This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 31975L0524
Commission Directive 75/524/EEC of 25 July 1975 adapting to technical progress Council Directive No 71/320/EEC of 26 July 1971 on the approximation of the laws of the Member States relating to the braking devices of certain categories of motor vehicles and their trailers
Richtlijn 75/524/EEG van de Commissie van 25 juli 1975 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
Richtlijn 75/524/EEG van de Commissie van 25 juli 1975 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
PB L 236 van 8.9.1975, pp. 3–16
(DA, DE, EN, FR, IT, NL) Dit document is verschenen in een speciale editie.
(EL, ES, PT, FI, SV, CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL)
No longer in force, Date of end of validity: 31/10/2014; stilzwijgende opheffing door 32009R0661
Richtlijn 75/524/EEG van de Commissie van 25 juli 1975 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
Publicatieblad Nr. L 236 van 08/09/1975 blz. 0003 - 0016
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0161
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 13 Deel 3 blz. 0130
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0161
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0157
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 13 Deel 4 blz. 0157
++++ RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 25 juli 1975 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 75/524/EEG ) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , Gelet op de Richtlijn nr . 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 1 ) , gewijzigd bij de akte die is gevoegd bij het op 22 januari 1972 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de E.E.G . en de E.G.A . ( 2 ) , inzonderheid op de artikelen 11 , 12 en 13 , Gelet op de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 3 ) , gewijzigd bij de akte die is gevoegd bij het op 22 januari 1972 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de E.E.G . en de E.G.A . ( 4 ) , inzonderheid op artikel 5 , Overwegende dat de Commissie door haar Richtlijn nr . 74/132/EEG van 11 februari 1974 voorschriften heeft vastgesteld tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de hierboven vermelde richtlijn van de Raad van 26 juli 1971 ( 5 ) ; dat deze voorschriften uitsluitend betrekking hebben op de aanpassing van de remkracht en derhalve niet op de verenigbaarheidsvoorwaarden ; dat , ten einde te voorkomen dat voertuigen ( trekkers en aanhangwagens ) worden samengesteld waarvan niet zeker is dat zij uit het oogpunt van de remkracht volkomen veilig zijn , deze voorschriften vergezeld dienen te gaan van de voorwaarden voor de verenigbaarheid tussen trekkers en aanhangwagens ; dat dank zij de vooruitgang van de techniek thans niet alleen bepalingen inzake de verenigbaarheid kunnen worden vastgesteld , doch tevens de juiste toepassing hiervan kan worden gewaarborgd ; Overwegende dat de vaststelling van voorschriften betreffende de verenigbaarheidsvoorwaarden een wijziging noodzakelijk maakt van de voorschriften inzake de inrichting waardoor de remkracht aan de belasting kan worden aangepast , welke in de bijlage bij de Richtlijn nr . 74/132/EEG van de Commissie zijn opgenomen ; Overwegende dat de bepalingen betreffende de antiblokkeersystemen van de wielen later zullen worden vastgesteld ; dat de voertuigen van alle categorieën , met uitzondering van die van categorieën O1 en O2 , tot het tijdstip dat deze voorschriften van kracht worden derhalve dienen te worden onderworpen aan de voorschriften van de onderhavige richtlijn , ook indien zij met een antiblokkeerinrichting zijn uitgerust ; Overwegende dat de onderhavige richtlijn voorziet in een naderbij liggende datum van inwerkingtreding van de gewijzigde voorschriften en dat het derhalve niet langer gerechtvaardigd is het bepaalde in de leden 2 en 3 van artikel 2 van Richtlijn nr . 74/132/EEG van de Commissie te handhaven ; Overwegende dat de bepalingen van de onderhavige richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen tot opheffing van technische handelsbelemmeringen in de sector motorvoertuigen , HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD : Artikel 1 De leden 2 en 3 van artikel 2 van de Richtlijn nr . 74/132/EEG van de Commissie van 11 februari 1974 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de richtlijn van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan worden ingetrokken met ingang van het tijdstip van aanvaarding van onderhavige richtlijn . Artikel 2 1 . De bijlagen I , II en IX van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens , gewijzigd bij de Richtlijn nr . 74/132/EEG van de Commissie van 11 februari 1974 , worden gewijzigd in overeenstemming met de bijlage van onderhavige richtlijn . 2 . Tot inwerkingtreding van een bijzondere richtlijn , waarin het antiblokkeersysteem wordt omschreven , blijven de voertuigen van de categorieën M1 , M2 , M3 , N1 , N2 , N3 , O3 en O4 die zijn uitgerust met een dergelijk systeem onderworpen aan de voorschriften van deze richtlijn . Artikel 3 1 . Met ingang van 1 januari 1976 mogen de Lid-Staten om redenen die verband houden met de reminrichtingen : - noch voor een bepaald type voertuig de E.E.G.-goedkeuring , de afgifte van het in artikel 10 , lid 1 , laatste streepje , van de Richtlijn nr . 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 genoemde document , of de nationale goedkeuring weigeren , - noch het voor het eerst in het verkeer brengen van voertuigen verbieden , indien de reminrichtingen van dit type voertuig of van deze voertuigen beantwoorden aan de laatstelijk bij deze richtlijn gewijzigde voorschriften van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 . 2 . Met ingang van 1 oktober 1976 mogen de Lid-Staten : - niet meer het in artikel 10 , lid 1 , laatste streepje , van de Richtlijn nr . 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 genoemde document afgeven voor een voertuigtype waarvan de reminrichtingen niet beantwoorden aan de voorschriften van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 , laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn , - de nationale goedkeuring weigeren voor een voertuigtype waarvan de reminrichtingen niet beantwoorden aan de voorschriften van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 , laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 3 . Met ingang van 1 oktober 1976 mogen de Lid-Staten het voor het eerst in het verkeer brengen verbieden van voertuigen waarvan de reminrichtingen niet beantwoorden aan de voorschriften van de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 , laatstelijk gewijzigd bij deze richtlijn . 4 . Voor 1 januari 1976 stellen de Lid-Staten de vereiste bepalingen vast en publiceren deze ten einde zich te richten naar de onderhavige richtlijn en stellen zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis . Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten . Gedaan te Brussel , 25 juli 1975 . Voor de Commissie De Voorzitter François-Xavier ORTOLI ( 1 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970 , blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 73 van 27 . 3 . 1972 , blz . 115 en 157 . ( 3 ) PB nr . L 202 van 6 . 9 . 1971 , blz . 37 . ( 4 ) PB nr . L 73 van 27 . 3 . 1972 , blz . 118 , 119 en 158 . ( 5 ) PB nr . L 74 van 19 . 3 . 1974 , blz . 7 . BIJLAGE Wijziging van de bijlagen bij de Richtlijn nr . 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 BIJLAGE I : DEFINITIES EN CONSTRUCTIE - EN MONTAGEVOORSCHRIFTEN Punt 2.2.1.12.2 . , wordt als volgt gelezen : moet een storing in een deel van de hydraulische overbrenging aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt door een inrichting met een rood controlelicht dat ten laatste aangaat wanneet het bedieningsorgaan in werking wordt gesteld . Een inrichting met een rood controlelicht dat aangaat zodra het niveau van de remvloeistof in het reservoir onder een door de fabrikant bepaalde hoogte daalt , is echter toegestaan . Het controlelicht moet ook bij daglicht goed zichtbaar zijn ; de goede staat van de lamp moet gemakkelijk door de bestuurder kunnen worden gecontroleerd . Een storing in een element van de inrichting mag een totaal verlies van de remwerking van de betreffende reminrichting tot gevolg hebben . BIJLAGE II : REMPROEVEN EN PRESTATIES VAN DE REMINRICHTINGEN Punt 1.1.3.4 . , wordt als volgt gelezen : Onverminderd het bepaalde onder 1.1.4.2 moet het wegdek een goede wrijvingscoëfficiënt bezitten . Na punt 1.1.4.1 wordt volgend punt toegevoegd : 1.1.4.2 . Het gedrag van de voertuigen der categorieën M1 , M2 , M3 , N1 , N2 , N3 , O3 en O4 op een wegdek met een geringere wrijvingscoëfficiënt moet voldoen aan de voorschriften vastgesteld in het aanhangsel . Aanhangsel ad 1.1.4.2 . : VERDELING VAN DE REMKRACHT OVER DE ASSEN VAN VOERTUIGEN 1 . ALGEMENE VOORSCHRIFTEN De voertuigen van de categorieën M1 , M2 , M3 , N1 , N3 , O3 en O4 moeten voldoen aan de voorschriften van onderhavig aanhangsel . Indien hiervoor een bijzondere inrichting is gebruikt , moet deze automatisch werken . 2 . SYMBOLEN i = aanduiding van de as ( vooras , i = 1 ; tweede as , i = 2 ; enz . ) P i = normale belasting op het wegdek van de as i in statische toestand N i = normale belasting op het wegdek van de as i tijdens het remmen T i = kracht door de remmen uitgeoefend op as i tijdens het remmen op de weg f i = T i/N i , benodigde wrijvingscoëfficiënt voor as i ( 1 ) J = vertraging van het voertuig g = versnelling van de zwaartekracht : g = 10 m/s2 z = vertragingsfactor van het voertuig = J/g ( 2 ) P = gewicht van het voertuig h = hoogte van het zwaartepunt E = wielbasis k = theoretische wrijvingscoëfficiënt tussen luchtband en wegdek K e = correctiefactor - oplegger , beladen K v = correctiefactor - oplegger , onbeladen TM = som van de remkrachten aan de omtrek van alle wielen van het trekkend voertuig PM = totale statische belasting op het wegdek van het trekkend voertuig voor aanhangwagen of oplegger zoals respectievelijk aangegeven in de punten 3.1.4 en 3.1.5 P m = druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding TR = som van de remkrachten aan de omtrek van alle wielen van de aanhangwagen of de oplegger PR = totale technische belasting op het wegdek van de wielen van de aanhangwagen of de oplegger PR max = waarde van PR bij het maximumgewicht van de oplegger E R = afstand tussen de koppelingspen en het hart van de as(sen ) van de oplegger h R = hoogte van het zwaartepunt van de oplegger boven de grond 3 . VOORSCHRIFTEN VOOR MOTORVOERTUIGEN 3.1 . Twee-assige voertuigen 3.1.1 . ( 3 ) Voor alle categorieën voertuigen moet worden voldaan aan de volgende vergelijking z * 0,1 + 0,85 ( k - 0,2 ) voor de waarden van k gelegen tussen 0,2 en 0,8 . Voor alle beladingstoestanden van het voertuig moet de kromme van de wrijvingscoëfficiënt voor de vooras boven die van de achteras liggen : - voor alle vertragingsfactoren tussen 0,15 en 0,8 bij voertuigen van categorie M1 . Bij voertuigen van deze categorie wordt echter binnen het gebied van de waarden van z tussen 0,3 en 0,45 een inversie van de krommen van de wrijvingscoëfficiënt toegestaan onder voorwaarde dat de kromme van de wrijvingscoëfficiënt voor de achteras niet meer dan 0,05 boven de rechte die volgt uit de vergelijking k - z ( ideale wrijvingscoëfficiënt ) ligt ( zie diagram 1A ) ; - voor alle vertragingsfactoren tussen 0,15 en 0,30 bij voertuigen van andere categorieën . Aan dit voorschrift wordt eveneens geacht te zijn voldaan indien binnen het gebied van de waarden van z tussen 0,15 en 0,30 de krommen van de wrijvingscoëfficiënt zijn gelegen tussen twee lijnen evenwijdig met de rechte van de ideale wrijvingscoëfficiënt die volgen uit de vergelijking k = z min of meer 0,08 ( zie diagram 1B ) , en voor de kromme van de vrijvingscoëfficiënt voor de achteras voor vertragingsfactoren z * 0,3 wordt voldaan aan de volgende gergelijking : z * 0,3 + 0,74 ( k - 0,38 ) 3.1.2 . Van een motorvoertuig waarmede een aanhangwagen met drukluchtreminrichting mag worden voortbewogen , mag de druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding niet worden beïnvloed door de werking van de drukregelinrichtingen voor de assen van het trekkende motorvoertuig . 3.1.3 . Voor het controleren van het voorschrift volgens 3.1.1 moet de constructeur de krommen van de wrijvingscoëfficiënten voor de vooras en de achteras overleggen berekend aan de hand van onderstaande formules : f1 = T1/N1 = T1 / ( P1 + z h/E P ) f2 = T2/N2 = T2 / ( P2 - z h/E P ) 3.1.4 . Andere voertuigen dan trekkers voor opleggers 3.1.4.1 . De krommen worden vastgesteld voor onderstaande twee beladingstoestanden : - onbeladen , rijklaar met bestuurder , - beladen , In geval verscheidene beladingsmogelijkheden zijn voorzien , wordt de toestand gekozen waarbij de vooras het meest is belast . De hoogte van het zwaartepunt wordt door de constructeur opgegeven . Bij motorvoertuigen waarmede aanhangwagens met een drukluchtreminrichting mogen worden voortbewogen en hun aanhangwagens , moet de toelaatbare verhouding tussen het quotiënt TM/PM respectievelijk TR/PR en druk p m binnen de gebieden aangegeven in diagram 2 liggen . 3.1.5 . Trekkers voor opleggers 3.1.5.1 . Trekker met onbeladen oplegger Hieronder wordt verstaan een rijklare trekker met bestuurder en een onbeladen oplegger . Voor de dynamische belasting van de trekker door de oplegger wordt uitgegaan van het statische gewicht dat rust op de scharnieras van de koppeling en gelijk is aan 15 % van het maximumgewicht op de koppeling . Voor de trekker wordt de door de fabrikant aangegeven hoogte van het zwaartepunt aangehouden . Tussen de toestanden " trekker met onbeladen oplegger " en " trekker zonder oplegger " moeten de remkrachten geleidelijk worden verminderd ; van de " trekker zonder oplegger " moeten de remkrachten worden gecontroleerd . 3.1.5.2 . Trekker met beladen oplegger Hieronder wordt verstaan een rijklare trekker met bestuurder en een beladen oplegger . Voor de dynamische belasting van de trekker door de oplegger wordt een statisch gewicht P s aangenomen dat rust op de scharnieras van de koppeling en gelijk is aan : P s = P so ( 1 + 0,45 z ) waarin P so het verschil is tussen het maximum beladen gewicht van de trekker en zijn onbeladen gewicht . Voor h wordt aangehouden : h = h o P o + h s P s/P waarin : h o = de hoogte van het zwaartepunt van de trekker , h s = de hoogte van het draagvlak van de opleggerkoppeling , P o = het ledig gewicht van de trekker , P = P o + P s = P 1 + P 2 . 3.1.5.3 . Bij voertuigen uitgerust met een drukluchtreminrichting moet de toelaatbare verhouding tussen quotiënt TM/PM en druk p m binnen de gebieden aangegeven in diagram 3 liggen . 3.2 . Motorvoertuigen met meer dan twee assen De voorschriften van punt 3.1 zijn van toepassing op voertuigen met meer dan twee assen . Aan de voorschriften van punt 3.1.1 wordt voor wat betreft de blokkeervolgorde geacht te zijn voldaan indien bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 de benodigde wrijvingscoëfficiënt voor ten minste één der voorassen hoger is dan de wrijvingscoëfficiënt van ten minste één der achterassen . 4 . VOORSCHRIFT VOOR OPLEGGERS Bij opleggers uitgerust met drukluchtreminrichting moet de toelaatbare verhouding tussen quotiënt TR/PR en druk p m voor beladen en onbeladen toestand liggen in twee zones die moeten worden afgeleid uit de diagram 4A en 4B . Hieraan moet worden voldaan voor alle toegestane beladingstoestanden van de opleggeras(sen ) . 5 . VOORSCHRIFTEN VOOR AANHANGWAGENS 5.1 . Volgende voorschriften gelden alleen voor aanhangwagens uitgerust met drukluchtreminrichting . Zij zijn niet van toepassing op één-assige aanhangwagens en op aanhangwagens met twee assen op een onderlinge afstand van minder dan 2 meter . 5.2 . Voor twee-assige aanhangwagens die niet onder 5.1 zijn uitgezonderd , moeten de voorschriften van punt 3.1 worden toegepast . 5.3 . Voor aanhangwagens met meer dan twee assen gelden de voorschriften van punt 3.2 . 6 . VOORSCHRIFTEN WAARAAN MOET WORDEN VOLDAAN BIJ UITVALLEN VAN HET SYSTEEM VOOR HET VERDELEN VAN DE REMKRACHT Wanneer aan de voorschriften van dit aanhangsel wordt voldaan door middel van een bijzondere inrichting ( b.v . mechanisch bediend door de asophanging van het voertuig ) , moet , indien het een motorvoertuig betreft , bij het uitvallen van die inrichting of de bediening daarvan het mogelijk zijn het voertuig tot stilstand te brengen onder de voorschriften voorzien voor de hulpreminrichting . Indien het een aanhangwagen of een oplegger betreft , moet bij het uitvallen van de bediening van die bijzondere inrichting ten minste 30 % van de voorgeschreven bedrijfsremwerking worden verkregen . 7 . MERKTEKENS 7.1 . Op voertuigen , met uitzondering van die behorend tot de categorie M1 , waarbij aan de voorschriften van dit aanhangsel is voldaan door middel van een door de asophanging van het voertuig mechanisch bediende inrichting , moeten merktekens zijn aangebracht die het bereik van de nuttige slag van de inrichting aangeven tussen de standen overeenkomend met onbeladen en beladen toestand van het voertuig . 7.2 . Indien aan de voorschriften van dit aanhangsel wordt voldaan door middel van een inrichting werkend op druklucht , moeten op het voertuig de waarden van de druk bij de uitgang van de inrichting zijn vermeld bij volremming in de beide toestanden van het voertuig , namelijk onbeladen en beladen . 7.3 . De in de punten 7.1 en 7.2 hierboven genoemde merktekens moeten zichtbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht . 8 . CONTROLE VAN HET VOERTUIG Bij de E.E.G.-typegoedkeuring van een voertuig moet de met de proeven belaste technische dienst overgaan tot het verrichten van de keuringen en eventueel van aanvullende proeven die door deze dienst nodig worden geacht om zich ervan te vergewissen dat aan de voorschriften van het onderhavige aanhangsel is voldaan . Het verslag van de aanvullende proeven moet bij het E.E.G.-goedkeuringsformulier worden gevoegd . ( 1 ) Onder " krommen van de benodigde wrijvingscoëfficiënt " voor het voertuig verstaat men de krommen die de voor bepaalde beladingstoestanden benodigde wrijvingscoëfficiënt voor elke as i als functie van de vertragingsfactor van het voertuig aangeven . ( 2 ) Bij opleggers wordt onder z verstaan de remkracht gedeeld door het statisch gewicht onder de opleggeras(sen ) . ( 3 ) De voorschriften van punt 3.1.1 zijn niet van invloed op de voorschriften van Bijlage II betreffende de remprestaties . Worden evenwel proeven volgens punt 3.1.1 verricht , waarbij vertragingsfactoren worden bereikt die groter zijn dan de daarmede overeenkomende voorgeschreven remprestaties in Bijlage II , dan gelden deze voorschriften voor de krommen van de wrijvingscoëfficiënt voor het gehele gebied bepaald in de diagrammen 1A en 1B door de rechten k = 0,8 en z = 0,8 . DIAGRAM 1 A VOERTUIGEN VAN CATEGORIE M1 ( zie punt 3.1.1 . ) : zie P.b . DIAGRAM 1 B MOTORVOERTUIGEN NIET BEHORENDE TOT CATEGORIE M1 ( zie punt 3.1.1 . ) : zie P.b . DIAGRAM 2 VRACHTAUTO'S EN AANHANGWAGENS ( zie punt 3.1.4.1 . ) : zie P.b . DIAGRAM 3 TREKKERS VOOR OPLEGGERS ( zie punt 3.1.5 . ) : zie P.b . DIAGRAM 4 A OPLEGGERS ( zie punt 4 . ) : zie P.b . DIAGRAM 4 B ( zie punt 4 . ) : zie P.b . Toelichting inzake het gebruik van diagram 4 B 1 . Formule waarvan diagram 4 B is afgeleid luidt : K = ( 1,7 - 0,7PR/PR max ) ( 1,35 - 0,96/E R ( 1,0 + ( h R - 1,2 ) P/PR ) ) - ( 1,0 - PR/PR max ) ( ( h R - 1,0 ) /2,5 ) 2 . Omschrijving van het gebruik aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld . 2.1 . De stippellijnen in diagram 4B hebben betrekking op de bepaling van de factoren K c en K v voor het volgende voertuig , waarbij : * Beladen * Onbeladen * P * 24 t * 4,2 t * PR * 15 t * 3 t * PR max * 15 t * 15 t * h R * 1,8 m * 1,4 m * E R * 6,0 m * 6,0 m * In de volgende punten hebben de cijfers tussen haakjes uitsluitend betrekking op het voertuig dat wordt gebruikt om het gebruik van diagram 4 B te illustreren . 2.2 . Bereken de verhoudingen ( a ) ( P/PR ) beladen ( = 1,6 ) ( b ) ( P/PR ) onbeladen ( = 1,4 ) ( c ) ( PR/PR max ) onbeladen ( = 0,2 ) 2.3 . Bepaling van de factor K c ( beladen ) ( a ) Begin bij de van toepassing zijnde waarde h R ( h R = 1,8 m ) ( b ) Beweeg in horizontale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn P/PR ( P/PR = 1,6 ) ( c ) Beweeg in verticale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn E R ( E R = 6,0 m ) ( d ) Beweeg in horizontale richting tot de verticale as en lees de waarde van K c af ; K c is de vereiste factor ( beladen ) ( K c = 1,04 ) 2.4 . Bepaling van de factor K v ( onbeladen ) 2.4.1 . Bepaling van de factor K2 ( a ) Begin bij de van toepassing zijnde waarde h R ( h R = 1,4 m ) ( b ) Beweeg in horizontale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn PR/PR max in de groep rechten die het dichtst bij de verticale as is gelegen ( PR/PR max = 0,2 ) ( c ) Beweeg in verticale richting tot aan de horizontale as en lees de waarde van K2 af ( K2 = 0,13 ) 2.4.2 . Bepaling van de factor K1 ( a ) Begin bij de van toepassing zijnde waarde h R ( h R = 1,4 m ) ( b ) Beweeg in horizontale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn P/PR ( P/PR = 1,4 ) ( c ) Beweeg in verticale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn E R ( E R = 6,0 m ) ( d ) Beweeg in horizontale richting tot aan de van toepassing zijnde lijn PR/PR max in de groep rechten die het verst is verwijderd van de verticale as ( PR/PR max = 0,2 ) ( e ) Beweeg in verticale richting tot aan de horizontale as en lees de waarde van K1 af ( K1 = 1,79 ) 2.4.3 . Bepaling van de factor K v De factor K v ( onbeladen ) wordt verkregen d.m.v . de volgende vergelijking : K v = K1 - K2 ( K v = 1,66 ) . BIJLAGE IX MODEL VAN MEDEDELING BETREFFENDE DE E.E.G.-TYPEGOEDKEURING VAN EEN VOERTUIG MET BETREKKING TOT DE REMINRICHTINGEN Na punt 17 , worden punten 17 bis en 17 bis 1 , als hierna weergege ven , toegevoegd : 17 bis Verdeling van de remkracht over de assen van het voertuig 17 bis 1 Voldoet het voertuig aan de voorschriften van aanhangsel ad 1.1.4.2 ... ja/neen ( 4 ) .