenstemming met het algemene doel dat met de zoogkoeienpremie wordt nagestreefd, moet de premie worden betaald aan veehouders van wie het vaarzenbestand bestemd is voor de vernieuwing van koeienbestanden en niet voor de productie van slachtvaarzen. Hiertoe dient te lidstaat criteria vast te stellen, die met name een leeftijdsgrens of voorwaarden met betrekking tot het ras kunnen behelzen.

(17) De wijze van berekening van het veebezettingsgetal moet worden vastgesteld. Om de praktische toepassing van dit veebezettingsgetal te vereenvoudigen moet voor de in aanmerkingneming van de referentiehoeveelheid melk een vaste datum worden bepaald.

(18) Het extensiveringsbedrag wordt betaald op voorwaarde dat, naar keuze van de lidstaat, één enkel maximaal veebezettingsgetal dan wel twee maximale veebezettingsgetallen niet wordt of worden overschreden. Bij de berekening van het veebezettingsgetal in het kader van de regeling inzake het extensiveringsbedrag moeten met name alle runderen van ten minste zes maanden die op het bedrijf aanwezig zijn, worden meegerekend. Hiertoe zijn specifieke regels nodig aangaande de wijze waarop de dieren worden geteld en de wijze waarop de producent aangeeft dat hij aan de regeling deelneemt. Het beheer van deze regeling kan sterk worden vergemakkelijkt door gebruik van het gecomputeriseerde gegevensbestand als bedoeld in Verordening (EG) nr. 820/97. Derhalve dient te worden bepaald dat dit gegevensbestand kan worden gebruikt voorzover de lidstaat van oordeel is dat zijn gegevensbestand voldoende garanties biedt wat de juistheid van de gegevens voor de toepassing van het extensiveringsbedrag betreft.

(19) Er bestaat gevaar dat producenten aan de voor de toekenning van het extensiveringsbedrag vereiste gemiddelde niveaus van de veebezetting kunstmatig zullen voldoen met name door de veebezetting gedurende een deel van het jaar op abnormaal lage niveaus te brengen. Zeer in het bijzonder dient ervoor te worden gewaakt dat het extensiveringsbedrag aan dergelijke producenten wordt toegekend. Daartoe is het nuttig duidelijkheidshalve te preciseren dat deze situatie valt onder artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(9) en dat de lidstaten bijgevolg de nodige maatregelen moeten nemen om dat artikel in het kader van de regeling inzake het extensiveringsbedrag toe te passen.

(20) Met het oog op vereenvoudiging ten aanzien van de meest extensieve veehouderijbedrijven verdient het aanbeveling in een facultatieve vereenvoudigde regeling voor de toekenning van het extensiveringsbedrag te voorzien.

(21) Bij artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is, voor de lidstaten die aan de aldaar vastgestelde voorwaarden voldoen, een specifieke regeling voor de toekenning van het extensiveringsbedrag voor melkkoeien ingesteld. Bij besluit van de Commissie dient op grond van de beschikbare gegevens te worden bepaald welke lidstaten aan de voorwaarden voor toepassing van deze specifieke regeling voldoen. Er dienen specifieke regels voor de toekenning van dit extensiveringsbedrag te worden vastgesteld. Met het oog op samenhang met de algemene regeling inzake het extensiveringsbedrag en een nauwkeurige bepaling van het aantal in aanmerking komende melkkoeien is het noodzakelijk met name een minimumperiode vast te stellen gedurende welke de melkkoeien moeten worden aangehouden.

(22) De toepassing van sommige bepalingen van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden(10) zou tot een kunstmatige verlenging leiden met één of meer dagen van de in maanden uitgedrukte aanhoudperiode. Daarom moeten te dien aanzien specifieke bepalingen worden vastgesteld.

(23) Normaal moet de slachtpremie worden aangevraagd. Ter vereenvoudiging van het beheer moet dit voor in dezelfde of een andere lidstaat geslachte of uitgevoerde dieren gebeuren door middel van de steunaanvraag "dieren" van het geïntegreerd systeem, die alle voor de betaling van deze premie benodigde gegevens moet bevatten.

(24) Op grond van Verordening (EG) nr. 820/97 moeten de lidstaten vanaf 31 december 1999 over een volledig operationeel gecomputeriseerd gegevensbestand beschikken. Van het bestaan van een dergelijk gegevensbestand moet onder meer ook kunnen worden geprofiteerd om het beheer van de slachtpremie te vergemakkelijken, voorzover de lidstaat van oordeel is dat zijn gegevensbestand voldoende waarborgen biedt wat de juistheid van de voor de betaling van de premies benodigde gegevens betreft.

(25) Kalveren komen slechts voor de slachtpremie in aanmerking indien zij een bepaald maximumgewicht niet overschrijden. Bijgevolg moet worden bepaald op welke aanbiedingsvorm van de geslachte dieren dit maximumgewicht betrekking heeft.

(26) Bij artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is de toekenning van de slachtpremie afhankelijk gesteld van de inachtneming van een aanhoudperiode. Bijgevolg is het noodzakelijk deze periode nader te omschrijven en de duur ervan te bepalen.

(27) Wat de extra betalingen betreft, moeten de Commissie uitvoerige gegevens worden verstrekt over de nationale voorschriften en de uitvoering daarvan.

(28) Om het mogelijk te maken dat de veehouders de premies zo spoedig mogelijk ontvangen, dient in de toekenning van voorschotten te worden voorzien. Voorkomen moet echter worden dat het voorschot als gevolg van de toepassing van de nationale of regionale maxima hoger uitvalt dan de definitieve premie. Daarom dient voor de lidstaat de mogelijkheid te worden geopend om voor de premieregelingen waarvoor die maxima gelden, het voor te schieten percentage te verlagen.

(29) Verordening (EG) nr. 1254/1999 voorziet in sancties op het in strijd met de veterinaire wetgeving gebruiken of voorhanden hebben van stoffen of producten. De bepaling van de duur van die sancties in geval van recidive dient te worden overgelaten aan de lidstaten, die de werkelijke ernst van de overtreding beter kunnen beoordelen.

(30) Bij de regelingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie geldt het kalenderjaar als referentieperiode. Aangegeven moet worden welke datum bepalend is voor de toerekening aan een bepaald jaar van de elementen waarmee bij de toepassing van die regelingen rekening moet worden gehouden. Ter wille van een doeltreffend en samenhangend beheer dient dat in de regel de datum te zijn waarop de aanvraag wordt ingediend. Voor de speciale premie die bij het slachten wordt toegekend, dient evenwel een specifieke regeling te worden getroffen om overdracht naar het volgende jaar ter verkrijging van een hogere premie te voorkomen. Bij de slachtpremie is de datum waarop het dier wordt geslacht of uitgevoerd, representatiever voor de werkelijkheid.

(31) Voor de steun, premies en bedragen als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2799/98 van de Raad van 15 december 1998 tot vaststelling van het agromonetaire stelsel voor de euro(11) is de wisselkoers op de datum van het ontstaansfeit gedefinieerd als de koers van één enkele dag. Het is wenselijk de op de datum van het ontstaansfeit geldende koers aldus vast te stellen, dat in beginsel wordt gegarandeerd dat deze in nationale valuta omgerekende steun, premies en bedragen niet een door de wisselkoers van één enkele dag veroorzaakte plotselinge verandering ondergaan. Het gebruik van een pro rata temporis berekend gemiddelde van de wisselkoersen die gelden in de aan het jaar van toerekening voorafgaande maand, lijkt hiervoor de geschikte oplossing.

(32) Ten behoeve van de voortgangsbewaking van de maatregelen die in het kader van de hervorming van de premieregelingen in de sector rundvlees zijn genomen, moet de Commissie volledig worden ingelicht over de uitvoeringsregelingen van de lidstaten en over de kwantitatieve resultaten van de toepassing dier regelingen. Daarom moeten de lidstaten ertoe worden verplicht bepaalde gegevens mee te delen. Er dient een geharmoniseerde wijze van opstelling van die gegevens te worden voorgeschreven om de indiening en de analyse ervan te vergemakkelijken.

(33) Om de overgang naar de nieuwe regeling te vergemakkelijken zijn overgangsbepalingen nodig met betrekking tot de aan de Commissie mee te delen gegevens en de verplichtingen op het gebied van de merking en identificatie van de dieren.

(34) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze verordening bevat de uitvoeringsbepalingen inzake de in de artikelen 3 tot en met 25 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde premie- en betalingsregelingen.

HOOFDSTUK I

SPECIALE PREMIE

(Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1254/1999)

Afdeling 1

Algemene regeling

Artikel 2

Aanvraag

1. Naast de eisen in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem zoals neergelegd in Verordening (EEG) nr. 3508/92, hierna "geïntegreerd systeem" genoemd, moet iedere steunaanvraag "dieren" als bedoeld in artikel 6, lid 8, van genoemde verordening, hierna "aanvraag" genoemd, de volgende gegevens bevatten:

a) de onderverdeling van het aantal dieren naar leeftijdstranche,

b) de referenties van de paspoorten of de administratieve documenten die de betrokken dieren vergezellen.

2. Aanvragen kunnen alleen worden ingediend voor dieren die op de aanvangsdatum van de aanhoudperiode:

a) wanneer het om stieren gaat, ten minste zeven maanden oud zijn,

of,

b) wanneer het om ossen van de eerste leeftijdstranche gaat, ten minste zeven maanden en ten hoogste negentien maanden oud zijn, of, wanneer het om ossen van de tweede leeftijdstranche gaat, ten minste twintig maanden oud zijn.

Artikel 3

Toekenning van de premie

Voor dieren die niet voor de premie in aanmerking zijn genomen doordat de in artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde evenredige vermindering is toegepast of doordat het in artikel 12 van die verordening vastgestelde veebezettingsgetal is toegepast, kan voor dezelfde leeftijdstranche geen aanvraag meer worden ingediend, en wordt ervan uitgegaan dat voor deze dieren de premie is toegekend.

Artikel 4

Paspoorten en administratieve documenten

1. Wanneer, in de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 820/97 bedoelde gevallen, het paspoort niet voorhanden is, wordt het vervangen door een nationaal administratief document zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat zien erop toe dat aan de hand van dit paspoort of het administratief document kan worden gewaarborgd dat slechts één premie per dier en per leeftijdstranche wordt toegekend.

Daartoe verlenen de lidstaten elkaar de nodige bijstand.

3. De lidstaten kunnen voorschrijven dat het nationale administratieve document:

a) een document moet zijn dat elk individueel dier moet vergezellen, of

b) een door de producent bijgehouden algemene lijst met alle voor het administratieve document voorgeschreven gegevens, op voorwaarde dat de betrokken dieren vanaf het moment waarop de eerste aanvraag wordt ingediend totdat zij als slachtdier op de markt worden gebracht bij dezelfde producent blijven, of

c) een algemene lijst die wordt bijgehouden door de centrale overheid en die alle voor het administratieve document voorgeschreven gegevens bevat, op voorwaarde dat de lidstaat of het gebied van de lidstaat waar van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt alle dieren waarvoor een aanvraag is ingediend ter plaatse controleert, de verplaatsing van deze dieren controleert, en alle gecontroleerde dieren van een niet te ontkennen merkteken voorziet, hetgeen de producenten verplicht zijn te dulden, of

d) een algemene lijst die wordt bijgehouden door de centrale overheid en die alle voor het administratieve document voorgeschreven gegevens bevat, op voorwaarde dat de lidstaat de nodige maatregelen neemt om te voorkomen dat de premie tweemaal voor dezelfde leeftijdstranche wordt toegekend, en dat hij ervoor zorgt dat voor elk dier desgevraagd onmiddellijk inlichtingen over de status van de premie wordt verstrekt.

De lidstaten die besluiten van één of een aantal van deze mogelijkheden gebruik te maken, moeten de Commissie daarvan te zijner tijd in kennis stellen en haar de desbetreffende uitvoeringsbepalingen meedelen.

Voor de toepassing van het bepaalde onder c) worden alleen Groot-Brittannië en Noord-Ierland als "gebied van een lidstaat" beschouwd.

Artikel 5

Aanhoudperiode

De duur van de aanhoudperiode bedraagt twee maanden vanaf de dag volgende op die van de indiening van de aanvraag.

De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat de producent deze periode op een ander tijdstip kan laten aanvangen, mits dit tijdstip niet later ligt dan twee maanden na de datum van indiening van de aanvraag.

Artikel 6

Regionaal maximum

1. Wanneer de toepassing van de evenredige vermindering een aantal premies oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het premiebedrag per eenheid toegekend. Hierbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

2. Wanneer de lidstaten besluiten hun grondgebied in regio's in de zin van artikel 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 in te delen of in de bestaande regio's binnen hun grondgebied wijzigingen aan te brengen, stellen zij de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar van dit besluit in kennis, met vermelding van de afbakening van de regio en het toegekende maximum. Latere wijzigingen moeten de Commissie telkens vóór 1 januari van het betrokken jaar ter kennis worden gebracht.

Artikel 7

Begrenzing van het aantal dieren per bedrijf

1. Wanneer een lidstaat het maximumaantal van 90 dieren per bedrijf en per leeftijdstranche wijzigt of niet toepast, stelt hij de Commissie hiervan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

Wanneer een lidstaat bovendien een minimumaantal dieren per bedrijf vaststelt beneden hetwelk de evenredige vermindering niet wordt toegepast, stelt hij de Commissie hiervan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

2. Latere wijzigingen in de toepassing van lid 1 moeten de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar ter kennis worden gebracht.

Afdeling 2

Toekenning van de premie bij het slachten

Artikel 8

Wijze van toekenning

1. De lidstaten kunnen de speciale premie bij het slachten toekennen voor de enige leeftijdstranche wanneer het gaat om stieren, en voor de eerste of de tweede leeftijdstranche, of voor de twee leeftijdstranches tezamen, wanneer het gaat om ossen.

2. De lidstaten die besloten hebben het in lid 1 bedoelde systeem toe te passen, schrijven voor dat de premie ook wordt toegekend bij verzending van voor de premie in aanmerking komende dieren naar een andere lidstaat of bij uitvoer van deze dieren naar een derde land.

3. Bij toepassing van het in de leden 1 en 2 bedoelde systeem is de toekenning van de premie afhankelijk van de naleving van het bepaalde in deze afdeling en de mutatis mutandis geldende bepalingen van artikel 34 en artikel 35, leden 1 en 2.

4. De premieaanvraag dient niet alleen de in artikel 35, lid 1, bedoelde gegevens te bevatten, maar dient ook aan te geven of het om een stier dan wel een os gaat en vergezeld te gaan van een document waarin de voor de toepassing van artikel 4, lid 2, noodzakelijke gegevens zijn vermeld. Dit document is naar keuze van de lidstaat:

a) het paspoort of een exemplaar van het paspoort ingeval het gebruikte model verscheidene exemplaren omvat;

of

b) een kopie van het paspoort, ingeval het gebruikte paspoortmodel uit slechts één enkel exemplaar bestaat dat voor de toepassing van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 820/97 aan de bevoegde autoriteit moet worden teruggegeven; in dit geval neemt de lidstaat de maatregelen die nodig zijn om zich ervan te kunnen vergewissen dat de in de kopie vermelde gegevens in overeenstemming zijn met het origineel;

of

c) het nationale administratieve document, ingeval, in de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 820/97 bedoelde gevallen, het paspoort niet voorhanden is.

De lidstaten kunnen de toepassing van het nationale administratieve document evenwel schorsen. In dit geval nemen zij de maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de premie tweemaal wordt betaald voor dezelfde leeftijdstranche voor dieren waarvoor een intracommunautaire handelstransactie heeft plaatsgevonden.

Wanneer de lidstaat beschikt over een gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, en wanneer dit gegevensbestand, naar het oordeel van de lidstaat, de gegevens bevat die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat per dier en per leeftijdstranche slechts één premie wordt toegekend, behoeft de premieaanvraag niet van het in de eerste alinea bedoelde document vergezeld te gaan.

In afwijking van de eerste alinea neemt de lidstaat, ingeval hij gebruik maakt van de in artikel 35, lid 2, eerste alinea, bedoelde mogelijkheid om de indiening van de premieaanvraag achterwege te laten, de maatregelen die nodig zijn opdat de producent kan bepalen voor welke dieren hij de speciale premie aanvraagt.

5. Voor stieren moet in het bewijs van slachting het geslacht gewicht worden aangegeven.

6. In geval van verzending wordt het bewijs van verzending geleverd aan de hand van een verklaring van de verzender waarin met name de lidstaat van bestemming van het dier is aangegeven.

In dit geval moet de premieaanvraag de volgende gegevens bevatten:

a) naam en adres van de verzender (of een gelijkwaardige code),

b) de identificatienummers van de dieren,

c) een verklaring dat het dier ten minste negen maanden oud is.

De premieaanvraag moet vóór het verlaten van het grondgebied van de betrokken lidstaat worden ingediend en het bewijs van verzending moet uiterlijk drie maanden na het verlaten van het grondgebied van de betrokken lidstaat worden ingediend.

Artikel 9

Bijzonderheden van het toekenningssysteem

1. In afwijking van artikel 5 wordt de premie aan de producent betaald die het dier heeft aangehouden gedurende een periode van ten minste twee maanden die minder dan één maand vóór de slacht, de verzending of de uitvoer eindigt.

Wanneer het om ossen gaat, gelden voor de premiebetaling de volgende regels:

a) de premie voor de eerste tranche mag slechts worden betaald indien de producent het dier gedurende ten minste twee maanden heeft aangehouden en het dier in die periode ten minste zeven maanden en minder dan 22 maanden oud was;

b) de premie voor de tweede tranche mag slechts worden betaald indien de producent het dier dat ten minste 20 maanden oud was gedurende ten minste twee maanden heeft aangehouden;

c) de premie voor de twee tranches mag slechts tezamen worden betaald indien de producent het dier ten minste gedurende vier opeenvolgende maanden heeft aangehouden, met inachtneming van de in het eerste en het tweede streepje bedoelde leeftijdsvoorwaarden;

d) de premie voor de tweede tranche mag enkel worden betaald indien het dier uit een andere lidstaat is verzonden toen het al ten minste 19 maanden oud was.

2. Bij de berekening van het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde veebezettingsgetal moet elk dier waarvoor een gegroepeerde premieaanvraag voor de twee leeftijdstranches is ingediend, tweemaal worden meegerekend.

3. Het geslacht gewicht wordt bepaald op basis van een heel geslacht dier dat voldoet aan de in artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 1208/81 van de Raad(12) vastgestelde eisen.

Voor hele geslachte dieren met een daarvan afwijkende aanbiedingsvorm worden de in de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 563/82 van de Commissie(13) vermelde correctiecoëfficiënten toegepast.

Wanneer de dieren worden geslacht in een slachthuis dat niet verplicht is het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen toe te passen, kan de lidstaat toestaan dat het gewicht wordt bepaald op basis van het levend gewicht van het geslachte dier. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat het geslacht gewicht ten minste 185 kilogram bedraagt als het levend gewicht van het dier ten minste 340 kilogram bedroeg.

Artikel 10

Mededeling

De lidstaten stellen de Commissie vóór het begin van het betrokken kalenderjaar in kennis van hun besluit het in deze afdeling vervatte toekenningssysteem en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen toe te passen.

HOOFDSTUK II

SEIZOENCORRECTIEPREMIE

(Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1254/1999)

Artikel 11

Toepassing van de premie

De Commissie bepaalt uiterlijk op 1 augustus van elk kalenderjaar in welke lidstaten voor het volgende kalenderjaar de seizoencorrectiepremie kan worden toegekend.

De lidstaten stellen de Commissie vóór 1 januari van het kalenderjaar waarin de premie wordt toegekend in kennis van hun besluit artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 toe te passen.

Artikel 12

Recht op de premie

1. De premie mag uitsluitend worden toegekend voor stieren waarvoor de speciale premie reeds is toegekend - of waarvoor deze premie op grond van artikel 3 wordt geacht te zijn toegekend - in een lidstaat die de seizoencorrectiepremie toepast, en die in een lidstaat die de seizoencorrectiepremie toepast worden geslacht.

2. Voor de premie komt alleen de producent in aanmerking die het dier voordat het werd geslacht, het laatst heeft gehouden.

Artikel 13

Aanvraag

1. De producent dient zijn aanvraag in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan zijn bedrijf is gevestigd.

2. De aanvraag moet voldoen aan de mutatis mutandis geldende bepalingen van artikel 8, lid 4, en artikel 35.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om na te gaan of de speciale premie is toegekend en verrichten regelmatig en onverwachts controles om na te gaan of de in artikel 35 bedoelde verklaringen juist zijn.

HOOFDSTUK III

ZOOGKOEIENPREMIE

(Artikelen 6 tot en met 10 van Verordening (EG) nr. 1254/1999)

Afdeling 1

Algemene regeling

Artikel 14

Koeien van vleesrassen

Koeien van de in bijlage I bij deze verordening vermelde runderrassen worden niet beschouwd als koeien van vleesrassen zoals bedoeld in artikel 3, onder f), en artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

Artikel 15

Maximale individuele referentiehoeveelheid

1. Wanneer een lidstaat het maximum van 120000 kg voor de individuele referentiehoeveelheid als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wijzigt of niet toepast, stelt hij de Commissie hiervan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

2. Latere wijzigingen inzake de toepassing van lid 1 moeten de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar ter kennis worden gebracht.

Artikel 16

Periode gedurende welke de dieren moeten worden aangehouden

De in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde aanhoudperiode van zes maanden gaat in op de dag volgende op die van de indiening van de aanvraag.

Artikel 17

Aanvraag

1. Naast de eisen in het kader van het geïntegreerd systeem moet, wanneer de premie op grond van artikel 6, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, de steunaanvraag "dieren" of, naar keuze van de lidstaat, de in artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunaanvraag "oppervlakten", beide hierna "aanvraag" genoemd, het volgende bevatten:

a) een verklaring waarin de individuele referentiehoeveelheid voor melk is aangegeven die aan de producent is toegekend op 31 maart voorafgaand aan het begin van de twaalfmaandelijkse toepassingsperiode van de extra heffingsregeling die in het betrokken kalenderjaar ingaat; ingeval deze referentiehoeveelheid op de datum van indiening van de aanvraag niet bekend is, moet zij de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk worden meegedeeld; en

b) de verbintenis van de producent zijn individuele referentiehoeveelheid in de periode van twaalf maanden die bij de indiening van de aanvraag ingaat, niet tot boven de in artikel 6, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde kwantitatieve beperking op te voeren.

Punt b) is evenwel niet van toepassing indien de lidstaat bovengenoemde kwantitatieve beperking heeft afgeschaft.

2. De aanvragen moeten worden ingediend binnen een door de lidstaat vast te stellen totale periode van zes maanden binnen een kalenderjaar.

Binnen deze totale periode kan de lidstaat verschillende perioden voor de indiening van aanvragen vaststellen.

Artikel 18

Gemiddelde melkopbrengst

De gemiddelde melkopbrengst wordt berekend op grond van de in bijlage II bij deze verordening vermelde gemiddelde melkopbrengsten. De lidstaat kan voor deze berekening evenwel een door deze lidstaat erkend document gebruiken waarin de gemiddelde melkopbrengst van het melkveebeslag van de producent wordt gecertificeerd.

Artikel 19

Aanvullende nationale premie

1. Een aanvullende nationale premie mag uitsluitend worden toegekend aan producenten die, voor hetzelfde kalenderjaar, de zoogkoeienpremie ontvangen.

Zij wordt binnen de grenzen van het aantal voor deze premie in aanmerking genomen dieren, toegekend, in voorkomend geval na toepassing van de in artikel 10, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde evenredige verlaging.

2. De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden voor de toekenning van de aanvullende premie vaststellen. Zij delen de Commissie deze voorwaarden lang genoeg voordat zij worden toegepast, mee.

3. De Commissie besluit uiterlijk op 1 augustus van elk kalenderjaar welke lidstaten aan de in artikel 6, lid 5, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde voorwaarden voldoen.

Afdeling 2

Maxima, reserves, overdrachten

Artikel 20

Individueel maximum

1. De lidstaten stellen voor iedere producent een individueel maximum vast overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, leden 1, 2, en 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

2. Iedere producent wordt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk één week vóór de aanvang van de periode waarin de premieaanvragen voor het jaar 2000 worden ingediend, van zijn individuele maximum in kennis gesteld.

Artikel 21

Mededelingen

1. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 1 maart 2000 mee op welke wijze zij de individuele maxima op grond van artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 hebben verlaagd, hoeveel premierechten in totaal aan de producenten zijn toegekend en welk aantal rechten aan de reserve is toegewezen.

2. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 1 maart 2000 de wijze van berekening van de verlaging als bedoeld in artikel 8, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 mee, alsmede, in voorkomend geval, de uit hoofde van lid 2, onder a), van datzelfde artikel genomen maatregelen en, vóór 1 januari van elk jaar, de eventuele wijzigingen.

3. Met gebruikmaking van de tabel in bijlage IV stellen de lidstaten de Commissie elk jaar uiterlijk op 1 maart voorlopig en uiterlijk op 31 juli definitief in kennis van:

a) het aantal premierechten dat in het voorafgaande kalenderjaar zonder compensatie aan de nationale reserve is afgestaan als gevolg van overdrachten van rechten zonder bedrijfsoverdracht;

b) het aantal ongebruikte premierechten als bedoeld in artikel 23, lid 2, van deze verordening dat in het voorafgaande kalenderjaar aan de nationale reserve is overgedragen;

c) het aantal rechten dat in het voorafgaande kalenderjaar op grond van artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is toegekend.

Artikel 22

Om niet verkregen rechten

Behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen mag een producent die om niet premierechten uit de nationale reserve heeft verkregen, zijn rechten gedurende de volgende drie kalenderjaren niet overdragen, noch tijdelijk overdragen.

Artikel 23

Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- wanneer de producent over maximaal zeven premierechten beschikt; indien deze producent in twee opeenvolgende kalenderjaren niet telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten heeft gebruikt, wordt het niet gebruikte deel van het laatste kalenderjaar aan de nationale reserve overgedragen;

- wanneer de producent aan een door de Commissie erkend extensiveringsprogramma deelneemt;

- wanneer de producent aan een door de Commissie erkend en geen verplichting tot overdracht en/of tijdelijke overdracht van rechten inhoudend programma voor vervroegde uittreding deelneemt;

of

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

3. De tijdelijke overdracht moet altijd voor volledige kalenderjaren en voor ten minste het in artikel 24, lid 1, bedoelde aantal dieren gelden. Na afloop van elke periode van tijdelijke overdracht, die niet langer mag duren dan drie opeenvolgende jaren, krijgt de producent, tenzij definitieve overdracht plaatsvindt, gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren al zijn rechten voor zichzelf terug. Wanneer de producent in elk van deze twee jaren niet telkens ten minste het overeenkomstig lid 4 van deze verordening vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, ontneemt de lidstaat hem jaarlijks de niet gebruikte rechten en neemt hij deze in de nationale reserve op, behoudens in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen.

Voor producenten die aan door de Commissie erkende programma's voor vervroegde uittreding deelnemen, kunnen de lidstaten evenwel een van deze programma's afhankelijke verlenging van de totale duur van de tijdelijke overdracht vaststellen.

Producenten die zich hebben verbonden tot deelneming aan een extensiveringsprogramma overeenkomstig de in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad(14) bedoelde maatregel, of aan een extensiveringsprogramma overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad mogen hun premierechten tijdens de duur van hun verbintenis niet overdragen, noch tijdelijk overdragen. Dit verbod geldt evenwel niet wanneer premierechten op grond van het programma mogen worden overgedragen en/of tijdelijk overgedragen aan producenten wier deelneming aan andere dan de in deze alinea bedoelde maatregelen de overdracht van deze rechten vereist.

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

De lidstaten stellen de Commissie vooraf van het door hen toegepaste percentage in kennis.

Artikel 24

Overdracht en tijdelijke overdracht van rechten

1. Naar gelang van hun productiestructuur kunnen de lidstaten een minimumaantal over te dragen premierechten vaststellen voor gedeeltelijke overdrachten zonder bedrijfsoverdracht. Dit aantal mag niet meer dan vijf bedragen.

2. De overdracht en de tijdelijke overdracht van premierechten kunnen pas ingaan nadat de producent die de rechten overdraagt en/of tijdelijk overdraagt en de producent die deze verkrijgt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat gezamenlijk van de overdracht in kennis hebben gesteld.

Deze kennisgeving geschiedt binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn en uiterlijk bij de indiening van de premieaanvraag door de producent die de rechten verkrijgt, behalve wanneer de overdracht als gevolg van een erfenis geschiedt. In dit laatste geval moet de producent die de rechten verkrijgt, de nodige wettelijke documenten kunnen overleggen om te bewijzen dat hij de rechtverkrijgende is van de overleden producent.

Artikel 25

Wijziging van het individuele maximum

Bij overdracht of tijdelijke overdracht van premierechten stelt de lidstaat het nieuwe individuele maximum vast en meldt hij de betrokken producenten binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de laatste dag van de periode waarin zij hun premieaanvraag hebben ingediend, voor hoeveel dieren zij recht op de premie hebben.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de overdracht als gevolg van een erfenis geschiedt.

Artikel 26

Producenten die geen eigenaar van hun grond zijn

Producenten die uitsluitend grond van de overheid of grond in collectief bezit exploiteren en besluiten de exploitatie van deze grond niet voort te zetten en al hun premierechten aan een andere producent over te dragen, worden gelijkgesteld met producenten die hun bedrijf verkopen of overdragen. In alle andere gevallen worden zij gelijkgesteld met producenten die alleen hun premierechten overdragen.

Artikel 27

Overdracht via de nationale reserve

Wanneer een lidstaat bepaalt dat premierechten die zonder bedrijfsoverdracht worden overgedragen via de nationale reserve moeten worden overgedragen, overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999, moeten daarbij nationale bepalingen worden toegepast die analoog zijn aan die van de artikelen 23 tot en met 26 van de onderhavige verordening. Hierbij geldt bovendien dat:

- de lidstaten kunnen bepalen dat de tijdelijke overdracht van premierechten via de nationale reserve gebeurt;

- bij definitieve overdracht van premierechten of bij tijdelijke overdracht in geval van toepassing van het eerste streepje, de overdracht aan de reserve pas ingaat na kennisgeving door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat aan de producent die rechten overdraagt en/of tijdelijk overdraagt, en de overdracht uit de reserve aan een andere producent pas ingaat na kennisgeving daarvan aan deze producent door deze autoriteiten.

Bovendien moeten de bedoelde bepalingen garanderen dat de lidstaat voor het andere dan het in artikel 8, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde gedeelte van de premierechten een vergoeding betaalt die overeenkomt met die welke, rekening gehouden met inzonderheid de ontwikkeling van de productie in de betrokken lidstaat, had moeten worden betaald bij rechtstreekse overdracht tussen producenten. Deze vergoeding is gelijk aan de vergoeding die zal worden gevraagd van de producent die overeenkomstige rechten uit de nationale reserve ontvangt.

Artikel 28

Rechten op gedeeltelijke premies

1. Wanneer bij de berekening in het kader van de toepassing van het bepaalde in deze afdeling de uitkomst geen geheel getal is, wordt uitsluitend met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

2. Ingeval de toepassing van het bepaalde in deze afdeling rechten op gedeeltelijke premies doet ontstaan, hetzij bij een producent, hetzij bij de nationale reserve, worden deze gedeelten opgeteld.

3. Wanneer een producent recht heeft op een gedeeltelijke premie, wordt slechts het met dat gedeelte overeenkomende deel van het bedrag per eenheid van de premie en, in voorkomend geval, van de in artikel 19 bedoelde aanvullende nationale premie en van het in artikel 32 bedoelde extensiveringsbedrag toegekend.

Artikel 29

Specifieke regeling voor vaarzen

1. De Commissie besluit uiterlijk op 1 november 1999 welke lidstaten voldoen aan de in artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde voorwaarden.

De betrokken lidstaten stellen de Commissie vóór 1 januari 2000 in kennis van hun voornemen de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde regeling, hierna "specifieke regeling" genoemd, al dan niet toe te passen en delen in voorkomend geval het door hen vastgestelde specifieke nationale maximum mee. Latere wijzigingen moeten vóór 1 januari van het betrokken jaar ter kennis van de Commissie worden gebracht.

2. Lidstaten die de specifieke regeling toepassen, stellen criteria vast om te garanderen dat de premie wordt toegekend aan veehouders wier vaarzen bestemd zijn voor vernieuwing van het koeienbeslag. Deze criteria kunnen met name een leeftijdsgrens en/of voorwaarden met betrekking tot het ras omvatten.

De lidstaat stelt de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar in kennis van de vastgestelde criteria. Latere wijzigingen moeten de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar worden meegedeeld.

3. Wanneer de toepassing van de in artikel 10, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde evenredige vermindering een aantal voor de premie in aanmerking komende dieren oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het bedrag per eenheid van de premie en, in voorkomend geval, van de in artikel 19 bedoelde aanvullende nationale premie en van het in artikel 32 bedoelde extensiveringsbedrag toegekend. Hierbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

4. In de lidstaten die de specifieke regeling toepassen, moet de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde verplichting met betrekking tot het minimumaantal te houden dieren voor 100 % worden nagekomen hetzij voor zoogkoeien, wanneer de producent een aanvraag voor zoogkoeien heeft ingediend, hetzij voor vaarzen, wanneer de producent een aanvraag voor vaarzen heeft ingediend.

5. De artikelen 20 tot en met 28 zijn op de specifieke regeling niet van toepassing.

HOOFDSTUK IV

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN INZAKE DE SPECIALE PREMIE EN DE ZOOGKOEIENPREMIE

Artikel 30

Aanvraag

1. De lidstaten kunnen om administratieve redenen voorschrijven dat de premieaanvraag betrekking moet hebben op een minimumaantal dieren, op voorwaarde dat dit aantal niet hoger is dan drie.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 17, lid 2, en artikel 32, lid 7, kunnen de lidstaten perioden en uiterste data voor de indiening van de premieaanvragen vaststellen alsmede het aantal aanvragen dat een producent per premieregeling en per kalenderjaar mag indienen.

Artikel 31

Veebezettingsgetal

1. Voor elke producent die voor eenzelfde kalenderjaar

- de in artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunaanvraag "oppervlakten",

en

- ten minste één aanvraag voor een speciale premie of een zoogkoeienpremie

indient, stellen de bevoegde autoriteiten het aantal grootvee-eenheden (GVE) vast dat overeenkomt met het aantal dieren waarvoor een speciale premie of een zoogkoeienpremie kan worden toegekend, rekening houdend met het voederareaal van zijn bedrijf.

2. Voor de bepaling van het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde veebezettingsgetal:

a) wordt rekening gehouden met de individuele referentiehoeveelheid voor melk die aan de producent is toegewezen op 31 maart voorafgaand aan het begin van de twaalfmaandelijkse periode van toepassing van de regeling inzake de extra heffing die in het betrokken kalenderjaar begint;

b) wordt het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de bedoelde referentiehoeveelheid berekend overeenkomstig artikel 18.

3. Ter bepaling van het aantal dieren waarvoor een premie kan worden toegekend:

a) wordt het overeenkomstig de voorschriften in het kader van het geïntegreerd systeem bepaalde aantal hectaren vermenigvuldigd met het veebezettingsgetal zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999;

b) wordt van het aldus verkregen aantal het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal melkkoeien dat nodig is om de aan de producent toegewezen referentiehoeveelheid melk te produceren;

c) wordt van het aldus verkregen aantal het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal schapen en/of geiten waarvoor een premieaanvraag wordt ingediend.

De einduitkomst van deze berekeningen is het maximumaantal GVE waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kunnen worden toegekend.

4. De lidstaten delen elke betrokken producent het voor hem vastgestelde veebezettingsgetal mee en het daaruit resulterende aantal GVE waarvoor een premie kan worden toegekend.

Artikel 32

Extensiveringsbedrag

1. Om voor een extensiveringsbedrag in aamnerking te komen moeten producenten in hun steunaanvraag "oppervlakten" aangeven dat zij wensen deel te nemen aan de regeling inzake het extensiveringsbedrag.

2. Dieren waarvoor er overeenkomstig artikel 3 van wordt uitgegaan dat de speciale premie is toegekend, komen niet voor het extensiveringsbedrag in aanmerking.

3. Om na te gaan of het overeenkomstig artikel 13, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 berekende aantal dieren in overeenstemming is met het of de in artikel 13, lid 2, van diezelfde verordening vastgestelde veebezettingsgetal of veebezettingsgetallen, stelt de lidstaat jaarlijks ten minste vijf data voor de telling van de dieren vast en doet hij de Commissie daarvan mededeling.

Tenzij de lidstaat besluit dat de teldata alle data van het jaar zijn:

- moeten de teldata willekeurig worden gespreid, op zodanige wijze dat deze representatief zijn voor het gehele jaar, en moeten deze elk jaar worden gewijzigd,

en

- moet elke teldatum achteraf worden vastgesteld en mag hij niet eerder dan twee weken nadat hij is vastgesteld aan de producent worden meegedeeld.

De telling van de dieren kan, naar keuze van de lidstaat, volgens één van de volgende methoden gebeuren:

- de lidstaat verzoekt de producent vóór een door de lidstaat te bepalen datum op basis van zíjn stalregister het aantal GVE of het aantal dieren van elk van de twee in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde categorieën runderen te declareren;

of

- lidstaten die beschikken over een gecomputeriseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, gebruiken het om het aantal GVE te bepalen, voorzover dit bestand, naar het oordeel van de lidstaat, voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de erin opgenomen gegevens voor de toepassing van de regeling inzake het extensiveringsbedrag.

Het aantal GVE dat in aanmerking wordt genomen wanneer wordt nagegaan of de producent de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde veebezettingsgetallen in acht neemt, is het rekenkundig gemiddelde van de op de teldata vastgestelde aantallen GVE, vermeerderd met het aantal GVE dat overeenkomt met het aantal schapen en geiten waarvoor premieaanvragen voor hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend.

Indien de lidstaat evenwel besluit dat de teldata alle dagen van het jaar zijn, kan hij bepalen dat de onder a) en b) bedoelde aantallen worden berekend naar evenredigheid van de duur van de aanwezigheid van de dieren.

De lidstaat neemt de nodige maatregelen om artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 toe te passen in het geval van producenten die, door gedurende een deel van het jaar de veebezetting op abnormaal lage niveaus te brengen, kunstmatig de voorwaarden scheppen waaraan krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet zijn voldaan.

4. In afwijking van lid 3 kan de lidstaat de producent de mogelijkheid bieden voor een vereenvoudigde regeling te kiezen.

In dat geval moet de producent in zijn steunaanvraag "oppervlakten" vermelden dat hij:

a) verklaart elke dag tot op de dag van indiening van zijn steunaanvraag "oppervlakten" het in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde maximale veebezettingsgetal in acht te hebben genomen;

en

b) zich ertoe verbindt dit veebezettingsgetal elke dag vanaf de dag van indiening van zijn steunaanvraag "oppervlakten" tot en met 31 december in acht te zullen nemen.

Ingeval de lidstaat besloten heeft artikel 13, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 toe te passen, moet de producent in zijn aanvraag aangeven welk van de twee maximale veebezettingsgetallen hij in acht neemt. Zolang geen controle ter plaatse van zijn aantal dieren is aangekondigd, kan de producent deze keuze wijzigen.

Zolang geen controle ter plaatse van zijn aantal dieren is aangekondigd, kan de producent de bevoegde autoriteit meedelen dat hij zijn verbintenis intrekt. In dat geval komt hij niet voor het extensiveringsbedrag in aanmerking.

Voor de in dit lid bedoelde verklaring en verbintenis gelden de in het geïntegreerd systeem vastgestelde bepalingen inzake controles en sancties.

5. De lidstaten delen de Commissie vóór 1 januari 2000 de definitie van "grasland" mee die zij zullen hanteren voor de toepassing van artikel 13, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Latere wijzigingen moeten de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar worden meegedeeld.

6. De Commissie besluit uiterlijk op 1 november 1999 welke lidstaten voldoen aan de in artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde voorwaarden.

Voor de toepassing van genoemd lid worden de volgende producenten als producenten in een berggebied beschouwd:

- producenten wier bedrijf in een berggebied ligt,

en

- producenten wier voederareaal voor ten minste 50 % in een berggebied ligt.

7. Onverminderd het bepaalde in lid 1 moet de producent die voor het extensiveringsbedrag uit hoofde van lid 6 in aanmerking wenst te komen dit in zijn steunaanvraag "dieren" aangeven. Hij moet gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de indiening van de aanvraag ten minste het aantal melkkoeien houden waarvoor het extensiveringsbedrag wordt aangevraagd. Deze aanhoudperiode van zes maanden gaat in op de dag volgende op die van de indiening van de aanvraag.

De aanvragen moeten worden ingediend binnen een door de lidstaten vast te stellen totale periode van zes maanden in de loop van een kalenderjaar.

Binnen deze totale periode kan de lidstaat verschillende perioden voor de indiening van aanvragen vaststellen.

8. Het aantal melkkoeien waarvoor aan een producent het extensiveringsbedrag wordt toegekend, kan geen van de navolgende twee aantallen te boven gaan:

a) het aantal melkkoeien dat nodig is om de individuele referentiehoeveelheid melk te produceren die aan de producent is toegewezen op 31 maart voorafgaand aan het begin van de in het betrokken kalenderjaar ingaande periode van twaalf maanden van toepassing van de regeling inzake de extra heffing, welk aantal wordt berekend aan de hand van de gemiddelde melkopbrengst als bedoeld in bijlage II;

b) het totale aantal koeien van het bedrijf, bepaald overeenkomstig lid 3, verminderd met het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het individuele maximum van de producent.

9. Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken of niet langer gebruik te maken van de in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde mogelijkheid, stelt hij de Commissie hiervan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.

10. Voor de berekening van het veebezettingsgetal op grond van dit artikel wordt alleen met de eerste twee cijfers achter de komma rekening gehouden.

Artikel 33

Bepaling van de aanhoudperioden

De laatste dag van de in artikel 5, artikel 9, lid 1, artikel 16, artikel 32, lid 7, en artikel 37 bedoelde aanhoudperioden is de dag vóór de dag met dezelfde cijferaanduiding als die van de dag waarop de periode ingaat, ongeacht of het een werkdag betreft.

HOOFDSTUK V

SLACHTPREMIE

(Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1254/1999)

Artikel 34

Deelnamemelding

De lidstaat kan bepalen dat producenten die aanspraak willen maken op de premie voor een bepaald kalenderjaar, zich vóór of op het ogenblik van de indiening van de eerste aanvraag voor het betrokken kalenderjaar voor deelname moeten melden.

Wanneer de producent evenwel geen wijzigingen in zijn deelnamemelding aanbrengt, kan de lidstaat de eerder ingediende melding als geldig blijven beschouwen.

Artikel 35

Aanvraag

1. De steunaanvraag "dieren" moet alle voor de betaling van de slachtpremie noodzakelijke gegevens bevatten, met name de geboortedatum van het dier voor de na 1 januari 1998 geboren dieren.

De steunaanvraag "dieren" moet worden ingediend binnen een door de lidstaat vast te stellen termijn die niet langer kan zijn dan zes maanden na het slachten van het dier of, in geval van uitvoer, na de datum waarop het dier het douanegebied van de Gemeenschap verlaat, en uiterlijk eind februari van het volgende jaar moet eindigen behalve wanneer zich bij uitvoer of verzending een uitzonderingsgeval voordoet, waarover de betrokken lidstaat dient te beslissen.

De lidstaten mogen toestaan dat de aanvraag wordt ingediend door een andere persoon dan de producent. In dat geval moeten in de aanvraag de naam en het adres zijn vermeld van de producent die voor de premie in aanmerking kan komen.

Behalve de gegevens die op grond van de voorschriften in het kader van het geïntegreerd systeem moeten worden verstrekt, dient iedere aanvraag te bevatten:

a) in geval van toekenning bij het slachten, een verklaring van het slachthuis of een door het slachthuis opgesteld of geviseerd document met ten minste de volgende gegevens:

i) naam en adres van het slachthuis (of een gelijkwaardige code),

ii) datum van de slacht, identificatienummers en slachtnummers van de dieren,

iii) voor kalveren, het geslacht gewicht (behalve bij toepassing van artikel 36, lid 4);

b) in geval van uitvoer naar een derde land:

i) naam en adres van de exporteur (of een gelijkwaardige code),

ii) identificatienummers van de dieren,

iii) de aangifte van uitvoer, met vermelding van de leeftijd voor de na 1 januari 1998 geboren dieren en, voor kalveren, behalve bij toepassing van artikel 36, lid 4, het levend gewicht, dat niet meer dan 290 kilogram mag bedragen,

iv) het bewijs dat het dier het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, te leveren op dezelfde wijze als voor de uitvoerrestituties.

De lidstaat kan evenwel bepalen dat de onder a) en b) bedoelde gegevens worden verstrekt door een of meer door de lidstaat erkende organen en dat dit met name per computer mag gebeuren.

De lidstaat controleert geregeld en onverwachts de juistheid van de afgegeven verklaringen of documenten en, in voorkomend geval, van de in de vijfde alinea bedoelde gegevens.

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen lidstaten die beschikken over een gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, bepalen dat de door de slachthuizen aan de bevoegde autoriteit verstrekte gegevens betreffende de slacht van de dieren van een bepaalde producent als aanvraag voor een slachtpremie namens deze producent worden beschouwd, voorzover dit gegevensbestand naar het oordeel van de lidstaat voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de gegevens ervan voor de toepassing van de slachtpremieregeling en in voorkomend geval voor de betaling van de speciale premie bij het slachten en/of de uitkering van de extra betalingen indien deze bij het slachten worden uitgekeerd en/of de betaling van de seizoencorrectiepremie.

De lidstaat kan evenwel bepalen dat een aanvraag vereist is. In dat geval kan hij voorschrijven van welke soorten gegevens de aanvraag vergezeld moet gaan.

De lidstaten die besluiten het bepaalde in dit lid toe te passen, stellen de Commissie daarvan vóór 1 januari 2000 in kennis. Latere wijzigingen worden vóór de tenuitvoerlegging ervan aan de Commissie gemeld.

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de gegevens die het betaalorgaan ter beschikking worden gesteld alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de betaling, met name:

a) de categorieën en hoeveelheden dieren als bedoeld in artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 die in de loop van het betrokken jaar zijn geslacht;

b) de gegevens betreffende de inachtneming van de in dat artikel bedoelde voorwaarden met betrekking tot leeftijd en geslacht gewicht van de dieren en van de in artikel 37 bedoelde aanhoudperiode;

c) in voorkomend geval, de gegevens die nodig zijn voor de betaling van de speciale premie bij het slachten en/of de uitkering van de extra betalingen indien deze bij het slachten worden uitgekeerd en/of de betaling van de seizoencorrectiepremie.

3. Voor dieren waarvoor een intracommunautaire handelstransactie heeft plaatsgevonden na de in artikel 37 bedoelde aanhoudperiode moet het slachthuis het in lid 1, vierde alinea, onder a), bedoelde document opstellen, zelfs wanneer de lidstaat waar de slacht plaatsvindt de in lid 2 bepaalde afwijking toepast.

Wanneer de informaticasystemen voor de uitwisseling van gegevens compatibel zijn, kunnen twee lidstaten evenwel onderling overeenkomen het in lid 2 beschreven systeem toe te passen.

De lidstaten verlenen elkaar wederzijds bijstand met het oog op een doeltreffende controle op de authenticiteit van de verstrekte documenten en/of de juistheid van de uitgewisselde gegevens. Hiertoe verstrekt de lidstaat van betaling de lidstaat van slachting regelmatig een overzicht, per slachthuis, van de uit deze laatste lidstaat ontvangen slachtverklaringen (of de gegevens ter vervanging daarvan).

Artikel 36

Gewicht en aanbiedingsvorm van de geslachte dieren

1. Voor de toepassing van artikel 11, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt ervan uitgegaan dat de geslachte kalveren onthuid, zonder ingewanden en verbloed, zonder kop en zonder poten, en met lever, nieren en niervet, worden aangeboden.

2. Het in aanmerking te nemen gewicht is het geslacht gewicht na afkoeling of het warm geslacht gewicht, dat zo snel mogelijk na het slachten wordt vastgesteld, verminderd met 2 %.

3. Wanneer het geslachte dier zonder lever, nieren en/of niervet wordt aangeboden, wordt het gewicht ervan vermeerderd met:

a) 3,5 kg voor de lever,

b) 0,5 kg voor de nieren,

c) 3,5 kg voor het niervet.

4. De lidstaat kan bepalen dat, indien het om een kalf gaat dat op het ogenblik van de slacht of de uitvoer minder dan vijf maanden oud is, aan de voorwaarde met betrekking tot het gewicht als bedoeld in artikel 11, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt geacht te zijn voldaan.

Kan het geslacht gewicht niet in het slachthuis worden bepaald, dan wordt aan de genoemde voorwaarde met betrekking tot het gewicht geacht te zijn voldaan indien het levend gewicht niet meer dan 290 kg bedraagt.

Artikel 37

Begunstigden van de premie

1. De premie wordt betaald aan de producent die het dier heeft gehouden gedurende een aanhoudperiode van ten minste twee maanden die minder dan één maand vóór de slacht of de uitvoer is geëindigd.

2. Voor kalveren die worden geslacht vóór de leeftijd van drie maanden, bedraagt de aanhoudperiode één maand.

Artikel 38

Nationale maxima

1. De in artikel 11, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde nationale maxima zijn vermeld in bijlage III.

2. Wanneer de toepassing van de evenredige vermindering een aantal premies oplevert dat geen geheel getal is, wordt voor het gedeelte achter de komma een overeenkomstig gedeelte van het premiebedrag per eenheid toegekend. Hierbij wordt alleen met het eerste cijfer achter de komma rekening gehouden.

HOOFDSTUK VI

EXTRA BETALINGEN

(Artikelen 14 tot en met 20 van Verordening (EG) nr. 1254/1999)

Artikel 39

Nationale bepalingen

De uitvoerige informatie die krachtens artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 aan de Commissie moet worden verstrekt, moet de volgende gegevens bevatten:

1. veebetalingen (in voorkomend geval):

a) indicatieve bedragen per dier, naar gelang van de categorie dieren, en toekenningsbepalingen,

b) indicatieve prognose inzake de totale uitgaven per categorie dieren (waarbij wordt gepreciseerd of deze betalingen in de vorm van een aanvulling op de slachtpremie zullen worden verricht) en het aantal betrokken dieren,

c) specifieke eisen inzake het veebezettingsgetal (behalve in geval van betaling in de vorm van een aanvulling op de slachtpremie),

d) maximumaantal mannelijke runderen per bedrijf (in voorkomend geval),

e) andere gegevens betreffende de uitvoeringsbepalingen.

De onder a) en b) bedoelde categorieën dieren zijn: stieren, ossen, zoogkoeien, melkkoeien, vaarzen die in aanmerking kunnen komen voor de zoogkoeienpremie, en andere vaarzen, of elke door de lidstaat vastgestelde subgroep van in deze categorieën begrepen dieren;

2. areaalbetalingen (in voorkomend geval):

a) berekening van de regionale basisarealen,

b) indicatieve bedragen per hectare,

c) indicatieve prognose inzake de totale uitgaven en het aantal betrokken hectaren,

d) andere gegevens betreffende de uitvoeringsbepalingen.

Artikel 40

Uitvoerig verslag

Het uitvoerige verslag dat krachtens artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 aan de Commissie moet worden verstrekt, moet dezelfde gegevens bevatten, bijgewerkt en aangevuld, als de in artikel 39 vastgestelde gegevens.

Daarnaast moet het de volgende gegevens bevatten:

a) een overzicht van de bij de uitvoering van de regeling inzake de extra betalingen ondervonden moeilijkheden,

b) een evaluatie van de doeltreffendheid van deze regeling,

c) eventueel voorstellen voor de toekomstige ontwikkeling van deze regeling.

HOOFDSTUK VII

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 41

Uitkering van voorschotten

1. Op grond van de resultaten van de administratieve controles en de controles ter plaatse betaalt de bevoegde autoriteit de producenten, voor het aantal dieren waarvan wordt aangenomen dat zij voor de premie in aanmerking komen, een voorschot ten bedrage van 60 % van de speciale premie, de zoogkoeienpremie en de slachtpremie.

Voor de speciale premie, de specifieke regeling voor vaarzen als bedoeld in artikel 29 en/of de slachtpremie, kan het percentage van het voorschot door de lidstaat worden verlaagd, doch tot niet minder dan 40 %.

Het voorschot mag pas worden betaald vanaf 16 oktober van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt aangevraagd.

2. Bij de eindafrekening wordt een bedrag uitbetaald dat gelijk is aan het verschil tussen het uitgekeerde voorschot en het premiebedrag waarop de producent recht heeft.

Artikel 42

Jaar van toerekening

Het ontstaansfeit op grond waarvan wordt bepaald aan welk jaar de dieren waarvoor de regelingen voor de speciale premie, de zoogkoeienpremie, de seizoencorrectiepremie en het extensiveringsbedrag worden toegepast, worden toegerekend, en van welk aantal GVE voor de berekening van het veebezettingsgetal moet worden uitgegaan, wordt geacht plaats te vinden op de datum van indiening van de aanvraag.

Wanneer echter de speciale premie volgens een van de in artikel 8 van deze verordening vastgestelde keuzemogelijkheden wordt toegekend en

- wanneer het dier uiterlijk op 31 december is geslacht

en

- wanneer de premieaanvraag voor dit dier na deze datum is ingediend,

is het premiebedrag gelijk aan het bedrag dat van toepassing was op 31 december van het jaar waarin het dier is geslacht.

Bij de slachtpremie komt voor de toepassing van het steunbedrag en de berekening van de evenredige vermindering krachtens artikel 38 van deze verordening het jaar van toerekening overeen met het jaar van de slacht of van uitvoer.

Artikel 43

Omrekening in de nationale valuta

De premies en het extensiveringsbedrag worden in nationale valuta omgerekend aan de hand van het pro rata temporis berekende gemiddelde van de wisselkoersen die van toepassing zijn in de maand december die voorafgaat aan het overeenkomstig artikel 42 bepaalde jaar van toerekening.

Artikel 44

Sancties op het onwettige gebruik of voorhanden hebben van bepaalde stoffen of producten

In het geval van recidive bij het onwettige gebruik of voorhanden hebben van door de in de veterinaire sector relevante communautaire wetgeving niet toegestane producten of stoffen, bepalen de lidstaten, naar gelang van de ernst van de overtreding, de duur van de periode waarin de betrokken producent overeenkomstig artikel 23, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de steunregelingen wordt uitgesloten.

Artikel 45

Nationale uitvoeringsmaatregelen

De lidstaten nemen alle voor de goede uitvoering van deze verordening nodige maatregelen. Zij stellen de Commissie hiervan in kennis.

Artikel 46

Mededelingen

1. Vanaf 1 juli 2000 delen de lidstaten de Commissie jaarlijks uiterlijk op 15 september (voor de gegevens die betrekking hebben op het eerste halfjaar van het lopende jaar) en op 1 maart (voor de gegevens die betrekking hebben op het tweede halfjaar van het voorafgaande jaar) mee:

a) het aantal mannelijke runderen waarvoor een speciale premie is aangevraagd, onderverdeeld naar:

- leeftijdstranche,

- categorie (stier of os);

b) het aantal koeien waarvoor een zoogkoeienpremie is aangevraagd, uitgesplitst naar de in artikel 6, lid 2, onder a), respectievelijk b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde regelingen;

c) het aantal dieren waarvoor een slachtpremie is aangevraagd, onderverdeeld naar categorie (volwassen rund of kalf) en met de vermelding of het om geslachte dan wel om uitgevoerde dieren gaat;

d) het aantal dieren waarvoor aanvragen voor een seizoencorrectiepremie zijn ingewilligd, uitgesplitst in dieren waarvoor de speciale premie voor de eerste tranche is toegekend en dieren waarvoor de speciale premie voor de tweede tranche is toegekend, en telkens het dienovereenkomstige aantal producenten.

2. Vanaf het jaar 2001 delen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 juli voor het voorafgaande kalenderjaar mee:

a) het aantal mannelijke runderen waarvoor aanvragen voor een speciale premie zijn ingewilligd, onderverdeeld naar:

- leeftijdstranche,

- categorie (stier of os),

met vermelding van:

- in voorkomend geval, de toekenning van het extensiveringsbedrag (onderverdeeld volgens de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde grenzen) en het aantal betrokken producenten onderverdeeld volgens genoemde grenzen,

- het aantal dieren, onderverdeeld naar leeftijdstranche, waarvoor de speciale premie uit hoofde van het vorige kalenderjaar als gevolg van de toepassing van het regionale maximum niet is toegekend;

b) het aantal koeien en vaarzen waarvoor aanvragen voor een zoogkoeienpremie zijn ingewilligd, uitgesplitst naar de in artikel 6, lid 2, onder a), respectievelijk b), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde regelingen en met vermelding van, in voorkomend geval, de toekenning van het extensiveringsbedrag (uitgesplitst volgens de in artikel 13, lid 2, van die verordening vastgestelde grenzen) en, voor elk van deze regelingen, het aantal betrokken producenten;

c) het aantal melkkoeien waarvoor aanvragen voor een extensiveringsbedrag zijn ingewilligd;

d) het aantal dieren waarvoor de premie voor het voorafgaande kalenderjaar niet is toegekend als gevolg van de toepassing van het specifieke nationale maximum voor vaarzen;

e) in voorkomend geval, de toekenning van de aanvullende nationale premie bovenop de zoogkoeienpremie, met vermelding van:

- de toekenningsvoorwaarden,

en

- het toegekende bedrag per dier;

f) het aantal dieren waarvoor premieaanvragen waarvoor het veebezettingsgetal niet van toepassing is, zijn ingewilligd, en het aantal betrokken producenten;

g) het aantal dieren waarvoor aanvragen voor een slachtpremie zijn ingewilligd, onderverdeeld naar categorie (volwassen rund of kalf), en met de vermelding of de premie is toegekend bij de slachting of bij de uitvoer en, voor elk van deze onderverdelingen, het aantal betrokken producenten.

3. Uiterlijk op 31 juli van elk kalenderjaar vanaf het jaar 2001 delen de lidstaten de Commissie het aantal dieren mee, onderverdeeld naar categorie, waarvoor de slachtpremie voor het vorige kalenderjaar niet is toegekend als gevolg van de toepassing van de nationale maxima.

4. De lidstaten delen de in dit artikel vermelde gegevens mee met gebruikmaking van de tabellen in bijlage IV.

HOOFDSTUK VIII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 47

Overgangsbepalingen

1. Ten einde de overgang van de in Verordening (EEG) nr. 805/68 vervatte regelingen naar de bij Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde regelingen overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 te vergemakkelijken, worden de mededelingen aan de Commissie met betrekking tot het jaar 1999 gedaan volgens dezelfde regels als die welke bij Verordening (EEG) nr. 3886/92 zijn vastgesteld.

2. Voor dieren die vóór 1 januari 1998 geboren zijn, gebeuren de verplichte identificatie en registratie als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 volgens de bij Richtlijn 92/102/EEG van de Raad(15) vastgestelde voorschriften, behalve voor dieren waarvoor een intracommunautaire handelstransactie plaatsvindt.

Artikel 48

Intrekking

Verordening (EEG) nr. 3886/92 wordt met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken.

Zij blijft evenwel van toepassing voor aanvragen die uiterlijk op 31 december 1999 worden ingediend.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 49

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2000, met uitzondering van de bepalingen betreffende mededelingen of besluiten in de artikelen 10, 11 en 15, artikel 21, lid 2, artikel 23, lid 4, artikel 29, leden 1 en 2, artikel 32, leden 5, 6 en 9, artikel 35, lid 2, en artikel 39, die van toepassing zijn vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 1999.

Voor de Commissie

Franz FISCHLER

Lid van de Commissie

(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21.

(2) PB L 148 van 28.6.1968, blz. 24.

(3) PB L 391 van 31.12.1992, blz. 20.

(4) PB L 164 van 30.6.1999, blz. 53.

(5) PB L 355 van 5.12.1992, blz. 1.

(6) PB L 127 van 21.5.1999, blz. 4.

(7) PB L 117 van 7.5.1997, blz. 1.

(8) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(9) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 113.

(10) PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1.

(11) PB L 349 van 24.12.1998, blz. 1.

(12) PB L 123 van 7.5.1981, blz. 3.

(13) PB L 67 van 11.3.1982, blz. 23.

(14) PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85.

(15) PB L 355 van 5.12.1992, blz. 32.

BIJLAGE I

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 14 BEDOELDE RUNDERRASSEN

- Angler Rotvieh (Angeln) - Rød dansk mælkerace (RMD)

- Ayrshire

- Armoricaine

- Bretonne pie-noire

- Fries-Hollands (FH), Française frisonne pie-noire (FFPN), Friesian-Holstein, Holstein, Black and White Friesian, Red and White Friesian, Frisona española, Frisona Italiana, Zwartbonten van België/Pie-noire de Belgique, Sortbroget dansk mælkerace (SDM), Deutsche Schwarzbunte, Schwarzbunte Milchrasse (SMR)

- Groninger Blaarkop

- Guernsey

- Jersey

- Malkeborthorn

- Reggiana

- Valdostana Nera

- Itäsuomenkarja

- Länsisuomenkarja

- Pohjoissuomenkarja.

BIJLAGE II

IN ARTIKEL 18 BEDOELDE GEMIDDELDE MELKOPBRENGST

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

IN ARTIKEL 38, LID 1, BEDOELDE NATIONALE MAXIMA VOOR DE SLACHTPREMIE

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

In artikel 21, lid 3, en artikel 46 bedoelde tabel

>PIC FILE= "L_1999281NL.004902.EPS">

>PIC FILE= "L_1999281NL.005001.EPS">

>PIC FILE= "L_1999281NL.005101.EPS">

>PIC FILE= "L_1999281NL.005201.EPS">

Top