EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02020R1429-20201223

Consolidated text: Verordening (EU) 2020/1429 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/1429/2020-12-23

02020R1429 — NL — 23.12.2020 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2020/1429 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 oktober 2020

tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 333 van 12.10.2020, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2180 VAN DE COMMISSIE van 18 december 2020

  L 433

37

22.12.2020




▼B

VERORDENING (EU) 2020/1429 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 oktober 2020

tot vaststelling van maatregelen voor een duurzame spoorwegmarkt naar aanleiding van de COVID-19-uitbraak

(Voor de EER relevante tekst)



▼M1

Artikel 1

Bij deze verordening worden tijdelijke regels vastgesteld inzake de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur als bedoeld in hoofdstuk IV van Richtlijn 2012/34/EU. Zij is van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2021 (“de referentieperiode”) van toepassing op het gebruik van spoorweginfrastructuur voor binnenlands en internationaal spoorvervoer die onder die richtlijn valt.

▼B

Artikel 2

Verlaging, kwijtschelding of uitstel van heffingen voor het minimumtoegangspakket en van reserveringsheffingen

1.  
Niettegenstaande artikel 27 en artikel 31, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU en met inachtneming van de staatssteunregels, mogen de lidstaten infrastructuurbeheerders toestaan heffingen voor het minimumtoegangspakket en voor toegang tot infrastructuur die dienstvoorzieningen verbindt, waar passend naargelang de in hun netverklaringen bepaalde marktsegmenten, die tijdens de referentieperiode verschuldigd waren of zullen zijn op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze te verlagen, kwijt te schelden of uit te stellen.
2.  
Niettegenstaande artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU en met inachtneming van de staatssteunregels, mogen lidstaten infrastructuurbeheerders toestaan de draagkracht van de marktsegmenten om extra heffingen te betalen, in de zin van artikel 32, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU, te evalueren met het oog op een eventuele verlaging van de voor de referentieperiode verschuldigde bedragen.
3.  
Niettegenstaande artikel 27 en artikel 36, derde zin, van Richtlijn 2012/34/EU en met inachtneming van de staatssteunregels, mogen de lidstaten infrastructuurbeheerders toestaan alle aanvragers, met inbegrip van spoorwegondernemingen, vrij te stellen van de betaling van reserveringheffingen voor tijdens de referentieperiode toegewezen maar niet gebruikte capaciteit. Daarbij handelen de lidstaten en de infrastructuurbeheerders op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze.
4.  
Niettegenstaande artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/34/EU en met inachtneming van de staatssteunregels, vergoeden de lidstaten de infrastructuurbeheerders voor het specifieke financiële verlies dat zij hebben geleden door de toepassing van de leden 1, 2 en 3, van dit artikel uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het verlies werd geleden. Die vergoeding doet geen afbreuk aan de verplichting van de lidstaten uit hoofde van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/34/EU om ervoor te zorgen dat de winst- en verliesrekening van een infrastructuurbeheerder over een redelijke periode, van maximaal vijf jaar, in evenwicht blijft.
5.  
De lidstaten delen de Commissie de uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen uiterlijk drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening mede, en delen de Commissie daaropvolgende maatregelen of wijzigingen daarvan mede. De Commissie maakt deze informatie bekend.

Artikel 3

Aanpassingen van de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur

De infrastructuurbeheerders wijzigen desgevallend en onverwijld de in artikel 27 van Richtlijn 2012/34/EU bedoelde netverklaring, teneinde in die verklaring te vermelden welke criteria zij hanteren naar aanleiding van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 2 van deze verordening genomen maatregelen.

Artikel 4

Toezichthoudende instantie

Artikel 56 van Richtlijn 2012/34/EU isvan toepassing op de verlaging, kwijtschelding of uitstel van heffingen voor het minimumtoegangspakket en van reserveringsheffingen als bedoeld in artikel 2 van deze verordening en op de aanpassingen van de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 3 van deze verordening, wat betreft de in de artikelen 2 en 3 van deze verordening vastgestelde criteria die van toepassing zijn op infrastructuurbeheerders.

Artikel 5

Verlenging van de referentieperioden

1.  
Uiterlijk op 1 november 2020 verstrekken de infrastructuurbeheerders de Commissie gegevens over het gebruik van hun netwerken, ingedeeld per marktsegment, overeenkomstig artikel 32, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU voor de perioden van 1 maart 2019 tot en met 30 september 2019 en van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020.

Indien de referentieperiode wordt verlengd, verstrekken de infrastructuurbeheerders de Commissie een nieuwe reeks gegevens wanneer de verlenging van de referentieperiode voor de helft verstreken is, teneinde de Commissie in staat te stellen de ontwikkeling van de situatie gedurende de verlenging van de referentieperiode te beoordelen.

2.  
Indien de Commissie op basis van de in lid 1 bedoelde gegevens vaststelt dat er sprake is van de terugval van het spoorkeer ten opzichte van het niveau tijdens de overeenkomstige periode van de voorgaande jaren aanhoudt en waarschijnlijk zal aanhouden, en indien zij op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens tevens tot de bevinding komt dat deze situatie haar oorsprong vindt in de gevolgen van de COVID-19-uitbraak, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 6 gedelegeerde handelingen vast om de in artikel 1 bepaalde referentieperiode dienovereenkomstig te wijzigen. Een dergelijke wijziging kan de referentieperiode slechts met maximaal zes maanden verlengen, waarbij de referentieperiode niet verlengd mag worden tot na 14 april 2022.
3.  
Indien dit door de blijvende gevolgen van de COVID‐19-uitbraak voor de sector van het spoorvervoer in de Unie om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 7 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 6

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van één jaar met ingang van 13 oktober 2020.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn aan de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 7

Spoedprocedure

1.  
Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.
2.  
Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 6, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Top