Choisissez les fonctionnalités expérimentales que vous souhaitez essayer

Ce document est extrait du site web EUR-Lex

Document 31986L0415

Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen

PB L 240 van 26.8.1986, p. 1-18 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (FI, SV, CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO, HR)

Statut juridique du document Plus en vigueur, Date de fin de validité: 31/12/2015; opgeheven door 32013R0167

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1986/415/oj

31986L0415

Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen

Publicatieblad Nr. L 240 van 26/08/1986 blz. 0001 - 0018
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 15 blz. 0238
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 15 blz. 0238


RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 24 juli 1986

betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen

(86/415/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende dat de technische voorschriften waaraan land- en bosbouwtrekkers krachtens de nationale wetgevingen moeten voldoen, onder andere betrekking hebben op de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen;

Overwegende dat deze voorschriften van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen; dat het derhalve noodzakelijk is dat alle Lid-Staten dezelfde voorschriften aannemen, hetzij ter aanvulling, hetzij in de plaats van hun huidige regelingen, met name om voor elk type voertuig de uitvoering mogelijk te maken van de EEG-goedkeuringsprocedure van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (3), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal;

Overwegende dat de harmonisatie van deze voorschriften een duidelijke veiligheidsfactor is waarmee tevens, voor wat betreft de plaats en aanduiding van de bedieningsorganen, een oplossing kan worden gevonden voor het vraagstuk van de opschriften in de verschillende talen;

Overwegende dat de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen inzake land- en bosbouwtrekkers op wielen

(1) PB nr. C 172 van 13. 7. 1981, blz. 108.

(2) PB nr. C 189 van 30. 7. 1981, blz. 15.

(3) PB nr. L 84 van 28. 3. 1974, blz. 10.

inhoudt dat de Lid-Staten onderling de controle erkennen die door elk van hen op grond van de gemeenschappelijke voorschriften wordt uitgevoerd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Onder land- of bosbouwtrekker wordt verstaan ieder motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van lading of van meerijders.

2. Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden, met ten minste twee assen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en 30 km per uur.

Artikel 2

De Lid-Staten mogen de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring van een trekker niet weigeren of de verkoop, de registratie, het in het verkeer brengen of het gebruik van een trekker niet weigeren of verbieden om redenen die verband houden met de installatie, plaats, werking en identificatie van bedieningsorganen indien deze voldoen aan de voorschriften van de bijlagen I, II, III en IV.

Artikel 3

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Lid-Staten om, met inachtneming van het Verdrag, voorschriften uit te vaardigen die zij nodig achten ter bescherming van de werknemers bij het gebruik van deze trekkers, voor

zover dit niet betekent dat aan de trekkers, in vergelijking met de bepalingen van deze richtlijn, wijzigingen worden aangebracht.

Artikel 4

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn 74/150/EEG.

Artikel 5

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 oktober 1987 aan het bepaalde in deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

2. De Lid-Staten zien erop toe dat de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht die zij aannemen op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, ter kennis van de Commissie wordt gebracht.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 24 juli 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

A. CLARK

EWG:L333UMBH00.96

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 878 mm; 137 Zeilen; 4437 Zeichen;

Bediener: PUPA Pr.: C;

Kunde: 37208 Holland

BIJLAGE I

DEFINITIES, VERZOEK OM EEG-GOEDKEURING, EEG-GOEDKEURING

1.

DEFINITIES

1.1.

Type trekker

Onder "type trekker voor wat betreft de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen'' worden trekkers verstaan die onderling niet wezenlijk verschillen voor wat de binneninrichting betreft voor zover deze van invloed kan zijn op de plaats en identificatie van de bedieningsorganen.

1.2.

Bedieningsorgaan

Onder "bedieningsorgaan'' verstaat men elk deel door welks rechtstreekse hantering de toestand of werking van de trekker of van het eraan gekoppelde materieel kan worden gewijzigd.

2.

VERZOEK OM EEG-GOEDKEURING

2.1.

Het verzoek om goedkeuring van een type trekker voor wat betreft de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen wordt ingediend door de fabrikant van de trekker of door diens gemachtigde.

2.2.

Het verzoek gaat vergezeld van een beschrijving (foto's of schema's), in drievoud, van de delen van de trekker waarop de voorschriften van deze richtlijn betrekking hebben.

2.3.

Aan de met de goedkeuring belaste technische dienst moet een voor het goed te keuren type representatieve trekker worden aangeboden, of het deel/de delen van de trekker dat/die essentieel wordt/worden geacht voor de uitvoering van de in deze richtlijn voorgeschreven keuringsproeven.

3.

EEG-GOEDKEURING

Een formulier overeenkomstig het in bijlage V afgebeelde model wordt bij het EEG-goedkeuringsformulier gevoegd.

EWG:L333UMBH01.97

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 257 mm; 25 Zeilen; 1535 Zeichen;

Bediener: PUPA Pr.: C;

Kunde: holland

BIJLAGE II

TECHNISCHE EISEN

1.

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1.

De bedieningsorganen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en mogen geen gevaar inhouden voor de bedieningspersoon, die ze gemakkelijk en zonder risico moet kunnen hanteren; zij moeten zo zijn geconstrueerd en aangebracht, of zo zijn beschermd, dat iedere ontijdige inschakeling of het ongewild op gang brengen van een beweging of van enige andere werking die een gevaar inhoudt, is uitgesloten.

1.2.

Voor de identificatie van de bedieningsorganen met symbolen moeten de gebruikte symbolen overeenstemmen met die welke in bijlage III zijn afgebeeld.

1.3.

Andere symbolen dan die welke in bijlage III voorkomen, mogen voor andere doeleinden worden gebruikt, mits zij niet kunnen worden verward met die welke in die bijlage voorkomen.

1.4.

De symbolen worden als overeenstemmend beschouwd indien de in bijlage IV aangegeven verhoudingen van de afmetingen worden gerespecteerd.

1.5.

De symbolen moeten zijn aangebracht op of in de onmiddellijke nabijheid van de bedieningsorganen.

1.6.

De symbolen moeten duidelijk tegen de achtergrond uitkomen.

1.7.

Voor zover punt 2 bijzondere voorschriften bevat die van toepassing zijn ten aanzien van de installatie, de plaats, de werking en de identificatie van de bedieningsorganen, moeten deze laatste voldoen aan de bijzondere voorschriften van punt 2. Andere oplossingen zijn toegestaan als de fabrikant bewijst dat zij een effect hebben dat ten minste gelijkwaardig is aan de eisen van deze richtlijn.

2.

BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN

2.1.

Bedieningsorganen voor het starten

De motor mag niet kunnen worden gestart als dit een ongecontroleerde verplaatsing van de trekker kan teweegbrengen.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de motor slechts kan worden gestart:

- als de versnellingshefboom in de neutrale stand of nulstand staat, of

- als de groepenschakelhendel in de neutrale stand of nulstand staat, of

- als het koppelingsmechanisme ontkoppeld is, of

- als de hydrostatische inrichting in de nulstand staat of zich niet onder druk bevindt, of

- als, in het geval van hydraulische overbrenging, het bedieningsorgaan voor de hydraulische aandrijving weer automatisch naar de neutrale stand terugkeert.

2.2.

Bedieningsorgaan voor het afzetten van de motor

Het bedienen van deze inrichting moet ten gevolge hebben dat de motor, zonder dat een voortdurende kracht op het bedieningsorgaan wordt uitgeoefend, stopt en niet opnieuw automatisch gaat draaien.

Als het bedieningsorgaan voor het afzetten van de motor niet gecombineerd is met het bedieningsorgaan voor het starten, moet de kleur ervan duidelijk afsteken tegen de achtergrond en de andere bedieningsorganen. Als dit bedieningsorgaan uit een knop bestaat, moet deze rood zijn gekleurd.

2.3.

Bedieningsorgaan voor de vergrendeling van het differentieel

Indien het bedieningsorgaan is geïnstalleerd, is de identificatie ervan verplicht. Het in werking stellen van de vergrendeling van het differentieel moet duidelijk worden gesignaleerd, voor zover de stand van het bedieningsorgaan dit niet aangeeft.

2.4.

Bedieningsorganen van de hefinrichting van de driepuntskoppeling

2.4.1.

Het is nodig dat de bedieningsorganen van de hefinrichting van de driepuntskoppeling zo zijn geïnstalleerd dat de hef- en neerlaatmanoeuvres veilig verlopen, en/of dat er op de koppelingsinrichtingen van het materieel automatische koppelingselementen aanwezig zijn waardoor de aanwezigheid

van een bedieningspersoon tussen de trekker en het materieel niet noodzakelijk is. Indien het bedieningsorgaan is geïnstalleerd, moet de aanwezigheid ervan worden aangegeven.

2.4.2.

Aan de veiligheidsvoorschriften inzake het heffen en neerlaten van de gedragen werktuigen wordt geacht te zijn voldaan wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

2.4.2.1.

hoofdbedieningsorganen

de hoofdbedieningsorganen en bijbehorende overbrenging zijn zo opgesteld of beschermd dat ze buiten bereik van de bedieningspersoon zijn wanneer hij zich op de grond bevindt tussen de trekker en het aangekoppelde materieel, of er moeten bedieningsorganen aan de buitenkant zijn aangebracht;

2.4.2.2.

bedieningsorganen aan de buitenkant

2.4.2.2.1.

de bedieningsorganen zijn zo aangebracht dat de bedieningspersoon ze vanaf een niet gevaarlijke plaats kan bedienen, bij voorbeeld als de bedieningsorganen voor het hydraulisch heffen van de driepuntskoppeling, dan wel aanvullende bedieningsorganen voor dit heffen zich bevinden buiten de verticale vlakken welke worden gevormd door de binnenzijde van de spatborden, en

2.4.2.2.2.

de hydraulische hefinrichting van de driepuntskoppeling wordt bediend door middel van bedieningsorganen die een beperkt heffen mogelijk maken, zodat telkens wanneer het bedieningsorgaan wordt gehanteerd, de hefbeweging niet meer bedraagt dan 100 mm. De meetpunten worden dan gevormd door de koppelingspunten op de onderste armen van de driepuntskoppeling, of

2.4.2.2.3.

het hydraulische hefmechanisme van de driepuntskoppeling wordt in werking gesteld door middel van bedieningsorganen die werken volgens het dodemansprincipe;

2.4.2.3.

smalspoortrekkers

in het geval van trekkers waarvan één van de aangedreven assen een vaste of instelbare kleinste spoorbreedte van niet meer dan 1 150 mm heeft, zijn de hoofdbedieningsorganen gelegen vóór het verticale vlak door het referentiepunt van de bestuurdersstoel wanneer deze laatste zich in zijn centrale stand bevindt.

2.4.2.4.

Andere oplossingen zijn toegestaan als de constructeur bewijst dat zij een effect hebben dat ten minste gelijkwaardig is aan de onder 2.4.2.1, 2.4.2.2 en 2.4.2.3 beschreven eisen.

EWG:L333UMBH02.96

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 511 mm; 76 Zeilen; 5701 Zeichen;

Bediener: PUPA Pr.: C;

Kunde: asfd

BIJLAGE III

SYMBOLEN

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

1. Bedieningsorgaan voor het starten

<?aeFN20,10"EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

2. Bedieningsorgaan voor het motortoerental

<?aeFN17,10><?aeIR19,>Betekenis: continu draaiende beweging

<?aeNF><?aeIC><?aeIL19,> continu lineaire beweging

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

3. Bedieningsorgaan voor het afzetten van de motor

<?aeFN6>(motor met elektrische ontsteking en motor met compressieontsteking)

> EIND VAN DE GRAFIEK>

4. Bedieningsorgaan voor de parkeerrem

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

<?aeVS1"EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

5. Bedieningsorgaan voor de vergrendeling van het differentieel> EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

6. Bedieningsorgaan voor koppeling van de aftakas

<?aeFN18,><?aeIR19,>Betekenis: gekoppelde stand

<?aeNF><?aeIC><?aeIL19,>ontkoppelde stand

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

7. Bedieningsorgaan voor de inschakeling van de aftakas en/of voor het kiezen van de draaisnelheid

<?aeFN19,>Betekenis: ontkoppelde en niet ingeschakelde stand

<?aeFN20,6><?aeIR19,>Betekenis: ingeschakelde maar niet gekoppelde stand

<?aeIC><?aeNF><?aeIL19,> gekoppelde en ingeschakelde stand

>EIND VAN DE GRAFIEK>

NB:

Bovenstaande symbolen hebben betrekking op een bedieningsorgaan voor het inschakelen en kiezen van de draaisnelheid van een aftakas met twee draaisnelheden. Met symbool nr. 1 wordt de toestand aangeduid waarin is ontkoppeld en de keuzehefboom zich in de neutrale stand bevindt. Met symbool nr. 2 wordt de toestand aangeduid waarin de aftakas is ingeschakeld op een draaisnelheid van 1 000 omw./min., maar niet gekoppeld. Symbool nr. 3 geeft de toestand aan waarin de aftakas is gekoppeld en ingeschakeld op een draaisnelheid van 1 000 omw./min.

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

8. Bedieningsorgaan voor de hefinrichting

<?aeFN17,10><?aeIR19,>Betekenis: geheven stand

<?aeIC><?aeNF><?aeIL19,>neergelaten stand>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

9. Bedieningsorgaan voor de afstandsbediening van uitwendige accessoires

<?aeFN17,10><?aeIR19,> Betekenis: gekoppelde stand

<?aeIC><?aeNF><?aeIL19,>ontkoppelde stand<?Ð>

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

10. Bedieningsorgaan voor het dimlicht>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

11. Bedieningsorgaan voor de richtingaanwijzers

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

12. Bedieningsorgaan voor de waarschuwingsknipperlichten>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

13. Algemeen bedieningsorgaan voor de verlichting

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

14. Bedieningsorgaan voor de breedtelichten vóór>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

15. Bedieningsorgaan voor het groot licht

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

16. Bedieningsorgaan voor de mistlichten vóór>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

17. Bedieningsorgaan voor het (de) mistlicht(en) achter

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

18. Bedieningsorgaan voor het (de) parkeerlicht(en)>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

19. Bedieningsorgaan voor het werklicht

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

20. Bedieningsorgaan voor de ruitewissers>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

21. Bedieningsorgaan voor het geluidssignaal

<?aeFN20,4><?aeIB18,><?aeRW.4><?aeRF><?aeIC"EIND VAN DE GRAFIEK>

a a a

a a a

EWG:L333UMBH03.96

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 2791 mm; 52 Zeilen; 2794 Zeichen;

Bediener: PUPA Pr.: C;

Kunde: 37208, L 333 Holl. 03

BIJLAGE IV

OPBOUW VAN HET BASISMODEL VAN DE IN BIJLAGE III AFGEBEELDE SYMBOLEN

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Figuur 1>EIND VAN DE GRAFIEK>

Basismodel

Het basismodel bestaat uit:

1. een basisvierkant met zijden van 50 mm, welker lengte a) gelijk is aan de nominale maat a) van het origineel;

2. een basiscirkel met een diameter van 56 mm die bij benadering dezelfde oppervlakte heeft als het basisvier-

kant (1);

3. een tweede, in het basisvierkant (1) ingeschreven cirkel met een diameter van 50 mm;

4. een tweede vierkant, waarvan de hoeken op de basiscirkel (2) liggen en waarvan de zijden evenwijdig zijn aan de zijden van het basisvierkant (1);

5. en 6. twee rechthoeken, waarvan de oppervlakte gelijk is aan die van het basisvierkant (1) en waarvan de zijden loodrecht op elkaar staan. Ieder van deze rechthoeken snijdt de tegenovergestelde zijden van het basisvierkant op symmetrische wijze;

7. een derde vierkant, waarvan de zijden onder een hoek van 45 g door de snijpunten van het basisvierkant (1) en de basiscirkel (2) gaan, en dat aldus de grootste horizontale en verticale afmetingen van het basismodel bepaalt;

8. een onregelmatige achthoek waarvan de zijden een hoek van 30 g vormen met de zijden van het vier-

kant (7).

Het basismodel is aangebracht op een rastertekening waarop de afstand tussen de lijnen 12,5 mm bedraagt. De zijden van het basisvierkant (1) vallen samen met genoemde lijnen.

EWG:L333UMBH04.97

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 257 mm; 24 Zeilen; 1452 Zeichen;

Bediener: PUPA Pr.: C;

Kunde: asfd

BIJLAGE V

MODEL

Maximumformaat: DIN A4 (210 mm x 297 mm)

Aanduiding van de

overheidsinstantie

BIJLAGE BIJ HET EEG-GOEDKEURINGSFORMULIER VAN EEN TYPE TREKKER MET BETREKKING TOT DE INSTALLATIE, PLAATS, WERKING EN IDENTIFICATIE VAN DE BEDIENINGSORGANEN

(Artikel 4, lid 2, en artikel 10 van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen)

EEG-goedkeuringsnummer: .

1. Fabrieks- of handelsmerk van de trekker: .

.

2. Type trekker: .

3. Naam en adres van de fabrikant: .

.

.

4. Eventueel naam en adres van de gemachtigde van de fabrikant: .

.

.

5. Korte beschrijving van het type trekker met betrekking tot de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen: .

.

6. Trekker ter goedkeuring aangeboden op: .

7. Technische dienst belast met de keuringsproeven: .

8. Datum van het door deze dienst afgegeven rapport: .

9. Nummer van het door deze dienst afgegeven rapport: .

10. De goedkeuring met betrekking tot de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen is verleend/geweigerd (¹).

11. Plaats: .

12. Datum: .

13. Handtekening: .

14. De volgende tekeningen, voorzien van het hierboven vermelde goedkeuringsnummer, zijn bij deze mededeling gevoegd:

Een stel tekeningen van de bedieningsorganen alsmede van de delen van de trekker die van belang worden geacht met het oog op Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen.

De tekeningen worden op uitdrukkelijk verzoek aan de bevoegde instantie van de overige Lid-Staten toegestuurd.

15. Eventuele opmerkingen: .

.

.(¹) Doorhalen wat niet van toepassing is.

EWG:L333UMBH05.95

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 261 mm; 48 Zeilen; 1909 Zeichen;

Bediener: MIKE Pr.: A;

Kunde: 37208 Holland L 333

Haut