Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31985R0797

Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur

PB L 93 van 30.3.1985, pp. 1–18 (DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (ES, PT)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 09/08/1991; afgeschaft en vervangen door 31991R2328

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1985/797/oj

31985R0797

Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur

Publicatieblad Nr. L 093 van 30/03/1985 blz. 0001 - 0018
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 03 Deel 34 blz. 0066
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 03 Deel 34 blz. 0066


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 797/85 VAN DE RAAD

van 12 maart 1985

betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de in artikel 39, lid 1, sub a) en b), van het Verdrag omschreven doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet kunnen worden bereikt wanneer geen hulp wordt geboden om, met name in gebieden met zeer acute problemen, de doeltreffendheid van de landbouwstructuur verder te verbeteren;

Overwegende dat de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur een onmisbaar onderdeel van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vormt; dat zij derhalve op een communautaire conceptie en communautaire criteria dient te berusten;

Overwegende dat de diversiteit in de oorzaken, de aard en de ernst van de landbouwstructuurproblemen regionaal gedifferentieerde oplossingen kan vergen, die na verloop van tijd kunnen worden aangepast; dat een bijdrage moet worden geleverd tot de algemene sociaal-economische ontwikkeling van de betrokken gebieden; dat het beste effect kan worden verkregen, wanneer de Lid-Staten aan de hand van communautaire concepties en criteria met eigen wettelijke en bestuursrechtelijke voorzieningen aan de gemeenschappelijke actie uitvoering geven;

Overwegende dat de landbouwstructuur in de Gemeenschap wordt gekenmerkt door het feit dat op vele landbouwbedrijven de structurele voorwaarden om een redelijk inkomen en een redelijke levensstandaard te bereiken niet aanwezig zijn;

Overwegende dat in de toekomst alleen die bedrijven zich aan de economische ontwikkeling zullen kunnen aanpassen, waarvan het bedrijfshoofd een adequate beroepskwalificatie heeft en waarvan de rentabiliteit aan de hand van een boekhouding en een verbeteringsplan wordt getoetst;

Overwegende dat in de huidige economische situatie de communautaire of nationale steunmaatregelen moeten worden geconcentreerd op bedrijven die een arbeidsinkomen opleveren dat lager is dan het vergelijkbare inkomen en die bijgevolg aan steun het meest behoefte hebben;

Overwegende dat, gezien de situatie op de markten voor een groot aantal landbouwprodukten, aanpassing van de bedrijfsstructuur door verbetering van de produktiviteit met de daaruit voortvloeiende produktiestijging niet realiseerbaar is; dat het noodzakelijk blijkt de steun te concentreren op investeringen waardoor de produktiekosten kunnen worden verlaagd, de levens- en arbeidsomstandigheden kunnen worden verbeterd, of die op omschakeling van de produktie gericht zijn;

Overwegende dat voorts, met het oog op het na te streven marktevenwicht in de Gemeenschap, voor de toekenning van investeringssteun in de sector van de varkenshouderij en in die van de melkveehouderij specifieke voorwaarden moeten gelden; dat om dezelfde reden steun voor investeringen in de sector eieren en pluimvee dient te worden verboden;

Overwegende dat toekenning van bijzondere voordelen aan jonge landbouwers niet alleen hun vestiging kan vergemakkelijken, maar ook de aanpassing van de structuur van hun bedrijf, nadat zij zich voor het eerst hebben gevestigd;

Overwegende dat de boekhouding een onmisbaar instrument is voor de juiste beoordeling van de economische en financiële toestand van het bedrijf en

met name van bedrijven die worden gemoderniseerd; dat een financiële stimulans het voeren van een boekhouding kan bevorderen;

Overwegende dat het ter wille van een rationele produktie en een verbetering van de levensstandaard eveneens gewenst is de oprichting aan te moedigen van samenwerkingsverbanden voor bedrijfsverzorging, voor rationeler gemeenschappelijk gebruik van landbouwwerktuigen of voor gezamenlijke exploitatie;

Overwegende dat in dit verband tevens de oprichting van landbouwverenigingen voor uit vervanging of bedrijfsbeheer bestaande dienstverlening dient te worden bevorderd;

Overwegende dat de Raad op de grondslag van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (1) de communautaire lijsten heeft vastgesteld van de bergstreken en probleemgebieden waarvoor op het niveau van de Gemeenschap bijzondere maatregelen moeten worden genomen die op de situatie in die gebieden zijn afgestemd, met name ten einde rekening te houden met de natuurlijke produktieomstandigheden en landbouwers in die gebieden een redelijk inkomen te waarborgen;

Overwegende dat het, om de voor de landbouw in deze gebieden gestelde doelstellingen te bereiken, volstrekt noodzakelijk kan zijn aan de bedrijfshoofden die hun landbouwberoep in de probleemgebieden blijven uitoefenen, een jaarlijkse compenserende vergoeding uit te keren die ertoe strekt de in Richtlijn 75/268/EEG genoemde permanente natuurlijke belemmeringen te compenseren; dat de Lid-Staten de hoogte van deze vergoeding moeten kunnen bepalen naar gelang van de omvang van de bestaande belemmeringen binnen voor de verschillende soorten gebieden vastgestelde grenzen en voorwaarden, zowel wat de bedragen als de betrokken produktietakken betreft;

Overwegende dat voorts de exploitatiestructuur in deze gebieden wegens de permanente belemmeringen slechts kan worden verbeterd, wanneer de investeringssteun wordt verhoogd en deze steun kan worden verleend voor beperkte investeringen ten behoeve van met de landbouw te combineren activiteiten in de toeristische of ambachtelijke sfeer;

Overwegende dat de rationalisatie van de landbouwbedrijven en het belang van de landschapsverzorging vereisen dat steun wordt toegekend voor collectieve investeringen voor de produktie van voedergewassen, de verbetering van en de collectieve voorzieningen in gewone weiden en bergweiden;

Overwegende dat bepaalde gebieden die worden gekenmerkt door bepaalde specifieke belemmeringen, zoals natuur- en landschapsparken, waar handhaving van de landbouwactiviteiten, in voorkomend geval met inachtneming van bepaalde bijzondere voorwaarden, noodzakelijk is, met de gebieden bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 75/268/EEG dienen te worden gelijkgesteld, ten einde behoud van het milieu te verzekeren;

Overwegende dat de Lid-Staten bovendien de mogelijkheid dient te worden verleend bijzondere maatregelen te treffen in ecologisch kwetsbare gebieden met het oog op het invoeren of handhaven van landbouwactiviteiten die verenigbaar zijn met de eisen van landschapsbescherming;

Overwegende dat veel probleemgebieden in de Gemeenschap, met name die welke overeenkomstig Richtlijn 75/268/EEG zijn aangewezen, worden gekenmerkt door bijzondere problemen die vooral voortvloeien uit onvolkomenheden in de infrastructuur, een gebrekkige bosbouwstructuur of de ongunstige huisvestingssituatie op het platteland, en dat de algehele of althans gedeeltelijke oplossing van deze problemen volstrekt noodzakelijk kan zijn voor de aanpassing van de landbouwstructuur; dat dient te worden voorzien in een kader waarbinnen specifieke maatregelen kunen worden genomen om deze bijzonder acute problemen in de betrokken gebieden te helpen oplossen;

Overwegende dat, gezien de situatie op de markten voor landbouwprodukten en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor de aanpassing van de landbouwbedrijfsstructuur, ter aanvulling van de maatregelen ten behoeve van de landbouw, bijzondere maatregelen op bosbouwgebied moeten worden getroffen die aan de betrokken landbouwbedrijven ten goede komen, zoals de bebossing van produktieve landbouwgrond, de aanleg van windsingels, brandgangen en boswegen, en de verbetering van de exploitatie van de beboste oppervlakten;

Overwegende dat de bosbouwmaatregelen over het algemeen met elkaar in verband staan en kunnen bijdragen tot:

- het behoud en de verbetering van bodem, fauna, flora en oppervlakte- en grondwaterhuishouding,

- een grotere produktiviteit van de landbouwgronden door de verbetering van de natuurlijke produktieomstandigheden en een betere aanwending van arbeidskrachten in de landbouw;

Overwegende dat de ontwikkeling en de specialisatie van de landbouw een aanzienlijke verhoging vereisen van het peil van de algemene, technische en economische vorming van de landbouwberoepsbevolking, met name in het geval van nieuwe oriëntaties in

bedrijfsvoering, produktie en afzet en wat de jongeren betreft die voornemens zijn zich als landbouwer te vestigen of dit onlangs hebben gedaan;

Overwegende dat de ontoereikendheid van de middelen voor scholing en bijscholing met name van die voor de leiding en de beheerders van landbouwcooeperaties en -samenwerkingsverbanden, in tal van gebieden een belemmering vormt voor de noodzakelijke aanpassing van de landbouwstructuur;

Overwegende dat voorts door middel van modelprojecten, met inbegrip van de verspreiding van de resultaten van de werkzaamheden en van de opgedane ervaringen op het gebied van de landbouwstructuur, de aanpassing van de communautaire landbouw kan worden vergemakkelijkt;

Overwegende dat het geheel van beoogde maatregelen van communautair belang is en gericht is op het bereiken van de in artikel 39, lid 1, sub a), van het Verdrag genoemde doeleinden, met inbegrip van de structuurwijzigingen die nodig zijn voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt; dat deze maatregelen derhalve een gemeenschappelijke actie vormen in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (1); dat voorts, opdat de voorgenomen maatregelen volledig effect kunnen sorteren, de financiering door de Gemeenschap voor bepaalde gebieden en bepaalde maatregelen dient te worden verruimd;

Overwegende dat de Gemeenschap, aangezien zij bijdraagt in de financiering van deze gemeenschappelijke actie, in de gelegenheid moet zijn, zich ervan te vergewissen dat de door de Lid-Staten ter uitvoering van de gemeenschappelijke actie getroffen maatregelen doeltreffend zijn; dat te dien einde moet worden voorzien in een procedure waarbij een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie tot stand wordt gebracht in het kader van het Permanent Comité voor de landbouwstructuur, ingesteld bij artikel 1 van de beschikking van de Raad van 4 december 1962 betreffende de cooerdinatie van het structuurbeleid in de landbouw (2), en waarbij ten aanzien van de financiële aspecten het Comité van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), bedoeld in de artikelen 11 tot en met 15 van Verordening (EEG) nr. 729/70, wordt geraadpleegd;

Overwegende dat het gewenst is dat het Europese Parlement en de Raad elk jaar aan de hand van een door de Commissie ingediend verslag, de resultaten van de getroffen communautaire en nationale maatregelen kunnen toetsen om te kunnen beoordelen of de ingestelde regeling dient te worden aangevuld of aangepast;

Overwegende dat wegens de voorgenomen horizontale communautaire maatregelen bepaalde specifieke gemeenschappelijke acties waartoe ten behoeve van bepaalde gebieden door de Raad is besloten, aan de in deze nieuwe maatregelen gestelde voorwaarden moeten worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Ten einde de permanente ontwikkeling van de landbouw in de Gemeenschap te ondersteunen, wordt een gemeenschappelijke actie in de zin van artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 729/70 ingesteld waaraan door de Lid-Staten uitvoering dient te worden gegeven en die ten doel heeft de doeltreffendheid van de bedrijven te verbeteren en tot de ontwikkeling van de bedrijfsstructuren bij te dragen, waarbij echter voor de instandhouding van het natuurlijke landbouwpotentieel zorg dient te worden gedragen.

2. Overeenkomstig titel VIII heeft de financiële bijdrage van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie, hierna het Fonds te noemen, voor de in lid 1 bedoelde actie betrekking op maatregelen die verband houden met:

a) investeringen in landbouwbedrijven en vestiging van jonge landbouwers,

b) andere maatregelen ten behoeve van landbouwbedrijven die betrekking hebben op de invoering van een boekhouding, en op het creëren en functioneren van samenwerkingsverbanden, diensten en voorzieningen die voor verscheidene bedrijven bestemd zijn,

c) specifieke maatregelen ten behoeve van de landbouw in bergstreken en in bepaalde probleemgebieden,

d) maatregelen op bosbouwgebied ten behoeve van de landbouwbedrijven,

e) aanpassing van de beroepsopleiding aan de eisen van de moderne landbouw.

TITEL I

Steunregeling voor investeringen in landbouwbedrijven

Artikel 2

1. De Lid-Staten stellen, ten einde tot een verbetering van het landbouwinkomen en van de levens-, werk- en produktieomstandigheden op de landbouwbedrijven bij te dragen, uit hoofde van de gemeenschappelijke actie bedoeld in artikel 1, een steunregeling in voor investeringen in landbouwbedrijven, waarvan het bedrijfshoofd:

a) de landbouw als hoofdberoep uitoefent;

b) over voldoende vakbekwaamheid beschikt;

c) een plan indient voor de verbetering van zijn bedrijf. In dit plan moet met een specifieke berekening worden aangetoond, dat de investeringen gerechtvaardigd zijn in het licht van de toestand en van de opzet van het bedrijf en dat de uitvoering van dit plan zal leiden tot een duurzame en aanzienlijke verbetering van deze toestand en met name van het arbeidsinkomen per volle arbeidskracht (VAK) op het bedrijf.

De Lid-Staten kunnen echter ook op verzoek van het bedrijfshoofd een verbeteringsplan goedkeuren indien wordt aangetoond dat dit plan noodzakelijk is om het huidige peil van het arbeidsinkomen per VAK op het betrokken bedrijf te kunnen handhaven. Wanneer van deze afwijking gebruik wordt gemaakt, wordt het bedrag dat uit hoofde van artikel 26, lid 2, voor financiering uit het Fonds in aanmerking komt, met 20 % verminderd;

d) zich ertoe verplicht een vereenvoudigde boekhouding te voeren, die ten minste het volgende behelst:

- het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken,

- het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.

Voor de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 75/268/EEG aangewezen probleemgebieden mogen echter de Helleense Republiek en de Italiaanse Republiek voor wat betreft de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden, verbeteringsplannen accepteren die gedurende de eerste drie jaar van deze gemeenschappelijke actie worden ingediend door bedrijven die niet aan de in dit punt bedoelde voorwaarden voldoen, mits er op het bedrijf ten hoogste werk is voor één VAK, en de beoogde investeringen niet meer dan 25 000 Ecu belopen.

2. De in lid 1 bedoelde steunregeling geldt uitsluitend voor landbouwbedrijven:

- waarvan het arbeidsinkomen per VAK lager is dan het in lid 3 bedoelde referentie-inkomen,

- waarvan het in lid 1, sub c), bedoelde verbeteringsplan geen arbeidsinkomen voorziet dat meer bedraagt dan 120 % van dit referentie-inkomen.

3. De Lid-Staten stellen het in lid 2 bedoelde referentie-inkomen vast op een peil dat niet hoger mag liggen dan het gemiddelde brutoloon van de niet-agrarische werknemers in het betrokken gebied.

4. Het in lid 1 bedoelde verbeteringsplan behelst ten minste

- een beschrijving van de begintoestand,

- een beschrijving van de toestand bij de voltooiing van het plan, opgesteld op basis van een voorlopige begroting,

- opgave van de maatregelen, en met name van de investeringen die worden beoogd.

5. De Lid-Staten definiëren het begrip »bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw" voor de toepassing van deze verordening.

Voor natuurlijke personen behelst deze definitie ten minste de voorwaarde dat het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de aan werkzaamheden buiten het bedrijf bestede arbeidstijd minder dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt.

Met inachtneming van de in de vorige alinea aangegeven criteria definiëren de Lid-Staten dit begrip voor andere dan natuurlijke personen.

6. Voorts stellen de Lid-Staten de criteria vast die in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van het bedrijfshoofd, gelet op zijn opleidingsniveau als landbouwer en/of op een minimumduur aan beroepservaring.

Artikel 3

1. De in artikel 2 bedoelde steunregeling kan betrekking hebben op investeringen die gericht zijn op:

- verbetering van de kwaliteit en omschakeling van de produktie, aan de hand van de behoeften van de markt,

- aanpassing van het bedrijf ten einde de produktiekosten te verlagen, de levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren of energie te besparen,

- bescherming en verbetering van het milieu.

2. Toekenning van de in lid 1 bedoelde investeringssteun kan worden uitgesloten of beperkt wanneer deze investeringen leiden tot een hogere produktie op het bedrijf van produkten waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden bestaan.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, de noodzakelijke maatregelen vast en omschrijft met name de produkten in de zin van de eerste alinea. 3. Onder voorbehoud van latere andersluidende beslissingen krachtens lid 2, mag de in lid 1 bedoelde steun niet worden verleend voor investeringen in de sector van de melkproduktie die leiden tot het overschrijden van de uit hoofde van de artikelen 2, 3 en 6 van Verordening (EEG) nr. 857/84 (1), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 590/85 (2), vastgestelde referentiehoeveelheid, behalve wanneer vooraf een extra referentiehoeveelheid is toegekend overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub c), van die verordening of via overdracht is verkregen overeenkomstig artikel 7, lid 1, van dezelfde verordening.

In dit geval wordt de steun slechts toegekend indien de investering niet tot gevolg heeft dat het aantal melkkoeien stijgt tot meer dan 40 per VAK en tot meer dan 60 koeien per bedrijf of, indien het bedrijf over meer dan 1,5 VAK beschikt, niet tot gevolg heeft dat het aantal melkkoeien met meer dan 15 % stijgt.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van Verordening (EEG) nr. 857/84 de na het verstrijken van die verordening geldende voorwaarden vast voor het toekennen van de steun aan investeringen die leiden tot een verhoging van de melkproduktie.

4. Onder voorbehoud van latere andersluidende beslissingen krachtens lid 2, wordt de in lid 1 bedoelde steun voor investeringen in de sector varkenshouderij die leiden tot een verhoging van de produktiecapaciteit beperkt, voor wat aanvragen betreft die vóór 31 december 1986 zijn ingediend, tot investeringen die het aantal plaatsen voor mestvarkens tot 500 per bedrijf kunnen doen stijgen en, voor wat aanvragen betreft die zijn ingediend tussen 1 januari en 31 december 1987, tot investeringen die het aantal plaatsen tot 400 kunnen doen stijgen.

Een plaats voor een fokzeug komt overeen met 6,5 plaatsen voor mestvarkens.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vóór 31 december 1987 de regeling vast die wordt toegepast op de aanvragen die worden ingediend tussen 1 januari 1988 en 31 december 1989.

Bij ontstentenis van een beslissing van de Raad op dat tijdstip bepaalt de Commissie volgens de procedure van artikel 25:

- het aantal plaatsen voor varkens per bedrijf dat mag worden bereikt en dat het onderwerp kan vormen van de in lid 1 vastgestelde steun met inachtneming van een marge die ligt tussen 300 en 500 plaatsen per bedrijf,

- het totaal maximum van het aantal plaatsen voor varkens dat mag worden bereikt met inachtneming van een marge die ligt tussen 600 en 800 plaatsen per bedrijf.

Voorts mag, wanneer een verbeteringsplan voorziet in investeringen in de sector varkenshouderij, voor deze investering slechts steun worden toegekend indien na uitvoering van het plan ten minste het equivalent van 35 % van het door de varkens verbruikte voeder op het bedrijf kan worden geproduceerd.

5. De in lid 1 bedoelde steun kan in geen geval worden toegekend voor de sector eieren en pluimvee.

Artikel 4

1. De in artikel 3, lid 1, bedoelde steunregeling voor investeringen heeft betrekking op steun in de vorm van een kapitaalsubsidie of het equivalent daarvan in de vorm van rentesubsidie of uitstel van aflossingen, of een combinatie daarvan, voor de investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van het verbeteringsplan, met uitzondering van uitgaven voor de aankoop van:

- grond,

- levende varkens en levend pluimvee, alsmede slachtkalveren.

Wat de aankoop van levend vee betreft, kan alleen de eerste aanschaf uit hoofde van het verbeteringsplan in aanmerking komen.

Bovendien kan de steunregeling betrekking hebben op de zekerheidstelling voor aangegane leningen en de daarover verschuldigde rente, ter aanvulling van ontoereikende zakelijke en persoonlijke zekerheden.

2. De in lid 1 bedoelde kapitaalsubsidie kan betrekking hebben op een investeringsvolume van maximaal 60 000 Ecu per VAK en 120 000 Ecu per bedrijf. De Lid-Staten kunnen minimumgrenzen voor deze bedragen vaststellen.

De in lid 1 bedoelde steun bedraagt maximaal 35 % en in de in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 75/268/EEG bedoelde gebieden maximaal 45 % van de investering in onroerend goed en 20 %, respectievelijk 30 %, van de overige investeringen.

De Raad kan, op voorstel van de Commissie, volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, een Lid-Staat voor een bepaalde duur machtiging verlenen om meer steun te verlenen dan in de tweede alinea is bepaald, indien dit op grond van de situatie op de kapitaalmarkt van de betrokken Lid-Staat verantwoord is.

Voor de periode van 30 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening wordt de in de tweede alinea genoemde maximale steun voor Griekenland, Ierland en Italië met 10 % verhoogd voor investeringen opgenomen in verbeteringsplannen die in die periode worden ingediend.

(1) PB nr. C 347 van 22. 12. 1983, blz. 15.

(2) PB nr. C 127 van 14. 5. 1984, blz. 157.

(3) PB nr. C 103 van 16. 4. 1984, blz. 29.

(1) PB nr. L 128 van 19. 5. 1975, blz. 1.

(1) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13.

(2) PB nr. 136 van 17. 12. 1962, blz. 2892/62.

(1) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 13.

(2) PB nr. L 68 van 8. 3. 1985, blz. 1.

Artikel 5

De Lid-Staten kunnen de in artikel 4 bedoelde steun verlenen aan bedrijfshoofden die na de uitvoering van een verbeteringsplan nog steeds voldoen aan de in artikel 2, lid 1, genoemde voorwaarden, mits aan alle in artikel 3 genoemde voorwaarden wordt voldaan. Over een periode van zes jaar kan echter voor ten hoogste twee plannen steun worden verleend en het totale investeringsvolume waarvoor de steun krachtens artikel 28 kan worden vergoed, wordt voor die periode beperkt tot 60 000 Ecu per VAK en 120 000 Ecu per bedrijf.

Artikel 6

1. Een verbeteringsplan in de zin van artikel 2, lid 1, sub c), kan betrekking hebben op een individueel bedrijf of op samenwerkingsverbanden van bedrijven met het oog op een fusie van al die bedrijven of een gedeelte ervan.

2. In het geval van samenwerkingsverbanden van bedrijven heeft het verbeteringsplan betrekking op het gehele samenwerkingsverband en, in voorkomend geval, ook op de bedrijfsonderdelen die beheerd blijven door de leden van het samenwerkingsverband.

3. De Lid-Staten kunnen de in artikel 4 bedoelde steun verlenen aan de samenwerkingsverbanden van bedrijven wanneer alle bij het betrokken samenwerkingsverband aangesloten bedrijfshoofden voldoen aan de in artikel 2, lid 1, genoemde voorwaarden.

4. De in artikel 4, lid 2, en artikel 5, genoemde maxima mogen worden vermenigvuldigd met het aantal bedrijven van het samenwerkingsverband. De in artikel 3, leden 3 en 4, bedoelde maxima mogen slechts in het geval van een uit een volledige fusie voortkomend bedrijf worden vermenigvuldigd met het aantal bedrijven van het samenwerkingsverband.

Deze maxima kunnen evenwel niet meer bedragen dan:

- 120 koeien,

- driemaal het aantal varkensplaatsen dat voortvloeit uit artikel 3, lid 4,

- 360 000 Ecu aan investeringen,

per samenwerkingsverband, met inbegrip van, in voorkomend geval, de bedrijfsonderdelen die beheerd blijven door de leden van het samenwerkingsverband.

5. De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 25, een Lid-Staat toestaan de in artikel 4 bedoelde steun toe te kennen, onder de voorwaarden van lid 4 van het onderhavige artikel, aan landbouwcooeperaties die zich uitsluitend bezighouden met het beheer van een landbouwbedrijf. Terzelfder tijd stelt de Commissie de specifieke voorwaarden vast voor de toekenning van de steun aan deze cooeperaties alsmede de voorwaarden voor en de grenzen van een overschrijding van het in lid 4 vastgestelde investeringsvolume.

6. De Lid-Staten stellen de voorwaarden vast waaraan samenwerkingsverbanden moeten voldoen, met name wat betreft:

- de rechtsvorm,

- de minimumduur, die zes jaar bedraagt,

- de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal,

- de deelneming van de leden aan het beheer.

Artikel 7

De Lid-Staten kunnen bijzondere steun verlenen aan jonge landbouwers van minder dan 40 jaar.

Deze steun kan betrekking hebben op:

1. steun voor eerste vestiging op een landbouwbedrijf, op voorwaarde dat de jonge landbouwer zich vestigt met landbouw als hoofdberoep en dat hij bij zijn vestiging of uiterlijk twee jaar later voldoende vakbekwaam is en er op het bedrijf ten minste werk is voor één VAK.

De Lid-Staten omschrijven het beroepsopleidingsniveau waarover de betrokken landbouwer bij de eerste vestiging moet beschikken of dat hij binnen twee jaar na deze vestiging moet bereiken voordat de premie voor financiering door het EOGFL in aanmerking kan komen.

De vestigingssteun kan het volgende omvatten:

a) een eenmalige premie met een maximumbedrag dat voor financiering in aanmerking komt van 7 500 Ecu. De Lid-Staten mogen deze premie vervangen door een gelijkwaardige rentesubsidie;

b) een rentesubsidie voor leningen die worden aangegaan ter dekking van de kosten van vestiging.

De rentesubsidie bedraagt maximaal 5 % en wordt toegekend voor een periode van 15 jaar; de gekapitaliseerde waarde van deze subsidie mag niet meer bedragen dan 7 500 Ecu.

De Lid-Staten mogen de tegenwaarde van de rentesubsidie die uit de omvang en de looptijd van de aangegane leningen voortvloeit, uitbetalen in de vorm van een subsidie; 2. bijkomende investeringssteun ten bedrage van maximaal 25 % van de krachtens artikel 4, lid 2, verleende steun, op voorwaarde dat het jonge bedrijfshoofd binnen vijf jaar nadat hij zich voor het eerst op een landbouwbedrijf heeft gevestigd, een verbeteringsplan in de zin van artikel 2, lid 1, sub c), indient en voldoet aan de in punt 1, eerste alinea, genoemde eis inzake vakbekwaamheid.

Artikel 8

1. Investeringssteun boven het in artikel 4, lid 2, bedoelde bedrag, in voorkomend geval verhoogd met het in artikel 7, punt 2, bedoelde bedrag, aan bedrijven die aan de in artikel 2 en artikel 6 gestelde voorwaarden voldoen, is verboden, met uitzondering van steun:

- voor de bouw van bedrijfsgebouwen,

- voor de verplaatsing ten algemenen nutte van bedrijfsgebouwen,

- voor grondverbeteringswerkzaamheden,

mits deze steun wordt toegekend overeenkomstig artikel 3 van deze verordening, alsmede de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag.

2. Wanneer de Lid-Staten investeringssteun verlenen aan bedrijven die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, moet deze steun ten minste een vierde lager zijn dan de steun die wordt verleend krachtens artikel 4; dit geldt echter niet voor investeringssteun voor:

- het realisieren van energiebesparingen,

- bescherming en verbetering van het milieu,

- grondverbetering,

welke steun het in artikel 4, lid 2, genoemde niveau mag bereiken.

Deze steun mag worden verleend voor een totaal investeringsvolume van 60 000 Ecu per VAK en 120 000 Ecu per bedrijf voor een periode van zes jaar.

3. In afwijking van lid 2 mogen de Lid-Saten overgangssteun verlenen voor investeringen in kleine landbouwbedrijven die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1.

Deze overgangssteun mag slechts worden toegekend voor een investeringsbedrag van 25 000 Ecu en mag niet onder gunstiger voorwaarden worden toegekend dan die van artikel 4, in voorkomend geval vermeerderd met de in artikel 7, punt 2, bedoelde steun.

4. Investeringssteun aan bedrijven is verboden wanneer de investeringen niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 of wanneer deze steun niet is toegestaan op grond van artikel 4.

De in de leden 2 en 3 bedoelde steun kan echter worden verleend voor:

- investeringen in de sector eieren en pluimvee, die noodzakelijk zijn ten gevolge van door de overheid opgelegde verplichtingen en beperkingen in het kader van de bescherming en de verbetering van het milieu, mits deze investeringen niet tot een verhoging van de produktie leiden;

- investeringen in de sector ganzen en eenden die voor de produktie van vette lever (foie gras) zijn bestemd;

- de aankoop van vee die op grond van artikel 4, lid 1, kan worden gestimuleerd, waarbij het niet een eerste aankoop mag betreffen.

Voor de in de leden 2 en 3 bedoelde bedrijven wordt bovendien het in artikel 3, lid 3, bedoelde aantal melkkoeien op 40 per VAK en per bedrijf vastgesteld.

5. De in dit artikel genoemde verboden en beperkingen gelden echter niet voor steun:

- voor de aankoop van grond,

- in de vorm van een goedkoop beheerskrediet met een looptijd van maximaal één landbouwjaar,

- voor de aankoop van mannelijke fokdieren,

- in de vorm van garanties voor aangegane leningen, inclusief rente,

mits deze steun wordt verleend overeenkomstig de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag.

TITEL II

Andere maatregelen ten behoeve van landbouwbedrijven

Artikel 9

1. De Lid-Staten kunnen een regeling instellen om de invoering van een boekhouding op landbouwbedrijven te stimuleren.

In het kader van deze regeling wordt aan bedrijfshoofden met hoofdberoep landbouw die daarom verzoeken, steun toegekend, gespreid over ten minste de eerste vier jaren waarin op hun bedrijf een bedrijfs-economische boekhouding wordt gevoerd, met dien verstande dat de betrokken boekhouding gedurende ten minste vier jaar moet worden gevoerd.

De Lid-Staten stellen het bedrag van deze steun vast binnen een marge van 700 tot 1 050 Ecu.

2. De in lid 1 genoemde boekhouding:

a) omvat:

- de opstelling van een jaarlijkse begin- en eindinventaris,

- de systematische en regelmatige registratie van de verschillende goederen- en geldstromen betreffende het bedrijf in de loop van het boekjaar; b) leidt tot de jaarlijkse opstelling:

- van een beschrijving van de algemene bedrijfskenmerken, met name van de gebruikte produktiefactoren,

- van een gedetailleerde balans (activa en passiva) en een gedetailleerde exploitatierekening (kosten en opbrengsten),

- van de nodige gegevens ter beoordeling van de doeltreffendheid van de bedrijfsvoering in haar geheel, en met name van het arbeidsinkomen per VAK en het inkomen van het bedrijfshoofd, alsmede ter beoordeling van de rentabiliteit van de belangrijkste bedrijfsonderdelen.

3. Wanneer het bedrijf wordt geselecteerd door de door de Lid-Staten aangewezen instanties voor het verzamelen van boekhoudgegevens ten behoeve van voorlichting en wetenschappelijk onderzoek, met name in het kader van het Boekhoudkundig Informatienet van de Gemeenschap, verbindt het bedrijfshoofd dat de in lid 1 bedoelde steun ontvangt zich ertoe de boekhoudgegevens van zijn bedrijf in anonieme vorm ter beschikking te stellen van de genoemde instanties.

Artikel 10

De Lid-Staten kunnen aan erkende samenwerkingsverbanden voor bedrijfsverzorging, voor een rationeler gemeenschappelijk gebruik van landbouwwerktuigen of voor gezamenlijke exploitatie die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn opgericht, op hun verzoek een startpremie verlenen als bijdrage in de beheerskosten voor maximaal de eerste vijf jaar na hun oprichting.

De Lid-Staten stellen het bedrag van deze steun vast aan de hand van het aantal deelnemers en van de gezamenlijk uitgeoefende activiteiten, en maximaal op 15 000 Ecu per erkend samenwerkingsverband.

De Lid-Staten bepalen voorts de rechtsvorm van deze samenwerkingsverbanden, alsmede de voorwaarden voor de samenwerking door hun leden.

Artikel 11

1. De Lid-Staten kunnen landbouwverenigingen die ten doel hebben bedrijfsverzorgingsdiensten op te richten, op hun verzoek een startpremie verstrekken als bijdrage in de beheerskosten.

2. Om de in lid 1 bedoelde steun te kunnen ontvangen moet de bedrijfsverzorgingsdienst erkend zijn door de Lid-Staat en ten minste één full-time kracht in dienst hebben die volledig voor zijn taak bevoegd is.

3. De Lid-Staten bepalen de voorwaarden voor de erkenning van de in lid 1 bedoelde diensten, en met name:

- de rechtsvorm,

- de eisen inzake beheer en boekhouding,

- de gevallen waarin de bedrijfsverzorging moet plaatsvinden; deze kunnen de vervanging van het bedrijfshoofd, zijn echtgenoot of een volwassen medewerker omvatten,

- de minimumduur waarvoor deze diensten moeten worden opgericht, met dien vestande dat deze ten minste tien jaar moet bedragen,

- het minimumaantal aangesloten landbouwers.

4. De Lid-Staten stellen de in lid 1 bedoelde startpremie vast op maximaal 12 000 Ecu per full-time bedrijfsverzorger die zich bezighoudt met de in lid 2 bedoelde werkzaamheden. Dit bedrag moet, eventueel degressief, worden gespreid over de eerste vijf dienstjaren van elke bedrijfsverzorger.

Artikel 12

1. De Lid-Staten kunnen aan landbouwverenigingen die ten doel hebben diensten voor bedrijfsbeheer op te richten, op hun verzoek een startpremie verlenen als bijdrage in de beheerskosten.

2. De in lid 1 bedoelde steun wordt verleend voor de werkzaamheden van personen belast met analyse van boekhoudresultaten en andere gegevens ten behoeve van bedrijfshoofden.

3. Om in aanmerking te kunnen komen voor de in lid 1 bedoelde steun moet de dienst voor bedrijfsbeheer erkend zijn door de Lid-Staat en ten minste één gekwalificeerde full-time kracht in dienst hebben voor de in lid 2 bedoelde werkzaamheden.

4. De Lid-Staten bepalen de voorwaarden voor de erkenning van de in lid 1 bedoelde diensten, en met name:

- de rechtsvorm,

- de eisen inzake beheer en boekhouding,

- de minimumduur waarvoor deze diensten moeten worden opgericht, met dien verstande dat deze ten minste tien jaar moet bedragen,

- het minimumaantal aangesloten landbouwers. 5. De Lid-Staten stellen de in lid 1 bedoelde startpremie vast op maximaal 12 000 Ecu per full-time kracht die zich bezighoudt met de in lid 2 bedoelde werkzaamheden. Dit bedrag moet, eventueel degressief, worden gespreid over de eerste vijf dienstjaren van elke betrokken kracht.

6. De Lid-Staten mogen het in lid 5 bedoelde startpremiestelsel vervangen door een startsteunregeling voor de invoering van bedrijfsbeheer van landbouwbedrijven voor bedrijfshoofden met landbouw als hoofdberoep, die een beroep doen op de in lid 1 bedoelde diensten voor bedrijfsbeheer.

In dat geval stellen de Lid-Staten de steun vast op maximaal 500 Ecu te verdelen over ten minste twee jaren.

TITEL III

Specifieke maatregelen ten behoeve van de landbouw in bergstreken en in bepaalde probleemgebieden

Artikel 13

1. In gebieden die voorkomen op de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 75/268/EEG opgestelde communautaire lijst van probleemgebieden kunnen de Lid-Staten voor de uitoefening van landbouwactiviteiten een jaarlijkse compenserende vergoeding toekennen naar verhouding van de omvang van de in artikel 3 van genoemde richtlijn omschreven permanente natuurlijke belemmeringen, met inachtneming van de in de artikelen 14 en 15 van de onderhavige verordening genoemde grenzen en voorwaarden.

2. In de gebieden die voorkomen op de volgens de procedure van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 75/268/EEG vastgestelde lijst is het verboden een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen toe te kennen die deze grenzen overschrijdt of van deze voorwaarden afwijkt.

Artikel 14

1. Wanneer de Lid-Staten een compenserende vergoeding toekennen, komen daarvoor in aanmerking de bedrijfshoofden die ten minste 3 hectare cultuurgrond exploiteren en de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar na de eerste betaling van een compenserende vergoeding een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 1 van Richtlijn 75/268/EEG. Het bedrijfshoofd kan van deze verbintenis worden ontslagen, indien hij zijn landbouwactiviteit beëindigt en verdere exploitatie van de betrokken oppervlakten gewaarborgd is; hij wordt van deze verbintenis ontslagen in geval van overmacht en met name in geval van onteigening of aankoop ten algemenen nutte. Voorts wordt het bedrijfshoofd van deze verbintenis ontslagen wanneer hij een ouderdomspensioen ontvangt.

Voor de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden, voor de gebieden in de Franse overzeese departementen en voor de Griekse gebieden, wordt de minimumoppervlakte cultuurgrond per bedrijf evenwel vastgesteld op 2 hectare.

2. De uitgaven voor de compenserende vergoeding komen evenwel niet in aanmerking voor vergoeding door het Fonds krachtens artikel 26 wanneer de betrokken landbouwer een ouderdomspensioen ontvangt.

3. De Lid-Staten kunnen voor de toekenning van de compenserende vergoeding bijkomende of limitatieve voorwaarden stellen.

Artikel 15

1. De Lid-Staten stellen het bedrag van de compenserende vergoeding vast naar gelang van de omvang van de permanente natuurlijke belemmeringen voor de landbouwactiviteit en binnen de hieronder genoemde grenzen, zonder dat deze vergoeding evenwel minder dan 20,3 Ecu per grootvee-eenheid (GVE), of, in voorkomend geval, in de in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 75/268/EEG omschreven gebieden, minder dan 20,3 Ecu per hectare, kan bedragen.

a) Wat de rundvee-, schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal gehouden dieren. De vergoeding mag evenwel niet meer dan 101 Ecu per GVE bedragen. Het totaalbedrag van de vergoeding mag 101 Ecu per hectare voedergewassen van het bedrijf niet overschrijden. De tabel voor de omrekening van runderen, eenhoevigen, schapen en geiten in GVE is opgenomen in de bijlage.

Koeien waarvan de melk bestemd is voor verhandeling, kunnen slechts voor de berekening van de vergoeding in aanmerking worden genomen in de in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 75/268/EEG omschreven gebieden, alsmede in de in artikel 3, leden 4 en 5, van deze richtlijn omschreven gebieden waar de melkproduktie een belangrijk deel van de produktie van de bedrijven uitmaakt.

Wanneer de Lid-Staten van deze mogelijkheid gebruik maken in de in artikel 3, leden 4 en 5, van genoemde richtlijn omschreven gebieden, mogen per bedrijfshoofd niet meer dan 20 melkkoeien voor de berekening van de vergoeding in aanmerking worden genomen. b) Wat andere teelten dan de rundvee-, de schapen- en geitenteelt en de teelt van eenhoevigen betreft, wordt de vergoeding in de in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 75/268/EEG bedoelde gebieden berekend op basis van de oppervlakte cultuurgrond, verminderd met de oppervlakte voedergewassen, het tarweareaal en de oppervlakte aaneengesloten aanplantingen van appel-, pere- en perzikbomen boven 0,5 hectare per bedrijf. Zij kan niet meer dan 101 Ecu per hectare bedragen.

2. Het staat de Lid-Staten vrij de compenserende vergoeding niet toe te kennen voor het geheel of een gedeelte van de produktievormen die in aanmerking kunnen komen voor de in lid 1, sub b), bedoelde maatregel.

3. Wanneer degene die een compenserende vergoeding ontvangt de oppervlakten die voor de berekening van de vergoeding in aanmerking zijn genomen geheel of gedeeltelijk bebost, kunnen deze oppervlakten nog gedurende maximaal 15 jaar vanaf de datum van bebossing worden meegerekend voor de berekening van de vergoeding.

Artikel 16

In de in artikel 13, lid 1, bedoelde probleemgebieden met mogelijkheden voor de toeristische of ambachtelijke sector, mag het bedrijfsverbeteringsplan bedoeld in artikel 2, lid 1, sub c), naast de landbouwinvesteringen, ook voorzien in investeringen op toeristisch of ambachtelijk gebied die op het landbouwbedrijf zullen worden uitgevoerd. In deze gevallen mogen de in artikel 4 bedoelde investeringen, investeringen op toeristisch of ambachtelijk gebied omvatten voor een bedrag van ten hoogste 40 000 Ecu per bedrijf.

Artikel 17

1. In de in artikel 13, lid 1, bedoelde gebieden mogen de Lid-Staten steun toekennen voor collectieve investeringen voor de produktie, opslag en distributie van voedergewassen, alsmede voor de verbetering en de uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde weiden, en, in bergstreken, voor waterpunten en wegen die rechtstreeks toegang geven tot weidegronden, bergweiden en schuilplaatsen voor de kudden.

2. Wanneer dit economisch verantwoord is, mogen de in lid 1 bedoelde werkzaamheden kleinschalige landbouwwaterwerken omvatten die verenigbaar zijn met de bescherming van het milieu, met inbegrip van kleine irrigatiewerken, alsmede de bouw of het herstel van schuilplaatsen die onmisbaar zijn voor het verweiden van de kudden.

3. Van de in lid 1 bedoelde steun komt niet meer dan 100 000 Ecu per collectieve investering, 500 Ecu per hectare verbeterde of uitgeruste gewone weide of bergweide en 5 000 Ecu per geïrrigeerde hectare in aanmerking voor financiering uit het Fonds.

TITEL IV

Specifieke regionale maatregelen

Artikel 18

1. Om structurele of infrastructurele belemmeringen voor de landbouw in sommige gebieden te helpen wegwerken, kunnen specifieke maatregelen worden genomen om in het betrokken gebied de landbouw als geheel te bevorderen, in samenhang met de ontwikkelingsmaatregelen die eventueel gelijktijdig in de niet-agrarische sectoren worden uitgevoerd en met inachtneming van hetgeen vereist is uit een oogpunt van milieubescherming.

2. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, de in dit artikel bedoelde maatregelen vast.

TITEL V

Nationale steun in ecologisch kwetsbare gebieden

Artikel 19

1. Om bij te dragen tot de invoering of de handhaving van landbouwproduktiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake bescherming van het milieu en om de landbouwers een passend inkomen te verzekeren, worden de Lid-Staten gemachtigd om speciale nationale steunregelingen in te voeren in ecologisch kwetsbare gebieden.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ecologisch kwetsbare gebieden verstaan gebieden waarvan vooral het ecologische en landschapsbelang is erkend.

3. De steun kan worden toegekend aan landbouwers die de verplichting aangaan om in kwetsbare gebieden in de zin van lid 2 het milieu in stand te houden of te verbeteren.

De verbintenis van de landbouwer moet ten minste inhouden dat de landbouwproduktie niet verder zal worden geïntensiveerd en dat de concentratie van het vee en de mate van intensieve landbouwproduktie aangepast zullen zijn aan de specifieke ecologische kenmerken van het betrokken gebied. 4. De Lid-Staten dienen bij de Commissie een ontwerp in van alle speciale regelingen die zij overwegen in te voeren en een lijst van de voor steun in het kader van die regelingen in aanmerking komende gebieden.

De artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag zijn van toepassing. De Commissie spreekt zich, na raadpleging van het Permanent Comité voor landbouwstructuur, binnen drie maanden na de kennisgeving van de voorgenomen steunregeling uit over de regeling als geheel en de daarvoor in aanmerking komende gebieden. Artikel 29 is van toepassing op de in het onderhavige artikel bedoelde speciale regelingen.

TITEL VI

Bosbouwmaatregelen op landbouwbedrijven

Artikel 20

1. De Lid-Staten mogen aan landbouwbedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a), steun verlenen voor bebossing van landbouwgrond, alsmede voor investeringen voor de verbetering van de houtopstand zoals de aanleg van windsingels, brandgangen, waterpunten en wegen voor de bosexploitatie.

Ook kosten om landbouwmaterieel geschikt te maken voor bosbouwwerkzaamheden vallen onder deze investeringen.

2. De daadwerkelijke uitgaven die ter uitvoering van lid 1 door de Lid-Staten worden gedaan, komen in aanmerking voor financiering uit het Fonds ten belope van

- 80 % van de kosten voor bebossing en wegen voor bosexploitatie,

- 60 % voor de andere in lid 1 bedoelde werkzaamheden

en tot een maximuminvestering van 40 000 Ecu per bedrijf - waarvan echter niet meer dan 10 000 Ecu mag worden besteed voor verbetering van de houtopstand - en ten hoogste de volgende voor financiering in aanmerking komende bedragen:

- 1 400 Ecu per hectare voor bebossing,

- 300 Ecu per hectare voor verbetering van de houtopstand en de aanleg van windsingels,

- 90 Ecu per hectare die is uitgerust met brandgangen en waterpunten,

- 14 400 Ecu per kilometer bosweg.

TITEL VII

Aanpassing van de beroepsopleiding aan de eisen van de moderne landbouw

Artikel 21

1. De Lid-Staten kunnen, afgezien van de maatregelen die zij voordragen aan het Sociaal Fonds, in de gebieden waar dit nodig blijkt een bijzondere steunregeling invoeren ter verbetering van de vakbekwaamheid in de landbouw.

Deze regeling kan voorzien in:

- cursussen of stages voor vakopleiding en voortgezette vakopleiding ten behoeve van bedrijfshoofden, medewerkende gezinsleden en landbouwwerknemers die niet meer schoolplichtig zijn,

- opleidingscursussen of -stages voor leidinggevend personeel en beheerders van producentengroeperingen en cooeperaties, voor zover deze nodig zijn voor de verbetering van de economische organisatie van de producenten, alsmede van de verwerking en afzet van landbouwprodukten in het betrokken gebied,

- de bijscholingscursussen die nodig zijn om het in artikel 7 bedoelde beroepsopleidingsniveau te bereiken en die ten minste 150 lesuren moeten omvatten.

2. De in lid 1 bedoelde steunregeling voorziet in de toekenning van steun voor:

a) het bijwonen van cursussen of stages,

b) het organiseren en houden van cursussen en stages,

c) in voorkomend geval de oprichting van centra voor landbouwvakonderwijs ten behoeve van probleemgebieden in de zin van artikel 13, lid 1, waar dergelijke centra niet voorhanden zijn, wanneer voor de oprichting van deze centra geen andere communautaire steun kan worden verleend; het maximumbedrag dat voor financiering uit het Fonds in aanmerking komt, bedraagt 400 000 Ecu per centrum.

3. Van de uitgaven die door de Lid-Staten worden gedaan voor de toekenning van de in lid 2, sub a) en b), bedoelde steun komt maximaal 4 500 Ecu per persoon die een volledige cursus of stage heeft gevolgd in aanmerking voor financiering door het Fonds. Maatregelen waarvoor steun uit het Sociaal Fonds is verleend, komen echter niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit hoofde van dit artikel.

De in dit artikel bedoelde maatregelen gelden niet voor cursussen of stages die een onderdeel vormen van normale programma's of leergangen van het middelbaar of hoger landbouwonderwijs.

Artikel 22

1. De Gemeenschap kan uit de middelen van het Fonds financieren:

- modelprojecten die bedoeld zijn om de landbouwers de reële mogelijkheden te demonstreren van produktiesystemen, -methoden en -technieken die aansluiten op de doelstellingen van de in artikel 3, lid 1, bedoelde steunregeling,

- maatregelen voor de verspreiding op communautair niveau van de resultaten van de werkzaamheden en experimenten op het gebied van verbetering van de landbouwstructuur,

- studies ter evaluatie van de economische doeltreffendheid van de in deze verordening vervatte maatregelen.

2. Tot de in lid 1 bedoelde financiering wordt besloten volgens de procedure van artikel 25.

TITEL VIII

Financiële en algemene bepalingen

Artikel 23

1. De termijn voor de uitvoering van de gemeenschappelijke actie loopt tot en met 31 december 1994.

2. Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening worden de bepalingen daarvan door de Raad, op voorstel van de Commissie, opnieuw bezien.

3. De totale kosten van de gemeenschappelijke actie die ten laste komen van het Fonds worden geraamd op 1 988 miljoen Ecu voor de eerste vijf jaar.

Artikel 24

1. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van:

- de ontwerpen van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die zij ter uitvoering van deze verordening voornemens zijn vast te stellen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op artikel 8,

- de bestaande bepalingen die de toepassing van deze verordening mogelijk maken.

2. Bij de mededeling van de ontwerpen van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en van de reeds geldende bepalingen als bedoeld in lid 1, geven de Lid-Staten het verband aan dat op regionaal niveau bestaat tussen de betrokken maatregel enerzijds en de economische situatie en de kenmerken van de landbouwstructuur anderzijds.

3. Voor de overeenkomstig lid 1, eerste streepje, medegedeelde ontwerpen onderzoekt de Commissie of, in de mate waarin de ontwerpen verenigbaar zijn met deze verordening en met inachtneming van de doelstellingen van de verordening, alsmede van het noodzakelijke verband tussen de maatregelen, de voorwaarden voor financiële deelneming door de Gemeenschap in de in artikel 1 bedoelde gemeenschappelijke actie zijn vervuld. Binnen twee maanden na de mededeling brengt de Commissie daarover advies uit na raadpleging van het Permanent Comité voor de landbouwstructuur.

4. De Lid-Staten delen de Commissie de in lid 3 bedoelde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen mede zodra deze zijn vastgesteld.

Artikel 25

1. Ten aanzien van de overeenkomstig artikel 24, lid 1, tweede streepje, en lid 4, medegedeelde bepalingen onderzoekt de Commissie of, in de mate waarin de ontwerpen verenigbaar zijn met deze verordening, en met inachtneming van de doelstellingen van de verordening, alsmede van het noodzakelijke verband tussen de maatregelen, de voorwaarden voor financiële deelneming door de Gemeenschap aan de in artikel 1 bedoelde gemeenschappelijke actie zijn vervuld. Binnen twee maanden na de mededeling dient de vertegenwoordiger van de Commissie, na raadpleging van het Comité van het EOGFL over de financiële aspecten, bij het Permanent Comité voor de landbouwstructuur een ontwerp-beschikking ter zake in.

2. Het Comité brengt advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de aan de orde gestelde vraagstukken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 45 stemmen, waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de beschikking vast. Wanneer deze beschikking echter niet in overeenstemming is met het door het Comité uitgebrachte advies, wordt zij onverwijld aan de Raad medegedeeld. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de beschikking tot ten hoogste één maand na deze mededeling uitstellen.

De Raad kan binnen een maand, volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag, een andersluidend besluit nemen.

Artikel 26

1. De uitgaven van de Lid-Staten in het kader van de in de artikelen 3 tot en met 7, 9 tot en met 17, en 20 en 21 bedoelde acties komen in aanmerking voor financiering uit het Fonds. 2. Het Fonds vergoedt de Lid-Staten 25 % van de in het kader van de in de artikelen 3 tot en met 7, in de artikelen 13 tot en met 17 en in artikel 20 bedoelde voor financiering in aanmerking komende uitgaven. Dit percentage wordt verhoogd tot:

- 50 % voor de in de artikelen 3 en 4 bedoelde investeringssteun betreffende de probleemgebieden in het westen van Ierland, in Griekenland en in de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden,

- 50 % voor de in artikel 7 bedoelde bijzondere steun voor bedrijfshoofden jonger dan 40 jaar,

- 50 % voor de in artikel 14 bedoelde compenserende vergoeding betreffende de gebieden van Griekenland, Ierland, Italië en de Franse overzeese departementen,

- 50 % voor de in artikel 17 bedoelde steun betreffende de gebieden bedoeld in artikel 13, lid 1, van Griekenland, Italië en de Franse overzeese departementen.

Het Fonds kan voorts de Lid-Staten tot 25 % van de voor financiering in aanmerking komende uitgaven vergoeden in het kader van de in de artikelen 9 tot en met 12 en in artikel 21 bedoelde acties.

3. De bepalingen ter uitvoering van lid 2 worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70.

Artikel 27

1. De door de Lid-Staten vastgestelde maatregelen komen slechts voor financiële deelneming door de Gemeenschap in aanmerking wanneer over de betreffende bepalingen gunstig is beschikt overeenkomstig artikel 25.

2. De financiële deelneming van de Gemeenschap betreft de voor financiering in aanmerking komende uitgaven voor steun waarvoor het toekenningsbesluit na de inwerkingtreding van deze verordening is genomen.

Artikel 28

1. De verzoeken om vergoeding hebben betrekking op de uitgaven die door de Lid-Staten in de loop van een kalenderjaar zijn gedaan; zij worden bij de Commissie ingediend vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar.

2. De bijstand uit het Fonds wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 729/70.

3. De Commissie kan voorschotten verstrekken.

4. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70.

Artikel 29

Ieder jaar vóór 1 augustus worden de geldende communautaire en nationale maatregelen die verband houden met deze verordening behandeld in een jaarverslag dat de Commissie bij het Europese Parlement en bij de Raad indient en waarvoor de Lid-Staten de Commissie de nodige documentatie verschaffen.

De Raad beoordeelt de resultaten van deze maatregelen met inachtneming van het tempo van structurele ontwikkeling dat nodig is om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bereiken, van het effect van de maatregelen op de produktiedoelstellingen van de Gemeenschap, van hun effect op een harmonische regionale ontwikkeling binnen de Gemeenschap en van hun financiële gevolgen.

De Raad stelt, in voorkomend geval, de nodige voorschriften vast volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag.

Artikel 30

De Lid-Staten kunnen bijkomende voorwaarden stellen voor de uitvoering van de in deze verordening bedoelde steunmaatregelen.

Artikel 31

Onder voorbehoud van de artikelen 8 en 13, doet deze verordening niet af aan de mogelijkheid voor de Lid-Staten om op het door deze verordening bestreken gebied aanvullende steunmaatregelen te nemen met andere toekenningsvoorwaarden of -bepalingen of hogere maximumbedragen dan die welke in deze verordening zijn opgenomen, op voorwaarde dat deze maatregelen in overeenstemming met de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag worden genomen.

Artikel 32

1. De Lid-Staten doen de nodige maatregelen in werking treden om binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aan deze verordening te voldoen.

Terzelfder tijd voorzien zij in middelen voor een doeltreffende controle van de elementen waarop de berekening van de uitgekeerde steun die in aanmerking komt voor bijstand uit het Fonds wordt gebaseerd.

2. De verbodsbepalingen en beperkingen van artikel 3 en artikel 8, lid 4, zijn van toepassing op de aanvragen die na de inwerkingtreding van deze verordening worden ingediend. TITEL IX

Slotbepalingen

Artikel 33

1. Met werking vanaf 1 januari 1985 wordt 31 december 1984 vervangen door 30 september 1985 in de volgende bepalingen:

- in artikel 16, lid 1, van Richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven (1),

- in artikel 7, lid 1, van Richtlijn 72/160/EEG van de Raad van 17 april 1972 ter bevordering van de bedrijfsbeëindiging in de landbouw en van de aanwending van cultuurgrond tot verbetering van de structuur (2),

- in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 72/161/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de sociaal-economische voorlichting en de scholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn (3),

- in artikel 4 van Beschikking 76/402/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake het peil van de rentesubsidie als bedoeld in Richtlijn 72/159/EEG (4),

- in artikel 5 van Beschikking 81/598/EEG van de Raad van 27 juli 1981 inzake de hoogte van de toe te passen rentesubsidies als bedoeld in Richtlijn 72/159/EEG (5),

- in artikel 3 van Beschikking 82/438/EEG van de Raad van 24 juni 1982 waarbij bepaalde Lid-Staten worden gemachtigd om het peil van de rentesubsidie bedoeld in Richtlijn 72/159/EEG te ver- hogen (6).

2. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 32, lid 2, gelden vanaf de dag waarop de in artikel 32 genoemde overgangstermijn verstrijkt, niet langer voor aanvragen die na die datum worden ingediend:

- Richtlijn 72/159/EEG,

- Richtlijn 72/160/EEG,

- Richtlijn 72/161/EEG,

- de artikelen 4 tot en met 17 van Richtlijn 75/268/EEG,

alsmede

- Verordening (EEG) nr. 1945/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot beperking van de investeringssteun voor de varkensproduktie (7),

- Verordening (EEG) nr. 1946/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot beperking van de investeringssteun voor de melkproduktie (8).

3. Richtlijn 75/268/EEG wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 wordt het laatste deel van de eerste zin vervangen door:

». . ., kunnen de Lid-Staten de in Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*), bedoelde bijzondere steunregelingen instellen die bestemd zijn om de landbouw te bevorderen en het inkomen van de landbouwers in de betrokken gebieden te verhogen.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

b) in artikel 3 wordt lid 5 vervangen door:

»5. Met probleemgebieden als bedoeld in het onderhavige artikel kunnen worden gelijkgesteld door specifieke belemmeringen gekenmerkte kleine streken, waar het handhaven van de landbouwactiviteiten, in voorkomend geval, met inachtneming van bepaalde bijzondere voorwaarden, noodzakelijk is voor het milieubehoud, voor de verzorging van het landschap en zijn toeristische bestemming of voor de bescherming van de kusten. De totale oppervlakte van deze streken mag 4 % van de totale oppervlakte van de betreffende Lid-Staat niet overschrijden.".

Artikel 34

1. Verordening (EEG) nr. 1820/80 van de Raad van 24 juni 1980 ter bevordering van de ontwikkeling van de landbouw in de probleemgebieden van West-Ierland (9), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3073/82 (10), wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:

»1. In het kader van de specifieke actie wordt investeringssteun verleend aan bedrijfshoofden

a) die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a), b) en c), en lid 2, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*) en in wier plan voor de verbetering van hun bedrijf de nadruk ligt op de rundveemesterij en/of op de schapenhouderij;

b) die een vereenvoudigde boekhouding voeren vanaf de tenuitvoerlegging van het sub a) bedoelde verbeteringsplan.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

b) in artikel 10 vervalt lid 2;

c) in artikel 11 wordt lid 1 vervangen door:

»1. De in artikel 10, lid 1, bedoelde steun wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, alsmede artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85. De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 22.".

2. Verordening (EEG) nr. 1939/81 van de Raad van 30 juni 1981 inzake een geïntegreerd ontwikkelingsprogramma voor de Western Isles van Schotland (Outer Hebrides) (1) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 vervalt lid 3;

b) in artikel 5, lid 2, wordt het eerste streepje vervangen door:

»- de voorwaarden en de criteria voor de beoogde steunmaatregelen; wanneer steunmaatregelen ten behoeve van de investeringen in landbouwbedrijven worden overwogen, geldt het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, alsmede artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*). De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 7.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

c) in artikel 5, lid 3, worden de derde en de vierde regel als volgt gelezen:

». . . procedure van artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 797/85 nadat het Permanent Comité voor de landbouwstructuur . . .".

3. Verordening (EEG) nr. 1940/81 van de Raad van 30 juni 1981 inzake een geïntegreerd ontwikkelingsprogramma voor het departement Lozère (2) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 vervalt lid 3;

b) in artikel 5 wordt het tweede streepje van lid 3 vervangen door:

»- de voorwaarden en de criteria voor de beoogde steunmaatregelen; wanneer steunmaatregelen ten behoeve van de investeringen in landbouwbedrijven worden overwogen, geldt het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, alsmede artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*). De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 7.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

c) in artikel 5, lid 3, worden de derde en de vierde regel als volgt gelezen:

». . . procedure van artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 797/85 nadat het Permanent Comité voor de landbouwstructuur . . .".

4. Verordening (EEG) nr. 1942/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot stimulering van de landbouwontwikkeling in de probleemgebieden van Noord-Ierland (3) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:

»1. In het kader van de in artikel 8, lid 1, bedoelde specifieke actie wordt investeringssteun verleend aan bedrijfshoofden

a) die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a), b) en c), en lid 2, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*) en in wier plan voor de verbetering van hun bedrijf de nadruk ligt op de rundveemesterij en/of op de schapenhouderij;

b) die een vereenvoudigde boekhouding voeren vanaf de tenuitvoerlegging van het sub a) bedoelde verbeteringsplan.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

b) in artikel 10 vervalt lid 2;

c) in artikel 11 wordt lid 1 vervangen door:

»1. De in artikel 10, lid 1, bedoelde steun wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, alsmede artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85. De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 14.".

5. Verordening (EEG) nr. 1944/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot instelling van een gemeenschappelijke actie voor de aanpassing en modernisering van de structuur van de produktie van rund-, schape- en geitevlees in Italië (1) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 2 vervalt lid 1;

b) in artikel 2 wordt lid 3 vervangen door:

»3. De programma's en de eventuele aanpassingen daarvan worden onderzocht en goedgekeurd volgens de procedure van artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*).

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

c) in artikel 3 wordt lid 1, sub a), vervangen door:

»a) steun voor modernisering, rationalisatie en bouw van stallen op landbouwbedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a), b) en c), en lid 2 van Verordening (EEG) nr. 797/85; uit het verbeteringsplan moet blijken:

- dat na uitvoering van het plan het aandeel van de verkoop uit de produktie van rundvlees en van de totale produktie uit de sector schapen en geiten in de totale omzet van het bedrijf niet is achteruitgegaan en meer dan 40 % van de totale verkoop van het bedrijf uitmaakt,

- dat de stallen voldoen aan de communautaire voorschriften inzake hygiëne en gezondheid.";

d) in artikel 3 wordt lid 2 vervangen door:

»2. De in lid 1, sub a) en b), bedoelde steun wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85. De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 6.".

6. Richtlijn 81/527/EEG van de Raad van 30 juni 1981 inzake de ontwikkeling van de landbouw in de Franse overzeese departementen (2) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 vervalt lid 2;

b) in artikel 2, lid 2, worden de derde en de vierde regel vervangen door:

». . . volgens de procedure van artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*), na raadpleging van het Comité van het Fonds.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.".

7. Verordening (EEG) nr. 1975/82 van de Raad van 19 juli 1982 tot stimulering van de landbouwontwikkeling in bepaalde gebieden van Griekenland (1) wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 10 wordt lid 2 vervangen door:

»2. De in lid 1, sub a) en b), genoemde steun, alsmede de in lid 1, sub c), genoemde steun voor de aankoop van fokdieren door individuele bedrijfshoofden wordt verleend aan bedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a), b) en c), en lid 2, van Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*); uit het verbeteringsplan moet blijken

- dat de voorgenomen investeringen ten minste 2 500 Ecu per bedrijf bedragen;

- dat na de uitvoering van het plan het aandeel van de verkoop uit de produktie van rundvlees en van de totale produktie uit de sector schapen en geiten in de totale omzet van het bedrijf niet is achteruitgegaan en meer dan 40 % van de totale verkoop van het bedrijf uitmaakt;

- dat de stallen voldoen aan de communautaire voorschriften inzake gezondheid en hygiëne.

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.";

b) in artikel 10 wordt lid 3 vervangen door:

»3. De in lid 1, sub a), b) en c), bedoelde steun wordt verleend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, artikel 7, punt 2, en artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 797/85. De krachtens artikel 8, lid 1, van deze laatste verordening toegekende steun komt niet in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 18.".

8. De wijzigingen in de verordeningen en richtlijnen ingevolge leden 1 tot en met 7 zijn van toepassing op steun waarvoor het toekenningsbesluit na de inwerkingtreding van deze verordening is genomen.

9. In artikel 6, lid 1, sub f), van Verordening (EEG) nr. 355/77 van de Raad van 15 februari 1977 inzake een gemeenschappelijke actie ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van landbouw- en visserijprodukten (1) wordt de eerste alinea vervangen door:

»f) onder voorbehoud van een beslissing krachtens artikel 5, tweede alinea, het oogsten van basisprodukten van de bodemexploitatie, met dien verstande dat de Gemeenschap voor de betrokken uitrusting geen financiële bijdrage kan verstrekken krachtens Verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (*), en voor zover het zowel gaat om:

(*) PB nr. L 93 van 30. 3. 1985, blz. 1.".

Artikel 35

Deze verordening treedt in werking op 1 april 1985.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 12 maart 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

F. M. PANDOLFI

(1) PB nr. L 96 van 23. 4. 1972, blz. 1.

(2) PB nr. L 96 van 23. 4. 1972, blz. 9.

(3) PB nr. L 96 van 23. 4. 1972, blz. 15.

(4) PB nr. L 108 van 26. 4. 1976, blz. 39.

(5) PB nr. L 220 van 6. 8. 1981, blz. 27.

(6) PB nr. L 193 van 3. 7. 1982, blz. 39.

(7) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz 31.

(8) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 32.

(9) PB nr. L 180 van 14. 7. 1980, blz. 1.

(10) PB nr. L 325 van 20. 11. 1982, blz. 1.

(1) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 6.

(2) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 9.

(3) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 17.

(1) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 27.

(2) PB nr. L 197 van 20. 7. 1981, blz. 38.

(3) PB nr. L 214 van 22. 7. 1982, blz. 1.

(1) PB nr. L 51 van 23. 2. 1977, blz. 1.

BIJLAGE

In artikel 15, lid 1, sub a), bedoelde tabel voor de omrekening van runderen, eenhoevigen, schapen en geiten in grootvee-eenheden (GVE)

1.2 // Stieren, koeien en andere runderen van meer dan twee jaar, eenhoevigen van meer dan zes maanden // 1,0 GVE // Runderen van zes maanden tot twee jaar // 0,6 GVE // Schapen // 0,15 GVE // Geiten // 0,15 GVE

De coëfficiënten voor schapen en geiten zijn van toepassing op de in artikel 15, lid 1, genoemde maximum- en minimumbedragen per GVE.

Top