Dieses Dokument ist ein Auszug aus dem EUR-Lex-Portal.
Dokument 31989R0768
Council Regulation (EEC) No 768/89 of 21 March 1989 establishing a system of transitional aids to agricultural income
VERORDENING (EEG) Nr. 768/89 VAN DE RAAD van 21 maart 1989 tot instelling van een regeling inzake tijdelijke inkomenssteun in de landbouw
VERORDENING (EEG) Nr. 768/89 VAN DE RAAD van 21 maart 1989 tot instelling van een regeling inzake tijdelijke inkomenssteun in de landbouw
PB L 84 van 29.3.1989, S. 8-12
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Nicht mehr in Kraft, Datum des Endes der Gültigkeit: 31/03/1993
VERORDENING (EEG) Nr. 768/89 VAN DE RAAD van 21 maart 1989 tot instelling van een regeling inzake tijdelijke inkomenssteun in de landbouw
Publicatieblad Nr. L 084 van 29/03/1989 blz. 0008 - 0012
***** VERORDENING (EEG) Nr. 768/89 VAN DE RAAD van 21 maart 1989 tot instelling van een regeling inzake tijdelijke inkomenssteun in de landbouw DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Europese Parlement (2), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3), Overwegende dat, in de context van de aan de gang zijnde hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en met name van de aanpassing van de gemeenschappelijke marktordeningen, het landbouwstructuurbeleid van de Gemeenschap is aangevuld met een aantal maatregelen die onder andere ten doel hebben de landbouwers te helpen om zich aan te passen aan de nieuwe situatie op de landbouwmarkten; dat deze maatregelen evenwel voor bepaalde categorieën gezinsbedrijven ontoereikend zouden kunnen zijn; Overwegende dat, gezien die omstandigheden en overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Brussel van februari 1988, de Lid-Staten de mogelijkheid dient te worden gegeven om tijdelijke inkomenssteun in de landbouw te verlenen ter ondersteuning van kwetsbare landbouwbedrijven waarop anders, wegens de economische en structurele situatie ervan, de aanpassing niet tot een goed einde zou kunnen worden gebracht; dat die steun er tevens toe bijdraagt om, overeenkomstig de doelstelling van artikel 39, lid 1, onder b), van het Verdrag, de levensstandaard van de landbouwbevolking op een redelijk niveau te houden en zo het evenwicht in stand te houden dat nodig is om het platteland leefbaar te houden, met inachtneming van de eisen voor het behoud van het landschap en van het milieu; Overwegende dat om een dergelijke tijdelijke steunregeling voldoende doorzichtig te maken en ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de communautaire voorwaarden die moeten zijn vervuld om te vermijden dat de doelstellingen van de Gemeenschap, met name die op het gebied van de sanering van de markten, in gevaar komen, de eis dient te worden gesteld dat de inkomenssteunprogramma's van de Lid-Staten die dergelijke maatregelen overwegen vooraf door de Commissie zijn goedgekeurd; dat, om concurrentiedistorsies tussen de landbouwers te voorkomen, in die programma's met name de relatie moet worden aangegeven en aangehouden tussen de voorgenomen steun enerzijds en het nadeel als gevolg van de gewijzigde marktsituatie anderzijds; Overwegende dat bovendien rekening moet worden gehouden met de ongelijkmatige spreiding van de bedrijven van het betrokken type over het grondgebied van de Gemeenschap en met het feit dat deze bedrijven vooral gevestigd zijn in de Lid-Staten waarvan de budgettaire mogelijkheden en bijgevolg de mogelijkheden om tijdelijke steun te verlenen veel geringer zijn dan in andere Lid-Staten; dat ter wille van de in de Europese Akte bepleite cohesie derhalve vooral in dergelijke gevallen een communautaire bijdrage moet worden verleend in de inkomenssteun die aan landbouwers met landbouw als hoofdberoep wordt toegekend; dat de bijdrage van de Gemeenschap moet worden gedifferentieerd naar gelang van de financiële behoeften en mogelijkheden in de verschillende regio's van de Gemeenschap; Overwegende dat de bijstand van de Gemeenschap wordt gefinancierd uit kredieten die zijn uitgetrokken op een apart hoofdstuk van de algemene begroting van de Gemeenschappen; dat, ten einde het beheer en de financiële uitvoering van de regeling te vergemakkelijken, dient te worden bepaald dat de financiële uitvoeringsbepalingen die zijn welke voor de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gelden krachtens Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2048/88 (5), HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Om het streven naar aanpassing van de gezinsbedrijven in de landbouw die, in de context van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, kwetsbaar zijn door de nieuwe marktverhoudingen en die wegens hun economische en structurele situatie niet in staat zijn het aanpassingsproces alleen tot een goed einde te brengen, te ondersteunen, wordt een communautaire regeling ingesteld op grond waarvan de Lid-Staten kunnen worden gemachtigd om tijdelijke inkomenssteun in de landbouw te verlenen, hierna »inkomenssteun" genoemd. De artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag zijn niet van toepassing op steun die wordt verleend in overeenstemming met deze verordening. 2. De inkomenssteun mag er met name toe bijdragen: a) om het inkomen op een redelijk niveau te houden tijdens de aanpassing van de structuur, de organisatie of het beheer van landbouwbedrijven; b) om het inkomenseffect van de financiële verplichtingen van de landbouwbedrijven te verlichten; c) om, bij verlegging van de activiteit van de landbouwer naar werkzaamheden buiten de landbouw, het inkomen uit de landbouw te ondersteunen. De inkomenssteun mag de landbouwproduktie niet stimuleren en mag geen concurrentiedistorsies tot gevolg hebben. 3. De Gemeenschap draagt bij in de financiering van de inkomenssteun overeenkomstig het bepaalde in titel II. TITEL I Inkomenssteunregeling Artikel 2 Op grond van deze regeling kan slechts machtiging worden verleend voor inkomenssteun a) in het kader van een door de betrokken Lid-Staat overeenkomstig artikel 3 opgesteld programma, b) voor begunstigden die voldoen aan de in artikel 4, lid 1, gestelde voorwaarden, c) die niet hoger is dan het overeenkomstig artikel 5 vastgestelde niveau, en d) die wordt verleend met inachtneming van de in artikel 6 vermelde bijzondere bepalingen. Artikel 3 1. Het Programma voor inkomenssteun in de landbouw, hierna »PIL" genoemd, vormt het algemene kader van de betrokken Lid-Staat voor het verlenen van inkomenssteun op nationaal, regionaal en/of sectorieel niveau. 2. In ieder PIL moeten ten minste de volgende gegevens worden vermeld: a) de concrete doelstellingen van het PIL; b) het geografische gebied en, in voorkomend geval, de landbouwsector(en) waarvoor het PIL geldt; c) de groep potentiële begunstigden van de inkomenssteun, te bepalen met inachtneming van de in artikel 4 gestelde voorwaarden; d) de bepalingen voor de steunverlening, vast te stellen met inachtneming van de in artikel 5 en in artikel 6 gestelde voorwaarden en met een verantwoording van het in artikel 5 bedoelde nadeel dat als grondslag moet dienen voor de steunverlening; e) het geraamde totale bedrag van de jaarlijkse uitgaven voor de toepassing van het PIL, alsmede de aanduiding van het bedrag dat in aanmerking kan komen voor de bijdrage van de Gemeenschap krachtens de artikelen 8 en 9. 3. Wanneer het PIL geldt voor een ander geografisch gebied dan het nationale grondgebied, wordt bij de vaststelling van dat gebied uitgegaan van de administratieve regio's van de betrokken Lid-Staat. Het toepassingsgebied hoeft evenwel niet volledig met een of meer administratieve regio's samen te vallen als de sociaal-structurele kenmerken van de landbouwbedrijven in het gekozen toepassingsgebied tot op grote hoogte homogeen zijn. Artikel 4 1. Landbouwers en op het bedrijf werkzame leden van hun gezin kunnen alleen voor inkomenssteun in aanmerking komen wanneer het per arbeidseenheid berekende totale gezinsinkomen beneden een niveau ligt dat door de betrokken Lid-Staat is vastgesteld rekening houdende met de nationale bepalingen voor soortgelijke maatregelen, alsmede met de doelstellingen en de bepalingen inzake de verlening van de inkomenssteun die in het betrokken PIL zijn vastgesteld. Dit niveau mag in geen geval hoger zijn dan 70 % van het nationale bruto binnenlands produkt of 90 % van het regionale bruto binnenlands produkt per werkende. Onder totaal gezinsinkomen wordt verstaan het inkomen van de landbouwer en de op het bedrijf werkzame leden van zijn gezin, met inbegrip van hun eventuele inkomsten uit andere bronnen dan de landbouw. 2. Het in aanmerking te nemen landbouwbedrijfsinkomen wordt bepaald: - op de grondslag van een indicator die coherent is met het begrip bruto binnenlands produkt bedoeld in lid 1, tweede alinea, - aan de hand van de boekhoudgegevens of van andere objectieve criteria met betrekking tot het bedrijf die worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 13. Artikel 5 1. Het niveau van de inkomenssteun wordt bepaald op de grondslag van het nadeel dat voor de potentiële begunstigden ontstaat als gevolg van de wijziging van de marktsituatie in de context van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de aanpassing van de gemeenschappelijke marktordeningen; het niveau van de inkomenssteun wordt, naar keuze van de betrokken Lid-Staat, forfaitair of individueel vastgesteld. 2. Wanneer het niveau van de steun voor het PIL-gebied en/of sector forfaitair wordt vastgesteld: a) wordt het in lid 1 bedoelde nadeel, overeenkomstig volgens de procedure van artikel 13 vast te stellen bepalingen, voor de bedrijven in het betrokken PIL-gebied en/of de betrokken PIL-sector globaal bepaald op de grondslag van een meerjarige referentieperiode en uitgedrukt in een totaalbedrag; b) mag de steun die aan de individuele begunstigden in het PIL-gebied en/of de PIL-sector wordt verleend in totaal niet meer bedragen dan het onder a) bedoelde bedrag; de steun mag worden gedifferentieerd op grond van objectieve criteria met betrekking tot het bedrijf (oppervlakte cultuurgrond, bruto standaardsaldo, enz.). 3. Bij individuele vaststelling van het niveau van de inkomenssteun, mag die inkomenssteun ten hoogste gelijk zijn aan het in lid 1 bedoelde nadeel dat het betrokken bedrijf heeft geleden. Dit nadeel wordt bepaald op de grondslag van een meerjarige referentieperiode en volgens bepalingen die volgens de procedure van artikel 13 moeten worden vastgesteld. Artikel 6 1. Voor het verlenen van de inkomenssteun gelden de volgende bijzondere bepalingen: a) de inkomenssteun mag niet worden verleend aan de hand van de prijzen en/of de omvang van de produktie van het betrokken bedrijf; b) de inkomenssteun aan een individuele begunstigde dient degressief te zijn en mag ten hoogste worden verleend gedurende vijf jaar vanaf de eerste betaling; c) de Lid-Staten verlenen geen inkomenssteun aan gezinnen waarvoor het landbouwbedrijfsinkomen niet significant is ten opzichte van het inkomen. 2. Ten einde concurrentiedistorsies te voorkomen, worden volgens de procedure van artikel 13 maxima voor de inkomenssteun per arbeidseenheid vastgesteld in de vorm van een percentage van het regionale of nationale gemiddelde inkomen. De steun mag in geen geval meer bedragen dan 2 500 ecu per jaar per arbeidseenheid van het betrokken bedrijf. 3. Met het oog op de in artikel 1, lid 2, onder a) en b), vermelde doelstellingen: a) mag de aan de individuele begunstigden te verlenen steun worden gekapitaliseerd, b) mag voor de toepassing van het in artikel 4, lid 1, bedoelde niveau en voor de toepassing van artikel 5 gebruik worden gemaakt van het netto landbouwinkomen van het betrokken bedrijf dat is bepaald op grond van boekhoudgegevens. De bepalingen ter uitvoering van dit lid worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 13. Artikel 7 1. Wanneer een Lid-Staat voornemens is een PIL vast te stellen of te wijzigen, deelt hij het ontwerp of de voorgenomen wijziging aan de Commissie mee. De mededeling moet de gegevens bevatten die nodig zijn om te beoordelen of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. Op verzoek van de Commissie verstrekt de betrokken Lid-Staat bijkomende beoordelingsgegevens. 2. De Lid-Staat mag de voorgenomen maatregelen niet ten uitvoer leggen voordat de Commissie het betrokken PIL heeft goedgekeurd. Bij de beoordeling vergewist de Commissie zich ervan dat de voorgenomen maatregelen in overeenstemming zijn met het bepaalde in deze verordening, rekening houdend met name met de doelstellingen bedoeld in artikel 1, lid 2, tweede alinea. 3. Binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het ontwerp-PIL of het ontwerp van wijzigingen in een PIL, beslist de Commissie over de goedkeuring ervan, na raadpleging van het in artikel 13 bedoelde Comité, op voorwaarde evenwel dat alle in artikel 3 genoemde gegevens en, in voorkomend geval, de bijkomende gegevens bedoeld in lid 1, tweede alinea, van het onderhavige artikel zijn verstrekt. 4. Het bepaalde in lid 2, eerste alinea, belet niet dat de betrokken Lid-Staat in het kader van een overeenkomstig lid 3 goedgekeurd PIL maatregelen inzake inkomenssteun toepast die in verhouding tot de in het betrokken PIL voorgestane maatregelen restrictiever zijn met name op het punt van - de geografische of sectoriële werkingssfeer, - de bepalingen inzake de steunverlening als bedoeld in de artikelen 4 en 5, en - de toepassingsduur van de werkelijk verleende inkomenssteun. 5. De Lid-Staten lichten de Commissie, op een volgens de procedure van artikel 13 vast te stellen wijze, periodiek in over de stand van de uitvoering van de goedgekeurde PIL. TITEL II Communautaire financiering van de inkomenssteun Artikel 8 1. Voor communautaire financiering komt in aanmerking inkomenssteun die wordt verleend in het kader van een overeenkomstig artikel 7, lid 3, goedgekeurd PIL en die niet alleen voldoet aan de in de artikelen 4, 5 en 6 gestelde voorwaarden, maar bovendien slechts wordt verleend voor bedrijven waarvan het bedrijfshoofd of een gezinslid dat op het bedrijf werkt voldoende vakbekwaam is en de landbouw als hoofdberoep uitoefent. Voor de toepassing van deze voorwaarde geldt het bepaalde in artikel 2, lid 5 en lid 6, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1137/88 (2). 2. Voor communautaire financiering komt evenwel slechts het gedeelte van de inkomenssteun in aanmerking. a) dat betrekking heeft op ten hoogste twee arbeidseenheden per bedrijf, met een maximum van 1 000 ecu per arbeidseenheid en per jaar, en b) dat voor het tweede, het derde, het vierde en het vijfde jaar waarin de steun aan de individuele begunstigden wordt verleend, overeenkomt met respectievelijk 85, 70, 55 en 40 % van het voor financiering in aanmerking komende bedrag van de inkomenssteun die in het eerste jaar is verleend overeenkomstig de artikelen 4 en 5. 3. Om overschrijding van de op de begroting van de Gemeenschap uitgetrokken bedragen te voorkomen, kunnen volgens de procedure van artikel 13, na raadpleging van het Comité van het EOGFL over de financiële aspecten, bijkomende voorwaarden inzake financiering van het PIL door de Gemeenschap worden vastgesteld. Artikel 9 1. De communautaire bijdrage in de financiering van de inkomenssteun bedraagt: - 70 % van het voor financiering in aanmerking komende bedrag voor bedrijven die gelegen zijn in een regio vallend onder doelstelling nr. 1 die is vermeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de cooerdinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande Financieringsinstrumenten (1); - 25 % van het voor financiering in aanmerking komende bedrag in de andere gevallen. 2. Volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag kan echter voor bepaalde gebieden vallend onder doelstelling nr. 5 b) die is vermeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88, voor de communautaire bijdrage een percentage tussen de twee in het voorgaande lid genoemde percentages worden vastgesteld. Artikel 10 De in de artikelen 8 en 9 bedoelde bijstand van de Gemeenschap wordt gefinancierd uit de kredieten die zijn uitgetrokken op een apart hoofdstuk van de algemene begroting van de Gemeenschappen. De financiële uitvoeringsbepalingen zijn die welke gelden voor de afdeling Garantie van het EOGFL. TITEL III Algemene bepalingen Artikel 11 Onverminderd andere specifieke of sectoriële communautaire voorschriften is het verboden in de landbouw inkomenssteun te verlenen volgens voorwaarden of bepalingen die afwijken van het bepaalde in deze verordening, en met name inkomenssteun waarvan het bedrag wordt bepaald aan de hand van de prijzen, de geproduceerde hoeveelheden landbouwprodukten of de produktiefactoren. Artikel 92, met uitzondering van lid 3, en artikel 93 van het Verdrag gelden voor deze steun. Artikel 12 De bepalingen ter uitvoering van deze verordening alsmede, zo nodig, de overgangsmaatregelen inzake artikel 11 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 13. Artikel 13 1. Er wordt een Comité van beheer inkomenssteun in de landbouw ingesteld, hierna het »Comité" genoemd, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. 2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel. 3. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure leidt de voorzitter deze procedure bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat. 4. De vertegenwoordiger van de Commissie legt een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over deze maatregelen binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 54 stemmen. 5. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het Comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, voor ten hoogste één maand na de kennisgeving uitstellen. De Raad kan binnen één maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen. 6. Het Comité kan elk ander vraagstuk onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld. Artikel 14 1. Na afloop van een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europese Parlement en bij de Raad op de grondslag van de haar door de Lid-Staten verstrekte gegevens een verslag in over de toepassing van de bij deze verordening vastgestelde regeling. 2. Na onderzoek van dit verslag kan de Raad, op grond van de ervaring die is opgedaan en met inachtneming van de ontwikkeling van de economische situatie en de inkomens in de landbouw, volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, de eventueel nodige wijzigingen van deze regeling vaststellen. Artikel 15 Deze verordening treedt in werking op 1 april 1989. Zij is van toepassing tot en met 31 maart 1993. Na die datum kan geen PIL meer worden goedgekeurd op grond van artikel 7 en inkomenssteun op grond van een vóór die datum goedgekeurd PIL mag aan individuele begunstigden niet meer worden toegekend na 31 maart 1998. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 21 maart 1989. Voor de Raad De Voorzitter C. ROMERO HERRERA (1) PB nr. C 236 van 2. 9. 1987, blz. 4, en PB nr. C 180 van 9. 7. 1988, blz. 9. (2) PB nr. C 49 van 29. 2. 1988, blz. 97, en PB nr. C 290 van 14. 11. 1988, blz. 161. (3) PB nr. C 319 van 30. 11. 1987, blz. 32. (4) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13. (5) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988, blz. 1. (1) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1. (2) PB nr. L 108 van 29. 4. 1988, blz. 1. (1) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988, blz. 9.