Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31990R2562

VERORDENING ( EEG ) NR. 2562/90 VAN DE COMMISSIE VAN 30 JULI 1990 TOT VASTSTELLING VAN EEN AANTAL UITVOERINGSBEPALINGEN VAN VERORDENING ( EEG ) NR. 2504/88 VAN DE RAAD BETREFFENDE DE VRIJE ZONES EN DE VRIJE ENTREPOTS

PB L 246 van 10.9.1990, pp. 33–43 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 01/01/1994; opgeheven door 393R2454

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1990/2562/oj

31990R2562

VERORDENING ( EEG ) NR. 2562/90 VAN DE COMMISSIE VAN 30 JULI 1990 TOT VASTSTELLING VAN EEN AANTAL UITVOERINGSBEPALINGEN VAN VERORDENING ( EEG ) NR. 2504/88 VAN DE RAAD BETREFFENDE DE VRIJE ZONES EN DE VRIJE ENTREPOTS

Publicatieblad Nr. L 246 van 10/09/1990 blz. 0033 - 0043


VERORDENING (EEG) Nr. 2562/90 VAN DE COMMISSIE van 30 juli 1990 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2504/88 van de Raad betreffende de vrije zones en de vrije entrepots

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2504/88 van de Raad van 25 juli 1988 betreffende de vrije zones en de vrije entrepots (1), inzonderheid op artikel 19,

Overwegende dat het douanetoezicht en de douanecontrole normaliter niet binnen een vrije zone of een vrij entrepot mogen plaatsvinden; dat moet worden voorzien in voorschriften die de douaneautoriteiten in staat stellen het toezicht en de controle onder de best mogelijke omstandigheden aan de periferie van de zones en de entrepots te verrichten; dat het derhalve noodzakelijk is bepalingen vast te stellen betreffende de afsluiting van de vrije zones en de ruimten van de vrije entrepots;

Overwegende dat in artikel 3, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2504/88 is bepaald dat een kopie van het vervoerdocument dat de goederen bij hun binnenkomst in of vertrek uit een vrije zone of een vrij entrepot dient te vergezellen, ter beschikking dient te worden gehouden van de douaneautoriteiten; dat deze binnenkomst of dit vertrek normaliter geen aanleiding geven tot douaneformaliteiten en dat daarbij met name slechts in bijzondere gevallen, en in het belang van de operateur zelf, de goederen bij de douaneautoriteiten worden aangebracht en een aangifte wordt overgelegd; dat het noodzakelijk is toepassingsvoorschriften voor de binnenkomst en het vertrek van de goederen vast te stellen;

Overwegende dat, in het algemeen, het ontbreken van douanecontroles in de vrije zones en de vrije entrepots niet ten gevolge heeft dat, enerzijds, de douaneautoriteiten de mogelijkheid wordt ontnomen om in bepaalde bijzondere gevallen controles te verrichten en, anderzijds, een situatie ontstaat waarin de operateurs die in deze zones of entrepots activiteiten verrichten, evenals de aard zelf van deze activiteiten, niet meer alle mogelijke garanties bieden dat de goederen niet zullen worden gebruikt of verbruikt onder andere voorwaarden dan die welke gelden voor de overige delen van het douanegebied; dat het noodzakelijk is een aantal bepalingen vast te stellen betreffende de oprichting van gebouwen in de vrije zones en aan te geven aan welke verplichtingen de operateurs dienen te voldoen vóór zij een aanvang maken met hun activiteiten in een vrije zone of een vrij entrepot, met name wat de goedkeuring van hun voorraadadministratie betreft; dat het bovendien noodzakelijk is de regels vast te stellen die bij het voeren van deze voorraadadministratie dienen te worden nageleefd;

Overwegende dat het dienstig is voor te schrijven dat de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3787/86 van de Commissie (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1325/89 (3), van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van de nietigverklaring en de intrekking van de

goedkeuring van de voorraadadministratie; dat het aanbeveling verdient te voorzien in de mogelijkheid tot wijziging of intrekking van deze goedkeuring in andere gevallen, inzonderheid wanneer wordt vastgesteld dat bij herhaling goederen uit de vrije zone of het vrije entrepot verdwijnen zonder dat deze verdwijningen naar behoren kunnen worden gerechtvaardigd;

Overwegende dat, ten einde de activiteiten in vrije zones en vrije entrepots niet te belemmeren, het dienstig is geen beperkingen te stellen op de gebruikelijke behandelingen die in een vrije zone of een vrij entrepot mogen worden verricht en die ten doel hebben de goederen in ongewijzigde staat te bewaren, hun presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of hun distributie of wederverkoop voor te bereiden; dat, aangezien de transacties in het kader van de regeling behandeling onder douanetoezicht in een vrije zone of een vrij entrepot kunnen worden verricht, deze faciliteit geen aanleiding mag geven tot ongerechtvaardigde voordelen ter zake van de rechten bij invoer; dat te dien einde bijzondere voorschriften betreffende de voorafgaande aanvraag om een vergunning tot het verrichten van gebruikelijke behandelingen dienen te worden vastgesteld;

Overwegende dat het dienstig is de procedures vast te stellen die bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen in de vrije zone of het vrije entrepot van toepassing is; dat alle voor de controle van deze procedure noodzakelijke elementen in de voorraadadministratie van de operateur zijn opgenomen; dat het derhalve aanbeveling verdient voor dit in het vrije ver-

keer brengen een vereenvoudigde procedure te gebruiken;

Overwegende dat het wenselijk is de procedures vast te stellen die van toepassing zijn op communautaire goederen waarvoor een specifieke communautaire regeling bepaalt dat zij wegens hun plaatsing in een vrije zone of een vrij entrepot in aanmerking komen voor maatregelen die in beginsel aan de uitvoer van goederen zijn verbonden;

Overwegende dat in artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2504/88 is bepaald dat deze verordening van toepassing wordt een jaar na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, die op 1 januari 1991 dient te worden vastgesteld; dat de onderhavige verordening dus eveneens op 1 januari 1992 van toepassing wordt;

Overwegende dat de in deze verordening vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douane-entrepots en vrije zones,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) basisverordening: Verordening (EEG) nr. 2504/88;

b)

operateur: iedere persoon die zich bezighoudt met de opslag, de bewerking, de verwerking, de verkoop of de aankoop van goederen in een vrije zone of een vrij entrepot;

c)

toezicht: algemene handelingen van de douaneautoriteiten die ertoe strekken de voorschriften die op vrije zones en vrije entrepots van toepassing zijn, te doen naleven;

d)

controle: specifieke handelingen zoals verificatie van goederen, controle op het bestaan en de authenticiteit van documenten, onderzoek van de boekhouding van ondernemingen en andere bescheiden, controle op transportmiddelen, personencontrole, het uitvoeren van administratief onderzoek en andere soortgelijke handelingen die ertoe strekken de voorschriften die op vrije zones en vrije entrepots van toepassing zijn, te doen naleven;

e)

landbouwgoederen: goederen die vallen onder de verordeningen bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (4). De goederen waarop de Verordeningen (EEG) nr. 3033/80 van de Raad (5) (goederen die zijn verkregen door de verwerking van landbouwprodukten) en (EEG) nr. 3035/80 van de Raad (6) (landbouwprodukten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen) van toepassing zijn, worden aan landbouwgoederen gelijkgesteld;

f)

vooruitbetaling: de betaling, voorafgaand aan de uitvoer, van een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie wanneer Verordening (EEG) nr. 565/80 in een dergelijke betaling voorziet;

g)

goederen met prefinanciering: alle goederen die bestemd zijn om in ongewijzigde staat te worden uitgevoerd en die voor een vooruitbetaling in aanmerking komen, ongeacht de omschrijving van deze goederen in de communautaire voorschriften die in de mogelijkheid van vooruitbetaling voorzien;

h)

basisprodukt met prefinanciering: ieder produkt dat bestemd is om na een meer ingrijpende behandeling dan die bedoeld in artikel 20 te hebben ondergaan, te worden uitgevoerd in de vorm van een verwerkt goed en dat daarbij in aanmerking komt voor een vooruitbetaling;

i)

verwerkte goederen: alle produkten of goederen die zijn verkregen door de verwerking van een basisprodukt met prefinanciering, ongeacht de omschrijving van deze produkten of goederen in de communautaire voorschriften die in de mogelijkheid van vooruitbetaling voorzien.

Artikel 2

1. De handelspolitieke maatregelen bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), van de basisverordening zijn de niet-tarifaire maatregelen die in het raam van de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn vastgesteld.

2. Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen in communautaire besluiten betrekking hebben op:

a) het in het vrije verkeer brengen van goederen, zijn ze noch bij de plaatsing van de goederen in een vrije zone of een vrij entrepot, noch tijdens de gehele duur van het verblijf van toepassing;

b)

de invoer (binnenbrengen in het douanegebied van de Gemeenschap) van goederen, zijn ze van toepassing bij de plaatsing van niet-communautaire goederen in een vrije zone of een vrij entrepot;

c)

de uitvoer van goederen, zijn ze van toepassing bij de uitvoer van communautaire goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap vanuit een vrije zone of een vrij entrepot. Deze goederen staan onder het toezicht van de douaneautoriteiten.

Artikel 3

De instelling van een vrije zone in een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap of de oprichting van een vrij entrepot kunnen door een ieder worden aangevraagd.

De in de Gemeenschap bestaande en op de datum van goedkeuring van deze verordening in gebruik zijnde zones zijn in bijlage I opgesomd.

De Lid-Staten delen de Commissie mee welke vrije zone zij hebben ingesteld of welke ingestelde vrije zones in gebruik worden genomen en tot de oprichting en ingebruikname van welke entrepots zij toestemming hebben gegeven, ongeacht hun benamingen. De Commissie maakt deze mededeling in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend.

Artikel 4

De afsluiting van de vrije zone of van de ruimten van het vrije entrepot dient zodanig te zijn, dat de bevoegde douaneautoriteiten op eenvoudige wijze toezicht kunnen uitoefenen aan de buitenzijde van de vrije zone of van het vrije entrepot en dat de mogelijkheid dat goederen de vrije zone en het vrije entrepot op onregelmatige wijze verlaten, wordt uitgesloten.

De aan de buitenzijde van de afsluiting grenzende zone dient zodanig te zijn ingericht dat de douaneautoriteiten passend toezicht kunnen uitoefenen. Deze zone is slechts toegankelijk met toestemming van de douaneautoriteiten.

Artikel 5

1. De vergunning tot het bouwen van een gebouw in de vrije zone dient schriftelijk te worden aangevraagd.

2. In de in lid 1 bedoelde aanvraag dient te worden aangegeven in het kader van welke activiteit het gebouw zal worden gebruikt. Deze aanvraag dient tevens alle gegevens te bevatten aan de hand waarvan de douaneautoriteiten kunnen beoordelen of zij de vergunning kunnen verlenen.

3. De douaneautoriteiten verlenen de vergunning indien de toepassing van de douanevoorschriften hierdoor niet wordt belemmerd.

4. De leden 1, 2 en 3 zijn eveneens van toepassing in geval van verbouwing van een gebouw dat zich in een vrije zone bevindt of van een gebouw dat dienst doet als vrij entrepot.

Artikel 6

Onverminderd de bepalingen inzake het toezicht als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de basisverordening, voeren de douaneautoriteiten de in de leden 2 en 4 van dat artikel bedoelde controle slechts uit door middel van steekproeven en telkens wanneer er gegronde twijfel bestaat omtrent de naleving van de toepasselijke voorschriften.

TITEL II

IN EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ ENTREPOT VERRICHTE WERKZAAMHEDEN EN GOEDKEURING VAN DE

VOORRAADADMINISTRATIE

Artikel 7

Onverminderd artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening dient de uitoefening van elke in artikel 7, lid 1, van de basisverordening bedoelde activiteit, daaronder begrepen de activiteit van overlading van goederen, vooraf ter kennis te worden gebracht van de douaneautoriteiten.

Voor de in artikel 11, lid 1, van de basisverordening bedoelde werkzaamheden bestaat deze kennisgeving uit de indiening van het verzoek om goedkeuring van de voorraadadministratie bedoeld in artikel 10.

Artikel 8

De operateur dient alle voorzorgsmaatregelen te treffen opdat de personen die hij voor het verrichten van werkzaamheden in dienst heeft, de douanewetgeving naleven.

Artikel 9

1. Een operateur kan zijn activiteiten in een vrije zone of in een vrij entrepot eerst aanvangen nadat de in artikel 11 van de basisverordening bedoelde voorraadadministratie door de douaneautoriteiten is goedgekeurd.

2. De in lid 1 bedoelde goedkeuring wordt slechts verleend aan personen die de nodige waarborgen bieden ter zake van de naleving van de bepalingen met betrekking tot de vrije zones en de vrije entrepots.

Artikel 10

1. Het in artikel 9 bedoelde verzoek om goedkeuring, hierna "verzoek" genoemd, moet schriftelijk worden ingediend bij de douaneautoriteiten, aangewezen door de Lid-Staat waar de vrije zone of het vrije entrepot zich bevindt. De Lid-Staten delen de Commissie mee welke douaneautoriteiten zij hebben aangewezen. De Commissie maakt deze mededelingen bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C.

2. In het verzoek moet worden aangegeven op welke van de in artikel 11, lid 1, van de basisverordening omschreven activiteiten het betrekking heeft. Het verzoek moet een gedetailleerde beschrijving omvatten van de gevoerde of te voeren voorraadadministratie, de aard en de douanestatus van de goederen waarop deze activiteiten betrekking hebben en alle andere gegevens aan de hand waarvan de douane-

autoriteiten kunnen nagaan of de bepalingen betreffende de vrije zones en de vrije entrepots juist worden toegepast.

3. De verzoeken en de daarop betrekking hebbende documenten worden ten minste drie jaar lang door de douaneautoriteiten bewaard, gerekend vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de operateur zijn activiteiten in de vrije zone of in het vrije entrepot heeft beëindigd.

Artikel 11

De goedkeuring van de voorraadadministratie gebeurt door middel van een schriftelijke, gedateerde en ondertekende verklaring.

De goedkeuring wordt aan de aanvrager meegedeeld.

Een kopie ervan wordt bewaard gedurende de in artikel 10, lid 3, bedoelde periode.

Artikel 12

1. Verordening (EEG) nr. 3787/86 is van overeenkomstige toepassing op de nietigverklaring en de intrekking van de goedkeuring van de voorraadadministratie.

2. De goedkeuring wordt door de douaneautoriteiten gewijzigd of ingetrokken wanneer deze aan de persoon waaraan deze goedkeuring werd verleend het verrichten van een activiteit in de vrije zone of het vrije entrepot op grond van artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening verbieden.

3. De goedkeuring wordt door de douaneautoriteiten ingetrokken wanneer wordt vastgesteld dat bij herhaling goederen verdwijnen en deze verdwijningen niet naar behoren kunnen worden gerechtvaardigd.

4. Wanneer de vergunning is ingetrokken, kunnen de activiteiten waarop de voorraadadministratie betrekking heeft niet meer in de vrije zone of het vrije entrepot worden uitgeoefend.

TITEL III

BINNENKOMST VAN GOEDEREN IN EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ ENTREPOT

Artikel 13

Onverminderd de artikelen 15 en 16 en de bepalingen van titel VI, worden de goederen bij binnenkomst in een vrije zone of een vrij entrepot niet bij de douane aangebracht of aangegeven.

De binnenkomst van elk goed op de plaats waar de activiteit wordt verricht wordt onverwijld geboekt in de in artikel 9 bedoelde vooraadadministratie.

Artikel 14

Het in artikel 3, lid 4, van de basisverordening bedoelde vervoerdocument is elk document dat op het vervoer betrekking heeft, zoals het geleidebiljet, het volgbriefje, het manifest of het verzendingsformulier, mits het alle gegevens verschaft die voor de identificatie van de goederen nodig zijn.

Artikel 15

1. Onverminderd de vereenvoudigde procedures die eventueel in het raam van de aan te zuiveren douaneregeling van toepassing zijn, moet, wanneer de goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst bij de douaneautoriteiten moeten worden aangebracht op grond van artikel 5, lid 2, onder a), van de basisverordening, het daarop betrekking hebbende douanedocument met de goederen worden aangeboden.

2. Ingeval een regeling inzake actieve veredeling of tijdelijke invoer wordt gezuiverd doordat veredelingsprodukten of ingevoerde goederen onder de regeling communautair douanevervoer, externe procedure, worden geplaatst, en vervolgens in een vrije zone of een vrij entrepot worden gebracht om later uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden uitgevoerd, controleren de douaneautoriteiten door middel van steekproeven of de in artikel 19, onder f), bedoelde vermeldingen in de voorraadadministratie zijn opgenomen.

Tevens vergewissen zij zich ervan of, bij de overdracht van goederen tussen twee operateurs binnen de vrije zone, deze vermeldingen worden opgenomen in de voorraadadministratie van de operateur aan wie de goederen worden overgedragen.

Artikel 16

Wanneer goederen waarvoor terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is verleend, in een vrije zone of in een vrij entrepot mogen worden geplaatst, geven de douane-

autoriteiten de verklaring af die is bedoeld in artikel 8, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 1574/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 16 en 17 van Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (7).

Artikel 17

Onverminderd artikel 27 kan de binnenkomst in een vrije zone of vrij entrepot van aan rechten bij uitvoer of andere bepalingen inzake uitvoer onderworpen goederen, waarvan de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de basisverordening eisen dat zij bij de douanedienst worden aangemeld, geen aanleiding geven tot het overleggen van een document bij de binnenkomst, noch tot een systematische en algemene controle op alle goederen die binnenkomen.

Artikel 18

Wanneer overeenkomstig artikel 5, lid 4, van de basisverordening een verzoek wordt ingediend, geven de douaneautoriteiten een verklaring af betreffende het communautaire

of niet-communautaire karakter van de in de vrije zone

of het vrije entrepot geplaatste goederen op een formulier

dat overeenstemt met het model en de bepalingen van bijlage II.

TITEL IV

WERKING VAN EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ

ENTREPOT

Artikel 19

1. De operateur die de overeenkomstig artikel 9 goedgekeurde voorraadadministratie bijhoudt, dient hierin alle gegevens op te nemen die nodig zijn voor de controle op de juiste toepassing van de douanevoorschriften.

2. De operateur dient iedere verdwijning van goederen, door andere dan natuurlijke oorzaak, die hij constateert, ter kennis te brengen van de douaneautoriteiten.

3. Onverminderd artikel 29 dienen in de voorraadadministratie met name voor te komen:

a) de merktekens, de nummers, het aantal en de aard van de colli, de hoeveelheid en de omschrijving van de goederen volgens de gebruikelijke handelsbenamingen alsmede, in voorkomend geval, de identificatiemerken van de container;

b)

de voor het volgen van de goederenbewegingen vereiste gegevens, en met name de plaats waar de goederen zich bevinden;

c)

de vermelding van het vervoerdocument dat bij binnenkomst en vertrek van de goederen is gebruikt;

d)

de vermelding van de douanestatus en, in voorkomend geval, van het in artikel 16 bedoelde document waaruit deze status blijkt;

e)

de gegevens betreffende de gebruikelijke behandelingen;

f)

ingeval het binnenbrengen in de vrije zone of het vrije entrepot ertoe dient de regeling actieve veredeling, de regeling tijdelijke invoer of de regeling communautair douanevervoer, externe procedure, die zelf heeft gediend tot het zuiveren van een van deze regelingen, te zuiveren, de vermeldingen bedoeld in:

- artikel 71 van Verordening (EEG) nr. 3677/86 van de Raad van 24 november 1986 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1999/85 betreffende de regeling actieve veredeling (8),

- artikel 17, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1751/84 van de Commissie van 13 juni 1984 tot vaststelling van enige nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3599/82 van de Raad betreffende de regeling "tijdelijke invoer" (9);

g)

de goederen die, indien zij in het vrije verkeer zouden worden gebracht of tijdelijk zouden worden ingevoerd, niet onderworpen zouden zijn aan de toepassing van de rechten bij invoer of de handelspolitieke maatregelen, en waarvan het gebruik of de bestemming dient te worden gecontroleerd.

4. Wanneer in het kader van een douaneregeling een boekhouding dient te worden gevoerd, worden de in deze boekhouding voorkomende gegevens niet in de in lid 1 bedoelde voorraadadministratie opgenomen.

Artikel 20

1. De in artikel 8, onder a), van de basisverordening bedoelde gebruikelijke behandelingen zijn die welke zijn omschreven in bijlage IV van Verordening (EEG) nr. 2561/90 van de Commissie (10).

2. Wanneer de behandeling van niet-communautaire goederen tot gevolg heeft dat behandelde goederen, wat de rechten bij invoer betreft, ten opzichte van onbehandelde goederen worden bevoordeeld, kan deze behandeling slechts worden uitgevoerd op voorwaarde dat het in artikel 13, lid 2, van de basisverordening bedoelde verzoek wordt ingediend op hetzelfde tijdstip als het verzoek om toestemming, overeenkomstig artikel 35, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 2561/90.

3. Wanneer de behandeling een hoger bedrag aan rechten bij invoer zou opleveren dan het bedrag aan rechten bij invoer bij niet-behandeling van de goederen, wordt deze behandeling zonder toestemming verricht en kan de belanghebbende niet meer het verzoek bedoeld in artikel 13, lid 2, van de basisverordening indienen.

Artikel 21

Wanneer niet-communautaire goederen in een vrije zone of een vrij entrepot onder de regeling actieve veredeling of de regeling behandeling onder douanetoezicht worden geplaatst, zijn van toepassing, respectievelijk, Verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling (11) en Verordening (EEG) nr. 2763/83 van de Raad van 26 september 1983 inzake de regeling volgens welke goederen onder douanetoezicht kunnen worden behandeld alvorens zij in het vrije verkeer worden gebracht (12), alsook de bepalingen die overeenkomstig artikel 8, onder b) en c), van de basisverordening worden vastgesteld.

Artikel 22

De Lid-Staten delen de Commissie mee op welke wijze zij de voorschriften betreffende de controles op de regeling actieve veredeling en de regeling behandeling onder douanetoezicht aanpassen op grond van artikel 8, onder b) en c), van de basisverordening.

Artikel 23

1. Wanneer niet-communautaire goederen binnen een vrije zone of een vrij entrepot in het vrije verkeer worden

gebracht is, onverminderd artikel 10, lid 3, van de basisverordening, de in artikel 48, lid 1, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2561/90 bedoelde procedure van toepassing zonder voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten. In dat geval dient de in artikel 11 bedoelde goedkeuring van de voorraadadministratie eveneens betrekking te hebben op het gebruik van deze voorraadadministratie voor de controle op de vereenvoudigde procedure voor het in het vrije verkeer brengen van goederen.

2. De communautaire status van de overeenkomstig lid 1 in het vrije verkeer gebrachte goederen blijkt uit het in bijlage II bedoelde document, dat door de operateur wordt afgegeven.

TITEL V

VERTREK VAN GOEDEREN UIT EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ ENTREPOT

Artikel 24

Het vertrek van goederen van de plaats waar de activiteit werd verricht, dient onverwijld in de in artikel 9 bedoelde voorraadadministratie te worden geboekt, zodanig dat deze boeking als basis kan dienen voor de controles van de douaneautoriteiten als bedoeld in artikel 26.

Artikel 25

Onverminderd de procedures die van toepassing zijn ingeval de uitvoer onderworpen is aan rechten bij uitvoer, handels-

politieke maatregelen bij uitvoer of de bepalingen van titel VI, worden de goederen bij rechtstreeks vertrek uit het douanegebied van de Gemeenschap niet bij de douane aangebracht of aangegeven.

Artikel 26

Onverminderd artikel 31 controleren de douaneautoriteiten door middel van steekproeven de voorraadadministratie van de operateur om na te gaan of de in artikel 24 bedoelde bepalingen ter zake van de uitvoer of de verzending van goederen vanuit de vrije zone of het vrije entrepot worden nageleefd.

TITEL VI

BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE COMMUNAUTAIRE LANDBOUWGOEDEREN

Artikel 27

1. Goederen met prefinanciering die op grond van artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 in een vrije zone of in een vrij entrepot zijn geplaatst, moeten bij de douane worden aangebracht en aangegeven.

2. De in lid 1 bedoelde aangifte wordt gedaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 57 van Verordening (EEG) nr. 2561/90.

Artikel 28

De in artikel 9 bedoelde voorraadadministratie moet naast de in artikel 19 opgesomde vermeldingen de datum waarop goederen met prefinanciering in de vrije zone of het vrije entrepot zijn geplaatst, alsmede de vermelding van de aangifte tot inslag bevatten.

Artikel 29

Artikel 59 van Verordening (EEG) nr. 2561/90 is van toepassing op de behandeling van goederen met prefinanciering.

Artikel 30

De verwerking van basisprodukten met prefinanciering vindt overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 565/80 in een vrije zone of een vrij entrepot plaats.

Artikel 31

1. Goederen met prefinanciering moeten ten uitvoer worden aangegeven en het douanegebied van de Gemeenschap verlaten binnen de termijnen die in de communautaire landbouwvoorschriften zijn aangegeven.

2. De in lid 1 bedoelde aangifte wordt ingediend overeenkomstig het bepaalde in artikel 62 van Verordening (EEG) nr. 2561/90.

3. Onverminderd Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad van 12 februari 1990 inzake de controle bij de uitvoer van landbouwprodukten die in aanmerking komen voor

restituties of andere bedragen (13) controleren de douaneautoriteiten de voorraadadministratie door middel van steekproeven om na te gaan of de in lid 1 bedoelde termijnen in acht worden genomen.

TITEL VII

OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

In een vrije zone of een vrij entrepot kan een bevoorradingsdepot worden opgericht overeenkomstig artikel 38 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (14).

Artikel 33

1. Artikel 5, lid 1, is niet van toepassing op gebouwen die op de datum van goedkeuring van deze verordening in vrije zones zijn gelegen of die dienst doen als een vrij entrepot, op voorwaarde dat deze gebouwen een passend toezicht van de douaneautoriteiten mogelijk maken.

2. Operateurs die reeds activiteiten uitoefenen in vrije zones en vrije entrepots, moeten de in artikel 9 bedoelde aanvraag om goedkeuring van de voorraadadministratie vóór 1 januari 1992 indienen.

Artikel 34

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1991.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1992.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 30 juli 1990.

Voor de Commissie

Christiane SCRIVENER

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 225 van 15. 8. 1988, blz. 8.

(2) PB nr. L 350 van 12. 12. 1986, blz. 14.

(3) PB nr. L 133 van 17. 5. 1989, blz. 6.(4) PB nr. L 62 van 7. 3. 1980, blz. 5.

(5) PB nr. L 323 van 29. 11. 1980, blz. 1.

(6) PB nr. L 323 van 29. 11. 1980, blz. 27.(7) PB nr. L 161 van 26. 6. 1980, blz. 3.(8) PB nr. L 351 van 12. 12. 1986, blz. 1.

(9) PB nr. L 171 van 29. 6. 1984, blz. 1.(10) Zie bladzijde 1 van dit Publikatieblad.

(11) PB nr. L 188 van 20. 7. 1985, blz. 1.

(12) PB nr. L 272 van 5. 10. 1983, blz. 1.(13) PB nr. L 42 van 16. 2. 1990, blz. 6.

(14) PB nr. L 351 van 14. 12. 1987, blz. 1.

BIJLAGE I In de Gemeenschap bestaande en op de datum van goedkeuring van deze verordening in gebruik zijnde vrije zones:

DENEMARKEN

Koebenhavns Frihavn

BONDSREPUBLIEK DUITSLAND:

Freihafen Bremen

Freihafen Bremerhaven

Freihafen Cuxhaven

Freihafen Emden

Freihafen Hamburg

Freihafen Kiel

HELLEENSE REPUBLIEK:

Eleftheri Zoni Irakleioy

Eleftheri Zoni Peiraia

Eleftheri Zoni Thessalonikis

SPANJE:

Zona franca de Barcelona

Zona franca de Cádiz

Zona franca de Vigo

IERLAND:

Ringaskiddy Free Port

Shannon Free Zone

ITALIË:

Punto franco di Trieste

Punto franco di Venezia

PORTUGAL:

Zona franca da Madeira (Caniçal)

Zona franca de Sines

VERENIGD KONINKRIJK:

West Midlands Freeport (Birmingham)

Liverpool Freeport

Southampton Freeport

Ronaldsway Airport (Ballasala, Isle of Man)

BIJLAGE II

1 Vergunninghouder (naam en volledig adres):

2 Douanekantoor:

CERTIFICAAT INZAKE DE DOUANESTATUS VAN DE IN EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ ENTREPOT OPGESLAGEN GOEDEREN

Nr.

ORIGINEEL

3 Volgnummer - Merken en nummers, aantal en aard van de colli - Hoeveelheid en omschrijving van de goederen:

4 De in vak 3 omschreven goederen zijn (¹):

- communautaire goederen

- niet-communautaire goederen

5 Plaats en datum:

Handtekening en stempelafdruk van het douanekantoor:

Noot:

(¹) De vermelding die niet van toepassing is op zodanige wijze doorhalen dat iedere latere wijziging onmogelijk wordt.

BEPALINGEN BETREFFENDE HET CERTIFICAAT INZAKE DE DOUANESTATUS VAN DE IN EEN VRIJE ZONE OF EEN VRIJ ENTREPOT OPGESLAGEN GOEDEREN 1. Het formulier waarop het certificaat betreffende de douanestatus van de in een vrije zone of een vrij entrepot opgeslagen goederen wordt gesteld, wordt gedrukt op wit houtvrij papier, dat zodanig is gelijmd dat het goed te beschrijven is en dat tussen 40 en 65 g per m$ weegt.

2. Het formaat van de formulieren bedraagt 210 × 297 mm.

3. De Lid-Staten dragen zorg voor het drukken van de formulieren. Het formulier is ter individualisering van een volgnummer voorzien.

4. Het formulier wordt gedrukt in een van de officiële talen van de Gemeenschap, aangewezen door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar het certificaat wordt afgegeven. De vakken worden ingevuld in een van de officiële talen van de Gemeenschap aangewezen door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar het certificaat wordt afgegeven.

5. In het formulier mogen geen doorhalingen of overschrijvingen voorkomen. Het aanbrengen van eventuele wijzigingen dient te geschieden door doorhaling van de onjuiste en, in voorkomend geval, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging dient te worden goedgekeurd door degene die het certificaat heeft opgesteld en dient door de douaneautoriteiten te worden geviseerd.

6. De in het certificaat voorkomende artikelen dienen elkaar zonder tussenruimte op te volgen en elk artikel dient te worden voorafgegaan door een volgnummer. Vlak onder het laatste artikel dient een horizontale lijn te worden getrokken. De niet-gebruikte ruimten dienen zodanig te worden doorgehaald dat elke latere toevoeging onmogelijk wordt.

7. Het naar behoren ingevulde origineel en een afschrift van het formulier dienen, al naar gelang van het geval, bij de binnenkomst van de goederen in de vrije zone of het vrije entrepot of bij de overlegging van de douaneaangiften bij het douanekantoor te worden overgelegd.

Na het formulier te hebben geviseerd bewaart het douanekantoor het afschrift van het certificaat.

8. Indien het certificaat overeenkomstig artikel 23, lid 2, door de operateur wordt opgesteld, mag vak nr. 5:

- vooraf van de stempelafdruk van het douanekantoor en de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor worden voorzien,

of

- door de operateur worden voorzien van de afdruk van een door de douaneautoriteiten goedgekeurde metalen stempel.

De operateur bewaart het afschrift van het certificaat bij zijn voorraadadministratie.

Top