This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 31997R1069
Commission Regulation (EC) No 1069/97 of 12 June 1997 imposing a provisional anti-dumping duty on imports of cotton-type bed linen originating in Egypt, India and Pakistan
Verordening (EG) nr. 1069/97 van de Commissie van 12 juni 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan
Verordening (EG) nr. 1069/97 van de Commissie van 12 juni 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan
PB L 156 van 13.6.1997, pp. 11–33
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
No longer in force, Date of end of validity: 14/12/1997
Verordening (EG) nr. 1069/97 van de Commissie van 12 juni 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan
Publicatieblad Nr. L 156 van 13/06/1997 blz. 0011 - 0033
VERORDENING (EG) Nr. 1069/97 VAN DE COMMISSIE van 12 juni 1997 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/96 (2), inzonderheid op artikel 7, Na overleg in het kader van het Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE (1) Op 13 september 1996 kondigde de Commissie met een bericht dat gepubliceerd werd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (3) de inleiding aan van een antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer in de Gemeenschap van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan en startte zij met een onderzoek. (2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die was ingediend op 30 juli 1996 door de Commissie van de katoen en aanverwante vezels verwerkende nijverheden van de Europese Gemeenschap (Eurocoton) namens producenten in de Gemeenschap die het grootste gedeelte van de productie van de Gemeenschap van beddenlinnen van katoen voor hun rekening nemen. De klacht bevatte bewijsmateriaal van dumping in verband met het bedoelde product en van de hieruit voortvloeiende aanzienlijke schade hetgeen voldoende werd geacht om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen. (3) De Commissie bracht de betrokken producenten/exporteurs en importeurs alsmede hun verenigingen, de vertegenwoordigers van de exporterende landen en de partijen die de klacht hadden ingediend officieel op de hoogte van de inleiding van de procedure. (4) Belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk bekend te maken en een verzoek in te dienen om te worden gehoord. Een aantal producenten/exporteurs in de betrokken landen, alsmede producenten in de Gemeenschap, importeurs, handelaren en één consumentenvereniging maakten hun standpunten schriftelijk bekend. Alle partijen die hierom verzochten werd een hoorzitting toegestaan. (5) Gezien het grote aantal producenten in de Gemeenschap dat de klacht uitdrukkelijk steunde, besloot de Commissie gebruik te maken van een steekproeftechniek; zij stuurde een representatieve steekproef van producenten van de Gemeenschap vragenlijsten die door deze producenten gedetailleerd werden ingevuld zoals blijkt uit de overwegingen 58 tot 61. (6) Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de betrokken exporterende landen, werd ook voor deze groep van een steekproef gebruik gemaakt; de Commissie stuurde ook deze representatieve steekproef van producenten/exporteurs vragenlijsten die gedetailleerd werden ingevuld zoals blijkt uit de overwegingen 15 tot 21. (7) De Commissie stuurde vragenlijsten aan 14 importeurs die bij de Commissie bekend waren maar ontving slechts van drie van hen ingevulde exemplaren. Bovendien stuurde de Commissie 28 belangrijke afnemers van beddenlinnen, waaronder groothandelaren, kleinhandelaren en postorderbedrijven, vragenlijsten om rekening te kunnen houden met hun economische belangen en de mogelijke gevolgen voor deze handelaren en voor hun aankoopbeslissingen te kunnen evalueren. Slechts vier handelaren vulden evenwel de vragenlijst in. (8) De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping en schade noodzakelijk achtte en ging over tot controles ten kantore van de volgende bedrijven uit de steekproef: a) Producenten in de Gemeenschap Duitsland - Bierbaum Textilwerke GmbH & Co KG, Borken - Irisette GmbH & Co KG, Zell im Wiesental - Gunter Meckelholt GmbH, Bocholt - Wilh. Wulfing GmbH & Co, Borken - Luxorette GmbH, Wendlingen Frankrijk - Société Industrielle Mulliez Frères SA, Roubaix - Hacot Colombier SA, Houplines - Ets Vanderschooten, Nieppe - Joseph Hacot SA, La Gorgue - Groupe Fremaux SA, Haubourdin - C Bera SA, Noyelles-sur-Selle - Jalla SA, Parijs Italië - Vincenzo Zucchi SpA, Milaan - Bassetti SpA, Milaan - Bossi SpA, Mortara - Gabel Industria Tessile SpA, Rovellasca Portugal - Lameirinho Industria Textil SA, Pevidem b) Producenten/exporteurs Egypte - Damietta Spinning & Weaving Co., Damietta - El Nasr Wool and Selected Textiles Co. (STIA), Alexandrië - Orient Linen & Cotton Co., Alexandrië - Stephanie Textile, Cairo India - Anglo French Textiles, Pondicherry - Madhu Industries Ltd, Ahmedabad - Madhun International, Ahmedabad - Omkar Exports, Ahmedabad - Prakash Cotton Mills Ltd, Bombay - The Bombay Dyeing & Manufacturing Co. Ltd, Bombay - Nowrosjee Wadia & Sons Ltd, Bombay Pakistan - Al-Abid Silk Mills, Ltd, Karachi - Al-Abid Export (Pvt) Ltd, Karachi - Al-Karam Textile Mills (Pvt), Karachi - Fateh Textile Mills, Hyderabad - Gul Ahmed Textiles Mills Ltd, Karachi - Excel Textile Mills Ltd, Karachi - Mohammad Farooq Textile Mills Ltd, Karachi c) Verbonden importeur - Barkat Limited, Brentford, Verenigd Koninkrijk. (9) Het onderzoek naar de dumping bestreek de periode van 1 juli 1995 tot 30 juni 1996 (hierna "het onderzoektijdvak" genoemd). Het onderzoek naar de schade bestreek de periode van 1992 tot het einde van het onderzoektijdvak. B. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT 1. Product (10) De procedure heeft betrekking op beddenlinnen van katoenvezels of soorgelijke vezels, zuiver of gemengd met kunstmatige vezels of met vlas, gebleekt, geverfd of bedrukt. Het beddenlinnen omvat beddenlakens, dekbedovertrekken en kussenslopen, hetzij afzonderlijk, hetzij in stellen voor de verkoop verpakt. De weefsels van katoenvezels of soortgelijke vezels die gebruikt worden om het beddenlinnen te vervaardigen worden geïdentificeerd door twee paar nummers. Het eerste paar wijst op het garennummer (of gewicht van het garen) dat gebruikt werd voor respectievelijk de schering en de inslag. Het tweede paar wijst op het aantal draden per centimeter of per inch voor respectievelijk de schering en de inslag. De weefsels worden gebleekt, geverfd of bedrukt. Vervolgens worden zij gesneden en aan elkaar gestikt tot gewone lakens, hoeslakens, dekbedovertrekken en slopen, elke categorie met verschillende afmetingen. Het eindproduct wordt voor de verkoop verpakt, hetzij afzonderlijk hetzij in stellen. Ondanks de verschillende productsoorten die voortvloeien uit de verschillen in weefpatroon, afwerking van het weefsel, presentatie, maten, verpakking enz., vormen alle soorten één en hetzelfde product in het kader van deze procedure omdat zij alle dezelfde fysieke kenmerken vertonen en in wezen voor hetzelfde worden gebruikt. 2. Soortgelijk product (11) De Commissie onderzocht of beddenlinnen van katoen dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap is vervaardigd en op de markt van de Gemeenschap wordt verkocht en beddenlinnen van katoen dat in Egypte, India en Pakistan is vervaardigd en op de markt van de Gemeenschap en op de binnenlandse markten van deze landen wordt verkocht vergelijkbaar zijn. (12) De vertegenwoordigers van bepaalde belanghebbende partijen verzochten gebleekt beddenlinnen van deze procedure uit te sluiten vanwege het feit dat het niet als een soortgelijk product kan worden behandeld. Zij voerden aan dat gebleekt beddenlinnen op technisch vlak verschilt van bedrukt en/of geverfd beddenlinnen, dat het de productie in de Gemeenschap die gebaseerd is op bedrukt en/of geverfd beddenlinnen niet kan vervangen en dat het andere eindgebruikers heeft (ziekenhuizen en hotels). (13) Uit het onderzoek bleek evenwel dat, hoewel de weefsels door middel van verschillende procédé's kunnen worden afgewerkt (bleken, verven, bedrukken) alle afgewerkte producten onderling verwisselbaar zijn en met elkaar op de markt van de Gemeenschap concurreren. Dit wordt gestaafd door het feit dat kleinhandelaars alle soorten beddenlinnen (gebleekt, geverfd en bedrukt) kopen. Er werd ook vastgesteld dat in de Gemeenschap gebleekt beddenlinnen wordt vervaardigd en dat bepaalde soorten van het product niet uitsluitend bij een bepaalde categorie van gebruikers terechtkomen. (14) De Commissie concludeerde dat, hoewel de producten die in de Gemeenschap werden vervaardigd en die welke voor uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht of op de binnenlandse markten van de betrokken landen werden verkocht, een verschillende samenstelling kenden, er geen verschillen waren in de fundamentele kenmerken en het gebruik van de verschillende soorten en kwaliteiten beddenlinnen van katoen. Derhalve werden de productsoorten die in de betrokken landen op de binnenlandse markten werden verkocht alsmede de soorten die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd en de soorten die in de Gemeenschap werden vervaardigd beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna de "basisverordening" genoemd). C. STEEKPROEF VAN EXPORTEURS/PRODUCENTEN IN DE LANDEN VAN OORSPRONG 1. Algemeen (15) Gezien het grote aantal exporteurs in de betrokken landen besloot de Commissie steekproeven te gebruiken overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Om de Commissie in staat te stellen een steekproef te selecteren werden de exporteurs en de namens deze exporteurs optredende vertegenwoordigers, ingevolge artikel 17, lid 2, van de basisverordening, verzocht zich aan te melden binnen drie weken na de inleiding van de procedure en basisgegevens te verschaffen over hun uitvoer en hun omzet op de binnenlandse markt, over de verschillende fasen van het productieproces en over de namen en activiteiten van alle verbonden bedrijven in de sector beddenlinnen. De Commissie nam in dit verband ook contact op met de autoriteiten van de betrokken landen. 2. Voorselectie van de steekproef (16) De bedrijven die zich aanmeldden, de verlangde gegevens binnen de termijn van drie weken verschaften en het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd, werden beschouwd als bedrijven die hun medewerking hadden verleend en werden voor de selectie van de steekproef in aanmerking genomen. Deze bedrijven namen ongeveer 100, 82 en 77 % van de totale uitvoer naar de Gemeenschap uit respectievelijk Egypte, India en Pakistan voor hun rekening. (17) De bedrijven die uiteindelijk niet in de steekproef werden opgenomen, werden op de hoogte gebracht van het feit dat een antidumpingrecht op hun uitvoer berekend zou worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 6, van de basisverordening, dat wil zeggen dat het voor hun geldende antidumpingrecht niet hoger zou zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen bedrijven was vastgesteld. (18) De bedrijven die zich niet aanmeldden binnen een termijn van drie weken werden beschouwd als bedrijven die hun medewerking aan het onderzoek niet hadden verleend. 3. Selectie van de steekproef (19) Voor alle betrokken landen vond de selectie van de steekproef plaats met instemming van de vertegenwoordigers van de betrokken bedrijven, verenigingen en/of regeringen. (20) De bedrijven die voor de steekproef werden geselecteerd en die volledig hun medewerking aan het onderzoek verleenden werd een eigen dumpingmarge en een eigen antidumpingrecht toegewezen. (21) De Commissie selecteerde ook een reserve van bedrijven die, hoewel zij de vragenlijst dienden in te vullen, slechts aan een onderzoek zouden worden onderworpen indien bedrijven van de aanvankelijk geselecteerde steekproef later hun medewerking niet meer zouden verlenen. Deze bedrijven werden eveneens op de hoogte gebracht van het feit dat een antidumpingrecht op hun invoer berekend zou worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 6, van de basisverordening, tenzij zij werden geselecteerd om een bedrijf van de oorspronkelijke steekproef te vervangen; in dat geval zouden zij een eigen dumpingmarge en een afzonderlijk antidumpingrecht krijgen. 4. Afzonderlijk onderzoek van de bedrijven die niet voor de steekproef waren geselecteerd (22) Zeven bedrijven die hun medewerking aan het onderzoek hadden verleend maar niet voor de steekproef werden geselecteerd verzochten om berekening van afzonderlijke dumpingmarges en voegden bij hun onderzoek de ingevulde vragenlijst binnen de termijnen voor de indiening hiervan. Overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening was hun verzoek in het kader van dit onderzoek evenwel onontvankelijk aangezien het aantal exporteurs zo groot was dat afzonderlijke onderzoeken onnodige last zouden hebben veroorzaakt en een tijdige voltooiing van het onderzoek zouden hebben verhinderd. De zeven bedrijven in kwestie werden hiervan op de hoogte gesteld. D. DUMPING 1. Normale waarde a) India (23) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening onderzocht de Commissie in de eerste plaats of de totale verkoop op de binnenlandse markt van iedere exporteur/producent van beddenlinnen van katoen representatief was, dat wil zeggen of de totale hoeveelheden die verkocht werden groter waren dan of gelijk aan 5 % van de totale hoeveelheden die bij uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht. Uit deze vergelijking bleek dat slechts één exporteur/producent gedurende het onderzoektijdvak representatieve hoeveelheden beddenlinnen van katoen op de binnenlandse markt had verkocht. (24) De Commissie onderzocht vervolgens of representatieve hoeveelheden van de verschillende productsoorten die naar de Gemeenschap waren uitgevoerd op de binnenlandse markt waren verkocht. Zij stelde vast dat de productsoorten die op de binnenlandse markt waren verkocht en de productsoorten die bij uitvoer waren verkocht met dezelfde maten, hetzelfde weefpatroon, eenzelfde afwerking van het weefsel en de uiteindelijke presentatie, vergelijkbare producten waren. De verkoop op de binnenlandse markt van een bepaald soort werd als voldoende representatief geacht indien de van deze soort op de binnenlandse markt gedurende het onderzoektijdvak verkochte hoeveelheid 5 % of meer vertegenwoordigde van de totale hoeveelheid van het vergelijkbare soort dat voor uitvoer naar de Gemeenschap was verkocht. Voor het enige bedrijf waarvan de totale verkoop op de binnenlandse markt representatief was leek uit deze vergelijking dat vijf soorten beddenlinnen van katoen die naar de Gemeenschap waren uitgevoerd tijdens het onderzoektijdvak ook in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt waren verkocht. (25) Vervolgens onderzocht de Commissie of de binnenlandse verkoop van elk van de vijf representatieve soorten van dit bedrijf plaats had gevonden in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Er werd vastgesteld dat de vijf soorten in kwestie met verlies waren verkocht dat wil zeggen tegen prijzen die lager lagen dan de productiekosten vermeerderd met verkoopkosten, algemene en administratieve uitgaven (VAA). Derhalve werd geoordeeld dat deze soorten niet waren verkocht in het kader van normale handelstransacties en dat de binnenlandse prijzen geen geschikte basis vormden voor de vaststelling van de normale waarde. (26) Voor alle soorten van alle bedrijven die bij uitvoer naar de Gemeenschap waren verkocht diende de normale waarde derhalve te worden samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. De samengestelde waarde werd vastgesteld door aan de productiekosten van de uitgevoerde soorten van elk bedrijf een redelijk bedrag toe te voegen voor VAA plus een redelijk bedrag voor winst. Aangezien slechts één bedrijf kon bogen op een representatieve totale verkoop op de binnenlandse markt en de rendabele, op de binnenlandse markt verkochte soorten minder dan 80 % maar meer dan 10 % van de totale verkoop op de binnenlandse markt uitmaakten, werd als bedrag voor VAA en winst bij de samenstelling van de normale waarde voor alle onderzochte bedrijven het bedrag genomen van de VAA van dit bedrijf, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. b) Egypte (27) Uit de evaluatie van de representativiteit van de totale verkoop op de binnenlandse markt (zie overweging 23) bleek dat drie van de vier bedrijven van de steekproef representatieve hoeveelheden beddenlinnen van katoen gedurende het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt hadden verkocht. (28) Aan de hand van de vergelijkbaarheidscriteria (zie overweging 24) stelde de Commissie vast dat de op de binnenlandse markt verkochte productsoorten en de bij uitvoer verkochte productsoorten van de drie Egyptische bedrijven die representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt hadden verkocht, niet echt vergelijkbaar waren. (29) Voor alle soorten die bij uitvoer naar de Gemeenschap waren verkocht door alle Egyptische bedrijven van de steekproef werd de normale waarde derhalve berekend op basis van een samengestelde waarde voor de naar de Gemeenschap uitgevoerde producten overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. Om een redelijk winstbedrag vast te stellen werd vervolgens voor de drie bedrijven waarvan de totale verkoop representatief was, onderzocht of hun verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Voor twee van de drie bedrijven met een representatieve verkoop op de binnenlandse markt werd vastgesteld dat alle op de binnenlandse markt verkochte soorten een verlies hadden opgeleverd (ze waren verkocht tegen prijzen die lager lagen dan de productiekosten vermeerderd met VAA). Derhalve werd geoordeeld dat de verkoop op de binnenlandse markt van deze twee bedrijven niet had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en bijgevolg niet gebruikt kon worden als basis voor de vaststelling van een redelijk bedrag aan winst. Voor het derde bedrijf werd vastgesteld dat minder dan 80 % maar meer dan 10 % van alle op de binnenlandse markt verkochte soorten winst had opgeleverd (de verkoop vond plaats tegen prijzen die hoger lagen dan de productiekosten plus VAA). Derhalve werd geoordeeld dat deze verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en werd de winst die bij deze verkoop geboekt was gebruikt voor de samenstelling van de normale waarde voor alle Egyptische bedrijven. (30) Bijgevolg werd de samengestelde normale waarde voor het enige bedrijf met voldoende rendabele verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt gedurende het onderzoektijdvak gebaseerd op de productiekosten van de uitgevoerde soorten vermeerderd met de eigen VAA en winstmarge van dit bedrijf. (31) Voor de twee bedrijven die weliswaar representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt verkochten maar waarvan de verkoop niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvond, werden hun eigen productiekosten en VAA gebruikt om de normale waarde samen te stellen, maar deze werden vermeerderd met de winstmarge van het bedrijf dat toereikende hoeveelheden tegen rendabele prijzen op de binnenlandse markt had verkocht. (32) Om de normale waarde samen te stellen voor het bedrijf zonder representatieve verkoop op de binnenlandse markt gebruikte de Commissie de eigen productiekosten van dit bedrijf van elk uitgevoerd soort en voegde hieraan toe de werkelijke gewogen gemiddelde VAA bij verkoop op de binnenlandse markt van de bedrijven met een representatieve verkoop op de binnenlandse markt plus de winstmarge van het bedrijf met een toereikende rendabele verkoop op de binnenlandse markt. c) Pakistan (33) Uit de evaluatie met betrekking tot de representativiteit van de totale verkoop (zie overweging 23) bleek dat slechts één bedrijf van de steekproef gedurende het onderzoektijdvak beddenlinnen van katoen in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt had verkocht. (34) Aan de hand van de vergelijkbaarheidscriteria (zie overweging 24) stelde de Commissie vast dat de op de binnenlandse markt verkochte soorten en de bij uitvoer verkochte soorten van het bedrijf met een representatieve verkoop op de binnenlandse markt niet echt met elkaar konden worden vergeleken. (35) Derhalve werd de normale waarde voor alle soorten die door alle Pakistaanse bedrijven van de steekproef bij uitvoer naar de Gemeenschap waren verkocht, berekend op basis van een samengestelde waarde voor de naar de Gemeenschap uitgevoerde producten overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. Voor het bedrijf met een representatieve verkoop op de binnenlandse markt werd vastgesteld dat minder dan 80 % maar meer dan 10 % van de verkoop van de op de binnenlandse markt verkochte soorten winst had opgeleverd (dat wil zeggen deze verkoop vond plaats tegen prijzen die hoger lagen dan de productiekosten vermeerderd met de VAA). Derhalve werd geoordeeld dat deze verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Bijgevolg werden de VAA alsmede de winstmarge van deze rendabele verkoop gebruikt voor de samenstelling van de normale waarde voor alle Pakistaanse bedrijven van de steekproef. Op deze basis stelde de Commissie de samengestelde waarde vast door aan de productiekosten van de uitgevoerde soorten van elk bedrijf het bedrag van de VAA en van de winst toe te voegen van het bedrijf met een representatieve rendabele verkoop op de binnenlandse markt. (36) Twee bedrijven voerden aan dat door uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg waren van ongeregeldheden op grote schaal in Karachi gedurende het onderzoektijdvak, de kosten van onbenutte capaciteit niet in aanmerking konden worden genomen bij de berekening van de samengestelde normale waarde. Aangezien deze bedrijven niet voldoende bewijsmateriaal uit hun boekhouding overlegden waardoor een afwijking van de van oudsher toegepaste kostenomslag gerechtvaardigd kon worden, wees de Commissie bij het berekenen van de dumpingmarges deze beweringen in het kader van haar voorlopige bevindingen van de hand. 2. Uitvoerprijs (37) In het algemeen verkochten de exporteurs/producenten van beddenlinnen van katoen op de markt van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers. Bijgevolg werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. (38) Één Pakistaanse exporteur/producent verkocht evenwel een gedeelte van zijn uitvoer aan een verbonden importeur die in de Gemeenschap is gevestigd. Voor de transacties die plaatsvonden via deze verbonden importeur werden de uitvoerprijzen gecorrigeerd overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening zodat rekening werd gehouden met alle kosten, met inbegrip van de rechten en heffingen, die waren ontstaan tussen de invoer en de wederverkoop alsmede met de normale winsten zodat een betrouwbare uitvoerprijs kon worden vastgesteld. 3. Vergelijking (39) Om een billijke vergelijking te waarborgen tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werd, in de gevallen waarin dit mogelijk en gerechtvaardigd was, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, in de vorm van correcties terdege rekening gehouden met verschillen die de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden. De volgende correcties vonden plaats: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (40) De Indiase exporteur/producent met een representatieve totale verkoop op de binnenlandse markt verzocht om een correctie van de normale waarde met 5 % voor verschillen in handelsstadium op basis van het feit dat de verkoop bij uitvoer naar distributeurs in de Gemeenschap in veel grotere hoeveelheden plaatsvindt dan de verkoop via drie verschillende kanalen op de binnenlandse markt (groothandelaren-monopoliehouders die de verkoop van merkproducten voor hun rekening nemen, andere groothandelaren en industriële gebruikers). De Commissie onderzocht of een dergelijke correctie kan worden toegestaan ingevolge artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Een correctie voor verschillen in hoeveelheden was niet gerechtvaardigd omdat niets er op wees dat de distributeurs op de binnenlandse markt kortingen of rabatten hadden genoten voor de grotere hoeveelheden die ze zouden hebben gekocht. Een correctie voor verschillen in handelsstadium kon evenmin worden toegestaan aangezien het betrokken bedrijf zich beperkte tot een verwijzing naar de verschillende verkoopkanalen op de binnenlandse markt en de uitvoermarkt maar naliet aan te tonen dat het vermeende verschil tussen de verschillende handelsstadia voor uitvoerprijs en normale waarde de vergelijkbaarheid van de prijzen had beïnvloed hetgeen wel werd aangetoond bij de constante en duidelijke verschillen in functies en prijzen tussen de verschillende handelsstadia op de binnenlandse markt. (41) Hetzelfde bedrijf verzocht ook om een correctie van de normale waarde met 10 % voor verschillen in de uitgaven voor de promotie van merken op basis van het feit dat de uitgaven voor deze promotie buitensporig waren bij verkoop aan groothandelaren-monopoliehouders op de binnenlandse markt en dat dit niet het geval was bij uitvoer naar de Gemeenschap. Om te evalueren of een dergelijk verschil in uitgaven voor promotie de vergelijkbaarheid van de prijzen kon hebben beïnvloed, onderzocht de Commissie de totale VAA van dit bedrijf bij de verkoop op de binnenlandse markt aan groothandelaren-monopoliehouders die uitsluitend merkproducten kochten en stelde zij vast dat het totale bedrag van deze kosten hetzelfde was als bij verkoop op de binnenlandse markt aan andere groothandelaren die uitsluitend andere producten dan merkproducten afnemen. Bovendien werd niet bewezen dat de klanten voor merkproducten systematisch hogere prijzen hadden betaald. Aangezien de uitvoer naar de Gemeenschap van het betrokken bedrijf bestond uit andere producten dan merkproducten, werd geconcludeerd dat de uitgaven voor de promotie van merkproducten geen factor was die invloed uitoefende op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Bijgevolg werd ook dit verzoek om een correctie van de hand gewezen. (42) Tot slot zij erop gewezen dat de percentages van de beide correcties waarom werd verzocht (zie de overwegingen 40 en 41) niet werden gestaafd met verifieerbare gegevens en dat werd vastgesteld dat zij het totale niveau van de VAA van het betrokken bedrijf gedurende het onderzoektijdvak overschreden. (43) Alle Indiase exporteurs/producenten verzochten om een correctie voor krediet dat was toegestaan bij verkoop op basis van hun werkelijke kredietkosten. Aangezien in artikel 2, lid 10, onder g), van de basisverordening evenwel is bepaald dat een dergelijke correctie wordt toegepast indien het verleende krediet een factor is die bij de vaststelling van de prijzen in aanmerking werd genomen, berekende de Commissie deze correctie op basis van het krediet dat verleend werd ten tijde van de verkoop, dat wil zeggen de kosten werden berekend op basis van betalingsvoorwaarden/aantal dagen en gangbare interestvoet. (44) De Indiase exporteur/producent met een representatieve totale verkoop op de binnenlandse markt verzocht om een correctie voor kredietkosten in verband met de verkoop op de binnenlandse markt. Deze correctie diende van de hand te worden gewezen vanwege het feit dat er voor het onderzoektijdvak geen bewijzen waren in verband met op het ogenblik van de verkoop toegestane betalingsvoorwaarden. Het onderzoek toonde in feite aan dat de levering van de goederen steeds plaatsvond na de betaling. (45) Alle Pakistaanse exporteur/producenten verzochten om een correctie van de normale waarde in verband met de invoerrechten en heffingen die van toepassing zijn op de fysiek in het soortgelijk product verwerkte materialen, wanneer het product bestemd is voor verbruik in Pakistan en die, ingevolge de Pakistaanse wetgeving, bij uitvoer van het betrokken product worden terugbetaald. Uit het onderzoek bleek evenwel dat de bedragen aan invoerrechten en heffingen die werden terugbetaald hoger lagen dan de in de kosten van de grondstoffen opgenomen verifieerbare bedragen. Derhalve werd de correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder c), van de basisverordening beperkt tot de bedragen die werkelijk in de kosten van de grondstoffen waren opgenomen. 4. Dumpingmarges a) Algemene methodologie (46) In het algemeen werd de gewogen gemiddelde samengestelde normale waarde per soort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs per soort. Bij vijf Pakistaanse exporteurs/producenten had iedere uitvoertransactie evenwel betrekking op een andere productsoort. Derhalve vergeleek men voor de Pakistaanse exporteurs/producenten per transactie de afzonderlijke normale waarden, vastgesteld voor deze bedrijven volgens overweging 35, met de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap vastgesteld volgens de overwegingen 37 en 38. b) Methodologie voor groepen van bedrijven (47) De Commissie beschouwt verbonden bedrijven of bedrijven die tot dezelfde groep behoren steeds als één enkele entiteit en derhalve stelt zij voor als deze bedrijven één enkele dumpingmarge vast. Het berekenen van afzonderlijke dumpingmarges zou immers ontwijking van de antidumpingmaatregelen in de hand kunnen werken; deze zouden hierdoor ondoeltreffend worden omdat verbonden producenten hun uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen laten plaatsvinden via het bedrijf waarvoor de laagste afzonderlijke dumpingmarge werd vastgesteld. Volgens dezelfde praktijk werden verbonden exporteurs/producenten die tot dezelfde groep behoren beschouwd als één enkele entiteit en werd ook voor hen één enkele dumpingmarge vastgesteld. Voor exporteurs/producenten die tot eenzelfde groep behoren werd besloten eerst per bedrijf een dumpingmarge te berekenen. Vervolgens werd aan de hand van deze dumpingmarges een gewogen gemiddelde berekend dat dan op de groep in zijn geheel werd toegepast. c) Specifieke toepassing (48) Deze methode werd toegepast bij twee Indiase en twee Pakistaanse bedrijven. Bij één Indiase en één Pakistaanse groep evenwel werd geoordeeld dat de uitvoer naar de Gemeenschap van telkens één bedrijf van de groep verwaarloosbaar was en met deze uitvoer werd bijgevolg bij de berekeningen geen rekening gehouden. In Egypte zijn de meeste bedrijven die hun medewerking aan het onderzoek verleenden (13 van de 21) rechtstreeks of onrechtstreeks staatsbedrijven die door de regering worden beheerd. Bijgevolg en overeenkomstig de in overweging 47 uiteengezette methode werden al deze staatsbedrijven beschouwd als één enkele entiteit. Van de vier Egyptische exporteurs/producenten die voor de steekproef werden geselecteerd waren en drie staatsbedrijven. Voor deze drie bedrijven werd één enkele gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend die werd toegepast op alle staatsbedrijven die hun medewerking aan het onderzoek hebben verleend, ongeacht of ze al dan niet aan een onderzoek waren onderworpen. Er werd een afzonderlijke dumpingmarge berekend voor het vierde bedrijf dat wel aan een onderzoek werd onderworpen. Bedrijven die geen staatsbedrijven waren, die hun medewerking aan het onderzoek hadden verleend en geen deel uitmaakten van de steekproef, werd de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de vier bedrijven van de steekproef toegewezen, waarbij de weging had plaatsgevonden op basis van hun uitvoer naar de Gemeenschap. d) Dumpingmarges voor de bedrijven van de steekproef (49) Uit de vergelijking die is beschreven in overweging 39 en in de overwegingen 46 tot 48, bleek dat er sprake is van dumping bij alle bedrijven die volledig hun medewerking aan het onderzoek verleenden. De voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de invoerprijs, cif grens Gemeenschap zijn als volgt vastgesteld: India >RUIMTE VOOR DE TABEL> Egypte >RUIMTE VOOR DE TABEL> Pakistan >RUIMTE VOOR DE TABEL> e) Dumpingmarge voor bedrijven die niet in de steekproef zijn opgenomen maar hun medewerking verleenden (50) Bedrijven die wel hun medewerking aan het onderzoek verleenden maar niet voor de steekproef werden geselecteerd (zie de overwegingen 17 en 21) werd dezelfde gemiddelde dumpingmarge toegewezen als de bedrijven van de steekproef, gewogen op basis van hun uitvoer naar de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening werd bij de berekening van deze gemiddelde dumpingmarge geen rekening gehouden met de vastgestelde verwaarloosbare marges. Uitgedrukt als een percentage van de invoerprijs, cif grens Gemeenschap, bedragen deze voorlopige dumpingmarges: >RUIMTE VOOR DE TABEL> f) Dumpingmarges voor bedrijven die hun medewerking niet verleenden (51) Voor bedrijven die hun medewerking aan het onderzoek niet verleenden werd een dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Daar in grote mate aan het onderzoek werd medegewerkt werd het zinvol geacht de dumpingmarge voor de niet medewerkende bedrijven in elk betrokken land vast te stellen op het niveau van de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor een bedrijf in elke steekproef aangezien met een beloning zou betekenen voor het niet medewerken aan het onderzoek indien de dumpingmarge voor exporteurs/producenten die zich niet bekendmaakten lager zou liggen dan de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor een exporteur/producent die zijn medewerking wel verleende. De voorlopige dumpingmarges uitgedrukt als een percentage van de invoerprijs cif grens Gemeenschap, werden als volgt vastgesteld: >RUIMTE VOOR DE TABEL> E. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP 1. Omschrijving van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap" (52) Nadat van de lijst van de in de klacht genoemde bedrijven zeven bedrijven waren geschrapt waarvan werd vastgesteld dat zij geen klagende partij waren, stelde de Commissie vast dat de overblijvende bedrijven het grootste gedeelte van de productie van beddenlinnen in de Gemeenschap voor hun rekening namen en dus voldeden aan de vereisten van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Na inleiding van de procedure voerden een aantal organisaties die de exporteurs en importeurs van beddenlinnen uit de betrokken landen vertegenwoordigden aan dat verschillende procenten die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormden het product ook met dumping uitvoerden uit de landen waarop de procedure betrekking had. Gezien deze omstandigheden onderzocht de Commissie in het licht van de bepalingen van artikel 4, lid 1, onder a), van de basisverordening opnieuw of deze bedrijven van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" dienden te worden uitgesloten. (53) Om dit nieuwe onderzoek uit te voeren en overeenkomstig de gebruikelijke methode van de instellingen van de Gemeenschap leek het passend om vast te stellen of deze bedrijven in de eerste plaats als producenten in de Gemeenschap dienden te worden beschouwd met als bijkomende activiteit invoer, waarbij deze invoer uitsluitend een aanvulling op hun productie in de Gemeenschap vormde zodat zij een compleet assortiment van producten konden aanbieden, dan wel of het hier ging om importeurs die hun invoer aanvulden met een vrij beperkte extra productie in de Gemeenschap. (54) In alle gevallen met uitzondering van één geval maakten de bedrijven die beddenlinnen uit de betrokken landen zouden invoeren, deel uit van de voor de steekproef van de producenten in de Gemeenschap geselecteerde bedrijven (zie de overwegingen 58 tot 61). De Commissie kon derhalve de omvang van deze invoer tijdens haar verificaties per plekke onderzoeken. Uit het onderzoek bleek dat alle bedrijven van de steekproef behalve één minder dan 10 % van hun omzet gedurende de onderzochte periode met dumping uit de betrokken landen hadden ingevoerd. Derhalve oordeelt de Commissie dat deze bedrijven niet beschermd waren tegen de gevolgen van de invoer met dumping en dat zij ingevolge artikel 4 van de basisverordening, samen met de andere producenten die hun medewerking aan het onderzoek verleenden, beschouwd kunnen worden als deel uitmakend van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bij het andere bedrijf van de steekproef werd vastgesteld dat een groter gedeelte van het beddenlinnen dat het gedurende het onderzoektijdvak verkocht van oorsprong uit Pakistan was en dat slechts een klein gedeelte van zijn verkoop afkomstig was uit zijn eigen productie. Bovendien bleek dat dit bedrijf zich in de toekomst waarschijnlijk meer op invoer zou toeleggen. Dit bedrijf waarvan men oordeelde dat zijn voornaamste belangen duidelijk niet in de productie van beddenlinnen in de Gemeenschap liggen werd derhalve van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitgesloten. (55) Aangezien bij alle bedrijven van de steekproef met uitzondering van één bedrijf, die beddenlinnen uit de betrokken landen zouden invoeren, na onderzoek werd vastgesteld van de ingevoerde hoeveelheden niet voldoende waren om hun uitsluiting te rechtvaardigen, werd geoordeeld dat de beweringen van de exporteurs in dit verband overdreven en ongegrond waren. Bijgevolg is, op basis van de bevindingen met betrekking tot de steekproef, de uitsluiting van het ene bedrijf dat niet in de steekproef is opgenomen niet gerechtvaardigd. Dit bedrijf dient derhalve onder het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap" te worden gehandhaafd. Hoe het ook zij, deze kwestie is van weinig belang met betrekking tot de representativiteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap. (56) Drie andere bedrijven werden van de omschrijving uitgesloten. In één geval werd vastgesteld dat het bedrijf niet langer beddenlinnen produceerde. In twee andere gevallen vulden de bedrijven de vragenlijsten niet in die via Eurocoton en de nationale verenigingen aan die klagende partijen waren toegestuurd die niet voor de steekproef van de producenten van de Gemeenschap waren geselecteerd, om gegevens te verkrijgen over de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel. (57) De overige 35 bedrijven die de vragenlijsten wel invulden en die gevestigd zijn in Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Portugal, Oostenrijk en Finland namen in het onderzoektijdvak het grootste gedeelte van de totale productie in de Gemeenschap voor hun rekening. Deze bedrijven werden derhalve geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. 2. Steekproef (58) Gezien het aantal bedrijven dat de bedrijfstak van de Gemeenschap vormt werd besloten een steekproef samen te stellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. (59) 27 van de 35 bedrijven die 96,7 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en 32,5 % van de totale productie van de Gemeenschap in 1995 voor hun rekening namen (dit waren de meest recente cijfers die beschikbaar waren op het ogenblik van de samenstelling van de steekproef) waren gevestigd in Duitsland, Italië, Frankrijk en Portugal. (60) In het algemeen verkopen de producenten van de Gemeenschap een groot gedeelte van het door hun vervaardigde beddenlinnen in hun eigen lidstaat, ten dele vanwege verschillen tussen de lidstaten wat betreft standaardproducten en maten. Die geldt voor Duitsland, Frankrijk en Italië die zowel de grootste producenten van beddenlinnen in de Gemeenschap zijn als zeer belangrijke importeurs. De producenten in deze lidstaten kwamen derhalve duidelijk in aanmerking voor de evaluatie van de gevolgen van de invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. De producenten in Portugal hunnerzijds verkopen een groot gedeelte van hun productie in andere lidstaten en nemen ongeveer een derde van de productie van de bedrijven die de klagende partij vormen voor hun rekening. Derhalve werd beslist, ook al is Portugal geen belangrijke importeur, om de gevolgen van de invoer voor de producenten aldaar te evalueren en om Portugal deel uit te laten maken van de steekproef. (61) In overleg met Eurocoton dat de klacht indiende werd aanvankelijk een lijst van 19 bedrijven opgesteld (acht in Frankrijk, zes in Duitsland, vier in Italië en één in Portugal). In de loop van het onderzoek werd één van deze bedrijven van de steekproef uitgesloten omdat het niet aan het onderzoek medewerkte. Tengevolge van deze uitsluiting en van de uitsluiting van het andere bedrijf ingevolge artikel 4, lid 1, onder a), van de basisverordening (zie overweging 54) zijn de gegevens in de hiernavolgende analyse over de schade waarvan de "producenten van de steekproef" te lijden hadden gebaseerd op de gegevens die verstrekt werden door de overige 17 producenten die 20,7 % van de totale productie in de Gemeenschap en 61,6 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen. Deze bedrijven omvatten de grootste van de bedrijfstak van de Gemeenschap in Duitsland, Italië en Portugal alsmede kleinere producenten. Derhalve achtte de Commissie deze steekproef representatief voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. F. SCHADE 1. Verzameling van gegevens (62) Gegevens voor het onderzoek naar de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had werden op drie verschillende niveaus verzameld en ontleed zoals hieronder beschreven: - op het niveau van de gehele Gemeenschap (EU-15) wat betreft de evolutie van de productie, het verbruik in de Gemeenschap, de invoer, de uitvoer en het marktaandeel. De gegevens werden ter beschikking gesteld door Eurocoton en door erkende bronnen in de bedrijfstak, met name het CITH (Centre d'Information Textile et Habillement) dat een reeks cijfers verschaft over de productie in de gehele Gemeenschap wat de volledige textielcategorie 20 betreft. Deze categorie bestrijkt iets meer producten dan de omschrijving van het product waarop onderhavige procedure betrekking heeft. Het verschil is evenwel erg klein aangezien de extra producten waarop deze categorie betrekking heeft zeer onbelangrijk zijn; - op het niveau van de hierboven omschreven bedrijfstak van de Gemeenschap, voor de ontwikkeling van de productie, de waarde van de verkoop, en de werkgelegenheid; - op het niveau van de steekproef van de producenten van de Gemeenschap voor de bovenvermelde factoren en ook voor de ontwikkeling van de prijzen en de rendabiliteit. 2. Verbruik (63) Het verbruik van het betrokken product in de Gemeenschap (gelijk aan productie plus invoer, min uitvoer) daalde van 200 000 ton in 1992 tot 186 000 ton gedurende het onderzoektijdvak, dat wil zeggen met 7 %. 3. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer met dumping (64) De Commissie oordeelde in het licht van artikel 3, lid 4, van de basisverordening of de cumulatieve evaluatie van de schade teweeggebracht door de drie exporterende landen gerechtvaardigd was. (65) In verband met de voorwaarden van artikel 3, lid 4, onder a), bleek dat de dumpingmarge die werd vastgesteld met betrekking tot de invoer uit elk land meer dan te verwaarlozen is en dat de uit elk land ingevoerde hoeveelheden niet te verwaarlozen zijn. In dit verband zij erop gewezen dat zowel India als Pakistan gebonden zijn aan contingenten voor hun uitvoer van beddenlinnen naar de Gemeenschap. Beide landen maakten volledig van deze contingenten gebruik (ten minste 98 %) in elk van de contingentjaren 1993, 1994 en 1995 en verhoogden de werkelijke contingenten door voor andere categorieën toegewezen contingenten over te boeken. Bovendien blijkt dat India in 1995 naar de Gemeenschap een hoeveelheid beddenlinnen uitvoerde die 20 % hoger lag dan de hoeveelheid die voor het contingentjaar 1995 was toegestaan. Alle drie bij deze procedure betrokken exporterende landen verhoogden hun uitvoer van het betrokken product tussen 1992 en het onderzoektijdvak. De grootste exporteur, Pakistan, verhoogde zijn uitvoer met 6 % en de op één na grootste, India, met 56 %. De uitvoer uit Egypte waarop geen contingenten van toepassing zijn, steeg met 282 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak, maar bleef een stuk lager dan de uitvoer uit de twee andere landen. Overeenkomstig het bepaalde van artikel 3, lid 4, onder b), werden de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en de soortgelijke producten in de Gemeenschap onderzocht. Er werd vastgesteld dat de ingevoerde producten onderling en met de soortgelijke producten uit de Gemeenschap rechtstreeks concurreerden en dat met name een aantal grote afnemers van beddenlinnen zowel van de bedrijfstak van de Gemeenschap als van de betrokken landen kochten. Hoewel er verschillen bestaan in de afmetingen per soort en de bestemming van de uitvoer uit elk van de betrokken landen, werd vastgesteld dat de producten uit elk exporterend land onderling verwisselbaar waren en op de markt van de Gemeenschap met elkaar en met de producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap concurreerden. (66) Derhalve werd ervan uitgegaan dat een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer juist was in de zin van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. 4. Met dumping ingevoerde hoeveelheden en marktaandeel (67) De invoer met dumping uit de drie betrokken landen steeg van 33 825 ton in 1992 tot 46 656 ton gedurende het onderzoektijdvak, dat wil zeggen met 12 831 ton of 38 %. Gedurende dezelfde periode steeg het marktaandeel van deze invoer van 16,9 tot 25,1 %. 5. Prijzen van de betrokken invoer (68) De Commissie ging na of de verkoop van de exporterende producenten in de Gemeenschap plaatsvond tegen prijzen die beneden de prijzen lagen van de producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap die de steekproef vormden tijdens het onderzoektijdvak. (69) Gezien de grote verscheidenheid van de betrokken producten wees de Commissie bepaalde referentieproducten van bijzonder belang aan op elk van de belangrijkste onderzochte markten (Frankrijk, Duitsland, Italië) waarvan de prijs en de kosten voor de producenten van de steekproef in de Gemeenschap zouden worden vastgesteld. Door de verschillende gewoonten en tradities werden in elk van de onderzochte lidstaten andere producten aangewezen. Voor elk van de referentieproducten en voor bepaalde andere producten uit de beddenlinnensector die op specifieke markten van bijzonder belang waren en door de producenten in de Gemeenschap die in de steekproef waren opgenomen werden verkocht, stelde de Commissie gemiddelde prijzen voor het onderzoektijdvak vast en maakte hierbij gebruik van gegevens die zij van de producenten van de Gemeenschap die de steekproef vormden had verkregen. Deze prijzen werden vervolgens vergeleken met de ingevoerde producten met soortgelijke afmetingen, een soortgelijk weefpatroon en een soortgelijke afwerking die verkocht werden aan afnemers in de betrokken lidstaat. (70) Sommige exporteurs voerden aan dat zelfs wanneer producten qua afmetingen, weefpatroon en afwerking met elkaar vergeleken konden worden zij toch niet als soorgelijke producten konden worden beschouwd, vooral omdat de ingevoerde goederen van slechtere kwaliteit waren. Deze kwaliteitsverschillen zouden bijvoorbeeld het gevolg zijn van slechtere productietechnologie bij het weven. (71) Verschillen in productietechnologie betekenen op zichzelf evenwel niet dat er tussen de vervaardigde producten fysieke verschillen bestaan. Bovendien ontving de Commissie bewijsmateriaal waaruit bleek dat exporteurs in de betrokken landen beddenlinnen vervaardigden met gebruikmaking van de modernste machines. Ook werd vastgesteld dat de producten vaak naast elkaar werden verkocht; vaak staan ze op dezelfde pagina van postordercatalogen zonder enige verwijzing naar de oorsprong. Hoe het ook zij, kwaliteitsverschillen konden niet worden vastgesteld. De Commissie oordeelde derhalve dat er geen redenen waren om de prijzen van producten met soorgelijke afmetingen, weefpatronen en afwerking niet te vergelijken; deze vergelijking werd in overweging 69 reeds voorgesteld. (72) Sommige exporteurs voerden ook aan dat de ingevoerde producten en de producten van de Gemeenschap verkocht werden via verschillende verkoopkanalen en derhalve niet met elkaar concurreerden. Zij voerden aan dat de exporteurs verkochten aan grote hypermarktketens, postorderbedrijven enz. en zich vooral richten op "promotieverkoop" tegen lagere prijzen, terwijl de Europese producenten zich toelegden op merkartikelen die verkocht werden via gespecialiseerde zaken, grootwarenhuizen enz. Bij onderzoek werd vastgesteld dat de diverse verkoopkanalen van de producenten in de Gemeenschap en van de importeurs inderdaad verschilden en ook voor de producenten van de Gemeenschap onderling verschillend waren. Grote afnemers zoals hypermarkten en postorderbedrijven waren evenwel ook niet onbelangrijk voor de meeste producenten in de Gemeenschap die de steekproef vormden en waren in sommige gevallen zelfs hun belangrijkste klanten. Er werd ook vastgesteld dat de verkoop aan deze klanten in het kader van promotieverkopen een belangrijk gedeelte van hun productie vormde. Derhalve werd ervan uitgegaan dat de prijzen van ingevoerde en van in de Gemeenschap vervaardigde goederen vergeleken konden worden. (73) De Commissie onderzocht de verschillen in hoeveelheden en prijzen van de betrokken invoer en van de producten van de producenten in de Gemeenschap die de steekproef vormden naar gelang van het gebruikte verkoopkanaal. De resultaten liepen van lidstaat tot lidstaat uiteen. In Frankrijk en Duitsland bijvoorbeeld verkochten de producenten van de Gemeenschap meer dan 80 % van hun totale verkoop rechtstreeks aan kleinhandelaren en kleine hoeveelheden tegen relatief hoge prijzen aan groothandelaren en distributeurs. De invoer werd verdeeld tussen de kleinhandelaren en de groothandelaren en sommige exporteurs verkochten uitsluitend aan groothandelaren. Derhalve oordeelde de Commissie dat een vergelijking van de prijzen per verkoopkanaal niet juist zou zijn; de prijzen van de producenten in de Gemeenschap aan groothandelaren en distributeurs konden niet als representatieve prijzen worden beschouwd waarmee de prijzen van de invoer die in grotere hoeveelheden werd verkocht konden worden vergeleken. (74) Er werd derhalve voor elk referentieproduct een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde prijzen van de invoer, cif grens Gemeenschap na inklaring, en de gemiddelde prijzen af fabriek van de producenten in de Gemeenschap. De prijzen van de communautaire producenten ondergingen een neerwaartse correctie met een marge die dusdanig berekend was dat zij de gemiddelde prijs via het goedkoopste verkoopkanaal opleverde (bijvoorbeeld discountwinkels in Duitsland, hypermarkten in Frankrijk). De prijs die het resultaat was van deze correctie werd verder gecorrigeerd aan de hand van de kosten van de importeur. (75) Bepaalde exporteurs merkten op dat sommige productsoorten (met name een bepaalde kwaliteit, "seersucker" genaamd, en witte (gebleekte) producten die vaak bestemd zijn voor gebruik in hotels en ziekenhuizen) een belangrijk deel uitmaakten van hun uitvoer, maar niet aangetroffen werden onder de referentieproducten. Hieruit bleek volgens hen dat de producten die zij naar de Gemeenschap uitvoerden en de producten die door de producenten in de Gemeenschap werden vervaardigd niet met elkaar concurreerden, dat geen steekhoudend onderzoek in verband met onderbieding kon worden verricht of dat deze soorten van eventueel in te stellen maatregelen dienden te worden vrijgesteld. (76) De Commissie overwoog deze argumenten maar concludeerde dat een verschil in assortiment niets afdeed aan de bevinding dat er concurrentie was tussen de door de exporteurs verkochte producten en de door de producenten in de Gemeenschap verkochte producten. De Commissie stelde vast dat het feit dat de producenten in de Gemeenschap zich toespitsten op andere producten een weerspiegeling was van de omvang van de concurrentie door de met dumping ingevoerde producten en besloot dat het onderzoek dat werd verricht overeenkomstig de hierboven uiteengezette methodologie een geldige maatstaf was voor de omvang van de prijsonderbieding die door de exporteurs werd toegepast. (77) De referentieproducten die gebruikt werden voor het onderzoek naar de onderbieding en eigenlijk een representatief assortiment vormden, werden aangetroffen bij de verkopen in de Gemeenschap van alle exporteurs uit de betrokken landen die tot de steekproef behoorden behalve bij één Egyptisch bedrijf; het belang van deze producten varieerde bij de andere bedrijven. Wanneer de graad van representativiteit bijzonder laag was onderzocht de Commissie de prijzen van andere producten (per kilo) om na te gaan of de prijzen die gebruikt werden voor het onderzoek naar de onderbieding in overeenstemming waren met de prijzen van de rest van hun verkoop aan de Gemeenschap. (78) Het Egyptisch bedrijf waarvan de uitvoer naar de Gemeenschap geen referentieproducten bevatte was één van de drie staatsbedrijven. Het bedrijf voerde gedurende het onderzoektijdvak haast uitsluitend gebleekte artikelen uit naar de Gemeenschap. Er werd een berekening gemaakt op grond van de prijzen van deze artikelen die in alle opzichten met de referentieproducten overeenstemden afgezien van het feit dat ze gebleekt waren; deze prijzen werden naar boven toe aangepast om rekening te houden met de kosten voor het verven. (79) Voor alle exporteurs van de steekproef werd vastgesteld dat zij de prijzen van de referentieproducten van de producenten van de Gemeenschap onderboden. In India varieerde het niveau van de onderbieding van 13,8 tot 40,8 %, in Pakistan van 11,9 tot 34,7 % en in Egypte van 23,8 tot 53,7 % waarbij deze onderbieding telkens is uitgedrukt als een percentage van de gecorrigeerde gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. (80) De Commissie evalueerde de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen van de invoer uit de betrokken landen. Er werd vastgesteld dat de prijzen van de Indiase en Egyptische invoer sedert 1992 tot 18 % waren gedaald. Hoewel de prijzen van de Pakistaanse invoer in die periode waren gestegen was deze stijging veel trager dan de zeer sterke stijgingen van de wereldprijzen voor ruw katoen. 6. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap a) Productie (81) De totale productie van beddenlinnen van de producenten van de Gemeenschap daalde met 9,6 % van 138 400 ton in 1992 tot 125 000 ton gedurende het onderzoektijdvak. Deze daling van de productie was hoofdzakelijk het gevolg van de sluiting van ondernemingen of van het feit dat deze ondernemingen hun productie van beddenlinnen in de Gemeenschap stopzetten (zie overweging 91 hieronder). Er zij ook op gewezen dat de totale uitvoer van de producenten in de Gemeenschap gestegen is met 50 % van 14 027 ton in 1992 tot 21 756 ton gedurende het onderzoektijdvak. Zonder deze uitvoer zou de productie van beddenlinnen in de Gemeenschap meer schade hebben geleden dan uit bovenstaande cijfers blijkt. Hetgeen kon worden vastgesteld voor de totale productie van de Gemeenschap herhaalde zich niet voor de 35 producenten die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormden; hun productie steeg met 8,7 % van 39 370 ton in 1992 tot 42 781 ton gedurende het onderzoektijdvak. De Commissie concludeerde dat de bedrijfstak van de Gemeenschap die bedrijven vertegenwoordigde die sterk genoeg waren om de concurrentie door de invoer met dumping te overleven en in zekere mate geprofiteerd hadden van de sluiting van die bedrijven die daarin niet waren geslaagd. In de loop van het onderzoek kreeg de Commissie namelijk het bewijs dat 29 bedrijven die geen deel uitmaakten van de bedrijfstak van de Gemeenschap, hun productie van beddenlinnen in de Gemeenschap tussen 1992 en het onderzoektijdvak hadden stopgezet of verminderd. Het geraamde totale productieverlies beliep minstens 10 000 ton per jaar. De gegevens over verkoop, werkgelegenheid en winst van de bedrijven die in die periode verdwenen zijn niet opgenomen in de gegevens die voor de bedrijfstak van de Gemeenschap werden verzameld, waardoor de evolutie met betrekking tot de overlevers geflatteerd werd. b) Verkochte hoeveelheden (82) Wat de producenten van de Gemeenschap in hun geheel betreft, daalden de verkochte hoeveelheden in de Gemeenschap, gemeten aan de hand van de productie na aftrek van de uitvoer, met 17 % van 124 400 ton in 1992 tot 103 350 ton gedurende het onderzoektijdvak. De verkoop van de producenten die de steekproef van de bedrijfstak van de Gemeenschap vormden daalde ook van 23 706 ton tot 23 347 ton, dat wil zeggen met 1,5 %. c) Verkoop uitgedrukt in waarde (83) De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg met 4,2 % van 428,6 miljoen ecu in 1992 tot 446,6 miljoen ecu in het onderzoektijdvak. De verkoop van de producenten uit de steekproef steeg eveneens van 280,6 miljoen ecu in 1992 tot 285,3 miljoen ecu (d.w.z. met 1,7 %). Er zij op gewezen dat deze stijgingen uitgedrukt in nominale waarde geen rekening houden met inflatie en in reële cijfers neerkomen op een daling aangezien de consumentenprijzen in ecu gedurende dezelfde periode in de Europese Unie met 5,5 % stegen. Er zij ook op gewezen dat deze stijgingen overtroffen werden door stijgingen van de prijzen voor ruw katoen (zie overweging 88 hieronder). Verder dient te worden opgemerkt dat de producenten die de steekproef vormden hun verkoop konden handhaven door te zoeken naar nichemarkten met hogere prijzen aangezien de prijzen van de massaproducten werden onderboden door de prijzen van de invoer. Dit patroon blijkt uit prijsontwikkelingen (zie overweging 87 hieronder). d) Marktaandeel (84) Het marktaandeel van alle producenten van de Gemeenschap uitgedrukt in hoeveelheden daalde van 62,2 % in 1992 tot 55,6 % gedurende het onderzoektijdvak. In die periode steeg het marktaandeel van de producenten van de steekproef van de bedrijfstak van de Gemeenschap enigszins van 10,7 % tot 11,3 %. De reden waarom het marktaandeel van de overlevers enigszins is gestegen is dat zij van de producenten die de concurrentie van de invoer met dumping niet hebben overleefd een gedeelte van de verkoop hebben overgenomen, met name de verkoop van producten van de nichemarkt waarvan de waarde hoger ligt. (85) Het marktaandeel uitgedrukt in waarde werd in het kader van een onderzoek geraamd. De vastgestelde patronen waren dezelfde als voor het in hoeveelheden uitgedrukte marktaandeel: de producenten van de Gemeenschap in haar geheel verloren marktaandeel (van 77,8 % in 1992 tot 72,0 % gedurende het onderzoektijdvak) terwijl de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel en de producenten van de steekproef hun marktaandeel zagen stijgen, respectievelijk van 22,4 tot 25,1 % en van 14,7 tot 16 %. e) Prijsontwikkeling (86) De Commissie onderzocht de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen voor de in aanmerking genomen referentieproducten van de producenten van de Gemeenschap die de steekproef vormden tussen 1993 en het onderzoektijdvak en gebruikte hierbij steeds hetzelfde assortiment van referentieproducten. Hieruit bleek dat de prijzen uitgaande van een index van 100 in 1993, daalden tot 97,6 in 1994, opnieuw stegen tot 98,3 in 1995 en 99,2 gedurende het onderzoektijdvak. In reële cijfers is deze daling groter aangezien in dezelfde periode de gemiddelde consumentenprijzen uitgedrukt in ecu in de Gemeenschap met 5,5 % stegen. (87) Ook de ontwikkeling van de gemiddelde prijzen per kilogram van de producenten van de steekproef werd gemeten. Deze meting liet een gemiddelde prijsontwikkeling van 100 in 1992 tot 97,8 in 1993 en tot 103,2 gedurende het onderzoektijdvak zien. Het feit dat deze meting wees op een positievere ontwikkeling dan bij de prijzen van de in aanmerking genomen referentieproducten is nogmaals een weerspiegeling van het feit dat de producenten van de steekproef gedwongen werden zich in nichemarkten terug te trekken en zich niet langer konden toeleggen op de in grote hoeveelheden verkochte massaproducten. (88) De Commissie onderzocht ook de ontwikkeling van de katoenprijzen, de belangrijkste grondstof. Dit onderzoek liet stijgingen van 48 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak en van 59 % tussen 1993 en het onderzoektijdvak zien. Aangezien de grondstof gewoonlijk 15 % van de kosten van het afgewerkte product voor zijn rekening neemt blijkt hieruit dat de stijging van de kosten van deze grondstof voor de producenten van de steekproef in de Gemeenschap bij lange na niet in de prijzen doorberekend waren. f) Rentabiliteit (89) De rentabiliteit van de bedrijven van de steekproef daalde met meer dan 50 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak, namelijk van 3,6 % van de verkoop tot 1,6 %. Dit cijfer ligt beduidend onder het cijfer van 5 % dat als een minimum kan worden beschouwd en dat deze bedrijven in 1991 haalden toen de invoer met dumping 30 % lager lag dan in het onderzoektijdvak. Het cijfer ligt ook lager dan de winst die de importeurs konden boeken, hetgeen verklaart waarom bepaalde producenten hun productie stopzetten en overschakelden op de invoer. (90) Er zij nogmaals aan herinnerd dat de bedrijven van de steekproef behoren tot de bedrijven die de concurrentie van de invoer met dumping konden overleven. Er moet ook op gewezen worden dat de bedrijfstak in kwestie niet kapitaalintensief is en een groot aantal KMO's omvat hetgeen betekent dat verlies ertoe kan leiden dat een bedrijf meteen uit de running is en niet verder kan produceren en op betere tijden kan wachten. Daarom zijn de overblijvende bedrijven rendabel of, zoals hier het geval is, nog net rendabel. g) Werkgelegenheid (91) De directe werkgelegenheid van de 35 bedrijven die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen met betrekking tot het product in kwestie daalde met 5,3 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak, dat wil zeggen van 7 000 arbeidsplaatsen tot 6 700. Bij het onderzoek van de gegevens met betrekking tot de bedrijfstak van de Gemeenschap dient rekening te worden gehouden met de 29 bedrijven die geen deel uitmaken van de bedrijfstak van de Gemeenschap en die hun productie van beddenlinnen in de Gemeenschap tussen 1992 en het onderzoektijdvak stopzetten of verminderden (zie overweging 81). Hiermee ging een verlies van 2 400 arbeidsplaatsen gepaard. h) Conclusies in verband met de schade (92) De Commissie hield rekening met alle bovenstaande economische indicatoren bij haar vaststelling of de bedrijfstak van de Gemeenschap al dan niet aanzienlijke schade had geleden. Er werd rekening gehouden met het feit dat het aantal bedrijven dat de bedrijfstak van de Gemeenschap vormde kleiner was geworden vergeleken met de aanvang van het onderzoektijdvak voor de schade. De gegevens met betrekking tot de productieverkoop, werkgelegenheid en de winsten van de bedrijven die sedertdien van de markt zijn verdwenen, zijn niet opgenomen in de gezamenlijke gegevens voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, hetgeen de resultaten voor de overlevers heeft geflatteerd. (93) De Commissie stelde de daling vast van de totale productie en van het marktaandeel van de producten van de Gemeenschap. Uit de geschetste achtergrond blijkt in welke moeilijke omstandigheden de rest van de bedrijfstak van de Gemeenschap diende te werken. Het feit dat deze bedrijven die erin slaagden te overleven hun productie en marktaandeel konden handhaven zou geen afbreuk mogen doen aan de evaluatie van de algemene situatie. De rest van de bedrijfstak van de Gemeenschap had vooral te lijden van een dalende en ontoereikende rentabiliteit zoals ook blijkt uit de prijzen waarin de stijgingen van de kosten van ruw katoen niet konden worden doorberekend of die geen gelijke tred konden houden met de inflatie van de prijzen van de consumentengoederen. (94) De Commissie was derhalve van oordeel dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade had geleden. G. OORZAKELIJK VERBAND 1. Inleiding (95) De Commissie onderzocht welke hoeveelheden tegen welke prijzen met dumping werden ingevoerd uit de exporterende landen en welke gevolgen dit had voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Als onderdeel van dit onderzoek ging de Commissie ook de gevolgen na van andere factoren om te waarborgen dat deze gevolgen niet onterecht aan de invoer met dumping werden toegeschreven. Bij dit onderzoek diende rekening te worden gehouden met contingenten die de groei van de verkoop op de markt van de Gemeenschap voor de betrokken landen en voor andere derde landen zouden kunnen hebben beperkt. 2. Gevolgen van de invoer met dumping uit de betrokken landen (96) Uit het onderzoek van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek de onbevredigende ontwikkeling van de verkoopprijzen en de hieruit voortvloeiende dalende rentabiliteit als de belangrijkste schade-indicator. Er werd ook vastgesteld dat het met dumping ingevoerde product verkocht werd tegen prijzen die de prijzen van de producenten in de Gemeenschap aanzienlijk onderboden, dat hiervan aanzienlijke en steeds stijgende hoeveelheden werden verkocht waardoor in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 25 % werd bereikt. (97) Om de impact van de invoer met dumping ten volle te kunnen evalueren zij erop gewezen dat de markt voor beddenlinnen gekarakteriseerd wordt door onderlinge vervangbaarheid van de producten en door doorzichtigheid. Belangrijke kleinhandelaren bleken ingevoerde producten en in de Gemeenschap vervaardigde producten naast elkaar te verkopen zonder dat de uiteindelijke consument van de oorsprong van het product op de hoogte werd gebracht. De doorzichtigheid van de markt bleek niet ernstig beïnvloed te worden door de verschillen in standaardproducten tussen de lidstaten. Verschillende exporteurs van de steekproef in de betrokken landen verkochten producten in drie of meer lidstaten en pasten in elk van de gevallen hun productie aan om de standaardproducten van het betrokken land te kunnen leveren. Aangezien de grote afnemers prijsgevoelig zijn kan worden geconcludeerd dat de consequent lage prijzen van de betrokken invoer samen met het aanzienlijke en steeds stijgende marktaandeel van deze invoer (zie de overwegingen 67 tot 80) voortdurend een neerwaarste druk op de prijzen van de markt van de Gemeenschap hebben uitgeoefend. (98) Ten aanzien van de producenten van de steekproef werd opgemerkt dat zij steeds meer werden gedwongen hun toevlucht te nemen tot dure nichemarkten om hun productie en verkoop te kunnen handhaven. De berekening van de onderbieding leverde het bewijs dat deze omschakeling teweeg was gebracht door de betrokken invoer. De onderbiedingsmarges lagen lager bij de goedkopere kwaliteiten waaruit bleek dat de invoer een aanzienlijke invloed had op de prijsniveaus in dit marktsegment en de prijzen van de producten in de Gemeenschap naar beneden had gehaald. Bij de invoer van duurdere producten waren de onderbiedingsmarges hoger waaruit bleek dat de invoer van deze kwaliteit nog niet plaatsvond in voldoende hoeveelheden om de prijzen van de producenten in de Gemeenschap in dezelfde mate te verlagen. Het is de moeite waard er aandacht op te vestigen dat de Commissie aanwijzingen kreeg van importeurs, van producenten in de Gemeenschap en van bedrijven die textielmachines aan de exporterende landen leveren, dat exporteurs in de betrokken landen steeds meer omschakelen op duurdere producten. (99) Aangezien de prijssuppressie en de hieruit voortvloeiende daling van de rendabiliteit tot ontoereikende niveaus de belangrijkste indicatoren waren waarop de bevinding van de Commissie met betrekking tot de schade gebaseerd was en gezien het samenvallen van de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap met de belangrijke stijging van de invoer met dumping, kan geconcludeerd worden dat er een direct oorzakelijk verband tussen deze invoer en de vastgestelde aanmerkelijke schade bestond. 3. Gevolgen van andere factoren a) Invoer uit derde landen (100) De invoer uit andere derde landen waarop deze procedure geen betrekking heeft daalde tussen 1992 en het onderzoektijdvak, zowel in absolute cijfers (van 41 000 ton tot 35 800 ton) als in marktaandeel (van 20,8 % in 1992, een beduidend hoger cijfer dan het totaal van de landen waarop deze procedure betrekking heeft, tot 19,3 % gedurende het onderzoektijdvak, een beduidend lager cijfer dan het totaal van bedoelde landen). Deze invoer was van oorsprong uit een groot aantal derde landen die niet tot de landen behoorden waarop dit onderzoek betrekking had. Het belangrijkste land wat het marktaandeel voor 1995 betreft was in dit opzicht Turkije (3,6 %). Uit de statistieken van Eurostat blijkt evenwel dat de invoer uit Turkije tussen 1992 en 1995 daalde en dat deze invoer plaatsvond tegen prijzen die aanzienlijk boven de prijzen lagen van de landen waarop dit onderzoek betrekking heeft. Tot de landen met prijzen die vergelijkbaar zijn met die van de landen waarop dit onderzoek betrekking heeft behoren Roemenië, Slowakije en Estland. Hun gezamenlijke marktaandeel van 2,8 % in 1995 bedroeg evenwel iets meer dan 10 % van het gezamenlijke marktaandeel van de landen waarop dit onderzoek betrekking heeft. (101) Uit het bovenstaande vloeit voort dat de invoer uit landen die niet onder deze procedure vallen en die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden, ook bijgedragen zou kunnen hebben tot de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had. De Commissie oordeelde evenwel dat het verband tussen de invoer met dumping en de schade waarvan de EG-bedrijfstak te lijden had voldoende duidelijk en rechtstreeks was om vast te stellen dat het toeschrijven van de schade aan deze andere invoer die slechts een klein marktaandeel bestreek, niet onjuist was. In dit opzicht bleken de ernstige gevolgen van de invoer met dumping tegen lage prijzen en in steeds grotere hoeveelheden enerzijds, en de aanzienlijke schade die aan deze invoer met dumping wordt toegeschreven, anderzijds, qua tijd redelijk met elkaar samen te vallen. b) Stijging van de prijzen voor ruw katoen (102) De wereldprijs voor ruw katoen, gemeten aan de hand van de Cotton Outlook A index (geconverteerd van US-dollar in ecu) steeg met 48 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak. Gedurende dezelfde periode ondervonden de prijzen op de markt van de Gemeenschap voor het product dat in deze procedure wordt behandeld, een sterke neerwaartse druk tengevolge van de prijsonderbieding bij de invoer met dumping. In deze periode was de prijsontwikkeling voor de producenten van de steekproef niet bevredigend. Zoals reeds werd vermeld in overweging 86 kon gemiddeld, in reële cijfers, een daling van de prijs van de referentieproducten worden vastgesteld. (103) De Commissie concludeerde dat de stijgingen van de prijzen voor de grondstoffen schade teweeg hadden gebracht. De omvang van deze schade hangt evenwel af van de mogelijkheid van de producenten om een gedeelte of het geheel van de kostenstijgingen door te berekenen. In dit geval was het redelijk om aan te nemen dat de invoer met dumping de belangrijkste reden was waarom een dergelijke doorberekening niet kon plaatsvinden. c) Ontwikkeling van vraag en verbruik in de Gemeenschap (104) Sommige exporteurs opperden de mogelijkheid dat de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had, te wijten kon zijn aan de geleidelijke daling van het totale verbruik van het betrokken product, namelijk met 7 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak. (105) Het is duidelijk dat de daling van het verbruik tussen 1992 en het onderzoektijdvak heeft bijgedragen tot de situatie waarin de bedrijfstak van de Gemeenschap zich bevindt. Deze daling had evenwel niet voor alle handelaren dezelfde gevolgen. Gedurende deze periode daalde de totale verkoop van de producenten van de Gemeenschap uitgedrukt in hoeveelheden met 50 % meer dan de totale daling van het verbruik. De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleef weliswaar betrekkelijk stabiel omdat geprofiteerd kon worden van het verdwijnen van andere producenten van de Gemeenschap, maar de invoer met dumping uit de betrokken landen steeg met 48 %. De invoer uit andere derde landen daalde met 14 %. Omdat de totale verkoop van de producenten in de Gemeenschap met 50 % meer daalde dan het totale verbruik en de verkoop bij andere invoer eveneens daalde, kan geconcludeerd worden dat de grotere omvang van de invoer tegen dumpingprijzen via aanzienlijke prijsonderbieding verantwoordelijk is voor ten minste eenderde van de te verkopen hoeveelheden die de producenten van de Gemeenschap verloren. Dit is duidelijk de oorzaak van aanzienlijke schade, die niet aan de daling van het verbruik kan worden toegeschreven. (106) Bovendien, zelfs indien de daling van het verbruik in zekere mate bijdroeg tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, vooral omdat hierdoor de positie van de grote afnemers werd versterkt bij onderhandelingen over de prijzen met de producenten van de Gemeenschap, dient er toch op gewezen te worden dat bij deze sterkere positie het feit van cruciaal belang was dat deze afnemers konden beschikken over de invoer met dumping die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderbood. d) Concurrentie van producenten in de Gemeenschap die niet tot de klagende partij behoren (107) De bedrijfstak van de Gemeenschap neemt slechts een gedeelte van de totale productie van de Gemeenschap voor zijn rekening. Derhalve dient te worden onderzocht of concurrentie van andere producenten in de Gemeenschap gevolgen heeft voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Het is bekend dat andere producenten van beddenlinnen een groot aantal "verwerkende bedrijven" omvatten, dat wil zeggen producenten die beddenlinnen vervaardigen van elders geweven ongebleekt katoen, terwijl de bedrijfstak van de Gemeenschap hoofdzakelijk bestaat uit geïntegreerde bedrijven die hun ongebleekte katoen voor het grootste gedeelte of geheel zelf weven. Zoals voorlopig, in het kader van de aparte procedure met betrekking tot de invoer van ongebleekt katoen van oorsprong uit India, Pakistan, Egypte, China, Indonesië en Turkije werd vastgesteld, werden belangrijke hoeveelheden ongebleekt katoen in de Gemeenschap ingevoerd tegen dumpingprijzen die deze producenten een onbillijk voordeel zouden hebben opgeleverd ten aanzien van de producenten die in onderhavige procedure de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat deze oneerlijke concurrentie vanuit deze hoek bijdroeg aan de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. (108) Niettemin zij erop gewezen dat de productie en het marktaandeel van de producenten die niet tot de klagende partij behoorden tussen 1992 en het onderzoektijdvak zijn gedaald. De inkrimping van de productie in de gehele Gemeenschap was immers veeleer het gevolg van de daling van producenten die geen deel uitmaakten van de klagende partij dan van die van de producenten die wel de klagende partij vormden. Aangezien de betrokken invoer gedurende deze periode is gestegen besloot de Commissie dat concurrentie van bedrijven die niet tot de klagende partij behoren de conclusie niet kon ontzenuwen dat de betrokken invoer de vastgestelde schade teweegbracht. 4. Conclusie met betrekking tot het oorzakelijk verband (109) Zoals hierboven werd aangetoond is er een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de grotere hoeveelheden met dumping ingevoerde producten en de prijzen ervan en de aanmerkelijke schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had. Het rechtstreekse verband in dit geval wordt aangetoond door het feit dat er sprake is van aanzienlijke onderbieding waardoor de aanmerkelijke stijging van het marktaandeel van de invoer met dumping van 16,9 % in 1992 tot 25,1 % gedurende het onderzoektijdvak en de hiermee gepaard gaande negatieve gevolgen voor de door de producenten van de Gemeenschap verkochte hoeveelheden en prijzen redelijkerwijze kunnen worden verklaard. Uitgedrukt in hoeveelheden daalde het marktaandeel van de producenten van de Gemeenschap van 62,2 % in 1992 tot 55,6 % gedurende het onderzoektijdvak. Deze daling kwam niet tot uiting op het niveau van de afzonderlijke producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap omdat zij voldoende voordeel konden halen uit de verdwijning van andere producenten van de Gemeenschap om hun verkochte hoeveelheden op een betrekkelijk stabiel peil te houden. De prijzen van het met dumping ingevoerde product hadden evenwel duidelijke gevolgen voor de producenten van de steekproef die grotendeels uit KMO's bestond; hun rentabiliteit daalde van 3,6 tot 1,6 %. In dit opzicht merkte de Commissie op dat een dergelijke situatie bijzonder moeilijk kan zijn voor KMO's omdat dergelijke bedrijven over weinig middelen beschikken en banken weinig geneigd zijn om verliezen te financieren. (110) De gevolgen van de invoer tegen lage dumpingprijzen dienen op twee niveaus te worden onderzocht. Ten eerste leidde deze invoer tot het verdwijnen van een aanmerkelijk aantal bedrijven met een aanzienlijk verlies aan arbeidsplaatsen. Deze evolutie is nog steeds aan de gang en zal zich waarschijnlijk voortzetten indien verder met dumping wordt ingevoerd. Ten tweede ondervinden de "overlevende" producenten verder schade op twee gebieden. Voor goedkope producten is de schade zeer ernstig aangezien deze producten geleidelijk uit het desbetreffende marktsegment worden gedreven. Bij de duurdere producten hebben deze producenten zich beter kunnen verdedigen maar de invoer met dumping richt zich geleidelijk op dit marktsegment met als gevolg dat ook hier de rentabiliteit daalt. In dit verband zij erop gewezen dat de grotere producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap met duurdere producten alleen geen redelijke bezettingsgraad van hun productiecapaciteit kunnen halen. Een redelijke bezettingsgraad van de productiecapaciteit kan slechts worden gehandhaafd door de vervaardiging van massaproducten tegen lagere prijzen en het is juist deze markt die nu in hoge mate door geïmporteerde goederen wordt gepenetreerd. (111) Het onderzoek naar de gevolgen van andere factoren dan de invoer met dumping voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in feite het bovengenoemde rechtstreekse oorzakelijke verband bevestigd. De invoer uit sommige landen waarop deze procedure geen betrekking heeft, de stijgingen van de prijzen van de grondstoffen, de inkrimping van de vraag en de concurrentie van producenten van beddenlinnen die niet tot de klagende partij behoren, hadden of kunnen negatieve gevolgen hebben gehad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Maar zelfs gezamenlijke gevolgen van deze andere factoren konden het vastgestelde rechtstreekse oorzakelijke verband niet ontzenuwen aangezien redelijkerwijze kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, indien er geen sprake was geweest van invoer met dumping, de gevolgen van deze andere factoren had kunnen opvangen zonder ernstige schade op te lopen. De invoer met dumping zelf werd derhalve geacht aanmerkelijke schade te hebben teweeggebracht in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. H. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP 1. Voorafgaande opmerkingen (112) De Commissie onderzocht op basis van het ingediende bewijsmateriaal of, ondanks de conclusie met betrekking tot dumping en schade, dwingende redenen aanwezig waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap was in dit bijzondere geval maatregelen in te stellen. Hiertoe, en ingevolge artikel 21, lid 1, van de basisverordening, onderzocht de Commissie de gevolgen van mogelijke maatregelen voor alle bij de procedure betrokken partijen alsmede de gevolgen van het niet nemen van voorlopige maatregelen. Bij dit onderzoek werd vooral aandacht besteed aan de noodzaak de handelsontwrichtende gevolgen van schadelijke dumping op te heffen om echte concurrentie op de markt van de Gemeenschap te kunnen herstellen. (113) Om deze evaluatie te staven en de gegevens die in de loop van het onderzoek van de producenten van de Gemeenschap en van de exporteurs waren verkregen te onderbouwen nam de Commissie contact op met verenigingen die importeurs en consumenten vertegenwoordigen, en stuurde zij 28 grote afnemers van beddenlinnen waaronder groothandelaren, kleinhandelaren en postorderbedrijven vragenlijsten toe om met de economische belangen van deze bedrijven rekening te kunnen houden. De Commissie antwoord ook op de reacties van andere verenigingen die zich aanmeldden en verzocht hen hun standpunten mede te delen. 2. Belangen van de bedrijfstak van de bedrijfstak van de Gemeenschap a) Aard en levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap (114) De 35 bedrijven die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen, lopen wat hun omvang betreft sterk uiteen. Hun productie varieert van 5 ton beddenlinnen per jaar tot meer dan 6 000 ton. Voor sommige bedrijven wordt beddenlinnen slechts in kleine hoeveelheden of incidenteel vervaardigd; voor andere bestrijkt het de gehele of bijna de gehele omzet. Vele van de bedrijven zijn familiebedrijven en sommige dateren van het begin van de eeuw of zelfs daarvoor. Andere bedrijven zijn aandeelhouder bij elkaar. Er werd vastgesteld dat vele van de bedrijven van de bedrijfstak van de Gemeenschap die de steekproef vormen, geïnvesteerd hebben in moderne machines, zich geconsolideerd hebben door fusies en overeenkomsten of andere herstructurering hebben doorgevoerd om levensvatbaar te blijven. Meer bewijzen van de levensvatbaarheid van de producenten van de Gemeenschap worden geleverd door de totale uitvoer van het betrokken product door de producenten van de Gemeenschap, die, zoals werd medegedeeld in overweging 81, in de onderzochte periode met 50 % steeg. b) Mogelijke gevolgen van de maatregelen (115) De communautaire basiscontingenten die van toepassing zijn op de invoer van het betrokken product uit India en Pakistan zijn gedurende het onderzoektijdvak behoorlijk gestegen. Bovendien werden de werkelijke contingenten, d.w.z. de basiscontingenten gecorrigeerd met overdrachten uit andere categorieën en/of jaren ten gevolge van bilaterale overeenkomsten, niettemin steeds voor tenminste 98 % uitgeput. Deze werkelijke contingenten lagen aanzienlijk boven de basiscontingenten, hetgeen erop wijst dat de exporteurs toegewezen quota uit andere categorieën en/of jaren hebben overgedragen op de contingenten voor het betrokken product. Hieruit blijkt dat de uitvoer uit deze landen lager lag dan het geval geweest zou zijn indien er van contingentering geen sprake was geweest. De exporteurs waren dus beperkt wat de hoeveelheden betreft. Onder deze omstandigheden mag worden verwacht dat de voorgestelde rechten slechts beperkte gevolgen zullen hebben voor de uitgevoerde hoeveelheden. Aangezien de werkelijke contingenten reeds 15 % boven de basiscontingenten liggen lijkt het risico beperkt dat door de voorgestelde maatregelen de uitvoer onder laatstgenoemde contingenten zou kunnen. (116) De invoer uit Egypte is niet aan officiële beperkingen onderworpen zodat de bovenstaande argumenten hier niet van toepassing zijn. Bij gebrek aan dergelijke beperkingen kende deze invoer evenwel een spectaculaire stijging van bijna 300 % tussen 1992 en het onderzoektijdvak. Hoewel het weinig waarschijnlijk is dat dergelijke groeipercentages zonder maatregelen lang gehandhaafd kunnen blijven, vooral indien het dalend verbruik in de Gemeenschap in aanmerking wordt genomen, bedroeg het jaarlijkse groeipercentage gedurende het onderzoektijdvak toch nog meer dan 25 %. Hoewel maatregelen de groei van de uitvoer zouden kunnen verminderen of zelfs stopzetten, is het best mogelijk dat ondanks de voorgestelde rechten de door Egypte uitgevoerde hoeveelheden niet onder de huidige niveaus zullen komen. (117) Sommige exporteurs en importeurs uit de betrokken landen voerden aan dat maatregelen in het kader van deze procedure niet zullen leiden tot een afname van grotere hoeveelheden van de producenten van de Gemeenschap. Bovenstaande analyse leidde tot het standpunt dat geen noemenswaardige stijging van de verkochte hoeveelheden mag worden verwacht. Er zij evenwel op gewezen dat de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had minder tot uiting komt in de verkochte hoeveelheden dan in de verlaging van de prijzen en de hieruit voortvloeiende daling van de rentabiliteit. In dit verband liggen de voorgestelde maatregelen, krachtens artikel 7, lid 2, van de basisverordening lager dan het volledige bedrag dat nodig is om de invoerprijzen weer te brengen op een niveau dat niet langer schadelijk zou zijn voor de bedrijfstak van de Gemeenschap (zie overweging 130). Niettemin mag worden verwacht dat door de maatregelen de prijzen van de ingevoerde goederen bij verkoop aan de eerste afnemer zullen stijgen waardoor billijke concurrentie op de markt van de Gemeenschap en de rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap zullen worden hersteld en de daling van het marktaandeel van de producenten van de Gemeenschap ongedaan zal worden gemaakt. c) Mogelijke gevolgen van het niet nemen van maatregelen (118) Indien geen maatregelen worden genomen kan worden verwacht dat de huidige moeilijkheden van de bedrijfstak van de Gemeenschap zullen verergeren vooral omdat verdere stijgingen van de contingenten voor India en Pakistan gepland zijn en het verbruik blijft dalen. Het zou kunnen dat de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap verder blijft dalen en meer en meer buiten de Gemeenschap werd gevestigd hetgeen verlies van werkgelegenheid met zich zou brengen. (119) Er zij op gewezen dat de ongeveer 6 700 personen die rechtstreeks werkzaam zijn in de sector beddenlinnen in bedrijven van de bedrijfstak van de Gemeenschap geen juist beeld geven van het werkelijke belang van deze bedrijfstak voor de werkgelegenheid in de Gemeenschap. Volgens een voorzichtige raming hangen nog 1 500 werknemers af van de bedrijfstak van de Gemeenschap omdat afwerking en presentatie via onderaanneming worden verzorgd. Er zij ook op gewezen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts een gedeelte van de totale productie van de Gemeenschap voor zijn rekening neemt. Gezien de aanhoudende daling van de productie van beddenlinnen in de Gemeenschap kan worden verondersteld dat de werkgelegenheid van de producenten die geen deel uitmaken van de klagende partij ook in gevaar zou komen indien tegen de invoer met dumping geen maatregelen zouden worden genomen. 3. Belangen van de bedrijven die leveren aan producenten van beddenlinnen (120) Een aantal fabricanten in de Gemeenschap van machines voor de vervaardiging van textiel en één vereniging van dergelijke fabrikanten schreven de Commissie om uiting te geven aan hun bezorgdheid over het feit dat maatregelen hun mogelijkheden om producten in de betrokken exporterende landen te verkopen zouden beperken. De Commissie onderzocht dit argument zorgvuldig maar concludeerde dat voorlopig een dergelijk argument niet in aanmerking kon worden genomen aangezien er geen rechtstreeks economisch verband bestond tussen deze fabrikanten van machines en het betrokken product: deze fabrikanten leverden slechts machines voor bepaalde delen van het productieproces. (121) De Commissie ging ook de gevolgen na voor de spinners en de leveranciers van katoengaren in de Gemeenschap. Gedurende het onderzoek werd het duidelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap een groot gedeelte van zijn voorraden van katoengaren kocht van spinners in de Gemeenschap. Deze verkoop zou in gevaar komen indien het ingevoerde beddenlinnen nog meer marktaandeel zou winnen. 4. Belangen van importeurs, kleinhandelaren en andere grote afnemers van beddenlinnen a) Procedure (122) 14 importeurs verzochten om toesturing van een vragenlijst. Deze vragenlijsten werden al deze importeurs toegestuurd maar slechts drie ervan stuurden deze ingevuld terug. Enkele andere importeurs en een aantal importeursverenigingen dienden hun standpunt bij de Commissie in. Bovendien stuurde de Commissie na het onderzoek bij de producenten in de Gemeenschap die belangrijke afnemers van beddenlinnen hadden aangewezen die zich aan het begin van het onderzoek niet hadden gemeld, 28 grote afnemers van beddenlinnen waaronder groothandelaren, kleinhandelaren en postorderbedrijven vragenlijsten om rekening te kunnen houden met de economische belangen van deze bedrijven en de gevolgen van eventuele maatregelen te kunnen onderzoeken voor deze bedrijven en voor hun beslissingen op het gebied van aankopen. Slechts vier van deze afnemers stuurden de vragenlijst evenwel ingevuld terug. Bepaalde sectoren zoals hotels, ziekenhuizen en de linnenverhuursector zijn ook grote afnemers en gebruikers van beddenlinnen. Een organisatie die deze sectoren vertegenwoordigt, diende zijn standpunt in na het verstrijken van de termijn. De Commissie stemde er evenwel mee in om met het ingediende standpunt rekening te houden. De vereniging stuurde evenwel geen met bewijzen gestaafde gegevens die de Commissie in staat zouden hebben gesteld de gevolgen van een antidumpingrecht voor deze sectoren te evalueren. b) Argumenten (123) De importeurs brachten twee belangrijke punten naar voren in verband met de mogelijke gevolgen van maatregelen voor hun activiteit. Het eerste punt was dat ze niet in staat zouden zijn de producten die ze invoerden en die van een goedkopere categorie waren, te vervangen door in de Gemeenschap vervaardigde goederen en dat ze bijgevolg een beroep zouden doen op leveringen uit andere derde landen. Het tweede punt was dat de hogere kosten in verband met eventuele rechten de levensvatbaarheid van en de werkgelegenheid in hun bedrijven en in toeleveringsbedrijven in gevaar zouden brengen. In verband met het eerste van deze twee punten stelde de Commissie vast dat producten van de goedkopere categorie in feite in de Gemeenschap werden vervaardigd hoewel de hoeveelheden afnamen door de concurrentie van de invoer met dumping. Er was geen technische reden waarom deze producten niet in de Gemeenschap zouden kunnen worden aangekocht. Zelfs indien de goederen werden aangevoerd uit andere derde landen oordeelde de Commissie dat de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap hierdoor zou worden berokkend minder de verkochte hoeveelheid dan wel de verlaging van de prijzen en bijgevolg de daling van de rentabiliteit betrof. In verband met het tweede punt werden de beweringen niet gestaafd met analyses of met gegevens die de Commissie in staat zouden hebben gesteld de aangevoerde argumenten te evalueren. Weinig van de zogenaamde bedreigde arbeidsplaatsen hadden met de eigenlijke invoer te maken; de meeste waren in de bevoorradingssector van de kleinhandel die eigen is aan zowel de in de Gemeenschap vervaardigde als de ingevoerde goederen. 5. Belangen van de consumenten (124) De Commissie ontving ook het standpunt van het BEUC (Europees Bureau van Consumentenverenigingen) dat de belangen van de consumenten verledigt. Dit Bureau wenste dat rekening werd gehouden met de belangen van de consument en vreesde vooral dat antidumpingrechten aan de eindgebruiker zouden worden doorberekend. Indien evenwel het antidumpingrecht via de bevoorradingsketen aan de eindgebruiker zou worden doorberekend zou een antidumpingrecht van 10 % een prijsstijging van minder dan 3 % betekenen. Om dit maximumeffect te kunnen evalueren dient men er rekening mee te houden dat deze handel wel meer schommelingen te verwerken krijgt zoals onregelmatige wisselkoersschommelingen of schommelingen in de prijzen van de grondstoffen. In dit opzicht dienen de gevolgen van de voorgestelde maatregelen als miniem te worden beschouwd. Derhalve kan redelijkerwijs worden verwacht dat de handel aan deze maatregelen het hoofd kan bieden zonder noemenswaardige gevolgen voor de consument. Bovendien zullen het grote aantal leveranciers op de markt van het beddenlinnen en de hieruit voortvloeiende concurrentie waarborgen dat de druk op de consumentenprijzen aanzienlijk blijft. 6. Handhaving van effectieve concurrentie op de markt van de Gemeenschap (125) Een andere klacht van de exporteurs was dat er een risico bestond dat de bedrijven van de klagende partij een kartel zouden vormen en dat de maatregelen bijgevolg effectieve concurrentie zouden beperken. Er is evenwel geen enkele aanwijzing dat nationale of communautaire mededingingsregels met voeten zouden worden getreden. Met dit argument moet derhalve geen rekening worden gehouden. 7. Conclusie met betrekking tot het belang van de Gemeenschap (126) De Commissie woog alle bovenstaande factoren tegen elkaar af en oordeelde dat er geen dwingende redenen waren om geen maatregelen in te stellen die de concurrentievervalsende gevolgen van de dumping met schade zouden opheffen, concurrentie met billijke prijzen zouden herstellen en zouden voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap verder schade werd berokkend. I. VOORLOPIG RECHT (127) Om te voorkomen dat de invoer met dumping verdere schade aanricht voordat het onderzoek is voltooid, zouden voorlopige antidumpingrechten moeten worden aangenomen. Deze maatregelen dienen de vorm aan te nemen van voorlopige antidumpingrechten. Gezien de ruime verscheidenheid van de door de betrokken landen uitgevoerde producten is de Commissie van oordeel dat een ad valorem recht als maatregel het meest geschikt is. (128) Bij vaststelling van het voorlopige antidumpingrecht is zowel rekening gehouden met de vastgestelde dumpingmarges als met het bedrag aan rechten dat nodig is om de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden heeft op te heffen. (129) Zoals reeds werd vastgesteld bestaat de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden heeft hoofdzakelijk uit prijssuppressie en dalende en ontoereikende rentabiliteit of verliezen. De opheffing van de schade vereist derhalve dat de bedrijfstak in een positie wordt geplaatst waarin de prijzen kunnen worden verhoogd tot rendabele niveaus zonder dat de verkochte hoeveelheden dalen. Om dit te bereiken dienen de prijzen van het betrokken ingevoerde product van oorsprong uit de momenteel onderzochte landen dienovereenkomstig te worden verhoogd. (130) In alle gevallen behalve één waren de onderbiedingsmarges die berekend werden als een percentage van de prijs franco grens Gemeenschap hoger dan de respectieve dumpingmarges vastgesteld voor de exporteurs in de steekproef en het was derhalve, overeenkomstig de regel van het lagere recht uiteengezet in artikel 7, lid 2, van de basisverordening niet nodig om het niveau vast te stellen waarop de schade wordt opgeheven en dat is gebaseerd op het verschil tussen de uitvoerprijs en de productiekosten van de producenten in de Gemeenschap vermeerderd met een minimumbedrag aan winst dat vereist is om de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap te waarborgen. Bij één exporteur lag de onderbiedingsmarge enigszins lager dan de dumpingmarge en om het bedrag aan rechten te berekenen werd derhalve een niveau vastgesteld waarop de schade werd opgeheven door de uitvoerprijs te vergelijken met het bedrag dat verkregen werd door aan de productiekosten van de Gemeenschap een redelijke winstmarge van 5 % op de omzet toe te voegen. Het op deze wijze vastgestelde niveau waarop de schade werd opgeheven was hoger dan de dumpingmarge. Derhalve zou in alle gevallen het voorlopige recht voor de exporteurs van de steekproef beperkt dienen te worden tot de dumpingmarges. (131) Het voorlopige antidumpingrecht voor bedrijven die hun medewerking verleenden maar niet in de steekproef waren opgenomen, is gelijk aan de gemiddelde dumpingmarge voor de steekproef, gewogen op basis van de uitvoer naar de Gemeenschap. Dit recht lag lager dan het recht dat nodig is om de schade in alle gevallen op te heffen. Het voorlopige antidumpingrecht voor bedrijven die hun medewerking niet verleenden is gebaseerd op de dumpingmarge die berekend werd voor die bedrijven zoals uiteengezet in overweging 51 omdat het bedrag aan rechten dat nodig is om de schade op te heffen in alle gevallen de vastgestelde dumpingmarge overschrijdt. (132) Gezien de termijn die op deze procedure van toepassing is worden de voorlopige antidumpingrechten ingesteld voor een maximumperiode van zes maanden. J. SLOTBEPALINGEN (133) Met het oog op een vlotte afhandeling dient een termijn te worden vastgesteld binnen welke de betrokken partijen hun standpunt schriftelijk bekend dienen te maken en een verzoek dienen in te dienen om te worden gehoord. Bovendien zij erop gewezen dat alle conclusies in het kader van deze verordening voorlopig zijn en eventueel opnieuw moeten worden onderzocht met het oog op een eventueel door de Commissie voor te stellen definitief recht, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Hierbij wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van beddenlinnen, al dan niet van zuiver katoen ingedeeld onder de GN-codes 6302 21 00, 6302 22 90, 6302 31 10, 6302 31 90 en 6302 32 90, van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan. 2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in de leden 3 en 4, voor producten van oorsprong uit: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 3. Op de invoer van producten die vervaardigd en verkocht worden door de producenten/exporteurs die zijn opgenomen in de bijlage worden de volgende antidumpingrechten toegepast: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 4. Op de invoer van producten die vervaardigd en verkocht worden door de onderstaande bedrijven worden de volgende antidumpingrechten toegepast: >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> 5. Tenzij anders gespecificeerd, zijn de inzake douanerechten van kracht zijnde bepalingen op dit recht van toepassing. 6. Het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product is afhankelijk van het stellen van een zekerheid gelijk aan het bedrag van het voorlopige recht. Artikel 2 Ingevolge artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen hun standpunten schriftelijk bekend maken en verzoeken door de Commissie te worden gehoord binnen 15 dagen gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Ingevolge artikel 21, lid 4 van Verordening (EG) nr. 384/96 mogen de betrokken partijen commentaar leveren op de toepassing van de Verordening binnen één maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Ingevolge de artikelen 7, 9, 10 en 14 van Verordening (EG) nr. 384/96 is deze verordening van toepassing gedurende een periode van zes maanden tenzij de Raad vóór het verstrijken van deze periode definitieve maatregelen goedkeurt. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 12 juni 1997. Voor de Commissie Leon BRITTAN Vice-Voorzitter (1) PB nr. L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. (2) PB nr. L 317 van 6. 12. 1996, blz. 1. (3) PB nr. C 266 van 13. 9. 1996, blz. 2. BIJLAGE EGYPTE AMC Arab Metals Co., Cairo Dantex Ltd, Cairo Egyptex, Cairo El Naggar Egyptian Co. For Furniture Elmahalla Nile Tex, Alexandria Wintex-Wahab International Textiles Ltd, Cairo Zahret El Mehalla for Weaving, Mehalla El Kubra - El-Seka El-Wosta INDIA A. Shashikant & Co., Mumbai (Bombay) Ajit Impex, Mumbai (Bombay) Akai Impex Ltd, Mumbai (Bombay) Alps Industries Ltd, Ghaziabad Amitara Fabrics Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) B.X. International, Mumbai (Bombay) Badridass Gauridatt Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Brijmohan Purusottamdas, Mumbai (Bombay) Bünts Exports Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Chhaganlal Kasturchand & Co. Ltd, Mumbai (Bombay) Classic Connections, Mumbai (Bombay) Concepts International India Pvt. Ltd, Gurgaon Cotfab Exports, Mumbai (Bombay) Country House, New Delhi Deepak Traders, Mumbai (Bombay) Dhanalakshmi Weaving Works, Cannanore Divya Textiles, Mumbai (Bombay) Dyna-Impex Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Elite Exports, Mumbai (Bombay) Emperor Trading Company, Tirupur Encore Themes, New Delhi Govindji Trikamdas & Co., Mumbai (Bombay) Hindustan Textiles, Cannanore Ibats, New Delhi Incotex, Mumbai (Bombay) Indo Euro Textiles Pvt. Ltd, New Delhi Indo Export Corporation, New Delhi International Services, Chennai (Madras) Intex Exports, Mumbai (Bombay) Invitation Apparels Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Jindal India, Mumbai (Bombay) Jindal Worldwide Ltd, Ahmedabad K. Overseas, New Delhi Kanodia Fabrics (International), Mumbai (Bombay) Kaushalya Export, Ahmedabad Kitu Bhandari Pvt. Ltd, New Delhi Kothari Industrial Corporation Ltd, Chennai (Madras) Lakshmi Apparels and Wovens Limited, Coimbatore Mahalaxmi Exports, Ahmedabad Maritex Exports, Mumbai (Bombay) Marwaha Exports, New Delhi Minar Exports, Mumbai (Bombay) Mridul Enterprises, New Delhi Niaz International, Farrukhabad P.J. Exports, Mumbai (Bombay) Patodia Syntex Ltd, Mumbai (Bombay) Pattex Exports, Mumbai (Bombay) Prem Textiles, Indore Punch Exporters, Mumbai (Bombay) Raghuvir Exim Ltd, Ahmedabad Rajka Designs Pvt. Ltd, Ahmedabad Sanna Inttex, Mumbai (Bombay) Santex Exports, Mumbai (Bombay) Shetty Garments Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Shivani Exports, Mumbai (Bombay) Shorewala Exim Int'l, New Delhi Shrijee Enterprises, Mumbai (Bombay) Shruti Designs Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Sohanlal Balkrishna Export, Mumbai (Bombay) Southern Sales & Services, Bangalore Standard Industries Ltd, Mumbai (Bombay) Starline Exports, Mumbai (Bombay) Sumangalam Exports Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Sunil Impex, Mumbai (Bombay) Sunil Silk Mills, Mumbai (Bombay) Sunny Made Ups, Mumbai (Bombay) Suresh & Co., Mumbai (Bombay) Surya International, Panipat Syndicate Impex, Ahmedabad Syntex Corporation Ltd, Mumbai (Bombay) Tata Exports Limited, Mumbai (Bombay) Texcellence Overseas, Mumbai (Bombay) The Hindoostan Spg. & Wvg. Mills Ltd, Mumbai (Bombay) The Ruby Mills Limited, Mumbai (Bombay) Trend Setters, Mumbai (Bombay) Trend Setters K.F.T.Z., Mumbai (Bombay) Vepar Private Limited, Ahmedabad Vigneshwara Exports Pvt. Ltd, Mumbai (Bombay) Wooltop Weaves, Chennai (Madras) PAKISTAN Adamjees Impex International, Karachi Afroze Textile Industries (Private) Ltd, Karachi Amer Fabrics Limited, Lahore Anjum Textile Mills (Private) Ltd, Faisalabad Arzoo International (Pvt.) Ltd, Faisalabad Arzoo Textile Mills Ltd, Faisalabad Asco International (Pvt.) Ltd, Karachi Aziz Sons, Karachi B.I.L. Exporters, Karachi Be Be Jan Pakistan (Pvt.) Ltd, Faisalabad Bela Textiles Limited, Karachi Dyer Textile & Printing Mills (Pvt.) Ltd, Karachi Eksons Sales Organisation, Karachi Elahi Enterprises Ltd, Lahore Elasta Amtex Industries (Pvt.) Ltd, Karachi Fairdeal Textiles (Pvt.) Ltd, Karachi Faisal Industries, Karachi Fashion Knit Industries, Karachi Gohar Enterprises, Faisalabad Gohar International (Pvt.) Ltd, Faisalabad H.A. Industries (Private) Ltd, Faisalabad Home Furnishings Ltd, Karachi Kam International, Karachi Kausar Textile Industries (Pty) Ltd, Faisalabad Kohinoor Textile Mills Ltd, Rawalpindi Latif Int'l (Pvt.) Ltd, Faisalabad Liberty Mills Limited, Karachi Linex International (Pvt.) Ltd, Karachi Lotus Textile Industries Limited, Karachi Lucky Impex, Karachi Lucky Tex, Karachi Lucky Textile Mills, Karachi M.F.M.Y. Industries Ltd, Karachi M.R. Export (Private) Ltd, Lahore Mukaty Corporation, Karachi Nadia Textile International (Pvt.) Ltd, Lahore Nakshbandi Industries Limited, Karachi Nash Textiles, Karachi Nina Industries Ltd, Karachi Nishat Mills Limited, Karachi Nishitex Enterprises, Karachi Nu-tex (Pvt.) Ltd, Karachi Parsons Industries (Pvt.) Ltd, Karachi S.P.R.L. Rehman Brothers, Lahore Sas Texexport (Pvt.) Ltd, Karachi Shabbir Associates, Karachi Sharif Textile Industries (Pvt.) Ltd, Faisalabad Sitara Textile Industries (Pvt.) Ltd, Faisalabad Syncotex Sa Agencies, Karachi The Crescent Textile Mills Limited, Faisalabad Today's Sportswear Inc., Karachi Towellers Limited, Karachi Unibro Industries Limited, Karachi Union Exports (Pvt.) Ltd, Karachi ZN Textiles (Pvt.) Ltd, Faisalabad