This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 11997D/DCL
Treaty of Amsterdam amending the Treaty on European Union, the Treaties establishing the European Communities and certain related acts - Declarations on Article K.7 of the Treaty on European Union as amended by the Treaty of Amsterdam
Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten - Verklatingen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam
Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten - Verklatingen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam
PB C 340 van 10.11.1997, p. 308–308
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, GA, IT, NL, PT, FI, SV)
Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten - Verklatingen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam
Publicatieblad Nr. C 340 van 10/11/1997 blz. 0308
Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten - Verklatingen ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam (97/C 340/05) Bij de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam op 2 oktober 1997 heeft de Italiaanse Republiek als depositaris van het verdrag de volgende verklaringen ontvangen overeenkomstig artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam: "Bij de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam hebben verklaard de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder de in artikel K.7, leden en 3, omschreven voorwaarden te aanvaarden: het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk, onder de in lid 3, onder b), omschreven voorwaarden. Bij het afleggen van bovengenoemde verklaring behouden het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en de Republiek Oostenrijk zich het recht voor in hun nationale recht te bepalen dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of de uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie.¨. Voorts heeft het Koninkrijk der Nederlanden verklaard dat Nederland de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zin van bovengenoemd artikel K.7 zal aanvaarden; zijn regering onderzoekt overeenkomstig lid 3 van dat artikel nog of de bevoegdheid om een vraag voor te leggen aan het Hof kan worden toegekend aan andere rechterlijke instanties dan die waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.